Verkoop ABN Amro, maar doe het zonder Goldman Sachs

Schermafbeelding 2014-04-21 om 15.02.24

Als alles loopt zoals Dijsselbloem verwacht, gaat staatsbank ABN Amro in 2015 naar de beurs. In drie stappen van verkoopt de Staat telkens een derde van de aandelen.

De overheid krijgt een deel van het geld terug dat in 2008 werd uitgegeven om het Nederlandse financiële stelsel te redden. En ABN wordt weer een marktpartij die kan concurreren met andere banken. Wie weet gaat dan ook de winstopslag op de Nederlandse hypotheekrente  wat omlaag. Maar dat zal we teveel gevraagd zijn.

Financiën denkt dat ABN 15 miljard euro waard kan zijn op de beurs. Het komende jaar zal de bank besteden om zich mooi te maken voor de markt en de beursgang voor te bereiden.

Bij dat laatste zal ongetwijfeld weer de hulp in worden geroepen van de grote zakenbanken. Goldman Sachs, Morgan Stanley, JP Morgan Chase, Citi, UBS, Deutsche Bank, Barclays en al die andere investment banks zullen zich verdringen aan deze rijkst gevulde trog van het jaar.

Niet alleen zijn ze uit op de geweldige commissie van pakweg 7 procent van de aandelenwaarde. Ze azen vooral op de voorkeurspositie die ze hun eigen klanten kunnen bieden. Grote klanten van de investeringsbanken krijgen voorrang en belonen de zakenbank vervolgens met extra klandizie en klantentrouw. (Hier een mooi inkijkje in de IPO van eToys in 1999)

Waarom zou de Nederlandse staat aan dat spelletje meedoen, en geld uitdelen aan de banken die mede oorzaak waren van de crisis die ABN Amro in 2008 omver trok? Laat het Agentschap van Financiën de beursgang begeleiden en zorg dat iedereen mee kan doen.

Maak er bijvoorbeeld een ‘Dutch Auction’ van, in een openbare IPO, of ‘OpenIPO’. Iedereen mag mee bieden. De hoogste bieder wint. We beginnen bij 100 euro per aandeel en laten de prijs dalen totdat alle aandelen zijn verkocht. (lees hier meer over de OpenIPO )

Bij de beursgang van Google in 2004 werden de aandelen – tot woede van Wall Street – ook openbaar geveild (al was het veilingsysteem wel gebouwd door Morgan Stanley en Credit Suisse, die de underwriters van de IPO waren).

ABN Amro heeft ruim een jaar om zich voor te bereiden op de beursgang. Financiën heeft een jaar om een openbare, eerlijke, efficiënte en goedkope beursgang te organiseren. Moet lukken.

Iedereen een vaste baan

Fantastisch nieuws voor alle flexwerkers: vanaf 2015 hoeft u het niet meer te pikken. Stelt uw werkgever na die datum een derde tijdelijk jaarcontract voor? Dan kunt u straks met de wet in de hand keihard weigeren te tekenen.

‘Een derde contract?’ roept u verontwaardigd. ‘Werkgever, hoe haal je het in je hoofd? Weet je niet dat de minister van Sociale Zaken drie tijdelijke contracten op rij verboden heeft? In naam van de minister eis ik een vast contract!’

De werkgever slaat zijn ogen neer en weet dat hij helemaal fout zit.

Zekerheid
Schuldbewust verscheurt hij het tijdelijke contract. Hij loopt terug naar zijn kantoor en print een nieuw arbeidscontract uit, ditmaal voor onbepaalde tijd. U zet uw handtekening en u bent aangenomen. Voor altijd.

Allemaal dankzij minister Asscher en zijn Wet Werk en Zekerheid die sinds deze week bij de Raad van State ligt. De wet verbiedt drie tijdelijke contracten op rij. Volgens Asscher zijn er te grote verschillen ontstaan tussen flexwerkers en werknemers met een vaste baan. Flexwerkers moeten eerder de zekerheid van een vast contract krijgen; niet na drie, maar al na twee tijdelijke contracten.

