De Nederlandse economie kwam veel beter door de crisis dan eerder gedacht

Bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) werken ze met het potlood in de ene hand en de vlakgom in de andere. Ze noteren de cijfers voor de economische groei in hun ruitjesschrift, maar slaan vrijwel direct daarna weer aan het rekenen. Het oude cijfer wordt uitgegumd, een nieuw groeicijfer ingevuld — maar weer met potlood. Het gummen, rekenen en schrijven gaat nog jaren door, totdat uiteindelijk de pen wordt gepakt en de CBS’ers het groeicijfer met onuitwisbare inkt noteren.

Voor journalisten die de economische ontwikkeling proberen te verslaan, is dat lastig. Over de eerste zogenoemde ‘flashraming’ voor de groei van het bruto binnenlands product, die zo’n anderhalve maand na ieder kwartaal verschijnt, rapporteren de media nog uitgebreid. Journalisten ondervragen economen over de mee- of tegenvallende groei, ministers krijgen de vraag voorgelegd of extra bezuinigingen nodig zijn terwijl de oppositie alle ruimte krijgt om te mopperen over de ‘kapotbezuinigde’ economie.

Weer anderhalve maand later verschijnt de eerste reguliere groeiraming. Als deze duidelijke afwijkt van de flashraming, is dat goed voor een klein berichtje. Maar de updates van de groei die het CBS daarna nog berekent, halen het nieuws vrijwel nooit. Als tweeënhalf jaar later het definitieve cijfer naarbuiten komt, kraait daar geen haan meer naar.

Terecht, natuurlijk. De krant is er om nieuws te brengen, niet om aan economische geschiedschrijving te doen. Hoe snel de economie tweeënhalf jaar geleden precies groeide, is voor het heden zelden relevant.

Golvend zwembad
Maar soms wel. De afgelopen zeven jaar waren zulke wilde jaren voor de economie, dat het nauwelijks mogelijk was om op het moment zelf te kunnen zien wat er precies aan de hand was. De bankencrisis, de dalende huizenprijzen, de dreiging van een uiteenvallende eurozone en de enorme bezuinigingen en lastenverzwaringen werkten allemaal door elkaar heen en op elkaar in. De Nederlandse economie was een bootje in een klotsend en golvend zwembad vol wild spelende kinderen. Aan economen en statistici de taak te bepalen welke richting het bootje volgde, hoe hoog de boeggolf was en hoe groot de kans op kapseizen. Een onmogelijke taak op dat moment.

Inmiddels zijn de kinderen bedaard, heeft de economie weer richting en is het zinvol om terug te kijken. Vorige week publiceerde het CBS de laatste ramingen voor de economische groei in 2013 en 2014. Daaruit blijkt dat de recessie in 2013 veel minder diep was en het herstel in 2014 een stuk sterker.

Eerder had het CBS de krimp van de economie in 2012 al bijgesteld van 1,6% naar 1,1%. Nu werd de bbp-krimp voor 2013 verlaagd van 0,5% naar 0,2%. Groothandel, IT-dienstverlening en zakelijke dienstverlening hadden meer geproduceerd en de consumptie was hoger, waardoor ieder kwartaal beter was verlopen dan gedacht. Nederland zat twee jaar in een lelijke recessie, maar die was dus beduidend minder diep.

Schermafbeelding 2016-07-14 om 00.29.45

In 2014 groeide het bbp weer. Niet met 1% zoals eerder geraamd, maar met een stevige 1,4%. Genoeg om de twee voorgaande recessiejaren goed te maken. Onder andere in de bouw ging het beter, we consumeerden meer en de internationale handel zat mee.

Geen neerwaartse spiraal
Met deze opwaartse bijstelling verandert ook het verhaal over de ‘kapotbezuinigde economie’. Juist in 2013 en 2014 trapte het kabinet hard op de rem. Bezuinigingsplannen en lastenverzwaringen uit voorgaande kabinetten, eigen beleid en extra begrotingsakkoorden, telden op tot een cumulatie van miljardenbezuinigingen in deze twee jaar. Veel economen vreesden en voorspelden dat de Nederlandse economie hierdoor in een neerwaartse spiraal terecht zou komen. De bezuinigingen zouden daardoor vooral nieuwe tegenvallers veroorzaken, en zo zichzelf ongedaan maken.

Aan de hand van de definitieve groeicijfers van het CBS kunnen we concluderen dat die vrees op z’n minst overdreven was. De economie herstelde sterk, dwars door de bezuinigingen heen. Natuurlijk, zonder de bezuinigingen en lastenverzwaringen was het vast sneller gegaan, maar van een kapotbezuinigde economie was echt geen sprake.

Die conclusie mogen we met echte inkt in de geschiedenisboeken neerpennen.

