EINDEJAARSFEUILLETON 2012: Eén minuut om de euro te redden

Dit jaar mag ik voor de vierde maal het Eindejaarsfeuilleton voor het Financieele Dagblad schrijven. Even helemaal los op het nieuws en de onzin van afgelopen jaar. Heerlijk om te doen, want hoe vaak krijg je de kans als journalist om volslagen fictie in de krant te krijgen? 

Voor wie het leuk vindt, zet ik de komende dagen mijn oude feuilletons om deze blog. Gisteren de eerste uit 2011. Vandaag het feuilleton van 2012, over dat cruciale moment in de eurocrisis dat jaar, toen de Bestuursraad van de ECB besloot in te stemmen met OMT.

We gaan naar 6 september 2012, Eurotower Frankfurt. De cruciale stemming over de toekomst van de euro is net begonnen…

Eén minuut om de euro te redden

Deel 1: De Spanjaard

Luis Mariá Linde zweet. Niet dat het zo warm is op de 36ste verdieping van de Eurotower in Frankfurt. Maar het hoge voorhoofd van de gouverneur van de Banco de España glimt en zijn bril beslaat. Hij doet hem af poetst de glazen met zijn zakdoek. Het pak van de gouverneur kriebelt en de boord van zijn strakke overhemd prikt in zijn nek.

Dit is pas de zesde vergadering van de Bestuursraad van de Europese Centrale Bank die Linde bijwoont. Begin juni volgde hij Miguel Angel Fernando Ordóñez op als hoogste man van de centrale bank van Spanje. Nu op 6 september, tijdens de belangrijkste ECB-vergadering in de geschiedenis van zijn land, is Linde de nieuwkomer in het gezelschap van de 23 mannen die de euro moeten redden. Vandaag is de dag waarop die redding moet slagen. Linde wrijft met zijn zakdoek in zijn ogen en zet zijn bril weer op, als hij voorzitter Mario Draghi hoort zeggen: “Ik stel voor dat we gaan stemmen”. De bril beslaat subiet weer.

“Stem voor, stem allemaal voor”, prevelt Linde binnensmonds. Het is een wens, maar ook een verwachting. Tijdens de bespreking van het voorstel van Mario waren er meer voorstanders dan tegenstanders. Het reddingsplan was tijdens de vergadering van begin augustus al even ter tafel gekomen, en ook toen viel het goed

Natuurlijk, de Duitsers is tegen, weet Linde. Die melkmuil van de Bundesbank begon voor de zoveelste keer met zijn hoogdravende en theoretische gezanik over onafhankelijkheid van de ECB en het verbod op monetaire financiering. Gelukkig snoerde Mario hem de mond voordat hij weer uit het EU-verdrag kon gaan citeren. ¡Qué estúpido!

Dan had die andere melkmuil, die uit Nederland, een meer verrassende bijdrage. Hij leek het zowaar oneens met zijn Duitse leeftijdsgenoot! Niet dat er aan zijn ingewikkelde betoog over ‘geloofwaardige controlemechanismen’ een touw viel vast te knopen. Maar misschien stemt hij voor Mario’s voorstel. Dan zou de Duitser alleen staan, en is er geen sprake van een pijnlijke tweedeling binnen de ECB, maar van een enkele dissident. Dat kan andere twijfelaars over de streep trekken.

Twijfelaars? Lafaards, is een betere term. Het is toch voor iedereen zonneklaar dat de monetaire unie op het punt staat uiteen te vallen. De financiële markten speculeren openlijk op een Spaanse exit euro. De rente die de Spaanse overheid moet betalen is tot ondraaglijke hoogte opgedreven. Spanje gaat kapot als de ECB met de armen over elkaar blijft zitten, en sleept de rest van de eurozone mee. De ECB moet aankondigen weer staatsschuld op te gaan kopen. Blaas de speculanten van de markt! We kunnen het, dus waarom doen we het niet?

O, wacht. De Duitser gaat stemmen. Tegen. Wat een domkop! ¡Cago en tu leche!

 

Eén minuut om de euro te redden

Deel 2: De Duitser

Nein, nein, nein! Ik doe het niet! Ik laat me niet dwingen door die stiekeme Italiaan met zijn eeuwige glimlach. De oude vos die in de jaren negentig als topambtenaar van Financiën met vage boekhoudkundige trucs eigenhandig Italië de euro in rommelde. Wil hij dat ik voor zijn voorstel stem om Spaanse obligaties op te kopen? Nein, nein, nein!

Het is een vernuftig voorstel, moet Jens Weidman, de jonge president van de Bundesbank, toegeven. De ECB belooft obligaties op te kopen, maar alleen als Spanje zich schikt naar de eisen van de Europese Commissie. Laat die zich maar zorgen maken over draaikonterij van de Spaanse politici, die de ene dag in Brussel harde hervormingen beloven, en de volgende dag aan de kiezers vertellen dat alles bij het oude blijft. Prima dat de ECB daar buiten blijft

Maar Weidmann kan niet voor Draghi’s opkoopprogramma stemmen. Hij zou geen leven meer hebben. De Duitse pers zou hem direct veroordelen als een nep-Duitser met zwakke knieën, die het land regelrecht de hel van de hyperinflatie in loodst. Daar zou hij op zich nog wel tegen kunnen. Hij is baas van de BuBa dankzij Angela Merkel. En wie Mutti aan zijn kant heeft is bijna onaantastbaar.

Bijna. Er is een groepje mannen dat zich van Merkel niets aantrekt: de oude garde van de Bundesbank. Enorme mannen in enorme pakken, al sinds de prehistorie in dienst van de centrale bank. Zij zijn de Bundesbank. Als je iets doet wat zij niet willen, gaan ze om je heen staan. Ze schreeuwen dat je het mis hebt. Dat de euro niet koste wat kost hoeft te worden gered. Dat Duitsland moet dreigen met uittreden uit de monetaire unie. Ze praten hard, met rode koppen. Ze staan zo dicht bij, dat je de haren in hun neus kunt zien trillen. ‘Geen inflatie!’, roepen ze. ‘Geen geldgroei’. Schuim staat op hun mond.

Weidmann rilt als hij terugdenkt aan die eerste dag op de Bundesbank. ’s Ochtends was hij nog een ambitieuze topambtenaar die de centrale bank het pragmatisme van de moderne tijd zou bijbrengen. ’s Avonds, na het indringende gesprek met de Buba-dino’s, ging hij naar huis als conservatieve ijzervreter. Sindsdien gaf hij op iedere suggestie om de euro te redden het voorgeschreven standaard antwoord: ‘Dat kan niet, want dan gaat de inflatie omhoog’.

Daarom kan hij niet voor Draghi’s voorstel stemmen. Hij kan het niet en hij durft het niet. Godzijdank stemt de meerderheid wel voor. Misschien zelfs ook de Nederlander. Hoe doet hij dat toch? Lopen er op De Nederlandsche Bank dan geen conservatieve inflatie-hooligans rond? Ah, kijk. Hij is net aan de beurt. “Voor”, zegt de Nederlander. Die durft

 

Eén minuut om de euro te redden

Deel 3: De Nederlander

Doe ik het? Ga ik echt voor een ongelimiteerd opkoopprogramma stemmen? Klaas Knot dubt tot het laatste moment. Een paar maanden geleden was hij nog tegen. Mordicus tegen. ‘Het opkoopprogramma is in diepe slaap: daar blijft het.’, had hij in een interview gezegd. Hij haalde er de wereldpers mee. ‘Als iemand Zuid-Europa moet helpen, dan andere overheden. Niet de ECB’, had hij er stoer aan toegevoegd

Die avond kreeg hij een telefoontje van Jens Weidman van de Bundesbank. ‘Gut gesprochen, Klaas!’ Ze hadden samen gelachen om de domme Spanjaarden die werkelijk dachten dat Noord-Europa de geldpers voor hen zou aanzwengelen. Het idee! ‘Dop je eigen boontjes maar, amigos!’, had Knot geroepen. Hij hoorde Jens aan de andere kant van de lijn hikken van het lachen. Twee dagen later werd er bij het Frederiksplein een doos vol Thüringse bloedworsten bezorgd, met een handgeschreven briefje van Jens: “Für mein Standhafter Freund”. Vrienden voor altijd.

