Alle berichten van Mathijs

Inkomens worden niet ongelijker

(verschenen in: Het Financieele Dagblad, 14-6-2014)

De chaos is compleet. Is de Nederlandse inkomensongelijkheid het afgelopen decennium nu wel of niet toegenomen?

Vorige week dinsdag stelde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat de inkomensverschillen stabiel en relatief klein zijn. Zelfs de crisis heeft niet geleid tot een toename in de ongelijkheid, schreef het CBS in het rapport ‘Welvaart in Nederland’.

Twee dagen later trok de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in het rapport ‘Hoe ongelijk is Nederland’, een heel andere conclusie. De grote meerderheid van de huishoudens ervaart wel degelijk “een toenemende ongelijkheid.” En: “het idee van een stabiele inkomensongelijkheid berust op een defecte maatstaf.”

Ik voorzie jaren met mislukte politieke debatten, waarin de VVD met CBS-cijfers zwaait, en de SP met WRR-grafieken wappert. Iedereen heeft gelijk, en niemand. Of valt er een objectieve keuze te maken tussen de analyses? Volgens mij wel.

Allereerst de maatstaf: het CBS gebruikt de Gini-coëfficiënt, een veelgebruikte indicator van ongelijkheid. Sinds 2000 bleef de Gini min of meer gelijk.

Schermafbeelding 2014-06-21 om 17.30.36

Andere CBS-indicatoren (hoe ze verschillen laat ik hier onbesproken), geven hetzelfde beeld. De Theil-coëfficiënt en de polarisatie-index daalden of bleven gelijk. Conclusie: geen groeiende ongelijkheid.  

Schermafbeelding 2014-06-21 om 17.32.10

Maar de WRR gebruikt wéér een andere indicator. Men wil vooral de veranderingen aan de randen van de inkomensverdeling beschrijven en gebruikt daarvoor de zogenoemde S10:S1-verhouding. Dat is de verhouding tussen het inkomen van de rijkste 10% en dat van de armste 10%.

Volgens het rapport is deze indicator sinds 1977 flink gestegen. Ook in deze eeuw neemt S10:S1 structureel toe. Sinds het begin van de crisis in 2008 is de verdeling tussen rijk en arm 5% schever geworden.

Is dat de verklaring van de verschillende conclusies, CBS en WRR gebruiken een andere indicator? Nee, dat is het niet. Want met de cijfers van het CBS kun je ook de S10:S1 berekenen.

Ik heb dat gedaan: de verhouding tussen het inkomen van de rijkste en armste 10% ligt continu rond de zeven. Geen stijging in zicht. In de grafiek ziet u de ontwikkeling van de S10:S1 volgens de WRR en het CBS. Volgens de eerste stijgt de ongelijkheid, volgens de tweede niet.

Schermafbeelding 2014-06-21 om 17.30.12

Wat is er aan de hand? De oorzaak van dit opvallende verschil ligt in de manier waarop men de rijkste en armste groepen indeelt.  Het CBS neemt de netto-inkomens, dus na belasting en subsidies, en corrigeert deze voor de huishoudsamenstelling. Gezinnen met één kostwinner worden zo vergelijkbaar gemaakt met tweeverdieners. Vervolgens worden die gecorrigeerde netto-inkomens op een rij gezet, van laag naar hoog. De armste 10% vormt de eerst groep (S1), de rijkste 10% de laatste (S10).

De WRR — en nu komt het — doet het net even anders. Men neemt eerst alle bruto-inkomens, en selecteert daaruit de 10% armste en 10% rijkste Nederlanders. Pas dan corrigeert de WRR voor belastingen en huishoud­samenstelling. Dat klinkt als een subtiel verschil, maar dat is het zeker niet. Mensen die behoren tot de groep met de laagste, ongecorrigeerde, bruto-inkomens, hoeven niet ook het laagste netto-inkomen te hebben. Studenten, zelfstandige ondernemers die een slecht jaar draaiden, gepensioneerden (die netto meer overhouden omdat ze minder sociale premies betalen), nemen de plaats in van de echte armen in de onderste inkomensgroep.

De WRR-cijfers laten zien dat de groep met het laagste brutoloon er netto minder op vooruit is gegaan dan de groep met het hoogste brutoloon. De CBS-cijfers tonen aan dat dit niet betekent dat de werkelijke inkomensverdeling tussen Nederlanders met een laag en die met een hoog netto-inkomen ook is verschoven.

Wie wil weten of het werkelijke verschil tussen arm en rijk in Nederland is toegenomen, moet naar de CBS-cijfers kijken, niet naar die van de WRR.

Deze zzp-er wilde in 2006 al bij het ABP

Er komt een speciaal pensioenfonds voor zzp-ers. En de uitvoerder is… APG. Dat is een afgesplitst onderdeel van ambtenarenpensioenfonds ABP. Alle zzp-ers  aan het staatspensioen!

Negen jaar geleden werd ik zelf zzp-er. In 2006 schreef ik een brief aan het ABP met het verzoek mij als lid van het pensioenfonds kon worden. Zo’n staatspensioen zou immers eigenlijk voor alle belastingbetalers toegankelijk moeten zijn, redeneerde ik.

