Belast Poetin

Europa wil een boycot van Russische olie. Keihard en zonder genade. Maar vooral: niet te snel. Rusland heeft ons in een wurggreep en daar gaan we ons pas eind 2022 een beetje uit losmaken. Tot die tijd: hou je adem in, Oekraïne, hulp is tergend langzaam onderweg!

Waarom niet sneller? Omdat de Europese economie een plotselinge boycot niet aankan, denkt Brussel. De olieprijs zou te snel stijgen. En vooral: van die hoge prijs zou Poetin juist profiteren, dus alleen een langzame boycot doet Rusland pijn.

Er is een alternatief: een forse importheffing in plaats van een boycot. Ik pleitte er al eerder voor en vorige week publiceerde de Brusselse denktank Bruegel een mooie analyse over zo’n oliebelasting. Daarmee tref je Poetin direct, omdat hij zijn olie uiteindelijk tegen wereldmarktprijzen moet verkopen, dus het grootste deel van de importheffing zal dragen. De opbrengst daarvan gaat dan grotendeels naar ons.

Mochten binnenlandse energiekosten er eventueel toch wat door stijgen, dan is er dus geld om dat koopkrachtverlies te compenseren. En geef de rest aan Oekraïne, als compensatie voor onze trage reactie.

FD

Inflatie weer extreem hoog, maar we zijn nog niet terug in de seventies

Nadat het CBS het inflatiecijfer 9,8% voor april had gepubliceerd, leek de doelstelling van het kabinet om de prijsstijging dit jaar onder de 8% te houden onhaalbaar. FNV-voorzitter Wim Kok stelde daarom een algemene prijsstop voor. Minister van Economische Zaken Ruud Lubbers zag hier echter geen reden voor. Er was nog kans dat het inflatiedoel wel gehaald werd.

Maar nee, het zou niet lukken. De inflatie kwam voor heel 1976, want uit dat jaar komt dit nieuws, uit op 8,8%. April bleek wel de maand waarin de inflatie piekte. Daarna minderden de prijsstijgingen wat vaart. In de decennia na 1976 was de inflatie zelfs nooit meer zo hoog als in april van dat jaar. Maar afgelopen maand kwamen we wel in de buurt. In maart 2022 bedroeg de inflatie 9,7%. ‘Dat is het hoogste percentage sinds april 1976’, stelde het CBS donderdag.

Dat vraagt natuurlijk om een vergelijking tussen toen en nu. Al was het maar omdat, naarmate de inflatie in Nederland verder oploopt, meer mensen somberen over ‘stagflatie zoals in de jaren zeventig’.

Er zijn dan ook opvallende overeenkomsten. Net als nu werd de inflatie 46 jaar geleden aangewakkerd door hoge energieprijzen. In 1976 zat men nog met de naweeën van de eerste oliecrisis, toen de olieprijs meerdere keren over de kop ging. De hoge inflatie die dat veroorzaakte, leidde tot hoge lonen. Automatische prijscompensatie was toen nog de regel, waardoor een loon-prijsspiraal ontstond. In 1976 stegen de cao-lonen zelfs met 9%. De beleidsdiscussie ging dan ook vooral over de vraag: wie moet als eerste z’n verlies nemen? De ondernemers, door hogere kosten niet langer door te berekenen in de prijzen? Of de werknemers, door genoegen te nemen met onvolledige prijscompensatie. Wim Kok koos met zijn prijsstop voor de eerste optie.

Dat is een eerste verschil tussen 1976 en nu: automatische prijscompensatie bestaat niet meer, de macht van de vakbond is afgenomen, dus het gevaar voor een loon-prijsspiraal is nu kleiner. De energieschok zou dan niet tot langdurige inflatie hoeven te leiden.

