Economen zijn verrassend eensgezind over herstel Nederlandse economie

Het IMF is weer somberder geworden. Volgens de laatste editie van de World Economic Outlook, groeit de wereldeconomie volgend jaar minder snel dan eerder gedacht: geen 4%, maar 3,8%.

Dat komt vooral door — u raadt het al — trage groei in Europa. Het eurogebied zal in 2015 met slechts 1,3% vooruit kruipen. Dat is 0,2 procentpunt minder dan het IMF een half jaar geleden nog voorspelde.

Maar het kan nog erger worden. Het IMF rekende uit dat de kans op een derde recessie in Europa maar liefst 40% is. Deflatie, bezuinigingen, oninbare schulden, zwakke banken, aarzelend optreden van de Europese Centrale Bank; er gaat maar weinig goed in het eurogebied. Nederland kan zich aan deze euromalaise niet onttrekken. Ook voor ons land verlaagde het IMF de groeiraming met 0,2 procentpunt, naar 1,4%. Wat een ellende!

Eensgezind
Ellende? Zo’n snelle groei hebben we sinds 2011 niet meer gehad. De sombere IMF-economen zitten met hun groeiraming voor Nederland keurig tussen de verwachtingen van andere economen. Voor 2015 verwacht het CPB een groei van 1 ¼%. Zowel de Europese Commissie, de Oeso als het economisch bureau van ING verwachten 1,3%. ABN Amro en Rabobank voorspellen een groei van 1,5%.

Schermafbeelding 2014-10-21 om 18.00.27

Met een verschil van slechts een kwart procentpunt tussen de meest pessimistisch en meest optimistische groeiraming, zijn de economen verrassend eensgezind. Bovendien zijn de voorspellingen de afgelopen tijd behoorlijk stabiel geweest. In de ramingen van maart, juni en september voorspelde het CPB telkens 1,25% groei. De gestage bijstelling omlaag, die we in de voorgaande jaren steeds zagen, bleef deze keer uit. De crisis in Oekraïne ontvlamde, ebola brak uit en Isis rukte op, maar uit de CPB-modellen rolde telkens weer 1,25% groei in 2015.

De collega economen van De Nederlandsche Bank zijn niet minder optimistisch. De DNB-conjunctuurindicator staat op het hoogste punt in ruim twee jaar en voorspelt aantrekkende groei in de komende kwartalen.

Schermafbeelding 2014-10-21 om 18.00.48

Dichtbij
Toch komt het slechte nieuws de laatste weken dichterbij. Italië zit in een recessie, Frankrijk groeit niet meer en zelfs de Duitse motor lijkt af te slaan. De Duitse industrie produceerde in augustus 3% minder dan een jaar eerder en heeft een procent minder orders in portefeuille. Duitse bedrijven zagen hun export in augustus met bijna 6% dalen. De groeiramingen voor Duitsland zijn inmiddels verlaagd.

Maar ook deze slechte berichten kunnen het optimisme onder Nederlandse economen niet breken. Het economisch bureau van ABN Amro schreef woensdag opgewekt: ‘We gaan ervan uit dat de economie ook in het vierde kwartaal en daarna verder groeit.’ Rabobank-economen meldden donderdag dat volgend jaar in alle economische sectoren sprake zal zijn van groei.

Valt dit optimisme te rijmen met al het slechte nieuws van de afgelopen tijd? Toch wel. Allereerst omdat volgend jaar naar verwachting de binnenlandse vraag weer aantrekt. De werkloosheid daalt, de koopkracht stijgt en de huizenmarkt trekt aan. Consumenten durven daardoor weer geld uit te geven. In de bouw is sprake van een inhaalslag, na de verloren crisisjaren. En ook bedrijven lijken eindelijk weer te gaan investeren. Nederland is voor de groei in 2015 voor het eerst niet meer volledig afhankelijk van het buitenland.

Daarnaast komt er niet alleen slecht nieuws uit het buitenland: de euro is goedkoop en de olieprijs is laag. Die twee factoren bieden tegenwicht aan de Duitse tegenvallers en internationale onrust.

