Aantal bouwvergunningen daalt: onze huizenmarkt wordt een parodie op zichzelf

Dat de Nederlandse woningmarkt slecht functioneert, dat weten we al een paar decennia. Als de prijzen stijgen, reageert het aanbod niet of nauwelijks. Daardoor ontstaan zeepbellen in goede tijden en stort het zaakje om de zoveel tijd met donderend geraas in elkaar.

Tot zover niets nieuws. Maar deze week werd onze huizenmarkt een parodie op zichzelf. Want terwijl de krapte weer eens op een hysterisch hoogtepunt staat, en iedereen schreeuwt om nieuwe woningen, ging het aantal nieuwe bouwvergunningen in het eerste kwartaal van dit jaar juist hard omlaag. Er werden slechts 12.500 vergunningen voor nieuwe woningen afgegeven, 26% minder dan een jaar eerder. We moeten zelfs terug naar begin 2016 om een lager aantal te vinden.

Er is zo weinig aanbod, dat het aantal verkochte nieuwbouwwoningen al enige tijd aan het dalen is. De gemiddelde prijs van nieuwbouw is dan ook flink gestegen. De enige oplossing voor deze krapte is toename van het aanbod, dus versnelde nieuwbouw, maar dan heb je juist meer bouwvergunningen nodig, niet minder. De huizenmarkt staat in brand, maar de brandweer besluit een baaldag te nemen en rijdt zo snel mogelijk weg van het vuur.

Om de situatie nog lachwekkender te maken: experts waren niet eens verbaasd over het instorten van de bouwvergunningen. Men had het zien aankomen. In Nederland gaan er jaren overheen voordat een nieuwbouwproject zich door alle bureaucratische lagen heeft heen gevochten. Tijdens en kort na de crisis is er simpelweg te weinig gedaan om de pijplijn vol te krijgen. Aan de projecten die in de slechte jaren op de plank waren gelegd wordt inmiddels gebouwd, maar voor een nieuwe stroom is niet gezorgd.

Van deze absurde ontwikkeling gaat heel woningzoekend Nederland last krijgen. Een oplossing is niet eenvoudig, want het probleem is structureel. Er moeten de komende jaren honderdduizenden woningen bijkomen, maar bestuurlijk en planologisch Nederland lijkt niet verder te komen dan plannetjes voor ‘inbreien binnen de stad’, herontwikkeling van oude fabrieksterreinen en omkatten van kantoren tot woningen. Daar gaan we het niet mee redden. Er moet ook weer gewoon gebouwd worden buiten de stad. Daar kan het sneller en goedkoper.

Ja, ik hou ook van de open ruimte in Nederland en zie graag de horizon. Maar het aantal huishoudens stijgt de komende jaren stevig door, en dat valt niet op te vangen met een paar extra flats op IJburg en een extra woontoren in Rotterdam. Bovendien willen veel mensen toch gewoon een gezinswoning met een tuintje. Er zullen dus ook nieuwe wijken moeten komen in het groen.

Het is hoog tijd voor regie van de Rijksoverheid. Sinds de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra – die de beroemde Vinex-locaties opleverde – bemoeit Den Haag zich nauwelijks meer direct met woningbouw. Er kwam ooit een vijfde nota, maar deze bleef steken in de Tweede Kamer. Provincies wijzen nu de bouwlocaties aan. Of beter: dat doen ze juist niet. Het Kabinet werkt momenteel aan een nieuwe Omgevingswet, maar daarin krijgen lokale overheden juist meer taken en instrumenten. Niks mis met decentralisatie, maar de woningbouw heeft nu juist centrale sturing nodig. Een vijfde nota vol met locaties voor nieuwe ‘Vijnex’-wijken.

Vervolgens moet de bouwsector zorgen dat deze wijken ook snel tot stand komen. Geld is er genoeg, maar aan vakmensen is een schreeuwend tekort. Betere arbeidsvoorwaarden (meer loon!), versnelde opleidingen en (onvermijdelijk) arbeidsmigranten zijn nodig om voldoende bouwvakkers aan te trekken. Ook moet de sector zijn conservatieve veren afschudden en het bouwproces standaardiseren en mechaniseren. De productiviteit per werknemer moet snel omhoog.

Ten slotte kunnen we ook de bestaande woningvoorraad beter benutten. We komen woningen tekort in Nederland, maar er zijn ook regio’s met een overschot. Verbeter de infrastructuur (waar blijven de snelle binnenlandse treinen, waar blijft het lightrail-netwerk?) zodat reistijden korter worden en forenzen verder van hun werk kunnen wonen. Als we Nederland wat kleiner maken, wordt de woningmarkt groter.