Maar nu gaat hij breken met zijn Duitse strijdmakker. Hij loopt over naar team-Mario. Knot durft de Duitse bankpresident aan de andere kant van de enorme ronde vergadertafel niet aan te kijken. Wat zal de pers morgen over hem schrijven? Ze zullen me een draaikont noemen. Een flip-flopper.” denkt Knot. Zal ik toch maar tegen stemmen?

Nee, niet twijfelen. Ik ga de euro redden. Dit moet gebeuren. We moeten de markten leren dat de euro een blijvertje is. Ook in Spanje. Bovendien, denkt Knot, wie maakt me wat? Ik hoef binnen DNB geen tegenstand te vrezen. De meeste andere directieleden zitten er nog korter dan ik. En als iemand het met me oneens is roep ik gewoon ‘cultuurverandering!’ en degradeer hem tot bankbiljettenstrijker. Je bent verandermanager, of je bent het niet.

In Den Haag zullen ze ook niet moeilijk doen. Daar hebben ze wat anders aan hun hoofd. Rutte heeft zijn kabinet uit handen laten vallen. De amateur. En De Jager staat in de peiling op negen zetels verlies. ‘I am Dutch so I can be shunned”. Midden in de diepste crisis in vijftig jaar, zijn de holle vaten van Den Haag bezig met navelstaren. Dan moet ik het voortouw maar nemen.

Hij heeft zijn huid duur genoeg verkocht, overweegt Knot. Draghi heeft moeten beloven alleen obligaties op te kopen van landen die hulp aanvragen bij het Europese noodfonds. Na twee maanden stopt het opkoopprogramma automatisch. Dan gaat de trojka controleren of het land zich aan alle afspraken houdt. Pas na groen licht van de trojka wordt het opkopen herstart. Keiharde conditionaliteit. Een waterdicht systeem, denkt Knot niet zonder trots.

Hij gaat rechtop zitten, schraapt zijn keel en stemt voor. Vanuit zijn ooghoek ziet hij dat Draghi hem vaderlijk toeknikt. Met een klein lachje om zijn mond. Zo’n Goldman Sachs-lachje.

 

Eén minuut om de euro te redden

Deel 4: De Italiaan

Kijk ze zitten. De zwetende Spanjaard, de bange Duitser, de talmende Hollander en al die andere lokale bankpresidentjes. Mario Draghi laat zijn blik rond de vergadertafel gaan. Mijn pionnen, denkt hij met plezier. Op mijn schaakbord. Mijn geniale spel. Ik ben de grootmeester. Il Grande maestro internazionale.

Ze wilden stemmen over zijn nieuwe opkoopprogramma. En hij laat ze stemmen. Maar de uitkomst staat al vast. Het besluit over zijn omstreden programma wordt niet hier genomen. Dat gebeurde ruim twee maanden geleden, in Londen. Daar had hij het fait accompli gecreëerd. Onaangekondigd zei hij tegen een zaal met bankiers dat de ECB alles zou doen om de euro te redden. “En geloof me, het zal genoeg zijn!”, had hij er impulsief achteraan geroepen. Goed, dat laatste was misschien iets te dramatisch geweest. ‘Calma Mario, calma’, zou zijn Jezuïtische retoricaleraar hebben gezegd. Maar het had gewerkt. De volgende dag gingen de rentes van Spanje en Italië omlaag. Mijn woorden redden landen van de afgrond, had Draghi zich met een mengeling van genot en huiver gerealiseerd.

Draghi was koud terug uit Londen, toen Jens Weidmann belde. Wat hij aan het doen was. Of hij dacht dat de Bundesbank hiermee akkoord zou gaan. Dat het einde van de euro juist als een zwaard van Damocles boven Zuid-Europa moest blijven hangen, zodat ze daar eindelijk eens zouden bezuinigen. Draghi liet de Duitser uitrazen, hing op en belde meteen een ander nummer. Dat van het Bundeskanzleramt.

Merkel en hij waren er samen snel uit. De Kanzlerin snapte dat als Draghi de euro zou redden, zij dat niet hoefde te doen met Duits belastinggeld. Hij gaf haar de overwinning in de verkiezingen van 2013. Zij liet in ruil haar oude vriend Weidmann vallen. Er zou geen breuk komen binnen de ECB, maar een breuk binnen Duitsland, met aan de ene kant de Bundesbank en aan de andere kant de Duitse regering. Jörg Assmussen, het Duitse lid van Draghi’s ECB-directie zou het programma steunen, beloofde Merkel.

Toen hoefde hij alleen nog de Nederlandsche Bank naar zijn kamp te lokken. Goed dat daar tegenwoordig die nieuwe jongen zat, die kort geleden als ambtenaar op Financiën de eurocrisis had moeten managen. Zo iemand wist dat de politiek de euro nooit zou kunnen redden. Dat de ECB, het enige functionerende Europese instituut het moest doen. De belofte – hoe ongeloofwaardig ook – dat Draghi het opkopen zou staken als Spanje zich niet precies aan de afspraken hield, was voor Nederlander genoeg.

Kijk maar. De Nederlander stemt. Hij is voor. Iedereen is voor, behalve Weidmann. Maar die bangerik doet maar als of, weet Draghi. Die heeft de luxe van het overstemt worden. Wij redden vandaag de euro, en hij kan blijven spelen dat hij het zo niet wilde. Commediante! Tragediante!

Eindejaarsfeuilleton 2011: De Blokhut

In 2011 schreef ik mijn eerste Eindejaarsfeuilleton voor het FD. Dit jaar mag ik voor de vierde maal even helemaal los op het nieuws en de onzin van afgelopen jaar. Heerlijk om te doen, want hoe vaak krijg je de kans als journalist om volslagen fictie in de krant te krijgen? 

Voor wie het leuk vindt, zet ik de komende dagen mijn oude feuilletons om deze blog. Hieronder de eerste uit 2011. De eurocrisis was volle hevigheid uitgebarsten en leek door het totale gebrek aan politieke daadkracht van de Europese leiders, nauwelijks oplosbaar. De Europese Centrale Bank stond nog aan de zijlijn. Het “Whatever it takes” van Mario Draghi had nog niet geklonken. De situatie zag er hopeloos uit. 

 

De Blokhut (Eindejaarsfeuilleton FD 2011)

Deel 1: Naar de Poolcirkel

Wat is erger, de kou of de honger? De kou trekt uit de houten vloer waarop ik zit, steeds verder mijn lijf in. De honger zit van binnen en knaagt aan mijn ingewanden. Ik ben niet de enige die er zo bij zit, in deze blokhut die al meer als een doodskist voelt.

Om mij heen zitten zestien mannen en vrouwen. Allen even hongerig en koud. Nou ja, de Italiaan zal het nog kouder hebben, in zijn dunne maatpak. Zijn laatste maaltijd was minstens drie dagen geleden. Te horen aan haar zware gesnurk kan mijn grote Duitse vriendin de kou en honger nog wel lijden.

Maar ik kan niet slapen. Wat doen we hier, zeventien armzalige Europeanen? Wie heeft dit bedacht? Het antwoord is pijnlijk: ik was het zelf die de rampzalige expeditie op touw zette. Samen met de redactie van deze krant. Als ik mijn ogen sluit ben ik weer terug op die redactievergadering ergens begin december…

“We nodigen uit ieder euroland een burger uit voor een bijeenkomst over de toekomst van Europa”, stel ik enthousiast voor. De rest van de vergadering vindt het een prachtig idee. We kiezen een afgelegen plek buiten het eurogebied: een blokhut in de sneeuw van Noorwegen, net onder de poolcirkel.