Ik laat even in het midden of het wel een goed idee was, om bij het ABP te willen. Hieronder de twee columns die ik in 2006 voor (het inmiddels ter ziele gegane) FEM Business schreef over mijn correspondentie met het ABP.

 

imgres

Verschenen in: FEM Business 8 juli 2006

Ondernemer wil staatspensioen

Verbetering van het ondernemersklimaat. Dat zou een van de belangrijkste doelstellingen van het volgende kabinet moeten zijn. Met een zakkam en fileermes door alle bestaande wetten en regelingen heen gaan, op zoek naar factoren die het ondernemerschap ontmoedigen en belemmeren. Te beginnen bij de pensioenregels, want daar wringt de schoen pijnlijk – vooral voor de kleinere ondernemers. Een zelfstandige die fiscaalvriendelijk wil sparen voor zijn pensioen is op dit moment overgeleverd aan de lijfrenteboeren die met veel plezier zijn zuur verdiende spaargeld verbrassen aan beheerkosten, afsluitprovisies en andere onzin. Nog voordat er iets zinnigs met de inleg gebeurt is, is er al zo acht tot tien procent in rook opgegaan. Eerder dit jaar stelde VVD en PvdA voor om ook banken toe te laten op de lucratieve lijfrentemarkt. Zo zou het monopolie van de verzekeraars gebroken worden. Maar het is niet gezegd dat deze stap lijfrentes tot een goedkoper pensioenproduct zal maken.

Zelfstandige ondernemers zouden beter af zijn als ze – net als werknemers – terecht konden bij een pensioenfonds. De kosten zijn dan een stuk lager en beleggingsrisico’s worden collectief gedragen. Er worden wel pogingen gedaan een pensioenfonds voor zelfstandigen op te zetten. Bijvoorbeeld door Alternatief voor Vakbond (AVV) de nieuwe rebellenclub onder de vakbonden, die samen met een commerciële partij een pensioenfonds op wil zetten “voor alle werkenden die nu geen mogelijkheid hebben bij een pensioenfonds pensioen op te bouwen”.

Een prima initiatief, maar de oplossing is volgens mij eenvoudiger. Nederland heeft namelijk al een pensioenfonds dat de zoekende ondernemer aan een zorgeloze oude dag kan helpen: het ambtenarenfonds ABP, het grootste pensioenfonds van Europa, en de nummer twee van de wereld. Met een beheerd vermogen van 190 miljard euro en zo’n 2,6 miljoen klanten, kan het ABP zonder veel extra investeringen de spaarpotjes van tienduizenden – of misschien zelfs honderdduizenden –  kleine zelfstandigen beheren. Twee weken geleden werd het voormalige Algemeen Burgerlijk Pensioenfondsnog uitgeroepen tot ‘Best European Institutional Investor of the Decade’, dus Nederlandse ondernemers kunnen hun geld met een gerust hart aan de Heerlense fondsmanagers toevertrouwen. Ondernemen is al risicovol genoeg.

Er is maar een probleem met dit plan: het ABP accepteert alleen ambtenaren als klant. Daar is geen duidelijke reden voor, behalve dat het nu eenmaal zo in de statuten van het pensioenfonds staat. Het gevolg is dat Nederland zichzelf verbiedt om het pensioenprobleem van zelfstandig ondernemers op simpele wijze op te lossen. Maar misschien is de praktijk minder onnozel dan de theorie, en is het ABP – dat tenslotte met belastinggeld overeind wordt gehouden – bereid de maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen en het klantenbestand uit te breiden met kleine ondernemers.

Ik ben zelf ook zo’n zelfstandige die op zoek is naar een veilige en goedkope plek voor zijn pensioenbesparingen. Vandaag doe ik daarom een brief aan John Neervens voorzitter van de directieraad van ABP op de bus:

Geachte heer Neervens,

Al ben ik geen ambtenaar maar een kleine zelfstandige ondernemer, toch zou ik graag het pensioenvermogen dat ik de komende jaren hoop op te bouwen, in de vertrouwde handen van het ABP geven. Graag verneem ik van u welke stappen ik moet zetten om deelnemer van uw pensioenfonds te worden.

Met vriendelijke groet, et cetera.

 Ondernemend Nederland wacht het antwoord met spanning af. Ik houd u op de hoogte.

 

imgres 

Verschenen in: FEM Business 30 juli 2006

Wet Gelijkstelling Zelfstandigen

Het antwoord is ‘nee’. Het ABP wil mijn pensioentje niet beheren. Het ambtenarenpensioenfonds is zo vriendelijk deze negatieve boodschap in een beleefde, persoonlijke brief te vervatten, maar de mededeling is er niet minder duidelijk door. Het grootste pensioenfonds van Europa wil mij niet als klant.

De afwijzing komt niet als een verrassing. Ik ben nu eenmaal geen ambtenaar, maar een kleine zelfstandige. Het was dan ook tegen beter weten in, dat ik vorige maand een brief stuurde aan het ABP met de vraag of ik deelnemer kon. Kleine zelfstandigen zijn in Nederland voor hun pensioenbesparingen aangewezen op kostbare lijfrentepolissen. Het ondernemerschap wordt een stuk aantrekkelijker als ondernemers terecht kunnen bij een pensioenfonds. Bijvoorbeeld bij het ABP, dat door de overheid is opgericht en met belastinggeld wordt gefinancierd.