(FD)

Een verplichte verzekering voor zzp’ers: makkelijker bedacht dan uitgevoerd

Mooi natuurlijk, zo’n pensioenakkoord na vele jaren van vergaderen. De polder levert weer. Links en rechts werken samen alsof de politieke polarisatie nooit heeft plaatsgevonden. Maar ik mis wel wat in het akkoord: statiegeld op blikjes en frisdrankflesjes. Waarom hebben ze dat niet even geregeld? Overal zie ik zwerfvuil, maar de pensioenonderhandelaars vinden dat blijkbaar geen probleem. Net zomin als ze het nodig vonden om iets aan de files te doen, of het pensioenoverleg aan te grijpen om de tekorten in de zorg aan te pakken. Wat een gemiste kansen!

Nee, frisdrankflesjes en zorgtekorten hebben niets te maken met ons pensioen. Maar dat geldt ook voor de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV) voor zelfstandigen, en dat was blijkbaar wel een essentieel onderdeel van het akkoord.

Geen wonder dat zzp’ers boos zijn. Zonder dat ze zelf aan tafel zaten, werd hun portemonnee het ontbrekende puzzelstukje van het pensioenoverleg. Alleen als het kabinet instemde met een verzekeringsplicht, wilden vakbond en linkse oppositie instemmen met de plannen voor een nieuw pensioenstelsel. Maar zelfstandigen willen niet verplicht worden. Ze willen zelfstandig zijn.

Nu is er vanuit economisch oogpunt toch echt wel wat te zeggen voor een verplichte AOV. Laat je het vrij, dan zullen vooral de mensen die een groter risico lopen zich verzekeren. Daardoor wordt de premie hoog en dat schrikt andere zzp’ers af. Verzekeren werkt alleen als risico’s worden gedeeld en bij arbeidsongeschiktheid is daar misschien wat overheidsdwang voor nodig.

Dat wil niet zeggen dat ik bij voorbaat enthousiast ben over dit deel van het pensioenakkoord. Hoe de verplichte AOV eruit gaat zien is nog volstrekt onduidelijk. Daar gaat men nog tot 2020 op studeren. Maar het succes van zo’n regeling is geheel afhankelijk van de details van de uitvoering. In het schema hieronder heb ik een aantal belangrijke keuzes op een rij gezet.

Allereerst is er de vraag voor wie de verplichting precies gaat gelden. Voor alle zzp’ers? Of hoeven zelfstandigen die aantoonbaar voldoende vermogen hebben om arbeidsongeschiktheid zelf op te kunnen vangen niet mee te doen? Ook vanuit maatschappelijk oogpunt lijkt het weinig zinvol om miljonairs een extra verzekering op te dringen. En wat doen we met zzp’ers die al een keurige AOV hebben? Ik ben zelf zo’n brave zelfstandige en heb jaren geleden een perfect op maat gesneden verzekering afgesloten. Moet ik daar uit en dan verplicht het Mao-pakje van de staats-AOV aan? Voor boeren (vaak ook zzp-er), die vaak bij ziekte een beroep kunnen doen op via een coöperatie betaalde invalkrachten, is in de tekst van het pensioenakkoord zelfs al een uitzondering gemaakt. Maar goed, LTO-Nederland zat dan ook wél aan tafel bij het overleg.

Volgende vraag: wordt het een privaat of publiek stelsel? Minister Wouter Koolmees van Sociale Zaken ziet vooral een publieke taak die het UWV zou kunnen uitvoeren. Maar of de verzekeraars zich zo makkelijk weg laten drukken, betwijfel ik.

Overigens kunnen zzp’er zich nu al vrijwillig bij het UWV verzekeren. Verzekeren van een ‘dagloon’ van €200 euro kost €315 per maand. De eerste twee jaar zijn dan voor eigen risico. Wil je daarvoor een ziektewetverzekering afsluiten, dan wordt de totale premie €673 per maand. Dat is geen misselijk bedrag. Over het eigen risico van de verplichte AOV zal dan ook goed moeten worden nagedacht. Gaat de uitkering direct in, of vallen de eerste twee jaar onder het ondernemersrisico?

Zo zijn er nog meer vragen. Hoe solidair willen we het hebben? Betalen mensen met bestaande aandoeningen evenveel premie? Of wordt de premie bepaald na een medische test? Gaan goedverdienende zzp’ers meer premie betalen en krijgen ze daar dan ook meer dekking voor terug? Komt er een maximum op de uitkering? En zo ja: kunnen rijke zzp’ers dan bijverzekeren?

Zelfstandigen vormen een buitengewoon diverse groep. Het zal bepaald niet eenvoudig zijn om daar een uniforme regeling voor te bedenken. Misschien is het wel onmogelijk. Hadden de vakbonden toch beter iets aan de rondslingerende colablikjes kunnen doen.

