Alle berichten van Mathijs

Bol punt dom

Werkgevers moeten niet piepen, de lonen in Nederland kunnen best omhoog

Nu is iedereen voor hogere lonen. Alle werknemers waren er natuurlijk altijd al voor, hun cao-onderhandelaars ook. Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) preekt al jaren dat Nederland zou opknappen van een verfrissende loongolf. En deze week voegden het Centraal Planbureau (CPB) en De Nederlandsche Bank (DNB) zich ook in het Koor der Looninflatie. In harmonieuze tweestemmigheid bezongen zij de voordelen van een flinke inhaalslag voor de inkomens van Nederlandse werknemers.

De economie herstelt sneller dan gedacht, bedrijfswinsten zijn meer dan gezond, terwijl de inflatie juist ziekelijk laag is. Tel daarbij op dat Nederland structureel meer exporteert dan het importeert, dus dat we onszelf de facto op de wereldmarkt presenteren als een lagelonenland waarvan iedereen mag profiteren, behalve de hardwerkende Nederlander, en de case voor een fikse inhaalslag van de loonkosten is gemaakt.

Alleen de feitelijke bewijsvoering moet nog even gepresenteerd worden en de doodstraf voor het Hollandse model van loonmatiging kan worden uitgesproken. Zijn die feiten er? Op zich wel, maar bij feiten over lonen en loonmatiging hoort een bijsluiter. Er zijn namelijk vele manieren om het loon van werknemers te berekenen. Je kunt kijken naar het nettoloon dat werknemers maandelijks op hun bankrekening gestort krijgen, of naar de koopkracht die dit loon de gemiddelde werknemer in de winkel oplevert. In beide gevallen ziet het beeld er niet fraai uit: sinds het begin van de crisis is de gemiddelde werknemer er netto en in koopkracht niet al te veel op vooruitgegaan. Vandaar dat IMF, CPB en DNB denken dat er ruimte is voor een loongolf.

Je kunt ook aan de andere kant beginnen, en kijken naar de arbeidskosten. Wat kost het een werkgever om iemand een uur aan het werk te zetten? Met die laatste vraag weet VNO-NCW wel raad. De werkgeversvereniging was afgelopen week de dissonante stem. Voorzitter Hans de Boer vertelde in De Telegraaf dat de loonkosten juist fors stijgen, met bijna 3% per jaar. De collectieve sector pakt een steeds groter deel van de taart af, dus wie hogere nettolonen en meer koopkracht wil voor hardwerkende Nederlanders, die moet vragen om lastenverlichting en niet om loonsverhoging. Jeroen Dijsselbloem is rijk, niet het Nederlandse mkb.

Wie heeft er gelijk? Iedereen! Ik vroeg VNO-NCW naar onderbouwing van de beweringen van De Boer en men leverde mij een keurige CPB-tabel waaruit inderdaad blijkt dat de arbeidskosten dit en volgend jaar met een 2,8% stijgen. Dat de hardwerkende Nederlander daar weinig van merkt, komt door de iets oplopende inflatie en door de overheid die een deel van de stijging afroomt.

Maar er zijn ook andere cijfers. Het Centraal Bureau voor de Statistiek berekent jaarlijks de ‘prijs van arbeid’, de totale loonkosten van het bedrijfsleven gedeeld door het aantal gewerkte uren. De prijs van arbeid is sinds 2014 – het jaar dat het economisch herstel begon – nauwelijks gestegen. Er kwam in drie jaar in totaal slechts 1,2% bij. Dat is maar net meer dan de inflatie in die periode.

Wie heeft er gelijk? Ik zoek de waarheid bij een onpartijdige bron. De Oeso heeft een eigen indicator voor de prijs van arbeid: de loonkosten per eenheid product. Voor Nederland geeft deze indicator een duidelijk beeld: tussen 2000 en 2008 lopen de loonkosten per eenheid product stevig op, met ruim 20%. Maar vanaf het begin van de kredietcrisis is er weinig toename meer. De laatste jaren is de stijging nihil.

Schermafbeelding 2017-06-24 om 22.52.46

Dat is bij onze buurlanden duidelijk anders. Terwijl de Nederlandse loonkosten per eenheid product sinds 2008 in totaal met 3% zijn gestegen, is dat in Duitsland meer dan 10%. Frankrijk en België doen het met 7% ook een stuk beter. We blijven ook achter bij het gemiddelde van het eurogebied.

Schermafbeelding 2017-06-24 om 22.52.52

Doe dus maar, werknemers! Ga het loonoverleg in met een stevige inzet. Vraag om een forse inhaalslag en eis een behoorlijke inkomenssprong. De Oeso staat aan jullie kant!