In theorie ziet het APB wel wat in die nieuwe, maatschappelijke rol. “U stipt een interessante kwestie aan”, begint de brief van waarnemend voorzitter van de directieraad drs. D.M. Sluimers hoopgevend. Maar dan volgt een lange opsomming van regels en wetten die mij – “helaas” –  toegang tot het ABP ontzeggen. De Wet Privatisering ABP (WPA), de statutaire doelstelling van het ABP, de Taakafbakeningsregeling Pensioenfondsen en de Pensioen en Spaarfondsenwet (PSW), alle rechtsgronden van het pensioenfonds spannen samen om mij als kleine zelfstandige buiten het ambtenarenfonds te houden.

Het is illustratief voor de wijze waarop we in Nederland het ondernemerschap benaderen. Met de mond wordt het grote belang van (kleine) ondernemers voor de Nederlandse economie beleden, maar als het er op aankomt, regelt de overheid de zaakjes voor werknemers veel beter dan voor zelfstandigen. Op deze manier maakt de politiek de ‘ondernemersval’ – de afname van inkomenszekerheid van een werknemer die besluit ondernemer te worden – onnodig groot. Het gevolg is dat bijna nergens in de wereld de lust om te ondernemen zo gering is als in Nederland. Onlangs bleek uit een internationaal onderzoek van het EIM dat slechts zes procent van de Nederlanders verwacht de komende drie jaar een eigen bedrijf te starten. Van de 25 onderzochte OESO-landen waren er maar drie met een nog lager percentage.

Hoogste tijd voor onconventionele maatregelen om de ondernemersval drastisch te verminderen. Niet met reparatiewetjes of subtiele aanpassingen van de regels, maar in één groot, allesomvattend gebaar. Nederland heeft een nieuwe wet nodig die zelfstandigen automatisch dezelfde rechten en faciliteiten toekent als werknemers. Noem het de Wet Gelijkstelling Zelfstandigen (WGZ) – want zonder drieletterige afkorting is een wet bij voorbaat kansloos. Verzint de overheid een spaarloonregeling voor werknemers? Met de WGZ in de hand kan de zelfstandige ook fiscaalvriendelijk sparen. Verlofsparen alleen voor werknemers? De WGZ verklaart de regeling automatisch van toepassing op ondernemers. Geen arbeidsongeschiktheidsverzekering? Met de WGZ als breekijzer verschaft iedere ondernemer zichzelf toegang tot de collectieve WIA (de opvolger van de WAO). Hoeven werknemers het inkomensafhankelijke deel van de ziektekostenverzekering niet te betalen? Dan de zelfstandige ook niet. Zelfs de WW zou dankzij de WGZ in principe toegankelijk worden voor zelfstandigen.

Voor een adequate oplossing voor pensioensparende ondernemers is nog een toevoeging aan de wet nodig. Collectieve regelingen die de overheid voor de eigen ambtenaren in het leven roept, staan automatisch open voor ondernemers. Of om in het drieletterige jargon te blijven: WPA en PSW worden buitenspel gezet door de WGZ. ABP, here I come!

Pechtholds Pinksterdag

(Het Financieele Dagblad 11 juni 2014)

Ik blaas een oud ideetje nieuw leven in, dacht Alexander Pechtold maandag. Hij twitterde: ‘Wat zou het economisch effect zijn van het afschaffen van tweede pinksterdag?’ gevolgd door de twitternaam van hoogleraar Bas Jacobs en die van mij.

In 2012 opperde D66-kamerlid Wouter Koolmees al eens om de collectieve vrije dag op tweede pinksterdag te schrappen. Een dag meer werken zou de economie stimuleren en de vergrijzingskosten dragelijker maken. Uit het feit dat Pechtold Jacobs’ en mijn naam toevoegde aan zijn bericht, maak ik op dat hij stilletjes hoopte op bijval.

Misschien verwachtte hij zelfs per kerende tweet een sommetje met de kosten van Pinksteren. Maar daarvoor was het veel te mooi weer. Met vertraging daarom hier mijn gok. Afschaffen van de feestdag zal op korte termijn misschien 0,05% extra groei opleveren (ongeveer € 300 mln). Dat percentage hanteert het CBS als vuistregel voor incidentele extra werkdagen, als bijvoorbeeld kerst in het weekend valt. Op lange termijn levert een extra werkdag maximaal 0,4% op (bijna € 2,5 mrd), de gemiddelde Nederlandse dagproductie. Misschien moet het CPB er maar eens serieus aan rekenen.

Tot die tijd vermaken wij ons met de enorme hoeveelheid reacties die Pechtolds tweet opriep. Het grootste deel was negatief. Pinksteren blijkt voor veel Nederlanders een ongelooflijk belangrijke feestdag. De snelste twitteraars lieten de onderbuik borrelen: niet Pinksteren moeten we afschaffen, maar D66, of Alexander Pechthold, of de gehele Tweede Kamer. Het hele voorstel is een complot van de EU en zonder de euro bleef tweede pinksterdag altijd een vrije dag.

