Robotisering gaat sneller dan voorspeld, vooral door investeringen in China

De grens van twee miljoen is doorbroken. Vorig jaar werd ergens in de wereld de twee miljoenste industriële robot geïnstalleerd. Dat blijkt uit nieuwe cijfers van de International Federation of Robotics (IFR), de branchevereniging van robotproducenten wereldwijd en de enige betrouwbare bron van harde cijfers over de opmars van de robot in de industrie.

Die opmars is de afgelopen paar jaar in een versnelling gekomen. In 2008 werd voor het eerst de grens van een miljoen operationele robots doorbroken. De jaren daarna steeg het aantal robots met gemiddeld zo’n 7%. Vanaf 2014 gaat dat met ruim 10%. En in 2017 steeg het aantal industriële robots zelfs met 15%. Overigens gaat het hier om schattingen van de IFR, op basis van de jaarlijkse robotverkopen en een veronderstelde levensduur van twaalf jaar.

De kans is groot dat die twee miljoenste robot in een fabriek in China terecht is gekomen. Want dat land is verreweg de grootste investeerder in robots. Van de ruim 380.000 nieuwe robots die in 2017 wereldwijd werden verkocht, gingen er bijna 138.000 – dus meer dan een derde – naar China. Nog eens een derde kwam in andere Aziatische landen terecht, vooral in Japan, Zuid-Korea, Taiwan en Vietnam.

China is bezig met een razendsnelle inhaalslag. Per 10.000 werknemers in de Chinese industrie, staan er nu 97 robots opgesteld. Dat is nog steeds minder dan in andere industrielanden: bijvoorbeeld Duitsland heeft 322 robots per 10.000 werknemers, in Zuid-Korea is dat zelfs 710. Maar met 97 komt China wel voor het eerst boven het mondiale gemiddelde. Er wordt nu zo snel geïnvesteerd, dat het land binnenkort ook op het gebied van robotisering in de voorhoede mee zal doen. Arbeid wordt snel duurder in China en de vergrijzing zet de komende jaren stevig door, dus als het land de fabriek van de wereld wil blijven, is snelle robotisering noodzakelijk. De IFR verwacht dat het aantal nieuwe robots die China jaarlijks in gebruik neemt de komende vier jaar zal verdubbelen. In 2021 zal dan bijna de helft van alle nieuwe industriële robots naar China gaan.

Daar steekt Europa karig bij af. Natuurlijk, Europese bedrijven liggen momenteel nog ver voor op China. Naast koploper Duitsland is ook de industrie in Denemarken, Zweden, België en Italië flink gerobotiseerd. Maar van de nieuwe systemen belandde in 2017 slechts 17% in Europese fabrieken. Een relatief groot deel daarvan ging naar landen in Oost- en Midden-Europa.

En Nederland? Wij doen de afgelopen paar jaar steeds beter mee. Onze industrie heeft een tussensprint ingezet. Stonden we in 2011 nog achter in het veld met nog geen 100 robots per 10.000 werknemers in de industrie. Inmiddels is Nederland met 172 een aardige middenmoter. In 2017 kwamen er 1.814 nieuwe robots bij in Nederland. Dat is een nieuw record, maar tegelijk ligt dit aantal slechts 2% boven dat van 2016. Dat is de laagste groei in vijf jaar tijd. In 2016 steeg het aantal aangeschafte robots nog met 20%. Een jaar daarvoor was dat 21% en in 2014 zelfs 38%.

De 2% groei in Nederland valt dus wat tegen. Maar over het algemeen wijst niets in het IFR-rapport er op dat de mondiale trend van robotisering stoom aan het verliezen is. Integendeel, de opstellers van het rapport verwachten juist een verdere acceleratie. IFR is een brancheorganisatie, dus enig overdreven optimisme lijkt logisch. Maar terugkijkend naar de voorspellingen van de afgelopen jaren is men eigenlijk steeds te pessimistisch geweest. Tussen 2014 en nu kwam het werkelijk aantal verkochte robots telkens ruim boven de voorspelling uit. Gemiddeld met maar liefst 25%.

De robotisering gaat nu zo snel, dat zelfs de producenten de ontwikkelingen structureel onderschatten.