(FD)

Geef gemeenten een hengel

De jeugdzorg krijgt extra geld, meer dan een miljard euro in drie jaar tijd. Dit jaar komt er €420 mln bij en de komende twee jaar nog eens €300 mln per jaar, zo schrijft Wopke Hoekstra deze week in zijn Voorjaarsnota. Er schiet geld over, dus de minister van Financiën kan gul zijn.

Met een miljard in drie jaar lijkt de druk eraf bij de gemeenten. Sinds de decentralisatie van de jeugdzorg komen zij geld tekort. Niet zozeer omdat het Rijk parallel aan de decentralisatie een efficiëntiekorting invoerde, want de honderden miljoenen die er toen werden bezuinigd op de jeugdzorg hebben de gemeenten nog wel weten te absorberen. Maar door de tegelijkertijd toegenomen vraag naar jeugdzorg, schieten de budgetten toch tekort.

Prima dat er geld bijkomt, maar een fundamentele weeffout blijft bestaan: gemeenten hebben bij de decentralisatie een nieuwe taak gekregen, maar geen nieuwe middelen. Ze gaan wel over de uitgaven voor jeugdzorg, maar niet over de inkomsten. Hierdoor worden gemeenten al meer een uitvoeringsorganisatie dan een onafhankelijke bestuurslaag.

‘Invoering van een ‘ingezetenbelasting’ moet gepaard gaan met verlaging van de Rijksbelastingen’

Vergelijk het met de manier waarop we over ontwikkelingshulp denken. Wat geef je aan een arme man of vrouw in een land met hongersnood? Een vis, zodat het gezin vanavond weer eten heeft? Of een vishengel, zodat ze hun eigen maaltje kunnen vissen? Iedere ontwikkelingswerker kiest blind voor de tweede optie. Je helpt mensen vooral door ze de mogelijkheid te geven om voor zichzelf te zorgen.

Daar zouden de Nederlandse gemeenten ook mee geholpen zijn. Geen miljoenen uit Den Haag, maar een instrument om zelf geld bij elkaar te hengelen. Door alle decentralisaties van de afgelopen jaren zijn de gemeenten voor hun inkomsten afhankelijker geworden van het Rijk. Daardoor kunnen ze aan hun inwoners geen duidelijke politieke keuzes meer voorhouden. Ze kunnen niet vragen: wilt u meer jeugdzorg? Dan moeten de belastingen omhoog. Want over de inkomstenkant gaan ze niet. De juiste politieke afwegingen kunnen daarom niet worden gemaakt.

Gemeenten hebben daarom geen vis nodig, maar een hengel. Bijvoorbeeld in de vorm van een nieuwe belasting op het inkomen van inwoners. Zo’n ‘ingezetenbelasting’ moet natuurlijk gepaard gaan met een verlaging van de Rijksbelastingen. Een commissie onder leiding van VVD’er Bas Eenhoorn pleitte hier al in 2005 voor en ook in later verschenen rapporten werd voor gemeentebelastingen gepleit. Maar er gebeurde niets. Hoogste tijd dat Den Haag snapt dat decentralisatie van taken ook decentralisatie van belastingheffing betekent.

(FD)

Trump ver weg in Den Haag

‘Do not pet’ staat er op het jasje van de zwarte hond. Het is een ‘Veteran Service Dog’, dus liever niet aaien. Dit is de hulphond van een Amerikaanse oud-militair. De man die hem meenam in de Haagse congreszaal, waar wordt gesproken over drinkwater en hoe dat al schaarser wordt op onze planeet, heeft ergens in een gruwelijke oorlog gevochten en de hond helpt hem om met het psychische trauma van die ervaring om te gaan.

Dat lees ik in elk geval later, als ik ‘Veteran Service Dog’ google. Zo’n hond helpt mensen met een posttraumatische stress- stoornis, om in drukke omstandigheden rust te vinden. Ik had het de veteraan zelf kunnen vragen, natuurlijk, maar de hondenbezitter wilde wel met mij praten, alleen niet over hulpdieren. Verticalen boerderijen, daar wilde hij wat over kwijt. ‘We moeten ons voedsel niet meer op akkers, maar in wolkenkrabbers gaan verbouwen’, vertelde hij enthousiast. ‘Alleen zo kunnen we de wereld voeden, zonder roofbouw op de planeet te plegen’. Met zijn bedrijf Skyscraper Farm wil hij dat gaan bereiken.

‘Ik trof alleen maar redelijke Amerikaanse ondernemers. Over Trump wilden ze het liever niet hebben’

Op zijn Linkedin-account lees ik dat deze idealistische verticale boer inderdaad heeft gevochten. Hij was ‘team leadleader into Baghdad 2003’, datis het jaar van de Irak-oorlog.Daarna werkte hij in Bagdadvoor het paramilitaire beveiligingsbedrijf Blackwater. En nu probeert hij de wereldwijde voedsel- en watercrisis te bevechten. Samen met z’n hond.

