Redt de actie ‘Eet een peer tegen de Russische beer’ de Nederlandse fruitteler?

De Russische sancties gaan Nederland bakken met geld kosten. Misschien belanden we zelfs weer in een recessie. In elk geval zal Nederland voor €549,5 mln aan export verliezen, rekende de Volkskrant vrijdag voor.

Dat laatste getal is van een onnozele precisie. Op een half miljoen euro nauwkeurig schatten hoe groot de exportschade van de Russische boycot zal zijn, lukt alleen als je blind de exportstatistieken van het Centraal Bureau voor de Statistiek overtypt. Want €549,5 mln is het bedrag dat Nederland aan export misloopt, als we alle voor Rusland bedoelde voedingsmiddelen linea recta in de verbrandingsoven gooien.

Dat zou idioot zijn, want onze tomaten, kaasjes en karbonades zijn vast nog wel elders op de wereldmarkt te slijten. De wereldmarkt is een waterbed: als de Russen het matras aan een kant omlaag drukken, gaat het bed elders weer omhoog.

Hoogleraar plattelandsontwikkeling Dirk Strijker is aanhanger van die waterbedtheorie. Hij stelde: ‘De Russen zullen wel blijven importeren, maar dan uit andere landen. Die landen laten dan weer een gat in de markt vallen. Uiteindelijk ontstaat er dan weer een soort evenwicht.’

Dat klinkt hoopvol. Vraag en aanbod komen uiteindelijk weer bij elkaar. Daar zorgt het prijsmechanisme wel voor. Maar deze redenering is minstens zo ondoordacht als die van de Volkskrant. Want wanneer is precies ‘uiteindelijk’? En wat is er in de tussentijd met de prijs van producten gebeurd? Een paar dagen boycot hebben de tomatenprijs al doen kelderen. Daar hebben ook tomatentelers die niet aan de Russen leveren enorme last van. Mogelijk is de schade op korte termijn dus zelfs veel groter dan die €549,5 mln.

Het echte antwoord is dus: we hebben geen idee wat de schade zal zijn. Er zijn te veel onbekende factoren. Zelfs voor een enkel exportproduct valt vooraf geen schaderapport op te maken.

Ik geef een voorbeeld: de peer. Telers van deze vrucht lijden potentieel enorme schade door de boycot, want Rusland is een van de grootste afnemers van Nederlandse peren. Tussen 2008 en 2011 exporteerden we gemiddeld 46 miljoen kilo peren naar Rusland. Dat is ruim 13% van de totale export. Ter vergelijking: van de Nederlandse appels gaat nog geen 7% naar Rusland.

Schermafbeelding 2014-08-16 om 13.37.49

Mede door de Russische honger naar peren is Nederland een perenland geworden. Sinds vorig jaar is er meer Nederlandse grond beplant met perenbomen dan met appelbomen. In 2000 waren er nog ruim twee keer zoveel hectaren met appelbomen.

Schermafbeelding 2014-08-16 om 13.37.57

De peren-‘boom’ zorgde overigens niet voor meer perentelers. Integendeel: het aantal perenbedrijven daalde sinds 2000 met 35% tot pakweg 1460.

Schermafbeelding 2014-08-16 om 13.38.05

Dat zijn 1460 fruitondernemers die hard geraakt worden door de Russische boycot. Wat gebeurt er als de voor Rusland bestemde peren op de Europese markt terechtkomen? De prijs zal ongetwijfeld dalen, dus de vraag zal stijgen.

Maar hoe gevoelig is de perenvraag voor prijsdalingen? Nauwelijks, zo blijkt uit onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Als de prijs van peren met 1% daalt, neemt de vraag met nog geen 0,25% toe. De perenvraag is inelastisch, zeggen economen dan. Het prijsmechanisme werkt daardoor zeer stroef. De prijs zal flink moeten dalen voordat Strijkers’ ‘uiteindelijke evenwicht’ weer is gevonden. Ook perentelers die niet aan de Russen leverden, worden hard geraakt.

Kunnen ze dan niets doen? Jawel. Anders dan tomaten zijn peren goed houdbaar. De hele oogst kan gekoeld zo een jaar worden opgeslagen. Op die manier valt het overaanbod te bestrijden. Bovendien zullen perenhandelaren proberen de Nederlandse peer om te toveren in bijvoorbeeld een Turkse of Japanse peer, die wel welkom is in Rusland. Met een tussenstop in zo’n land verandert een lading fruit eenvoudig van nationaliteit.

En wie weet ontstaat er in Nederland wel een gevoel van camaraderie, waardoor iedereen een peertje extra eet. Een nationale actie ‘Eet een peer tegen de Russische beer’, zou zomaar kunnen slagen.

De uiteindelijke conclusie moet zijn dat er vooraf werkelijk niets valt te zeggen over de schade van de sancties. Het wordt een kwestie van achteraf meten, vrees ik. Dat is in de economie wel vaker het geval.

(verscheen eerder hier)

Doorwerken

Nee, een salaris kreeg hij niet. Maar dat vond de beheerder van de Desert View Campground, aan de oostkant van de Grand Canyon, geen probleem. Hij ontving al tien jaar een heel aardig pensioen, dus deed zijn werk graag als vrijwilliger. Na zijn pensionering was hij eerst thuis gaan zitten. Maar van niets doen ga je dood, wist hij. Van werken blijf je leven.

