Rutte-Asscher levert Nederland extra leger van 1,2 miljoen werknemers

(Verscheen eerder in het FD)

De kerstcrisis werd bezworen. Het kabinet Rutte-Asscher blijft nog even zitten. Maar veel slagkracht valt van de verkruimelende coalitie niet meer te verwachten, lees ik in de politieke commentaren. Gelukkig dan maar dat het belangrijkste werk al is gedaan.

De ongeschreven missie van dit kabinet was: Nederland vergrijzingsproof maken. Daarvoor moest de pensioenleeftijd omhoog, het pensioenstelsel op z’n kop en de hypotheekrenteaftrek omlaag. De arbeidsmarkt moest worden hervormd en het zorgstelsel versoberd. Van die twee laatste is weinig terecht gekomen. Echte hervorming van de arbeidsmarkt was na het tekenen van het Sociaal Akkoord niet meer mogelijk. En de nieuwe zorgwet bleef dus steken in de Eerste Kamer.

Maar op de eerste drie dossiers werden wel grote stappen gezet. Je zou het na de sombere commentaren van deze week niet snel denken, maar als het gaat om hervormen en toekomstbestendig maken van de economie, heeft het huidige kabinet de beste prestatie van deze eeuw geleverd. Het moet maar eens gezegd.

We gaan langer werken en minder hypotheekrente aftrekken, daardoor is de houdbaarheid van de overheidsfinanciën sterk verbeterd. Volgens de sommetjes die het Centraal Planbureau hier over maakt, stevenen we daardoor voor het eerst deze eeuw niet meer af op een exploderende staatsschuld.

Het beste nieuws is dat de forse daling van de beroepsbevolking, die eerder nog werd gevreesd, door de verhoging van de AOW-leeftijd uit de prognoses is verdwenen.

Afgelopen woensdag presenteerde het Centraal Bureau voor de Statistiek een nieuwe bevolkingsprognoses. Daaruit blijkt dat als we de AOW-leeftijd op 65 jaar hadden gelaten, de potentiële beroepsbevolking tussen 2010 en 2040 met 770.000 personen zou zijn afgenomen. Daarna zou het aantal Nederlanders in de werkzame leeftijd van 20 tot 65 jaar weer iets zijn toegenomen, maar in 2060 was de beroepsbevolking nog altijd 570.000 lager geweest dan in 2010.

Die krimpende beroepsbevolking had een groeiende groep inactieve Nederlanders moeten onderhouden en verzorgen. Het was een schrale boel geworden in ons land. Gelukkig kwam dit kabinet met de ‘Wet versnelde verhoging AOW-leeftijd’. De AOW-leeftijd gaat de komende jaren stapsgewijs omhoog. Vorig jaar, dit jaar en volgend jaar, gaat de AOW-leeftijd telkens met een maand omhoog. Van 2016 tot en met 2018 komen er ieder jaar drie maanden bij. Daarna gaat het met stappen van vier maanden omhoog, tot in 2021 de pensioenleeftijd van 67 jaar is bereikt. In de jaren daarna stijgt de AOW-leeftijd mee met de levensverwachting, in stapjes van minimaal drie maanden.

Uitgaande van de laatste prognoses van de levensverwachting, bereikt de pensioenleeftijd de 68 jaar in 2030, de 69 jaar in 2039 en de 70 jaar in 2047. In 2060 krijgen we pas op de leeftijd van 71 jaar en zes maanden AOW.

Schermafbeelding 2015-01-05 om 16.45.42

Dankzij de stijgende pensioenleeftijd komt de Nederlandse beroepsbevolking de komende vijftig jaar niet onder het aantal van 2010 te liggen. In 2040 levert het de maatregel ruim 800.000 extra (potentiële) werknemers op. In 2060 zal dat aantal oplopen naar meer dan 1,2 miljoen.

Schermafbeelding 2015-01-05 om 16.46.16

De toekomst is onzeker, dus het CBS geeft bij de getallen ook kans intervallen. Minimaal stijgt de beroepsbevolking in 2060 dankzij de hogere pensioenleeftijd met een half miljoen, maximaal met anderhalf miljoen.

Schermafbeelding 2015-01-05 om 16.45.53

Natuurlijk, er moet dan wel werk zijn voor al die 65-plussers. Daarom is de overheid met verhogen van de pensioen- en AOW-leeftijd niet klaar. De arbeidsmarkt moet beter gaan werken, zodat oudere werknemers er beter op terecht kunnen. Dat betekent wederom dat er taboes moeten worden doorbroken. Het taboe op demotie bijvoorbeeld. Aan het eind van de carrière kunnen dan zowel de werklast als de loonkosten wat gaan dalen. Mogelijk maken van demotie is het logische vervolg van de verhoging van de pensioenleeftijd.

Daarnaast moeten werknemers meer mogelijkheden en prikkels krijgen om gedurende hun carrière kennis en vaardigheden op peil te houden. Zonder levenslang leren leidt verhoging van de pensioenleeftijd vooral tot hogere werkloosheid onder ouderen.