Lessen van Paars 1

Minachting en paniek

Voelt u het ook, die ongewone combinatie van minachting en paniek? Voelt u die diepe minachting voor de Britten die tijdens de brexit-onderhandelingen telkens weer het onderspit delven en aan de onderhandelingstafel al bij voorbaat de handdoek in de ring gooien? En voelt u tegelijkertijd die verlammende paniek, omdat de Britten juist alle kaarten in handen hebben en zich in de onderhandelingen dus keihard kunnen opstellen?

Minachting en paniek. Het lijkt een onwaarschijnlijke mix van emoties. Maar toch is dat precies wat wij, continentale Europeanen, op dit moment voelen – althans, volgens de belangrijkste voorstanders van een harde brexit, die zich deze week weer flink roeren in de Britse pers.

De opgestapte minister van buitenlandse zaken en opper-brexiteer Boris Johnson schreef een column in The Telegraph waarin hij de minachting-invalshoek voor zijn rekening neemt. Titel van het stuk: ‘De EU behandelt ons met onverholen minachting – we moeten stoppen met deze capitulatie van ons land.’

De Britten doen alles om het de EU naar de zin te maken, schrijft Johnson. ‘We hebben ingestemd met het vergaderschema van de EU, we hebben beloofd miljarden ponden aan belastinggeld over te maken, we hebben de rechten van EU-burgers beschermd, maar voor al deze generositeit krijgen we niets terug van de EU.’ Het is pure minachting, vindt Johnson. En daar komt nog de vernedering bij dat, om een harde grens tussen Ierland en Noord-Ierland te voorkomen, de Britten ‘tijdelijk’ in de Europese douane-unie moeten blijven, zodat het land niet kan beginnen met het afsluiten van al die uiterst rendabele vrijhandelsakkoorden met de rest van de wereld. ‘Dit is een catastrofe en het maakt ons brexit-project belachelijk’, dreint Johnson.

Volgens David Davis, mede-brexiteer en medewegloper uit het kabinet van May, ligt de zaak andersom: juist de EU is in volle paniekmodus. De titel van zijn artikel, dat in The Times verscheen, luidt daarom: ‘Het continent is in paniek over brexit; we moeten nu keihard onderhandelen.’ Vooral de Duitse industrie zou peentjes zweten bij het vooruitzicht van een harde brexit. Die angst moeten de Britten gebruiken door harde eisen op tafel te leggen.

Wie van de twee heeft gelijk? Bent u in paniek of voelt u minachting? Mijn gok: geen van beide. De waarheid is dat de meeste Europeanen er niet zo emotioneel instaan. Als er een emotie overheerst dan is dat het gevoel van ergernis. Ergernis over de Britten die niet kunnen kiezen. En vooral ergernis over types als Johnson en Davis, die de moeizame onderhandelingen misbruiken voor eigen politiek gewin.

(FD)

Woontorens bouwen in het laatste stukje groen, of eindelijk eens investeren in het buitengebied?

De Nederlandse woningmarkt kookt droog. Er is veel meer vraag dan aanbod, waardoor huizenprijzen onrustbarend snel stijgen terwijl het aantal transacties daalt. In augustus waren huizen weer ruim negen procent duurder dan een jaar eerder. De markt is extreem krap en vooral starters komen er nauwelijks meer tussen.

De oplossing: meer nieuwbouw. Volgens Ger Jaarsma, voorzitter van makelaarsvereniging NVM, is er nu een ‘nationaal woningbouwplan’ nodig, met ‘strakke regie van het Rijk’. Hij luidde in oktober de noodklok, met een nieuw rapport over de krappe woningmarkt. Er wordt veel te weinig gebouwd, en als we niets doen wordt het woningtekort alleen maar nijpender.

De makelaars hebben de cijfers aan hun kant. Nederland heeft zo’n 75.000 nieuwe woningen per jaar nodig, en dat aantal wordt niet gehaald. Sterker: de nieuwbouw lijkt zelfs nog verder te stagneren. De oorzaak is gebrek aan alles: aan bouwvakkers, aan betaalbare bouwmaterialen en aan bouwlocaties.