Het was een van de interessante ontmoetingen die ik dinsdag had tijdens de Global Entrepreneurship Summit (GES) in Den Haag. Deze prestigieuze bijeenkomst van ondernemers wordt dit jaar georganiseerd door Nederland, samen met de Verenigde Staten. Normaal hou ik niet van dit soort congressen. Je moet luisteren naar panels vol met bevlogen ceo’s die gisteren nog probeerden zoveel mogelijk winst te maken, maar vandaag even helemaal idolaat zijn van de ‘Sustainable Development Goals’ van de VN. De recyclebare waterflesjes zijn afgevuld met 100% hypocrisie.

Ik kwam eerlijk gezegd vooral om iets van de Trump-revolte op te snuiven. Tussen de opening door de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Mike Pompeo en de sluiting voor ‘first daughter’ Ivanka Trump zou het congrescentrum toch moeten trillen van de onderhuidse Europees-Amerikaanse aversie, van de angst voor handelsoorlog en de ontmanteling van de liberale wereldorde?

Maar niets daarvan. Ik trof alleen redelijke Amerikaanse ondernemers. Over Trump wilden ze het liever niet hebben. Wel over (echt waar) samenwerking met Europese bedrijven. Ik werd er zelfs een beetje optimistisch van. Het moet niet gekker worden. Wie geeft me een aai?

(FD)

Voer Sonja, Igor en Natasja niet aan de wolven

De ene hand uitgestoken in vriendschap, maar in de andere een honkbalknuppel om de volgende beuk uit te delen. Dat is de manier waarop de Amerikaanse president Donald Trump zijn handelspolitiek voert.

De inkt van de nieuwe handelsdeal tussen de Verenigde Staten en Mexico is nog niet droog – het Amerikaanse congres moet nog instemmen met het nieuwe United States-Mexico-Canada Agreement (USMCA) dat het North American Free Trade Agreement (Nafta) gaat vervangen -, maar de nieuwe dreun is al weer gegeven. Totdat Mexico zorgt dat de illegale immigratie vanuit Zuid-Amerika naar de VS stopt, geldt een 5%-straftarief op Mexicaanse import, zo kondigde de Amerikaanse overheid donderdag aan.

Mexicaanse politici die dachten dat ze door mee te buigen met de Amerikaanse handelseisen de zaak konden sussen, hebben de wispelturigheid van de Amerikaanse politiek op een dramatische manier onderschat. Ze hoopten met een handelsdeal importheffingen af te wenden, maar blijken alleen maar het geloof van Trump in de kracht van importtarieven te hebben versterkt. Dit smaakt naar meer, denkt Trump. Of in zijn eigen woorden: ‘Trade wars are good and easy to win.’

In Peking fronst men de wenkbrauwen. En in Brussel ook. Hoe werkt dat precies met deze Amerikaanse president? Kun je wel serieuze afspraken met hem maken? De Chinezen voeren al maandenlang vredesonderhandelingen om de voor beide kanten desastreuze handelsoorlog te beslechten. En de Europeanen hopen via nieuw overleg nieuwe Amerikaanse importtarieven voor bijvoorbeeld Europese auto’s te voorkomen. Maar wat is dergelijk overleg waard als de Amerikanen zich na een akkoord omdraaien en de volgende handelsoorlog beginnen?

Het Amerikaanse handelsbeleid is net als de Dodenrit van Drs. P: Gooi kleine Pjotr uit de trojka om de hongerige wolven tevreden te stellen, en een minuut later komen ze alweer voor Sonja (ondanks haar mooie alt). Dan gaat de jonge violist Igor eraan (‘helaas, jij wordt geen virtuoos’) en weer even later ook Natasja (‘zij leert zo goed op school’). ‘Trojka hier, trojka daar, Trumps handelsoorlog is nooit klaar.’

Met de nieuwe tarieven op Mexicaanse import schakelt de Amerikaanse handelspolitiek naar de derde versnelling. Eerst ging het nog puur om onevenwichtige handelsbalansen: Europa en China exporteren meer naar de VS dan andersom, dus moesten de Amerikaanse handelstarieven omhoog. Daarna zette Trump de aanval in op buitenlandse technologie en moest bijvoorbeeld het Chinese Huawei het ontgelden. En nu zet hij hem in zijn drie: importtarieven als middel om immigratie te bestrijden. Handelspolitiek is nu een generiek wapen geworden, inzetbaar voor iedere politieke strijd.

Geen wonder dat de aandelenbeurzen daalden, toen Trump zijn nieuwe aanval op Mexico op Twitter zette. En ook rentes gingen wereldwijd omlaag. Een handelsoorlog kost iedereen geld. Inmiddels is het beleid van Trump zelf in de wereldhandelscijfers terug te zien. Volgens het Centraal Planbureau is het volume van de wereldhandel de afgelopen twee jaar nauwelijks meer toegenomen. Na de crisis van 2008 en 2009 was er juist sprake van robuust herstel, maar sinds Trumps tarieven is er geen sprake meer van groei. Als de wereld dit of volgend jaar in een recessie belandt, dan is het Amerikaanse handelsbeleid de belangrijkste oorzaak. Handelsoorlogen zijn niet ‘great’ en kennen alleen maar verliezers.

