Alle berichten van Mathijs

Overheidsbalans: lagere gasbaten maken Nederland in een klap 60 miljard armer

Schermafbeelding 2017-07-23 om 23.19.29

Schermafbeelding 2017-07-23 om 23.08.42

Het was de nachtmerrie van Wim Duisenberg. En van zijn opvolger Fons van der Stee. Onno Ruding lag er ’s nachts wakker van en Wim Kok had er akelige dromen over. Gerrit Zalm werd zwetend wakker en Hans Hoogervorst kon er niet van inslapen.

Wouter Bos en Jan Kees de Jager worden nu nog steeds regelmatig gillend wakker. Het idee dat de gaskraan in Groningen misschien ooit dicht zou moeten hield generaties ministers van Financiën uit de slaap. De gasopbrengsten vormden decennialang de basis van de Nederlandse Rijksbegroting.

En Jeroen Dijsselbloem, de huidige (demissionaire) minister van Financiën? Die draait zich nog eens lekker om. Ja, de gaskraan ging de afgelopen jaren dicht . En ja, dat kostte de overheid miljarden. Maar nee, echt wakker lag Dijsselbloem daar niet van.

De Nederlandse begroting bleek de afgelopen jaren verrassend goed bestand tegen tegenvallers uit Slochteren. Ondanks wegvallende gasbaten, sloeg het begrotingstekort om in een overschot. Dankzij de snel herstellende economie waren de tegenvallende gasinkomsten makkelijk weg te strepen tegen de constante stroom aan meevallers.

Maar het gasbesluit van het kabinet drukt natuurlijk niet alleen op de huidige begroting. Ook volgende kabinetten krijgen er mee te maken. We pompen de komende jaren veel minder op en dat raakt de cashflow van alle opvolgers van Dijsselbloem.

Om te weten hoe hard die klap in totaal aankomt, zou je eigenlijk de huidige contante waarde van alle toekomstige gasbaten moeten berekenen, en die moeten vergelijken met de tijd dat de gaskraan nog wijd openstond. En dat is precies wat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft gedaan.

De berekening is onderdeel van de jaarlijkse opstelling van de Overheidsbalans. Dit is een overzicht van alle bezittingen en schulden van de Nederlandse overheden. Tot een paar jaar geleden stelde het ministerie van Financiën deze balans op, maar sinds 2014 is het CBS verantwoordelijk.

Aan de bezittingenkant van de overheidsbalans staan zaken als gebouwen (€84 mrd, infrastructurele werken (€268 mrd), grond (€35 mrd) en staatsdeelnemingen (bijna €100 mrd). In totaal staan de overheidsbezittingen voor een kleine €728 mrd in de boeken.

Daartegenover staan de schulden, ter waarde van €529 mrd. Het boekhoudkundige verschil tussen bezittingen en schulden is het eigen vermogen van de overheid. Dat bedraagt volgens het CBS nu ruim €198 mrd. De overheid bezit dus een kleine €200 mrd meer dan zij aan schulden uit heeft staan.

Dat klinkt veel, maar het is beduidend minder dan een aantal jaar geleden. In 2008 stond het overheidsvermogen nog op €463 mrd, ruim het dubbele. Daarna ging het snel bergaf. Eerst vooral door een stijging van de staatsschuld (bijvoorbeeld omdat waardeloze banken moesten worden opgekocht) en vanaf 2013 met name door afname van de bezittingen; vooral van de waardering van de potentiële gasbaten.

In 2012 stonden de gasreserves (inclusief olie, maar de bulk is gas) nog voor €175 mrd op de balans. Een jaar later was dat nog maar €154 mrd. In 2015 was er nog iets meer dan €100 mrd van over. Op de laatste overheidsbalans staan onze gas- en oliereserves nog maar voor een schamele €41 mrd in de boeken.