Dat lijkt me een mooie beleidsagenda voor Rutte en Asscher, nu ze toch nog even blijven zitten.

 

Geef ministers opslag

Het jaar van Piketty wordt in Nederland afgesloten met een toepasselijk staaltje van nivellering. De Wet Normering Bezoldiging Topfunctionarissen werd dinsdag door de Eerste Kamer aangenomen. Met ingang van 1 januari 2015 mogen werknemers bij de semi-overheid niet meer verdienen dan een minister.

Minister Ronald Plasterk van Binnenlandse Zaken kan eindelijk een succesje claimen. Zijn superprovincie kwam er niet, maar aan het zakkenvullen op kosten van de belastingbetaler heeft hij toch mooi een einde gemaakt.

Vanaf volgend jaar zullen topbestuurders in publieke functies niet meer dan de € 178.000 van een ministersalaris verdienen, schreven veel kranten en nieuwssites. Hola, hoor ik u denken, verdient een minister € 178.000? Nou nee, het echte salaris ligt een stuk lager, op € 144.000 per jaar. Alleen door daar de onkostenvergoeding en het werkgeversdeel van de pensioenbijdrage bij op te tellen, kom je op € 178.000.

Een minister verdient dus bruto € 144.000 per jaar. Na belasting blijft daar zo’n € 77.000 van over. Per maand krijgt een minister zo’n € 6500 op z’n bankrekening gestort.

Nee, dat is helemaal niet weinig. Een minister is niet zielig. Maar het is ook niet veel. Tien jaar geleden schreef de Commissie Dijkstal een rapport over de hoogte van salarissen bij de overheid. Daarin werd een vergelijking gemaakt met andere landen. Een Nederlandse minister verdient minder dan zijn collega’s uit Duitsland, Frankrijk en België. Zelfs in het egalitaire Zweden en Denemarken neemt een minister meer mee naar huis.

In 1970 verdiende een minister € 49.455 per jaar. Om de stijging van het algemeen prijspeil bij te houden, zou dat salaris nu € 216.000 moeten bedragen. Dat is € 72.000, of precies 50%, meer dan het werkelijke salaris. Ook ten opzichte van de lonen in de marktsector is het inkomen van de minister fors achtergebleven. Maar jezelf opslag geven is politieke zelfmoord, weten de ministers. Dus ze laten het maar zo.

Nee, ik vind ze nog steeds niet zielig. Het ministerschap is al lang geen levensvullende baan meer, maar eerder een tijdelijk corvee voor bestuurders die aan carrièreplanning doen. Een paar jaar leven van € 144.000, daar wordt niemand slechter van.

Maar nu Plasterk het ludiek lage ministerssalaris verheft tot norm voor de hele (semi)publieke sector, wordt het wel een probleem. Wie weinig betaalt, krijgt ook weinig kwaliteit. Wie denkt dat ziekenhuizen, musea en wetenschapsinstellingen voor minder salaris net zo veel kwaliteit kunnen inkopen, houdt zichzelf voor de gek.

De wet is aangenomen. Daar valt niets meer aan te doen. Dan moet het ministersalaris maar omhoog, om te beginnen met 30%, zoals de Commissie Dijkstal in 2004 al voorstelde. Dat is politieke harakiri, maar Plasterk heeft het er zelf naar gemaakt.

 (deze column verscheen eerder in het FD)

2014 lijkt doodnormaal beursjaar te worden

Met de AEX op 424 punten (23-12, 10:15 uur), staat de index ruim 5% hoger dan de slotstand van vorig jaar.

We hebben nog een paar handelsdagen te gaan, maar als de jaarwinst onder 10% blijft (en boven de 0), schaart 2014 zich bij de doodnormale beursjaren. Een leuk winstje, maar niet meer dan dat.

Sinds de AEX in 1983 van start ging waren er nog zeven van dergelijke jaren. Zestien maal was de jaarwinst (exclusief dividend) hoger dan 10%. Acht maal eindigde de AEX op verlies.

Schermafbeelding 2014-12-23 om 10.24.49(klik op plaatje voor vergroting) 

Dalende werkloosheid is de meevaller van deze crisis

(Eerder hier verschenen)

Ze hebben zich duidelijk ingehouden, bij het Centraal Planbureau (CPB). Volgend jaar groeit de Nederlandse economie een kwart procentpuntje meer dan eerder werd gedacht. Het wordt in 2015 geen 1¼%, maar 1½%, zo bleek deze week.

De goedkope euro en de lagere olieprijs geven de economie een zetje in de rug. Of misschien wordt het wel een flinke zet, want het CPB heeft de meevallers niet bepaald overdreven zwaar mee laten wegen. Op basis van eerdere modelsimulaties, zou de dalende euro alleen al voor een extra impuls van een kwart procent of meer kunnen zorgen. Hetzelfde geldt voor de goedkope olie. Alles bij elkaar had de groeiraming voor volgend jaar zomaar richting de 2% kunnen zijn gegaan. Maar het gezonde economische verstand van het Planbureau liet zo’n euforische raming blijkbaar niet toe. Een zuinig kwartje erbij, meer zat er niet in.