Vast contract
Flexwerkend Nederland is uiteraard dolblij met die nieuwe zekerheid. Klein puntje van zorg is misschien dat niet bij voorbaat voor 100% zeker is dat de flexwerker na twee jaar ook echt een vast contract krijgt aangeboden. Dat mogen werkgevers in theorie nog altijd zelf weten.

Een werkgever zou in principe ook kunnen besluiten om de flexwerker na twee jaar geen vast contract aan te bieden, maar te vervangen door een andere flexwerker, die na twee jaar ook weer zijn biezen mag pakken. Als werkgevers daartoe massaal besluiten, zou de nieuwe wet de positie van de flexwerker juist verslechteren en diens kansen op de arbeidsmarkt flink doen afnemen.

Rechtspositie
Maar dat is wel erg negatief gedacht. De minister heeft het in een persbericht over verbetering van de rechtspositie van flexwerkers en over flexwerkers die eerder aanspraak kunnen maken op een vast arbeidscontract. Als de nieuwe wet in de praktijk zou betekenen dat flexwerkers voortaan na twee in plaats van drie contracten op straat komen te staan, zou minister Asscher dat heus niet zo opschrijven

Nee, er zit ongetwijfeld nog een slimmigheidje in de nieuwe wet, dat zal bewerkstelligen dat alle werkgevers hun flexwerkers straks blijmoedig na twee tijdelijke contracten een vast contract zullen aanbieden. Een regeltje waarmee de natuurlijke reactie van naar flexibiliteit smachtende ondernemers subiet wordt uitgeschakeld, waarmee de noodzaak voor bedrijven om snel op veranderingen in te kunnen spelen, permanent wordt onderdrukt en de autonome trend van steeds vluchtigere arbeidsrelaties wordt gekeerd.

Flexwerkers hoeven zich absoluut nergens zorgen om te maken.

(verscheen eerder hier)

TU Shell of Royal Dutch Delft

Hij is Nederlander, hij is ingenieur en hij studeerde aan de TU Delft. Hoe Shell wil je het hebben? Ben van Beurden wordt per 1 januari 2014 de nieuwe CEO van Royal Dutch Shell. Hij is de zesde Delftse topman, zo blijkt uit een uurtje googlen.

De eerste directeur Jean Baptiste August Kessler studeerde al aan de Polytechnische School in Delft, zoals de Technische Universiteit toen heette. Hij maakte de opleiding overigens niet af, want vertrok op z’n 23ste naar Nederlands Indië om de Koninklijke Maatschappij tot exploitatie van Petroleumbronnen in Nederlandsch-Indië te stichten.

Van zijn dertien opvolgers studeerden er vijf in Delft. (Alleen van chemisch ingenieur J.E.F. de Kok, die Shell tussen 1936 en 1947 leidde, weet ik dat niet zeker, maar het is zeer waarschijnlijk dat hij in Delft studeerde)

Van de elf Nederlandse topmannen die het bedrijf had (en straks krijgt), studeerden er slechts vijf niet in Delft.

  • Ben van Beurden (2014 – …), Chemisch ingenieur, TU Delft
  • Peter Voser (2009-2014), Bedrijfskundige, Hogeschool Zürich
  • Jeroen van der Veer (2004-2009), Werktuigbouwkundige, TU Delft
  • Phil Watts (2001-2004), Geofysicus, Leeds University
  • Mark Moody-Stuart (1997-2001), Geoloog, Cambridge
  • Cor Herkströter (1992-1997), Econoom, Erasmus Universiteit
  • Lodewijk van Wachem (1982-1992), TU Delft
  • Dirk de Bruyne (1977-1982), Econoom (waar?)
  • Gerrit Wagner (1971-1977), Jurist (waar?)
  • John Hugo Loudon (1951-1965), Jurist, Universiteit Utrecht
  • Jean Baptiste August Kessler jr (1947-1949), Electrotechniek, TU Delft
  • J.E.F. de Kok (1936-1947), Chemisch ingenieur, TU Delft*
  • Henri Deterding (1901-1936), Bankier, HBS
  • Jean Baptiste August Kessler (1890-1901), TU Delft (niet afgemaakt)

(NB: Delft heet pas sinds 1986 ‘Technische Universiteit’. Daarvoor was het ‘Technische Hogeschool’. Voor 1905 was het ‘Polytechnische School’. Meer geschiedenis hier)

*UPDATE: Jazeker, ook J.E.F. de Kok studeerde aan de TU Delft. Dat meldt Karen Collet van de Technische Universiteit. Hij studeerde af in 1908 aan wat toen nog de Polytechnische School heette.