(FD)

Geef Nederlandse huishoudens één grote, oplaadbare batterij voor hun hele financiële levensloop

Mocht er ooit een nieuw kabinet komen, dan zal het uit veel bewindslieden bestaan. Met minimaal vier coalitiepartijen zijn er veel posten nodig om iedereen tevreden te houden. Gelukkig zijn er genoeg maatschappelijke vraagstukken voor deze nieuwe ministers. Ik weet er zo al twee: het nieuwe kabinet krijgt een minister van Energietransitie en een minister van Levensloop.

Zet deze twee nieuwe ministers dan vooral ook op een gedeeld kantoor, zodat ze veel kunnen overleggen. Want het probleem dat ieder van hen moet oplossen is in essentie een en hetzelfde. Het is het vraagstuk van de efficiënte opslag.

Buffer

De minister van Energietransitie kan de Noordzee vol zetten met windmolens en alle daken bedekken met zonnecellen, maar het probleem blijft dat de opgewekte elektriciteit vaak tijdelijk zal moeten worden opgeslagen. Als de zon schijnt, doet niemand het licht aan. We hebben een buffer nodig, een nationale batterij, waarin stroomoverschotten worden opgeslagen. Dat kan een echte, fysieke batterij zijn, in iedere woning, op de plaats waar nu de cv-ketel staat. We kunnen het overschot aan stroom ook omzetten in waterstof of via een Europees stroomnetwerk overschotten overhevelen naar andere landen.

tesla powerwall

Hoe dan ook: de minister van Energietransitie zal een oplossing moeten vinden voor stroomoverschotten en -tekorten in de tijd. Hetzelfde geldt voor de minister van Levensloop. Die moet een ‘financiële batterij’ uitdenken waarmee huishoudens inkomensoverschotten kunnen opslaan, waar ze uit kunnen putten als het inkomen tekortschiet.

Goedbedoelde bemoeienis

Zo’n batterij hebben we al, zult u zeggen: hij heet ‘bank’. We lenen er als we tekort komen, en sparen als we over hebben. Maar helaas is de werkelijkheid niet zo simpel. Goedbedoelde overheidsbemoeienis heeft gezorgd voor een wirwar aan spaarpotjes en leningen. We hebben pensioenfondsen, hypotheekleningen, studieleningen en sociale verzekeringen, allemaal met hun eigen regeltjes waardoor ze slecht op elkaar aansluiten. De Nederlanders keukenla ligt vol met financiële batterijen, sommige oplaadbaar, andere juist niet, en ieder met een eigen formaat en voltage.

In het pas verschenen rapport ‘Evenwichtige vermogensopbouw’, brengt SEO Economisch Onderzoek deze rommella in kaart. De onderzoekers laten allereerst zien hoe inkomen en vermogen elkaar tijdens de levensloop idealiter zouden moeten aanvullen. Aan het begin van het zelfstandige leven hebben we nauwelijks inkomen maar wel behoefte aan geld om een studie te bekostigen. Het vermogen mag dan negatief zijn. Vervolgens komt het spitsuur van het leven, waarin we langzaam meer gaan verdienen terwijl de uitgaven enorm stijgen. Er moet een huis worden gekocht en de kinderen willen ieder jaar een nieuwe Playstation. De hypotheekschuld is hoog en geld om te sparen is er nog niet. Na het spitsuur, als de kinderen het huis uit zijn, verdienen we meer, maar hebben we weinig kosten, waardoor het vermogen groeit. Na onze pensionering laten we die financiële batterij langzaam weer leeglopen. Als ten slotte de zorgkosten flink gaan stijgen, verpanden we ons afgeloste huis en gaan uiteindelijk de kist in met net zo weinig vermogen als we aan het leven begonnen.

Schermafbeelding 2017-06-17 om 20.22.04

Gaten

Dat is het ideaalbeeld. In de praktijk durven we niet veel te lenen voor onze studie en kunnen we het ook niet. Wel moeten we veel pensioenpremie betalen tijdens het spitsuur en meteen beginnen met aflossen van de hypotheek. Ouderen lukt het zelden de waarde van de eigen woning te gebruiken voor het financieren van zorg. Het gevolg is dat Nederlanders op de meeste momenten van hun leven zowel sparen als lenen, want ze mogen met het ene potje het andere gat niet tijdelijk vullen. We zijn arm en rijk tegelijk.