(eerder in FD)

Sluiten vraag en aanbod op de arbeidsmarkt nog wel aan? Misschien meer dan we denken

Wat zijn de drie belangrijkste eisen die u stelt aan een potentiële werknemer?? Ik vroeg het een recruiter van een grote multinational en zijn antwoord verbaasde mij. Ik weet zijn top-3 niet eens meer precies. Iets met ‘persoonlijke motivatie’ op nummer een, ‘buitenlandse ervaringen’ op twee en ‘vrijwilligerswerk’ op drie.

Ik was verbaasd, want ik had gedacht dat ‘studierichting’ of ‘vakgebied’ in zijn top-3 zou. “En de volgende drie?”, vroeg ik daarom hoopvol. Het antwoord was weer onverwacht. Sport, studentenbaantjes en bestuursfuncties in verenigingen, zo zag ongeveer de top-3-tot-6 er uit. “Maar de studierichting dan? Iemands expertise!”, riep ik uit. De recruiter keek me met lege ogen aan. ‘Wat kan mij dat schelen’, wat zijn antwoord. ‘Het vak leren wij ze wel. Mij gaat het om wie ze zijn.’

Opleiding speelt blijkbaar geen rol in de 21ste eeuw. Het gaat om de persoonlijke ervaringen. Wat je moet kunnen om je vak uit te oefenen is van secundair belang. Voor een econoom is dat moeilijk te begrijpen. Vier of vijf jaar investeren in een studierichting en dan beoordeeld worden op je verenigingswerk? Idioot!

Gezond verstand

Gelukkig staat oud-staatssecretaris Martin van Rijn aan de kant staat van het gezond verstand. Hij presenteerde deze week zijn rapport over het hoger onderwijs en daarin gaat het gewoon weer over kennis en expertise. Van Rijn stelt dat er een mismatch is tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. De economie vraagt om technici, maar universiteiten en hogescholen leveren vooral bedrijfskundigen en psychologen af. Technische universiteiten stellen studentenstops in, terwijl bij ‘vrijetijdswetenschappen’ de deur wijd open blijft staan. Er moet meer geld naar technische opleidingen en minder naar de pretstudies waar niemand op zit te wachten. Zo schreef Van Rijn het natuurlijk niet op, maar ik denk dat dit de lading dekt. Aan de toon van mijn samenvatting kunt u aflezen hoezeer ik dit advies toejuich.

Ik juich het toe, maar u waarschijnlijk ook. Dat maak ik in elk geval op uit de reacties die ik op mijn ‘Raderwerk’ van vorige week kreeg. Toen schreef ik het over de Nederlandse arbeidsmarkt en verwonderde mij over de 17.000 Nederlandse mannen met een vakopleiding die – blijkens de laatste cijfers – daaraan niet actief deelnamen. Ik vroeg de lezer om een verklaring van dit fenomeen. Er was een aantal huismannen die mij per mail vertelde over de arbeidsverdeling in de 21ste eeuw. Ik kreeg ook een reactie van een zelfbewuste inactieve man met een vakopleiding, die mij liet weten tegen de huidige arbeidsvoorwaarden niet te willen werken.

Maar de meest reacties gingen over de mismatch op de arbeidsmarkt. Het aanbod sluit simpelweg niet aan bij de vraag. We zoeken data-scientists en experts op gebied van machine learning en robotisering. Maar het aanbod bestaat uit gemankeerde bestuurskundigen en afgestudeerden Keltische talen. Er is een mismatch. Onze arbeidsmarkt werkt niet goed.

Ik snap het sentiment. Maar zijn er ook cijfers die het onderbouwen? Hoe groot is de mismatch op onze arbeidsmarkt? Toevallig kwamen daar deze week ook cijfers over uit. Het CBS berekende dat het werkloosheidspercentage momenteel 3.3% is. Tegelijkertijd bedraagt de vacaturegraad ook 3,3%. Er zijn nu evenveel vacatures als werklozen. De arbeidsmarkt is nog nooit zo krap geweest.

Harde cijfers

Kijk maar naar de grafiek: perioden van recessie en hoogconjunctuur volgden elkaar op, maar de combinatie van 3,3% vacatures en werkloosheid hadden we nog nooit. Volgens sommige economen geeft de verhouding tussen vacatures en werkloosheid goed aan hoe groot of klein de mismatch is. Hogere werkloosheid, bij dezelfde vacaturegraad (of andersom), duidt op een toenemende mismatch.