Maar er is ook een andere waarheid: Nederland heeft genoeg woningen. Ze staan alleen niet op de juiste plaats. Behalve nieuwe huizen bouwen, zou de overheid daarom ook moeten nadenken over het beter benutten van de bestaande huizenvoorraad.

Ons land telt momenteel een kleine 7,8 miljoen huishoudens (inclusief eenpersoonshuishoudens) en bijna net zoveel woningen. Voor elke 100 huishoudens zijn er 99,3 woningen. Er zijn huishoudens die een woning delen, maar er staan ook altijd wat woningen leeg, dus het aantal huishoudens en het aantal woningen zal in de regel wat van elkaar verschillen. Een verhouding van 1 op 0,993 duidt in elk geval niet op een enorme woningnood. Enkele jaren geleden, in 2015, was de verhouding zelfs 1 op 1.

Voor een echt tekort aan woningen moeten we veel verder terug: naar de jaren zestig van de vorige eeuw, toen er voor elke 100 huishoudens slechts 91 woningen beschikbaar waren. Die verhouding liep op naar 96 woningen per 100 huishoudens in de jaren zeventig en 98 woningen rond de eeuwwisseling. Sinds 2006 heeft dat aantal altijd boven de 99 gelegen.

Wat is dan het probleem? De regionale spreiding van de woningen. Ze staan niet op de plaats waar de huishoudens (willen) wonen. In Zeeland, Friesland, Drenthe, Overijssel en Limburg zijn er meer woningen dan huishoudens. Voor iedere 100 Zeeuwse huishouden zijn er zelfs maar liefst 107 woningen. In Utrecht, Noord-Holland, Gelderland, Flevoland en Zuid-Holland zijn er juist minder huizen dan huishoudens. In Utrecht moeten 100 huishoudens het doen met 97 woningen.

In de provincie Groningen lijkt de schaarste nog groter: 95 woningen per 100 huishoudens. Maar zonder deze schaarste te bagatelliseren, denk ik dat het relatief grote aantal studenten in de stad Groningen dit getal wat vertekent. Dat idee wordt ondersteunt door de prijsontwikkeling in Groningen: de verkoopprijzen van Groningse huizen zijn nog niet terug op het niveau van tien jaar geleden. Voor de andere provincies met te weinig woningen is dat wel het geval. In Noord-Holland zijn huizen gemiddeld alweer 14% duurder dan in 2008.

Het Nederlandse woningtekort is dus eerder een probleem van locatie dan van absolute aantallen. Behalve een woningbouwplan zou er daarom ook een woninglocatieplan moeten komen. Of, omdat woningen zich nu eenmaal moeilijk laten verplaatsen: een bewoners-locatieplan, waarmee de overheid mensen verleidt om te vertrekken uit de drukke, verstedelijkte Randstad, naar het platteland in de provincie.

Dat betekent: investeren in infrastructuur buiten de Randstad, zodat de woon-werk-reistijden kleiner worden, door wegen te verbreden, maar beter nog door buitengebieden directe, snelle en regelmatige treinverbindingen te geven met de Randstad. Er moet daarnaast serieus geld naar de kleinere gemeenten, zodat die de basisvoorzieningen op peil kunnen houden. Zonder onderwijs, sport, cultuur en bereikbare zorg blijven de dorpen niet bewoonbaar.

Weggegooid geld? Dat denk ik niet. Massaal huizen bouwen in het schaarse groen van de Randstad, terwijl er elders in Nederland leegstand is, dat is pas verspilling.

Lage btw, en wel hierom niet

De afgelopen jaren heb ik een aantal keer geschreven over de zin en onzin van het lage btw-tarief. Nu het nieuwe kabinet het (eindelijk) aandurft om het lage tarief te verhogen, de oppositie daartegen te hoop loopt, en zelfs Katja Schuurman en Giel Beelen zich in deze fiscale discussie mengen, zet ik deze artikelen en columns graag nog eens op een rij:

BTW: Belasting Toegevoegde Waanzin (Z24, 2011)

Rijken profiteren het meest van het lage btw-tarief (FD, 2015)

Dadendrang (FD, 2016)

Let op: de overheid wil dat u een kleurboek koopt, en geen plakboek (FD, 2016)

Schaf het lage btw-tarief af! (FD, 2017)

Lage btw omhoog (FD, 2017)