Het is altijd riskant, zo’n eerste column na een vakantie. Voor je het weet val je de lezer lastig met onbenullige vakantiewaarnemingen. Ik waag het er toch maar op, want tijdens mijn trip door het zuidwesten van de Verenigde Staten viel het me telkens weer op: het grote aantal werkende ouderen. De boodschappeninpakker, de hotelklerk, de buschauffeur, de ranger van het National Park en dus ook de campingbeheerder, allemaal waren ze de 65 jaar ruim gepasseerd.

Is het Amerikaanse pensioensysteem dan zo beroerd, zijn de ziektekosten en private schulden zo hoog, dat een rustige oude dag alleen voor de allerrijkste Amerikanen is weggelegd?

Volgens de officiële cijfers werkt een kleine 19% van de Amerikaanse 65-plussers. Dat is bijna een verdubbeling ten opzichte van dertig jaar geleden. Velen werken ongetwijfeld door uit financiële noodzaak. Pensioenen zijn vaak karig en veel Amerikanen hebben helemaal geen geld gespaard.

Maar de oudere werknemers met wie ik een praatje aanknoopte, hadden het zelden over de noodzaak om te werken, maar vooral over plezier in het werk. Misschien hielden ze zich groot, maar hun antwoorden komen overeen met eerder onderzoek. In 2008 vroegen Amerikaanse onderzoekers een groep werkende ouderen naar hun redenen om door te werken. ‘Anders heb ik te weinig inkomen’, werd slechts door 18% van de ondervraagden genoemd. ‘Ik zou me anders vervelen’, scoorde 31%.

Harvard-econoom Edward Glaeser denkt dat de arbeidsparticipatie onder Amerikaanse gepensioneerden de komende jaren nog verder zal stijgen. In de moderne diensteneconomie is het werk lichamelijk veel minder zwaar. Bovendien is de hedendaagse oudere relatief fit.

De werkloze oude dag, die we in de loop van de twintigste eeuw gewoon waren gaan vinden, was volgens Glaeser in werkelijkheid een ‘pensioenzeepbel’, een tijdelijke periode met uitzonderlijk lage arbeidsparticipatie onder ouderen. Die zeepbel is geknapt.

En in Nederland? Ook hier is de deelname van 65-plussers op de arbeidsmarkt stijgende. Volgens Europese cijfers werkte in 2011 ruim 11% van de Nederlanders tussen de 65 en 69 jaar oud. In 2005 was dat nog 9%. Maar de Nederlandse vakbond ziet gepensioneerden nog altijd het liefst niets doen. Ouderen die als vrijwilliger de buurtbus besturen? De FNV is erop tegen en opende deze week het speciale Meldpunt Werkverdringing om deze misstand tegen te gaan.

Nederlandse ouderen horen blijkbaar niet achter het stuur, maar achter de geraniums.

(Column verscheen eerder hier)

Rentebeleid is niet geschikt om zeepbellen te bestrijden, zegt Yellen. Wie snapt haar nog?

(FD, 5 juli 2014)

De heren uit Bazel kunnen bazelen wat ze willen, Janet Yellen geeft geen krimp. De Fed-voorzitter zal het rentewapen niet inzetten om zeepbellen te bestrijden.

Dat legde Yellen begin juli uit in een speech bij het IMF. Het rentebeleid is er alleen om de inflatie en werkloosheid bij te sturen, vindt ze.

Eerder deze week had de in Bazel gevestigde Bank for International Settlements (BIS) nog voorzichtig gevraagd of het niet een beetje minder kon met het monetaire beleid. Centrale banken als de Federal Reserve, Bank of England, Bank of Japan en ook onze eigen Europese Centrale Bank houden de beleidsrente al jaren dicht bij de nul procent.

Dat is op korte termijn misschien goed voor het economisch herstel, maar de kunstmatig lage rente leidt ook tot zeepbellen op kapitaal- en vastgoedmarkten. De financiële stabiliteit komt in gevaar, vreest de BIS.

Met de Dow Jones-index boven de 17.000 punten, de Nederlandse obligatierente op de laagste stand ooit en een prijsstijging van Londense huizen van bijna 26%, voelt zelfs de meest optimistische analist inmiddels nattigheid. Yellen ziet het probleem niet. Sterker: het monetaire beleid van de Fed was juist gericht op het aanmoedigen van uitbundigheid op financiële markten, zegt ze. Het nemen van risico moest worden gestimuleerd. De rente moest omlaag zodat burgers en bedrijven weer risicovol zouden gaan investeren.

Haar voorganger Ben Bernanke legde eerder al uit dat hogere beurskoersen en huizenprijzen zorgen voor meer bestedingen en dat dit een belangrijk kanaal is voor het monetaire beleid van de Fed. Kort door de bocht samengevat: we blazen expres wat bellen, want dan stijgt de economie weer op.

Deze opvatting van de rol van monetair beleid verklaart veel van de wilde rit die de Amerikaanse beurs en economie de afgelopen vijftien jaar doormaakten. De Fed reageerde op iedere klap op de financiële markt met steeds ruimer monetair beleid, en legde zo telkens de kiem voor de volgende financiële crisis.

Toenmalig Fed-voorzitter Alan Greenspan deed het in 1998, toen, in de nasleep van de roebelcrisis, hedgefonds LTCM omviel. Greenspan verlaagde de rente agressief en blies zo de dotcombubbel nog verder op. Na het knappen van die internetzeepbel in 2001 verlaagde hij de rente opnieuw, nu zelfs tot 1%. Die lage rente maakte lenen goedkoop, dwong beleggers op zoek te gaan naar risicovoller rendement en was zo de opmaat naar de kredietzeepbel. Ook die zeepbel knapte.

