Kabinet wil vertrouwen uitstralen, maar consument laat het hoofd toch hangen

Voor het eerst in een jaar is het consumentenvertrouwen weer gedaald. Landgenoten, wat is er met u aan de hand?

De werkloosheid daalt, de huizenmarkt herstelt, de koopkracht stijgt en het begrotingstekort gaat sneller omlaag dan gedacht. Maar de consument laat het hoofd hangen.

Ons kabinet hoeft zich niet langer nachtenlang op te sluiten in zweterige kamertjes, voor onderhandelingen over nieuwe bezuinigingen of de redding van weer een bank. Nee, de ministersploeg gaat een dagje uitwaaien in de tuinen van Landgoed Nijenhuis.

Daar lieten Rutte en Asscher zich interviewen in spijkerbroek en lamswollen trui. Casual kleding straalt zo’n prettige ontspanning uit: alles gaat goed, we liggen op koers. De nieuwe VVD-staatssecretaris Eric Wiebes had zelfs een versleten spijkerjekkie aangetrokken. Alleen een pakje zware shag in zijn borstzak en een button met ‘Atoomenergie? Nee bedankt’ ontbraken nog. (Het VVD-partijbestuur laat weten binnenkort een paar blauwe blazers bij Wiebes langs te brengen.)

Banen en groei, dat worden de speerpunten van het kabinet voor de komende tijd, zei Rutte na afloop. Slim gekozen, want volgens de laatste raming van het CPB trekt de groei in 2015 aan en daalt de werkloosheid sneller. Mocht dat echt zo uitpakken, dan heeft het kabinet dit succes nu al handig geclaimd.

Maar de Nederlandse consumenten kijken voorbij Landgoed Nijenhuis en zien de donkere wolken hangen boven Oekraïne en het Midden-Oosten. CBS-econoom Peter Hein Mulligen noemde de onzekere situatie in het buitenland als belangrijkste reden voor de plotselinge daling van het vertrouwen.

Die angst moet dan direct ook in de eigen portemonnee zijn geslagen. Meestal zie je zorgen over buitenlandse oorlogen alleen terug in de antwoorden die consumenten geven over het algemene economische klimaat. In augustus gingen ook de verwachtingen over de persoonlijke financiële situatie omlaag. Een meerderheid van de ondervraagden verwacht erop achteruit te gaan. Alsof het halve CBS-panel uit tomatentelers bestaat.

De aanhoudende crisis van de afgelopen jaren heeft de Nederlandse consument blijkbaar zo murw gebeukt, dat hij bij ieder negatief nieuws automatisch denkt: dat zal mij wel weer geld gaan kosten. Maar misschien is dat wel een te grove generalisering, want dé Nederlandse consument bestaat natuurlijk helemaal niet.

We zijn een divers volkje van optimisten en pessimisten. De onderliggende cijfers van het CBS-onderzoek naar het consumentenvertrouwen laten dat helder zien. Bijvoorbeeld: in het tweede kwartaal van 2014 waren er meer pessimisten dan optimisten in Nederland. Maar dat kwam alleen maar omdat relatief veel vrouwen geen vertrouwen in de economie hadden. Onder mannen hielden de optimisten en pessimisten elkaar dit voorjaar precies in evenwicht.

Schermafbeelding 2014-08-30 om 13.40.03

Dat is geen toeval: de afgelopen twaalf jaar waren vrouwen telkens pessimistischer dan mannen. Een enkele keer hadden beide seksen er even weinig vertrouwen in, zoals in het crisisjaar 2008. Maar in 2007, vlak voor de kredietcrisis uitbrak, stond het consumentenvertrouwen onder mannen op 10, en onder vrouwen slechts op 3. Wat zagen de vrouwen dat de mannen misten?

Nog groter dan de verschillen tussen de seksen, zijn de verschillen tussen generaties. Jongeren zijn in de regel een stuk optimistischer dan ouderen. Onder Nederlanders tussen 18 en 35 jaar oud is het vertrouwen het hoogst. Het gemiddelde consumentenvertrouwen van alle Nederlanders bedroeg tussen 2002 en 2014 min 19. Onder jongeren was dat in die periode gemiddeld min 6. De groep tussen 65 en 75 jaar oud heeft er met een gemiddelde van min 25 het minste vertrouwen in.

Schermafbeelding 2014-08-30 om 13.40.54

Ook opleidingsniveau speelt een grote rol. Hoe hoger de opleiding, hoe groter het consumentenvertrouwen. Academici scoren tussen 2002 en 2014 een gemiddelde van min 5. Nederlanders met alleen basisonderwijs komen gemiddeld uit op min 29.