Nog een laatste opmerking over de redenering dat een verhoging van het lage tarief  “groente en fruit duurder maakt”. De btw-verhoging geldt net zo goed voor snoep, koek, kauwgum, slagroomtaarten, suikerspinnen, karbonades uit de bio-industrie, plofkippen, energy-drankjes, gummybeertjes,  hamburgers, alles uit de frituur, softijsjes met discodip, rookworsten, vers-geschoten wilde konijntjes en alle andere voedingsmiddelen en niet-alcoholische drankjes. Dus alleen als je denkt dat mensen door het hogere lage btw-tarief massaal hun dagelijkse appel inruilen voor een glas oude jenever, is er reden tot (theoretische) zorg over het effect op de gezondheid.

Zie daarom ook: Ongezonde BTW (FD, 2018)

En trouwens, de waterleidingbedrijven huilen krokodillentranen (Nieuwsuur, 2018). Reportage hier.

Klimaat op 1

Een internationaal verdrag, een regeerakkoord, een klimaatwet en sinds vorige week ook een keiharde uitspraak van het gerechtshof in Den Haag. Hoeveel beloftes, afspraken en verplichtingen heeft Nederland nodig om eindelijk serieus werk te maken van de energietransitie? Is de druk nu eindelijk groot genoeg om het klimaatbeleid de eerste prioriteit te geven?

Vast niet. Want in Nederland gaat de klimaatdiscussie nooit over het klimaat, maar altijd over iets anders. Politici van alle gezindten zetten hun vroomste gezicht op en praten met sombere stem over ‘de laatste kans voor de mensheid’ en ‘de noodzaak om nu echt stappen te zetten’, om vervolgens toch weer vooral hun oude vertrouwde stokpaardjes te beklimmen. In het debat over klimaatbeleid is iedereen aartsconservatief en vecht voor de idealen van een halve eeuw geleden.

Rechts benadrukt – zonder ironie – het belang van het Nederlandse ‘vestigingsklimaat’. We moeten niet voor de troepen uitlopen en zeker niet gekke henkie van Europa worden, want dan lopen onze bedrijven weg naar het buitenland. Deze politici krijgen bijval van VNO-NCW, waar men zich natuurlijk zorgen maakt over klimaatverandering, maar nog veel meer over eventuele maatregelen om er iets tegen te doen. Ondernemers hebben het al zo zwaar, dus de lasten mogen in geen geval omhoog.

Het CDA heeft het maatschappelijk middenveld weer eens ontdekt, en vreest dat voortvarend klimaatbeleid de traditionele CDA-stemmer naar de politieke flanken jaagt. Minder broeikasgassen is prima, maar de strijd tegen het populisme gaat voor.

Ook links gaat voor retro in de klimaatdiscussie. Niet de doelmatigheid van de maatregelen staat centraal, maar het mogelijke effect ervan op de inkomensverdeling. Arme huishoudens in oude, tochtige woningen gaan de rekening betalen, terwijl de rijke stinkerds in hun goed geïsoleerde villa’s de klimaatneutrale warmtepomp kosteloos een graadje hoger kunnen zetten. En de kapitalisten in de industrie komen al helemaal veel te makkelijk weg. Schande, roepen SP, PvdA en GroenLinks. Bij die laatste partij is het groen behoorlijk aan het verbleken. Sinds Jesse Klaver terug is van zijn kantinetour is het eerder RoodLinks geworden. Klimaatbeleid moet in dienst staan van zijn echte missie: het verminderen van de inkomensverschillen en het klein krijgen van de zakkenvullers uit het grootbedrijf.

Nederland staat, samen met de rest van de wereld, voor een geweldige taak. Het minimale vereiste is dat onze politici bij het formuleren van het optimale klimaatbeleid, het klimaat prioriteit geven. Laten we er geen rechts of links hobbyproject van maken.

(FD)

Arbeidsmigranten dempen de conjunctuur en helpen zo de autochtone bevolking

We moeten over migratie praten. Dat doen we namelijk niet genoeg, vindt hoogleraar Europese Studies en publicist Paul Scheffer. Vooral over de harde feiten praten we niet genoeg. Hij schreef een essay voor de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) waarin hij vraagt om een speciale regeringscommissie die een ‘deltaplan’ voor het migratiebeleid zou moeten maken.