Kanttekening
Zijn er dan helemaal geen economen die somberen over Nederland? Jawel, bij de Oeso zitten er een paar. Zij berekenen maandelijks de zogenoemde Leading Indicator. Dat is een potpourri van verschillende indicatoren, waarmee de Oeso omslagmomenten in de conjunctuur probeert te voorspellen. De leading indicator voor Duitsland schoot afgelopen maand omlaag. Maar ook die voor Nederland begint gevaarlijk omlaag te buigen.

Schermafbeelding 2014-10-21 om 18.00.38

Nee, dat bewijst niet dat de Nederlandse economen te optimistisch zijn. Daarvoor is deze Oeso-indicator zelf ook te weinig betrouwbaar. Wat het wel zegt is dat de relatief optimistische verwachtingen voor 2015 buitengewoon fragiel zijn. We gaan spannende maanden tegemoet.

Dure zeewind

Onverbiddelijk als de wet van de zwaartekracht en irritant als de wet van Murphy: de Law of Unintended Consquences. Elk goedbedoeld beleid van de overheid leidt elders tot onbedoelde schade. Zo zorgt de Europese CO2-handel voor onrendabele windmolenparken. Het NOS-journaal berichtte zondag over een rapport waarin werd berekend dat windmolens op zee de maatschappij per saldo € 5 mrd kosten.

Dat windmolens zorgen voor CO2-loze energie, daar werd bij de berekening geen rekening mee gehouden, want windenergie zorgt, volgens de logica van het rapport, niet voor minder CO2-emissies. In Europa wordt gehandeld in CO2-emissierechten: voor elke ton CO2 die energieproducenten en andere grootverbruikers de atmosfeer in blazen, moeten zij CO2-emissierechten kopen. Het plafond voor de totale Europese CO2-uitstoot ligt vast. Als het ene bedrijf minder uitstoot, daalt de prijs op de markt voor CO2-rechten, waardoor een ander bedrijf weer meer kan uitstoten. Windmolens op zee verlagen op die manier niet de CO2-uitstoot in Europa, maar alleen de prijs van een emissierecht.

Bij de berekening van de maatschappelijke kosten en baten van windmolens op zee, kun je de baten van minder CO2-uitstoot dus gewoon op nul zetten, en dat deden de opstellers van het rapport dan ook. Wat dan overblijft is een puur commerciële vergelijking van de kosten van molens op zee en de opbrengst van de elektriciteitsverkoop.

Maar we wisten natuurlijk al dat, wanneer je klimaateffecten buiten beschouwing laat, een vieze kolencentrale goedkoper is dan een schone windmolen. Onbedoeld maakt het systeem van handel in emissierechten een redelijke afweging van kosten en baten van alternatieve energie dus onmogelijk. Want wat voor windmolens geldt, geldt ook voor zonne-energie, kernenergie, waterkracht en zelfs schonere kolencentrales: de CO2-reductie leidt — via een lagere prijs op de CO2-markt — elders tot extra uitstoot.

In theorie is daar niet zoveel mis mee. Als we zorgen voor een laag en snel dalend CO2-plafond en iedereen een nette prijs van CO2-uitstoot laten betalen, wordt alternatieve energie vanzelf rendabel. CO2-rechten zijn dan zo duur dat investeren in windenergie zonder subsidies loont.

Maar zo werkt het niet in Europa. Emissierechten worden veel te ruimhartig aan bedrijven uitgedeeld. Sinds de crisis is de prijs van CO2 absurd laag. Het systeem is stuk en onder druk van de grootverbruikers durft de Europese politiek het niet te repareren.

De CO2-prijs moet omhoog. Als de Europese politiek het niet durft, moeten de burgers het doen. Greenpeace, Natuur en Milieu en alle andere clubs zouden al hun campagnes moeten staken en de donaties steken in het uit de markt halen van CO2 rechten. Den Haag kan helpen door geen energiesubsidies te geven, maar rechten op te kopen. Maak CO2-uitstoot duur, dan wordt wind vanzelf rendabel.

 

(Eerder hier)

Nederland is nog lang geen robotland

Lodewijk Asscher zal vandaag tevreden terugkijken op zijn werkweek. Het ging precies zoals gepland.

