Zelfstandige ondernemers betalen niet te weinig, maar juist relatief veel belasting

Tienduizenden zelfstandige ondernemers stapten afgelopen maandag met het schaamrood op de kaken in hun auto. Durfden ze de rijkswegen nog wel op? Anderen aarzelden maandag bij het schoolplein. Konden ze met goed fatsoen hun kinderen nog wel naar school laten gaan?

Profiteurs voelden ze zich. Uitvreters, die wel willen genieten van publieke goederen en diensten, maar er niet voor willen betalen. Voor het weekend nog hadden ze in de veronderstelling geleefd dat zzp’ers ook een bijdrage leveren aan de welvaart in ons land. Maar op zaterdag viel de Volkskrant in de bus, met het ogen openende artikel: ‘Waarom zzp’ers de economie te gronde richten.’

In het artikel lazen ze dat zzp’ers ‘geen volksverzekeringspremie betalen en weinig belasting afdragen’. Dat eerste was natuurlijk onzin, wisten ze. Ze betalen wel premie volksverzekering; het zijn de werknemersverzekeringen (WW, WIA) waar ze niet aan meebetalen, maar ook geen beroep op doen. Maar die tweede bewering… betaalden ze te weinig belasting?

Geheim
Ze lazen verder: ‘De kinderen van zzp’ers gaan naar school, zzp’ers rijden over de rijkswegen en ontvangen kinderbijslag. Daarmee teren ze in feite op de zak van de “loonslaven” die het grootste deel van deze voorzieningen betalen.’ Toen kenden ze het schaamtevolle geheim: door alle aftrekposten betalen zzp’ers weinig inkomstenbelasting, het zijn profiterende meelifters.

Wellicht bent u als trouwe lezer van het Financieele Dagblad niet blootgesteld geweest aan dit nogal matige artikel van enkele pagina’s in de Volkskrant. Maar u weet hoe het gaat met dit soort onzin: voor je het weet praat een deel van de politiek het na. Onzin over zzp’ers moet daarom weersproken worden. Ik focus me hier op de bewering dat zzp’ers te weinig meebetalen aan collectieve goederen en diensten.

Allereerst: minder dan de helft van de inkomsten van de overheid (exclusief sociale premies) komt uit de inkomstenbelasting. Via btw, accijns en bijvoorbeeld wegenbelasting betalen zzp-ers ook flink mee.

Ten tweede: heel veel Nederlanders — werknemers en ondernemers — betalen weinig inkomstenbelasting. De eerste twee belastingschijven bestaan grotendeels uit premie volksverzekeringen. Aan scholen en wegen betalen Nederlanders via de eerste belastingschijven niet veel mee. Pas als het inkomen in schijf drie of vier komt, gaan ze via inkomstenbelasting serieus bijdragen aan dergelijke collectieve goederen en diensten.

Rijken
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) rapporteert jaarlijks over de belastingen en premies die Nederlandse huishoudens hebben betaald. Uit die cijfers blijkt dat alleen huishoudens met hoge inkomens serieus inkomstenbelasting betalen. De rijkste tien procent samen, betaalde in 2014 ruim €25 mrd. Dat is meer dan de inkomstenbelasting van alle andere huishoudens bij elkaar. De ‘armste’ vijftig procent van de Nederlandse huishoudens betaalde nog geen 3% van de totale inkomstenbelasting dat jaar. Zzp’ers teren niet op de zak van ‘loonslaven’, zoals de Volkskrant schreef, maar teren samen met de loonslaven op de zak van de rijkste tien procent van Nederland.

Schermafbeelding 2016-02-09 om 19.48.10

De ironie wil dat onder die rijkste tien procent waarschijnlijk relatief veel zzp’er zitten. Inkomens van zelfstandigen hebben wildere verdeling dan die van werknemers, met meer uitschieters naar onderen, maar ook naar boven. Helaas heeft het CBS geen afzonderlijke gegevens over de inkomstenbelasting van zzp’ers. Maar wel van alle ondernemers als een groep. Of preciezer: van huishoudens waarin het inkomen van een ondernemer het hoofdinkomen was.

Opgeheven hoofd
In 2014 verdiende zo’n huishouden een gemiddeld bruto-inkomen van zo’n €75.000. Huishoudens met een werknemer als hoofdverdiener zat daar met een gemiddelde van €73.000 niet ver onder. Aan premies betaalde de werknemer meer dan de ondernemer. Logisch want de ondernemer moest zijn pensioen, werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsverzekering zelf regelen. Aan inkomstenbelasting betaalde de ondernemer meer: ruim €10.000, tegen ruim €8.000 voor de werknemer.

Schermafbeelding 2016-02-09 om 19.48.34

De ondernemer droeg gemiddeld méér bij aan scholen en wegen dan de werknemer. Alle zelfstandige ondernemers kunnen zonder schaamte de weg op en hun kinderen kunnen met opgeheven hoofd naar school. Wat de Volkskrant ook beweert.

 

Unobtainium

De halve wereldbevolking is gekluisterd aan tv, computer of mobieltje, als de wetenschappers van Cern hun ontdekking officieel bekendmaken. Dagenlang gonsde het al van de geruchten: men had een nieuwe energiebron gevonden.

De hoge verwachtingen worden meer dan ingelost als de wetenschappers trots een nieuw element presenteren: unobtainium, een onuitputtelijke bron van energie, veel goedkoper dan olie of gas. Energie zal voortaan geen schaars goed meer zijn, maar vrijwel gratis en beschikbaar voor arm en rijk.

Economen schrijven de volgende dag opgetogen stukken over de mogelijkheden die deze nieuwe energiebron biedt. Gratis energie zal veel nieuwe groei opleveren. Producten en diensten worden goedkoper, het algemene welvaartspeil stijgt. De monopoliemacht van oliebedrijven en olielanden smelt weg. Unobtainium zal de wereld eerlijker en misschien wel veiliger maken.