Anderen wezen op de baten van Pinksteren. Zo’n vrije dag levert veel op. Kijk naar de omzetten in de horeca en de kaartverkoop van Pinkpop. Er waren er ook die vonden dat Nederland al veel te weinig vrije dagen heeft. Wij zitten met 25 vakantiedagen onder het Europese gemiddelde, wisten zij. Dat Nederlandse werknemers gemiddeld de kortste werkweek van Europa hebben, twitterde niemand. Echt zielig zijn we dus niet.

De grootste groep ging op de filosofische toer. Je leeft niet om te werken en plezier is belangrijker dan geld, vonden zij. Prachtig, maar waarom moeten we dat levensplezier allemaal op dezelfde dag consumeren? Wie liever wandelt in Landgraaf dan naar oude rockers luistert, heeft op de verkeerde dag vrij.

Afschaffen dan maar, die vrije pinkstermaandag? Wat mij betreft toch niet. Een collectief lang weekend geeft Nederland de kans om gezamenlijk het voorjaar te vieren, met kermis, schuttersfeest, popconcert of tuinfair. Dat is gezelliger en waarschijnlijk ook efficiënter dan vele losse voorjaarsfeesten. Ja, Nederlanders zouden gemiddeld wel wat langer mogen werken, maar op zo’n mooie maandag in het voorjaar even lekker niet.

ECB vecht niet tegen deflatie, maar tegen de hoge rente

(Verschenen in het Financieele Dagblad op 7 juni 2014)

Deflatie is een groot gevaar, want als de prijzen dalen, stellen consumenten hun bestedingen uit.

U hebt deze zin de afgelopen week weer vaak gelezen. Elke keer als ik ’m zie, trek ik uit pure wanhoop een paar haren uit mijn hoofd. Aan mijn foto ziet u hoe erg het intussen is.

Klopt het dan niet, van dat uitstellen? Nee, het klopt niet. Niemand stelt aankopen uit omdat het algemeen prijspeil – want daar hebben we het over bij deflatie – daalt. Dat heeft namelijk geen enkele zin. Denk maar mee: ik koop vandaag geen slaboontjes, want morgen zijn ze goedkoper. Morgen koop ik ze weer niet, want overmorgen gaat de prijs nog verder omlaag. Ik koop dus nooit meer slaboontjes. En omdat mijn hele boodschappenmandje elke dag goedkoper wordt, koop ik nooit meer iets.

Wie eeuwig speculeert op prijsdalingen, sterft van de honger.

Uitstellen van bestedingen is alleen een rationele strategie als de consument weet wanneer de prijsdalingen stoppen. Morgen eten we slaboontjes, want morgen zijn ze in de aanbieding. Maar bij echte deflatie weet niemand wanneer de prijsdalingen stoppen. Uitstel van bestedingen, vanuit een speculatieve motivatie, is daarom niet te verwachten.

Wat is dan het probleem van deflatie? Een dalend prijspeil kan ervoor zorgen dat de reële rente te hoog is. De reële rente is de marktrente minus de (verwachte) inflatie. Het is de prijs van geld nu, ten opzichte van geld straks. Wie zijn geld spaart, kan straks meer kopen als de marktrente hoger is dan de inflatie, maar minder kopen als de inflatie hoger is dan de marktrente.

Een centrale bank die de economie wil stimuleren, verlaagt de officiële rente, in de verwachting dat banken die verlaging doorberekenen aan klanten, zodat de reële rente daalt en bedrijven en consumenten minder sparen en meer lenen. De Europese Centrale Bank (ECB) heeft de officiële rentetarieven afgelopen donderdag tot het absolute nulpunt verlaagd. De rente waartegen banken bij de ECB lenen, staat nauwelijks boven de nul, de rente waartegen ze bij de ECB sparen, zit er nu zelfs iets onder. Lager gaat eigenlijk niet.

Schermafbeelding 2014-06-13 om 18.06.27

Bij een ECB-rente van bijna nul en een Europese inflatie van 0,5% is de reële rente licht negatief. Is dat laag genoeg om investeerders aan te moedigen? Sommige economen vinden van niet. De reële rente zou nog lager moeten en omdat de ECB-rente al op nul staat, moet de ECB de inflatie opdrijven, bijvoorbeeld door massaal staatsobligaties op te kopen, zodat er (misschien) meer euro’s in omloop komen en (misschien) de inflatie stijgt. Kwantitatieve verruiming, net zoals de Amerikaanse Fed doet.

Maar de ECB luistert niet. Men kiest voor een andere weg. Want de ECB-rente mag dan zowat op nul staan, de marktrente doet dat nog lang niet. Vooral kleinere Europese bedrijven betalen nog altijd forse rentes. Voor kleine leningen (tot een kwart miljoen euro) aan Europese bedrijven rekenen de banken gemiddeld ruim 4,5% rente. In veel Zuid-Europese landen ligt dat percentage zelfs nog een stuk hoger. De reële rente is hoog, niet zozeer omdat de inflatie laag is, maar vooral omdat de banken de lage ECB-rente nauwelijks doorberekenen. Bovendien hebben de banken de eisen die ze aan bedrijven stellen, voordat die überhaupt in aanmerking komen voor een lening, flink aangescherpt.