Daar zullen we, buiten bereik van telefoon of internet, over de euro praten en onze Europese idealen herontdekken. Na een oproep op twitter hebben we de zestien Engelssprekende vrijwilligers zo bijeen. Ik ga zelf mee namens Nederland.

Het is geen gratis reisje. Vervoer wordt geregeld, maar de deelnemers moeten zelf voor eten zorgen. Bovendien zal iedereen specialiteiten uit zijn of haar land meenemen, om op oudejaarsavond met een groot diner het tienjarig bestaan van de eurobiljetten en -munten te vieren.

Er gaat een lange brief uit met instructies over voedsel, kleding en schoeisel. Alle deelnemers moeten schriftelijk beloven zich aan de strenge regels te houden.

Met kerst treffen we elkaar op het vliegveld van Oslo. Vandaar gaat het per bus de poolnacht in. We zijn bijna compleet. Alleen de Griekse deelnemer is niet komen opdagen.

Ik kijk rond in de bus en zie een divers gezelschap. De keurig geklede Italiaan is naast de mooie Spaanse gaan zitten. De kolossale Duitse dame, gekleed als een advertentie voor bergsportartikelen, met donzen jas, gevoerde broek en enorme bergschoenen, zit naast de magere Slowaak.

Achterin zie ik de vrolijke Ier praten met de jonge vrouw uit Slovenië. Voorin de bus staat de kleine Fransman. Hij is druk in gesprek met de chauffeur. Uit zijn Engels met dik accent maak ik op dat hij een kortere weg naar de blokhut weet. De norse chauffeur negeert zijn aanwijzingen.

Ik zit zelf naast een zwijgende Fin in volledig winteruniform. Hij heeft zijn warme muts en dikke wanten aangehouden. De krant heeft mij ook in degelijke winterkleding gestoken. Gelukkig maar, want de laatste tien kilometer naar de blokhut zullen we te voet afleggen. Door de sneeuw.

Ik kijk om naar de Italiaan in zijn maatpak, en zie aan zijn voeten dunne zomerschoentjes. Geen sokken. Zou hij de instructies niet hebben gelezen?

 

De Blokhut

Deel 2: De Duitse hutkoffer

De eerste kilometers die we te voet afleggen, kunnen we het spoor van een sneeuwscooter nog volgen. Daardoor schieten we flink op. De Ier zet er stevig de pas in en loopt voorop. In zijn kielzog de rappe Italiaan, die opgewekt rondjes cirkelt om de mooie Spaanse. Ze dragen allebei een kleine schoudertas. De Portugees probeert aansluiting te krijgen bij de kopgroep. In zijn hand een plastic tas van het vliegveld.

Ik loop er een flink stuk achter. Mijn enorme rugzak is zwaar en mijn bergschoenen zakken weg in de sneeuw. Ik richt mij op de Fin en de Oostenrijker vlak voor mij. Zij hebben meer sneeuwervaring en dragen hun minstens even grote rugzak met meer gemak.

Achter mij loopt de Duitse dame. Zij sleept een gigantische hutkoffer met zich mee, die haar pas flink vertraagt. De Fransman doet een charmante poging haar te helpen. De kopgroep verdwijnt al verder uit het zicht.

De laatste kilometers naar de blokhut zijn een ware martelgang. Voor de kopgroep omdat ze met hun dunne zomerschoentjes door een halve meter sneeuw moeten ploegen — de sneeuwscooter nam hier een andere weg. Voor de zwaarbepakte achterblijvers omdat die tot voorbij hun knieën in de verse sneeuw wegzakken.

Uiteindelijk bereiken we de hut. De Sloveense heeft in een mum van tijd het haardvuur aan. De Italiaan laat zijn voeten ontdooien. Iedereen zakt tevreden weg in de stoelen en banken rond het vuur. Tijd om te eten!

De Fransoos wil wel koken. Allemaal leveren we wat van onze meegebrachte proviand in. Het wordt een feestmaal. De hutkoffer van de Duitse blijkt tjokvol Duitse worsten te zitten, waarvan we er een paar roosteren boven het vuur. De Ier pakt een dozijn ‘Crubeens’ uit zijn tas, de traditionele gekookte varkenspoten, die de meesten van ons beleefd afslaan.

De Portugees heeft nauwelijks eten meegenomen. Alleen een paar repen chocolade, die hij op het vliegveld kocht. Vreemd, denk ik. Heeft hij dan niet gelezen dat we hier voor ons eigen eten moeten zorgen? De Italiaan brengt een kilo pasta in. Ik krijg de indruk dat er niet veel meer in zijn tas zit. En de Spaanse draagt een half brood bij. Ik zie wat scheve gezichten, maar als de Fransman zijn meegebrachte flessen wijn opentrekt, is dat snel voorbij. Het is laat als we de slaapzolder opzoeken.

De volgende ochtend wacht ons een verrassing: gebrul van een sneeuwscooter en dan een klop op de deur. De Griek is toch gekomen! Hij had de vlucht gemist, maar heeft zich in het volgende vliegtuig weten te praten.

Beneden aan de berg heeft hij net zo lang bij een Noor gezeurd tot die hem naar de hut bracht. Dat is een beetje vals spelen, maar we heten hem toch van harte welkom.

Maar waar is zijn bagage en proviand? “Mijn spullen staan nog beneden”, legt de Griek uit. “Ik heb zo veel lekker eten meegenomen, dat kon niet in één keer mee. Ik laat het snel brengen.”

Dat is mooi, want ik heb inmiddels onze voedselvoorraad geïnventariseerd, en het is veel minder dan gedacht.

 

De Blokhut

Deel 3: Honger

Hoe weinig eten we eigenlijk hebben, blijkt die avond al. De Fransman gaat weer koken en wil de hutkoffer met Duitse worsten openen. Maar die zit opeens op slot. “Eerst maar eens horen hoe jullie het voedseltekort willen oplossen”, zegt de Duitse dame kortaf. “Pas dan gaat het slot er weer af.”

Haar woorden leiden tot opgewonden rumoer. Er ontstaat direct een fikse ruzie over wie er zijn voorraad moet afstaan voor de maaltijd. De Ier biedt gul zijn gekookte varkenspoten aan, maar de groep slaat dat aanbod af. Verder komt niemand over de brug. We gaan hongerig en boos naar bed, met de afspraak om morgen over het probleem te vergaderen.

Niemand slaapt goed die nacht. Vanwege de honger, maar ook omdat er continu gefluister opstijgt uit het bed van de Duitse. Het klinkt als druk overleg, maar met wie praat ze? ’

‘s Ochtends is haar bed leeg en als we beneden komen, zit ze samen met de Fransoos aan tafel. “We zijn er uit”, kondigen ze tevreden aan. “Zo gaan we het doen.”

Dan volgt een ingewikkelde uitleg over rechten en plichten, schuld en boete. Uiteindelijk komt hun plan hierop neer: iedereen met voedsel zal daarvan een klein beetje in een speciale trommel doen, die beheerd wordt door een van de aanwezigen. (De Luxemburger biedt zich meteen aan als vrijwilliger.)

Wie hongerig is en zelf geen eten meer heeft, mag iets uit deze noodtrommel pakken. Maar alleen als hij of zij eerst buiten minstens een mand hout hakt of sprokkelt voor het vuur. Voor wat hoort wat.

“Tjonge, wat overdreven,” moppert de Portugees. De Italiaan en de Spaanse zien het ook niet zitten. Maar de Duitse dame houdt voet bij stuk. Even later loopt een groepje dun geklede Zuid-Europeanen met zaag en bijl de poolnacht in. De Ier blijft zitten, maar als we hem vertellen dat varkenspoot echt geen voedsel is, hobbelt hij toch achter de anderen aan. De Griek zegt lachend dat zijn enorme voedselvoorraad elk moment gebracht kan worden. Maar daar trappen we niet in. Ook hij wordt de snijdende kou in gestuurd.