Opwaartse revisie
In december 2013 verwachte het CPB niet meer dan half procent groei in 2015. Begin dit jaar ging de prognose omhoog naar 1¼, om deze week te eindigen op 1½%. Misschien is het patroon van opwaartse revisie van de 2015-raming wel de duidelijkste indicatie dat het weer wat beter gaat met de Nederlandse economie.

Zo voorzichtig als het Planbureau de groei opwaarts bijstelde, zo onstuimig paste men de werkloosheidsraming aan. In september ging het CPB nog uit van 605.000 werklozen medio 2015. Nu ligt die prognose 35.000 lager, op 570.000 werklozen.

Toegenomen bereidheid te werken
De werkloosheid daalt een stuk sneller dan het CPB eerder verwachtte. Dat is de grote meevaller van deze crisis. Normaal gesproken is er na een recessie minstens twee jaar van serieuze economische groei nodig, voordat de werkloosheid gaat dalen. Zo was dat in elk geval tijdens alle recessies sinds 1970. Ditmaal is er bij de eerste tekenen van herstel al direct sprake van dalende werkloosheid. Dat is goed nieuws.

Er valt nog meer goeds te vertellen over de arbeidsmarkt. Dat de werkloosheid de afgelopen jaren is gestegen – want dat is natuurlijk onmiskenbaar het geval geweest – komt niet alleen doordat veel mensen hun baan verloren. Een andere oorzaak is dat een steeds groter deel van de Nederlanders wíl werken. De toegenomen bereidheid en wens om deel te nemen aan het arbeidsproces, was de afgelopen zes crisisjaren goed voor de helft van de toename van de werkloosheid.

Nieuwe instromers
Dat vraagt wat extra uitleg. Eerst enkele begrippen: de verhouding tussen het aantal mensen dat werkt en het aantal mensen dat in theorie zou kunnen werken (alle Nederlanders tussen 15 en 65 jaar), noemen we de netto arbeidsparticipatie. Dat cijfer staat momenteel op 66%. Dat wil zeggen dat van alle Nederlanders tussen 15 en 65 jaar, 66% wel, en 34% niet werkt. In 2008 was de netto arbeidsparticipatie nog boven ruim 68%. De afname van de netto arbeidsparticipatie geeft aan er dat gedurende de crisis veel werkgelegenheid verloren ging.

Schermafbeelding 2014-12-19 om 20.59.01

Maar de bruto arbeidsparticipatie is gedurende de crisis juist gestegen. Dit percentage meet het aantal mensen dat werkt of wil werken (de werkenden plus de werklozen), ten opzichte van alle Nederlanders tussen 15 en 65 jaar. In 2008 stond de brute arbeidsparticipatie op 70,5%. Inmiddels is het bijna 72%. Een groter deel van de bevolking wil dus werken. Door de recessie vinden deze nieuwe instromers niet allemaal een baan, en mede daardoor liep de werkloosheid op.

Schermafbeelding 2014-12-19 om 20.59.09

Andere definitie
Hoe hoog was de werkloosheid geweest als de bruto arbeidsparticipatie niet was gestegen? Dat valt met behulp van cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) te berekenen. Het CBS hanteert een iets andere definitie van werkloosheid dan het CPB. Volgens die definitie telt Nederland nu 627.000 werklozen. Dat is 311.000 meer dan in 2008. Als de bruto arbeidsparticipatie sinds 2008 ongewijzigd was gebleven, bedroeg de werkloosheid nu 478.000. Dat is bijna 150.000 minder dan het werkelijke getal.

Schermafbeelding 2014-12-19 om 20.59.16

De helft van de werkloosheidsstijging tijdens de crisis komt dus door baanverlies, de andere helft doordat meer Nederlanders willen werken.

Kamp kiest het nieuwe Google

U wist het misschien niet, maar u bent een venture capitalist. U weet wel, zo’n snelle durfinvesteerder die speurt naar de Google’s, Facebooks en ASML’s van de toekomst. U verstrekt risicodragend kapitaal en stuwt zo de groei van de Nederlandse economie.

Wist u niet dat u dat deed? Dat kan kloppen, want de dagelijkse leiding van uw investeringsfonds is in handen van minister Kamp van Economische Zaken. Via zijn Dutch Venture Initiative (DVI) steekt u € 150 mln aan belastinggeld in innovatieve bedrijven in Nederland. Het DVI is een antwoord van Kamp op het gebrek aan risicokapitaal uit private bronnen. Sinds de kredietcrisis is het financieren van bedrijven blijkbaar een overheidstaak geworden.

Dat is wel even slikken voor een econoom. Een overheid die goede van slechte bedrijven kan onderscheiden, die de toekomstige successen kan voorspellen en blijkbaar weet welke kant het opgaat met de technologie, daar geloofden we toch niet meer in?