Belastingparadijs

George Osborne is een efficiënte man. Maandag wist de Britse minister van financiën met een enkele opmerking maar liefst vier grote vraagstukken definitief te beantwoorden. Osborne kondigde aan deBritse vennootschapsbelasting te verlagen naar 15%. Nu is het tarief nog 20%. De verlaging is bedoeld om het bedrijfsleven te laten zien dat het land nog altijd open is for business. Ondernemers die twijfelen of het Verenigd Koninkrijk na de brexit nog een goede vestigingsplaats is, moeten met het lage tarief over de streep worden getrokken. Geen lid van de EU, wel een belastingparadijs, dat is de boodschap.

De maatregel levert ons vier bewijzen. Ten eerste: niemand in het Verenigd Koninkrijk heeft nagedacht over de gevolgen van de brexit. Ten tweede: alle Britse politici liegen. Drie: Europese samenwerking is belangrijker dan ooit. En vier: de EU is nog lang niet af. Ik loop ze alle vier graag even langs.

De verlaging van de winstbelasting heeft alles van een paniekmaatregel. Onrust onder multinationals — hoe voorspelbaar die ook was — moet blijkbaar worden bezworen met een miljarden kostende botte maatregel als deze. De brexit is zo slecht doordacht dat de minister van financiën niets beters weet te bedenken dan met stapels bankbiljetten te gooien, in de hoop dat banken en bedrijven zijn land niet verlaten.

Dezelfde Osborne beweerde voorafgaande aan het referendum dat een leave-stem juist zou leiden tot hogere belastingen en extra bezuinigingen. Mochten de kiezers tegen EU-lidmaatschap stemmen, dan zou hij genoodzaakt zijn om een noodbegroting in te dienen met voor 30 miljard pond aan hogere lasten en lagere uitgaven. Zijn eerste maatregel blijkt echter een belastingverlaging. Iedereen loog over de brexit, ook Osborne.

De Britse belastingverlaging toont ook aan dat Europese samenwerking in een wereld met multinationale bedrijven onmisbaar is. Met de lage vennootschapsbelasting probeert Osborne bedrijvigheid af te snoepen van andere landen. Het is een agressieve zet in de wedloop om het laagste belastingtarief, waar de landen gezamenlijk alleen maar door verliezen. Multinationals zijn de enige winnaars. Door deze wedren naar de bodem is het gemiddelde tarief voor de winstbelasting in Europa gedaald van 35% in 1996 naar nog geen 23% nu. Inkomstenbelasting moest omhoog om het gat op de begroting weer te dichten.

De Britse winstbelasting stond in 1996 op 33%. Als Osborne straks klaar is, is dat tarief meer dan gehalveerd. Alleen met Europese afspraken over harmonisatie of op z’n minst over minimumtarieven is deze belastingconcurrentie te stoppen. Wat ons brengt op het vierde antwoord: binnen de EU lukte het de afgelopen jaren niet om hier afspraken over te maken.

De EU is nog lang niet af. Maar weglopen, zoals de Britten doen, maakt het probleem alleen maar groter.

Knip-Uit-en-Bewaar-Feitenkaart voor al uw #Nexit-discussies

Er zijn veel manieren om naar de dramatische uitkomst van het brexitreferendum te kijken. De gewone Brit won van de elite, Engeland versloeg Schotland, de babyboomers overwonnen de millennials, het platteland nam de stedeling te grazen, of de reactionaire krachten waren sterker dan dan de progressieve. Het Britse electoraat viel donderdag in vele groepen uiteen.

Maar ik zie de uitslag toch vooral als een nederlaag van feit op fictie. Via emotionele halve waarheden en hele leugens wist het brexitkamp de harten van iets meer dan de helft van de Britten te veroveren. Het hoofd deed even niet mee.

Zoals dat gaat, veranderden de brexiteers direct na de uitslag volstrekt van toon. Boris Johnson, die tijdens de campagne de EU nog achteloos vergeleek met het nazirijk, vond nu — als ware hij een staatsman — dat Groot-Brittannië ‘de rug niet naar Europa kan keren’. En Ukip-leider Nigel Farage verklapte vrijdagochtend dat de belofte om na een brexit £350 mln pond per week extra aan gezondheidzorg uit te geven een ‘vergissing’ was geweest. De overwinning was binnen, de leugentjes konden worden weggepoetst.

Met een beetje pech trekt deze fabelkaravaan nu door naar het Europese vasteland. Op twitter zijn de hashtags #frexit (een vertrek van Frankrijk, ongetwijfeld onder leiding van Marine Le Pen) en #nexit (Nederland, Geert Wilders), al behoorlijk populair. Zelfs pogingen om #hunxit en #italexit trending te maken zijn niet bij voorbaat kansloos. Het Vlaams Belang droomt hardop van een #vlexit.