Maar in Nederland is daar niets van te zien. Sinds 2003 gingen we door twee recessies en twee perioden van hoogconjunctuur. Maar de verhouding tussen vacatures en werkloosheid verslechterde niet structureel. Het voelt alsof de Nederlandse arbeidsmarkt minder goed werkt en alsof vraag minder goed aansluit op het aanbod, maar de harde cijfers laten zien dat het eigenlijk prima gaat. De recruiter had misschien toch gelijk.

(FD)

Een beetje ‘nexit’ bestaat niet

Moet Nederland in de Europese Unie blijven of eruit stappen? Dat lijkt me de eerste vraag die een politicus beantwoordt als hij besluit mee te doen aan de Europese verkiezingen. Ga ik naar Brussel om de EU te verbeteren, of om er zo snel mogelijk mee te stoppen? Het is de existentiële vraag waar al je standpunten over Europees beleid uiteindelijk een afgeleide van zijn.

Maar Derk Jan Eppink, lijsttrekker van Forum voor Democratie, heeft moeite met de beantwoording. Voorheen was zijn partij onomwonden voorstander van ‘nexit’, maar na wat intern geruzie is dat standpunt van de website geschrapt. Het Forum is nu vooral voor een referendum over de EU, zodat de burger zelf kan beslissen. Toen de PVV onlangs een nexit-motie indiende, stemde de voltallige Tweede Kamerfractie van FvD tegen de motie.

Eppink, die al meer jaren in het vervloekte Brussel werkt dan Geert Wilders zijn bankje in het Nederlandse ‘nepparlement’ warm houdt, krijgt het nexit-woord dan ook niet over zijn lippen. Wat zijn partij precies wil met het Nederlandse EU-lidmaatschap? Eerst maar een referendum, daarna zien we wel.

‘Het Forum wil ‘stoppen met de eenheidsmunt’. Maar uit de euro betekent uit de Europese Unie’

Toch is zijn partij hier eigenlijk heel duidelijk over. Wie de standpunten van FvD leest kan niet anders concluderen dan dat de partij wil dat Nederland de EU verlaat. De partij van Eppink wil uit de monetaire unie en uit de douane-unie en beide standpunten zijn niet te rijmen met EU-lidmaatschap.

Het Forum wil ‘stoppen met de eenheidsmunt’, zo staat er op de website. Maar uit de euro betekent uit de EU. Want volgens het EU-Verdrag zijn lidstaten verplicht om de euro in te voeren. Alleen voor de Britten en de Denen geldt een uitzondering. Wil Nederland ook zo’n uitzondering krijgen, dan vergt dat minimaal een verdragswijziging waar alle andere lidstaten mee moeten instemmen.

De partij wil ook ‘Nederland bevrijden uit de douane-unie’, zodat we weer de vrijheid hebben om ‘zelfstandig handelsakkoorden te sluiten met de rest van de wereld’. De Europese douane-unie vormt zo ongeveer de basis van de EU. Deze afspraken over interne en externe invoertarieven stammen uit 1968 en waren een essentieel onderdeel van het EEG-Verdrag. (Overigens is het juist die oude EEG waar FvD, inclusief Eppink, zo naar terugverlangt). Het idee dat Nederland uit de douane-unie zou kunnen treden, zonder direct het lidmaatschap van de EU op te geven, is absurd. Juridisch is het een onlosmakelijk verbonden met het ander.

Het FvD wil dus uit de EU. Een stem op Eppink is een stem voor nexit. Of hij dat nou zelf toegeeft of niet.

Deze column verscheen op 14 mei in FD

Sterke provincies profiteren van de zwakkere: hoogste tijd voor ouderwets regiobeleid

Investeer een miljoen in Drenthe, en in Overijssel vieren ze feest. Doe hetzelfde in Overijssel en in Noord-Brabant gaat de kurk van de fles. Extra investeringen in Noord-Brabant zorgen voor een feeststemming in Zuid-Holland. Onze provincies zijn geen gesloten economieën, dus als de een meer uitgeeft, profiteren de andere daar ook van.

Dat is natuurlijk geen verrassende vaststelling; de Nederlandse productieketens houden zich niet aan provinciegrenzen. Toch besloten onderzoekers van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) de economische samenhang tussen de provincies nauwkeurig in kaart te brengen. Dat deden ze met een goede reden. Daarover later meer, eerst de resultaten van het onderzoek.

Het bestedingseffect van een investeringsimpuls in een gemiddelde provincie slaat voor bijna driekwart neer in die provincie zelf neer. Gemiddeld 17% van de extra productie komt in andere provincies terecht. De rest van de bestedingen (zo’n 9%) gaat via import naar het buitenland. In een aantal provincies is de ‘weglek’ wat groter. Flevoland houdt maar 68% van een investering in de eigen regio binnenboord. Voor Drenthe is dat percentage vrijwel hetzelfde: 67%. Logischerwijs zijn het vooral de wat kleinere provincies waar relatief veel van de extra bestedingen buiten de provinciegrenzen belanden.