De regels rond pensioen, hypotheek en studie moeten op de schop, vinden de onderzoekers terecht. Koppel tijdens het spitsuur pensioen en hypotheek, regel een ‘omkeerhypotheek’ waarmee ouderen zorg kunnen financieren zonder te hoeven verhuizen, maak bijlenen en extra aflossen in de hypotheek eenvoudiger en creëer meer kredietmogelijkheden voor levenslang leren. Kortom: maak van al onze financiële batterijen één grote krachtbron. De nieuwe minister van Levensloop kan aan de slag.

(FD)

Vraag die de EU nu moet beantwoorden: is Trumps klimaatverraad een handelsoorlog waard?

Hoogste tijd voor een Duitser aan het roer bij de ECB; en zet er dan maar een Fin naast

De voorrondes zijn begonnen, maar de finale is pas in 2019. Dan zitten Mario Draghi’s acht jaar als president van de Europese Centrale Bank (ECB) er op. Overal in het eurogebied beramen politici plannetjes om een landgenoot op deze post te krijgen.

Volgens het Duitse blad Der Spiegel is Angela Merkel binnenskamers al aan het pitchen voor Jens Weidmann. Die is nu president van de Bundesbank en in die rol lid van de beleidsbepalende raad van bestuur van de ECB. Als uitgesproken tegenstander van het opkoopprogramma dat Draghi in 2015 begon, is hij in die raad vrij geïsoleerd komen te staan. Als president zal hij een veel groter stempel op het monetaire beleid kunnen drukken. Maar dat is niet de enige reden dat Merkel zich wil inspannen voor zijn kandidatuur. Duitsland is gewoon aan de beurt om de ECB te leiden.

Eigenlijk had het land al in 2011 de president zullen leveren. Toen stond de monetaire havik Axel Weber klaar om Jean-Claude Trichet op te volgen. Maar in het heetst van de eurocrisis trok Weber zich onverwachts terug. Hij kon zich niet verenigen met het activistische beleid van de ECB.

Webers plaats werd soepel ingenomen door Draghi, en daarmee greep Zuid-Europa de macht in Frankfurt. Een jaar eerder was de positie van vicepresident ingenomen door de Portugees Vítor Constâncio. Dat gebeurde met steun van de Duitsers, die dachten op deze manier het toekomstige presidentschap van Weber te bezegelen. De zuidelijke vicepresident maakte een noordelijke president onontkoombaar, was de gedachte. Maar dat liep dus anders.

Let wel: in theorie doet de nationaliteit van ECB-bestuurders niet ter zake. Het EU-verdrag schrijft voor dat alle leden van de raad van bestuur worden benoemd op persoonlijke titel. Zij moeten expliciet de belangen van de eurozone behartigen en niet die van hun eigen land. Maar de monetaire traditie, de economische cultuur en de conjuncturele omstandigheden van hun land brengen zij natuurlijk wel mee naar de vergadertafel.

Of een bestuurder uit Noord- of Zuid-Europa komt, maakt daarom wel degelijk uit: noord staat in de regel een strenger monetair beleid voor dan zuid. Niet voor niets komt de kritiek op het opkoopprogramma vooral uit het noorden. Met dat in het achterhoofd is het opvallend hoe de macht in de top van de ECB sinds 1999 steeds verder naar het zuiden schoof. Om dat te illustreren heb ik de ‘gemiddelde’ geografische locatie van de (gedurende de jaren veranderende) top van de ECB bepaald.

Bijvoorbeeld: in 1999 was de Nederlander Wim Duisenberg president en de Fransman Christan Noyer vice-president. Geografisch bevond de macht in de ECB zich dus halverwege Amsterdam en Parijs. Dankzij website www.geomidpoint.com is dat geografische midden, het zwaartepunt, eenvoudig uit te rekenen.

Schermafbeelding 2017-06-08 om 17.16.17
(
klik voor groter)

In 1999 lag het zwaartepunt van de ECB-top in het westen van Wallonië, bij het plaatsje Leuze-en-Hainaut. In 2002 trad Noyer af en werd de Griek Lucas Papademos vicepresident. Daardoor verschoof het zwaartepunt van de macht naar het zuiden, halverwege de lijn Amsterdam-Athene, naar noord-Kroatië. Toen in 2003 Jean-Claude Trichet president werd schoof de macht nog zuidelijker, naar de Adriatische Zee bij San Marino. Papademos ging en Constâncio kwam, waardoor het zwaartepunt een stuk westelijker maar nauwelijks noordelijker kwam te liggen.

Na het aantreden van Draghi werd het (voorlopig) zuidelijkste punt bereikt, net buitengaats bij het Spaanse Tarragona. Natuurlijk, er zijn nog vier andere ECB-directieleden. Als we die meenemen ligt de macht noordelijker, bij Clermont-Ferrand in Frankrijk. Maar dat is nog altijd ten zuiden van het zwaartepunt van alle 19 eurolanden samen. Dat punt ligt– hoe kan het anders – in Duitsland, bij het dorpje Marklkofen, vlakbij München.