(Er was een flinke zoektocht nodig om de bevestiging van mijn vermoeden te vinden. Uiteindelijk vond Jeroen Leuven, de secretaris van het Technologisch Gezelschap, de studievereniging van de TU, J.E.F. Kok terug in het eeuwboek van het gezelschap. Allen bedankt voor de hulp!)

Verkoop ABN Amro, maar doe het zonder Goldman Sachs

6a0120a6abcc4f970c01901ef7428f970bAls alles loopt zoals Dijsselbloem verwacht, gaat staatsbank ABN Amro in 2015 naar de beurs. In drie stappen van verkoopt de Staat telkens een derde van de aandelen.

De overheid krijgt een deel van het geld terug dat in 2008 werd uitgegeven om het Nederlandse financiële stelsel te redden. En ABN wordt weer een marktpartij die kan concurreren met andere banken. Wie weet gaat dan ook de winstopslag op de Nederlandse hypotheekrente  wat omlaag. Maar dat zal we teveel gevraagd zijn.

Financiën denkt dat ABN 15 miljard euro waard kan zijn op de beurs. Het komende jaar zal de bank besteden om zich mooi te maken voor de markt en de beursgang voor te bereiden.

Bij dat laatste zal ongetwijfeld weer de hulp in worden geroepen van de grote zakenbanken. Goldman Sachs, Morgan Stanley, JP Morgan Chase, Citi, UBS, Deutsche Bank, Barclays en al die andere investment banks zullen zich verdringen aan deze rijkst gevulde trog van het jaar.

Niet alleen zijn ze uit op de geweldige commissie van pakweg 7 procent van de aandelenwaarde. Ze azen vooral op de voorkeurspositie die ze hun eigen klanten kunnen bieden. Grote klanten van de investeringsbanken krijgen voorrang en belonen de zakenbank vervolgens met extra klandizie en klantentrouw. (Hier een mooi inkijkje in de IPO van eToys in 1999)

Waarom zou de Nederlandse staat aan dat spelletje meedoen, en geld uitdelen aan de banken die mede oorzaak waren van de crisis die ABN Amro in 2008 omver trok? Laat het Agentschap van Financiën de beursgang begeleiden en zorg dat iedereen mee kan doen.

Maak er bijvoorbeeld een ‘Dutch Auction’ van, in een openbare IPO, of ‘OpenIPO’. Iedereen mag mee bieden. De hoogste bieder wint. We beginnen bij 100 euro per aandeel en laten de prijs dalen totdat alle aandelen zijn verkocht. (lees hier meer over de OpenIPO )

Bij de beursgang van Google in 2004 werden de aandelen – tot woede van Wall Street – ook openbaar geveild (al was het veilingsysteem wel gebouwd door Morgan Stanley en Credit Suisse, die de underwriters van de IPO waren).

ABN Amro heeft ruim een jaar om zich voor te bereiden op de beursgang. Financiën heeft een jaar om een openbare, eerlijke, efficiënte en goedkope beursgang te organiseren. Moet lukken.

Alle banken naar de beurs!

(Verscheen in FD woensdag 28 augustus 2013)

Vandaag precies vijf jaar geleden sloot de Amerikaanse beursindex S&P500 voor het laatst dat jaar boven de 1300 punten. Daarna zette de daling in. In maart 2009 stond de beursindex op 696. Het zou tot februari 2011 duren voordat de S&P weer boven de 1300 punten sloot. Dit soort historische feitjes zult u de komende maanden vaak zien langskomen.

Het is een half decennium geleden dat de financiële crisis in alle hevigheid losbrak. Ongetwijfeld werken alle economieredacties van kranten en andere nieuwsmedia aan verhalen over dit eerste lustrum van de kredietcrisis.