Dat is een boekverlies van circa €60 mrd in een jaar tijd. Het CBS verklaart dit verlies als volgt: ‘Doordat de komende jaren minder gas wordt opgepompt, worden de baten over een langere periode uitgesmeerd. De reserves zijn daardoor minder waard.’ Het gas zit nog wel in de grond, maar omdat het er langzamer uitkomt is het (bij de door het CBS gehanteerde discontovoet van 4%) minder waard.

Ten slotte een poging om de €60 mrd in perspectief te plaatsen. Het is ruim zestig keer de maximale schatting van de schade aan Groningse huizen. Het is twee keer de totale WOZ-waarde van alle woningen in het Groningse aardbevingsgebied samen.

Nee, ik zeg daarmee niet dat we maar moeten blijven pompen. Ik suggereer alleen dat Dijsselbloem zich daar best een paar nachtjes het hoofd over mag breken.

(eerder in FD)

Werkloosheid daalt juist snel en vroeg

Een opvallende stelling vanochtend op de voorpagina van het Financieele Dagblad:

“De daling van de werkloosheid blijft achter bij de economische groei, zegt Joop Schippers, hoogleraar arbeidsmarkteconomie aan de Universiteit Utrecht. ‘De economie groeit nu al een flink aantal kwartalen achter elkaar, maar het heeft heel lang geduurd voor het percentage werklozen onder de 5% kwam.”

Volgens mij is dit niet correct. De werkloosheid daalt in Nederland juist opvallend snel en vroeg. Na eerdere recessies duurde het langer voordat de daling inzette en ging die daling  langzamer, bij hogere economische groei.

Ik schreef daar eind vorig jaar al over. Hieronder een update (met een jaar extra) van de grafiek bij dat verhaal. (klik voor groot)

Schermafbeelding 2017-07-21 om 10.01.40

De lijnen geven het werkloosheidspercentage weer, de balkjes de economische groei.

Ik zie het niet, die “achterblijvende daling” van de werkloosheid.

Integendeel. Vorig jaar stond het werkloosheidspercentage nog op 6%. Nu is het 4,9%, een daling van 1,1%-punt. Sinds 1970 is er slechts een keer een grotere daling geweest: in 1998 toen het werkloosheidspercentage met 1,2%-punt daalde.

We beleven dus de op een na snelste daling van het werkloosheidspercentage in 47 jaar. Knap om daar chagrijnig over te doen.

PS: N.a.v. commentaar op twitter: ja, al deze werkloosheidscijfers zijn volgens dezelfde definitie van werkloosheid. Het CBS heeft daar keurige reeksen voor gemaakt. Bovendien zouden de cijfers volgens de oude definitie geen ander beeld geven

 

Ranglijsten: Nederland handhaaft zich als een na beste land ter wereld (en loopt in op Zwitserland)

Een concurrerende, innovatieve economie met een hoogontwikkelde bevolking die ook nog eens behoorlijk gelukkig is. Het klinkt als Utopia, maar ik heb het over Nederland. Ons land scoort op een brede waaier van indicatoren buitengewoon goed. Alleen Zwitserland doet het nog beter.

Dat blijkt uit de optelsom van internationale ranglijsten die ik voor het tweede jaar op rij opstelde. Vorig jaar stond Nederland ook al op plaats twee, maar toen met ruimere achterstand op Zwitserland dan in 2017.

Mijn ‘Ranglijst der Ranglijsten’ bestaat uit vijf veelgebruikte, internationale indicatoren die op verschillende wijze en met verschillende doelstellingen landen sorteren. De eerste is de ‘World Competitiveness Ranking’ van het Zwitserse onderzoeksbureau IMD. Hierin worden 340 variabelen die iets zeggen over de concurrentiekracht van een land gecondenseerd tot een enkele index en ranglijst. Het gaat bijvoorbeeld om informatie over R&D, patenten, scholing, venture capital, ICT, bezit van smartphones, gebruik van big data door bedrijven en de mate van kennisoverdracht.