Op maandag organiseerde zijn ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een congres over de robotisering van arbeid. Asscher gaf daar een speech waarin hij vooral de gevaren van de robot schetste. Minder banen en meer ongelijkheid, daar zou het wel eens op kunnen uitdraaien, vreest de minister.

Maar denk vooral niet dat deze minister een technologiefobie heeft, hij wilde slechts het inktzwarte scenario schetsen, zodat we met gericht beleid voor een betere toekomst kunnen kiezen.

Hoe dat beleid en die toekomst eruit zouden moeten zien, liet Asscher in het midden. Ach, de speech was vooral bedoeld om de discussie op gang te brengen. En daarin slaagde hij uitstekend. Alle commentatoren doken op het onderwerp. De robot stond een week lang publicitair in het zonnetje.

Maar wat ontbrak waren de harde feiten. Hoe snel gaat het met de introductie van de robot in Nederland? Hebben wij er relatief veel of weinig? Is er in landen met veel robots meer werkloosheid? Over dat soort vragen ging het niet. We discussiëren enthousiast over de kansen en gevaren van de robot, maar wat zijn de cijfers?

Dik robotrapport

Gelukkig verscheen deze week een dik robotrapport. World Robotics 2014 – Industrial Robots telt 474 pagina’s vol grafieken en tabellen over het aantal industriële robots die wereldwijd in gebruik zijn.

Dit rapport wordt jaarlijks opgesteld door de International Federation of Robotics(IFR) in Frankfurt. En nee, dat is geen federatie van robots, maar van nationale verenigingen van robotproducenten.

Het rapport bevat een unieke dataset. Zó uniek dat je eerst 420 euro moet overmaken naar de opstellers voordat je toegang krijgt tot de digitale versie van het rapport. Verzamelaars van robotstatistieken moeten ook eten en doen dat blijkbaar het liefst van een gouden bordje. Tandenknarsend heb ik het bedrag overgemaakt.

Aan deze column houdt de Bouman bv deze week niet veel over, maar ik weet nu wel meer over de kwantitatieve kant van de robotdiscussie. Hier komen de feiten:

Allereerst: ja, er komen snel meer industriële robots bij. In 2008 waren wereldwijd een miljoen robots aan het werk. In 2013 waren dat er meer dan 1,3 miljoen. Ondanks crisis en recessie steeg de robotwerkgelegenheid dus met ongeveer een derde. Volgens het rapport zal die toename versnellen. In 2017 staan er naar verwachting bijna twee miljoen robots in de fabrieken van de wereld opgesteld.

Schermafbeelding 2014-10-12 om 10.26.28

Onbetwiste kampioen

Japan is de onbetwiste robotkampioen. Bijna een kwart van alle industriële robots (zo’n 300.000 stuks) staat in dat land. Maar Japan is ook een van de weinige landen waar de robot op de terugtocht is. Door outsourcing van productie is het aantal robots sinds 2008 met 14% gedaald.

In China stijgt het robotgebruik juist. Maar met 133.000 robots ligt de Chinese industrie nog ver achter die van de VS, Duitsland en Zuid-Korea.

Schermafbeelding 2014-10-12 om 10.26.14

En Nederland? Wij doen nauwelijks mee. Volgens de IFR stonden er in 2013 in de Nederlandse industrie 7400 robots, een half procent van het wereldtotaal. We hebben er minder dan bijvoorbeeld Italië, Spanje, Zweden, België en Tsjechië. De omvang van de auto-industrie in deze landen speelt hierbij vast een rol. Overigens groeit het aantal robots in Nederland wel snel: met 50% sinds 2008.

Nederland scoort laag

Nederland is een diensteneconomie, dus is het logisch dat we relatief weinig robots hebben. Maar ook als je daarvoor corrigeert scoort Nederland laag. Met 93 industriële robots per 10.000 werknemers in de industrie, staan we op de 15e plaats. In Zuid-Korea staan er naast 10.000 werknemers maar liefst 437 robots.

Schermafbeelding 2014-10-12 om 10.26.44

Is de robot een banenvernietiger? In robotlanden Japan en Zuid-Korea is de werkloosheid laag en de werkweek lang. Nee, dat is geen echt bewijs.