 

Ben ik een ‘elitaire eurofiel’ als ik nu al preventief moe word van de hopeloze, feitenvrije discussies die dit allemaal gaat oproepen? Ongetwijfeld. Maar ik zeg het toch. Het was al tenenkrommend om vanaf de zijlijn te zien hoe de discussie in Groot-Brittannië ontspoorde. Hoe hou je goede zin als zo’n discussie in Nederland wordt gevoerd? Wat zeg je straks tegen een nexit-voorstander die stelt dat Nederland beter zelf handelsverdragen kan afsluiten dan in EU-verband, dat de EU ons miljarden kost die we ook aan gezondheidszorg kunnen uitgeven, of dat — zoals in het Verenigd Koninkrijk werkelijk werd beweerd — Syrië binnenkort toetreedt tot de EU?

Ik vrees toch dat we dat soort fabeltjes alleen met feiten kunnen bestrijden. Niet meebuigen, niet vergoelijken, maar ieder leugentje methodisch ontmantelen. En niet alleen door de pers, in speciale factcheckrubriekjes, maar iedere dag door iedereen en overal in het land. We moeten Nederland bedelven onder een ‘tsunami van feiten’, om onze nexitleider te parafraseren.

Ik doe hier een voorzetje. In plaats van de gebruikelijke grafiek vindt u bij deze rubriek vandaag een gratis ‘Knip-Uit-En-Bewaar-Feitenkaart’. Knip hem netjes uit langs de perforatielijn, vouw hem op en steek de kaart in uw portemonnee of in het hoesje van de telefoon. Belandt u dan in trein of café in een discussie over een nexit, haal dan zelfverzekerd de kaart tevoorschijn en vertel met ernst en gezag over het belang van de Europese Unie voor de Nederlandse economie.

Schermafbeelding 2016-07-02 om 20.34.44

De kaart is brexitproof: voor zover mogelijk gaan de cijfers uit van een EU zonder het Verenigd Koninkrijk. Daarom is het EU-aandeel in de Nederlandse goederenexport niet de huidige 71%, maar 63%. Onze dienstenexport is voor 44% afhankelijk van EU-landen exclusief het Verenigd Koninkrijk. Dat zijn indrukwekkende percentages. Voor de import is Nederland iets minder afhankelijk van de EU, maar ook na de brexit halen we bijna de helft van de goederen uit Europa. Ons vermogen is voor 39% belegd in EU-landen, en omgekeerd levert de EU 42% van onze financiering.

Ongetwijfeld zal in zo’n nexitdiscussie de enorme hoeveelheid geld die Nederland aan Brussel moet overmaken ter sprake komen. Wijs er dan op dat dit per saldo om €280 per inwoner gaat, en dat alleen al de interne markt iedereen minstens €1500 rijker maakt. Beweert uw opponent dan toch nog dat de grenzen allemaal dicht moeten, informeer dan beleefd hoe we dat met meer dan 350 grensovergangen precies praktisch gaan regelen.

Ik wens u een feitenvolle discussie!

Gezond verstand gaat op vakantie

Direct na uitschrijven van een referendum begint het gezonde verstand met koffers pakken. Het neemt een sabbatical en gaat in een ver land uitrusten van jarenlang hard werken aan redelijke compromissen en afwegingen.

Voor het gezond verstand is er geen plaats in een referendumcampagne. Nuancering en relativering zijn nutteloze concepten, als de burger slechts de keuze heeft uit twee opties: ja of nee, in of uit. Alleen aan extreme meningen is behoefte, want die trekken de kiezer het duidelijks een kant op.

Tijdens het brexit-debat in het VK laten beide kanten zien dat ze dit mechanisme prima begrijpen. De voorstanders van een EU-lidmaatschap kwamen met op zich redelijk onderbouwde cijfers over de mogelijke economische gevolgen van een brexit; voor zover je dat kunt uitrekenen waren die behoorlijk zwaar. Maar minister van Financiën George Osborne vond het toch nodig om daar afgelopen zondag flink overheen te gaan. Op tv waarschuwde hij: ‘Persoonlijk denk ik echter dat het heel wat erger dan dat kan worden’.

Hoezo denkt hij dat? En waarom is het relevant wat hij denkt, als er dikke rapporten liggen die de schade in alle redelijkheid proberen vast te stellen? Uiteraard omdat hyperbolen prima werken als het gezonde verstand met vakantie is.

Sinds de afschuwelijke moord op parlementslid en EU-pleitbezorger Jo Cox, vorige week, lijken kansen voor een brexit weer wat afgenomen. Iedereen doet alsof het ene logisch volgt uit het andere, maar het geeft vooral aan hoezeer het brexit-referendum gaat over emotie in plaats van verstand.