Schermafbeelding 2014-08-30 om 13.40.35

Het patroon is duidelijk: jonge mannen met een academische titel zien de economisch toekomst zonnig in. Oudere dames zonder opleiding zijn juist somber. Gegeven hun kansen op de arbeidsmarkt is dat in beide gevallen — helaas — terecht. Daar zal dit kabinet weinig aan kunnen veranderen, al trekken alle ministers een spijkerjack aan.

(Eerder hier)

Nieuw Stabiliteitspact: geen boete maar tekortbelasting

In de praktijk geven eurolanden elkaar geen boetes. De schande van zo’n  sanctie doen ze elkaar liever niet aan. Bovendien komen de boetes pas zo laat in het proces ter sprake, dat een land er alleen maar verder door in de financiële nood wordt gebracht. Een preventieve werking gaat er niet van uit.

Het was de bedoeling van het Stabiliteitspact dat de hoge boetes zo afschrikwekkend zouden zijn, dat niemand de regels zou durven overtreden. In de praktijk blijken de boetes zo hoog (en stigmatiserend) dat niemand ze durft op te leggen.

Terug naar de tekentafel
Het Stabiliteitspact moet terug naar de tekentafel. We moeten terug naar de hoofdvraag: waarom moeten eurolanden elkaar eigenlijk straffen? De reden is dat landen in een monetaire unie last hebben van elkaars slechte begrotingsdiscipline.

Als een euroland te veel leent zorgt dat voor onrust op de financiële markten van alle eurolanden. De rente gaat omhoog, de wisselkoers daalt. Of andere landen moeten met eigen geld bijspringen om het probleemland te redden. Kortom: in een muntunie waait het slechte beleid van het ene land over naar het andere land.

Introductie tekortbelasting
Een te hoog tekort is dus geen kwestie van zonde en schuld, maar van overlast voor de buren. En met overlast weten economen wel raad. Overlast moet je weg belasten. Een vieze fabriek betaalt een milieuheffing, motoren worden schoner als je de wegenbelasting op vieze auto’s verhoogt, en  ‘begrotingsvervuiling’ pak je aan met een ‘tekortbelasting’.

Eurolanden mogen best een begrotingstekort hebben, zolang ze de tekortbelasting maar betalen. Bij kleine tekorten is de belasting laag –maar niet nul. Bij hogere tekorten loopt de heffing snel op, want dan neemt ook de schade voor andere eurolanden rap toe. De opbrengst van de belasting gaat naar Brussel, zodat de EU-afdracht voor landen zonder tekort omlaag kan.

Een land met hoge werkloosheid en een activistische regering kan er gewoon voor kiezen om de economie een extra zet te geven met expansief begrotingsbeleid. Het is niet verboden, maar kost  wel wat extra tekortbelasting.

De tekortbelasting wordt automatisch geheven. Er gaat geen vergadering van Europese ministers aan vooraf. Niemand hoeft zijn buurman te straffen.

Geen gezichtsverlies
Betalen van belasting zorgt niet voor gezichtsverlies. Alle landen met een tekort moeten betalen, zij het dat het land met het grootste tekort de hoogste (progressieve) heffing krijgt opgelegd. In plaats van een boete die nooit wordt uitgedeeld, krijgen we een belasting die altijd wordt betaald.

De kosten van een begrotingstekort gaan omhoog. Landen worden voorzichtiger en kunnen de schade van slechte begrotingsdiscipline niet meer afwentelen op de
buurlanden.

Bijkomend voordeel: de monsterlijke begrotingsindustrie in Brussel kan worden opgedoekt. Geen nachtelijke vergaderingen meer over het tekort van Portugal of Frankrijk en geen metersdikke rapporten over de staatsschuld van Italië.

Zoetzuur

Extra uitgaven! Lastenverlichting! Voor het eerst in vijf jaar gaat het in Den Haag eens niet over bezuinigen en hogere belastingen.

De economie groeit nauwelijks, maar het begrotingstekort daalt sneller dan gedacht. Er is eindelijk weer ruimte voor nieuw beleid. Met de verkiezingen voor de Provinciale Staten (en de Eerste Kamer) in aantocht wapperen zowel de regeringspartijen als de drie ‘geliefde oppositiepartijen’ enthousiast met hun wensenlijstjes.

Vergeet de ellende van de afgelopen jaren, 2015 wordt het oogstjaar. Het zoet is eindelijk gekomen.