Maar voor de angstbeelden die Asscher oproept is de onderbouwing minstens zo zwak. We hebben nog meer feiten nodig. En onderzoekers die deze feiten onderzoeken. Academische economen van Nederland: aan de slag!

(Verscheen eerder hier)

De zaagrobot

Cornelis Corneliszoon van Uitgeest is in 1593 een “schamel huysman”. Hij heeft, schrijft hij zelf in dat jaar, “groote moeyten, costen ende arbeyt” in een uitvinding gestoken, die de Nederlandse republiek schatrijk zal maken. Cornelis is de bedenker van de houtzaagmolen.

In 1594 bouwt hij een werkende zaagmolen, die hij twee jaar later doorverkoopt aan een Zaandammer. In Amsterdam is de nieuwe technologie niet welkom. Het Amsterdamse handzagersgilde vreest baanverlies, want de molen zaagt dertig keer sneller dan een mens. Het gilde krijgt het stadsbestuur zover de zaagmolen te verbieden. Nog tot in 1627 zou in Amsterdam alleen met de hand gezaagd mogen worden.

Voorbeelden
In Zaandam is dan al een bloeiende houtzaagindustrie ontstaan. Honderden molens produceren de planken die nodig zijn voor de snel groeiende VOC-vloot. De uitvinding van de zaagmolen kwam precies op tijd, schrijft Stichting Cornelis Corneliszoon van Uitgeestin een recente publicatie. Voor een groot VOC-schip waren zo’n 3000 tot planken verzaagde eikenstammen nodig. Zonder zaagmolen was de 17de eeuw niet zo goud geweest. De Amsterdamse handzagers gingen wat anders doen. In de razendsnel groeiende Amsterdamse economie (bedankt, Cornelis) was werk genoeg.

De geschiedenis is vol van dit soort voorbeelden. De tractor maakte de boerenknechten werkloos. Maar zorgde ook voor goedkoper voedsel, meer koopkracht, meer vraag naar industriële producten en nieuwe werkgelegenheid voor de boerenknechten in de fabriek. Kinderen hoefden niet meer direct van de lagere school het land op, konden langer leren en kregen daardoor beter betaalde banen.

Robot
De computer maakte een eind aan administratief werk. Kantoortuinen vol typistes en cijferaars verdwenen. Maar de werkloosheid is sinds de introductie van de pc niet structureel gestegen. In 2008, vlak voor het uitbreken van de kredietcrisis, zocht 3,1% van de Nederlandse beroepsbevolking werk; even veel als eind jaren zeventig. Arbeidsbesparende technologie leidt niet tot meer werkloosheid, wel tot meer welvaart.

Maar volgens minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken is het deze keer mogelijk anders. Hij vreest de robot. Afgelopen maandag zei Asscher dat het niet ondenkbaar is dat robots zullen leiden tot ‘technologische werkloosheid’. Alleen de rijken profiteren. Angstaanjagend, vindt Asscher.

Zoektocht
Is Asscher de nieuwe woordvoerder van het Amsterdamse handzaaggilde? Of is de robot echt anders dan de molen, tractor of pc? Ik denk het eerste, maar weet het niet zeker.

De komende maanden ga ik op zoek naar het antwoord. Ik zal af en toe, maar niet te vaak, verslag doen van die zoektocht. U kunt helpen: bent u uw baan verloren door een robot? Heeft u uw baan te danken aan een robot? Heeft u werkgelegenheid geschapen dankzij de robot? Mail me: mathijs.bouman@fd.nl.

Lage euro, lage rente en goedkope olie kunnen Nederlandse economie extra vaart geven

(Verscheen eerder hier)

De daling van de euro zette de afgelopen dagen stevig door. Met een koers van $ 1,27 staat de wisselkoers van de Europese munt nu op het laagste peil sinds november 2012. [Inmiddels verder omlaag naar $1,25, MB]

Andermaal was het Mario Draghi die voor de depreciatie zorgde.  “De ECB staat klaar om nieuwe onconventionele instrumenten in te zetten”, zei de ECB-president in een interview met een Litouwse krant. Wat die nieuwe instrumenten precies kunnen zijn, daar ging Draghi niet op in. Maar nadat de ECB de afgelopen maanden de rente had verlaagd, een nieuw leenprogramma voor Europese banken had uitgerold en een opkoopprogramma voor ‘asset backed securities’ en pandbrieven had aangekondigd, bleef er eigenlijk nog maar één onconventioneel instrument over: het opkopen van staatsobligaties.