Mijn kaartje heeft natuurlijk geen enkele wetenschappelijke waarde. Het is slechts een illustratie van de trend. Om die te keren zou een Duitse president logisch zijn. Zet er dan een Finse vicepresident naast en het ECB-zwaartepunt ligt in de Oostzee, op het eilandje Gotland. Wat wil je nog meer?

(eerder in FD)

Bedreigen globalisering en robotisering de middenklasse? Nederland bewijst het tegendeel.

Zeg ‘inkomensongelijkheid’ en alle oortjes worden in Nederland gespitst. Zeg ‘verliezers van globalisering’ en we organiseren direct een demonstratie. Zeg ‘tweedeling in de samenleving’ en per ommegaande worden er drie nieuwe politieke partijen opgericht. In het land van polder en maaiveld is iedereen allergisch voor ongelijkheid.

Nederland heeft die sensitiviteit de afgelopen decennia kundig omgezet in een beleid gericht op gelijkheid. Onderwijs, sociale zekerheid, gezondheidszorg en het belastingstelsel zijn ingericht met als belangrijk doel: bevorderen van gelijke kansen en uitkomsten. Op internationale gelijkheidslijstjes belandt Nederland dan ook steevast in de top, net achter de Scandinavische landen.

Kan het niet nog wat gelijker?

We blijven altijd waakzaam. Kan het niet nog wat gelijker? Valt daar niet toch een groep buiten de boot? Zijn de kansen echt eerlijk verdeeld? Prachtig natuurlijk, maar soms schieten we door. Dan lezen we in buitenlandse kranten en boeken dat de ongelijkheid is verslechterd, bijvoorbeeld door globalisering, door technologische ontwikkelingen of simpelweg door denivellerend beleid. De neiging bestaat dan om die buitenlandse verhalen een-op-een van toepassing te verklaren op de Nederlandse situatie, terwijl dat vaak onterecht is.

Nederland is Piketty-proof

Een voorbeeld? Neem het beroemde boek van de Franse econoom Thomas Piketty waarin hij het gevaar van toenemende inkomens- en vermogensongelijkheid beschrijft. Juist in Nederland werd dit boek gezien als een belangrijke waarschuwing voor de foute richting waarin de maatschappij en economie zich beweegt. Jesse Klaver gebruikte het boek zelfs als elixer voor de wederopstanding van zijn linkse partij. Maar Nederland zelf komt in het boek slechts een keer voor: als positief voorbeeld van hoe je de vermogensongelijkheid kunt wegbelasten, via een taks op fictief rendement. Enig kritiekpuntje van Piketty is dat het tarief van die belasting gelijk is voor alle soorten vermogen, maar dat bezwaar is dit jaar door het kabinet weggenomen door spaargeld en aandelen voortaan (fictief) verschillend te belasten. Nu is Nederland helemaal Piketty-proof.

Dubbelloopsgeweer

Een ander voorbeeld: in delen van de wereld heeft de middenklasse het zwaar. Juist de beroepen van werknemers met middeninkomens liggen onder vuur van het dubbelloopsgeweer globalisering-robotisering. Vooral in de Verenigde Staten hebben de middeninkomens het door de jaren heen telkens slechter gekregen, mede door actief denivelleringsbeleid. Recent onderzoek van de Amerikaanse denktank Pew Research Center laat zien dat tussen 1991 en 2010 een deel van de middeninkomens zelfs is weggezakt naar een laag inkomen.

Middenklasse wordt kleiner…

De onderzoekers zetten denkbeeldig alle Amerikanen op een rij, met inwoners die behoren tot het huishoudens met het laagste beschikbaar inkomen links en de allerrijksten rechts. De Amerikaan precies in het midden verdient dan het mediane inkomen. Wie netto minder verdient dan twee derde van deze mediaan heeft een laag inkomen, wie meer dan het dubbele verdient hoort tot de hoge inkomens. Tussen twee derde en twee keer de mediaan, zit de middenklasse. In 1991 behoorde 62% van de Amerikanen tot die laatste groep, twintig jaar later was dat gedaald naar 59%. Tegelijkertijd nam zowel het percentage laag als hoog inkomen toe. De inkomensverdeling polariseerde.

Schermafbeelding 2017-05-27 om 23.13.39

Hetzelfde is te zien in een aantal Europese landen, becijferde Pew. In bijvoorbeeld Duitsland, Spanje en Finland kromp de middengroep. Zelfs in Noorwegen was er krimp, al blijft dat land aan top met 80% middeninkomens, ex aequo met Denemarken.