Er wordt die dag in twee groepen gegeten. Aan mijn kant van de tafel ruilen we Duitse worst voor Hollandse kaas, Franse wijn voor Oostenrijkse chocolade en Finse zalm voor Sloveense ham. Aan het andere eind zit een groepje verkleumde houthakkers achter een armzalig plakje worst en een snippertje vis. ’s Nachts rommelen hun magen zo hard dat de anderen er wakker van worden. Het is niet bevorderlijk voor de sfeer op de slaapzolder en er vallen harde woorden.

De stemming daalt naar het nulpunt als de volgende ochtend blijkt dat een van de houthakkers de deur niet goed heeft dichtgedaan. Er zijn beesten in de blokhut geweest! Waarschijnlijk ratten, want de deur van de voorraadkast staat op een kier en de kaas, vis, ham en al het andere voedsel is aangevreten. Ze hebben zelfs een gat weten te knagen in de hutkoffer, en zijn er met een flink deel van de worst vandoor gegaan.

Buiten is inmiddels een stevige sneeuwstorm opgestoken.

 

De Blokhut

 Deel 4: Het Einde

Nu heeft bijna iedereen honger. De Duitse dame knabbelt bij wijze van ontbijt wat op een aangevreten worst. Ik peuzel van de restjes van mijn edammer kaasje. De Fin heeft nog een laatste stukje zalm gevonden. De rest kijkt watertandend toe. Er is maar één oplossing: vergaderen!

Dit wordt een belangrijke vergadering, weet iedereen. De Vergadering der Vergaderingen. Maar het draait uit op een teleurstelling. De hongerigen eisen een deel op van onze restjes. Wij weigeren met argumenten als: ‘Ja, dat zou een mooie boel zijn!’ en: ‘Dan nemen jullie de volgende keer weer geen eten mee!’

Dan komt de Ier met een plan. Tijdens een zoektocht naar hout heeft hij in de verte een lichtje gezien. Is het misschien een andere blokhut? Hij stelt een expeditie voor.

De Expeditie van de Dun Gekleden, schampert de Duitse als even later een groepje vrijwilligers de Ier naar buiten volgt, de donkere sneeuwstorm in. Maar de Fransoos heeft medelijden en leent zijn jas uit.

Na een barre tocht van meer dan een uur vinden de hongerigen de bron van het licht. Het is een grote blokhut die wordt bewoond door een Italiaan uit Frankfurt. Hij kocht het stulpje onlangs van een Franse pensionado. De Ier kijkt door een ruitje en ziet een grote tafel boordevol met eten: dikke plakken spek, hompen reuzel, enorme kazen. Aan het plafond hangen gerookte hammen, glanzend van het vet.

Ze kloppen aan. Een vriendelijke en gesoigneerde heer doet open. Hij luistert beleefd naar hun smeekbede om voedsel. Maar helaas, hij kan niets voor ze doen.

“Ik heb een overdaad aan eten in huis, maar het is allemaal ongezond voedsel”, legt hij vaderlijk uit. “Het is veel te vet. U zou er dik en vadsig van worden. Uw aderen zouden dichtslibben. Ga maar terug naar uw eigen hut. Af en toe een dagje vasten is gezond.” Hij slaat de deur dicht.

De terugweg is een helletocht, dwars door de striemende sneeuw, met bevroren vingers en tenen. De Griek wil opgeven. “Ik wil niet terug naar de hut”, schreeuwt hij. “Laat mij alleen naar het dal lopen. Ik red me wel.”

Maar de anderen slepen hem mee. Pas de volgende ochtend bereiken ze totaal verkleumd de blokhut. Daar blijken die nacht de ratten wederom te hebben toegeslagen. Er is geen kruimel eten meer over.

We hebben allemaal honger en niemand van de zeventien heeft nog energie om hout te hakken. ‘s Avonds dooft de kachel en neemt de nietsontziende kou de macht over in onze blokhut.

Het is inmiddels 30 december. Zeventien euroburgers wachten op het onvermijdelijke einde. Ons experiment is faliekant mislukt. Kwam het door de slechte afspraken? Of probeerden we iets wat niet kan: echte samenwerking smeden tussen Europeanen. Ik heb hongerdromen van enorme Amerikaanse hamburgers en bakken vol Chinees afhaaleten. Maar Amerikanen en Chinezen hebben hier niets te zoeken. Dit is het einde. We gaan er aan.

“Ik zie in de verte die Italiaan uit Frankfurt aankomen”, fluistert de Ier, die met zijn laatste krachten uit het raam tuurt. “Met een slee vol spek en ham.” De arme vent, hij ijlt.

Dalende werkloosheid is de meevaller van deze crisis

(Eerder hier verschenen)

Ze hebben zich duidelijk ingehouden, bij het Centraal Planbureau (CPB). Volgend jaar groeit de Nederlandse economie een kwart procentpuntje meer dan eerder werd gedacht. Het wordt in 2015 geen 1¼%, maar 1½%, zo bleek deze week.

De goedkope euro en de lagere olieprijs geven de economie een zetje in de rug. Of misschien wordt het wel een flinke zet, want het CPB heeft de meevallers niet bepaald overdreven zwaar mee laten wegen. Op basis van eerdere modelsimulaties, zou de dalende euro alleen al voor een extra impuls van een kwart procent of meer kunnen zorgen. Hetzelfde geldt voor de goedkope olie. Alles bij elkaar had de groeiraming voor volgend jaar zomaar richting de 2% kunnen zijn gegaan. Maar het gezonde economische verstand van het Planbureau liet zo’n euforische raming blijkbaar niet toe. Een zuinig kwartje erbij, meer zat er niet in.

Opwaartse revisie
In december 2013 verwachte het CPB niet meer dan half procent groei in 2015. Begin dit jaar ging de prognose omhoog naar 1¼, om deze week te eindigen op 1½%. Misschien is het patroon van opwaartse revisie van de 2015-raming wel de duidelijkste indicatie dat het weer wat beter gaat met de Nederlandse economie.

Zo voorzichtig als het Planbureau de groei opwaarts bijstelde, zo onstuimig paste men de werkloosheidsraming aan. In september ging het CPB nog uit van 605.000 werklozen medio 2015. Nu ligt die prognose 35.000 lager, op 570.000 werklozen.

Toegenomen bereidheid te werken
De werkloosheid daalt een stuk sneller dan het CPB eerder verwachtte. Dat is de grote meevaller van deze crisis. Normaal gesproken is er na een recessie minstens twee jaar van serieuze economische groei nodig, voordat de werkloosheid gaat dalen. Zo was dat in elk geval tijdens alle recessies sinds 1970. Ditmaal is er bij de eerste tekenen van herstel al direct sprake van dalende werkloosheid. Dat is goed nieuws.

Er valt nog meer goeds te vertellen over de arbeidsmarkt. Dat de werkloosheid de afgelopen jaren is gestegen – want dat is natuurlijk onmiskenbaar het geval geweest – komt niet alleen doordat veel mensen hun baan verloren. Een andere oorzaak is dat een steeds groter deel van de Nederlanders wíl werken. De toegenomen bereidheid en wens om deel te nemen aan het arbeidsproces, was de afgelopen zes crisisjaren goed voor de helft van de toename van de werkloosheid.