En een overeenkomst: een kabinet met een gat in de hand. De hoge inflatie werd in 1976 ook aangewakkerd door snel stijgende collectieve uitgaven. Het kabinet-Den Uyl wilde de uitkeringen verhogen en investeren in volkshuisvesting, welzijn en onderwijs. Rutte IV heeft minstens zulke grote ambities. Naast woningbouw en onderwijs gaan er miljarden naar klimaat, stikstof en defensie. Het gevaar bestaat dat dit de inflatie, en de lonen, verder opdrijft. Overigens stonden de staatsfinanciën er tijdens Den Uyl beter voor dan nu, met een kleiner tekort en een kleinere staatsschuld.

Werkloosheid werd ook als een probleem gezien in 1976. Al lag het met 4,6% bepaald niet extreem hoog, de eerste golf babyboomers kwam de arbeidsmarkt op en zij vonden al moeilijker werk. Een voorbode van de hoge jeugdwerkloosheid in latere jaren. Die situatie is onvergelijkbaar met nu. In 2022 is de werkloosheid extreem laag en de arbeidsmarkt structureel krap, doordat de babyboomers die nu juist massaal verlaten.

Andere opvallende verschillen: in 1976 knalde de arbeidsproductiviteit omhoog met bijna 4% en dat vonden we toen nog doodgewoon. De loonstijgingen waren dus deels terecht, want werknemers presteerden steeds meer. Anno 2022 stijgt de productiviteit nauwelijks meer. Prijscompensatie in de lonen is daardoor pijnlijker voor werkgevers.

Tegelijk kunnen werknemers een periode met koopkrachtdaling makkelijker aan. De financiële buffers van de gemiddelde Nederlander (nee, niet van iedereen) zijn nu groter dan in 1976. De particuliere spaarquote was toen zelfs negatief en is nu met bijna 7% heel gezond. Dat geldt ook voor het bedrijfsleven. Zoals DNB-president Klaas Knot onlangs stelde: in de jaren zeventig had Nederland een probleem met winstgevendheid en concurrentiepositie. Daar is nu geen sprake van.

In de vergelijking met 1976 zie ik economisch daarom meer verschillen dan overeenkomsten. Dat neemt niet weg dat in de maatschappelijke discussie over prijscompensatie, loonkosten en uiteindelijke bezuinigingen op de ambitieuze uitgavenplannen van het kabinet, de echo van de jaren zeventig steeds weer zal doorklinken.

FD

Briesje of storm?

In maart 2020 dacht ik: de huizenprijzen gaan dalen. Corona had Nederland bereikt, de angst was groot en er kwam vast flinke werkloosheid aan. Geen goed moment om een huis te kopen.

Ik was niet de enige. Ook bankeconomen vreesden een slechte huizenmarkt. Het CPB verwachtte dat de prijzen eerst nog zouden doorstijgen, maar dat in 2021 de daling zou inzetten. Mocht er een tweede coronagolf komen, dan zou het nog sneller omlaag gaan, schreef het Planbureau in maart 2020.

We kregen een tweede golf. En ook een derde. Maar de huizenprijzen bleven stijgen. De lockdowns maakte het eigen huis een geliefd object, door de NOW-regeling hield bijna iedereen z’n baan, de lage rente deed de rest. De optimisten hadden weer eens gelijk gehad.

In maart 2022 waren er daarom weinig pessimisten te vinden op de huizenmarkt, ondanks oorlog en inflatie. Maar juist dan blijken prijzen toch te kunnen dalen. Het ging met 2,1% omlaag in het eerste kwartaal. De NVM noemt het een fris ‘briesje’. Maar nu de koopkracht daalt en de rente stijgt, zou het wel eens het begin van een storm kunnen zijn. Of zit ik er weer faliekant naast?

FD

Klaagzang

Nu de coronamaatregelen voorbij zijn, komen we weer ergens. Mijn tip voor het volgende ondernemersfeestje: ga niet naast een ondernemer uit de industrie staan of zitten. En als je niet anders kunt, begin dan in elk geval geen gesprek over grondstofprijzen en leveringsproblemen. Het bier slaat plat, de bitterballen smaken niet meer en je moet de hele avond luisteren naar een klaagzang over ingetrokken kortingen, verscheurde offertes en hoe leveringszekerheid inmiddels een gokspelletje is geworden.