…maar niet in Nederland

Nederland is een van de uitzonderingen. Onze middenklasse groeide sinds de jaren negentig juist: van 76% naar 79% van de bevolking. We zijn nu het land met de op twee na grootste middenklasse van Europa. In dezelfde periode kromp in Nederland de groep met een laag inkomen, van 19% naar 13%. Dat is het laagste percentage van alle onderzochte landen.

Misschien dat het beeld sinds 2010 iets minder gunstig is geworden, want Nederland belandde toen in een relatief diepe recessie. Om dat vast te stellen zijn nieuwe gegevens en een nieuw onderzoek nodig. Tot die tijd blijft de conclusie: de wegsmeltende middenklasse is geen onontkoombaar gegeven, maar een beleidskeuze. Nederland bewijst het.

Als het zo goed gaat met de Nederlandse economie, waarom groeit de kredietverlening dan nog niet?

De lichten voor de Nederlandse economie staan al een tijd op groen, maar inmiddels schijnt het licht zo fel, dat het pijn doet aan de ogen. In de befaamde Conjunctuurklok van het Centraal Bureau voor de Statistiek, duiden momenteel alle relevante indicatoren op een aantrekkende economie.

Het aantal vacatures, de omzet in de uitzendbranche, de Nederlandse export en investeringen, het consumenten- en producentenvertrouwen en al die andere (in totaal dertien) conjunctuurindicatoren staan in het groen. Dat betekent dat alle indicatoren de afgelopen maand zijn verbeterd en ook nog eens allemaal boven hun langjarig gemiddelde scoren. In deze eeuw is dat alleen in 2006 eerder gebeurd.

Geen wonder dat de Duitse economen van het CESIfo-instituut ons land deze week in het rijtje van toppresteerders zette. Samen met Duitsland, Oostenrijk en België vormt Nederland de kopgroep van het eurogebied. Het is hoogconjunctuur in de lage landen, alles zit eindelijk weer eens mee!

Slachtoffer van de kredietcrisis

In het felle, groene licht zou je bijna vergeten dat Nederland nog niet zo lang geleden tot de slachtoffers van de kredietcrisis behoorde. In Nederland moesten bijna alle banken door de overheid worden gered, bij ons was de recessie dieper dan in de buurlanden, onze huizenmarkt had het relatief zwaar. En ondanks alle groene lichten zijn de gevolgen daarvan nog te zien; het meest duidelijk bij de kredietverlening aan bedrijven.

Schermafbeelding 2017-05-23 om 12.23.26

Terwijl in de meeste Europese landen de kredietstroom al weer aardig op gang is gekomen, is er in Nederland nog altijd sprake van krimp. Ten opzichte van een jaar eerder lag de kredietverlening aan Nederlandse, niet-financiële bedrijven in maart (met meest recente cijfer) bijna 3% lager dan een jaar eerder. Dit percentage is dan al gecorrigeerd voor de afgenomen kredietverlening binnen internationaal opererende bedrijven. Multinationals gebruiken vaak het instrument van ‘notional cash pooling’ (saldocompensatie) om hun cash in landen te managen. Dit gaat in de vorm van leningen, die de werkelijke kredietverlening vertekenen. Daarom publiceert De Nederlandsche Bank maandelijks cijfers over de kredietverlening, gecorrigeerd voor saldocompensatie. Deze cijfers zijn weergegeven in de grafiek hierboven.

Terwijl in de meeste Europese landen de kredietstroom al weer aardig op gang is gekomen, is er in Nederland nog altijd sprake van krimp. Ten opzichte van een jaar eerder lag de kredietverlening aan Nederlandse, niet-financiële bedrijven in maart (met meest recente cijfer) bijna 3% lager dan een jaar eerder. Dit percentage is dan al gecorrigeerd voor de afgenomen kredietverlening binnen internationaal opererende bedrijven. Multinationals gebruiken vaak het instrument van ‘notional cash pooling’ (saldocompensatie) om hun cash in landen te managen. Dit gaat in de vorm van leningen, die de werkelijke kredietverlening vertekenen. Daarom publiceert De Nederlandsche Bank maandelijks cijfers over de kredietverlening, gecorrigeerd voor saldocompensatie. Deze cijfers zijn weergegeven in de grafiek hiernaast.

De grafiek laat zien dat de kredietverlening aan bedrijven nog altijd hapert. Juist tijdens de periode van herstel, vanaf 2014, is de kredietverlening gaan krimpen. Opvallend genoeg was er tijdens de ‘kredietcrisis’, in 2008 en 2009, nog altijd sprake van kredietgroei, ook al nam deze groei wel snel af.