Het zijn de economisch sterke regio’s die juist profiteren. Noord- en Zuid-Holland en Noord-Brabant komen uit de bus als duidelijke winnaars. Van investeringen in Groningen en Friesland profiteert Noord-Holland het meest, terwijl Zuid-Holland de grootste ontvanger is van extra uitgaven in Noord-Brabant en Flevoland. Noord-Brabant zelf is de grootste winnaar bij maar liefst zeven provincies en kunnen we dus uitroepen tot Kampioen Meeliften. Dat komt vooral door de grote Brabantse bouwsector, schrijven de onderzoekers, maar verderop in het rapport laten ze ook zien dat Noord-Brabant via de indrukwekkende techsector bestedingen uit andere provincies aantrekt.

Dit is belangrijke nieuwe kennis. Het PBL laat zien dat sterke regio’s meer profiteren van zwakkere regio’s dan andersom. Van extra geld voor Zeeland of Limburg komt een flink deel in Noord-Brabant terecht, maar als Brabanders investeren sijpelt er maar weinig door naar de Zeeuwse en Limburgse economie. Daarmee ontkrachten de onderzoekers het optimistische idee dat als we maar flink investeren in de Nederlandse topregio’s als Amsterdam, de Rotterdamse haven en de regio Eindhoven, zwakkere regio’s worden meegesleept in de vaart der volkeren. Die hypothese was ooit een van de redenen om te stoppen met het (niet al te succesvolle) Nederlandse regiobeleid. In plaats daarvan kwam ‘Pieken in de Delta’ en het ‘Topsectorenbeleid’, waarmee juist alle geld en energie op de winnaars werd gezet.

Afgaande op het PBL-rapport wordt het tijd dat de pendule weer terugzwaait, want het beleid maakt de ongelijkheid tussen regio’s groter. Het centrum groeit, de periferie blijft achter. Misschien moet er toch weer gerichter regiobeleid worden gevoerd. Nederland is meer dan een paar grote steden met wat prut ertussen, schreef ik op deze plaats al eens. Die prut verdient in elk geval ook de aandacht van Den Haag.

Recent internationaal onderzoek komt tot een soortgelijke conclusie. Volgens de gerenommeerde geograaf Andrés Rodríguez-Pose van de London School of Economics zorgt de wereldwijde trend van urbanisatie en agglomeratie voor vergeten regio’s waar de economische omstandigheden verslechteren en de inwoners minder kansen hebben. De opkomst van populistische partijen zou mede te wijten zijn aan deze regionale ongelijkheid. Rodríguez-Pose noemt dat ‘De wraak van de plaatsen die er niet toe doen’ en pleit voor beleid gericht op de ontwikkeling van achterblijvende regio’s.

Het Nederlandse beleid richt zich nog altijd vooral op de winnaars. In de Ruimtelijk Economische Ontwikkelstrategie (REOS)  van dit kabinet, gaat het over ‘internationaal concurrerende toplocaties’, ‘aantrekken van toptalent’ en ‘versterken van connectiviteit van toplocaties’. Misschien moet er daarnaast ook meer aandacht komen voor ‘floplocaties’, voor regio’s die nietautomatisch profiteren van trends als urbanisatie, globalisering en digitalisering. Niet per se om de populisten de pas af te snijden, maar omdat minder regionale ongelijkheid ons land gewoon wat prettiger maakt.

(FD)

Niet naïef maar hypocriet

Wopke Hoekstra hield een lezing in Berlijn. Het ging over Europa en het was een prima verhaal. De minister van Financiën vertelde over zijn liefde voor Europa en verklaarde zichzelf tot ‘geharnast voorstander van de Europese Unie, en van meer Europese samenwerking’. Dat is prettig om te horen in de week nadat zijn eigen CDA enthousiast meestemde met een motie, waarin het idee van een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa bij het vuilnis werd gezet.

Maar ik heb ook een puntje van kritiek. Hoekstra bevestigde in zijn speech de mythe dat de EU op het wereldtoneel tekortschiet, omdat Europeanen zo naïef zijn. Volgens de minister is het belangrijk dat Europa ‘de ontwapenende naïviteit van vandaag de dag’ verlaat.

‘Waren Europese politici maar wat naïever, dan gunden ze elkaar vaker een succesje’

Dit hoor je tegenwoordig vaak. Europa is een naïef werelddeel, dat denkt dat men zich elders in de wereld netjes aan de regels houdt en dat landen als China en Rusland het uiteindelijk wel goed bedoelen. We kopen Russisch gas, delen onze kennis met Chinese studenten en bedrijven, bepleiten vrijhandel en internationale samenwerking, maar hebben niet door dat andere landen daar misbruik van maken.