Schermafbeelding 2017-07-20 om 21.55.17

Volgens de Zwitsers heeft Nederland de op vier na meest concurrerende economie ter wereld. We moeten alleen Hongkong, Zwitserland, Singapore en de Verenigde Staten voor laten gaan. Vorig jaar stond Nederland nog op plaats 8 op deze lijst. En in 2015 zelfs op plaats 15. We schieten de afgelopen jaren dus als een raket omhoog in de ranglijst van IMD.

Hetzelfde geldt voor het andere concurrentielijstje, de Global Competitiveness Index van het World Economic Forum (WEF). Ook deze index gebruikt een lange lijst van indicatoren (onder andere: kwaliteit van infrastructuur, van de instituties, van de arbeidsmarkt, maar ook de kwaliteit van het management van bedrijven) om concurrentiekracht te meten. Volgens het WEF is Nederland het op drie na meest concurrerende land, achter Zwitserland, Singapore en de VS. Vorig jaar stonden we nog op plaats 5 en in 2015 zelfs op plaats 8. Ook op deze lijst stoomt Nederland dus snel op, vooral dankzij onze infrastructuur en de goede samenwerking tussen universiteiten en bedrijven. Dat laatste is een punt waar het kabinet zich de afgelopen jaren expliciet op heeft gericht, dus die kan Den Haag in z’n zak steken.

Met de concurrentiekracht zit het dus wel goed. Maar hoe staat het met onze innovatiekracht? Ook daar is sprake van een opmars door Nederland. Het Franse Insead stelt jaarlijks de Global Innovation Index op. In 2017 is Nederland op de derde plaats beland. Alleen in Zwitserland en Zweden zijn ze nog innovatiever. Ons bedrijfsleven is ‘sophisticated’ en we produceren veel kennis en technologie. Daarbij moet worden aangetekend dat de opmars van Nederland in deze index deels komt doordat er andere (betere) cijfers worden gebruikt en dat pakte goed uit.

Er is echter ook een lijstje waarop we al een paar jaar dalen. Dat is de Human Development Index (HDI) van de VN-ontwikkelingsorganisatie UNDP. Deze brede index meet niet alleen harde economische gegevens zoals inkomen per hoofd van de bevolking, maar ook het aantal jaren dat inwoners naar school gaan en de gezondheid en levensverwachting van de bevolking. Nederland is het afgelopen jaar gezakt van de zesde naar de zevende plaats. We werden gepasseerd door Denemarken. De HDI-lijst wordt aangevoerd door Noorwegen, Australië en – ja hoor – Zwitserland. In 2014 stonden we nog op 4.

Op het vijfde lijstje dat ik gebruik voor de Ranglijst der Ranglijsten steeg Nederland weer wel. Nederlanders werden weer iets gelukkiger en staan nu een positie hoger, op plaats 6 van de Happiness-index van economen Richard Layard en Jeffrey Sachs. Alleen in Noorwegen, Denemarken, IJsland, Zwitserland en Finland zijn de mensen nog gelukkiger.

Erg wetenschappelijk is het natuurlijk niet, maar als we vervolgens de rangnummers bij elkaar optellen, komt Nederland op de tweede plaats in de algemene ranglijst; achter, maar wel weer iets dichterbij Zwitserland. De VS zakt naar plaats 4, en werd ingehaald door Denemarken. Daarmee bestaat de top-3 geheel uit Europese landen. We doen hier blijkbaar toch iets goed.

Is de WRR goed bezig?

Kijk, dat is nou aardig van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR): met een enkel rapport leveren ze de wetenschappelijke onderbouwing voor twee journalistieke ervaringsregels. Wij journalisten dachten al dat het zo zat, maar dankzij de WRR weten we het nu zeker.

De eerste regel staat bekend als ‘Betteridge’s law of headlines’, en luidt: het antwoord op een titel met een vraagteken is altijd ontkennend. Als krant kopt: ‘Is het ultieme kankermedicijn gevonden?’, dan is het antwoord zeker nee. Anders had men wel geschreven: ‘Het ultieme kankermedicijn is gevonden!’ Vragende titels worden ook vaak gebruikt bij alarmistische verhalen waarvan de onderbouwing rammelt. ‘Zijn alle buitenlanders crimineel?’, ‘Ga je dood van blowen?’. Het antwoord is telkens nee, maar de toon is toch maar mooi gezet.