Iedereen blij? Nee, een kleine groep wereldburgers ziet de feestvreugde hoofdschuddend aan. Analisten en centrale bankiers zien vooral problemen. De hoofdeconoom van een grote bank waarschuwt in zijn wekelijkse nieuwsbrief: ‘Een vicieuze cirkel dreigt waarbij goedkope energie via verschillende kanalen leidt tot lagere economische groei, en die lagere groei vervolgens de energieprijs nog verder drukt.’

Banken hebben veel geld uitgeleend aan de oliesector, legt de hoofdeconoom uit. Door de ontdekking van unobtainium zullen de oliebedrijven die leningen niet kunnen terugbetalen. Kunnen de banken dat wel aan? Dreigt een nieuwe financiële crisis? Alleen al de angst hiervoor zorgt voor nervositeit op de beurs en in de economie.

De president van een centrale bank ziet nog een ander groot nadeel van de unobtainiumrevolutie. De lage energieprijs zal doordruppelen in andere prijzen, legt hij uit. Door dergelijke tweederonde-effecten kan er een neerwaartse spiraal ontstaan, met steeds maar dalende prijzen. Consumenten zullen massaal hun bestedingen uitstellen, waardoor een recessie onvermijdelijk is. We moeten zo’n deflatiescenario voorkomen, waarschuwt hij.

De argumenten van de hoofdeconoom en de bankpresident maken indruk. De wereldwijde feestvreugde slaat om in moedeloosheid. Een enkele optimist probeert de stemming er nog in te houden door te wijzen op de cirkelredeneringen en onbewezen stellingen in hun betoog. Hij rekent voor dat er heus verliezers zijn, maar dat de wereld per saldo enorm voordeel heeft bij goedkope energie. Hij legt uit dat geen consument bestedingen uitstelt omdat energieprijzen dalen. En dat de bankpresident op spoken jaagt.

Maar het mag niet baten. Op voorspraak van de hoofdeconoom en de bankpresident vernietigen de wetenschappers hun voorraad unobtainium. De olieprijs schiet meteen omhoog. De wereldeconomie is gered.

(FD)

De toekomst is aan de empirische econoom

Economen en hun modellen, de critici kunnen er maar niet aan wennen. Ze zien vooral wiskundige uitsloverij en onzinnige analyses en beleidsadviezen. Zulke kritiek op de modellen en theorieën van de economie komt in golven, en momenteel zitten we weer op de top van zo’n golf. Er wordt in de media zelfs weer zoveel op modellen gemopperd, dat het Centraal Planbureau zich geroepen voelt een informatiedag over modellen voor de pers te organiseren, onder de titel ‘Een kijkje in de machinekamer van het CPB‘.

Is de kritiek terecht? Deels wel. Economen kunnen zichzelf soms behoorlijk verliezen in hun modelwerkelijkheid. Maar het is ook een karikatuur. Want de economische wetenschap laat zich juist steeds minder leiden door steriele modellen en is hard op weg een empirische wetenschap te worden.

Life among the Econ
Daarover later meer. Eerst aandacht voor de allermooist geschreven kritiek op economen en hun modellen. Daarvoor moeten we een aantal kritiekgolven terug, naar 1973. Toen publiceerde de gerenommeerde Zweedse econoom Axel Leijonhufvud een artikel in het wetenschappelijke tijdschrift Western Economic Journal. De titel van het artikel luidde ‘Life Among the Econ’.

Het is een antropologische studie naar een primitieve stam in een guur en naargeestig (‘dismal’) land. Het is de stam van de Econ, waarvan de leden bekendstaan om hun ruziezoekende inborst. De Econ-stam kent een streng kastenstelsel. Tot welke kaste je behoort, bepaalt je status en zelfbeeld. De hoogste kaste is de Math-Econ, een kaste van priesters. Daaronder vinden we — naast elkaar — de kasten van de Macro en die van de Micro. Helemaal onderaan de pikorde staan de Devlops.

Laatste benen
Iedere kaste vereert zijn eigen totem, of ‘Modl’ zoals de Econs het noemen. Als de antropoloog vraagt waarom er niet wordt getrouwd tussen bijvoorbeeld een Macro-man en een Micro-vrouw, luidt het antwoord: ‘Omdat ze verschillende Modls hebben.’ Maar voor buitenstaander zijn de Modls nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Ter illustratie: hieronder de totems van de Macro en de Micro zoals Leijonhuvud ze tekende:

Schermafbeelding 2016-01-19 om 21.12.22

De lezer wordt tien pagina’s lang meegenomen in de absurde wereld van macro-, micro- en ontwikkelingseconomen (Devlops). Aan het einde concludeert Leijonhufvud dat de recente uitbarsting van zeer gecompliceerde Modl-bouwerij een teken is dat de stam op z’n laatste benen loopt; het is de laatste uitbarsting voor de ondergang.

Toptijdschriften
Dat was de voorspelling in 1973, maar de stam der economen bleek vasthoudend. Intussen heeft hij zich echter wel aangepast aan de eisen van de tijd en langzaam afscheid genomen van oude totems.

De econoom Daniel Hammermesh toonde dat een paar jaar geleden overtuigend aan. Hij bladerde door alle jaargangen sinds 1963 van drie wetenschappelijke toptijdschriften — American Economic Review, Quarterly Journal of Economics en Journal of Political Economy — en turfde het aantal theoretische en empirische artikelen.

In 1963 was meer dan de helft van de artikelen puur theoretisch. Meestal met een theoretisch model, een enkele keer vergezeld van een modelsimulatie. Twintig jaar later was dit opgelopen naar bijna 59%. Maar na 1983 ging het met de theoretische modellen snel achteruit. Empirische analyses, op basis van bestaande of zelf gegenereerde cijfers, vormden de meerderheid. In 2011 was nog maar een kleine 28% van de artikelen theoretisch, bijna 65% was empirisch en ruim in 8% van de gevallen was er zelfs sprake van daadwerkelijke economische experimenten.

Schermafbeelding 2016-01-23 om 12.15.46

Niet toevallig valt de omslag ongeveer samen met de introductie van de personal computer. Met dat gereedschap kon elke econoom eindelijk de rijke data ontsluiten en analyseren. Economie is daardoor pragmatischer geworden. Het gaat niet meer om het theoretisch afleiden van altijd geldende economische wetten, maar veel meer om hoe de economie in de praktijk werkt.