Voor een innovatieve economie heb je juist geen actief kiezende overheid nodig, vonden economen altijd. De overheid moet zorgen voor goede scholing, een degelijk wetenschapsbeleid en voor een betrouwbaar rechtssysteem dat eigendomsrechten garandeert. Na het scheppen van die randvoorwaarden moeten de ministers en ambtenaren een stap terug doen en met de armen over elkaar bewonderend kijken hoe de innovatiemachine van het vrije kapitalisme aan het werk gaat. Uitvinders bedenken fantastische producten, durfkapitalisten steken er risicodragend kapitaal in, consumenten kiezen precies wat ze willen en nodig hebben. De economie groeit en de welvaart stijgt, juist omdat de overheid zich er niet mee bemoeit.

Opgeleid in de jaren negentig, ben ik ook van die school. In het verleden verdiende ik een leuke journalistieke boterham met het schrijven van stukjes over onzinnige subsidies en misplaatst technologiebeleid. Nu hadden de meeste van de subsidies die het ministerie van EZ aan het bedrijfsleven uitdeelde, ook nauwelijks een betere wetenschappelijke onderbouwing dan homeopathie of bach-druppels, dus ik sta daar nog achter. Maar sinds de crisis waait de wind toch duidelijk uit een andere hoek.

Vorig jaar jaar verscheen The Entrepreneurial State van de Italiaanse econome Mariana Mazzucato. Het boek won in 2014 de Statesman Prize voor het beste politiek-economisch boek, en versloeg het tevens genomineerde Capital van Thomas Piketty. Volgens Mazzucato moet de overheid niet langer aan de zijlijn staan, maar de aanvoerder worden van het innovatieteam en innovatie financieren en initiëren.

Ik heb haar boek met rode oortjes gelezen. Maar moet er nog wel aan wennen. De overheid, die nog geen ICT-project met succes kan afronden, weet die echt beter welke technologie gaat winnen en welk innovatief bedrijf de nieuwe Google wordt? Ik houd mijn hart vast.

(column verscheen eerder in FD)

 

Van Lotringen laat mij rare dingen beweren over de robot

Als ze je in de eerste alinea “gerenommeerde journalist en econoom” noemen, dan weet je het wel: je gaat er van langs krijgen. Je ziet het verkeerd, je hebt het mis, je zit er volkomen naast.

Cees van Lotringen (een buitengewoon bekwame journalist, schrijver en managing-director) pakt het ook zo aan in zijn artikel op FTM, vandaag.

Van Lotringen reageert op een stukje van mij in het Financieele Dagblad van afgelopen zaterdag over dienstverlenende robots. (zonder betaalmuur hier). En ik reageer daar graag weer op.

Want Van Lotringen heeft niets van mijn verhaal begrepen.

Ik loop zijn beweringen even door:

Van Lotringen schrijft: “Hij [dat ben ik dus] laat ons weten dat we ons geen zorgen hoeven te maken over de opmars van de robot; ze zullen onze banen niet inpikken”.

Vreemd, want ik schrijf dat helemaal nergens. Mijn stukje ging niet over de vraag of robots banen inpikken.

Misschien dat Van Lotringen doelt op de zin waarin ik de inleiding van een robotrapport citeer: “De dienstenrobot heeft nog nauwelijks intrede  gedaan in ons dagelijks leven. Een stofzuiger, een grasmaaier, wat speelgoed, maar dat is het dan ook wel.” Dat citaat slaat op robots in huis. Niet op robot als banendief in het bedrijfsleven, zoals ik in de tekst duidelijk aangeef.

De dienstverlenende robot is juist wel te vinden in het bedrijfsleven ( daar gaat de rest van mijn stukje van zaterdag dan ook over). Ik beschrijf wat de robot daar doet, hoeveel er van zijn en hoe snel die opmars van de dienstverlenende robot gaat.

Als iemand daar al iets over banendiefstal in wil lezen, dan moet het de constatering zijn dat ik vind dat het snel gaat met de opmars van de dienstenrobot op de werkvloer.

Dat is ook wat er uit het geciteerde rapport van de International Federation of Robotics (IFR) blijkt. De komende jaren komen er jaarlijks maar liefst 33.000 dienstenrobots bij, verwacht IFR.

Maar volgens Van Lotringen schijft de IFR dat er jaarlijks “niet meer dan 33.000” zullen worden verkocht. Alsof ze de boel proberen te verhullen en ons “in slaap willen wiegen”.

Van Lotringen noemt de IFR daarom een “vooringenomen”, “waarschijnlijk onbetrouwbare” en “discutabele” bron voor informatie over robots.

Dat zijn nogal wat beschuldiging. Ik lees nergens een bewijs dat IFR zijn cijfers verkeerd voorstelt of expres onjuist presenteert. Wat weet Van Lotringen over deze bron dat ik niet weet? Opvallend is dat het IFR het nergens in het rapport heeft over “niet meer dan 33.000”. Men laat juist met enige trots zien dat het snel gaat met de introductie van de dienstenrobot.

Zou van Lotringen het rapport zelf eigenlijk wel gelezen hebben? Het zou zomaar kunnen van niet, want het is nogal kostbaar. Je moet eerst 575 euro overmaken voordat je hun twee robotrapporten in de mailbox krijgt. Ik heb dat geld er – na enig aarzelen – voor over gehad, omdat ik denk dat we pas aan de discussie over banen-stelende-robots kunnen beginnen als we de feiten kennen. Hoeveel robots zijn er? Wat doen ze? In welke sectoren? Hoe snel is de groei?