De val van de middenklasse? luidt de titel-met-vraagteken van het WRR-rapport dat vorige week verscheen. De Wet van Betteridge gaat weer op, want het antwoord is inderdaad ontkennend. Er is geen sprake van een val van de middenklasse, concluderen de onderzoekers. Als groep hield onze middenklasse (inkomens tussen 60% en 200% van het mediane inkomen) juist opvallend goed stand. Het middensegment wordt niet uitgehold, weet sociale daling te voorkomen en de koopkracht staat niet onder druk.

 

Voor het FD was dit het belangrijkste nieuws. ‘Middenklasse zit helemaal niet in het nauw’, opende deze krant. Maar andere media sloegen alarm. ‘Middenklasse in zwaar weer’ (Volkskrant), ‘Onzekerheid en druk op middenklasse groeit’ (NOS). Waar komen die alarmverhalen vandaan? Ook uit het WRR-rapport. Zo blijkt dat tegenwoordig vaak twee inkomens nodig zijn om tot de middenklasse te behoren. Vroeger was een kostwinner genoeg.

 

Maar dat komt vooral door de gekozen definitie van ‘middeninkomens’. Die is relatief ten opzichte van het mediane huishoudinkomen. Als er meer tweeverdieners zijn, stijgt het mediane inkomen en val je als eenverdiener automatisch eerder uit de bandbreedte. Dit bewijst allerminst dat de middenklasse al harder moet ploeteren. Het kan net zo goed vrije keuze zijn. Emancipatie van de vrouw, om maar wat te noemen.

Toch heeft de WRR het zelf ook over ‘kwetsbaarheid van de middengroepen’, over ‘gevoelens van onzekerheid’. De Raad roept de overheid zelfs op om onzekerheden te verminderen. Waar komt die oproep vandaan? Uit het laatste hoofdstuk van het rapport. Daarin staat het verslag van gesprekken met 46 Nederlanders met een middeninkomen. Die klagen hardop over werkdruk, helpen op school, verplichte mantelzorg voor ‘opoe’ en uiteraard over de politiek die niet luistert. ‘We worden genaaid’.

Daarmee bewijst de WRR een andere journalistieke regel. De ‘Wet van de vox-pop’. Deze luidt: Als je je verhaal niet kunt onderbouwen met feiten, ga dan de straat op om bij willekeurige voorbijgangers bevestigende meningen op te halen. Werkt altijd.

(FD)

Nog 33 dagen formeren en Rutte II is het langst zittende kabinet van de afgelopen 100 jaar.

Het derde kabinet van Ruud Lubbers trad aan op 7 november 1989. Het werd demissionair op 10 mei 1994 en zou op 22 augustus opgevolgd worden door het eerste kabinet Kok. In totaal – missionair en demissionair – zat Lubbers III maar liefst 1.748 dagen  op het pluche.

In de afgelopen honderd jaar was er geen kabinet dat het meer dagen volhield. (En mogelijk daarvoor ook niet, maar verder dan het kabinet van Ruijs de Beerenbroeck (1918-1922) heb ik niet teruggerekend.)

Lubbers III staat dus op nummer 1. Maar de nummer 2 nadert met rasse schreden.

Het huidige kabinet Rutte II stond op het bordes op 5 november 2012 en was vervolgens 1.591 dagen missionair. Inmiddels komen daar al 124 demissionaire regeringsdagen bij. Totaal: 1.715 dagen.

Rutte II ligt daarmee al ruim voor op Van Agt I (1.575 dagen), kabinet De Jong (1.552 dagen) en De Quay (1,526).