Greenspans opvolger Bernanke bestreed de resulterende kredietcrisis van 2008 met een rente van vrijwel 0%. Op de beurzen was het al snel weer feest. De lage rente van de ene crisis is de brandstof voor de volgende crisis.

Schermafbeelding 2014-08-11 om 11.03.55

Zeepbellen bestrijden Maar Yellen vindt het prima zo. Rentebeleid is ongeschikt om zeepbellen te bestrijden, zegt ze. Het is als instrument veel te bot. Met lage rente zeepbellen opblazen kan wel, maar met hogere rente zeepbellen bestrijden lukt blijkbaar niet. Wie snapt Yellen nog?

In plaats van de rente heeft ze een ander instrument op het oog om de markten koest te houden: macroprudentieel beleid. Dat is het nieuwe toverwoord van centrale bankiers. Volgens Google Trends is deze term sinds de kredietcrisis snel populair geworden 

Macroprudentieel beleid probeert banken en andere financiële instellingen met regels en kapitaaleisen zoveel restricties op te leggen dat nieuwe zeepbellen uitblijven. Daar is op zich niets mis mee. Maar het idee dat in een wereld met kunstmatig lage rente een strenge toezichthouder genoeg is om irrationele uitbundigheid op markten te voorkomen, is onnozel.

Yellen bindt met haar lage rente de kat op het spek, en hoopt dat door maar vaak ‘Stoute poes!’ te roepen, het dier zich niet volvreet. Naïef.

Pak de graaiers!


Kijk, zo’n kabinet wil ons volk. Een kabinet dat veelverdieners terugfluit, graaiers aan de schandpaal nagelt en zakkenvullers leegschudt. Een regering die alle topsalarissen in de (semi-) publieke sector rücksichtslos met 25% kort.

Contractvrijheid? Marktconforme salarissen? Vanaf volgend jaar verdient niemand die de publieke zaak dient meer dan een minister. Het maximale salaris in de publieke sector — sinds 2013 130% van een ministerssalaris — gaat verder omlaag naar 100%. Van zo’n bruto jaarsalaris van € 144.108 kunnen ziekenhuisbestuurders, coöperatiebazen en universiteitsvoorzitters makkelijk rondkomen. Wie het niet bevalt, die zoekt z’n heil maar in de marktsector.

Minister Plasterk van Binnenlandse Zaken vat zijn besluit kordaat samen: ‘Niemand verdient dan meer dan een minister. Dat lijkt me verstandig.’ Hoe verstandig? Dat is niet onderzocht.

Er zijn doemdenkers — zoals bij de Raad van State — die vrezen voor de kwaliteit van het bestuur. Die vrees wordt op even opgewekte als feitenvrije wijze van de hand gewezen. Men schrijft: ‘Het kabinet heeft de verwachting, dat bij de voorgestelde verlaging van de norm nog steeds voldoende gekwalificeerde en deskundige topfunctionarissen gevonden kunnen worden. Het ontbreekt aan empirisch onderzoeksmateriaal waarmee deze verwachting gestaafd kan worden.’

U leest het goed: er is geen empirisch bewijs. Maar wie heeft dat nodig als je de gewenste uitkomst ook kunt verwachten? Kon de huidige minister Plasterk deze wetenschapsfilosofie maar delen met de vroegere wetenschapper Plasterk. Het had zijn geploeter in het lab zoveel eenvoudiger gemaakt als hij had geweten dat je resultaten niet hoeft te bewijzen, maar dat je ze ook mag verwachten.

Er is in het verleden wel onderzoek gedaan naar publieke salarissen. Dat gebeurde in 2004, onder leiding van Hans Dijkstal. Zijn commissie concludeerde dat de topsalarissen bij de overheid juist waren achtergebleven bij de marktsector, en dat, om te voorkomen dat hoge ambtenaren meer verdienen dan ministers, het ministerssalaris met 50% zou moeten stijgen. Maar aan loonsverhoging voor ministers durfde de politiek de vingers niet te branden. Met als gevolg de feitenvrije salariskorting van 25% voor topbestuurders waar Plasterk nu zo trots op is.

In werkelijkheid geeft deze generieke loonkorting vooral de onmacht van de overheid als werkgever aan. De onmacht om de maatschappelijke opbrengst van publieke bestuurders te meten en ze daar op af te rekenen. De onmacht om te differentiëren tussen goede en matige bestuurders. En de onmacht om slechte bestuurders snel en zonder grote afkoopsom te ontslaan.

We pakken ze allemaal aan, is de luie gedachtegang van het kabinet. Vertrekken de goede bestuurders dan naar de marktsector, en blijven alleen de slechte over? We verwachten van niet.

Ja, banken moeten nieuw kapitaal ophalen

In het FD van vandaag nam oud-minister Bert de Vries   de moeite om te reageren op een column van mij. Hij is het niet met mij eens. Maar ik ben het wel met hem eens! Hoe dat kan?

Ongetwijfeld door slordig formuleren. Door mij.

In mijn column had ik opgeschreven dat “Als banken meer kapitaal moeten aanhouden, ze minder kunnen uitlenen”. De Vries stelt terecht dat die bewering op zich niet klopt. Banken kunnen immers nieuw kapitaal ophalen, bijvoorbeeld door nieuwe aandelen uit te geven.