Precies daarom schreef ik dat (eigenlijk nogal saaie) stukje in het FD, afgelopen zaterdag. Om de cijfers te presenteren. Eerder deed ik hetzelfde voor de robot in de industrie. Eerst de feiten, dan de analyse. En pas dan conclusies trekken.

Ik heb geen betere en completere data kunnen vinden dan die van IFR. Geloof me, anders had ik die 575 euro wel op zak gehouden. Maar hou me aanbevolen voor vergelijkbare gratis cijfers uit andere bronnen.

Nog wat korte opmerkingen over Van Lotringens artikel:

Hij schrijft: “De discussie gaat – of zou moeten gaan – over defensie, maar vooral over industriële robots, die wél een exponentiële groei laten zien.”

Okay, daar ging dit eerdere FD-artikel dus over. Enkele lezers wezen mij er terecht op dat de dienstenrobot minstens zo belangrijk was voor de vraag of robots banen pikken, want de dienstensector is nu nog erg arbeidsintensief. Vandaar mijn tweede artikel.

 “Japan slaat op dat terrein wereldwijd de trom. (…) Nu zet de robotrevolutie zich voort. In de VS, maar vooral ook in China.”

Hier grafieken met de feiten (ja, van de IFR). Japan is groot in robots, maar China nog niet. Europa blijft achter, behalve Duitsland. Zuid-Korea heeft relatief de meeste. China komt (afgezet tegen het aantal werknemers in de industrie) pas op plaats 28. Nog achter Nederland, waar het ook niet echt wil vlotten.

Over eerdere technologische ontwikkeling schrijft Van Lotringen: “Het heeft onze levensomstandigheden sinds de uitvinding van de stoommachine verbeterd en voor hogere welvaart gezorgd. Voor Bouman is dat historische gegeven aanleiding voor een stevig vooruitgangsgeloof.”

Weer weet ik blijkbaar het antwoord al: de robot is goed. Niet zo lang geleden schreef ik een column met precies die vraag: kunnen we afgaan op de gunstige uitkomsten van voorgaande technologische revoluties.

Mijn conclusie (of eigenlijk juist gebrek aan conclusie): “ Is Asscher de nieuwe woordvoerder van het Amsterdamse handzaaggilde? Of is de robot echt anders dan de molen, tractor of pc? Ik denk het eerste, maar weet het niet zeker. De komende maanden ga ik op zoek naar het antwoord. Ik zal af en toe, maar niet te vaak, verslag doen van die zoektocht.”

Ik weet het dus juist nog helemaal niet. Mijn dienstenrobot-artikel was onderdeel van de zoektocht, die nog lang niet klaar is.

Van Lotringen schrijft: “Journalisten moeten hun lezers zowel het halfvolle als het halflege glas laten zien. De wereld is niet of in elk geval niet meer simpelweg wit of zwart.”

Okay, maar ze moeten eerst hun feiten en cijfers op orde hebben.

Van Lotringen: “Natuurlijk bieden robots de markt kansen, maar niet voor iedereen – en zeker niet voor mensen die laaggeschoold zijn, routinewerk doen en te maken hebben met werkgevers die de verleiding moeilijk zullen kunnen weerstaan om hen te vervangen door robots die 24 uur per dag werken, nooit om loonsverhogingen vragen, niet vertegenwoordigd worden door vakbonden en ook niet staken, zoals minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid recent terecht waarschuwde.”

Prachtig. Ik schreef precies over dat onderwerp in maart van dit jaar al deze column  in het FD. Geen antwoorden, maar een soort proto-analyse van de problemen die de robot voor de inkomensverdeling en arbeidsmarkt kan geven. Mijn eerste babystapje op een lange zoektocht.

Als het gaat om de toekomstige rol van de robot (en natuurlijk alle andere vormen van arbeidvervangende automatisering, maar robot bekt zo lekker) heb ik nog nauwelijks antwoorden. En ik heb nooit beweerd dat ik die wel heb. Van Lotringen – bekwaam, gerenommeerd – heeft een vreemd stuk geschreven.

 

 

De dienstverlenende robot is een Europeaan

Al die uren die ik dacht te hebben verspild met het lezen van science fiction-boeken (liefst de oude klassiekers, toen er nog echt wetenschap in SF zat), blijken tot mijn verbazing een uiterst nuttige tijdbesteding te zijn geweest. Ik dacht dat het nerdy escapisme was, maar in werkelijkheid bereidde ik mij op diep-filosofische wijze voor op de toekomst.

Computers die zo slim zijn dat ze zelfbewustzijn ontwikkelen? Robots die de mensheid de oorlog verklaren? Het zijn geen griezelverhalen meer, maar serieuze toekomstscenario’s. Althans, volgens ’s werelds bekendste natuurkundige Stephen Hawking. De ontwikkeling van volledige kunstmatige intelligentie kan het einde van de menselijke soort inluiden, vertelde Hawking de BBC. Hij vreest dat zo’n zelfdenkende machine zichzelf continu zal herprogrammeren, en zo uiteindelijk de mens van de troon zal stoten. Eerder dit jaar verwoordde de briljante ondernemer Elon Musk (Paypal, Tesla, SpaceX) soortgelijke zorgen.