Ook tijdens de eurocrisis — vanaf de eerste Griekse problemen begin 2010 tot de ‘what ever it takes’-uitspraak van ECB-president Mario Draghi eind juli 2012 — bleef de kredietverlening aan Nederlandse bedrijven groeien.

Pas toen het herstel echt inzette, pakweg een half jaar nadat premier Mark Rutte de ‘groene waas’ meende waar te nemen, belandde de kredietverlening in de min. Al 45 maanden op rij is het totaal aan uitstaande leningen lager dan een jaar eerder. De kredietcrisis is niet voorbij, Nederlandse bedrijven zitten er middenin!

Meer eigen vermogen

Vraag is natuurlijk of dit erg is. Vanuit de bankensector klinkt het sussend dat dit deels komt doordat grote bedrijven de banken tegenwoordig omzeilen en via de obligatiemarkt direct zakendoen met geldschieters. Dat de kredietverlening aan mkb-bedrijven ook nog steeds krimpt, zou erop duiden dat kleinere bedrijven in het verleden te veel geleund hebben op vreemd vermogen en zich nu meer financieren middels eigen vermogen.

Dat zijn legitieme nuanceringen. Uit enquêtes van de ECB blijkt dat Nederlandse bedrijven minder behoefte hebben aan krediet, omdat ze hun financieringsbehoeften vaak met ingehouden winsten kunnen voldoen. Economische groei kan daardoor in principe samengaan met krimp van de kredietverlening.

Maar uit onderzoek van het Internationaal Monetair Fonds uit 2013 blijkt dat dergelijke kredietloze groei meestal niet al te krachtig is. Zonder nieuwe leningen aan bedrijven, voor nieuwe investeringen, gaan de lichten al snel weer op oranje.

Daarom: hoezeer de conjunctuur ook baadt in het groene licht, totdat bedrijven weer gaan lenen houd ik een slag om de arm.

(FD)

 

Bang voor Macron

Een half etmaal. Veel langer duurde langer duurde de euforie over de spectaculaire overwinning van Emmanuel Macron niet. De jonge leider van een gloednieuwe partij had zojuist met een verpletterende 66% van de stemmen de Franse presidentsverkiezingen gewonnen. Hij deed dat met een impopulair programma vol harde hervormingen en ambitieuze Europese plannen. Tijdens de campagne had Macron zelfs nog met een Europees vlaggetje gewapperd; alsof hij zijn kansen expres probeerde te frustreren.

Toen kwam de verkiezingsdag en haalde Macron fluitend tweederde van de stemmen. De euforie was groot. Eventjes. Daarna keerde het chagrijn terug. Veel Fransen waren thuis gebleven, of hadden blanco gestemd, schamperden de commentatoren. En de uitslag voor Macron was vertekend omdat veel Fransen alleen maar voor hem kozen om tegenstander Marine le Pen uit het Élysée te houden.

Het zijn onzinnige nuanceringen. Ondanks de thuisblijvers en blanco stemmen haalde Macron ook in absolute getallen een monsteroverwinning. Met ruim 20 miljoen stemmen, hoeft boekte hij de op één na grootste zege sinds het begin van de vijfde republiek. En dat veel Macron-stemmers vooral Le Pen wilden dwarsbomen, doet ook niets af aan de overwinning. Het onderling vergelijken van kandidaten is de essentie van iedere verkiezing. Juist omdat de inhoudelijke verschillen tussen Macron en Le Pen zo groot waren, heeft Frankrijk nu een duidelijke keuze gemaakt. Als de kandidaten meer op elkaar hadden geleken, dan had de uitslag vast dichter bij elkaar gelegen, maar die was dan ook politiek minder veelzeggend geweest.

Vooral in Nederland en Duitsland begon Macrons monsterzege ook om inhoudelijke redenen al snel te jeuken. Het opgetogen “Hoera, een Europaan heeft gewonnen!”, veranderde snel in een angstig: “Help, een Europeaan heeft gewonnen!”. Want zo’n pro-Europese Fransman, die wil waarschijnlijk ook allemaal pro-Europese dingen doen. Verbeteren van de structuur van de monetaire unie, bijvoorbeeld. En meer politieke samenwerking om de euro sterker te maken. Misschien zelfs iets dat lijkt op coördinatie van begrotingsbeleid en sociale zekerheid. Mijn hemel, dat moeten we niet willen!