Inmiddels staat de S&P-index ruim boven de 1600. Op Wall Street is de crisis al lang voorbij. Amsterdam is nog niet helemaal boven Jan. Vijf jaar geleden sloot de AEX-index op 411 punten. Daar zitten we nu nog zo’n 10% onder.

Maar ook in Nederland is het beursklimaat inmiddels dusdanig hersteld, dat minister Jeroen Dijsselbloem van Financiën durft te speculeren op een terugkeer van ABN Amro naar de beurs. De bank kan op termijn terug naar de markt, stelde de minister afgelopen vrijdag zelfverzekerd.

Dat is goed nieuws. Niet alleen omdat we dan eindelijk weten hoe groot het onvermijdelijke verlies op deze aankoop door de Staat is. Maar vooral omdat er blijkbaar weer beleggers zijn die willen inschrijven op nieuwe bankaandelen.

Als dat echt zo is, moet er in alle hoofdkantoren van Europese banken een bel rinkelen. De markt is weer open! We kunnen eindelijk ons eigen vermogen aanvullen. Geef direct nieuwe aandelen uit! Desnoods tegen afbraakprijzen!

Banken moeten hun buffers versterken, liefst met risicodragend eigen vermogen. Aandelen dus. Alleen dan wordt de schuldenhefboom van de bank korter. En alleen dan kan het pijnlijke proces van afboeken van slechte leningen beginnen. Het gezond maken van de Europese (en dus ook Nederlandse) banken begint met het uitgeven van nieuwe aandelen.

Nee, de banken zelf zijn daar bepaald geen voorstander van. Met de impliciete belofte van de overheid op zak, dat ze als het mis gaat altijd worden gered, hebben ze een kunstmatige voorkeur voor vreemd vermogen. Met schuldeisers hoef je de winst immers niet te delen. Of je bonus.

Eigen vermogen hebben banken in theorie genoeg, want als de bank failliet gaat worden alle belastingbetalers automatisch aandeelhouder.

We zullen ze het eigen vermogen dus moeten opdringen, via een slimme combinatie van strenge kapitaal- en hefboomeisen. Uit de kabinetsvisie op de banken die minister Dijsselbloem samen met de ABN Amro-plannen naar de Tweede Kamer stuurde, valt op te maken dat hij zoiets van plan is. Mooi. Nu maar hopen dat we het voor het tweede lustrum van de financiële crisis op orde hebben.

Vals alarm over flexwerk

De omvang van de flexibele schil groeit. De doorstroom van flexibel naar vast werk stagneert. Het inkomen van flexwerkers is iets lager, ze zijn iets minder gezond en ze doen een groter beroep op de sociale zekerheid.

Dit is het sombere plaatje dat Lodewijk Asscher deze week in een brief aan de Tweede Kamer schetst. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vindt het tijd voor actie en wil voorkomen dat flexibele arbeid verwordt tot een goedkoop alternatief voor de vaste baan. Werknemers krijgen daarom voortaan na twee jaar aanspraak op een vast contract, schrijft Asscher. Nu is dat nog drie jaar.

Verderop zal ik uitleggen waarom dat een beroerde oplossing is. Eerst de feiten.

Niet alarmerend
Asschers sombere beschrijving is gebaseerd op een grootschalig onderzoek dat Stichting Economisch Onderzoek (SEO) uitvoerde naar de sociaaleconomische situatie van flexibele werknemers.

Vreemd genoeg is de conclusie van de het rapport helemaal niet alarmerend. Er zijn nu inderdaad meer flexbanen dan aan het begin van de eeuw en er stromen minder flexwerkers door naar een vaste baan. Maar die doorstroom wordt vooral beperkt door de crisis.

Huishoudinkomen
Dat de kans op vast werk is afgenomen komt, zo schrijven de onderzoekers, voor een groot deel door de zwakke conjunctuur van de laatste jaren. Daar kan Asscher met zijn beleid weinig aan doen.

Bovendien blijkt uit het rapport dat het de meeste flexwerkers goed gaat. Ik citeer letterlijk, zodat u de conclusie kunt vergelijken met die van Asscher hierboven: Voor de meeste van deze werknemers (met een flexibele baan) is dat sociaaleconomisch geen probleem. Hun huishoudinkomen is nauwelijks lager dan dat van vaste werknemers en er wordt door flexibele werknemers en hun werkgevers minstens zoveel geïnvesteerd in post-initiële scholing.