Die regeringscommissie is er nog niet, maar over migratie wordt wel volop gepraat, sinds het verschijnen van het essay. Niet altijd op basis van harde feiten, overigens. Nadat demograaf en oud-CBS-er Jan Latten een bevolkingsprognose van de Verenigde Naties uit de la haalde en erop wees dat Nederland aan het einde van deze eeuw wel eens 24 miljoen inwoners zou kunnen tellen, waarvan een flink deel van buitenlandse afkomst, ging de discussie vooral over de gevaren van een nieuwe bevolkingsexplosie.

Tijdens de Algemene Beschouwingen deden CDA en VVD daar enthousiast aan mee. Dat het meest waarschijnlijke scenario van de VN juist uitgaat van een kleine bevolkingskrimp in Nederland, kwam daarbij op de een of andere manier niet aan de orde. Maar goed, er wordt in elk geval over migratie gesproken.

Graag draag ik ook een feit aan. Een feit dat in het WRR-essay niet wordt genoemd, maar onder economen algemeen bekend is: arbeidsmigratie kan de conjunctuur dempen. Het stabiliseert de economie. Mensen trekken weg uit landen en regio’s in recessie, waardoor de werkloosheid daar vermindert, en gaan naar landen en regio’s met hoogconjunctuur waar ze de arbeidsschaarste dragelijker maken. Dat is althans de theorie.

Maar het blijkt in de praktijk ook echt zo te werken. Onlangs publiceerden drie Italiaanse economen een onderzoek naar de mate waarin arbeidsmigratie de pijn van de financiële crisis over de landen in het eurogebied heeft gespreid. Dit onderzoek is niet alleen van belang voor de migratiediscussie, maar ook voor die over de werking van de monetaire unie. Sinds de invoering van de euro zijn er geen wisselkoersen meer om economische verschillen tussen lidstaten op te vangen. Het idee was altijd dat arbeidsmigratie een deel van die rol zou kunnen overnemen.

Uit het onderzoek blijkt dat dit inderdaad het geval is: migratie helpt bij het verminderen van conjuncturele verschillen tussen lidstaten en draagt zo bij aan het stabiliseren van de eurozone. Maar op basis van de ruwe cijfers die de onderzoekers gebruikten, valt dat niet meteen te concluderen. De grafiek hierboven geeft de gemiddelde, jaarlijkse, netto migratie weer tussen 2007 en 2016. Er is een onderscheid gemaakt tussen migratie uit een andere EU-lidstaat en migratie van buiten de EU.

Dat Duitsland de meeste netto-migratie uit de EU kende in deze periode, lijkt logisch. Dat land was vrij snel uit de crisis, en de lage werkloosheid trok arbeiders uit met name Oost-Europa aan. Maar een land als Italië herstelde niet snel, en zag toch een grote toestroom van migranten uit andere EU-landen. Naast de economische omstandigheden zijn er blijkbaar veel andere factoren die de migratiestromen verklaren.

Met slimme statistische methoden slagen de onderzoekers erin om deze factoren uit te filteren, zodat ze de conjuncturele redenen voor migratie toch kunnen vaststellen. Hun eindconclusie is duidelijk: arbeidsmigranten laten zich wel degelijk sturen door conjuncturele verschillen. Door te verhuizen naar plaatsen waar werk is en te vertrekken uit gebieden met hoge werkloosheid, helpen ze om de gevolgen van economische schokken te dempen. Dat geldt voor arbeidsmigranten die in een EU-land zijn geboren, maar ook voor migranten die van buiten de EU komen. Beide groepen bewegen veel makkelijker tussen lidstaten, dan mensen die wonen en werken in het land waar ze geboren zijn.

Die autochtone groep heeft dus een duidelijk voordeel bij de aanwezigheid van minder gewortelde migranten: zij zorgen voor lagere werkloosheid in recessielanden en minder krapte in gebieden met hoogconjunctuur. Kan de regeringscommissie van Scheffer daar misschien ook een alinea aan wijden?