Nieuwe instromers
Dat vraagt wat extra uitleg. Eerst enkele begrippen: de verhouding tussen het aantal mensen dat werkt en het aantal mensen dat in theorie zou kunnen werken (alle Nederlanders tussen 15 en 65 jaar), noemen we de netto arbeidsparticipatie. Dat cijfer staat momenteel op 66%. Dat wil zeggen dat van alle Nederlanders tussen 15 en 65 jaar, 66% wel, en 34% niet werkt. In 2008 was de netto arbeidsparticipatie nog boven ruim 68%. De afname van de netto arbeidsparticipatie geeft aan er dat gedurende de crisis veel werkgelegenheid verloren ging.

Schermafbeelding 2014-12-19 om 20.59.01

Maar de bruto arbeidsparticipatie is gedurende de crisis juist gestegen. Dit percentage meet het aantal mensen dat werkt of wil werken (de werkenden plus de werklozen), ten opzichte van alle Nederlanders tussen 15 en 65 jaar. In 2008 stond de brute arbeidsparticipatie op 70,5%. Inmiddels is het bijna 72%. Een groter deel van de bevolking wil dus werken. Door de recessie vinden deze nieuwe instromers niet allemaal een baan, en mede daardoor liep de werkloosheid op.

Schermafbeelding 2014-12-19 om 20.59.09

Andere definitie
Hoe hoog was de werkloosheid geweest als de bruto arbeidsparticipatie niet was gestegen? Dat valt met behulp van cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) te berekenen. Het CBS hanteert een iets andere definitie van werkloosheid dan het CPB. Volgens die definitie telt Nederland nu 627.000 werklozen. Dat is 311.000 meer dan in 2008. Als de bruto arbeidsparticipatie sinds 2008 ongewijzigd was gebleven, bedroeg de werkloosheid nu 478.000. Dat is bijna 150.000 minder dan het werkelijke getal.

Schermafbeelding 2014-12-19 om 20.59.16

De helft van de werkloosheidsstijging tijdens de crisis komt dus door baanverlies, de andere helft doordat meer Nederlanders willen werken.

Kamp kiest het nieuwe Google

U wist het misschien niet, maar u bent een venture capitalist. U weet wel, zo’n snelle durfinvesteerder die speurt naar de Google’s, Facebooks en ASML’s van de toekomst. U verstrekt risicodragend kapitaal en stuwt zo de groei van de Nederlandse economie.

Wist u niet dat u dat deed? Dat kan kloppen, want de dagelijkse leiding van uw investeringsfonds is in handen van minister Kamp van Economische Zaken. Via zijn Dutch Venture Initiative (DVI) steekt u € 150 mln aan belastinggeld in innovatieve bedrijven in Nederland. Het DVI is een antwoord van Kamp op het gebrek aan risicokapitaal uit private bronnen. Sinds de kredietcrisis is het financieren van bedrijven blijkbaar een overheidstaak geworden.

Dat is wel even slikken voor een econoom. Een overheid die goede van slechte bedrijven kan onderscheiden, die de toekomstige successen kan voorspellen en blijkbaar weet welke kant het opgaat met de technologie, daar geloofden we toch niet meer in?

Voor een innovatieve economie heb je juist geen actief kiezende overheid nodig, vonden economen altijd. De overheid moet zorgen voor goede scholing, een degelijk wetenschapsbeleid en voor een betrouwbaar rechtssysteem dat eigendomsrechten garandeert. Na het scheppen van die randvoorwaarden moeten de ministers en ambtenaren een stap terug doen en met de armen over elkaar bewonderend kijken hoe de innovatiemachine van het vrije kapitalisme aan het werk gaat. Uitvinders bedenken fantastische producten, durfkapitalisten steken er risicodragend kapitaal in, consumenten kiezen precies wat ze willen en nodig hebben. De economie groeit en de welvaart stijgt, juist omdat de overheid zich er niet mee bemoeit.

Opgeleid in de jaren negentig, ben ik ook van die school. In het verleden verdiende ik een leuke journalistieke boterham met het schrijven van stukjes over onzinnige subsidies en misplaatst technologiebeleid. Nu hadden de meeste van de subsidies die het ministerie van EZ aan het bedrijfsleven uitdeelde, ook nauwelijks een betere wetenschappelijke onderbouwing dan homeopathie of bach-druppels, dus ik sta daar nog achter. Maar sinds de crisis waait de wind toch duidelijk uit een andere hoek.

Vorig jaar jaar verscheen The Entrepreneurial State van de Italiaanse econome Mariana Mazzucato. Het boek won in 2014 de Statesman Prize voor het beste politiek-economisch boek, en versloeg het tevens genomineerde Capital van Thomas Piketty. Volgens Mazzucato moet de overheid niet langer aan de zijlijn staan, maar de aanvoerder worden van het innovatieteam en innovatie financieren en initiëren.

Ik heb haar boek met rode oortjes gelezen. Maar moet er nog wel aan wennen. De overheid, die nog geen ICT-project met succes kan afronden, weet die echt beter welke technologie gaat winnen en welk innovatief bedrijf de nieuwe Google wordt? Ik houd mijn hart vast.

(column verscheen eerder in FD)

 

Van Lotringen laat mij rare dingen beweren over de robot

Als ze je in de eerste alinea “gerenommeerde journalist en econoom” noemen, dan weet je het wel: je gaat er van langs krijgen. Je ziet het verkeerd, je hebt het mis, je zit er volkomen naast.

Cees van Lotringen (een buitengewoon bekwame journalist, schrijver en managing-director) pakt het ook zo aan in zijn artikel op FTM, vandaag.

Van Lotringen reageert op een stukje van mij in het Financieele Dagblad van afgelopen zaterdag over dienstverlenende robots. (zonder betaalmuur hier). En ik reageer daar graag weer op.

Want Van Lotringen heeft niets van mijn verhaal begrepen.

Ik loop zijn beweringen even door:

Van Lotringen schrijft: “Hij [dat ben ik dus] laat ons weten dat we ons geen zorgen hoeven te maken over de opmars van de robot; ze zullen onze banen niet inpikken”.

Vreemd, want ik schrijf dat helemaal nergens. Mijn stukje ging niet over de vraag of robots banen inpikken.

Misschien dat Van Lotringen doelt op de zin waarin ik de inleiding van een robotrapport citeer: “De dienstenrobot heeft nog nauwelijks intrede  gedaan in ons dagelijks leven. Een stofzuiger, een grasmaaier, wat speelgoed, maar dat is het dan ook wel.” Dat citaat slaat op robots in huis. Niet op robot als banendief in het bedrijfsleven, zoals ik in de tekst duidelijk aangeef.

De dienstverlenende robot is juist wel te vinden in het bedrijfsleven ( daar gaat de rest van mijn stukje van zaterdag dan ook over). Ik beschrijf wat de robot daar doet, hoeveel er van zijn en hoe snel die opmars van de dienstverlenende robot gaat.

Als iemand daar al iets over banendiefstal in wil lezen, dan moet het de constatering zijn dat ik vind dat het snel gaat met de opmars van de dienstenrobot op de werkvloer.

Dat is ook wat er uit het geciteerde rapport van de International Federation of Robotics (IFR) blijkt. De komende jaren komen er jaarlijks maar liefst 33.000 dienstenrobots bij, verwacht IFR.

Maar volgens Van Lotringen schijft de IFR dat er jaarlijks “niet meer dan 33.000” zullen worden verkocht. Alsof ze de boel proberen te verhullen en ons “in slaap willen wiegen”.

Van Lotringen noemt de IFR daarom een “vooringenomen”, “waarschijnlijk onbetrouwbare” en “discutabele” bron voor informatie over robots.

Dat zijn nogal wat beschuldiging. Ik lees nergens een bewijs dat IFR zijn cijfers verkeerd voorstelt of expres onjuist presenteert. Wat weet Van Lotringen over deze bron dat ik niet weet? Opvallend is dat het IFR het nergens in het rapport heeft over “niet meer dan 33.000”. Men laat juist met enige trots zien dat het snel gaat met de introductie van de dienstenrobot.