Daar ben ik het dusdanig mee eens, dat ik op 28 augustus 2013 een column schreef in het FD met de titel: “Alle banken naar de beurs”. Ik schrijf:

“Geef direct nieuwe aandelen uit! Desnoods tegen afbraakprijzen! Banken moeten hun buffers versterken, liefst met risicodragend eigen vermogen. Aandelen dus. Alleen dan wordt de schuldenhefboom van de bank korter. En alleen dan kan het pijnlijke proces van afboeken van slechte leningen beginnen. Het gezond maken van de Europese (en dus ook Nederlandse) banken begint met het uitgeven van nieuwe aandelen.”

Versterken van de kapitaalpositie door balansverlenging, dus. Maar de banken weigeren dat.  Ze doen het liever via balansverkorting. Ze willen de zittende aandeelhouders beschermen tegen verwatering en winsten blijven uitkeren. (Zie bv. de antwoorden van ING-er Nagel hier).

Uitgaande van die halsstarrige weigering schreef ik in de column waar De Vries op reageert:

“Nederlandse banken maak je sterker door ze te dwingen meer kapitaal aan te houden voor iedere euro aan hypotheeklening op de balans. (…) Maar als banken meer kapitaal moeten aanhouden, kunnen ze minder uitlenen en dat kost groei.” 

Daar had dus het zinnentje bij gemoeten: “Tenzij ze nieuw kapitaal ophalen, maar daar hebben de banken geen zin in.”

De Vries en ik zijn het eens. Nu de banken nog.

En de politiek, want uiteindelijk komen de banken alleen in beweging als ze verplicht worden op zoek te gaan naar nieuw kapitaal. Dat minister Dijsselbloem het een goed idee vindt dat ABN Amro winst uitkeert aan de aandeelhouder (hijzelf), in plaats van die winst te gebruiken voor versterking van de balans, geeft weinig hoop op een goede afloop.

Yo!

(Eerder hier)

Heeft u de Yo-app al op uw smartphone staan? Nee? Dan mist u het nieuwe toppunt van malligheid. Met de Yo-app kunt u andere Yo-appers een bericht sturen. Dat bericht is altijd: Yo. Een andere tekst is niet mogelijk.

Onzin? Uiteraard. Maar wel onzin van $ 1,2 mln, want dat bedrag staken investeerders al in de app die — ik herhaal het nog maar eens — alleen Yo stuurt naar andere gebruikers. Ik heb hem inmiddels geïnstalleerd en hij doet het echt.

Is de wereld helemaal gek geworden? Nee, dat gebeurt pas op 1 januari 2015. Dan lanceert de Nederlandse Belastingdienst zijn eigen variant van de Yo-app. Het is een app waarmee zzp’ers en opdrachtgevers elkaar digitaal ‘VAR’ kunnen toeroepen. Tot in den treure. Zodat ze geen tijd overhouden om te ondernemen.

VAR-webmodule, heet de Yo-app van de Belastingdienst. Deze module komt in de plaats van de papieren VAR-verklaring waarmee zzp’ers nu aan hun opdrachtgever kunnen bewijzen dat ze ondernemer zijn, en dat die dus geen sociale premies hoeft te af te dragen. Een zzp’er krijgt zo’n verklaring als hij of zij een vragenlijst invult. Hoeveel opdrachtgevers heeft de zzp’er? Wordt er reclame gemaakt? Is er sprake van een gezagsrelatie met de opdrachtgever? Alle zzp’ers vullen de lijst in, krijgen een VAR-verklaring en kunnen ondernemen. Het is een onzinnige bureaucratische handeling, maar levert maar beperkte irritatie op. 

Dat kan irritanter, dacht de wetgever en bedacht een webmodule die niet meer alleen door de zzp’er, maar ook door de opdrachtgever moet worden ingevuld. De opdrachtgever wordt medeverantwoordelijk voor het correct invullen. Iedere zzp’er zal dus met al zijn opdrachtgevers op internetdate moeten om de module samen in te vullen. Hoe meer opdrachtgevers, hoe meer tijd en moeite dat kost.

Vooral bij de vragen over de gezagsverhouding gaat het samen invullen problemen geven. Nee, er is geen gezagsverhouding, zegt de zzp’er, want uiteindelijk bepaal ik zelf wel wat ik doe. Ja, die is er wel, zegt de opdrachtgever, want ik ga me soms met het werk bemoeien en als het mij niet bevalt, gooi ik de zzp’er eruit. De bedrijfsjurist zal staan op een strakke interpretatie van de regels, want de opdrachtgever is medeverantwoordelijk. Ik voorzie ellende.

De overheid vraagt ons het onbenoembare te benoemen. Precies wat in een gezonde marktrelatie tussen opdrachtgever en -nemer, niet uitgesproken wordt: wie is eigenlijk de baas hier? Dat is geen economische, maar een juridische vraag. Het gaat in het economisch verkeer niet om wie de baas is, maar of er volgens afspraak wordt geleverd en betaald.

De VAR-module is bedoeld om schijnzelfstandigheid te bestrijden, maar dreigt te ontaarden in een potje zelfstandigen pesten. Overheid, verzin iets anders. Yo!

Harde heelmeesters, stinkende wonden

(Verscheen eerder in FD)

Wat wilt u? Sterkere banken of meer economische groei?* U moet kiezen, want beide is op korte termijn niet mogelijk.