Nergens wordt dat zo goed begrepen als in het kamp van de ‘Brexeteers’. De campagne van brexit-kopstukken Boris Johnson, Michael Gove en Nigel Farage wordt vanaf de eerste dag gevoerd met een clusterbombardement aan emotie-oproepende leugens. Op de brexit-campagnebus staat dat het VK dagelijks 350 miljoen pond aan Brussel overmaakt. De keurige UK Statistics Authority noemt dit getal ‘misleading, maar de bus wordt niet overgeschilderd.

Turkije zou op het punt staan om lid van de EU te worden, waarna het land wordt overspoeld door Turkse migranten. En de Britten kunnen daar niets tegen doen. (Onwaar, iedere lidstaat heeft een veto). Gezondheidszorg zou kraken onder de komst van EU-migranten, terwijl deze in werkelijkheid gewoon meebetalen. Migranten zouden ook massaal banen van Britten inpikken, terwijl al het onderzoek die stelling tegenspreekt. Criminelen mogen gewoon het VK binnenlopen (onwaar), Britten verliezen alle stemmingen Brussel (56 verloren, 2466 gewonnen) en van Europa mogen kinderen geen ballonnen opblazen (onzin).

Alle mythes worden door oprechte mensen op redelijke websites ontkracht en gecorrigeerd. Maar alleen het gezonde verstand wil die websites bezoeken. Zodra het terug is van vakantie.

Nederland is het beste land ter wereld, op Zwitserland na

De champagne mag open, want Nederland is weer aangehaakt bij de kopgroep. Tijdens de crisisjaren waren we in het tragere peloton beland, maar dit jaar is de Nederlandse economie terug in de top 10 van meest concurrerende economieën ter wereld. We komen binnen op plaats 8.

In 2009 behoorde Nederland voor het laatst tot de tien meest concurrerende landen. In de vijf daaropvolgende jaren bleven we steeds hangen rond de 14de, 15de positie. Maar nu de economie opkrabbelt, herstelt in Nederland ook de concurrentiekracht.

Dat beweren althans de onderzoekers van het Zwitserse onderzoeksinstituut IMD. Zij stellen ieder jaar het ‘World Competitiveness Scoreboard op, waarin ze op basis van honderden indicatoren landen rangschikken naar concurrentiekracht. Begin deze week kwam de editie voor 2016 uit met daarin de eervolle 8ste plaats voor Nederland.

Subjectieve gegevens
Op een andere concurrentieranglijst staat Nederland echter al op plaats 5. Het World Economic Forum (WEF) maakt ook ieder jaar de balans op, met de ‘Global Competitiveness Index’. HetWEF berekent de concurrentiekracht net op een andere manier. Waar IMD focust op harde, meetbare cijfers (zoals koopkracht en uitgaven aan R&D), geeft het WEF meer gewicht aan subjectieve gegevens, zoals vertrouwensindicatoren en meningen van ondernemers.

Op de ranglijst van het WEF is Nederland nooit uit de top 10 gevallen. Wel zakte ons land in de crisisjaren terug naar plaats 10 (in 2010), maar inmiddels staan we dus al weer keurig in de top 5. Alleen Zwitserland, Singapore, de Verenigde Staten en Duitsland zijn concurrerender dan Nederland.

Het kan nog mooier. Het Franse Insead berekent jaarlijks de ‘Global Innovation Index’. Die index meet de innovatiekracht van landen. Op de Insead-ranglijst staat Nederland op plaats 4 met alleen Zwitserland, het Verenigd Koninkrijk en Zweden voor ons.

Schermafbeelding 2016-06-20 om 19.19.46

Er zijn ranglijsten en ranglijsten
Natuurlijk is er op ieder ranglijstje wel wat af te dingen. Neemt men de juiste indicatoren mee? Zijn cijfers van verschillende landen te vergelijken? Valt concurrentie of innovatie wel te meten? Het zijn terechte vragen. Maar in plaats van een nauwgezette analyse van de voor- en nadelen van ieder lijstje, stel ik een ander antwoord voor: laten we alle ranglijsten eens op elkaar leggen. Wat de ene ranglijst slecht meet, meet de andere misschien juist goed, dus zo’n ‘meta-ranglijst’ kan betrouwbaarder zijn dan de afzonderlijke lijsten.

Daarom neem ik van ieder land de plaats op de ranglijst en tel die bij elkaar op.Zwitserland bijvoorbeeld, staat tweede op het World Competitiveness Scoreboardvan IMD en eerste bij zowel de Global Competitiveness Index van WEF en deGlobal Innovation Index van Insead. Bij elkaar krijgt Zwitserland op onze meta-ranglijst dus vier punten.