Duitse politici lieten dan ook per ommegaande weten dat daar allemaal geen sprake van kan zijn. In Nederland sloten VVD- en CDA-politici zich er snel bij aan. Hervormingen in Frankrijk zijn prima, maar verbeteren van de monetaire unie, zodat we de volgende crisis misschien kunnen voorkomen, daar kan geen sprake van zijn. Prima zo’n uitgesproken Europeaan in het Élysée, maar laat hij z’n enthousiasme vooral thuislaten als hij naar Brussel reist.

Een stevige, inhoudelijke discussie over versterking van de eurozone, daar zitten Duitse en Nederlandse politici niet op de wachten. Voor het weet moeten ze de bühne op met een Europees vlaggetje om nieuwe maatregelen uit te leggen aan de bevolking. Je moet er niet aan denken.

 

Geef papa geen verlof, maar geef hem vrijheid

Tien dagen betaald verlof voor alle kersverse vaders in Europa. De Europese Commissie wil zich sinds kort graag profileren als een hoeder van de rechten van werknemers, en kwam woensdag met dit plan.

De Europese regelingen voor vaderschapsverlof lopen nu nog ver uiteen. Nederland is nogal karig met twee dagen betaald verlof voor nieuwe vaders, in Frankrijk is dat elf dagen, in Finland zelfs 54 dagen. Brussel wil dat met een minimum van 10 dagen glad trekken.

Moet de Europese Commissie zich wel dit onderwerp bemoeien? Nee, natuurlijk niet! Het gaat lijnrecht in tegen het subsidiariteitsprincipe. Hoeveel tijd vaders krijgen om “hun baby te leren kennen”, is een vraag die lidstaten prima zelf kunnen beantwoorden.

Maar het Brusselse voorstel biedt toch een mooie kans. Een kans voor Nederland om eens stevig te snoeien in de jungle van de verlofdagen, werkgevers te ontlasten en tegelijkertijd de Nederlandse werknemers meer vrijheid te geven.

Want meer vrije dagen voor jonge vaders is een prima idee, maar waarom moet dat per se via een verlofregeling? Waarom moeten werkgevers via loondoorbetaling opdraaien voor de kinderwens van hun werknemers? Waarom kan een vader die zijn baby wil leren kennen daar niet gewoon vakantiedagen voor opnemen? Je kind leren kennen zou iedere vader minstens zo belangrijk moeten vinden als een week strandbakken in Benidorm.

Vergeet daarom dat uitgebreide en kostbare vaderschapsverlof. Geef in plaats daarvan iedere werknemer het recht om na de bevalling van zijn (of haar) partner een flinke hoeveelheid vakantiedagen op te nemen.

Nu nog kan de werkgever volgens de cao vakantiedagen weigeren, als het bedrijfsbelang dat vereist. Verander die gunst in een recht en elke jonge ouder kan voortaan op eigen initiatief, maar ook op eigen kosten, langdurig vaderschapsverlof opnemen.

Zo’n nieuw recht op vakantie tijdens bijzondere perioden in het leven zou ook veel andere verlofregelingen kunnen vervangen. Blader eens in een cao en je valt achterover van de absurde hoeveelheid speciale verlofregelingen die Nederland kent.

Nederlandse werknemers hebben naast zwangerschaps- en vaderschapsverlof vaak ook recht op verhuisverlof, adoptieverlof, pleegzorgverlof, ouderschapsverlof, kortdurend zorgverlof en calamiteitenverlof of rouwverlof na overlijden van de partner, kind, grootouder, zus, broer, zwager, schoonzus of kleinkind.

Wie gaat trouwen krijgt huwelijksverlof. Maar ook als kinderen, broers, zussen, kleinkinderen of grootouders gaan trouwen heb je recht op door de werkgever doorbetaald verlof. Er is vakbondsverlof voor actieve leden van de vakbond, prepensioneringsverlof om vast aan het leven na het pensioen te wennen en zelfs een speciaal verlof als je partner binnenkort met pensioen gaat.

Ondertrouwverlof, generatieverlof, vrijwilligersverlof, vitaliteitsverlof; de Nederlandse verlofdeken is een patchwork van oneindig veel lapjes.

Niet iedere werknemer heeft recht op ieder soort verlof, want verschillen tussen cao’s zijn groot. De ene sector is kwistig met doorbetaald verlof, de andere juist karig. Ook dat is een reden om eens flink in de regelingen te snoeien, want waarom zou de ene werknemer meer speciale vrije dagen nodig hebben dan de andere?

Schaf daarom alle verlofdagen af en verhoog tegelijk het aantal vakantiedagen van alle werknemers, zodat het gemiddeld aantal dagen doorbetaalde afwezigheid in Nederland gelijk blijft. Geef vervolgens iedere werknemer het recht op vakantie bij geboorte, huwelijk, rouw, vakbondsactiviteiten en desnoods ook maar bij een aanstaande pensionering.