Schermafbeelding 2014-06-13 om 18.05.14

Schermafbeelding 2014-06-13 om 18.19.14

Logisch daarom, dat de ECB donderdag aankondigde vooral iets aan de beschikbaarheid van mkb-krediet te willen doen. Banken mogen goedkoop en lang geld lenen bij de ECB, mits ze dat uitzetten bij bedrijven. Of het gaat helpen weten we niet, want de ECB heeft zoiets nog niet eerder geprobeerd. Maar het klinkt in elk geval een stuk verstandiger dan in het wilde weg staatsobligaties opkopen, in de vage hoop dat daardoor de inflatie stijgt.

Laatste kans voor Eerste Kamer om domste wet van dit kabinet tegen te houden

Typisch Nederlandse consensuspolitiek: een maatregel waar niemand meer blij mee is, kachelt toch gewoon het wetgevingsproces door. Argumenten tellen niet, alleen de politieke werkelijkheid van oude afspraken.

Zo kan het gebeuren dat de Eerste Kamer komende donderdag gaat instemmen met de Wet Werk en Zekerheid, van minister van Sociale Zaken Lodewijk Asscher. Behalve moderniseren van de ontslagbescherming — arbeidsjuristen lopen zich al warm om van gaten in dit deel van de wet te profiteren — moet de wet de rechtspositie van flexwerkers verbeteren. Dat is een fraai streven. Maar Asscher wil dat doel op een buitengewone manier bereiken: door flexwerkers nog meer op te jagen. Nu mogen werkgevers en werknemers in drie jaar tijd drie keer een tijdelijk dienstverband afspreken. Daarna moet er een vaste baan worden aangeboden, of moet de werknemer minstens drie maanden uit dienst. Ketenbepaling, heet die regel in jargon.

Als de wet wordt aangenomen mogen de tijdelijke contracten nog maar twee jaar achtereen worden aangeboden. Bovendien gaat de afkoelperiode omhoog van drie naar zes maanden. Flexwerkers komen dus eerder op straat te staan en moeten vaker op zoek naar een nieuwe werkgever. Ze zullen vaker en daardoor per saldo langer werkloos zijn. Hun toch al onzekere arbeidsleven wordt weer wat ongewisser.

Zo’n maatregel verkopen als ‘verbetering van de rechtspositie van flexwerkers’ is een wrange grap. De regeringsadviseurs konden er dan ook niet om lachen. De Raad van State vreest dat de maatregel contraproductief zal werken en dat zowel de werkzekerheid van flexwerkers als de bereidheid van werkgevers om in hun scholing te investeren zal afnemen.

De economen, arbeidsmarktspecialisten en flexwerkers die ik het afgelopen jaar sprak, delen die vrees. Ik ben niemand tegengekomen die het aanscherpen van de ketenbepaling een goed idee vindt, en niemand die gelooft dat flexwerkers op deze manier meer kans krijgen op een vaste baan.

Zelfs bij de regeringspartijen is er weinig enthousiasme. Als ik VVD’ers en PvdA’ers vraag de logica van deze maatregel uit te leggen, komen ze niet verder dan: ‘Als het niet werkt, draaien we het gewoon weer terug.’ Noem dat maar regeren.

De nieuwe wet komt uit het begin van de huidige kabinetsperio- de, toen Rutte en Asscher hun meerderheden niet zochten bij de oppositiepartijen, maar buiten Den Haag. Een sociaal akkoord met de vakbonden moest het kabinetsbeleid genoeg vaart en massa geven om wetten door de Eerste Kamer te krijgen. De FNV was op dat moment in een machtsstrijd verwikkeld, en interim-voorzitter Ton Heerts had een succesje nodig. Flexwerkertje pesten bleek de oplossing voor deze opstapeling van politieke problemen.

Vooral jongeren zijn de dupe; flexwerkers zijn vaak jonger dan 35 jaar. Flexibele ouderen zijn meestal zzp’er. Ook zijn werknemers met een lage opleiding iets vaker flexwerker dan werknemers met een universitaire of hbo-opleiding. Die groep opjagen is allesbehalve sociaal.Schermafbeelding 2015-05-08 om 21.32.56

 

Schermafbeelding 2015-05-08 om 21.33.45

Sputtert de Eerste Kamer niet tegen? Jawel, een beetje. Met name de VVD-senatoren stelden scherpe vragen over de nieuwe ketenbepaling. Is er wel bewijs dat het de flexwerker helpt, vroegen zij. De minister stuurde de senatoren met een kluitje in het riet. Uit een uitgebreide overzichtsstudie van de Oeso, schreef hij, zou blijken dat het verkleinen van het gat tussen flex en vast leidt tot meer vaste contracten.

Ik heb het onderzoek er maar bij gepakt. Het gaat over vermindering van de bescherming van werknemers met een vaste baan. Minder ontslagbescherming zorgt voor meer vaste banen, stellen de onderzoekers. Uit niets blijkt dat als je de flexwerker maar genoeg opjaagt, door hem te dwingen vaker van werkgever te wisselen, hij sneller een vaste baan vindt.