Mogen ze dan niet klagen? Natuurlijk wel. Veel grondstoffen zijn absurd duur, de sancties doen pijn, containerschepen hopen zich op bij Rotterdam en in China gaan havensteden in lockdown. Problemen genoeg.

Maar tegelijkertijd zie je in de macrocijfers nog weinig terug van dat pessimisme. Gezamenlijk verwachten de inkoopmanagers in de industrie juist forse groei. Het producentenvertrouwen heeft nog nauwelijks een deukje opgelopen. En de meerderheid van de producenten is optimistisch over de toekomst. Lopen de enquêtes achter, of is dit juist de wisdom of the crowd? Ik toast op de tweede verklaring. Proost!

FD

Boetsja

Het Westen moest niet alle sancties direct inzetten. We hielden expres nog wat maatregelen achter de hand, voor het geval Rusland zich nog meer zou misdragen. Met chemische wapens bijvoorbeeld. Of met een klein kernwapen.

Politici zetten hun strategische denkhoed op, geopolitieke experts pakten het Handboek Speltheorie erbij en samen concludeerden ze dat Europa vooral moest doorgaan met het importeren van gas en olie uit Rusland. Want je moet niet al je kaarten direct op tafel leggen. Het kwam onszelf trouwens ook goed uit.

Dit weekend kwamen de gruwelijke berichten uit door Rusland bezet en nu door het Oekraïense leger bevrijde gebieden. We zagen beelden van geëxecuteerde burgers in de straten, de handen gebonden. We hoorden verhalen over verkrachtingen en plunderingen. In de stad Boetsja, ten noorden van Kiev, werd een massagraf met 300 lichamen gevonden.

Zijn dit de oorlogsmisdaden waarvoor Europa nog wat sancties op de plank liet liggen? Nu gaan we toch wel de energie-import stilleggen, of op z’n minst halveren?

FD

Plastic overwoekert onze planeet en er zijn veel kleine stapjes nodig om daar wat aan te doen

Oorlog, inflatie, corona, klimaat, stikstof. Kunt u er nog een kopzorg bij hebben? Vast niet, maar hier komt er toch nog een: plastic! Het ultieme verpakkingsmateriaal is een groot probleem aan het worden. Plastic vervuilt de natuur, bedreigt dieren in de zee en op land, vergiftigt de voedselketen en het grondwater. Die problemen worden steeds groter omdat plastic niet vergaat, maar slechts in steeds kleinere stukjes uiteenvalt. Het kan wel tweeduizend jaar of meer in het milieu blijven.

Voorkomen van het gebruik is de beste oplossing. Prima dus dat het kabinet deze week besloot dat wegwerpbekers- en bestek vanaf 2024 niet meer zijn toegestaan. Niet in de horeca, niet meer op festivals en ook niet meer op kantoor. En nee, papieren bekertjes met een laagje kunststof mogen ook niet meer. Dit is de Nederlandse invulling van een eerder Europees besluit om plastic voor eenmalig gebruik te verbieden. Eerder gingen de plastic roerstaafjes, rietjes en wattenstaafjes al in de ban.

Ja, het heeft allemaal een hoge lulligheidsgraad. Gaan we de wereld redden door rietjes en bekertjes te verbieden? Nee, maar tegengaan van plasticgebruik is een proces van heel veel kleine stapjes met uiteindelijk groot resultaat.

Voorkomen is het beste, maar recycling van plastic is ook een aanvaardbare oplossingen. Een nieuw rapport van de Oeso laat echter zien dat het daar allerminst goed mee gaat. Volgens de Global Plastic Outlook, dat afgelopen week verscheen, gooiden we in 2019 op de wereld 375 megaton aan plastic weg. Dat is 375 miljard kilogram. Oftewel gemiddeld 49 kilo per wereldburger. Van deze plasticberg kwam uiteindelijk slechts 29 megaton terug in de productieketen van plastic. Dat is een recyclingpercentage van nog geen 8%. De rest van het afval werd gestort, verbrand of belandde in het milieu.