Vaste baan
Ook met die mindere gezondheid die Asscher noemt, blijkt het wel mee te vallen.

Langdurige flexwerkers hebben 17,5% kans op gezondheidsproblemen, voor vaste werknemers is dat 16,6%. Een klein verschil, dat volgens de onderzoekers ook veroorzaakt kan worden doordat mensen met een zwakke gezondheid minder snel vast werk krijgen aangeboden.

Zijn er dan helemaal geen problemen? Jawel, voor oudere, allochtone, laagopgeleide flexwerkers is de kans op een vaste baan aanzienlijk lager dan gemiddeld. Een derde van hen belandt uiteindelijk langdurig in de WW en bijstand.

Op deze mensen zou het beleid zich moeten richten. Maar aan Asschers voorgenomen verbod op meer dan twee jaar flexwerk hebben zij niets. Oude allochtone flexwerkers zonder opleiding worden straks gewoon na twee jaar, in plaats van na drie jaar, ontslagen. Van de regen in de drup.

Shoppen is verboden

Isoleren betaalt zichzelf terug, dus ik had nieuwe ramen met dubbel glas besteld. De timmerman zette de ramen er netjes in en vervolgens kon de glaszetter het werk afmaken. Ook hij leverde uitstekend werk. Maar een glaszetter was deze zzp-er niet, vertelde hij. Op zijn website en visitekaartje stond ‘klusjesman’.

Dat leek me een veel te bescheiden omschrijving van zijn vakmanschap, en dat vond hij zelf ook. “Tot een jaar geleden stond er glaszetter op mijn website”, legde hij uit. “Maar op een dag kreeg ik een brief van het pensioenfonds van de schilders. Of ik met spoed duizenden euro’s aan achterstallige pensioenpremie wilde overmaken. Als glaszetter was ik blijkbaar verplicht bij dat pensioenfonds aangesloten. Sindsdien ben ik klusjesman.”

Zo werkt dat dus in Nederland. Het bedrijfstakpensioenfonds voor het Schilders-, Afwerkings- en Glaszetbedrijf jaagt actief op zzp-ers met een glassnijder, kitspuit, of kwast in de hand. Want niet alleen glaszetters en schilders in loondienst zijn verplicht aangesloten bij dat fonds. Deze zogenoemde ‘verplichtstelling’ geldt ook voor zelfstandigen. Met de wet in de hand kan het pensioenfonds bij zzp-ers langsgaan om premie te innen.

Of die kleine zelfstandige misschien liever voor zijn pensioen spaart bij een bank of een verzekeraar, speelt geen rol. Vrije keuze bestaat niet in pensioenland. Iedereen moet sparen bij het fonds dat bij zijn beroep, bedrijf of sector hoort.

Deze fondsdwang geldt gelukkig maar voor een klein deel van de zelfstandigen. De meeste ondernemers kunnen in vrijheid hun pensioenaanbieder kiezen. Maar het grootste deel van de werknemers is wel verplicht aangesloten bij een specifiek fonds. Shoppen is verboden.

Het is niet meer dan logisch dat de politieke jongeren van PvdA, VVD en D66 deze verplichtstelling willen schrappen. Hou pensioensparen verplicht, maar laat werknemers voortaan zelf het (goedgekeurde) pensioenfonds uitkiezen, zo stelden zij dit weekend voor.

Een uitstekend idee. Door de gedwongen winkelnering zit Nederland opgescheept met 395 verschillende pensioenfondsen, elk met een eigen bestuur en beleggingsbeleid. Een inefficiënt bouwwerk dat alleen door de wettelijke monopoliemacht in stand blijft. De werknemer die van bedrijf of sector verandert moet maar hopen dat de dekkingsgraad voldoende is om zijn pensioen mee te mogen nemen.

De versnippering vergroot bovendien de kans op incompetentie bij de fondsen. Een bestuurder van het pensioenfonds van een groot warenhuis vertrouwde mij ooit toe dat zijn dames helemaal niet geïnteresseerd zijn in indexatie van het pensioen, maar liever elk jaar een uitnodiging krijgen waarmee ze de avond voor de uitverkoop al de winkel in mogen. Je zal maar door de wetgever verplicht worden iedere maand tientallen procenten van je inkomen naar zo’n clown over te maken.