Senatoren: u weet wat u te doen staat, aanstaande donderdag.

 

Schermafbeelding 2015-05-08 om 21.35.05

 

(Deze column verscheen eerder hier)

Geen weeksalaris?

Geen weeksalaris

Gefopt! De euro heeft u helemaal geen weeksalaris op geleverd. Het Centraal Planbureau had dat weliswaar in 2011 in een boek over de eurocrisis, opgeschreven. Maar dat was blijkbaar een leugentje om bestwil. Oud-CPB-directeur Coen Teulings gaf het afgelopen weekend in de Telegraaf ruiterlijk toe. Als journalist Martin Visser hem voorlegt dat het CPB wel erg z’n best moest doen om op een weeksalaris uit te komen, antwoordt Teulings: “Dat weeksalaris is eerder naar boven afgerond dan naar beneden, bedoelt u te zeggen. Hahaha, dat heeft u goed gezegd.”

Een rel was geboren. CDA-kamerlid Eddy van Heijum riep: “Een blamage”. Mark Harbers van de VVD vond het “beschamend”.

Nu was ik toevallig zelf zijdelings betrokken bij het tot stand komen van het CPB-boek Europa in Crisis, dat was bedoeld voor een groter publiek dan de gebruikelijke lezers van CPB-rapporten.  Ik controleerde als een soort stijlpolitie alle hoofdstukken op leesbaarheid en gaf redactioneel advies. Daarom was ik verbaasd over de uitspraak van Teulings. Dat het CPB de baten van de euro naar boven zou hebben afgerond, is moeilijk voor te stellen. Het CPB heeft die baten namelijk helemaal niet zelf onderzocht.

Het weeksalaris komt uit een Brits onderzoek uit 2008. Zes onderzoekers van het National Institute of Economic and Social Research deden een behoorlijk uitgebreid statistisch onderzoek naar de invloed van de monetaire unie op de economische groei van noordelijke Europese landen, waaronder Nederland. Zij komen uit op een (statistisch significant) positief effect van de euro op economische groei, van 2,1%.

Nederland moet ruim 7,6 dagen werken om 2,1% van het bruto binnenlands product te verdienen. Het CPB rond dat in het boek naar beneden af – nee, dus niet naar boven – om op een weeksalaris te komen.

Natuurlijk kun je er aan twijfelen of deze conclusies op basis van een enkel onderzoek wel te trekken is. En of de baten van euro wel überhaupt wel in geld uit te drukken zijn. Je moet dit soort onderzoeken altijd met een flinke korrel zout nemen. Dat is dan ook precies wat het CPB-boek doet. “Het precieze effect van de EMU op de groei is lastig vast te stellen”, schrijft het Planbureau. En: “ De winst van de invoering van de euro is minder duidelijk dan die van de interne markt.”

Het hoofdstuk waar nu de heibel over is ontstaan is allesbehalve een lofrede op de voordelen van de euro. Integendeel, er wordt zelfs hardop getwijfeld of het voor sommige landen wel zo’n goed idee is geweest om de eigen munt op te geven. Tegelijkertijd is het boek wel zeer stellig over ene ander actueel onderwerp: voor landen die de euro hebben ingevoerd, zijn de kosten van uit de monetaire unie stappen zeer groot. Veel meer dan een weeksalaris.

Verscheen eerder in het FD

 

Naschrift:

Een andere bron die expliciet wordt genoemd in Europa in Crisis is het rapport Study on the Impact of the European Trade and Foreign Direct Investment dat econoom Richard Baldwin in 2008 schreef.  Baldwin rekent voor dat door de euro de handel tussen eurolanden met ongeveer 5% is toegenomen.

Uit Europa in Crisis (p79):
“Baldwin had zijn resultaten niet uitgesplitst naar de individuele eurolanden, maar als de vijf procent ook voor Nederland geldt, komt dat overeen met ongeveer één weekloon bovenop de dertiende maand uit het vorige hoofdstuk [baten van de EU, MB]. Dat voordeel komt elk jaar weer terug. ”

(overige literatuurverwijzingen hier) 

 

Telegraaf shopt selectief in EU-rapport

“Europeanen hebben weinig vertrouwen in EU”, schrijft de Telegraaf vandaag (13-5). Dat zou blijken uit de laatste Eurobarometer, het periodieke onderzoek van de Europese Commissie naar de stemming onder Europese burgers (pdf).

Het artikel gaat verder: “Bijna twee derde van de Europeanen heeft het gevoel dat zijn of haar stem niet gehoord wordt in Brussel.”

Maar klopt het ook? Nou nee, niet precies. In de Eurobarometer werd de volgende vraag voorgelegd aan duizenden EU-burgers: “I would like to ask you a question about how much trust you have in certain institutions. For each of the following institutions, please tell me if you tend to trust it or tend not to trust it”. Dan volgden vijf verschillende politieke instituties: de Europese Unie, de nationale regering, het nationale parlement, politieke partijen en lokale overheid. Hier de uitslag, gerangschikt naar afnemend vertrouwen:

Schermafbeelding 2014-05-13 om 10.22.52

U ziet het. Na lokale overheid hebben de burgers het meest vertrouwen in de Europese instelling. Of beter: ze staan er het minst wantrouwend tegenover. Burgers wantrouwen alle politieke lagen, maar in de nationale politiek hebben Europeanen minder vertrouwen dan in de EU.