Daarmee staat het land uiteraard bovenaan. De tweede plaats is voor de VS (11punten), dan komt Singapore (11 punten) gevolgd door — ex aequo — Zweden en Nederland (17 punten). Als het om concurrentie en innovatie gaat, zijn er slechts drie landen beter dan Nederland.

Ontkurken maar
Maar het kan nog mooier, want er zijn nog meer mondiale ranglijsten. De UNDPberekent jaarlijks de ‘Human Development Index’. Deze indicator kijkt naar deeconomie in veel bredere zin. Er is meer dan economische groei, vindt de UNDP. Gezondheid en onderwijs bepalen ook het ontwikkelingsniveau van een land.Nederland staat vijfde op deze lijst. Als we dit toevoegen aan de meta-lijst, stijgt Nederland naar de derde plaats, achter Zwitserland en de VS.

Ik voeg nog één ranglijst toe: die van het gelukkigste land. Want uiteindelijk dient de economie de mens en niet andersom. Uit het jaarlijkse ‘World HappinessReport’ van economen Jeffrey Sachs en Richard Layard haal ik de Happiness Ranking. Nederland staat daar met een 7de plaats hoger op dan de VS (19de), dus op de meta-lijst halen we de Amerikanen in. Alleen de Zwitsers blijven ons (ruim)voor.

De conclusie luidt: Zwitserland is het beste land ter wereld. Maar Nederland is een goede tweede. Champagne!

(FD)

Vrije keuze

‘Ik wil een fles van je beste wijn en zeg de kok zijn allerbeste gerecht te bereiden.’ Het is de taal van de relaxte multimiljonair die een toprestaurant inloopt. Als geld geen rol speelt, hoef je de menukaart niet te zien, want wie van alles het beste bestelt heeft nooit last van keuzestress.

Armoedzaaiers als u en ik hebben die luxe niet. Wij zijn veroordeeld tot het nauwkeurig spellen van de menukaart. Oesters zijn lekker maar duur, varkenssaté is goedkoop maar ongezond. De Bordeaux is onbetaalbaar, maar van de huiswijn krijg je hoofdpijn. Het kost veel denkkracht om de juiste keuze te maken — als ons dat al lukt.

Gelukkig maar dat we bij echt belangrijke zaken niet hoeven te kiezen. Bij ons pensioen, bijvoorbeeld. Iedere werknemer zit verplicht bij het pensioenfonds dat bij zijn bedrijf of sector hoort. Switchen is verboden. De polder heeft al voor ons gekozen, dus van keuzestress heeft niemand last.

Toch zijn er onverlaten die vinden dat we ons pensioenfonds wel moeten kiezen. In het pensioenstelsel van de toekomst zou de deelnemer zelf moeten beslissen bij welk fonds hij spaart. Geen gedwongen winkelnering meer. Vakbonden, pensioenbesturen en sommige politici vinden dat een buitengewoon slecht idee. Mensen willen helemaal niet kiezen, zeggen zij. Mensen willen gewoon het beste pensioen. Bovendien blijkt uit gedragsonderzoek dat mensen vaak verkeerde keuzes maken. Dat moeten we niet willen.

Maar volgens mij moeten we het juist wel willen. Of mensen kiezen leuk vinden of perfect kunnen, heeft er niets mee te maken. Vrije keuze dwingt de pensioenfondsen om een goed pensioen tegen zo weinig mogelijk premie te leveren.

We kiezen niet omdat dat leuk is, maar omdat het discipline afdwingt. Want vergis u niet, wie iedere dag zonder op de prijs te letten vraagt om de beste wijn en het beste gerecht, krijgt na verloop van tijd waterige wijn en inferieur eten. En een duur pensioenfonds met een verwaterde dekkingsgraad en inferieure indexatie. Keuzevrijheid is de productiefactor die kwaliteit en efficiëntie genereert.

In de supermarkt liggen dertig verschillende soorten chocoladerepen omdat smaken verschillen en kiezen soms dus leuk is. Maar er staan ook vijf merken vrijwel identieke halfvolle melk in de koeling, omdat de supermarkt onze keuzevrijheid gebruikt om de melkfabrikant te disciplineren. Melk kiezen is voor de klant niet leuk, maar wel noodzakelijk.

Moeten we dan straks allemaal avonden studeren op welk pensioenfonds het beste is? Welnee, dat is het mooiste van keuzevrijheid: wie niet wil kiezen kan meeliften op de disciplinerende keuzes van anderen. Ik ben nog nooit van ziektekostenverzekeraar of stroomaanbieder veranderd, want ik weet dat de keuzevrijheid van andere klanten mijn aanbieder disciplineert. Wat wil je nog meer?