Lijdzaam toezien

Of het daar in Europa echt van gaat komen, is maar de vraag. Draghi zou recht tegen de noordelijke minderheid in de bestuursraad van de ECB ingaan. De Duitse en Nederlandse centrale bankiers zijn mordicus tegen het opkopen van staatsobligaties. Maar door de optie alleen maar te noemen, bereikte Draghi al zijn doel: verzwakking van de euro.

Lange tijd moest de ECB-president lijdzaam toezien hoe het opkoopprogramma van de Amerikaanse Fed de dollar verzwakte. De Amerikaanse economie groeide de afgelopen tijd stevig, terwijl die van Europa bleef kwakkelen, maar toch werd de euro steeds duurder ten opzichte van de dollar. Deze appreciatie had niets te maken met economische fundamentals en alles met het extreem ruime monetaire beleid van de Fed. In de valuta-oorlog won de Fed alle slagen.

Meer inflatie

Maar nu het opkoopprogramma van de Fed vrijwel ten einde is, ruikt Draghi zijn kans. Telkens als hij nieuw onconventioneel beleid aankondigt of zelfs maar suggereert, daalt de euro. Zo’n lage euro is precies wat Europa nodig heeft. Het maakt Europese export goedkoper en import duurder. Dat laatste drijft de momenteel veel te lage inflatie op.

Ook de Nederlandse economie kan profiteren van een goedkopere euro. Uit modelsimulaties van het Centraal Planbureau (CPB) blijkt dat een 5% lagere eurokoers de economie ruim een half procentpunt extra groei kan opleveren. In het jaar na de depreciatie loopt dat zelfs op naar een kleine anderhalf procentpunt.

Meevaller

In de Macro Economische Verkenningen (MEV), die op Prinsjesdag verscheen, gaat het CPB ervan uit dat de eurokoers volgend jaar op $ 1,35 zal liggen. Dat is 5% boven de huidige koers. Het CPB is daarmee behoorlijk conservatief. Als Draghi de euro omlaag blijft praten, zit er een flinke potentiële meevaller voor de Nederlandse economie in.

 Schermafbeelding 2014-10-06 om 09.43.57

Overigens moet de Fed dan niet al te hard op de rem trappen. Als het Amerikaanse monetaire beleid echt snel wordt verkrapt, is het effect van de lage euro op de Nederlandse economie een stuk kleiner, zo blijkt uit de modelsimulaties. Maar tot nu toe lijkt het er niet op dat Fed-president Janet Yellen van plan is de monetaire teugels extra krachtig aan te halen.

Lange rente

Het Planbureau maakt in de laatste MEV nog enkele conservatieve veronderstellingen. Zo gaat men ervan uit dat de lange rente volgend jaar 1,8% bedraagt. De huidige 10-jaarsrente staat maar net boven de 1%. Als die rente in 2015 zo laag blijft, zou de economische groei — alweer op basis van modelsimulaties door het CPB zelf — wel eens pakweg een kwart procentpunt hoger kunnen uitvallen. Dat zou dan vooral door een extra investeringsgroei, van misschien wel 2,5%, komen.

Schermafbeelding 2014-10-06 om 09.44.04

Ook de olieprijs wordt in de MEV behoorlijk hoog ingeschat. Het CPB verwacht dat een vat Brentolie volgend jaar gemiddeld $ 107 kost. Op dit moment betaal je voor een vat ruwe Noordzee-olie slechts $ 97. Dat voordeel van $ 10 zou de economische groei in 2015 met 0,2 procentpunt kunnen aanwakkeren.