Vijand?
Wordt de robot onze vijand? Of kunnen we er een behulpzame, intelligente vriend van maken? Kennis over elkaar is het begin van iedere vriendschap, dus in deze rubriek vandaag een poging om meer over de robot te weten te komen. Twee maanden geleden besprak ik op deze plek de industriële robot. Dat is meestal een eenarmige specialist, die nagelvast aan de fabrieksvloer staat. Die hoeven we niet te vrezen. Als we al ergens bang voor moeten zijn dan is het voor de allround dienstenrobot.

De International Federation of Robotics (IFR) publiceerde onlangs het rapportService Robots 2014. In de inleiding lees ik de nuchtere constatering dat de dienstenrobot nog nauwelijks intrede heeft gedaan in ons dagelijks leven. Een stofzuiger, een grasmaaier, wat speelgoed, maar dat is het dan ook wel.

De dienstverlenende robot is vooral in de professionele omgeving te vinden. Daar is hij meestal het dienstbare manusje-van-alles die vervelende en gevaarlijke klusjes opknapt voor de mens. De robot is druk met brandstoftanks en pijpleidingen schoonmaken, het poetsen van de romp van schepen en vliegtuigen, riolen inspecteren, mijnen opruimen en kerncentrales onderhouden. Hij doet sjouwwerk in magazijnen, blust brandjes, melkt de koeien en opereert patiënten. En af en toe landt er eentje op een komeet.

Dienstenrobots
In 2013 werden er wereldwijd 21.000 van dergelijke dienstverlenende robots verkocht. Dat was 4% meer dan in 2012. Voor de komende jaren verwacht IFR een forse versnelling van die groei. Gemiddeld zullen er tussen 2014 en 2017 jaarlijks ruim 33.000 dienstenrobots worden verkocht.

Schermafbeelding 2014-12-12 om 19.56.54

Vooral op de boerderij blijkt de robot al een gewone verschijning. In 2013 werden er bijna 6.000 landbouwrobots verkocht. Een flink deel daarvan kwam ongetwijfeld van het Nederlandse Lely vandaan waar ze zowel melk- als voederrobots produceren, maar het rapport geeft helaas heen uitsplitsing naar landen. IFR verwacht dat tussen 2014 en 2016 nog eens een kleine 34.000 landbouwrobots over de toonbank gaan.

Schermafbeelding 2014-12-12 om 19.56.04

In andere sectoren is de robot nog een zeldzaamheid. Zo werden er vorig jaar aan de schoonmaaksector maar 323 robots verkocht. Naar de bouwsector gingen er 650 stuks en naar de medische sector 1200. In logistieke bedrijven reden in 2013 bijna 1900 nieuwe robots rond.

Naast de landbouw is defensie de andere grootverbruiker van dienstenrobots. Vorig jaar werden er 9500 militaire robots verkocht, grotendeels (vliegende) drones. Dat is ongetwijfeld het type robots waarvan Hawking en Musk nachtmerries krijgen. Gelukkig dan dat er tussen 2012 en 2013 sprake was van een afname van het aantal verkochte militaire robots met 8%. Voor de komende jaren verwacht IFR ook geen enorme toename.

Europa spreekt een behoorlijk woordje mee in deze sector. Bijna 60% van de professionele dienstenrobots wordt in dit werelddeel geproduceerd. Europa is goed in het bouwen van robots voor zowel landbouw als militaire toepassingen. Uit Amerika komen ook veel dienstenrobots, maar dat zijn vooral drones voor het leger. Opvallend genoeg spelen Aziatische landen nauwelijks een rol van betekenis.

Schermafbeelding 2014-12-12 om 19.57.24

 

Verbod op bankbiljetten

Ongewone economische tijden vragen om ongewone oplossingen. Met de beleidsrente op nul en de inflatie daar nauwelijks boven, is het monetaire beleid van de Europese Centrale Bank vrijwel uitgewerkt. Maar in de strijd tegen deflatie en te hoge reële rente, is Mario Draghi bereid ver te gaan. Wij zullen doen wat nodig is, belooft de ECB-president. Het opkopen van grote hoeveelheden staatsobligaties, sluit Draghi daarom allerminst uit.

Of met zo’n opkoopprogramma de inflatie echt omhoog en de reële rente echt omlaag gaat, is overigens helemaal niet zeker. Maar volgens Draghi kun je onder de huidige omstandigheden beter te veel doen, dan te weinig.

Ferme taal. Maar erg fantasievol is zijn onconventionele beleid niet. Vorige week schreef ik al dat, als de ECB de bestedingen wil aanwakkeren, men beter oude auto’s kan opkopen dan staatsschuld. Deze week een aantal suggesties om de reële rente te verlagen.