Modellen en wiskunde zijn daarmee niet afgeschaft. Integendeel: een goede empirische analyse begint met abstraheren en formaliseren. Maar het model is niet meer het eindpunt, maar het begin. Een goede ontwikkeling.

Onterecht genegeerde indicator voorspelt flinke groeisprint eurogebied

Paniek op de beurzen, krimpende wereldhandel, groeivertraging in China, malaise op markten voor grondstoffen; maar de Duitse economie kachelt onverstoorbaar door. In 2015 groeide het Duitse bruto binnenlands product (bbp) met 1,7%. Dat is geen uitzinnig hoog percentage, maar wel de snelste groei sinds 2011 en ruim boven de gemiddelde groei sinds het begin van de eeuw.

Of andere eurolanden de onrust in de wereldeconomie ook zo makkelijk hebben afgeschud, horen we pas later dit jaar. Alleen de Duitse statistici durven zo snel na nieuwjaarsdag met hun eerste, voorlopige schatting voor de economische jaargroei te komen.

Vertraging
Ons eigen Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), bijvoorbeeld, publiceert pas over een kleine maand, op 11 februari, voor het eerst over de groei in geheel 2015. Veel van de gegevens die nodig zijn om het bbp te berekenen komen met vertraging bij de statistici aan. De eerste schatting in februari is gebaseerd op slechts een gedeelte van de cijfers, en wordt in de regel, als meer informatie bekend is geworden, nog flink bijgesteld. De tweede, meer betrouwbare raming van de groei in 2015 maakt het CBS pas eind maart bekend. Dat is bijna een kwartaal na afloop van het jaar.

Misschien komt ooit de dag dat alle datasystemen van bedrijven, banken en overheden zo slim met elkaar zijn verknoopt, dat het groeitempo van de economie met een druk op de knop, in real time, kan worden berekend. Maar tot dat moment (ergens rond sint-juttemis, gok ik), weten we slechts met terugwerkende kracht hoe de economie er voor staat.

Softe indicatoren
Vandaar dat een scala aan ‘softe’ indicatoren zijn ontwikkeld, die een vroege indicatie kunnen geven van de stand van de economie, gebaseerd op enquêtes. Consumentenvertrouwen, producentenvertrouwen en alle mogelijke inkoopmanagersindices moeten een indruk geven van de stemming in de economie, en daarmee van de consumptie en de productie in industrie en dienstensector.

Maar de afgelopen tijd zaten deze stemmingsindicatoren bepaald niet altijd goed. Vooral het voortdurende optimisme in de Europese industrie vertaalde zich niet in echte groei van de productie. Producenten en inkoopmanagers zagen de wereldwijde vertraging van industrie en wereldhandel blijkbaar niet aankomen.

Hardere cijfers
Misschien is het tijd om wat minder aandacht te besteden aan de stemmingsindicatoren, en meer af te gaan op hardere cijfers. Er zijn namelijk ook indicatoren die zich niet baseren op enquêtes, maar uitgaan van de economische data die wel al vroeg beschikbaar zijn. Deze indicatoren gebruiken bijvoorbeeld maandgegevens over winkelverkopen en kredietgroei om het bbp te voorspellen.

Toeval negeren
Een mooi voorbeeld van zo’n harde indicator is de zogenoemde “€-coin”, die maandelijks wordt berekend door economen van de centrale bank van Italië en het Centre for Economic Policy Research (CEPR). De indicator is opgebouwd uit cijferreeksen over de economie van de gehele eurozone, en is enig in zijn soort. Gegevens over de industrie, consumptie en de arbeidsmarkt, maar ook over de geldhoeveelheid, kredietverlening en beurskoersen, worden door middel van een statistisch model omgerekend naar een groeivoorspelling. Daarbij probeert men toevallige fluctuaties van de groei te negeren. De €-coin is dus een indicator voor de onderliggende economische groei, of de stand van de conjunctuur.

Schermafbeelding 2016-01-26 om 20.25.08

Toch wordt de indicator door analisten en economen zo goed als genegeerd. Misschien komt dat door de nogal vreemde naam, misschien door de beperkte track-record (de huidige berekeningswijze stamt uit 2007). Wat de reden ook is, de €-coin heeft het de afgelopen jaren verrassend goed gedaan. In de grafiek is te zien dat de indicator de groei in het eurogebied keurig volgt.

Dat belooft veel goeds voor de economische groei in het vierde kwartaal van 2015. De €-coin stond in december op het hoogste peil in ruim vijf jaar en voorspelt een kwartaalgroei van bijna een half procent. Afgaande op deze indicator heeft de Europese economie vorig jaar een eindsprintje getrokken.

Dadendrang

Aan:
Directie Algemene Fiscale Politiek
Afdeling Beleid

Geachte heer /mevrouw,

Met veel interesse las ik uw oproep van 18 januari jl. op de website van het Ministerie van Financiën. Onder de titel ‘Voorstellen voor vereenvoudiging van belastingwetgeving’ vraagt u om ideeën voor het Belastingplan 2017. U zoekt ‘knelpunten uit de praktijk’ en wil van burgers, ondernemers en brancheorganisaties ‘voorstellen voor praktische vereenvoudiging’ horen.

Hieronder een paar ideetjes van mijn hand. Een paar kleine aanpassingen die wellicht iets van de door u gewenste vereenvoudiging kunnen opleveren.

Mijn eerste tip is: schaf alle inkomensafhankelijke toeslagen af. In Nederland heft de overheid eerst belasting, en geeft vervolgens een goed deel daarvan weer terug aan de burger. Via de zorgtoeslag, huurtoeslag, kinderopvangtoeslag en het kindgebonden budget, wordt jaarlijks voor zo’n 12 miljard euro rondgepompt. Burgers moeten die toeslagen aanvragen, ambtenaren moeten die aanvragen beoordelen, de belastingdienst moet uitkeren.