Het is een gevaarlijke mythe. Dat de EU op het wereldtoneel geen vuist maakt komt niet omdat onze politici naïef zijn, maar juist omdat ze opportunistisch en cynisch zijn. Je hoeft aan Europeanen echt niet uit te leggen dat de wereld een gevaarlijke plek is en dat het buitenland soms van kwade zin is. Dat hebben we na millennia van Europese machtspolitiek wel geleerd. Europese politici zijn juist te cynisch over de bedoelingen van andere lidstaten en vrezen bij iedere poging tot samenwerking meer te moeten inleveren dan de ander.

Om een vuist te maken tegen Rusland, om de technologierace te winnen van China en de handelsoorlog van het Amerika van Donald Trump, moeten Europese politici geen afscheid nemen van hun naïviteit, maar van hun hypocrisie. Willen we Europese techreuzen? Dan moet er nationaal geld naar Europese investeringen in nieuwe technologie, ook als bijvoorbeeld Nederland meer moet bijdragen dan het zelf direct terugkrijgt. Willen we een munt die kan concurreren met de dollar? Dan heeft de euro een stevigere basis nodig, bijvoorbeeld van een effectieve eurobegroting waaraan alle lidstaten meebetalen en een bankenunie met een collectieve depositogarantie.

Waren Europese politici maar wat naïever, dan gunden ze elkaar vaker een succesje en beoordeelden ze beleidsvoorstellen minder vaak op de gevolgen voor eigen land. Zolang het cynisme en de hypocrisie in Europa de boventoon voeren, zal de EU de tweede viool blijven spelen.

(FD)

Zijn er teveel elektrische auto’s in Nederland?

Je bent politicus en je wil wat. Anders had je wel een ander vak gekozen. Je hebt een duidelijk doel voor ogen. Maar daarmee ben je er niet, je hebt ook middelen nodig, beleid om je doel te bereiken. En als je een serieuze politicus wil je ook een analyse van de resultaten: brengt het beleid het doel dichterbij?

Dat is de heilige drie-eenheid van de serieuze politiek: doel, beleid en evaluatie. Een voorbeeld: de politiek wil autovervoer vergroenen. Het doel is twee miljoen elektrische auto’s in 2030. Daarvoor worden belastinginstrumenten ingezet: vrijstelling van wegenbelasting en bpm en een lage bijtelling.

Kort na de start doe je een tussentijdse beleidsevaluatie. Wat blijkt? De belastingmaatregelen zijn iets effectiever dan gedacht. Hoewel het aantal volledig elektrische auto’s van 45.000 begin 2019 nog verwaarloosbaar is, gaat het net een beetje beter dan verwacht. Blijkbaar reageren burgers iets enthousiaster op de belastingprikkel. Het doel van twee miljoen is nog mijlenver uit zicht, maar dit is toch wel een hoopvol begin.

‘Ondertussen geeft de overheid miljarden uit aan belastingsubsidies met doel noch evaluatie’

Maar dan komt de kritiek. Dit is geldverspilling, roept men. Er worden iets meer elektrische auto’s verkocht dan verwacht. Daardoor is er iets meer derving van belastinginkomsten. Verspilling! Weggegooid geld! Wie stopt deze gekte? Niet dat deze critici (nota bene uit je eigen coalitie) de doelstelling van twee miljoen auto’s in 2030 bestrijden, maar de curve naar die doelstelling toe loopt in de eerste jaren niet vlak genoeg. Op weg naar de twee miljoen hadden er anno 2019 minder dan 45.000 elektrische auto’s moeten rondrijden. Dat was op de een of andere manier goedkoper en dus beter geweest.

De elektrische auto is zo het slachtoffer van keurige politiek. Het doel is zo duidelijk en de tussentijdse evaluatie zo consequent, dat er altijd wel een gaatje in te schieten valt.

Ondertussen geeft de overheid miljarden uit aan belastingsubsidies met doel noch evaluatie. Meer dan twee miljard gaat jaarlijks op aan accijnsvrij vliegen. Niemand kent het doel van deze maatregel (goedkoper naar Benidorm?). Er gaat een half miljard naar lage belasting voor boeken en tijdschriften. Lezen we daardoor meer? Niemand die het weet. Hypotheekrenteaftek kost jaarlijks €14 miljard, maar het doel van deze kostenpost is al decennia geleden vergeten. Nog veel meer geven we ieder jaar uit aan subsidie op pensioensparen. Waarom precies? Is dat geld wel goed besteed?

Het zijn belangrijke vragen. Zodra Den Haag klaar is met analyseren van de net een tikkeltje te succesvolle stimulering van elektrisch rijden, gaat men het ongetwijfeld grondig uitzoeken.

(FD)

journalist en econoom