Dus gaan we ‘investeren in werk’, zoals dat in Den Haag heet. De lasten gaan met een half miljard euro omlaag, en als het aan D66 ligt komt daar voor de middeninkomens nog wat bij. Ook defensie krijgt miljoenen extra. We hebben snel nieuwe bommen en granaten nodig, want de Russen komen toch.

Wordt 2015 echt een zoet jaar? Vergeet het maar. Ook volgend jaar zal het zuur overheersen. Want terwijl Den Haag praat over extra uitgaven en lagere lasten, wordt 2015 toch gewoon weer een jaar van bezuinigen en lastenverzwaring. Dat komt doordat er nog veel maatregelen in de pijplijn zitten.

Het totaal van tekortreducerende maatregelen, zoals het Centraal Planbureau de som van bezuinigingen en lastenverzwaringen noemt, bedraagt in 2015 maar liefst zeven miljard euro.

Zes miljard daarvan komt direct voort uit de plannen van het huidige kabinet. Volgens de afspraken uit het regeerakkoord wordt 2015 het jaar van de grote klapper. In geen ander regeerjaar van Rutte 2 is het geplande pakket aan ombuigingen zo groot.

Nog eens twee miljard aan maatregelen in 2015 komt nog uit het regeerakkoord van het eerste kabinet-Rutte. U herinnert zich dat nog wel: dat kabinet van VVD en CDA met gedoogsteun van de PVV. Rutte 1 kwam in april 2012 ten val, maar de aangenomen en goedgekeurde bezuinigingen en lastenverzwaringen die voor 2015 in de planning stonden, worden nog gewoon uitgevoerd. Voor Den Haag is het al lang geschiedenis, voor de rest van Nederland nabije toekomst.

Na de val van Rutte 1 moest er snel een noodbegroting worden opgesteld voor 2013. Dat lukte met de hulp van D66, GroenLinks en de ChristenUnie. Een deel van de maatregelen uit dat zogenoemde Kunduz-akkoord waren tijdelijk. In 2015 loopt er voor ongeveer een miljard aan Kunduz-bezuinigingen af. Per saldo resulteert er voor volgend jaar daarom een pakket aan ombuigingen van zeven miljard euro. Dat is net zo veel als de hele jaarlijkse defensiebegroting en twee keer zo veel als de jaarlijkse inkomsten uit motorrijtuigenbelasting.

Ik snap dat de politiek het eindelijk weer eens over uitgaven en lastenverlichting wil hebben. Maar 2015 wordt gewoon weer een jaar van schrapen en snijden.

(Eerder hier)

 

Europese Decentrale Bank

De Ieren zijn boos, de Duitsers verontwaardigd, maar in Nederland is nog geen echte rel ontstaan. En dat terwijl onze soevereiniteit op het spel staat! We krijgen minder te zeggen over het beleid van de Europese Centrale Bank (ECB).

De Ierse krant The Independent schrijft over de ‘woedende reacties’ op het besluit om het stemrecht binnen de ECB-bestuursraad vanaf 1 januari 2015, als Litouwen als achttiende land de euro zal invoeren, te laten rouleren. De bankpresident van Ierland mag dan niet meer iedere vergadering mee­stemmen.

Een slechte dag voor Ierland, concludeert een Ierse politicus. Een andere stuurde een boze brief naar de ECB waarin hij het stemrecht terug eist.

Ook Duitsland is boos. Een Beierse CSU-politicus noemt de nieuwe stemregels een gevaar voor Duitsland. De liberale FDP eist permanent stemrecht voor Duitsland. En het eurosceptische Alternative für Deutschland wil zelfs vetorecht voor de Bundesbank.

In Nederland blijft het tot nu toe bij wat rumoer op perifere internetfora. We houden zowaar het hoofd eens koel. Gelukkig maar, want de Ierse en Duitse ophef is nogal overdreven.

Allereerst komt de boosheid ruim een decennium te laat. Al in maart 2003 besloten de EU-regeringsleiders dat het stemrecht van de leden van de ECB-bestuursraad op termijn zou gaan rouleren. De vijf grote landen (waaronder Nederland) zouden soms, en de kleinere landen wat vaker, hun stemrecht verliezen. De zes bestuursleden van de ECB zelf, inclusief de ECB-president, zouden wel altijd mogen stemmen.

De Ierse en Duitse boosheid laat bovendien zien dat de politici het EU-Verdrag niet kennen. De nationale bankpresidenten mogen bij de ECB niet voor de belangen van hun eigen land opkomen, maar moeten het belang van de unie als geheel behartigen. Dat is hun plicht.