Er zijn meer dilemma’s. Wilt u lagere private schulden, of hogere winkelverkopen? Minder huizen onder water of stabiele huizenprijzen?

Nederlandse banken maak je sterker door ze te dwingen meer kapitaal aan te houden voor iedere euro aan hypotheeklening op de balans. Private schulden worden lager als huizenkopers meer eigen geld mee moeten brengen. En het probleem van huiseigenaren met ‘onderwaarde’ verminder je door de hypotheekrente sneller af te bouwen, zodat aflossen meer loont.

Maar als banken meer kapitaal moeten aanhouden, kunnen ze minder uitlenen en dat kost groei. Sparen voordat je een huis koopt, zorgt voor uitgestorven winkelstraten. En nieuwe ingrepen in de hypotheekrenteaftrek zullen de huizenprijzen verder in het rood drukken.

Het lijkt een keuze tussen de lange en de korte termijn. Tussen de pijn nu nemen of hopen dat van uitstel afstel komt. Het juiste antwoord lijkt daarom: nu de banken versterken, de private schulden verminderen en de renteaftrek afbouwen. Op de tanden bijten, het doet maar even pijn.

Maar de economische werkelijkheid is ingewikkelder. Korte pijn kan tot chronische klachten leiden. Tijdelijk lage economische groei en dalende huizenprijzen schaden de bankbalansen en frustreren de pogingen van huishoudens om hun schulden te saneren. In de economie zijn het soms juist de harde heelmeesters die de patiënt met stinkende wonden achterlaten.

Vandaar dat de Nederlandse regering flink lobbyde in Brussel om snellere beperking van de hypotheekrenteaftrek uit de aanbevelingen van de Europese Commissie te krijgen. Met succes. En vandaar dat banken zich zorgen maken over de mogelijk strenge kapitaaleisen die de Europese Centrale Bank aan hun hypotheekportefeuille wil stellen.

Uit een nieuw boek van het Centraal Planbureau (CPB) blijkt hoe kwetsbaar onze economie is voor nieuwe tegenvallers op de huizenmarkt. Roads to recovery, heet het in het Engels geschreven boek dat woensdag verscheen. Een hoofdstuk gaat over de consument. Die heeft het zwaar te verduren gehad. Niet alleen daalde het beschikbaar inkomen gedurende de crisis — vooral door lastenverzwaringen —, ook de waarde van zijn huis ging veel sneller omlaag dan in de meeste andere eurolanden.

Schermafbeelding 2014-06-28 om 15.12.35

De huizenprijsstijgingen van voor de crisis hadden Nederlanders routinematig omgezet in hogere hypotheken (met renteaftrek) en extra bestedingen, waardoor de Nederlandse economie het beter deed dan die van vergelijkbare eurolanden. Toen de huizenprijzen gingen dalen, de extra consumptie uit overwaarde wegviel en veel Nederlanders opeens met spijt naar hun gloednieuwe keuken en luxe badkamer keken, viel de consumptie hard terug. Sindsdien doen we het slechter dan vergelijkbare eurolanden. Sinds juni vorig jaar dalen de huizenprijzen niet meer. Dat is een belangrijke voorwaarde voor herstel van de consumptie.

Schermafbeelding 2014-06-28 om 15.12.29

Het CPB-boek bevat een rekenvoorbeeld dat het effect van huizenprijzen op toekomstige  consumptie fraai illustreert. Stel dat alle Nederlanders met onderwaarde op hun huis extra gaan aflossen, zodat na acht jaar tijd de schuld gelijk is aan de waarde van de woning. Wat zou er dan met de consumptie gebeuren? Als in die acht jaar de huizenprijzen blijven dalen, met een half procent per jaar, neemt de consumptie af met bijna 5%. Zet stevig economisch herstel dan maar uit je hoofd.

Schermafbeelding 2014-06-28 om 15.12.42

Stijgt de huizenprijs met 3% per jaar, dan daalt de consumptie slechts met 0,7%. Bij een stijging van 4% hoeven de huiseigenaren zelfs helemaal niet extra af te lossen om hun onderwaarde weg te werken. De consumptie zal in dat geval niet afnemen.

Het IMF waarschuwt de wereld al weer voor nieuwe zeepbellen op huizenmarkten. Maar een klein beetje extra lucht in de huizenprijs zou het Nederlandse herstel nu goeddoen.

*) NASCHRIFT:  Een aantal lezers wees er op dat banken ook nieuw kapitaal kunnen ophalen. Bijvoorbeeld door nieuwe aandelen uit te geven. Dat klopt als een bus. Eerder heb ik daar ook voor gepleit. Maar de Nederlandse banken hebben er – spijtig genoeg – geen zin in. (zie ook deze discussie tussen Van Wijbergen en Nagel (ING)). Dan blijft alleen balansverkorting over, met alle schadelijke economische gevolgen van dien. 

Terug naar 1869

(het Financieele Dagblad, 18-6-2014)

Is Elon Musk de hipste ondernemer van dit moment? Het lijkt er wel op. Musk voelt de tijdgeest niet aan, hij ís de tijdgeest. Vorige week was het weer raak toen de 42-jarige ondernemer, miljardair en ceo van elektrische autoproducent Tesla, zijn patenten op straat gooide.