(Column verscheen eerder in het FD)

Huis onder water? Dan geen pensioenpremie

Tientallen jaren subsidieerde de overheid zowel sparen voor het pensioen, als lenen voor het huis. Het gevolg van deze staatsinmenging is dramatisch. Nederlanders hebben de best gevulde pensioenpotten van de wereld, maar ook een enorme private schuld.

We zijn rijk en arm tegelijk. Wie door een roze bril naar Nederland kijkt ziet 1.000 miljard euro aan pensioenkapitaal, waarmee we de vergrijzing kunnen betalen. Pessimisten zien een hypotheekschuld van ruim 600 miljard euro, die door de dalende huizenprijzen steeds zwaarder op de huishoudens en banken drukt.

Van wie is de pensioenpot?

Salderen van schuld en vermogen lijkt een logische oplossing. Maar het pensioenvermogen is niet liquide en valt pas na de pensioengerechtigde leeftijd vrij. Bovendien stromen de pensioenpremies niet geoormerkt de fondsen in, dus niemand weet welk deel van de pensioenpot van wie is.

Via de omweg van de banken probeert men toch pensioengeld naar de huizenmarkt te brengen. Zo studeert de commissie Van Dijkhuizen op manieren om pensioenfondsen in hypotheekobligaties van banken te laten beleggen.

Maar die hebben daar waarschijnlijk alleen trek in als de overheid garant staat voor eventuele verliezen. En individuele huiseigenaren met een schuld die groter is dan de waarde van de woning, hebben er niets aan.

Terwijl Van Dijkhuizen verder studeert, worden de problemen op de huizenmarkt al groter. Volgens de laatste BKR Hypotheekmeter is het aantal betalingsachterstanden op de hypotheek het afgelopen jaar met een kwart toegenomen tot bijna 82.000. Ruim anderhalf procent van de huiseigenaren heeft op dit moment een achterstand.

Banken hebben inmiddels 0,1 procent van hun hypotheekportefeuille afgeschreven. Dat is nog niet ongehoord veel, maar wel het dubbele van twee jaar geleden.

Hypotheken onder water

Over hoeveel hypotheken inmiddels ‘onder water’ staan, lopen de meningen uiteen. Het Centraal Bureau voor de Statistiek rekende in maart van dit jaar voor dat ruim een miljoen huizen in Nederland minder waard zijn dan de hypotheekschuld. Dat is ongeveer een kwart van alle huizen. Gemiddeld zou het gaan om 13.000 euro aan ‘onderwaarde’.

Maar het CBS baseert zich op cijfers uit januari 2011. Sindsdien is de huizenprijs met ruim 12 procent gedaald, dus het probleem zal intussen veel groter zijn geworden.
De Nederlandsche Bank schrijft in een recent onderzoek dat 30 procent van de woningen onder water staat. Maar DNB geeft daar verder geen cijfers en bedragen bij.

Een rapport van de Amsterdam School of Real Estate van begin dit jaar, heeft het over 800 duizend woningen die nu onder water zouden staan. Dat is minder dan schattingen van CBS en DNB. Maar de onderzoekers denken dat het per woning om een onderwaarde van bijna 39 duizend euro gaat, drie maal zo hoog als het CBS-bedrag.

Achilleshiel van de economie

De huizenmarkt is momenteel de achilleshiel van de Nederlandse economie. Door de onderwaarde kunnen veel huishoudens niet verhuizen en niet verkopen voor een lagere prijs. Er zit een enorme prop in de huizenmarkt die de doorstroming hindert. Banken moeten verliezen nemen en zijn huiverig voor het verstrekken van nieuwe woningleningen.

Bovenal remt te hoge hypotheekschuld de consumptie. Huiseigenaren zijn bezig de verloren huiswaarde snel bij te sparen en af te lossen. Op microniveau is dat misschien verstandig, maar voor de economie als geheel pakt het simultaan sparen en aflossen buitengewoon slecht uit.