Zou van Lotringen het rapport zelf eigenlijk wel gelezen hebben? Het zou zomaar kunnen van niet, want het is nogal kostbaar. Je moet eerst 575 euro overmaken voordat je hun twee robotrapporten in de mailbox krijgt. Ik heb dat geld er – na enig aarzelen – voor over gehad, omdat ik denk dat we pas aan de discussie over banen-stelende-robots kunnen beginnen als we de feiten kennen. Hoeveel robots zijn er? Wat doen ze? In welke sectoren? Hoe snel is de groei?

Precies daarom schreef ik dat (eigenlijk nogal saaie) stukje in het FD, afgelopen zaterdag. Om de cijfers te presenteren. Eerder deed ik hetzelfde voor de robot in de industrie. Eerst de feiten, dan de analyse. En pas dan conclusies trekken.

Ik heb geen betere en completere data kunnen vinden dan die van IFR. Geloof me, anders had ik die 575 euro wel op zak gehouden. Maar hou me aanbevolen voor vergelijkbare gratis cijfers uit andere bronnen.

Nog wat korte opmerkingen over Van Lotringens artikel:

Hij schrijft: “De discussie gaat – of zou moeten gaan – over defensie, maar vooral over industriële robots, die wél een exponentiële groei laten zien.”

Okay, daar ging dit eerdere FD-artikel dus over. Enkele lezers wezen mij er terecht op dat de dienstenrobot minstens zo belangrijk was voor de vraag of robots banen pikken, want de dienstensector is nu nog erg arbeidsintensief. Vandaar mijn tweede artikel.

 “Japan slaat op dat terrein wereldwijd de trom. (…) Nu zet de robotrevolutie zich voort. In de VS, maar vooral ook in China.”

Hier grafieken met de feiten (ja, van de IFR). Japan is groot in robots, maar China nog niet. Europa blijft achter, behalve Duitsland. Zuid-Korea heeft relatief de meeste. China komt (afgezet tegen het aantal werknemers in de industrie) pas op plaats 28. Nog achter Nederland, waar het ook niet echt wil vlotten.

Over eerdere technologische ontwikkeling schrijft Van Lotringen: “Het heeft onze levensomstandigheden sinds de uitvinding van de stoommachine verbeterd en voor hogere welvaart gezorgd. Voor Bouman is dat historische gegeven aanleiding voor een stevig vooruitgangsgeloof.”

Weer weet ik blijkbaar het antwoord al: de robot is goed. Niet zo lang geleden schreef ik een column met precies die vraag: kunnen we afgaan op de gunstige uitkomsten van voorgaande technologische revoluties.

Mijn conclusie (of eigenlijk juist gebrek aan conclusie): “ Is Asscher de nieuwe woordvoerder van het Amsterdamse handzaaggilde? Of is de robot echt anders dan de molen, tractor of pc? Ik denk het eerste, maar weet het niet zeker. De komende maanden ga ik op zoek naar het antwoord. Ik zal af en toe, maar niet te vaak, verslag doen van die zoektocht.”

Ik weet het dus juist nog helemaal niet. Mijn dienstenrobot-artikel was onderdeel van de zoektocht, die nog lang niet klaar is.

Van Lotringen schrijft: “Journalisten moeten hun lezers zowel het halfvolle als het halflege glas laten zien. De wereld is niet of in elk geval niet meer simpelweg wit of zwart.”

Okay, maar ze moeten eerst hun feiten en cijfers op orde hebben.

Van Lotringen: “Natuurlijk bieden robots de markt kansen, maar niet voor iedereen – en zeker niet voor mensen die laaggeschoold zijn, routinewerk doen en te maken hebben met werkgevers die de verleiding moeilijk zullen kunnen weerstaan om hen te vervangen door robots die 24 uur per dag werken, nooit om loonsverhogingen vragen, niet vertegenwoordigd worden door vakbonden en ook niet staken, zoals minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid recent terecht waarschuwde.”

Prachtig. Ik schreef precies over dat onderwerp in maart van dit jaar al deze column  in het FD. Geen antwoorden, maar een soort proto-analyse van de problemen die de robot voor de inkomensverdeling en arbeidsmarkt kan geven. Mijn eerste babystapje op een lange zoektocht.

Als het gaat om de toekomstige rol van de robot (en natuurlijk alle andere vormen van arbeidvervangende automatisering, maar robot bekt zo lekker) heb ik nog nauwelijks antwoorden. En ik heb nooit beweerd dat ik die wel heb. Van Lotringen – bekwaam, gerenommeerd – heeft een vreemd stuk geschreven.

 

 

De dienstverlenende robot is een Europeaan

Al die uren die ik dacht te hebben verspild met het lezen van science fiction-boeken (liefst de oude klassiekers, toen er nog echt wetenschap in SF zat), blijken tot mijn verbazing een uiterst nuttige tijdbesteding te zijn geweest. Ik dacht dat het nerdy escapisme was, maar in werkelijkheid bereidde ik mij op diep-filosofische wijze voor op de toekomst.

Computers die zo slim zijn dat ze zelfbewustzijn ontwikkelen? Robots die de mensheid de oorlog verklaren? Het zijn geen griezelverhalen meer, maar serieuze toekomstscenario’s. Althans, volgens ’s werelds bekendste natuurkundige Stephen Hawking. De ontwikkeling van volledige kunstmatige intelligentie kan het einde van de menselijke soort inluiden, vertelde Hawking de BBC. Hij vreest dat zo’n zelfdenkende machine zichzelf continu zal herprogrammeren, en zo uiteindelijk de mens van de troon zal stoten. Eerder dit jaar verwoordde de briljante ondernemer Elon Musk (Paypal, Tesla, SpaceX) soortgelijke zorgen.

Vijand?
Wordt de robot onze vijand? Of kunnen we er een behulpzame, intelligente vriend van maken? Kennis over elkaar is het begin van iedere vriendschap, dus in deze rubriek vandaag een poging om meer over de robot te weten te komen. Twee maanden geleden besprak ik op deze plek de industriële robot. Dat is meestal een eenarmige specialist, die nagelvast aan de fabrieksvloer staat. Die hoeven we niet te vrezen. Als we al ergens bang voor moeten zijn dan is het voor de allround dienstenrobot.

De International Federation of Robotics (IFR) publiceerde onlangs het rapportService Robots 2014. In de inleiding lees ik de nuchtere constatering dat de dienstenrobot nog nauwelijks intrede heeft gedaan in ons dagelijks leven. Een stofzuiger, een grasmaaier, wat speelgoed, maar dat is het dan ook wel.

De dienstverlenende robot is vooral in de professionele omgeving te vinden. Daar is hij meestal het dienstbare manusje-van-alles die vervelende en gevaarlijke klusjes opknapt voor de mens. De robot is druk met brandstoftanks en pijpleidingen schoonmaken, het poetsen van de romp van schepen en vliegtuigen, riolen inspecteren, mijnen opruimen en kerncentrales onderhouden. Hij doet sjouwwerk in magazijnen, blust brandjes, melkt de koeien en opereert patiënten. En af en toe landt er eentje op een komeet.

Dienstenrobots
In 2013 werden er wereldwijd 21.000 van dergelijke dienstverlenende robots verkocht. Dat was 4% meer dan in 2012. Voor de komende jaren verwacht IFR een forse versnelling van die groei. Gemiddeld zullen er tussen 2014 en 2017 jaarlijks ruim 33.000 dienstenrobots worden verkocht.

Schermafbeelding 2014-12-12 om 19.56.54

Vooral op de boerderij blijkt de robot al een gewone verschijning. In 2013 werden er bijna 6.000 landbouwrobots verkocht. Een flink deel daarvan kwam ongetwijfeld van het Nederlandse Lely vandaan waar ze zowel melk- als voederrobots produceren, maar het rapport geeft helaas heen uitsplitsing naar landen. IFR verwacht dat tussen 2014 en 2016 nog eens een kleine 34.000 landbouwrobots over de toonbank gaan.