De meest vergaande: schaf het bankbiljet af. Laat alle betalingen voortaan via elektronische weg verlopen en zorg zo dat alleen giraal geld nog waarde heeft. Momenteel voorkomt het bestaan van bankbiljetten dat de centrale bank de rente kan verlagen tot (ver) onder de nul. Als giraal sparen geld kost, zullen spaarders hun vermogen in bankbiljetten opnemen en onder het matras leggen. Het bankbiljet is een renteloos alternatief voor banktegoeden en dat maakt Draghi’s werk moeilijk.

Een verbod op betalen met het archaïsche papiergeld (waar hebben we dat nog voor nodig?) lost dat probleem in een keer op. Draghi hoeft dan niet te wachten tot inflatie zijn reële rente negatief maakt, maar kan daar zelf voor zorgen door de beleidsrente precies zo negatief te maken als hij nodig vindt.

Ja, dat klinkt behoorlijk geschift. Maar is het echt zoveel gekker dan het opkopen van enorme hoeveelheden Italiaanse staatsschuld? Kenneth Rogoff, voormalig hoofdeconoom van het IMF, noemde uitfaseren van papiergeld eerder dit jaar al het overwegen waard. (pdf)

Kunt u de knisperende bankbiljetten niet missen? Dan kan het ook op een andere manier. Laat iedereen die een bankbiljet bezit daar elk jaar een kleine belasting over betalen. Aanhouden van een € 100 biljet kost dan bijvoorbeeld € 2 per jaar. Dat levert in een keer 2% inflatie op, elk jaar weer. De inning van die belasting wordt natuurlijk lastig. Maar er is vast wel een onvervalsbare hologram-sticker te bedenken, die je moet kopen om je bankbiljet weer een jaar geldig te maken.

Of organiseer een bankbiljettenloterij. Ieder jaar wordt een deel van de bankbiljetten uitgeloot. Het unieke biljetnummer is een lotnummer! Winnende (of beter: verliezende) biljetten worden ongeldig als betaalmiddel. Dat levert gegarandeerde geldontwaarding op.

Het is inflatie zonder moeite, zonder opkoopprogramma en zonder ontploffende ECB-balans.

(eerst in FD)

 

 

Draghi koopt uw auto op

Vandaag gaan we Mario Draghi helpen. De president van de Europese Centrale Bank zoekt naar nieuwe manieren om de Europese economie uit het slop te trekken. De inflatieverwachting moet omhoog en de reële rente omlaag, vertelde Draghi afgelopen vrijdag op een congres in Frankfurt, zodat burgers en bedrijven meer geld uit gaan geven.

Maar hoe maak je mensen wijs dat de prijzen binnenkort flink gaan stijgen, als de inflatie nauwelijks boven de nul uitkomt? Dat lukt met een breed opkoopprogramma, denkt de ECB-president, met kwantitatieve verruiming. De ECB heeft al besloten om pandbrieven en Asset Backed Securities (ABS) te gaan opkopen. Maar mogelijk is dat niet genoeg. Draghi zei het niet letterlijk, maar de boodschap was duidelijk: de ECB maakt zich klaar voor het opkopen van staatsobligaties.

Helpt zo’n opkoopprogramma? Volgens Draghi wel, want het genereert direct lagere rente en meer aanbod van krediet. Europese bedrijven kunnen moeilijk lenen en moeten hoge rente betalen, opkopen van ABS kan daarom helpen. Het is een zwak argument. Bedrijven zijn misschien duur uit, maar dat geldt niet voor eurolanden. Spanje leent nu goedkoper dan de VS, Frankrijk betaalt minder rente dan het VK, Nederland is goedkoper uit dan Zweden. Verder verlagen van die rente is nergens goed voor.

Er is nog reden voor kwantitatieve verruiming, zegt Draghi. Opkopen van effecten doet de koersen van andere vermogenstitels stijgen, zoals aandelen en vastgoed. Het vermogen van beleggers neemt toe, waardoor hun leencapaciteit en hun uitgaven stijgen. Zo worden bestedingen gestimuleerd en de inflatieverwachting aangewakkerd.

Dat kan beter. Want beleggers zullen maar een klein deel van hun boekwinst uitgeven. Gewone burgers spenderen in de regel meer van onverwachte meevallers. Draghi’s eigen redenering volgend, zou hij daarom geen staatsschuld moeten opkopen, maar bezittingen van Jan en Jantien Modaal. Tweedehands auto’s bijvoorbeeld. Biedt € 5000 voor elke versleten Opel Kadett, € 10.000 voor iedere Toyota Aygo en € 20.000 voor elke opgevoerde VW Golf. Met zo’n Occassion Transaction Operation (OTO) maakt de ECB iedereen rijk en lopen de winkelstraten weer vol.

En begin dan ook meteen een grootschalig Longer term Unemployment Initiative (LUI); een grootschalige interventie op de Europese arbeidsmarkt, om de waarde van arbeid fors omhoog te krijgen. De ECB koopt in een keer het toekomstige levensloon van alle 18 mln Europese werklozen af. Zij beloven geen dag meer te werken, in ruil voor een basisinkomen van drie keer modaal. Gevolg: zowel bestedingen als inflatieverwachtingen nemen toe, want minder arbeidsaanbod betekent duurdere werknemers in de toekomst.