Dat was een leuke kop geweest: “Europeanen hebben meer vertrouwen in EU dan in nationale politiek”. Maar blijkbaar niet voor de Telegraaf.

 

Nederland is al Piketty-proof

De dood is een fantastische belastinggrondslag. Belast arbeid, en mensen gaan minder werken. Belast de dood en mensen gaan nog steeds dood. Daarom is erfbelasting een prima idee. Zo’n ‘sterftax’ leidt niet tot verandering van gedrag en is daarmee, in economentaal, efficiënt. Hoe duurder de dood, des te goedkoper kan het leven zijn.

Nederland kent een relatief hoge erfbelasting. In Europa pikken alleen de Spaanse en Belgische belastingdienst gemiddeld een groter deel van de erfenis in, zo blijkt uit onderzoek van accountantsclub AGN. Het levert onze overheid een bescheiden, maar vrij stabiele inkomstenstroom op van pakweg anderhalf miljard per jaar.

 

Schermafbeelding 2014-10-25 om 12.09.51

Erfbelasting mag dan efficiënt zijn, vermogende Nederlanders vinden deze belasting vooral oneerlijk. Dubbele belasting, klaagt men, want er is al inkomstenbelasting betaald. De VVD had het afschaffen van erfbelasting tot voor kort dan ook hoog op de agenda staan.

Maar tegenstanders van erfbelasting hebben sinds kort de wind tegen. De Franse econoom Thomas Piketty schreef een dik boek over ongelijkheid en vermogen, dat de afgelopen weken uitgroeide tot een wereldwijde hit. De rijken worden steeds rijker, beweert Piketty. In de 21ste eeuw krijgen we weer te maken met renteniersfamilies waarvan de kinderen generatie na generatie rijker zijn dan hun ouders. Alleen met vermogens- en erfbelasting valt de ongelijkheid binnen de perken te houden. Capital in the Twenty-first Century heet Piketty’s boek. (Koop dit boek niet! Leen het, steel het desnoods, want het succes dreigt de auteur zelf smerig rijk te maken. Dat moeten we niet willen.)

Het boek is prachtig in z’n historische beschrijving, maar nogal suggestief in z’n voorspellingen. Gaan we echt terug naar de rijke renteniers uit de boeken van Jane Austen, zoals Piketty beweert? Ik heb m’n twijfels. Zeker voor Nederland, want wij belasten erfenissen behoorlijk zwaar.

Schermafbeelding 2014-10-25 om 09.49.28

De tarieven lopen op met de omvang van de erfenis en met de graad van verwantschap. De Belastingdienst heeft een handig rekentooltje online staan. Daarin vulde ik een erfenis van € 5 mln in, voor verschillende types begunstigden. Weduwen en weduwnaars betalen het minst: € 863.000, of 17,3%. Kinderen moeten iets meer afrekenen (€ 984.000, 19,7%).

Schermafbeelding 2014-10-25 om 09.52.12

Is dat genoeg om de groei van vermogens te stoppen? Een rekenvoorbeeld: we nemen een familie die begint met € 10 mln op de bank. Iedere generatie krijgt precies twee kinderen, en die kinderen overleven hun ouders telkens dertig jaar. Ik maak nog een paar veronderstellingen: uit het vermogen wordt niet geconsumeerd en de familieleden trouwen straatarme echtgenoten.

De eerste twee kinderen erven ieder de helft van het startkapitaal, dus € 5 mln. Examenvraag: hoe hoog moet de erfbelasting zijn om te zorgen dat de kinderen van de volgende generaties ook telkens € 5 mln erven van hun ouders?

Volgens Piketty ligt het rendement  op kapitaal de komende eeuw (na aftrek van inflatie) op zo’n 4,3%. Dat lijkt me best veel, maar laten we hier van dat percentage uit gaan. Het familiekapitaal wordt belegd in ‘Piketty-bonds’ en rendeert per generatie dertig jaar lang met 4,3% per jaar.

Daar gaat in Nederland 1,2%-punt als vermogensrendementsheffing vanaf. Blijft over een nettorendement van 3,1%. Bij dit rendement heeft een familielid dat € 5 mln erft, na dertig jaar € 12 mln. Om dat te verminderen tot € 10 mln, zodat de kinderen ieder weer € 5 mln krijgen, moet de erfenisbelasting 20% bedragen. Dat is het antwoord: bij een erfbelasting van 20% groeit het vermogen per kind niet. Zonder die belasting gaat het vermogen per kind in drie generaties richting € 40 mln (zie grafiek).

Schermafbeelding 2014-10-25 om 09.48.08

Kinderen betalen bij de huidige Nederlandse tarieven 19,7% over een erfenis van € 5 mln. Dat is vrijwel in de roos. Bravo! Nederland is ‘Piketty-proof’.