Schermafbeelding 2017-07-18 om 13.00.14

Als er vandaag over 33 dagen,  nog geen nieuw kabinet is beëdigd, gaat Rutte II definitief over Lubbers III heen en is het het langstzittende kabinet van de afgelopen honderd jaar. De maar in de agenda: over 33 dagen is het op 20 augustus 2017.

Als u dus de indruk krijgt, de komende weken, dat Mark Rutte wat aan het talmen is, dan weet u de reden: de premier is op recordjacht. Eerst Lubbers van de troon stoten, dan pas met een nieuwe ministerploeg naar de Koning.

Toegift: hier alle kabinetten

Schermafbeelding 2017-07-17 om 10.14.28

Britse bankiers lokken met bonussen, is dat vragen om een nieuwe crisis?

De bonus is het kwaad. De extravagante zelfverrijking van de financiële elite was de oorzaak van de financiële crisis. Bankiers dachten niet meer aan de klant of aan het landsbelang, maar alleen nog aan de bonus die aan het einde van het kwartaal op hen lag te wachten.

Zo denken we er in Nederland toch over? De bonuscultuur veroorzaakte de financiële crisis en om een volgende crisis te voorkomen moeten we een einde maken aan de bankiersbonus. De Nederlandse politiek wist het in 2015 in elk geval zeker. Brussel kwam in 2014 met een plafond voor de bankiersbonus van 100% van het jaarinkomen, Den Haag bood daar flink overheen en zette het maximum op 20%. Dat zal ze leren, die bankiers.

Maar inmiddels heeft de twijfel toegeslagen in Den Haag. Reden is de aanstaande brexit. Honderden, misschien wel duizenden Londense bankiers zoeken een veilig heenkomen voordat de Britse grenzen sluiten. Ze kunnen naar Frankfurt, naar Parijs, naar Dublin, of naar Amsterdam.

De ‘brexodus’ belooft nieuwe economische activiteit en werkgelegenheid voor de stad die het verleidelijkst met de billen schudt

De ‘brexodus’ belooft nieuwe economische activiteit en werkgelegenheid voor de stad die het verleidelijkst met de billen schudt. Onze extra strenge bonusregel maakt Amsterdam tot het lelijke eendje van Europa. Vandaar dat de Tweede Kamermeerderheid afgelopen week een motie wegstemde waarin de regering werd opgeroepen het bonusplafond te handhaven.

Daarmee is de 20%-regel nog niet weg, maar voor het volgende kabinet ligt de weg in elk geval open om het bonusplafond naar het Europese niveau op te trekken en zich aan te sluiten bij de enthousiast twerkende Europese politici. Grootverdieners kom naar Amsterdam!

Want dat de Britse bankiers van grote bedragen houden is evident. De European Banking Authority, die de Europese bonusregel moet handhaven, publiceerde vorig jaar een uitgebreid onderzoek naar grootverdieners in de bancaire sector. Het onderzoek (pdf) heeft betrekking op cijfers over 2014, dus net rond het ingaan van de Europese bonusregels en net vóór de Nederlandse 20%-regel, maar de conclusies zijn toch veelzeggend.

Bij banken in Nederland werkten in 2014 een behapbaar aantal grootverdieners; 38 om precies te zijn. Daarvan verdienden 36 meer dan een miljoen euro, en twee meer dan twee miljoen. Onze grootverdieners zijn relatief kleintjes. In Duitsland bijvoorbeeld zijn er bankiers die drie of vier miljoen euro verdienen. Er is er zelfs een die meer dan vijf miljoen incasseerde.

De 38 Nederlandse grootverdieners vallen in het niet bij de 2923 bancaire grootverdieners in het Verenigd Koninkrijk

Maar dit valt in het niets bij Londen. Daar wonen 2923 bancaire grootverdieners; meer dan in alle andere Europese landen samen. Maar liefst 64 van hen hebben een inkomen van (omgerekend) meer dan zes miljoen euro, met uitschieters boven de 20 miljoen. Daarvan bestond in 2014 meer dan de helft uit variabele beloning (bonussen). Dat is veel meer dan in Nederland, maar relatief minder dan in Luxemburg, Parijs en Dublin.