Schermafbeelding 2014-12-12 om 19.56.04

In andere sectoren is de robot nog een zeldzaamheid. Zo werden er vorig jaar aan de schoonmaaksector maar 323 robots verkocht. Naar de bouwsector gingen er 650 stuks en naar de medische sector 1200. In logistieke bedrijven reden in 2013 bijna 1900 nieuwe robots rond.

Naast de landbouw is defensie de andere grootverbruiker van dienstenrobots. Vorig jaar werden er 9500 militaire robots verkocht, grotendeels (vliegende) drones. Dat is ongetwijfeld het type robots waarvan Hawking en Musk nachtmerries krijgen. Gelukkig dan dat er tussen 2012 en 2013 sprake was van een afname van het aantal verkochte militaire robots met 8%. Voor de komende jaren verwacht IFR ook geen enorme toename.

Europa spreekt een behoorlijk woordje mee in deze sector. Bijna 60% van de professionele dienstenrobots wordt in dit werelddeel geproduceerd. Europa is goed in het bouwen van robots voor zowel landbouw als militaire toepassingen. Uit Amerika komen ook veel dienstenrobots, maar dat zijn vooral drones voor het leger. Opvallend genoeg spelen Aziatische landen nauwelijks een rol van betekenis.

Schermafbeelding 2014-12-12 om 19.57.24

 

Verbod op bankbiljetten

Ongewone economische tijden vragen om ongewone oplossingen. Met de beleidsrente op nul en de inflatie daar nauwelijks boven, is het monetaire beleid van de Europese Centrale Bank vrijwel uitgewerkt. Maar in de strijd tegen deflatie en te hoge reële rente, is Mario Draghi bereid ver te gaan. Wij zullen doen wat nodig is, belooft de ECB-president. Het opkopen van grote hoeveelheden staatsobligaties, sluit Draghi daarom allerminst uit.

Of met zo’n opkoopprogramma de inflatie echt omhoog en de reële rente echt omlaag gaat, is overigens helemaal niet zeker. Maar volgens Draghi kun je onder de huidige omstandigheden beter te veel doen, dan te weinig.

Ferme taal. Maar erg fantasievol is zijn onconventionele beleid niet. Vorige week schreef ik al dat, als de ECB de bestedingen wil aanwakkeren, men beter oude auto’s kan opkopen dan staatsschuld. Deze week een aantal suggesties om de reële rente te verlagen.

De meest vergaande: schaf het bankbiljet af. Laat alle betalingen voortaan via elektronische weg verlopen en zorg zo dat alleen giraal geld nog waarde heeft. Momenteel voorkomt het bestaan van bankbiljetten dat de centrale bank de rente kan verlagen tot (ver) onder de nul. Als giraal sparen geld kost, zullen spaarders hun vermogen in bankbiljetten opnemen en onder het matras leggen. Het bankbiljet is een renteloos alternatief voor banktegoeden en dat maakt Draghi’s werk moeilijk.

Een verbod op betalen met het archaïsche papiergeld (waar hebben we dat nog voor nodig?) lost dat probleem in een keer op. Draghi hoeft dan niet te wachten tot inflatie zijn reële rente negatief maakt, maar kan daar zelf voor zorgen door de beleidsrente precies zo negatief te maken als hij nodig vindt.

Ja, dat klinkt behoorlijk geschift. Maar is het echt zoveel gekker dan het opkopen van enorme hoeveelheden Italiaanse staatsschuld? Kenneth Rogoff, voormalig hoofdeconoom van het IMF, noemde uitfaseren van papiergeld eerder dit jaar al het overwegen waard. (pdf)

Kunt u de knisperende bankbiljetten niet missen? Dan kan het ook op een andere manier. Laat iedereen die een bankbiljet bezit daar elk jaar een kleine belasting over betalen. Aanhouden van een € 100 biljet kost dan bijvoorbeeld € 2 per jaar. Dat levert in een keer 2% inflatie op, elk jaar weer. De inning van die belasting wordt natuurlijk lastig. Maar er is vast wel een onvervalsbare hologram-sticker te bedenken, die je moet kopen om je bankbiljet weer een jaar geldig te maken.

Of organiseer een bankbiljettenloterij. Ieder jaar wordt een deel van de bankbiljetten uitgeloot. Het unieke biljetnummer is een lotnummer! Winnende (of beter: verliezende) biljetten worden ongeldig als betaalmiddel. Dat levert gegarandeerde geldontwaarding op.

Het is inflatie zonder moeite, zonder opkoopprogramma en zonder ontploffende ECB-balans.

(eerst in FD)

 

 

Draghi koopt uw auto op

Vandaag gaan we Mario Draghi helpen. De president van de Europese Centrale Bank zoekt naar nieuwe manieren om de Europese economie uit het slop te trekken. De inflatieverwachting moet omhoog en de reële rente omlaag, vertelde Draghi afgelopen vrijdag op een congres in Frankfurt, zodat burgers en bedrijven meer geld uit gaan geven.

Maar hoe maak je mensen wijs dat de prijzen binnenkort flink gaan stijgen, als de inflatie nauwelijks boven de nul uitkomt? Dat lukt met een breed opkoopprogramma, denkt de ECB-president, met kwantitatieve verruiming. De ECB heeft al besloten om pandbrieven en Asset Backed Securities (ABS) te gaan opkopen. Maar mogelijk is dat niet genoeg. Draghi zei het niet letterlijk, maar de boodschap was duidelijk: de ECB maakt zich klaar voor het opkopen van staatsobligaties.

Helpt zo’n opkoopprogramma? Volgens Draghi wel, want het genereert direct lagere rente en meer aanbod van krediet. Europese bedrijven kunnen moeilijk lenen en moeten hoge rente betalen, opkopen van ABS kan daarom helpen. Het is een zwak argument. Bedrijven zijn misschien duur uit, maar dat geldt niet voor eurolanden. Spanje leent nu goedkoper dan de VS, Frankrijk betaalt minder rente dan het VK, Nederland is goedkoper uit dan Zweden. Verder verlagen van die rente is nergens goed voor.

Er is nog reden voor kwantitatieve verruiming, zegt Draghi. Opkopen van effecten doet de koersen van andere vermogenstitels stijgen, zoals aandelen en vastgoed. Het vermogen van beleggers neemt toe, waardoor hun leencapaciteit en hun uitgaven stijgen. Zo worden bestedingen gestimuleerd en de inflatieverwachting aangewakkerd.

Dat kan beter. Want beleggers zullen maar een klein deel van hun boekwinst uitgeven. Gewone burgers spenderen in de regel meer van onverwachte meevallers. Draghi’s eigen redenering volgend, zou hij daarom geen staatsschuld moeten opkopen, maar bezittingen van Jan en Jantien Modaal. Tweedehands auto’s bijvoorbeeld. Biedt € 5000 voor elke versleten Opel Kadett, € 10.000 voor iedere Toyota Aygo en € 20.000 voor elke opgevoerde VW Golf. Met zo’n Occassion Transaction Operation (OTO) maakt de ECB iedereen rijk en lopen de winkelstraten weer vol.

En begin dan ook meteen een grootschalig Longer term Unemployment Initiative (LUI); een grootschalige interventie op de Europese arbeidsmarkt, om de waarde van arbeid fors omhoog te krijgen. De ECB koopt in een keer het toekomstige levensloon van alle 18 mln Europese werklozen af. Zij beloven geen dag meer te werken, in ruil voor een basisinkomen van drie keer modaal. Gevolg: zowel bestedingen als inflatieverwachtingen nemen toe, want minder arbeidsaanbod betekent duurdere werknemers in de toekomst.

Denkt u dat ik gek ben geworden? Hou die gedachte vast, voor als Draghi binnenkort zijn opkoopprogramma voor staatsobligaties bekend maakt.