Is er niets aan te doen? Jawel. Want dezelfde Nederlanders die nu uit alle macht bezuinigen om de dalende woningwaarde bij te houden, betalen in veel gevallen iedere maand automatisch pensioenpremie. Ze zijn arm en rijk tegelijk.

Premievakantie

De oplossing is simpel: geef huiseigenaren die onder water staan bijvoorbeeld twee jaar lang de mogelijkheid om hun pensioenpremie (inclusief de werkgeverspremie) te gebruiken om hun hypotheekschuld af te lossen.

Uiteraard op basis van vrijwilligheid. En uiteraard met gelijkwaardige afname van pensioenrechten. Pensioenfondsen zijn prima in staat dit administratief te verwerken.
Het pensioen wordt later dus lager, in ruil voor minder negatief vermogen in het eigen huis, nu. Per saldo maakt dat voor de vermogenspositie over het hele leven niet veel uit, dus roekeloos is dit niet te noemen. Geef iedereen die meedoet desnoods het recht om op een later moment weer extra pensioenpremie te betalen, om toch de oude rechten terug te krijgen.

Deze premievakantie voor huiseigenaren met onderwaarde kan de Nederlandse problemen serieus verminderen. In totaal betaalt Nederland jaarlijks 30 miljard euro aan pensioenpremie.
Als we daarvan bijvoorbeeld een vijfde kunnen inzetten voor extra aflossing, geeft dat in twee jaar maar liefst 12 miljard euro lucht aan huizenmarkt en economie. Mooi meegenomen.

Onder de huidige omstandigheden is het dwaas om huiseigenaren met betalingsproblemen te verplichten om een aanzienlijk deel van hun inkomen illiquide te sparen bij het pensioenfonds.
Verplicht pensioensparen verkleint de kans op een armoedige oude dag. Maar voor sommige Nederlanders is de armoede nu veel nijpender.

(Z24)

Werkloze jeugd zit op school

Wist u dat twee op de drie Griekse jongeren werkloos zijn? En dat in Spanje ruim de helft van de jongeren op zoek is naar werk? Dan weet u vast ook dat een kwart van de jongeren in het eurogebied werkloos is. En dat een op de zes Nederlandse jongeren geen baan kan vinden.

Wist u dat allemaal al? Nou, dat wist u dan verkeerd. Jeugdwerkloosheid is een groot probleem, maar niet zo immens als in artikelen over het onderwerp telkens wordt beweerd. Het is niet waar dat van elke vier eurojongeren tussen 15 en 25 jaar er één werkloos is. In werkelijkheid is het één op de tien. Dat is nogal een verschil.

Percentage
Hoe komen journalisten en zelfbenoemde experts dan aan die één op vier? Ze leiden het af uit het werkloosheidspercentage onder jongeren. Dat bedraagt nu zo’n 25%. Maar dat percentage wordt berekend door het aantal werkloze jongeren te delen door het aantal jongeren dat actief is op de arbeidsmarkt. Scholieren, studenten en andere ‘inactieven’ die niet op zoek zijn naar werk, worden in dit cijfer niet meegerekend.

Neem een denkbeeldig landje met 90 tevreden studenten, vijf werkende en vijf werkloze jongeren. De jeugdwerkloosheid bedraagt 50%. Maar slechts één op de twintig jongeren is werkloos. Wie beweert dat de helft van de jeugd op zoek is naar werk, chargeert op het leugenachtige af. Ik ben niet de eerste die dit schrijft, maar het misverstand is hardnekkig.

Ook zonder deze telkens terugkerende ‘slordigheden’ zijn de problemen in het eurogebied enorm. Overtrokken berichtgeving over de jeugdwerkloosheid zorgt voor overdreven pessimisme onder Europese burgers.

Juiste cijfers
Wat zijn dan de juiste cijfers? Dat is met gegevens van het Europese bureau voor statistiek Eurostat eenvoudig uit te rekenen. In het laatste kwartaal van 2012 woonden er in het eurogebied bijna 36 miljoen mensen van tussen 15 en 25 jaar oud. Een kleine 14 miljoen van hen zijn actief op de arbeidsmarkt. Daarvan hebben 11,4 miljoen werk en 3,6 miljoen niet.