Ierland noch Duitsland heeft formeel een eigen stem bij de ECB. Natuurlijk werpen de bankpresidenten hun nationale kleuren in de praktijk niet zo makkelijk af. Maar dat sommige bestuursleden zich niet aan hun opdracht houden, is eerder een reden om ze minder, dan meer stemrecht te geven.

Wat mij betreft gaan de nieuwe stemregels dan ook lang niet ver genoeg. Met vijftien stemmende bankpresidenten en zes permanent stemmende ECB-bestuurders heeft de monetaire unie nog altijd een bestuurlijk waterhoofd.

Bovendien is de macht scheef verdeeld: de regionale bankpresidenten hebben de meerderheid, de ECB-bestuurders zijn in de minderheid. ‘Europese Decentrale Bank’ zou een betere naam zijn voor de ECB.

De Amerikanen kwamen na de krach van 1929 tot de conclusie dat je een centrale bank maar beter centraal kunt leiden. Sinds 1935 hebben de regionale presidenten nog maar vier van de tien stemmen in het beleidsbepalend comité. Daar moeten we in Europa ook naartoe, hoe hard de Ieren en Duitsers ook tegenstribbelen.

(Eerder hier verschenen)

Redt de actie ‘Eet een peer tegen de Russische beer’ de Nederlandse fruitteler?

De Russische sancties gaan Nederland bakken met geld kosten. Misschien belanden we zelfs weer in een recessie. In elk geval zal Nederland voor €549,5 mln aan export verliezen, rekende de Volkskrant vrijdag voor.

Dat laatste getal is van een onnozele precisie. Op een half miljoen euro nauwkeurig schatten hoe groot de exportschade van de Russische boycot zal zijn, lukt alleen als je blind de exportstatistieken van het Centraal Bureau voor de Statistiek overtypt. Want €549,5 mln is het bedrag dat Nederland aan export misloopt, als we alle voor Rusland bedoelde voedingsmiddelen linea recta in de verbrandingsoven gooien.

Dat zou idioot zijn, want onze tomaten, kaasjes en karbonades zijn vast nog wel elders op de wereldmarkt te slijten. De wereldmarkt is een waterbed: als de Russen het matras aan een kant omlaag drukken, gaat het bed elders weer omhoog.

Hoogleraar plattelandsontwikkeling Dirk Strijker is aanhanger van die waterbedtheorie. Hij stelde: ‘De Russen zullen wel blijven importeren, maar dan uit andere landen. Die landen laten dan weer een gat in de markt vallen. Uiteindelijk ontstaat er dan weer een soort evenwicht.’

Dat klinkt hoopvol. Vraag en aanbod komen uiteindelijk weer bij elkaar. Daar zorgt het prijsmechanisme wel voor. Maar deze redenering is minstens zo ondoordacht als die van de Volkskrant. Want wanneer is precies ‘uiteindelijk’? En wat is er in de tussentijd met de prijs van producten gebeurd? Een paar dagen boycot hebben de tomatenprijs al doen kelderen. Daar hebben ook tomatentelers die niet aan de Russen leveren enorme last van. Mogelijk is de schade op korte termijn dus zelfs veel groter dan die €549,5 mln.

Het echte antwoord is dus: we hebben geen idee wat de schade zal zijn. Er zijn te veel onbekende factoren. Zelfs voor een enkel exportproduct valt vooraf geen schaderapport op te maken.

Ik geef een voorbeeld: de peer. Telers van deze vrucht lijden potentieel enorme schade door de boycot, want Rusland is een van de grootste afnemers van Nederlandse peren. Tussen 2008 en 2011 exporteerden we gemiddeld 46 miljoen kilo peren naar Rusland. Dat is ruim 13% van de totale export. Ter vergelijking: van de Nederlandse appels gaat nog geen 7% naar Rusland.

Schermafbeelding 2014-08-16 om 13.37.49

Mede door de Russische honger naar peren is Nederland een perenland geworden. Sinds vorig jaar is er meer Nederlandse grond beplant met perenbomen dan met appelbomen. In 2000 waren er nog ruim twee keer zoveel hectaren met appelbomen.

Schermafbeelding 2014-08-16 om 13.37.57

De peren-‘boom’ zorgde overigens niet voor meer perentelers. Integendeel: het aantal perenbedrijven daalde sinds 2000 met 35% tot pakweg 1460.

Schermafbeelding 2014-08-16 om 13.38.05

Dat zijn 1460 fruitondernemers die hard geraakt worden door de Russische boycot. Wat gebeurt er als de voor Rusland bestemde peren op de Europese markt terechtkomen? De prijs zal ongetwijfeld dalen, dus de vraag zal stijgen.