Hartelijk dank aan de dolle mina’s op de arbeidsmarkt

De Nederlandse arbeidsmarkt kampt met een nieuw probleem: het aantal ontmoedigden neemt snel toe.

De werkloosheid blijft al een maand of negen min of meer gelijk, maar dat komt alleen doordat werklozen zich gedesillusioneerd afwenden van de arbeidsmarkt. Ze hebben de moed opgegeven en zijn gestopt met solliciteren.

Volgens de definitie van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) ben je werkzoekende als je de afgelopen vier weken actief hebt gezocht naar een baan. Ontmoedigde werklozen tellen niet mee in het officiële werkloosheidscijfer.

Dat klinkt niet best. Goed nieuws over niet langer oplopende werkloosheid blijkt in werkelijkheid slecht nieuws over gedesillusioneerde Nederlanders die zelfs te moedeloos zijn om een sollicitatiebrief te schrijven. De beroepsbevolking (werkenden plus werkzoekenden) krimpt en dat is uiterst beroerd.

Gelukkig dan maar dat die laatste zin onwaar is. Als je tenminste je vizier net even anders afstelt. Tussen haakjes, dat is precies wat ik in deze nieuwe rubriek wil doen: vanuit een net even andere hoek naar de economische actualiteit kijken.

Gedurende de crisis is de Nederlandse beroepsbevolking niet gekrompen, maar juist gegroeid. Vergeleken met begin 2008 zijn er nu 118.000 mensen meer actief op de arbeidsmarkt. Er zijn per saldo dus meer ‘bemoedigden’ dan ontmoedigden.

Wie zijn deze verse arbeidskrachten die zich — crisis of geen crisis — meldden op de arbeidsmarkt? Eén ding weten we zeker over deze groep: het gaat hier om vrouwen. Want terwijl het aantal mannen dat werkt of werk zoekt met 66.000 daalde, nam het aantal vrouwen op de arbeidsmarkt sinds 2008 met 185.000 toe.

Schermafbeelding 2014-12-13 om 11.52.21

Een opzienbarend gevolg van deze toestroom van vrouwen op de arbeidsmarkt is dat de werkgelegenheid onder vrouwen gedurende de crisisjaren is gestegen. Er werken nu 23.000 vrouwen méér dan begin 2008. De werkgelegenheid onder mannen daalde in de crisis met 273.000. Mannen van Nederland: vergeet de Pool, vergeet de robot, het was uw eigen vrouw die uw baan inpikte!

De opkomst van de vrouw op de arbeidsmarkt is natuurlijk al veel langer bezig. De brutoarbeidsparticipatie — dat is het aantal vrouwen dat werkt of wil werken ten opzichte van het totaal aantal vrouwen tussen 15 en 65 jaar oud — stijgt al veel langer. In 1996 was minder dan 50% van de vrouwen actief op de arbeidsmarkt. Inmiddels is dat bijna 65%.

Schermafbeelding 2014-12-13 om 11.52.47

Die toename komt slechts ten dele doordat vrouwen die eerst niet wilden werken, toch op zoek zijn gegaan naar werk. Belangrijker is dat generaties vrouwen met een lage arbeidsparticipatie, met het verstrijken van de tijd, worden vervangen door generaties met een grotere wens om te werken. De emancipatiegolf van decennia geleden rolt langzaam maar zeker door de arbeidsmarkt heen.

Daarom steeg vooral onder vrouwen van middelbare leeftijd de participatie gedurende de crisis. In 2008 was 52% van de vrouwelijke 45-plussers actief op de arbeidsmarkt. Nu is dat bijna 62%. Een generatie met lage participatiegraad ging met pensioen en werd opgevolgd door een cohort van veel actievere 45-plussers.

De laatste paar maanden zien we dat, ondanks de emancipatiegolf, de participatiegraad van vrouwen wat daalt. Ook onder vrouwen stijgt de werkloosheid snel. Het zijn hopelijk de laatste stuiptrekkingen van de crisis. Daarna, als de economie weer stevig gaat groeien, wordt die groei mede mogelijk gemaakt door de structureel stijgende participatie van vrouwen. De dolle mina’s uit 1970 worden hartelijk bedankt!

(verscheen eerder hier)

Met zes ondernemers met lef in DWDD

De afgelopen twee seizoenen nam ik succesvolle ondernemers mee naar de tafel van Matthijs van Nieuwkerk. In de hoop dat iets van het optimisme, lef en vooral plezier zou overslaan op het somberende Nederland.

We begonnen met de West-Fries Jan Willem Breukink van Incotec, die tomatenzaadjes maakt die duurder zijn dan goud en eindigden met de Afrikaanse stoffen van Vlisco uit Helmond

Daartussen Rinze van der Schuit, die de sterkste en slimste kabels ter wereld maakt, de camera’s van Orlaco, de fiets van Van Moof en de transportschepen van Dockwise. zes bijzondere ondernemers met bijzondere verhalen.

Voor wie ze gemist heeft of nog eens terug wil kijken, hier de fragmenten:

Incotec

Orlaco

Van Moof

Dockwise

Fibremax

Vlisco