Wie houdt van bureaucratische nachtmerries vindt dit een grandioos systeem, de rest van Nederland ziet mogelijkheden voor praktische vereenvoudiging. Ruil het toeslagencircus in voor belastingverlaging, inclusief een (bureaucratievrije) negatieve belasting voor zeer lage inkomens. En verhoog desnoods de uitkeringen om pijnlijke koopkrachteffecten glad te strijken.

Tip twee luidt: maak het aannemen van de eerste paar werknemers zorgenvrij. Ik geef toe, dit is niet mijn eigen idee. Topambtenaren in de Centrale Economische Commissie bedachten het al in 2006. Leg zeer kleine werkgevers één keer per jaar een simpele loonheffing op, gebaseerd op de totale loonsom van het bedrijfje. De belastingdienst zorgt vervolgens voor de verdeling over loonbelasting en alle volk- en werknemersverzekeringen.

Met zo’n loonsomheffing is de kleine ondernemer af van alle administratieve ellende. Bovendien hoeft hij geen onopzettelijke vergissingen, met bijbehorende boetes meer te vrezen. Waarom hebben we dit niet meteen ingevoerd in 2006? Niemand die het weet.

Ten slotte mijn derde tip: schaf het lage btw-tarief af, en gebruik de opbrengst voor verlaging van het hoge tarief. Vijftien procent btw op alle goederen en diensten levert de schatkist net zoveel op, bij veel lagere administratieve lasten en minder verstoring van de economie. Rijke Nederlanders profiteren minstens zoveel van het lage tarief als armen, dus de btw is een bot instrument voor inkomenspolitiek.

Zo. Dat zijn mijn drie voorstellen. U kende ze natuurlijk al, want deze voor de hand liggende ideeën circuleren al jaren in Den Haag. Er is daar absoluut geen gebrek aan voorstellen. Maar wel aan dadendrang. Aan het werk, Afdeling Beleid!

Met vriendelijke groet,

Mathijs Bouman

 

(eerder hier)

 

Onkruid

(verscheen op 12 jan. in FD)

Werkgevers en werknemers voeren op hoog niveau overleg over het grote probleem van onze tijd: de zzp’er. Dit onkruid van de arbeidsmarkt dreigt alles wat sociale partners hebben opgebouwd, te overwoekeren en te verstikken.

De zzp’er is een gluiperd die zich op het ene moment gedraagt als ondernemer, het andere als werknemer; net wat hem het beste uitkomt. Hij wil geen WW- of WIA-premie betalen maar eist wel een dikke zelfstandigenaftrek. Hij ontduikt cao-afspraken, maar wil wel meeprofiteren van sectorale opleidingsgelden. De ene hand houdt hij op bij de Belastingdienst, met de andere bestuurt hij zijn zwaar gesubsidieerde Mitsubishi Outlander. Zzp’ers zijn stuk voor stuk profiteurs die de solidariteit in ons mooie landje ondermijnen.

Alsof dat nog niet erg genoeg is houden ze ook nog het kabinet in gijzeling. Bij de VVD presenteert de zzp’er zich als een keiharde ondernemer die prima voor zichzelf kan zorgen, om een paar deuren verder bij de PvdA de onderdrukte loonslaaf zonder sociale rechten uit te hangen. De Babylonische spraakverwarring die vervolgens ontstaat binnen de coalitie leidt tot totale beleidslethargie bij de coalitie. De zzp’er ziet het lachend aan.

Maar er is hoop voor Nederland. Deze krant schreef zaterdag over een slimmigheidje van Sybrand Buma. De CDA-leider wil tegelijkertijd de zelfstandigenaftrek én de loondoorbetaling bij ziekte voor werkgevers aanpakken. Een streep door de zelfstandigenaftrek is goed nieuws voor werknemers, die dan niet meer worden beconcurreerd door de cao-ondermijnende zzp’ers. Een streep door de loondoorbetaling is fijn voor werkgevers, omdat de arbeidskosten dalen.

Zet vervolgens de werknemers en werkgevers in een vergaderzaal van de Sociaal Economische Raad (nodig vooral geen zzp’ers uit, of hoogstens een enkele), en voor je het weet is er een akkoord. Dan kan het grote wieden van het onkruid beginnen.

Prachtig! Vooral omdat met zo’n simpele uitruil van belangen kan worden voorkomen dat de SER langdurig moet piekeren over de toekomst van de Nederlandse arbeidsmarkt, over hervorming van de sociale zekerheid, of over een modern arbeidscontract. In 2010, toen de SER zich in een rapport boog over de zzp’er, was de Raad immers al tot de conclusie gekomen dat er absoluut geen aanleiding was voor een fundamentele herziening van de arbeidsverhoudingen, de belastingen of het sociale stelsel. Je kon de opluchting horen in de polder, toen men die zin neerpende.

Laat het voor iedereen duidelijk zijn: de opkomst van de zzp’er is geen teken dat de instituties van de arbeidsmarkt modernisering behoeven. Welnee! Alles kan gewoon bij het oude blijven. Als we  de zelfstandigenaftrek schrappen en misschien nog een paar verplichte verzekeringen toevoegen, verdort het onkruid vanzelf en ligt het poldertuintje er snel weer keurig bij.

 

Gestage opkomst robots geeft reden voor pessimisme noch utopie

(Ik mocht dit jaar een bijdrage leveren aan de Preadviezen  van de Koninklijke Vereniging voor de Staathuishoudkunde (KVS). De match tussen Mens en Machine, was de titel van het rapport. Hieronder mijn hoofdstukje (filmpjes toegevoegd))

 

Gestage opkomst robots geeft reden voor pessimisme noch utopie

Robots kunnen niet voetballen. Ze proberen het wel en hun pogingen zijn dapper. Maar ze bakken er niets van.  Vooral de mensachtige robots slagen er nauwelijks in om de bal de goede kant te schieten. Vaak lijken ze de bal niet eens te zien en de enkeling die het ding wel opmerkt en er tergend langzaam naartoe schuifelt komt niet verder dan een wanhopig schopje in een willekeurige richting. De keepers duiken manmoedig naar niet bestaande ballen, en laten de echte zo het doel in rollen. Een voetbalwedstrijd tussen robots is niet om aan te zien. Ik kan het weten want ik liep in 2013 rond op het wereldkampioenschap robotvoetbal in Eindhoven.