Maar hoe gevoelig is de perenvraag voor prijsdalingen? Nauwelijks, zo blijkt uit onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Als de prijs van peren met 1% daalt, neemt de vraag met nog geen 0,25% toe. De perenvraag is inelastisch, zeggen economen dan. Het prijsmechanisme werkt daardoor zeer stroef. De prijs zal flink moeten dalen voordat Strijkers’ ‘uiteindelijke evenwicht’ weer is gevonden. Ook perentelers die niet aan de Russen leverden, worden hard geraakt.

Kunnen ze dan niets doen? Jawel. Anders dan tomaten zijn peren goed houdbaar. De hele oogst kan gekoeld zo een jaar worden opgeslagen. Op die manier valt het overaanbod te bestrijden. Bovendien zullen perenhandelaren proberen de Nederlandse peer om te toveren in bijvoorbeeld een Turkse of Japanse peer, die wel welkom is in Rusland. Met een tussenstop in zo’n land verandert een lading fruit eenvoudig van nationaliteit.

En wie weet ontstaat er in Nederland wel een gevoel van camaraderie, waardoor iedereen een peertje extra eet. Een nationale actie ‘Eet een peer tegen de Russische beer’, zou zomaar kunnen slagen.

De uiteindelijke conclusie moet zijn dat er vooraf werkelijk niets valt te zeggen over de schade van de sancties. Het wordt een kwestie van achteraf meten, vrees ik. Dat is in de economie wel vaker het geval.

(verscheen eerder hier)

Doorwerken

Nee, een salaris kreeg hij niet. Maar dat vond de beheerder van de Desert View Campground, aan de oostkant van de Grand Canyon, geen probleem. Hij ontving al tien jaar een heel aardig pensioen, dus deed zijn werk graag als vrijwilliger. Na zijn pensionering was hij eerst thuis gaan zitten. Maar van niets doen ga je dood, wist hij. Van werken blijf je leven.

Het is altijd riskant, zo’n eerste column na een vakantie. Voor je het weet val je de lezer lastig met onbenullige vakantiewaarnemingen. Ik waag het er toch maar op, want tijdens mijn trip door het zuidwesten van de Verenigde Staten viel het me telkens weer op: het grote aantal werkende ouderen. De boodschappeninpakker, de hotelklerk, de buschauffeur, de ranger van het National Park en dus ook de campingbeheerder, allemaal waren ze de 65 jaar ruim gepasseerd.

Is het Amerikaanse pensioensysteem dan zo beroerd, zijn de ziektekosten en private schulden zo hoog, dat een rustige oude dag alleen voor de allerrijkste Amerikanen is weggelegd?

Volgens de officiële cijfers werkt een kleine 19% van de Amerikaanse 65-plussers. Dat is bijna een verdubbeling ten opzichte van dertig jaar geleden. Velen werken ongetwijfeld door uit financiële noodzaak. Pensioenen zijn vaak karig en veel Amerikanen hebben helemaal geen geld gespaard.

Maar de oudere werknemers met wie ik een praatje aanknoopte, hadden het zelden over de noodzaak om te werken, maar vooral over plezier in het werk. Misschien hielden ze zich groot, maar hun antwoorden komen overeen met eerder onderzoek. In 2008 vroegen Amerikaanse onderzoekers een groep werkende ouderen naar hun redenen om door te werken. ‘Anders heb ik te weinig inkomen’, werd slechts door 18% van de ondervraagden genoemd. ‘Ik zou me anders vervelen’, scoorde 31%.

Harvard-econoom Edward Glaeser denkt dat de arbeidsparticipatie onder Amerikaanse gepensioneerden de komende jaren nog verder zal stijgen. In de moderne diensteneconomie is het werk lichamelijk veel minder zwaar. Bovendien is de hedendaagse oudere relatief fit.

De werkloze oude dag, die we in de loop van de twintigste eeuw gewoon waren gaan vinden, was volgens Glaeser in werkelijkheid een ‘pensioenzeepbel’, een tijdelijke periode met uitzonderlijk lage arbeidsparticipatie onder ouderen. Die zeepbel is geknapt.

En in Nederland? Ook hier is de deelname van 65-plussers op de arbeidsmarkt stijgende. Volgens Europese cijfers werkte in 2011 ruim 11% van de Nederlanders tussen de 65 en 69 jaar oud. In 2005 was dat nog 9%. Maar de Nederlandse vakbond ziet gepensioneerden nog altijd het liefst niets doen. Ouderen die als vrijwilliger de buurtbus besturen? De FNV is erop tegen en opende deze week het speciale Meldpunt Werkverdringing om deze misstand tegen te gaan.