Een buffer voor geluk en pech

De Sociaal Economisch Raad legt een groot, zacht kussen neer, gevuld met het fijnste ganzendons en genaaid in een stevige sloop. Het ligt klaar om de val op te vangen voor iedere onfortuinlijke generatie met pech op de beurs. Zo’n hele generatie kan op het kussen neerploffen, zonder zich te bezeren.

Wie vult dit wonderbaarlijke kussen? Dat doen alle generaties die wel geluk hebben op de beurs. Wat de ene generatie te veel verdient met beleggen, wordt doorgeschoven naar generaties die te weinig verdienen op hun aandelen. Geluksgeneraties compenseren pechgeneraties. Er is solidariteit tussen de leeftijdscohorten, want we verzekeren elkaars beleggingsrendement.

De buffer voor geluk en pech is een belangrijk onderdeel van de pensioenverkenning van de SER, die eind vorige week verscheen. De Raad schets daarin een nieuw pensioenstelsel waarin werknemers hun eigen beleggingspotje opbouwen. Het is revolutionair dat de polder durft na te denken over zo’n persoonlijk pensioen. Afschaffen van de collectieve pensioenpotten waar alle premie in verdwijnt, in ruil voor een vage, nauwelijks afdwingbare belofte op een nominale uitkering na pensionering, was voor de vakbonden tot voor kort onbespreekbaar. Iedere aanpassing van de collectiviteit werd als ondermijning van de solidariteit afgedaan.

Maar nu ziet ook de polder dat het huidige systeem niet meer voldoet. Jarenlange discussies over rekenrente, dekkingsgraden en indexatie hebben de rot in het ‘beste pensioenstelsel van de wereld’ voldoende aangetoond. Dus gaat het roer om. Collectieve fondsen worden individuele potjes. Met daaronder dat enorme donzen kussen.

Het is geen individueel kussen, maar een collectief kussen. Gevuld met een donzige solidariteitsheffing op ‘te hoge’ rendementen van de individuele potjes.

De buffer voor geluk en pech is niets anders dan een schaduw-pensioenfonds dat premie heft over de beleggingswinsten van pensioenfondsen. Het is een nieuw collectief fonds gevuld met geld waarvan niemand precies weet van wie het is en dat op basis van verwachte beleggingsrendementen in de verre toekomst wordt verdeeld. Arbitraire veronderstellingen over wat ‘normaal’, ‘veel’ en ‘weinig’ rendement is, zijn nodig om deze beleggingssolidariteit te kunnen berekenen. Hoor ik iemand daar ‘rekenrente’ zeggen? De ruzie tussen generaties over het geld in deze buffer zal nog voor de eerste openingsgong van de beurs uitbreken. Want uiteindelijk ziet iedere leeftijdsgroep zichzelf als een pechgeneratie, omringd door louter generaties met geluk.

Individuele pensioenpotten, waarover solidariteitsbelasting wordt geheven ten bate van een collectieve beleggingsbuffer, op basis van arbitraire beleggingsverwachtingen — wie hoopte dat het nieuwe stelsel simpeler en transparanter zou worden, had weer eens buiten de polder gerekend.

(FD)

Extremist

Opeens weet je het: je bent een extremist. Je zit niet meer comfortabel in het midden van de verdeling der meningen, maar ergens in een extreme uithoek. Je bent niet meer de regel, je bent de uitzondering

Zo vind je vrijhandel een goed uitgangspunt voor de economische diplomatie. Liefst via multilaterale vrijhandelsverdragen, maar als dat niet lukt dan maar bilaterale verdragen. Nauwere samenwerking met bondgenoot de VS vind je een ‘no-brainer’. Natuurlijk eerst hard onderhandelen, maar daarna sluiten we een wederzijds voordelig vrijhandelsakkoord.

Je dacht dat heel weldenkend Nederland het nut van zo’n verdrag wel zou zien, maar toen je even niet oplette schoof de publieke opinie een stuk op. Vrijhandel dient alleen nog maar de belangen van multinationals, zo is het algemeen gevoelen, en die willen ons zo snel mogelijk vergiftigen met chloorkippen en hormoonvlees.

Met pijn in je hart heb je na een kwart eeuw je lidmaatschap van Milieudefensie opgezegd. Dat was ooit een club van natuurliefhebbers, die je graag steunde. Maar de actiegroep heeft nu een antiglobalistische agenda, strijdt tegen vrij ondernemerschap en pleit voor handelsbelemmerende maatregelen.