 

(verscheen ook in FD)

Bedrijven hebben bankkrediet nodig voor disruptieve innovatie

‘Nederlandse bedrijven moet afkicken van hun verslaving aan bankkrediet.Met die uitspraak verraste Boele Staal, de toenmalige voorzitter van de Vereniging van Banken, in 2012 de buitenwereld. Een barman die pleit voor geheelonthouding, dat valt natuurlijk op.

Staal vond dat bedrijven op zoek zouden moeten naar alternatieve financieringsbronnen. Vooral innovatieve projecten, die per definitie risicovol zijn, zouden in een wereld van strenge bankregels minder snel in aanmerking komen voor krediet, wist hij. Eigen geld of kapitaal van de investeerder, daar moest voortaan de innovatie van worden betaald.

De voorzitter zag het goed. Twee jaar later blijkt de kredietverlening van banken aan bedrijven flink gekrompen. Na een lange verslavingsperiode, waarin het uitstaande krediet steeg van € 196 mrd in 2003 naar € 341 mrd op de top in 2013, ging het cold turkey omlaag naar nu € 325 mrd. Dat is nog eens afkicken.

Schermafbeelding 2014-12-02 om 10.52.22
Helaas schiet het met die alternatieve financieringsbronnen, waar Staal zijn hoop op had gevestigd, nog niet echt op. Aan initiatieven geen gebrek. Met veel enthousiasme worden er nieuwe investeringsfondsen opgezet, kredietunies gesticht en crowdfundingsites gestart. De overheid kondigt wekelijks nieuwe garantieregelingen, subsidies en ‘venture initiatives’ aan. Allemaal buitengewoon sympathiek, maar de tientallen miljarden die nodig zijn om straks nieuwe groei te financieren, liggen nog lang niet op tafel.
Schermafbeelding 2014-12-02 om 10.52.33

Toch is vriend en vijand het er over eens dat afkicken van bankkrediet noodzakelijk is. Het Nederlandse bedrijfsleven heeft minder vreemd, en meer eigen vermogen nodig. Risicodragend vermogen, voor de nieuwe risicovolle, innovatieve investeringen waarmee we de groei weer op gang krijgen. En voor het geld moeten Nederlandse bedrijven niet naar de bank, maar naar de kapitaalmarkt, zo luidt de consensus op dit moment.

Voordat we de banken aan de kant schuiven, is het misschien slim naar de recente wetenschappelijke literatuur te kijken. Klopt het dat je een innovatief bedrijfsleven moet financieren buiten de bank om?

Deze week verscheen een uitgebreide literatuurstudie naar precies deze vraag. ‘Financing Innovation’, is de titel van de paper die Harvard-economen William Kerr en Ramana Nanda schreven. Hun verrassende hoofdconclusie luidt: voor de financiering van echte innovatie is vreemd vermogen, verstrekt voor banken, vaak beter dan eigen vermogen, opgehaald op de beurs.

Het gaat dan vooral om de aard van de innovatie. In perioden dat bankkrediet minder ruim wordt aangeboden, neemt niet zozeer het totale bedrag dat wordt uitgegeven aan innovatie af, maar de uitgaven aan experimentele, radicale en disruptieve innovatie. Bedrijven worden voorzichtiger en steken meer geld in innovatie die voortborduurt op eerdere uitvindingen.

Uit ander recent onderzoek, dat Kerr en Nanda noemen, blijkt dat juist innovatieve bedrijven goed bij de bank terechtkunnen, omdat zij hun patenten als onderpand kunnen gebruiken. Weer ander onderzoek laat zien dat ook start-ups, die nog geen onderpand hebben, profiteren van bankkrediet.

De beurs blijkt juist minder geschikt voor het financieren van radicale innovatie. Bij bedrijven die in de VS naar de beurs gaan, blijft het aantal nieuwe patenten weliswaar gelijk, maar de mate waarin die patenten echt vernieuwend zijn, daalt wel behoorlijk. Volgens de onderzoekers komt dat omdat beursgenoteerde bedrijven snel moeten presteren en het management op resultaten wordt afgerekend door de aandeelhouders. Voor risicovolle innovatie is dan minder animo. Het management wordt kortzichtiger na de beursgang, en volgt liever gebaande paden dan dat het nieuwe wegen inslaat.

De onderzoeken die de economen citeren hebben vooral betrekking op Amerikaanse bedrijven. Amerikaanse bedrijven zijn allerminst verslaafd aan bankkrediet, maar financiering via de kapitaalmarkt is in de VS veel gebruikelijker. Mogelijk zijn dus de conclusies niet een-op-een van toepassing op Nederland. Maar voordat we onze bankverslaving voor altijd afzweren, moeten we misschien toch even goed uitzoeken of we daarmee niet ons innovatievermogen schaden.

 

Het Abexperiment

Economen hebben geen laboratorium. Het effect van renteverlagingen, van extra overheidsuitgaven, van kwantitatieve verruiming — economen kunnen het slechts waarnemen in het veld. De ene helft van de economen zegt dat het werkt, de andere zegt van niet. Zonder gecontroleerd experiment blijven ze eeuwig ruziën.

Het was daarom buitengewoon vriendelijk van Shinzo Abe, dat hij vorig jaar besloot zijn hele land als laboratorium ter beschikking te stellen. Abe was net aangetreden als premier van Japan en besloot de adviezen van de ene helft van het economenvolkje tot in het extreme op te volgen.

De Japanse economie doet het al anderhalf decennium niet best. Sommige economen wijten dat aan de deflatie in het land, die maakt dat huishoudens te veel sparen en bedrijven te weinig investeren. Bovendien voorkomt het een vlotte sanering van Japanse schulden. Alleen met een combinatie van extra overheidsuitgaven en kwantitatieve verruiming middels een groot opkoopprogramma van de centrale bank, zou Japan de inflatie kunnen aanjagen en de economie weer aan de praat krijgen.

Abe ging met dit advies enthousiast aan de slag. Er kwam een groot stimuleringsprogramma en de Bank of Japan (BoJ) ging massaal staatsobligaties opkopen. Abenomics was geboren. Dat de Japanse staatsschuld daardoor oploopt tot 245% van het bbp en de balans van de BoJ in omvang verdubbelt, daar maakt Abe zich even geen zorgen om. Dat komt allemaal vanzelf weer goed als de groei terugkeert, had die ene helft van de economen hem uitgelegd.

Het Japanse experiment loopt nu zo’n anderhalf jaar en wat heeft Abenomics — of beter: ‘Abexperiment’ — tot nu toe opgeleverd? Van de afgelopen zes kwartalen waren er drie waarin de Japanse economie groeide, en drie met krimp. Dat is dezelfde score als Griekenland en Italië en slechter dan Frankrijk en Spanje. Met twee achtereenvolgende kwartalen met krimp is Japan deze zomer zelfs weer in een recessie beland. De inflatie is gestegen, maar dat lijkt de bestedingen niet aan te wakkeren. De koopkracht is door de inflatie uitgehold, dus consumenten blijven zuinig en bedrijven voorzichtig.

Japanse beleggers zijn wel tevreden, want zij zagen de beurskoersen bijna verdubbelen. En Japanse exporteurs juichen om de zwakke yen. Op de binnenlandse vraag heeft het beleid echter nog geen zichtbare invloed, en daar was het toch allemaal om te doen.

Maar Abe heeft begin dit jaar de btw verhoogd!, roept die ene helft van de economen. Daarmee heeft hij het experiment vervuild, want consumenten zijn door de hogere btw de winkel uitgejaagd. Een zwak excuus, want na anderhalf jaar extreem beleid zou de Japanse economie toch tegen een stootje moeten kunnen. Ik blijf het experiment met belangstelling volgen, maar ben stiekem blij dat het laboratorium niet in Nederland staat.

(verscheen eerder in FD)