Nederlandse ouderen horen blijkbaar niet achter het stuur, maar achter de geraniums.

(Column verscheen eerder hier)

Rentebeleid is niet geschikt om zeepbellen te bestrijden, zegt Yellen. Wie snapt haar nog?

(FD, 5 juli 2014)

De heren uit Bazel kunnen bazelen wat ze willen, Janet Yellen geeft geen krimp. De Fed-voorzitter zal het rentewapen niet inzetten om zeepbellen te bestrijden.

Dat legde Yellen begin juli uit in een speech bij het IMF. Het rentebeleid is er alleen om de inflatie en werkloosheid bij te sturen, vindt ze.

Eerder deze week had de in Bazel gevestigde Bank for International Settlements (BIS) nog voorzichtig gevraagd of het niet een beetje minder kon met het monetaire beleid. Centrale banken als de Federal Reserve, Bank of England, Bank of Japan en ook onze eigen Europese Centrale Bank houden de beleidsrente al jaren dicht bij de nul procent.

Dat is op korte termijn misschien goed voor het economisch herstel, maar de kunstmatig lage rente leidt ook tot zeepbellen op kapitaal- en vastgoedmarkten. De financiële stabiliteit komt in gevaar, vreest de BIS.

Met de Dow Jones-index boven de 17.000 punten, de Nederlandse obligatierente op de laagste stand ooit en een prijsstijging van Londense huizen van bijna 26%, voelt zelfs de meest optimistische analist inmiddels nattigheid. Yellen ziet het probleem niet. Sterker: het monetaire beleid van de Fed was juist gericht op het aanmoedigen van uitbundigheid op financiële markten, zegt ze. Het nemen van risico moest worden gestimuleerd. De rente moest omlaag zodat burgers en bedrijven weer risicovol zouden gaan investeren.

Haar voorganger Ben Bernanke legde eerder al uit dat hogere beurskoersen en huizenprijzen zorgen voor meer bestedingen en dat dit een belangrijk kanaal is voor het monetaire beleid van de Fed. Kort door de bocht samengevat: we blazen expres wat bellen, want dan stijgt de economie weer op.

Deze opvatting van de rol van monetair beleid verklaart veel van de wilde rit die de Amerikaanse beurs en economie de afgelopen vijftien jaar doormaakten. De Fed reageerde op iedere klap op de financiële markt met steeds ruimer monetair beleid, en legde zo telkens de kiem voor de volgende financiële crisis.

Toenmalig Fed-voorzitter Alan Greenspan deed het in 1998, toen, in de nasleep van de roebelcrisis, hedgefonds LTCM omviel. Greenspan verlaagde de rente agressief en blies zo de dotcombubbel nog verder op. Na het knappen van die internetzeepbel in 2001 verlaagde hij de rente opnieuw, nu zelfs tot 1%. Die lage rente maakte lenen goedkoop, dwong beleggers op zoek te gaan naar risicovoller rendement en was zo de opmaat naar de kredietzeepbel. Ook die zeepbel knapte.

Greenspans opvolger Bernanke bestreed de resulterende kredietcrisis van 2008 met een rente van vrijwel 0%. Op de beurzen was het al snel weer feest. De lage rente van de ene crisis is de brandstof voor de volgende crisis.

Schermafbeelding 2014-08-11 om 11.03.55

Zeepbellen bestrijden Maar Yellen vindt het prima zo. Rentebeleid is ongeschikt om zeepbellen te bestrijden, zegt ze. Het is als instrument veel te bot. Met lage rente zeepbellen opblazen kan wel, maar met hogere rente zeepbellen bestrijden lukt blijkbaar niet. Wie snapt Yellen nog?

In plaats van de rente heeft ze een ander instrument op het oog om de markten koest te houden: macroprudentieel beleid. Dat is het nieuwe toverwoord van centrale bankiers. Volgens Google Trends is deze term sinds de kredietcrisis snel populair geworden 

Macroprudentieel beleid probeert banken en andere financiële instellingen met regels en kapitaaleisen zoveel restricties op te leggen dat nieuwe zeepbellen uitblijven. Daar is op zich niets mis mee. Maar het idee dat in een wereld met kunstmatig lage rente een strenge toezichthouder genoeg is om irrationele uitbundigheid op markten te voorkomen, is onnozel.