Denkt u dat ik gek ben geworden? Hou die gedachte vast, voor als Draghi binnenkort zijn opkoopprogramma voor staatsobligaties bekend maakt.

 

(verscheen ook in FD)

Bedrijven hebben bankkrediet nodig voor disruptieve innovatie

‘Nederlandse bedrijven moet afkicken van hun verslaving aan bankkrediet.Met die uitspraak verraste Boele Staal, de toenmalige voorzitter van de Vereniging van Banken, in 2012 de buitenwereld. Een barman die pleit voor geheelonthouding, dat valt natuurlijk op.

Staal vond dat bedrijven op zoek zouden moeten naar alternatieve financieringsbronnen. Vooral innovatieve projecten, die per definitie risicovol zijn, zouden in een wereld van strenge bankregels minder snel in aanmerking komen voor krediet, wist hij. Eigen geld of kapitaal van de investeerder, daar moest voortaan de innovatie van worden betaald.

De voorzitter zag het goed. Twee jaar later blijkt de kredietverlening van banken aan bedrijven flink gekrompen. Na een lange verslavingsperiode, waarin het uitstaande krediet steeg van € 196 mrd in 2003 naar € 341 mrd op de top in 2013, ging het cold turkey omlaag naar nu € 325 mrd. Dat is nog eens afkicken.

Schermafbeelding 2014-12-02 om 10.52.22
Helaas schiet het met die alternatieve financieringsbronnen, waar Staal zijn hoop op had gevestigd, nog niet echt op. Aan initiatieven geen gebrek. Met veel enthousiasme worden er nieuwe investeringsfondsen opgezet, kredietunies gesticht en crowdfundingsites gestart. De overheid kondigt wekelijks nieuwe garantieregelingen, subsidies en ‘venture initiatives’ aan. Allemaal buitengewoon sympathiek, maar de tientallen miljarden die nodig zijn om straks nieuwe groei te financieren, liggen nog lang niet op tafel.
Schermafbeelding 2014-12-02 om 10.52.33

Toch is vriend en vijand het er over eens dat afkicken van bankkrediet noodzakelijk is. Het Nederlandse bedrijfsleven heeft minder vreemd, en meer eigen vermogen nodig. Risicodragend vermogen, voor de nieuwe risicovolle, innovatieve investeringen waarmee we de groei weer op gang krijgen. En voor het geld moeten Nederlandse bedrijven niet naar de bank, maar naar de kapitaalmarkt, zo luidt de consensus op dit moment.

Voordat we de banken aan de kant schuiven, is het misschien slim naar de recente wetenschappelijke literatuur te kijken. Klopt het dat je een innovatief bedrijfsleven moet financieren buiten de bank om?

Deze week verscheen een uitgebreide literatuurstudie naar precies deze vraag. ‘Financing Innovation’, is de titel van de paper die Harvard-economen William Kerr en Ramana Nanda schreven. Hun verrassende hoofdconclusie luidt: voor de financiering van echte innovatie is vreemd vermogen, verstrekt voor banken, vaak beter dan eigen vermogen, opgehaald op de beurs.

Het gaat dan vooral om de aard van de innovatie. In perioden dat bankkrediet minder ruim wordt aangeboden, neemt niet zozeer het totale bedrag dat wordt uitgegeven aan innovatie af, maar de uitgaven aan experimentele, radicale en disruptieve innovatie. Bedrijven worden voorzichtiger en steken meer geld in innovatie die voortborduurt op eerdere uitvindingen.

Uit ander recent onderzoek, dat Kerr en Nanda noemen, blijkt dat juist innovatieve bedrijven goed bij de bank terechtkunnen, omdat zij hun patenten als onderpand kunnen gebruiken. Weer ander onderzoek laat zien dat ook start-ups, die nog geen onderpand hebben, profiteren van bankkrediet.

De beurs blijkt juist minder geschikt voor het financieren van radicale innovatie. Bij bedrijven die in de VS naar de beurs gaan, blijft het aantal nieuwe patenten weliswaar gelijk, maar de mate waarin die patenten echt vernieuwend zijn, daalt wel behoorlijk. Volgens de onderzoekers komt dat omdat beursgenoteerde bedrijven snel moeten presteren en het management op resultaten wordt afgerekend door de aandeelhouders. Voor risicovolle innovatie is dan minder animo. Het management wordt kortzichtiger na de beursgang, en volgt liever gebaande paden dan dat het nieuwe wegen inslaat.

De onderzoeken die de economen citeren hebben vooral betrekking op Amerikaanse bedrijven. Amerikaanse bedrijven zijn allerminst verslaafd aan bankkrediet, maar financiering via de kapitaalmarkt is in de VS veel gebruikelijker. Mogelijk zijn dus de conclusies niet een-op-een van toepassing op Nederland. Maar voordat we onze bankverslaving voor altijd afzweren, moeten we misschien toch even goed uitzoeken of we daarmee niet ons innovatievermogen schaden.

 

journalist en econoom