Waarom blijven de lonen al jaren achter? Het CPB velt een salomonsoordeel

De economie groeit flink, maar Nederlanders merken daar weinig van, want het beschikbaar inkomen blijft achter bij het bruto binnenlands product. U heeft het de afgelopen jaren vaak gehoord en gelezen. Ook op Prinsjesdag was het weer de grote vraag: gaat de burger in 2019 eindelijk meeprofiteren van de hoogconjunctuur?

Lonen stijgen volgend jaar sneller, want de arbeidsmarkt wordt al krapper. Maar de inflatie stijgt ook, onder andere door de hogere btw en energiebelasting. Daarom moest het kabinet op het laatste moment nog met een handvol lastenverlichtingen komen (o.a. hogere heffingskorting, ouderenkorting, kinderbijslag) om op Prinsjesdag een politiek acceptabele koopkrachtstijging te kunnen presenteren. Maar al met al profiteert de gemiddelde werknemer volgend jaar toch weer onvolledig de economische groei.

Waarom blijven inkomens achter bij de groei? Het antwoord hangt af van wie je het vraagt. De vakbond denkt dat het komt doordat werkgevers te veel macht hebben op de arbeidsmarkt, waardoor ze een steeds groter deel van de economische koek kunnen opsnoepen. Werkgeversorganisatie wijzen traditiegetrouw de overheid aan als schuldige: het zijn de lastenverzwaringen die de loonruimte opvreten. De netto lonen stijgen dan misschien niet zo snel, de bruto arbeidskosten schieten wel omhoog.

Wie van de twee heeft gelijk? Het Centraal Planbureau (CPB) zocht het uit. In de Macro Economische Verkenningen die gelijk met de Miljoennennota uitkwamen, werden deze week de resultaten gepresenteerd. De uitslag: gelijkspel. De achterstand komt doordat de lonen weinig zijn gestegen, maar ook omdat de lasten omhoog gingen.

Verderop de details, nu eerst de omvang van het probleem. Tussen 2002 en 2017 steeg het bbp (per hoofd van de bevolking) in totaal met zo’n 15%. In dezelfde periode nam het beschikbaar inkomen van Nederlandse huishoudens, gecorrigeerd voor inflatie, slechts met 2% toe. Er gaapt een inkomensgat van 12,9%. Het verschil tussen de bbp-groei en de inkomensontwikkeling is dus geen verbeelding van boze burgers, maar bestaat echt.

Wat veroorzaakt dit inkomensgat? Het CPB ziet maar liefst vijf oorzaken van het achterblijven van de inkomens. De belangrijkste is de gestegen (jawel, werkgevers) belasting- en premiedruk. Hogere lasten voor werknemers zijn verantwoordelijk voor een inkomensgat van 8,8%. Daarbovenop komt nog een effect van 2,3% vanwege de hogere zorgpremie. Gestegen werkgeverslasten spelen ook een rol, maar met 0,8% is het effect daarvan veel kleiner. Een andere belangrijke oorzaak is (jawel, werknemers) de achterblijvende bruto loonontwikkeling. Deze factor zorgt voor een inkomensgat van 6,9%.

Wie heeft meegerekend krabt nu even op het achterhoofd. Want we hebben nu opgeteld al een inkomensgat van bijna 19% verklaard, terwijl het werkelijke gat ‘slechts’ 12,9% bedraagt. Dat lijkt vreemd, totdat je bedenkt dat er ook factoren zijn die het beschikbaar inkomen juist positief beïnvloeden. Zo zit het inkomen van zzp’ers niet in de lonen, maar het behoort wel tot het beschikbaar inkomen. Hetzelfde geldt voor het kapitaalinkomen van beleggers en spaarders. Als we wel rekening houden met deze inkomstenbronnen wordt het inkomensgat ruim 5% minder diep. Ook de toename van toeslagen en uitkeringen dempt het gat. En dat doet ook de stijging van de totale som aan uitgekeerde pensioenen (vanwege de vergrijzing).

Dan is er nog één correctie nodig om op het saldo van 12,9% uit te komen: het bbp wordt met een ander inflatiegetal gecorrigeerd dan het beschikbaar inkomen. Het verschil zit vooral in accijnzen en de prijzen van geïmporteerde goederen. Die worden bij het bbp-cijfer niet meegenomen, maar bij het inkomen wel. Dit levert een flink verschil op dat het inkomensgat voor 4,4% verklaart.