Wie Britten wil lokken, zal dus inderdaad flink met de geldzak moeten rammelen, ze zijn in Londen niet anders gewend. Profiteren van de brexodus, vergt soepelere beloningsregels. En zo zetten we de deur open voor een nieuwe financiële crisis.

Althans, dat laatste leek mij logisch. De afgelopen dagen ben op zoek gegaan naar onderzoek om die bewering te staven. Tot mijn verrassing: er is geen duidelijk wetenschappelijk bewijs voor de stelling dat bonussen de kredietcrisis veroorzaakten.

Ik vond in de academische literatuur vooral zinnen als: ‘Deze studie vond geen bewijs dat beloningsstructuur de bankentop prikkelde tot het nemen van meer risico.’ En: ‘Er is geen wetenschappelijke consensus over het causale verband tussen bankbeloningen en de financiële crisis.’ Of deze: ‘We concluderen dat het onwaarschijnlijk is dat de bonusstructuur bankbestuurders ertoe verleidde om zich vooral op de korte termijn te richten.’ (Meer hier)

Natuurlijk, er zijn ook onderzoeken die laten zien dat bonussen het gedrag van bijvoorbeeld beurshandelaren wel degelijk sturen richting risico. Maar ook die onderzoekers leggen geen direct verband met de kredietcrisis.

Hm. Britse bankiers lokken, zonder een nieuwe crisis te veroorzaken. Het kan misschien dus toch.

(FD)

Hervormen met slappe knieën

Hervormen van de economie; middenin de eurocrisis leek het belangrijk en onontkoombaar. Maar sinds de ECB de euro redde en staatsobligaties begon op te kopen, wordt de noodzaak in de Europese hoofdsteden veel minder gevoeld. Het principe staat nog recht overeind, want iedereen ziet dat alleen structurele hervormingen — vooral van de arbeidsmarkt, maar ook van pensioen- en belastingstelsels — houdbaar economisch herstel kunnen opleveren.

Maar de druk is er af, dus alle Europese politici dreigen terug te vallen in hun oude reflex om de structurele hervormingen uit te stellen. De Fransen moeten hervormen, maar willen het niet. De Belgen willen het wel, maar kunnen het niet. De Duitsers kunnen het wel, maar proberen het niet. En de Grieken proberen het wel, maar houden het in de regel nog geen dag vol.

En de Nederlanders? Die lieten zich de afgelopen jaren zien als de dapperste hervormers van Europa. Twee kabinetten Rutte leverden een indrukwekkende lijst van taboedoorbrekende moderniseringen op. Nederland verhoogde de AOW-leeftijd drastisch, we versoberden de hypotheekrenteaftrek en dwongen starters op de woningmarkt volledig af te lossen. Het ontslagrecht ging op de schop en de Participatiewet maakte bijstand minder vrijblijvend. Nederland is de ongekroonde hervormingskoning van Europa. Wij gebruikten de crisis om onze economie te moderniseren. Chapeau!

Maar hervormen moet je niet alleen doen, je moet het vooral volhouden. Ook als de gevolgen ervan voelbaar worden. Hervormen doet per definitie pijn. Nu het snel beter gaat met de economie en het geld weer tegen de plinten lijkt te klotsen, komt het erop aan: draaien we de hervormingen terug of zetten we juist door? De eerste tekenen zijn niet best: Nederland lijkt geschrokken van de eigen hervormingszin.

Verhoging van de AOW-leeftijd ligt onder vuur, want hoge inkomens blijken zichzelf vaker een jaartje eerder pensioen te gunnen dan lage inkomens. Dat vinden critici niet eerlijk. Op de huizenmarkt hebben starters last van de strenge hypotheekregels, waardoor ze niet kunnen concurreren met rijke babyboomers. De Hoge Raad vindt de nieuwe transitievergoeding bij ontslag niet rechtvaardig genoeg en laat werkgevers in sommige gevallen toch weer extra betalen voor het afkopen van vaste contracten. En de nieuwe Participatiewet wordt met toestemming van het kabinet omzeild, door vijf gemeenten te laten experimenteren met soepele bijstandsregels. We zijn dapper als we hervormen, maar laf zodra de hervormingen pijn doen.