Yellen bindt met haar lage rente de kat op het spek, en hoopt dat door maar vaak ‘Stoute poes!’ te roepen, het dier zich niet volvreet. Naïef.

Pak de graaiers!


Kijk, zo’n kabinet wil ons volk. Een kabinet dat veelverdieners terugfluit, graaiers aan de schandpaal nagelt en zakkenvullers leegschudt. Een regering die alle topsalarissen in de (semi-) publieke sector rücksichtslos met 25% kort.

Contractvrijheid? Marktconforme salarissen? Vanaf volgend jaar verdient niemand die de publieke zaak dient meer dan een minister. Het maximale salaris in de publieke sector — sinds 2013 130% van een ministerssalaris — gaat verder omlaag naar 100%. Van zo’n bruto jaarsalaris van € 144.108 kunnen ziekenhuisbestuurders, coöperatiebazen en universiteitsvoorzitters makkelijk rondkomen. Wie het niet bevalt, die zoekt z’n heil maar in de marktsector.

Minister Plasterk van Binnenlandse Zaken vat zijn besluit kordaat samen: ‘Niemand verdient dan meer dan een minister. Dat lijkt me verstandig.’ Hoe verstandig? Dat is niet onderzocht.

Er zijn doemdenkers — zoals bij de Raad van State — die vrezen voor de kwaliteit van het bestuur. Die vrees wordt op even opgewekte als feitenvrije wijze van de hand gewezen. Men schrijft: ‘Het kabinet heeft de verwachting, dat bij de voorgestelde verlaging van de norm nog steeds voldoende gekwalificeerde en deskundige topfunctionarissen gevonden kunnen worden. Het ontbreekt aan empirisch onderzoeksmateriaal waarmee deze verwachting gestaafd kan worden.’

U leest het goed: er is geen empirisch bewijs. Maar wie heeft dat nodig als je de gewenste uitkomst ook kunt verwachten? Kon de huidige minister Plasterk deze wetenschapsfilosofie maar delen met de vroegere wetenschapper Plasterk. Het had zijn geploeter in het lab zoveel eenvoudiger gemaakt als hij had geweten dat je resultaten niet hoeft te bewijzen, maar dat je ze ook mag verwachten.

Er is in het verleden wel onderzoek gedaan naar publieke salarissen. Dat gebeurde in 2004, onder leiding van Hans Dijkstal. Zijn commissie concludeerde dat de topsalarissen bij de overheid juist waren achtergebleven bij de marktsector, en dat, om te voorkomen dat hoge ambtenaren meer verdienen dan ministers, het ministerssalaris met 50% zou moeten stijgen. Maar aan loonsverhoging voor ministers durfde de politiek de vingers niet te branden. Met als gevolg de feitenvrije salariskorting van 25% voor topbestuurders waar Plasterk nu zo trots op is.

In werkelijkheid geeft deze generieke loonkorting vooral de onmacht van de overheid als werkgever aan. De onmacht om de maatschappelijke opbrengst van publieke bestuurders te meten en ze daar op af te rekenen. De onmacht om te differentiëren tussen goede en matige bestuurders. En de onmacht om slechte bestuurders snel en zonder grote afkoopsom te ontslaan.

We pakken ze allemaal aan, is de luie gedachtegang van het kabinet. Vertrekken de goede bestuurders dan naar de marktsector, en blijven alleen de slechte over? We verwachten van niet.

Ja, banken moeten nieuw kapitaal ophalen

In het FD van vandaag nam oud-minister Bert de Vries   de moeite om te reageren op een column van mij. Hij is het niet met mij eens. Maar ik ben het wel met hem eens! Hoe dat kan?

Ongetwijfeld door slordig formuleren. Door mij.

In mijn column had ik opgeschreven dat “Als banken meer kapitaal moeten aanhouden, ze minder kunnen uitlenen”. De Vries stelt terecht dat die bewering op zich niet klopt. Banken kunnen immers nieuw kapitaal ophalen, bijvoorbeeld door nieuwe aandelen uit te geven.

Daar ben ik het dusdanig mee eens, dat ik op 28 augustus 2013 een column schreef in het FD met de titel: “Alle banken naar de beurs”. Ik schrijf:

“Geef direct nieuwe aandelen uit! Desnoods tegen afbraakprijzen! Banken moeten hun buffers versterken, liefst met risicodragend eigen vermogen. Aandelen dus. Alleen dan wordt de schuldenhefboom van de bank korter. En alleen dan kan het pijnlijke proces van afboeken van slechte leningen beginnen. Het gezond maken van de Europese (en dus ook Nederlandse) banken begint met het uitgeven van nieuwe aandelen.”