De speciale voetbalrobots, met het uiterlijk van een omgekeerde prullenbak op wieltjes, ging het daar beter af dan de mensachtigen.  Zij passten netjes over en scoorden niet alleen bij toeval. Maar deze robots hebben maar één ledemaat onderaan hun kegelvormige lijf waarmee ze de bal een zwiep geven. Je zou net zo goed robothandbal kunnen noemen.

Ik bedoel dit niet onaardig. Goedbeschouwd is het een wonder dat er überhaupt sprake kan zijn van robotvoetbal. De robots zijn vrijwel autonoom en moeten de bal vinden, een strategie bedenken, die uitvoeren en ook nog samenwerken met teamgenoten. De programmeurs en robotbouwers leveren razend knap werk, en verleggen elk jaar weer de grenzen. Maar terwijl Gary Gasparov al in 1997 verslagen werd door IBM schaakcomputer Deep Blue, hoeft Arjan Robben nog lang niet bang te zijn door een voetbalrobot te worden gepoort.

De cijfers bevestigen dat beeld. Portugese onderzoekers analyseerden zes Europacup-finales en zes Robocup-finales: menselijke voetballers geven meer correcte passes en mikken hun doelpogingen zijn vaker binnen de palen van de goal. (Albreu 2011)

TABEL1: Mens voetbalt beter dan robot

Statistieken van zes Europacup- en zes Robocupwedstrijden
Mens Robot
Aangekomen passes 77,9% 65,9% als % van alle passes
Schoten op doel 69,6% 47,6% als % van alle schoten
 Bron: Abreu et al. (2011)

 

Deze cijfers overschatten de voetbalkunst van de robots nog. In een directe wedstrijd tegen menselijke voetballers zouden robots geen enkele kans zouden maken. Ze zouden waarschijnlijk maar een enkele keer aan de bal komen.

Machines zijn slim maar onhandig. Dat is de huidige stand van de technologie. De potentie van de robot is ongetwijfeld enorm, maar de machine is nog lang geen serieus substituut voor ingewikkelde manuele arbeid.

Technologische werkloosheid
Toch lijkt het in de politieke en maatschappelijk discussie alsof de robot op het punt staat een groot deel van het werk over te nemen. Minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vreest ‘technologische werkloosheid’. Voorstanders van het basisinkomen voeren de onstuitbare opkomst van de robot aan als argument om haast te maken met gratis geld voor iedereen. Pessimisten somberen over een wereld waarin iedereen werkloos is en al het inkomen naar de eigenaar van de robotfabriek gaat. Utopisten fantaseren over een wereld waarin niemand meer hoeft te werken en alles gratis is.

Economen hebben het onderwerp inmiddels ook ontdekt. Ook zij gaan er vaak vrij klakkeloos van uit dat de technologische ontwikkeling van de robot razendsnel gaat – ‘exponentieel’ zelfs. Daarbij gooien ze in hun enthousiasme soms robotisering en automatisering op één hoop. De robot en de computer zorgen beide voor snelle toename van de arbeidsproductiviteit, dus voor de arbeidsmarkttransitie zijn ze als identiek te beschouwen.

Maar dat is te kort door de bocht. De snelheid van de computer mag zich dan misschien exponentieel ontwikkelen (‘Wet van Moore’), verbeteringen aan de robot gaan eerder lineair.

Gestage ontwikkeling
Ik heb het afgelopen jaar bezoeken gebracht aan Nederlandse bedrijven waar robots worden ontwikkeld, verkocht en gebruikt en heb gesproken met ondernemers en experts. De bezoekjes kwamen voort uit journalistieke interesse, dus hadden geen wetenschappelijk doel. Desondanks is mijn ‘kwalitatieve conclusie’ dat de ontwikkeling en toepassing van robotica voor de industrie een moeizaam proces is. Het gaat stapje voor stapje, met veel praktische problemen en weinig plotselinge technologische revoluties. De ontwikkeling gaat gestaag. Niet exponentieel.

De lasrobot van nu is veel sneller, nauwkeuriger en goedkoper dan zijn voorganger uit de jaren tachtig. Maar fundamenteel is het nog altijd dezelfde eenarmige machine. De techniek van de lasrobot vindt al meer toepassingen in andere industrieën, want de arm kan nu ook dingen oppakken, wegleggen, optillen, krijgt al meer zintuigen, een steeds slimmer brein en wordt al beter in het samenwerken met mensen. Maar dit is eerder een incrementele dan een revolutionaire ontwikkeling.

Juist de snelheid waarmee de ontwikkeling van de inzetbaarheid van robots gaat, bepaalt of er sprake zal zijn van Asschers technologische werkloosheid. Vervangt de robot massaal huidige werknemers, of vooral hun kinderen? In het laatste geval kan adequate scholing massawerkloosheid voorkomen. Of anders: is er tijd om overbodig geworden werknemers om te scholen? Gaat de robotisering geleidelijk genoeg om het economische treintje van lagere productiekosten, hogere welvaart, nieuw behoeften en nieuwe werkgelegenheid, voldoende vaart te laten maken? Kunnen we de sociale en economische instituties tijdig aanpassen?

De gestage (in plaats van exponentiele) ontwikkeling van de robottechnologie, van dit moment geeft reden voor optimisme. De robot gaat banen vervangen, maar de ontwikkeling gaat tot nu toe met een snelheid die die maatschappij en politiek kan bijhouden. [NOOT 1]

International Federation of Robotics
Cijfers over de snelheid waarmee robottechnologie de afgelopen jaren wereldwijd in de industrie is ingevoerd, wijzen ook eerder op een gestage, dan exponentiele opkomst. Betrouwbare statistieken zijn overigens niet ruim voorhanden. De International Federation of Robotics (IFR), een vereniging van robotproducenten en –onderzoekers in Frankfurt, heeft de beste dataset.