Ondertussen wachten we nog op hervorming van de belastingen, van het toeslagencircus en van ons pensioenstelsel. Allemaal zaken die eigenlijk niet meer kunnen wachten, maar waar we — nu het beter gaat — ongetwijfeld nog heel lang op gaan zitten kauwen. Zonder urgentie neemt de polder alle tijd van de wereld. Je zou bijna gaan hopen op een nieuwe crisis.

(FD)

Zalm, verzin een list!

De pre-informatie is voorbij. Er wordt eindelijk weer over inhoud gepraat in Den Haag. Wie weet slagen de onderhandelaars er zelfs in nog voor het einde van de zomervakantie bij de koning op het bordes te staan. Ze zouden dan nog net op tijd zijn om een eigen miljoenennota te schrijven en hun plannen op Prinsjesdag te presenteren.

Wordt dat makkelijk? Zeker niet. Want hoewel het goed gaat met de Nederlandse economie, zijn er weer eens veel meer plannen dan geld. De lasten moeten omlaag, lonen juist omhoog. Men wil flink ‘investeren’ in defensie, in duurzame energie, in onderwijs en infrastructuur.

En dat allemaal zonder dat de begroting weer in het rood komt. Formeren in tijden van overvloed is misschien wel moeilijker dan in tijden van schaarste. Vandaar dat de partijen ’s lands handigste rekenmeester hebben uitgenodigd om het gesprek te leiden.

Gerrit Zalm neemt het stokje over van Tjeenk Willink als informateur. En daarmee is Den Haag definitief op nostalgietoer naar de nineties. Naar de zomer van 1994, om precies te zijn, toen Zalm met een slimme truc de begroting voor vele jaren naar z’n hand zette.

Ook in 1994 hadden we een lange, moeizame formatie, die ook toen in eerste instantie werd geleid door informateur Tjeenk Willink. Het CDA wilde niet in een links kabinet (met PvdA en D66) en D66 zag het niet zitten om het enige progressieve geluid te zijn in een conservatieve coalitie (met VVD en CDA). Net als nu duurde de formatie daardoor lang en pas diep in de zomer, een paar weken voor Prinsjesdag, werd het eerste kabinet-Kok (Paars 1) van PvdA, VVD en D66, beëdigd.

Daags daarna haalde Gerrit Zalm, de kersverse minister van Financiën, zijn truc uit. Er lag al een eerste versie van de miljoenennota die op de derde dinsdag van september gepubliceerd zou worden. Maar Zalm besloot een deel eigenhandig te herschrijven. Al sinds de jaren tachtig pleitte Zalm voor nieuwe, strenge begrotingsregels, eerst als ambtenaar bij Financiën, later als directeur van het Centraal Planbureau.

In zijn autobiografie beschrijft Zalm hoe hij listig zijn begrotingsregels toevoegde aan de Miljoenennota, deze vervolgens liet goedkeuren door de ministerraad – de nieuwe ministers hadden wel wat anders aan hun hoofd dan alle wijzigingen uitpluizen — waarna ‘de Zalm-norm’ de norm werd voor het begrotingsbeleid. De ministers zouden er pas later achter komen hoeveel macht ze Zalm hiermee hadden gegeven, want zeuren om meer geld bij de minister van Financiën had voortaan weinig zin meer. Zalm kon altijd wijzen op zijn regels.

Niet helemaal netjes, wel buitengewoon praktisch. Precies de listigheid die de politiek nu nodig heeft om uit de impasse te komen. Laat Zalm maar schuiven: Rutte III staat in augustus op het bordes.

(FD)