Al met al heeft het CPB een mooi salomonsoordeel geveld. De achterblijvende groei van de inkomens komt door lage loonstijgingen, maar ook door gestegen lasten. Zowel vakbonden als werkgevers hebben gelijk. Aan de cao-tafel kunnen vakbonden met het CPB-onderzoek wapperen, om hun forse looneis kracht bij te zetten, terwijl werkgevers met dit onderzoek in de hand stennis kunnen schoppen bij de overheid. Discussie gesloten: iedereen heeft gelijk.

(FD)

Weg met de koopkrachtplaatjes!

Trek het bier maar open, want het is feest. We krijgen er volgend jaar anderhalf procent koopkracht bij. Het dreigde even slechts 1,3% te worden, maar het kabinet greep snel en daadkrachtig in, door er net voor Prinsjesdag een extra pakket aan maatregelen uit te persen. Welke maatregelen dat zijn, is nog niet bekend – ik gok iets met een hogere ouderkorting en wat extra toeslagen voor minima – maar wel het zegenrijke effect ervan op de koopkracht: 0,2 procentpunt extra erbij.

Vooral voor uitkeringsgerechtigden en gepensioneerden is dat van belang, want die groepen dreigden achter te blijven bij de werkenden. De laatste groep kon door de hoogconjunctuur een stevige opslag tegemoet zien. Het kabinet moest ongetwijfeld een flink ruk aan het nationale dekbed geven om al deze plooien van onrechtvaardigheid recht te trekken. Maar het is gelukt: in de koopkrachtsommen van het Centraal Planbureau ligt iedereen er in 2019 weer warmpjes bij. Bijna iedereen gaat erop vooruit en naast de werkenden profiteren ook de gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden van de oplevende economie.

Iedereen blij? Een handvol mopperende economen niet. Die zien een kabinet dat voor de zoveelste keer in de valkuil van de koopkrachtplaatjes trapt. In plaats van echt fiscaal en economisch beleid te formuleren waarmee de welvaart op langere termijn wordt bevorderd, gaat het weer om procentjes erbij voor de een of andere belangengroep. De taart wordt keurig verdeeld, maar niemand maakt zich zorgen over de omvang van de taart zelf.

De Nederlandse fixatie op koopkrachtplaatjes zorgt voor suboptimaal beleid en maakt de bevolking permanent ontevreden. We zouden eens moeten afspreken om een hele kabinetsperiode geen koopkrachtplaatjes te maken. Mijn voorspelling: het beleid wordt beter en de bevolking zeurt minder.

Vooral omdat we de koopkrachtplaatjes niet de werkelijkheid verbeelden, maar een kunstmatig Nederland met 10.000 virtuele Nederlanders die allemaal in een computer van het Centraal Planbureau wonen. Op deze denkbeeldige inwoners wordt de voorspelling voor de economische ontwikkeling en de voorgenomen beleidsmaatregelen van het kabinet losgelaten. Als het CPB meldt dat ‘de koopkracht daalt’, dan is dat dus de koopkracht van deze niet-bestaande, digitale huishoudens.

Sterker: het is de koopkracht van slecht één van deze huishoudens. Want het CPB rapporteert de koopkrachtontwikkeling van de ‘mediaan’. Dat is het percentage van het middelste huishouden, als je alle 10.000 virtuele huishoudens op een rij zet, van laag naar hoog. Op basis van dat ene, virtuele huishouden gaat de Tweede Kamer straks een dag debatteren. Ik kan me een nuttigere tijdsbesteding voorstellen. Natuurlijk, het CPB geeft zelf volledige transparantie over de beperkingen van de berekeningen, maar de politiek negeert dat soort kanttekeningen in de praktijk volkomen.

Zo zal er in de debatten ook niet worden gesproken over het verschil tussen de statische koopkracht die het CPB berekent, en de dynamische koopkracht die mensen in werkelijkheid ervaren. Het CPB gaat er in de berekeningen van uit dat Nederlanders met werk blijven werken, zonder promotie te maken, en werklozen werkloos blijven. Alleen veranderingen van lonen, prijzen, uitkeringen en het beleid van de overheid worden meegenomen.