Eén op de tien jongeren is dus werkloos. In Griekenland is dat één op de zes, in Spanje één op de vijf en in Nederland één op de vijftien.

Het Nederlandse cijfer wordt ook vertekend door de eigenwijze manier waarop ons Centraal Bureau voor de Statistiek werkloosheid meet. Wie minder dan twaalf uur per week werkt, maar liever meer dan twaalf uur zou werken, telt mee als werkloos. Eurostat telt alleen mensen die helemaal niet werken. Bij het CBS valt de jeugdwerkloosheid hoger uit omdat scholieren met een klein baantje die best meer dan twaalf uur willen werken, worden meegeteld.

Eén op de zes Nederlandse jongeren is werkloos. ‘Dat kan zo niet langer!’, brult de website van het jongerenfestival European Dreams dat op 7 juni in Utrecht wordt gehouden. Precies, dergelijke paniekzaaierij, dat kan echt niet langer.

Recht op geen werk

Het is nog best lastig om het meest waardeloze onderdeel van het sociaal akkoord te bepalen. Er is zoveel om uit te kiezen. Hoognodige aanpassingen aan het ontslagrecht worden uitgesteld en afgezwakt, de maximale WW-uitkering blijft ruim drie jaar, bezuinigingen verdwijnen in de ijskast, in de hoop — meer is het niet — dat de economie de komende maanden een onverwachte groeispurt laat zien.

Het is allemaal zeer treurig. Maar het meest sneue onderdeel is toch wel het plan om flexibele arbeid aan te pakken.

Nu nog mogen flexwerkers maximaal drie tijdelijke contracten in maximaal drie jaar bij dezelfde werkgever uitdienen. Dat wordt vanaf 1 januari 2015 drie contracten in maximaal twee jaar. Dat is goed nieuws voor flexwerkers, schrijft minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken in een toelichting, want zo krijgen zij een sterkere positie, sneller een vaste baan en meer zekerheid.

Van de regen in de drup
Alle flexwerkers vieren feest. Krijgen zij nu na drie jaar geen vaste baan, straks hebben ze al na twee jaar de zekerheid dat ze geen vast contract krijgen. Geweldig! In plaats van iedere drie jaar van tijdelijke baan wisselen, mogen ze straks na twee jaar alweer gaan jobhoppen.

Geen enkele werkgever zal in crisistijd enthousiast met vaste contracten gaan zwaaien omdat hij zijn tijdelijke krachten minder lang in dienst mag houden. Asscher helpt de flexwerker van de regen in de drup.

Als er al flexwerkers profiteren van deze inperking zijn dat de werknemers met unieke kwaliteiten, die de werkgever niet kan missen. Lager opgeleide flexwerkers die voor werkgevers inwisselbaar zijn, zullen slechts merken dat ze elke twee in plaats van elke drie jaar op zoek moeten naar een nieuwe baan.

Wie dacht dat de vakbonden juist voor deze zwakkere werknemers op zouden komen, vergist zich dus. Dan hadden de bonden zich juist ingezet voor een langere aaneengesloten periode van tijdelijke contracten, in plaats van een kortere.

In crisistijd hebben werknemers meer aan de onzekerheid van een tijdelijk contract dan aan het recht op geen werk. Opvallend genoeg was er in recessiejaar 2009 een VVD-Kamerlid dat dat uitstekend begreep. Dit Kamerlid diende een motie in om de Flexwet voor jongeren tot 27 jaar tijdelijk te verruimen. Voortaan zouden zij geen drie, maar vier jaar lang bij dezelfde baas op tijdelijk contract mogen werken.

De motie werd ondertekend door de PvdA en nog zeven fracties en aangenomen door de gehele Tweede Kamer, behalve de SP. Ook toenmalig PvdA-Kamerlid en huidig FNV-voorzitter Ton Heerts stemde voor.

De naam van het VVD-Kamerlid dat de motie indiende was Mark Rutte. In 2011 werd uit een evaluatie van de maatregel duidelijk dat er zeker 10.000 jongeren door aan het werk waren gebleven.

Wat Rutte als Kamerlid begreep, is hij als premier straal vergeten. Waardeloos.