Iedereen is vrij om te doen wat hij of zij wil, iedereen mag zelf besluiten om wel of niet te werken rond levensbepalende gebeurtenissen en dat allemaal zonder dat de werkgever op nieuwe kosten wordt gejaagd.

(RTLZ)

Tweehonderd jaar na David Ricardo moeten we nog steeds vechten voor open grenzen en vrije handel

De Brexit wordt een feest. Want in plaats van Duitse auto’s, Italiaanse wijnen en Franse kaasjes, kunnen de Britten straks eindelijk weer genieten van mooie producten van eigen bodem. Dat denkt althans de Britse conservatieve parlementariër John Redwood. Redwood zit in het Britse Lagerhuis namens het kiesdistrict Wokingham (in Zuid-Engeland) en was eerder staatssecretaris in het kabinet van John Major. Niet de belangrijkste Tory dus, maar ook niet de minste.

Afgelopen vrijdag besloot Redwood dat het uit moest zijn met het gesomber over gesloten Europese grenzen na de brexit. Want waarom alles importeren, als we het ook zelf kunnen maken? Hij scheef een blog waarin hij de Britse auto’s de Britse wijnen en de Britse kazen roemt. ‘Er is een overdaad aan keuze’, jubelt de MP. Redwood is ongetwijfeld een intelligente man, met een studie aan Oxford en een carrière in de financiële sector en de industrie. Dat bewijst maar weer dat slimme mensen niet immuun zijn voor het virus van het protectionisme.

Niets zo aantrekkelijk voor een politicus dan een nationalistische oproep om eigen producten te kopen. We zien dezelfde oer-emotie bij Donald Trump, Marine Le Pen en vele andere populistische politici. Misschien moet Redwood dit weekend maar eens in zijn (Britse) auto stappen en vanuit zijn district een kort ritje naar het westen maken. Dan komt hij al snel in het aangrenzende district Witshire. Daarin ligt het plaatsje Chippenham, met aan de rand daarvan de kleine St. Nicolaaskerk uit 1779. Als Redwood om het kerkje heen loopt vindt hij het grafmonument van de politieke-econoom David Ricardo (1772-1823). Dat is een passende plek om eens wat te bladeren in Ricardo’s boek On the Principles of Political Economy and Taxation uit 1817, waarin het belang voor alle landen van open grenzen en internationale handel voor het eerst helder uit de doeken werd gedaan.

Niet alleen een passende plek om dat boek te lezen, maar ook de perfecte tijd. Want het was deze week precies tweehonderd jaar geleden dat On the Principles voor het eerst in de handel kwam. In zijn boek legt Ricardo uit dat ook voor een land dat alles prima zelf kan produceren, handel met andere landen voordelig is. Dit is het principe van de comparatieve voordelen. Ricardo geeft het beroemde voorbeeld van handel in wijn en textiel tussen Portugal en Engeland. Zelf als Portugal zowel wijn als textiel efficiënter, dus met minder manuren kan produceren, dan nog is het voordelig als Portugese producenten zich specialiseren in het product waarin ze relatief (comparatief) het beste zijn. Als Portugezen relatief het best zijn in het maken van wijn, kunnen zij de productie van textiel beter aan de Engelsen overlaten en voortaan wijn exporteren en textiel importeren. Dat is beter voor de welvaart en rijkdom in zowel Portugal als Engeland. Het is een fraaie theorie die twee eeuwen later nog recht overeind staat.

 

Vorige week werd de prestigieuze John Bates Clark Medal voor de beste econoom onder 40 jaar uitgereikt aan David Donaldson van Stanford, onder andere voor zijn empirisch onderzoek naar de geldigheid van de theorie van comparatieve voordelen. Donaldsons conclusie: na tweehonderd jaar is Ricardo’s idee nog altijd alive and kicking.

Economen gebruiken de theorie van Ricardo ook om voor landen hun ‘revealed comparative advantage’ (RCA), of ‘gebleken comparatieve voordelen’ te berekenen. Dit doen ze door het deel dat een bepaalde groep exportproducten (bijvoorbeeld chemie) uitmaakt van de totale export van een land, af te zetten tegen diezelfde verhouding voor de wereld als geheel. Een RCA hoger dan één laat zien waar een land relatief goed in is. Ter illustratie hiernaast de specialisaties van Nederland. We zijn niet zo goed in machinebouw en textiel, maar wel in chemie. De allerhoogste RCA scoort Nederland in agrarische sectoren, bij de export van vee en groente. Ook dat is geruststellend genoeg al minstens tweehonderd jaar het geval.

(FD)