In 1995 werden er wereldwijd een kleine 70.000 industriële robots verkocht [NOOT 2].  In 2013 was dat opgelopen naar ruim 175.000 stuks, zo’n 2,5 keer zoveel. [NOOT 3] Ter vergelijking: on dezelfde periode vertienvoudigde het aantal verkochte PC’s.

GRAFIEK 1: Aantal verkochte industriële robots wereldwijd, bron: IFR (2014)

Afbeelding0

In de tien jaar tot 2013 steeg de totale voorraad aan operationele industriële robots in Europa van pakweg 280 duizend naar 392 duizend. In Aziatische landen liep het aantal op van 440 duizend in 2004 naar bijna 690 duizend in 2013. Terwijl in de Amerikaanse industrie het aantal operationele robots steeg van 200 duizend naar 226 duizend. Het is een duidelijke en stevige stijging, maar geen explosie.

GRAFIEK 2: Geschatte voorraad operationele industriële robots, bron: IFR (2014)
Afbeelding1

Ook in Nederland gaat de introductie van de robot op de werkvloer eerder gestaag dan explosief. In 2008 bedroeg de voorraad werkende robots in de industrie 4.848 stuks. In 2013 was dat aantal 7.403.

Nederland
Met dergelijke aantallen telt Nederland internationaal nauwelijks mee. Ook als rekening wordt gehouden met de relatief kleine maakindustrie, zijn de getallen gering. Op iedere 10.000 werknemers in de industrie, staan er in Nederland slechts 93 robots. In Europese landen als Frankrijk, Spanje, Italië, België en Zweden is dat beduidend meer. De Duitse industrie telt voor iedere 10.000 werknemers 282 robots. In Japan is dat aantal 323. In Zuid-Korea zelfs 437.

GRAFIEK 3: Robots per 10.000 werknemers in de industrie, bron: IFR (2014)

Schermafbeelding 2016-01-16 om 23.16.52

Aanwezigheid van een omvangrijke auto-industrie blijkt bij deze relatieve aantallen overigens van doorslaggevend belang.  De ‘robotdichtheid’ in deze sector is vele malen groter dan in de industrie als geheel. Zo staan er bij Japanse robotbouwers per 10.000 werknemers maar liefst 1.520 robots te lassen en te assembleren, terwijl dat aantal in de rest van de Japanse industrie op 214 blijft steken. De Franse auto-industrie zet 1.057 robots in per 10.000 werknemers. Elders in de Franse industrie is dat aantal slechts 66.

GRAFIEK 4 Robots in de auto-industrie, bron: IFR (2014) Schermafbeelding 2016-01-16 om 23.15.40

De dominantie van de auto-industrie, waar de robot al decennia geleden intrede deed, is een indicatie dat het met de robotisering van de industrie minder snel gaat dan zowel de pessimisten (“iedereen werkloos”) en utopisten (“nooit meer werken”) veronderstellen.

Ten slotte is er ook weinig bewijs dat de robot in razendsnelle vaart andere (dommere, minder flexibele) machines verdringt. De verkoop van verkochte industriële robots, als percentage van de verkoop van andere machinegereedschappen is tussen 2006 en 2013 wel wat, maar niet veel toegenomen. In Duitsland ging dit percentage van 14 naar 20%, in Japan van 19 naar 27%, in Zuid-Korea van bijna 8 naar ruim 11%, en in de VS van een kleine 16 naar 18%. Alweer: een gestage toename.

GRAFIEK 5 Verkoop robots als % van verkoop machinegereedschappen, bron: IFR (2014)

Schermafbeelding 2016-01-16 om 23.14.54

 

Slotopmerking
De robot komt en zal banen verslinden en creëren. Dat is zeker. Maar of dat zo snel gaat in de discussie over de gevolgen van robotisering vaak wordt verondersteld, is allerminst zeker. Cijfers uit het recente verleden laten zien dat de introductie van de robot in de industrie tot nu toe met betrekkelijk overzichtelijke vaart is gegaan. Anders dan bij de computer is er geen exponentiële ontwikkeling zichtbaar.

Dat kan in de toekomst natuurlijk veranderen. Wellicht wordt binnenkort een drempelwaarde overschreden en schiet het gebruik van robots in bedrijven exponentieel omhoog. Sommige deskundigen verwachten dat moment binnen twee tot vijf jaar. Maar voordat we de werkweek verkorten tot 15 uur, het basisinkomen invoeren en een eigenaren van robotfabrieken een nivellerende topbelasting opleggen, zullen we daar eerst harder bewijs van moeten zien.

 

[NOOT 1] Dit sluit aan bij de conclusies van Graetz en Michaels (2015). Zij gebruiken een panel van 17 landen tussen 1993 en 2007 en vinden dat introductie van robots in de industrie heeft geleid tot hogere productiviteit en bbp, zonder effect op het aantal (door mensen) gewerkte uren.

[NOOT 2] De definitie van industriële robot die de IFR hanteert luidt: ‘An automatically controlled, reprogrammable, multipurpose manipulator programmable in three or more axes, which can be either fixed in place or mobile for use in industrial automation applications.’ Hier vallen bijvoorbeeld volautomatische karretjes (bij voorbeeld in gebruik in de logistiek en industrie) niet onder.

[NOOT 3] Naast industriële robots zijn er ook robots werkzaam in de dienstensector. In 2013 werden er wereldwijd 21.000 dienstenrobots verkocht. Vergeleken met de 175.000 industriële robots zijn dienstenrobot (het grootste deel bestaat uit melkrobots en militaire drones) op dit moment economisch gezien veel minder relevant. Ook bij de groei van dienstenrobots is tot nu toe eerder sprake van een gestage, dan explosieve groei.

 

 

Referenties
Abreu, Pedro, Israel Costa, Daniel Castelão, Lúıs Paulo Reis en Júlio Garganta (2011), Human vs. Robotic Soccer: How Far Are They? A Statistical Comparison (unpublished)

Graetz, Georg en Guy Michaels (2015), Robots at work, NBER Working Paper 10477

International Federation of Robotics, World Robotics, Industrial Robots 2014, IFR Statistical Department

International Federation of Robotics, World Robotics, Service Robots 2014, IFR Statistical Department

Pratt, Gill A. 2015. “Is a Cambrian Explosion Coming for Robotics?” Journal of Economic Perspectives, 29(3): 51-60. http://pubs.aeaweb.org/doi/pdfplus/10.1257/jep.29.3.51

Kortsluiting op de Chinese beurs? Geef de schuld maar aan de stoppenkast.