 Musk schreef op zijn blog dat iedereen die in goed vertrouwen technologie van Tesla gebruikt voortaan geen advocaat meer achter zich aan krijgt. Hij hoopt dat zo de ontwikkeling van de elektrische auto in een stroomversnelling komt. Patenten geven geen bescherming tegen concurrenten, meent Musk. Een patent is weinig anders dan een lot in een juridische loterij. Iets waar een gewiekste advocaat misschien nog eens een slaatje uit kan slaan.

Wie de concurrentie wil verslaan, moet de beste en slimste ingenieurs aantrekken, en die voelen zich prettig in een ‘open-source’ bedrijf, waar kennis wordt gedeeld, zoals Tesla vanaf nu is. Weg met het patent, leve open innovatie en samenwerking!

Hoe 2014 wil je het hebben? Luister naar Musk en je hipsterbaard begint spontaan te groeien.

Maar eigenlijk is het ook best ouderwets. De strijd tegen het patent is al anderhalve eeuw oud, en werd in 1869 zelfs al eens gewonnen. In dat jaar besloot het liberale kabinet Van Bosse-Fock de Nederlandse Octrooiwet buiten werking te stellen. De Tweede en Eerste Kamer stemden daar met grote meerderheid mee in. ‘Het octrooi bevordert noch de ware belangen van de Nijverheid, noch het algemeen belang’, schreef de regering in het Staatsblad.

Ook andere Europese landen overwogen, in deze bloeitijd van het liberalisme, om het octrooi radicaal af te schaffen, maar gingen uiteindelijk niet verder dan wetshervorming. De argumenten van de tegenstanders waren in de 19de eeuw verrassend gelijk aan die van nu. Octrooien zijn duur, overbodig, belemmeren vrijhandel en remmen concurrentie en technologische vooruitgang.

Was Nederland beter af zonder Octrooiwet? De resultaten zijn gemengd. Aan de ene kant vestigden zich hier direct veel gloeilampfabrikanten, die zo handig het Edison-monopolie konden omzeilen. Enkele daarvan werden later door Philips overgenomen, en in Eindhoven eten ze er nog altijd goed van.

Maar uit historisch onderzoek blijkt dat terwijl het aantal uitvindingen in de Nederlandse voedingsindustrie flink steeg, er in de textielindustrie juist minder uitvindingen werden gedaan. Innovaties in de instrumentenbouw bleven voor en na de afschaffing van het octrooi gelijk. Er is, kortom, geen eenduidige conclusie te trekken.

Onder druk vanuit buiten- en binnenland voerde Nederland in 1910 weer een nieuwe Octrooiwet in. We zijn nu weer een eeuw verder en de 19de-eeuwse discussie is weer helemaal levend.

Ik hoop op een nieuwe octrooiloze periode en klap voor Elon Musk. Hoe zou mij zo’n hipsterbaard staan?

Inkomens worden niet ongelijker

(verschenen in: Het Financieele Dagblad, 14-6-2014)

De chaos is compleet. Is de Nederlandse inkomensongelijkheid het afgelopen decennium nu wel of niet toegenomen?

Vorige week dinsdag stelde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat de inkomensverschillen stabiel en relatief klein zijn. Zelfs de crisis heeft niet geleid tot een toename in de ongelijkheid, schreef het CBS in het rapport ‘Welvaart in Nederland’.

Twee dagen later trok de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in het rapport ‘Hoe ongelijk is Nederland’, een heel andere conclusie. De grote meerderheid van de huishoudens ervaart wel degelijk “een toenemende ongelijkheid.” En: “het idee van een stabiele inkomensongelijkheid berust op een defecte maatstaf.”

Ik voorzie jaren met mislukte politieke debatten, waarin de VVD met CBS-cijfers zwaait, en de SP met WRR-grafieken wappert. Iedereen heeft gelijk, en niemand. Of valt er een objectieve keuze te maken tussen de analyses? Volgens mij wel.

Allereerst de maatstaf: het CBS gebruikt de Gini-coëfficiënt, een veelgebruikte indicator van ongelijkheid. Sinds 2000 bleef de Gini min of meer gelijk.

Schermafbeelding 2014-06-21 om 17.30.36

Andere CBS-indicatoren (hoe ze verschillen laat ik hier onbesproken), geven hetzelfde beeld. De Theil-coëfficiënt en de polarisatie-index daalden of bleven gelijk. Conclusie: geen groeiende ongelijkheid.  

Schermafbeelding 2014-06-21 om 17.32.10

Maar de WRR gebruikt wéér een andere indicator. Men wil vooral de veranderingen aan de randen van de inkomensverdeling beschrijven en gebruikt daarvoor de zogenoemde S10:S1-verhouding. Dat is de verhouding tussen het inkomen van de rijkste 10% en dat van de armste 10%.

Volgens het rapport is deze indicator sinds 1977 flink gestegen. Ook in deze eeuw neemt S10:S1 structureel toe. Sinds het begin van de crisis in 2008 is de verdeling tussen rijk en arm 5% schever geworden.

Is dat de verklaring van de verschillende conclusies, CBS en WRR gebruiken een andere indicator? Nee, dat is het niet. Want met de cijfers van het CBS kun je ook de S10:S1 berekenen.

Ik heb dat gedaan: de verhouding tussen het inkomen van de rijkste en armste 10% ligt continu rond de zeven. Geen stijging in zicht. In de grafiek ziet u de ontwikkeling van de S10:S1 volgens de WRR en het CBS. Volgens de eerste stijgt de ongelijkheid, volgens de tweede niet.