Het kwam onder andere terecht in rivieren, zeeën en oceanen. Alleen al in 2019 stroomde er 6 megaton plastic het water in. Daarmee kwam de geschatte omvang van de plasticsoep op 139 megaton. Aan plastic zwerfvuil op het land kwam er in 2019 wereldwijd 13 megaton bij.

Er werd ook plastic verbrand in kleine vuurtjes en gedumpt op illegale stortplaatsen. Samen goed voor 60 megaton. Dit gebeurt vooral in minder welvarende landen zonder goed vuilnisophaalsysteem en is schadelijk voor mens, dier en milieu.

Rijkere landen gaan meestal georganiseerder om met plastic afval. Maar ook daar is de uitkomst problematisch. Zo werd er 174 megaton gestort op officiële vuilnisbelten en 67 megaton verbrand. In Nederland kiezen we vooral voor verbranden, in grote afvalverbrandingscentrales. Daarbij wordt vaak wat bruikbare warmte geproduceerd en wat elektriciteit opgewekt. Maar dit is erg klimaatonvriendelijke energie. Plastic verbranden is zelfs CO₂-intensiever dan kolenstook. Houd je ook rekening met de uitstoot die vrijkomt bij de productie van plastic, dan geeft elektriciteitsproductie met plasticverbranding volgens schattingen wel zes tot tien keer zoveel CO₂-uitstoot als een kolencentrale.

Daarom gaan er ook voorzichtig stemmen op in Nederland of we ons plasticafval in plaats van verbranden misschien niet beter kunnen opslaan (lees: storten op een moderne stortplaats, zonder verwaaiing of vervuiling van bodemwater). Als recyclingtechnieken beter worden, zou het dan op een later moment weer in de plasticketen kunnen worden gebruikt. Verbranden van deze toekomstige grondstof is zonde.

Die recycling van plastic staat nog nu in de kinderschoenen. Er is een breed programma nodig om de lage percentages omhoog te krijgen. In armere delen van de wereld begint dat bij bewustwording en inzameling. Bij ons gaat het om statiegeldsystemen (het aantal kleine flesjes in het zwerfvuil is dit jaar snel gedaald!), regels voor producenten en technische oplossingen bij herkenning en scheiding van plastic. Het bedrijf Filigrade uit Twello, bijvoorbeeld, heeft een methode om plastic verpakkingen een onzichtbaar watermerk mee te geven, dat afvalscheidingsmachines kunnen herkennen.

Het zal van dit soort technische oplossingen moeten komen, maar ook van economische prijsprikkels en soms van strenge regelgeving. Veel kleine stapjes zijn nodig, maar we moeten ze wel snel gaan zetten.

FD

Vliegsubsidie

De vliegbelasting gaat omhoog: van de lachwekkende €7,95 per ticket nu, naar een iets minder idioot laag tarief van zo’n €24 in 2023. Nog altijd te weinig om de milieuschade in te prijzen, maar het is een begin.

Niet iedereen is voor. Zo vindt SP-leider Lilian Marijnissen het niet eerlijk dat ‘mensen die flink moeten sparen om op vliegvakantie te kunnen’, de tickettaks ook moeten betalen. Alleen ‘veelvliegers’ moeten worden aangeslagen. Opvallend genoeg wil Milieudefensie ook zo’n vrijstelling voor weinigvliegers. Dat zou nodig zijn voor het ‘draagvlak’ voor klimaatbeleid.

Behalve dat een progressieve vliegtaks praktisch onuitvoerbaar is, is het ook principieel onjuist. Vrijstelling van de vliegbelasting zou niets anders zijn dan een compensatie voor vakantiegangers, uitgekeerd in de vorm van… vliegtickets! Het is een subsidie in natura die je alleen krijgt als je vervuilt.

Laat liever iedereen de tickettaks betalen, en compenseer desgewenst via de inkomstenbelasting. Dan kan die vakantieganger zelf bepalen of het een vervuilende vliegvakantie wordt, of toch een klimaatvriendelijke fietstocht in de Ardennen.