De stop slaat door, het licht gaat uit. Snel trek je de stekker van de broodrooster uit het stopcontact en draait dan een nieuwe stop in. Maar wat als de stop dan meteen weer doorslaat?

Wat je ook doet: bel geen Chinese elektriciën. Zeker niet als hij op de beurs in Sjanghai heeft gewerkt. Want die stelt zonder verder onderzoek de diagnose: de stoppenkast is defect. Dan pakt hij een stuk koperdraad, en leidt de stroomvoorziening om de stoppen heen. Het licht doet het weer, want er kan geen zekering meer doorbranden.

Circuit breakers
Zo simpel was de oplossing die de elektriciën van de Chinese beurs deze week koos. Op maandag werd een handelsregime met nieuwe zekeringen van kracht. Deze ‘circuit breakers’ zouden doorslaan als de beursindex met meer dan 7% daalde, zodat alle beleggers bij zinnen konden komen.

Op de eerste dag na de montage sloegen deze nieuwe stoppen meteen door. De handel werd voor de rest van de dag stilgelegd. Dinsdag ging de beurshandel weer van start. Een door de overheid gearrangeerde opkoopoperatie van aandelen vijzelde de koersen wat op. Tenminste, analisten denken dat er een dergelijk interventie plaatsvond, want officiële mededelingen zijn niet gedaan.

Maar op donderdag ging het weer mis. Direct na opening stortte de koersen in en een half uur na opening sloegen de stoppen door. Er werd die dag niet meer gehandeld.

Tijd voor de Chinese elektriciën. Die zag het meteen: defecte stoppenkast. Hij schroefde de zekeringen ertussenuit en vrijdag ging de handel zonder circuit breakers van start. Het opkoopprogramma gaf (ongetwijfeld) weer even gas, en de Chinese belegger kon met een winstdag het weekend in.

Schermafbeelding 2016-01-08 om 12.58.59

Geen harde conclusies
Het klinkt als een absurde gang van zaken: er is kortsluiting op de beurs, dus we halen de beveiliging weg. Maar misschien is het zo gek nog niet. Want we weten eigenlijk maar weinig over de werking en het nut van circuit breakers op de beurs. Dat komt omdat ze nog niet zo lang bestaan. Pas na de krach van 1987 voerde de beurs van New York dergelijke automatische handelstops in, op advies van Nicholas Brady, oud-minister van financiën. Brady redeneerde dat op hectische beursmomenten beleggers even de tijd moeten krijgen om tot rust te komen. Dat zou de volatiliteit van beurskoersen verminderen.

Sindsdien zijn de stoppen incidenteel doorgeslagen, maar eigenlijk niet vaak genoeg om harde wetenschappelijke conclusies te kunnen trekken. In 2004 publiceerden economen een onderzoek naar een handelsstop op de New York Stock Exchange op 27 oktober 1997. Zij vonden dat de stop juist minder marktliquiditeit op de volgende handelsdag opleverde, waardoor de prijsvorming juist slechter verliep. Beleggers reageerden eerder geschrokken dan gerustgesteld op het doorslaan van de stoppen.

Extra veel handel
Andere onderzoekers deden — bij gebrek aan voldoende empirisch materiaal — experimenten om de reactie van beleggers te onderzoeken. In hun economisch laboratorium vonden ze dat beleggers, vlak voordat de zekering doorbrandt, juist extra veel willen handelen. Bijvoorbeeld om nog snel aandelen te lozen, voordat de markt dicht gaat.

Dat effect kan deze week ook in China een belangrijke rol hebben gespeeld. Juist de wetenschap dat handel niet meer mogelijk is na een koersval van 7%, leidde tot een verkoopgolf. Zo was het de zekering zelf die de kortsluiting veroorzaakte.

De Nederlandse onderzoeker Mark van Achter (Erasmus Universiteit) deed theoretisch onderzoek naar handelstops, waaruit blijkt dat te krap afgestelde zekeringen inderdaad contraproductief kunnen zijn. Hij vermoedt dat de Chinese grens van 7% te krap gekozen was. Bovendien was het sluiten van de beurs voor de rest van de dag mogelijk een te zware maatregel, die beleggers eerder paniek aanjoeg dan tot rust maande.

De Chinese elektriciën had dus misschien gelijk: de stoppenkast was defect. Maar daarmee is niet gezegd dat de bedrading van de beurs zelf wel deugt. We zullen het vanaf maandag zien, als de handel verder gaat, zonder stoppen of zekeringen.

De verrassing van 2016

Ik weet niet hoe het met u is, maar voor mij kent 2016 een buitengewoon verrassend begin. Nee, niet omdat men in de provincie Groningen op de straat kan schaatsen, want dat konden wij in 1979 ook.

Evenmin verrassend was de dramatisch slechte start van het beursjaar. Verreweg de meeste analisten voorspelden prima rendementen in 2016 en dat is vragen om problemen.

De interventies van de Chinese overheid op de aandelenmarkt verrasten mij ook niet. Omdat de koersen zo hard instortten dat de aandelenhandel moest worden opgeschort, besloot China maar weer eens aandelen te gaan opkopen. De Chinese staat slaat nu massaal aandelen van half-geprivatiseerde staatsbedrijven in. Deze renationalisatie moet de kapitalistische beleggers redden. Alleen de miljonairs van de communistische partij begrijpen de logica daarvan, maar ook dat is, als het om China gaat, geen verrassing.

Wat verraste mij dan wel? De Griekse econoom Yanis Varoufakis! Hij is voor mij de surprise van het nieuwe jaar. We kennen Varoufakis als de schrik van het eurogebied. In zijn paar maanden als minister van financiën van Griekenland kreeg hij ruzie met al zijn Europese collega’s, renden alle Griekse spaarders naar de bank om hun spaargeld op te halen en stortte de Griekse economie nog verder in. Uiteindelijk kon zelfs zijn eigen premier zijn politiek amateurisme niet meer aanzien en vloog Varoufakis de laan uit. De volgens sommigen op één na meest charismatische kaalhoofdige econoom van Europa, werd een roepende in de woestijn.