Schermafbeelding 2014-06-21 om 17.30.12

Wat is er aan de hand? De oorzaak van dit opvallende verschil ligt in de manier waarop men de rijkste en armste groepen indeelt.  Het CBS neemt de netto-inkomens, dus na belasting en subsidies, en corrigeert deze voor de huishoudsamenstelling. Gezinnen met één kostwinner worden zo vergelijkbaar gemaakt met tweeverdieners. Vervolgens worden die gecorrigeerde netto-inkomens op een rij gezet, van laag naar hoog. De armste 10% vormt de eerst groep (S1), de rijkste 10% de laatste (S10).

De WRR — en nu komt het — doet het net even anders. Men neemt eerst alle bruto-inkomens, en selecteert daaruit de 10% armste en 10% rijkste Nederlanders. Pas dan corrigeert de WRR voor belastingen en huishoud­samenstelling. Dat klinkt als een subtiel verschil, maar dat is het zeker niet. Mensen die behoren tot de groep met de laagste, ongecorrigeerde, bruto-inkomens, hoeven niet ook het laagste netto-inkomen te hebben. Studenten, zelfstandige ondernemers die een slecht jaar draaiden, gepensioneerden (die netto meer overhouden omdat ze minder sociale premies betalen), nemen de plaats in van de echte armen in de onderste inkomensgroep.

De WRR-cijfers laten zien dat de groep met het laagste brutoloon er netto minder op vooruit is gegaan dan de groep met het hoogste brutoloon. De CBS-cijfers tonen aan dat dit niet betekent dat de werkelijke inkomensverdeling tussen Nederlanders met een laag en die met een hoog netto-inkomen ook is verschoven.

Wie wil weten of het werkelijke verschil tussen arm en rijk in Nederland is toegenomen, moet naar de CBS-cijfers kijken, niet naar die van de WRR.

Deze zzp-er wilde in 2006 al bij het ABP

Er komt een speciaal pensioenfonds voor zzp-ers. En de uitvoerder is… APG. Dat is een afgesplitst onderdeel van ambtenarenpensioenfonds ABP. Alle zzp-ers  aan het staatspensioen!

Negen jaar geleden werd ik zelf zzp-er. In 2006 schreef ik een brief aan het ABP met het verzoek mij als lid van het pensioenfonds kon worden. Zo’n staatspensioen zou immers eigenlijk voor alle belastingbetalers toegankelijk moeten zijn, redeneerde ik.

Ik laat even in het midden of het wel een goed idee was, om bij het ABP te willen. Hieronder de twee columns die ik in 2006 voor (het inmiddels ter ziele gegane) FEM Business schreef over mijn correspondentie met het ABP.

 

imgres

Verschenen in: FEM Business 8 juli 2006

Ondernemer wil staatspensioen

Verbetering van het ondernemersklimaat. Dat zou een van de belangrijkste doelstellingen van het volgende kabinet moeten zijn. Met een zakkam en fileermes door alle bestaande wetten en regelingen heen gaan, op zoek naar factoren die het ondernemerschap ontmoedigen en belemmeren. Te beginnen bij de pensioenregels, want daar wringt de schoen pijnlijk – vooral voor de kleinere ondernemers. Een zelfstandige die fiscaalvriendelijk wil sparen voor zijn pensioen is op dit moment overgeleverd aan de lijfrenteboeren die met veel plezier zijn zuur verdiende spaargeld verbrassen aan beheerkosten, afsluitprovisies en andere onzin. Nog voordat er iets zinnigs met de inleg gebeurt is, is er al zo acht tot tien procent in rook opgegaan. Eerder dit jaar stelde VVD en PvdA voor om ook banken toe te laten op de lucratieve lijfrentemarkt. Zo zou het monopolie van de verzekeraars gebroken worden. Maar het is niet gezegd dat deze stap lijfrentes tot een goedkoper pensioenproduct zal maken.

Zelfstandige ondernemers zouden beter af zijn als ze – net als werknemers – terecht konden bij een pensioenfonds. De kosten zijn dan een stuk lager en beleggingsrisico’s worden collectief gedragen. Er worden wel pogingen gedaan een pensioenfonds voor zelfstandigen op te zetten. Bijvoorbeeld door Alternatief voor Vakbond (AVV) de nieuwe rebellenclub onder de vakbonden, die samen met een commerciële partij een pensioenfonds op wil zetten “voor alle werkenden die nu geen mogelijkheid hebben bij een pensioenfonds pensioen op te bouwen”.

Een prima initiatief, maar de oplossing is volgens mij eenvoudiger. Nederland heeft namelijk al een pensioenfonds dat de zoekende ondernemer aan een zorgeloze oude dag kan helpen: het ambtenarenfonds ABP, het grootste pensioenfonds van Europa, en de nummer twee van de wereld. Met een beheerd vermogen van 190 miljard euro en zo’n 2,6 miljoen klanten, kan het ABP zonder veel extra investeringen de spaarpotjes van tienduizenden – of misschien zelfs honderdduizenden –  kleine zelfstandigen beheren. Twee weken geleden werd het voormalige Algemeen Burgerlijk Pensioenfondsnog uitgeroepen tot ‘Best European Institutional Investor of the Decade’, dus Nederlandse ondernemers kunnen hun geld met een gerust hart aan de Heerlense fondsmanagers toevertrouwen. Ondernemen is al risicovol genoeg.