FD

Poetin pest met roebels

Of we voortaan onze gasrekening in roebels willen voldoen. Volgens het Russische persbureau TASS heeft Poetin die eis bij 45 ‘onvriendelijke landen’ neergelegd, dus ook bij de Europese afnemers van het Russische gas. Een meesterzet of symboolpolitiek?

Door de sancties kan Rusland niet meer bij z’n dollar- en euroreserves in het Westen. Aan betalingen in die valuta heeft Rusland dus niet zo veel. Maar aan onze roebels eigenlijk ook niet. Daaraan heeft Rusland nooit gebrek, want die kan de centrale bank bijdrukken zoveel men wil. Symboolpolitiek!

Of niet? Wij kunnen geen roebels drukken, dus we zullen ze moeten kopen. Bij de Russische centrale bank bijvoorbeeld, met harde euro’s. Zo stutten wij ongewild de wisselkoers van de roebel, en maken we het effect van het bevriezen van de Russische reserves ongedaan. Een meesterzet?

Nou nee. Uiteindelijk ruilen we eerst euro’s voor roebels, en daarna ruilen we die roebels voor gas. Per saldo betalen we dus gewoon met euro’s. Het heen en weer schuiven met roebels maakt de munt niet duurder. Toch pure symboolpolitiek dus. Of beter: een typisch Poetin-pesterijtje.

FD

Geen steun

Corona was geen ondernemersrisico. Zeker bedrijven die vanwege het maatschappelijk belang hun deuren moesten sluiten, verdienden daarvoor eerlijke compensatie van de overheid.

Geldt dat ook voor de huidige energiecrisis? De Europese Commissie denkt van wel. Men spreekt van een ‘ernstige verstoring van de economie’, en staat tot wel €50 mln staatssteun toe aan noodlijdende energie-intensieve bedrijven. Ook Nederlandse bedrijven bedelen om compensatie voor de hoge kosten.

Maar sinds wanneer valt dure olie en gas niet meer onder het ondernemersrisico? De energie-intensieve industrie kan toch niet met droge ogen beweren dat de combinatie van geopolitieke onrust en hoge energieprijzen iets totaal nieuws is? Dit is sinds 1973 eerder de regel dan de uitzondering. Bedrijven die daar niet tegen kunnen, moeten we niet redden op kosten van de belastingbetaler, maar liefdevol naar hun einde begeleiden.

Oude bedrijven vallen om, maken plaats voor nieuwe ondernemers en creëren broodnodige ruimte op de krappe arbeidsmarkt. Tijdens corona werd dat natuurlijke proces terecht verstoord. Nu is daar geen goede reden voor.

FD

Duidelijke sancties

Sancties invoeren is moeilijk. Ze werken pas als je bereid bent jezelf echt pijn te doen. Maar sancties afschaffen is misschien nog wel lastiger, want wanneer heeft het gesanctioneerde land genoeg gedaan om weer deel te mogen nemen aan de wereldeconomie?

Dat tweede probleem is een belangrijke reden dat sancties vaak slecht werken. Waarom zou Poetin een staakt-het-vuren afspreken of zich terugtrekken uit veroverd gebied, als onduidelijk is of het Westen hem dan direct ‘beloont’ met verzachting van de maatregelen?

De Amerikaanse sanctieonderzoeker Edoardo Saravalle noemt sancties daarom een ‘onderhandelingsinstrument’, waarbij de voorwaarden voor verlichting en intrekking vanaf het begin duidelijk moeten zijn. In de praktijk werken sancties echter vaak als pure strafmaatregel en zijn daarmee minder effectief.

Het voelt natuurlijk ook amoreel om Rusland een beloning in het vooruitzicht te stellen, terwijl in Marioepol nog dagelijks burgers sterven. Maar sancties zijn geen wraakmiddel, dus Europa en de VS moeten duidelijk durven te zijn over condities waaronder uiteindelijk over verlichting valt te praten.

FD