Je bent een extremist omdat je denkt dat Europese samenwerking de vrijheid, veiligheid en welvaart bevordert. Je gelooft nog steeds niet dat een Europa met nationale munten en vrij bewegende wisselkoersen beter werkt dan een monetaire unie. En je vreest de Russische beer meer dan de Brusselse slak. Sinds een paar jaar ben je een eurofiel (ja, dat is een scheldwoord), als je er zo over denkt.

Marktwerking, daarvan weet ook iedereen opeens dat het een totale mislukking is. In het weekend veilen we massaal onze overbodige huisraad via marktplaats.nl en bieden we op het goedkoopste ‘wellness-arrangement’ op vakantieveilingen.nl, maar door de week wordt het prijsmechanisme vervloekt als instrument van het zakkenvullende grootkapitaal.

Semi-ambtenaar Antoinette Hertsenberg krijgt van de semi-staatsomroep AvroTros alle zendtijd om de marktwerking in de zorg te verguizen. Zelfs je jeugdheld Jan Terlouw trapt er in. Hij twittert: ‘Heeft na de Radaruitzending van vanavond nog iemand ook maar één goed argument voor marktwerking in de zorg?’ Begin jaren zeventig wist dezelfde Terlouw in zijn boek Koning van Katoren nog zo overtuigend uit te leggen hoe het monopolie van de nepdokters — de Tara’s — de stad Afzette-Rije, aan de bedelstaf bracht. Inmiddels is zijn mening een heel eind opgeschoven. Doe mij maar de Terlouw van 1971.

Wie vroeger net rechts van het midden was, met een beredeneerd wantrouwen tegen overheidsingrijpen en geloof in internationale samenwerking, is tegenwoordig een neoliberale slaaf van het kapitalisme. Een eurofiele extremist.

(FD)

Beleggers zijn bang voor een beurskrach die bijna nooit komt (en dat is de schuld van de pers)

Januari van dit jaar. Een analist van Royal Bank of Scotland stuurt een mail naar zijn klanten. Analist Andrew Roberts heeft een duidelijk advies: ‘Sell everything.’ Alles stort in. Verkoop aandelen, verkoop risicovolle obligaties, verkoop grondstoffen, verkoop alles. 2016 wordt een ‘cataclysmic yearAandelen zullen kelderen, olie daalt naar $16 per vat. De sneeuwbal begint te rollen in China en sleurt de hele wereld mee, weet Andrews.

Dezelfde analist had in 2010 ook al hel en verdoemenis gepredikt. ‘Denk het ondenkbare’, schreef hij toen. ‘We bevinden ons op de rand van de afgrond.’ Maar 2010 bleek juist een prima beleggingsjaar. Dat weerhield journalisten er niet van om in 2016 de waarschuwingen van deze Cassandra toch weer serieus te nemen. De roemruchte (**kuch**) Ambrose Evans-Pritchard van de Daily Telegraph wakkerde het depressieve vuurtje van Roberts graag aan. De laatste woorden van zijn column van 11 januari over Roberts’ doemscenario luidde: ‘De verkoopgolf kan zichzelf gaan versterken en uitgroeien tot de volgende mondiale crisis.’

Weer zat Roberts er grandioos naast. En Evans-Pritchard had zich weer eens bij de neus laten nemen door een doemprofeet. Na de dip in januari en februari herstelden de beurzen wereldwijd. De olieprijs krabbelde op en de wereldeconomie weigerde in te storten. Wie alles in de winter verkocht, had in het voorjaar spijt.

Doemprofeten bakken er meestal niks van. Toch zijn hun scenario’s populair bij beleggers. Het bijzondere van de profetie van Roberts begin dit jaar was niet dat deze zo zwart was, maar dat zijn verhaal zo veel aandacht kreeg van beleggers en de financiële pers. Houden we soms van pikzwarte voorspellingen?

Ja dus. Daarop wijst althans een nieuwe studie van Nobelprijswinnaar Robert J. Shiller van Yale University. Afgelopen week publiceerde hij de resultaten van onderzoek naar de pessimistische inslag van beleggers en de invloed daarop van de pers. Shiller houdt al ruim een kwart eeuw enquêtes onder particuliere en institutionele beleggers. Hij vraagt hen onder andere naar de kans op een beurskrach in de komende zes maanden. Met een beurskrach bedoelt hij er een zoals in oktober 1987, toen de Dow Jones in één dag met meer dan 8% daalde. Uit de antwoorden destilleert Shiller de ‘Crash Confidence Index’: het percentage van de geënquêteerden die de kans op zo’n crash in het komende halfjaar op minder dan 10% schatten.

Schermafbeelding 2016-05-13 om 20.01.49

Die index is verrassend laag, ontdekte Shiller. De ondervraagde beleggers schatten de kans op een grote crash dus veel hoger in dan gerechtvaardigd is op grond van het verleden. Beleggers zijn overdreven bang voor zwarte maandagen en donderdagen. Die komen minder vaak voor dan ze denken.