Volgend jaar vinden volgens de ramingen 125.000 Nederlanders een baan. Maar hun inkomenssprong zie je in de statische koopkrachtplaatjes van het CPB niet terug. Net zomin als de promoties (met bijbehorende loonstijging) die veel Nederlanders vanwege de hoogconjunctuur krijgen.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek neemt deze ontwikkelingen wel mee in de historische koopkrachtcijfers. In de grafiek is te zien dat deze werkelijke (‘dynamische’) koopkracht zich bijna altijd gunstiger ontwikkelt dan de statische van het CPB. We denken op basis van de statische CPB-cijfers dus altijd minder te krijgen dan we terugkijkend (op basis van de dynamische CBS-cijfers) hebben gekregen. Zo hou je het volk wel ontevreden.

Koopkrachtplaatjes vertellen niet de waarheid, zijn niet te vertrouwen en houden iedereen dom en boos. Laten we er mee stoppen.

Trump maakt schone brexit vies

Vergeet de harde brexit, vergeet de no-deal-brexit. De nieuwe term voor een vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie zonder afspraken over de toekomstige handelsbetrekkingen, kreeg deze zomer een nieuwe naam: het is de ‘clean brexit’. Schoon, netjes, keurig en met de zekerheid dat de ongekozen bureaucraten uit Brussel niets Brits meer met hun vette vingers kunnen bepotelen.

Vooral de aartsconservatieve politicus Jacob Rees-Mogg doet zijn best om de term in omloop te krijgen. Het VK moet gewoon uit de EU stappen, vindt hij, dus zonder deal. Nee, dat levert geen economische chaos op, want het land kan dan gewoon een beroep doen op het rechtssysteem van de World Trade Organisation (WTO), zodat Britse exporteurs er nauwelijks last van ondervinden. Een brexit zonder deal wordt een keurig nette, clean brexit, dankzij de in beton gegoten regels en procedures van de Wereldhandelsorganisatie.

Mensen die er wel verstand van hebben, proberen Rees-Mogg en zijn medestanders al maanden uit te leggen dat de WTO allerminst de oplossing voor alles is. Goederenexport krijgt wel degelijk te maken met forse tarieven en over de voor het VK zo belangrijke handel in diensten heeft de WTO zelfs niets te zeggen. Niet voor niets is er vrijwel geen land in de wereld dat alleen op basis van de WTO-regels handel drijft. Een WTO-brexit wordt een vieze brexit.

‘Niet voor niets is er vrijwel geen land in de wereld dat alleen op basis van de WTO-regels handel drijft’

En als het aan Donald Trump ligt wordt het zelf nog veel smeriger. Want terwijl de ‘schone brexteers’ de toekomst van het Britse rijk volledig willen ophangen aan de WTO, doet hun vriend aan de andere kant van de oceaan er alles aan om deze organisatie juist de nek om te draaien.

De WTO is onderdeel van de door hem verfoeide multinationale wereldorde. Het is de instelling waarmee de cappuccinodrinkende en avocado-etende globalistische elite decennialang de Amerikaanse economie heeft leeggeroofd. America first, dus de WTO moet kapot.

Vandaar dat de Verenigde Staten weigert om nieuwe rechters voor het belangrijkste rechtsprekende orgaan van de WTO, de Appellate Body, te benoemen. Dit orgaan doet bindende uitspraken bij handelsconflicten en hoort te bestaan uit zeven personen. Maar omdat de VS elke nieuwe benoeming tegenhoudt, zijn dat er nu nog maar vier.

Afgelopen maandag blokkeerden de Amerikanen de herbenoeming van het Mauritaanse lid Shree Baboo Servansing, waardoor de Appellate Body vanaf oktober nog maar uit drie leden zal bestaan. Dat is het absolute minimum. In zaken waar een van de drie overgebleven rechters (uit China, India en – jawel – de VS) zich vanwege de schijn van partijdigheid moet terugtrekken, zijn dan geen uitspraken meer mogelijk.

Trump heeft de brexit altijd enthousiast toegejuicht. Maar als het er op aankomt, zijn nationalistische populisten natuurlijk per definitie nooit elkaars bondgenoten.

journalist en econoom