Er is maar een probleem met dit plan: het ABP accepteert alleen ambtenaren als klant. Daar is geen duidelijke reden voor, behalve dat het nu eenmaal zo in de statuten van het pensioenfonds staat. Het gevolg is dat Nederland zichzelf verbiedt om het pensioenprobleem van zelfstandig ondernemers op simpele wijze op te lossen. Maar misschien is de praktijk minder onnozel dan de theorie, en is het ABP – dat tenslotte met belastinggeld overeind wordt gehouden – bereid de maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen en het klantenbestand uit te breiden met kleine ondernemers.

Ik ben zelf ook zo’n zelfstandige die op zoek is naar een veilige en goedkope plek voor zijn pensioenbesparingen. Vandaag doe ik daarom een brief aan John Neervens voorzitter van de directieraad van ABP op de bus:

Geachte heer Neervens,

Al ben ik geen ambtenaar maar een kleine zelfstandige ondernemer, toch zou ik graag het pensioenvermogen dat ik de komende jaren hoop op te bouwen, in de vertrouwde handen van het ABP geven. Graag verneem ik van u welke stappen ik moet zetten om deelnemer van uw pensioenfonds te worden.

Met vriendelijke groet, et cetera.

 Ondernemend Nederland wacht het antwoord met spanning af. Ik houd u op de hoogte.

 

imgres 

Verschenen in: FEM Business 30 juli 2006

Wet Gelijkstelling Zelfstandigen

Het antwoord is ‘nee’. Het ABP wil mijn pensioentje niet beheren. Het ambtenarenpensioenfonds is zo vriendelijk deze negatieve boodschap in een beleefde, persoonlijke brief te vervatten, maar de mededeling is er niet minder duidelijk door. Het grootste pensioenfonds van Europa wil mij niet als klant.

De afwijzing komt niet als een verrassing. Ik ben nu eenmaal geen ambtenaar, maar een kleine zelfstandige. Het was dan ook tegen beter weten in, dat ik vorige maand een brief stuurde aan het ABP met de vraag of ik deelnemer kon. Kleine zelfstandigen zijn in Nederland voor hun pensioenbesparingen aangewezen op kostbare lijfrentepolissen. Het ondernemerschap wordt een stuk aantrekkelijker als ondernemers terecht kunnen bij een pensioenfonds. Bijvoorbeeld bij het ABP, dat door de overheid is opgericht en met belastinggeld wordt gefinancierd.

In theorie ziet het APB wel wat in die nieuwe, maatschappelijke rol. “U stipt een interessante kwestie aan”, begint de brief van waarnemend voorzitter van de directieraad drs. D.M. Sluimers hoopgevend. Maar dan volgt een lange opsomming van regels en wetten die mij – “helaas” -  toegang tot het ABP ontzeggen. De Wet Privatisering ABP (WPA), de statutaire doelstelling van het ABP, de Taakafbakeningsregeling Pensioenfondsen en de Pensioen en Spaarfondsenwet (PSW), alle rechtsgronden van het pensioenfonds spannen samen om mij als kleine zelfstandige buiten het ambtenarenfonds te houden.

Het is illustratief voor de wijze waarop we in Nederland het ondernemerschap benaderen. Met de mond wordt het grote belang van (kleine) ondernemers voor de Nederlandse economie beleden, maar als het er op aankomt, regelt de overheid de zaakjes voor werknemers veel beter dan voor zelfstandigen. Op deze manier maakt de politiek de ‘ondernemersval’ – de afname van inkomenszekerheid van een werknemer die besluit ondernemer te worden – onnodig groot. Het gevolg is dat bijna nergens in de wereld de lust om te ondernemen zo gering is als in Nederland. Onlangs bleek uit een internationaal onderzoek van het EIM dat slechts zes procent van de Nederlanders verwacht de komende drie jaar een eigen bedrijf te starten. Van de 25 onderzochte OESO-landen waren er maar drie met een nog lager percentage.

Hoogste tijd voor onconventionele maatregelen om de ondernemersval drastisch te verminderen. Niet met reparatiewetjes of subtiele aanpassingen van de regels, maar in één groot, allesomvattend gebaar. Nederland heeft een nieuwe wet nodig die zelfstandigen automatisch dezelfde rechten en faciliteiten toekent als werknemers. Noem het de Wet Gelijkstelling Zelfstandigen (WGZ) – want zonder drieletterige afkorting is een wet bij voorbaat kansloos. Verzint de overheid een spaarloonregeling voor werknemers? Met de WGZ in de hand kan de zelfstandige ook fiscaalvriendelijk sparen. Verlofsparen alleen voor werknemers? De WGZ verklaart de regeling automatisch van toepassing op ondernemers. Geen arbeidsongeschiktheidsverzekering? Met de WGZ als breekijzer verschaft iedere ondernemer zichzelf toegang tot de collectieve WIA (de opvolger van de WAO). Hoeven werknemers het inkomensafhankelijke deel van de ziektekostenverzekering niet te betalen? Dan de zelfstandige ook niet. Zelfs de WW zou dankzij de WGZ in principe toegankelijk worden voor zelfstandigen.

Voor een adequate oplossing voor pensioensparende ondernemers is nog een toevoeging aan de wet nodig. Collectieve regelingen die de overheid voor de eigen ambtenaren in het leven roept, staan automatisch open voor ondernemers. Of om in het drieletterige jargon te blijven: WPA en PSW worden buitenspel gezet door de WGZ. ABP, here I come!