Een oorzaak ligt mogelijk bij de financiële pers. Shiller onderzocht duizenden beursberichten in de Wall Street Journal, en constateerde dat negatief beursnieuws prominenter gebracht wordt en langduriger besproken, dan positieve verrassingen op de beurs. De financiële pers — en misschien wel alle pers — brengt graag negatief nieuws. Of, zoals Shiller ruiterlijk toegeeft: misschien is het de nieuwsconsument die een voorkeur heeft voor negatief nieuws, en bedient de pers die consument op z’n wenken.

Het is de combinatie van tegenvallers op de beurs en de grote aandacht daarvoor in de pers die beleggers een overmatige angst bezorgt voor grote krachs. Vooral negatieve beursberichten op de voorpagina van de Wall Street Journal verhogen de angst voor een beursimplosie. Dit verband zag Shiller overigens alleen bij particuliere beleggers. Voor professionele beleggers vond Shiller geen significante relatie tussen slecht nieuws, overdreven berichtgeving en de vrees voor een beurskrach.

Een professional als Andrew Roberts geloofde dus misschien zelf wel niets van zijn profetie, maar wist dat een doemverhaal veel meer impact zou hebben dan een realistischere versie. De particuliere belegger is voortaan gewaarschuwd: slecht beursnieuws op de voorpagina is zelden de aankondiging van een echte krach.

IJsjes voor eskimo’s

Een ijsfabriek boven de poolcirkel, het is eindelijk mogelijk. Binnenkort maakt Unilever magnums op de Noordkaap, raketjes in Groenland en cornetto’s in Siberië. Dankzij de lage rente is dat nu bedrijfseconomisch volstrekt rationeel.

Natuurlijk, de huidige inwoners van die gebieden zitten niet te springen om een bevroren traktatie, maar hun kleinkinderen misschien wel. Als het met de klimaatverandering een beetje opschiet, hebben we nog deze eeuw zomerse dagen boven de poolcirkel. Een verkoelend ijsje is dan wel zo lekker. Unilever hoeft de opwarming van de aarde niet af te wachten en kan nu al beginnen met grootschalig investeren in ijsfabrieken in het hoge noorden. De inkomsten van de ijsverkopen komen pas over vele jaren, maar dat maakt voor de boekhouders van het levensmiddelenbedrijf niets uit.

Tijd is geen factor meer voor Unilever, want wachten is gratis. Deze week leende cfo Graeme Pitkethly € 300 mln op de kapitaalmarkt, tegen een couponrente van 0%. De toekomst is voor Pitkethly nu net zo veel waard als het heden. Unilever is in een boekhoudkundig zwart gat gevallen, waar tijd niet bestaat. Heden en toekomst zijn samengedrukt tot een enkel punt. Een euro nu verdiend is evenveel waard als een euro in de toekomst.

Tijd is dus gratis. Dat klinkt leuk, maar is het allerminst. Bij een rente van nul is zo ongeveer ieder investeringsplan op papier rendabel. Kleine inkomstenstromen in een verre toekomst tellen zonder discontovoet uiteindelijk toch op tot oneindig veel euro’s. Welke ondernemer kan nee zeggen tegen oneindige winst? IJsjes voor Eskimo’s, oplaadpunten voor zelfrijdende elektrische auto’s, een pompstation op de maan voor toekomstige ruimte­reizigers, het zijn bij 0% rente allemaal uiterst degelijke investeringen. (Zelfs ondernemers die nu investeren om ooit de hogesnelheidstrein tussen Amsterdam en Parijs te laten rijden, zouden dat op papier rendabel kunnen krijgen — maar misschien overdrijf ik nu.)

Dat Unilever en andere grote, solvabele bedrijven kunnen lenen zonder rente komt natuurlijk door de Europese Centrale Bank. Die begint in juni met het opkopen van bedrijfsobligaties, als onderdeel van het onlangs verder opgevoerde programma van kwantitatieve verruiming. Vooruitlopend op die nieuwe vraag naar bedrijfspapier, zijn de rentes voor sommige Europese bedrijven al 0%.

Over die lage rente wordt veel gemopperd. Die zou spaarders oneerlijk veel pijn doen en pensioenfondsen midscheeps raken. Van die klachten ben ik niet echt onder de indruk. Spaarders kunnen gaan beleggen en pensioenfondsen hadden zich in moeten dekken tegen rentedalingen.

Nee, mijn zorg is dat bij een rente van nul de productiefactor tijd niet meer schaars is. Onzinnige investeringen lijken opeens verstandig. Daar gaan we nog veel spijt van krijgen. Ooit.

 

(FD)