Versterken van de kapitaalpositie door balansverlenging, dus. Maar de banken weigeren dat.  Ze doen het liever via balansverkorting. Ze willen de zittende aandeelhouders beschermen tegen verwatering en winsten blijven uitkeren. (Zie bv. de antwoorden van ING-er Nagel hier).

Uitgaande van die halsstarrige weigering schreef ik in de column waar De Vries op reageert:

“Nederlandse banken maak je sterker door ze te dwingen meer kapitaal aan te houden voor iedere euro aan hypotheeklening op de balans. (…) Maar als banken meer kapitaal moeten aanhouden, kunnen ze minder uitlenen en dat kost groei.” 

Daar had dus het zinnentje bij gemoeten: “Tenzij ze nieuw kapitaal ophalen, maar daar hebben de banken geen zin in.”

De Vries en ik zijn het eens. Nu de banken nog.

En de politiek, want uiteindelijk komen de banken alleen in beweging als ze verplicht worden op zoek te gaan naar nieuw kapitaal. Dat minister Dijsselbloem het een goed idee vindt dat ABN Amro winst uitkeert aan de aandeelhouder (hijzelf), in plaats van die winst te gebruiken voor versterking van de balans, geeft weinig hoop op een goede afloop.

Yo!

(Eerder hier)

Heeft u de Yo-app al op uw smartphone staan? Nee? Dan mist u het nieuwe toppunt van malligheid. Met de Yo-app kunt u andere Yo-appers een bericht sturen. Dat bericht is altijd: Yo. Een andere tekst is niet mogelijk.

Onzin? Uiteraard. Maar wel onzin van $ 1,2 mln, want dat bedrag staken investeerders al in de app die — ik herhaal het nog maar eens — alleen Yo stuurt naar andere gebruikers. Ik heb hem inmiddels geïnstalleerd en hij doet het echt.

Is de wereld helemaal gek geworden? Nee, dat gebeurt pas op 1 januari 2015. Dan lanceert de Nederlandse Belastingdienst zijn eigen variant van de Yo-app. Het is een app waarmee zzp’ers en opdrachtgevers elkaar digitaal ‘VAR’ kunnen toeroepen. Tot in den treure. Zodat ze geen tijd overhouden om te ondernemen.

VAR-webmodule, heet de Yo-app van de Belastingdienst. Deze module komt in de plaats van de papieren VAR-verklaring waarmee zzp’ers nu aan hun opdrachtgever kunnen bewijzen dat ze ondernemer zijn, en dat die dus geen sociale premies hoeft te af te dragen. Een zzp’er krijgt zo’n verklaring als hij of zij een vragenlijst invult. Hoeveel opdrachtgevers heeft de zzp’er? Wordt er reclame gemaakt? Is er sprake van een gezagsrelatie met de opdrachtgever? Alle zzp’ers vullen de lijst in, krijgen een VAR-verklaring en kunnen ondernemen. Het is een onzinnige bureaucratische handeling, maar levert maar beperkte irritatie op. 

Dat kan irritanter, dacht de wetgever en bedacht een webmodule die niet meer alleen door de zzp’er, maar ook door de opdrachtgever moet worden ingevuld. De opdrachtgever wordt medeverantwoordelijk voor het correct invullen. Iedere zzp’er zal dus met al zijn opdrachtgevers op internetdate moeten om de module samen in te vullen. Hoe meer opdrachtgevers, hoe meer tijd en moeite dat kost.

Vooral bij de vragen over de gezagsverhouding gaat het samen invullen problemen geven. Nee, er is geen gezagsverhouding, zegt de zzp’er, want uiteindelijk bepaal ik zelf wel wat ik doe. Ja, die is er wel, zegt de opdrachtgever, want ik ga me soms met het werk bemoeien en als het mij niet bevalt, gooi ik de zzp’er eruit. De bedrijfsjurist zal staan op een strakke interpretatie van de regels, want de opdrachtgever is medeverantwoordelijk. Ik voorzie ellende.

De overheid vraagt ons het onbenoembare te benoemen. Precies wat in een gezonde marktrelatie tussen opdrachtgever en -nemer, niet uitgesproken wordt: wie is eigenlijk de baas hier? Dat is geen economische, maar een juridische vraag. Het gaat in het economisch verkeer niet om wie de baas is, maar of er volgens afspraak wordt geleverd en betaald.

De VAR-module is bedoeld om schijnzelfstandigheid te bestrijden, maar dreigt te ontaarden in een potje zelfstandigen pesten. Overheid, verzin iets anders. Yo!