Maar Varoufakis is terug en heeft een nieuwe missie. Hij wil een nieuwe Europese beweging oprichten om democratie terug te brengen in het Europese project. Zijn ‘Democracy in Europe Movement 2025’ (DiEM25) gaat begin februari van start met een bijeenkomst in (briljant gekozen) de Duitse hoofdstad Berlijn. Varoufakis wil laten zien dat we niet hoeven te kiezen tussen terugkeer naar oude grenzen van de natiestaat of verdergaan met de Brusselse bureaucraten. Er is een derde weg; een weg vooruit met werkelijke, Europese democratie.

Tot m’n stomme verbazing ben ik het helemaal met Varoufakis eens. Europa heeft alleen toekomst als een democratische unie, met een sterk, representatief parlement dat naar de burger luistert, en een centraal politiek bestuur dat daaraan rekenschap is verschuldigd. Als DiEM25 daarvoor gaat strijden stem ik op Varoufakis.

Overigens verstond de Griek als minister iets heel anders onder democratie. Toen betekende die term dat de Griekse burgers via verkiezingen konden beslissen dat de Duitse en Nederlandse overheden hen geld moesten geven, zonder dat Duitse en Nederlandse kiezers daar iets over te zeggen hadden. Ik vrees dat Varoufakis daar eigenlijk nog steeds zo over denkt.

Maar ik laat me graag verrassen.

o-VAROUFAKIS-facebook

(FD)

Beursjaar 2015: watertrappelen in sterke stroming

Watertrappelen: minutenlang vreselijk je best doen om het hoofd boven water te houden, maar geen meter vooruitkomen. Als kind vonden we het al een zinloze marteling. En als belegger vinden we dat nog steeds.

Helaas was 2015 weer een jaar waarin de gemiddelde belegger weinig meer kon doen dan z’n hoofd boven water houden. Na de gongslag van gistermiddag stond de AEX-index op 441,82. De jaarwinst bedraagt 4,1%. (Dit is exclusief dividendrendement).

Dat is meer dan je krijgt op een spaarrekening, maar de AEX-belegger liep ook extra risico. Want hoewel de watertrappelende belegger uiteindelijk nauwelijks van z’n plaats kwam, was de stroming gedurende beursjaar 2015 behoorlijk wild.

Het jaar startte met flinke stroom mee. De AEX piekte op 27 april, op een stand van 509 punten. Vervolgens brak in Griekenland de crisis weer eens uit en werden beleggers maandenlang heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees. Per saldo stond de AEX halverwege augustus weer ongeveer op de stand van april.

Aan het eind van de zomer kregen de zorgen over China greep op het beurssentiment. Kan het land de groeidoelen wel halen? Kijken we daar naar een crash in slow motion? De onrust kostte de AEX de volledige jaarwinst. Fed-voorzitter Janet Yellen voedde de onzekerheid met het onverwachte besluit de renteverhoging uit te stellen. Op 24 september sloot de index onder de 410 punten.

Maar de stroom draaide weer en tot begin december dreven de watertrappelaars weer de goede kant op. De dalende olieprijs zorgde aan het eind van het jaar toch weer voor tegenstroming, zodat de winst uiteindelijk grotendeels verloren ging.

2015 gaat daarmee de annalen in als een matig beursjaar. Niet slecht, niet goed, maar gemiddeld. Dat is ook te zien in bijgaande grafiek. Daarin staan alle jaarrendementen van de AEX sinds de start van de index in 1983. Jaren met vergelijkbare rendementen staan bij elkaar. Het afgelopen jaar komt in het rijtje van beursjaren met winst tussen de 0% en 10%, net als 2014 en nog vijf jaren uit de huidige eeuw. Uit de vorige eeuw zien we slechts twee jaren (1992 en 1994) in deze categorie. Matige beursjaren zijn een recent fenomeen.

Schermafbeelding 2016-01-12 om 09.31.30

De grafiek ziet er trouwens uit zoals je op basis van standaardkansberekening mag verwachten. Er zijn veel gemiddelde jaren, en relatief weinig uitschieters. Beurskoersen maken vaak wilde sprongen, maar op lange termijn schikt het patroon zich toch netjes naar de klokvorm die een statisticus zonder verstand van beleggen zou voorspellen. Misschien dat die statisticus alleen wat meer jaren met kleine verliezen had verwacht.

 

Duidelijk te zien is dat er meer jaren met winst zijn dan met verlies. Logisch, want beleggers verwachten een vergoeding voor de risico’s die ze nemen, dus het rendement op lange termijn is positief, want anders zou nooit iemand beleggen. Slechts acht keer sloot de AEX het jaar af met verlies. Het extreemste verlies was in 2008 toen de index meer dan 52% verloor. In de grafiek is dat jaar waarin de kredietcrisis uitbrak een duidelijke ‘outlier’. Het jaar staat er eenzaam bij.

In 25 beursjaren sloot de AEX op winst. Die winst was het kleinst in 1994, toen de index slechts 0,05% hoger sloot dan een jaar eerder. Het allereerste jaar van de AEX was meteen het beste jaar. In 1983 schoot de index de startblokken uit met een plus van ruim 61%. Een dergelijk jaarrendement zouden beleggers nooit meer zien, althans tot heden.

Een ander buitengewoon goed jaar was 1988, toen de AEX herstelde van de beurskrach van 1987 (het op twee na slechtste jaar in de geschiedenis van de index). 2009 was het beste jaar van deze eeuw, tot nu toe. Ook dat was een hersteljaar.

En 2016? Analisten van grote banken verwachten veel van Europese aandelen voor het komende jaar. Met die stroom zou de AEX kunnen worden meegesleurd. Maar analisten zijn altijd positief rond de jaarwisseling. Begin voor de zekerheid maar vast met watertrappelen.