Schermafbeelding 2014-10-06 om 09.44.13

Het is allemaal geen exacte wetenschap, maar opgeteld zou de Nederlandse economie in 2015 een kleine procent extra kunnen groeien, als de dollar, rente en olieprijs op het huidige niveau blijven. We krijgen dan niet de geraamde 1,25%, maar meer dan 2% groei.

Niet gek

Wat is er mis bij de Staatsloterij? De toezichthouder voor de sector, de Kansspelautoriteit, gaat onderzoek doen bij het in 1992 verzelfstandigde gokbedrijf. Is er gesjoemeld bij de trekkingen door Intralot, het Griekse bedrijf dat de systemen van de Staatsloterij beheert? Oud-medewerkers vrezen van wel, schreef de Volkskrant afgelopen weekend.

De Stichting Loterijverlies (ja, die bestaat) eist dat de trekking direct wordt gestaakt. Het risico dat veel deelnemers benadeeld worden veel te groot, vindt men. Dat is een grappige opmerking. Benadelen van deelnemers is immers precies het doel van de Staatsloterij. Of beter: van iedere loterij — ook als er geen schimmige Griek aan de lottomolen draait. Het uitgekeerde bedrag ligt altijd flink onder het ingelegde bedrag, zodat de deelnemers er gemiddeld bij inschieten. Je wordt bij voorbaat benadeeld.

Afgerond nul kans
Toch doen miljoenen Nederlanders elke maand weer mee, in de hoop op een miljoenenprijs. Maar de kans op een hoofdprijs in de Staatsloterij is nul. Niet precies nul, maar afgerond nul. Net zo nul als al die andere kansen die we dagelijks afronden op nul. De kans dat er een piano op ons hoofd valt terwijl we de hond uitlaten, de kans dat we toevallig Koningin Maxima tegen het lijf lopen en dat ze een gezellig gesprek met ons aanknoopt of de kans dat we bij het bollenplanten in de tuin op een Keltische goudschat stuiten. Het kan in theorie, maar in de praktijk gebeurt het alleen bij een ander. De kans is afgerond nul.

Zo is het ook met de Staatsloterij. Altijd wint iemand de hoofdprijs, maar u zult dat nooit zijn. Afgerond nooit. Wel is zeker dat de verwachte opbrengst van deelname negatief is. Kans maal opbrengst minus kosten is kleiner dan nul. Maar geen deelnemer die dat uitrekent, want voor kansrekenen is de mens niet in de wieg gelegd.

We kunnen niet rekenen
De loterijen kennen ons gebrek aan rekenkracht en gooien folders in de bus met foto’s van Audi’s en mega-Jackpotten van €21 mln. Hoe dikker de prijs, hoe meer deelnemers, ongeacht de minuscule kans (afgerond nul) op winst. We kunnen niet rekenen, en via de Staatsloterij heft de overheid belasting over onze dyscalculie. Uit Amerikaanse onderzoek blijkt dat arme mensen vaker deelnemen aan een loterij dan rijke, dus deze belasting pakt ook nog eens denivellerend uit.

Maar het geeft toch ook plezier, deelname aan de loterij? Een lot koop je om even te kunnen hopen op een leven als miljonair. Als dat zo was, hoefde er maar één trekking per jaar te zijn. Of één trekking per leven; dan kon iedereen z’n hele leven hopen. Nee, de loterij verkoopt geen hoop, maar een leugen. De leugen dat we de wetten van de kansrekening kunnen afkopen voor de prijs van een lot.

Het schandaaltje bij de Staatsloterij is een prima moment voor een collectief voornemen: wij kopen geen loten meer. Nooit meer. Wij zijn namelijk niet gek.

 

Nieuwe cijfers veranderen het verhaal van de Nederlandse kopersstaking

Zo weinig nieuws als in de Miljoenennota stond dit jaar, zoveel zat in de begeleidende Macro Economische Verkenningen (MEV) van het Centraal Planbureau. Dat nieuws kwam niet regelrecht uit de koker van het CPB zelf, maar was het gevolg van een grote verbouwing bij het Centraal Bureau voor de Statistiek. Sinds dit jaar wordt het bruto binnenlands product op een andere manier berekend. Een betere manier, meent het CBS zelf, met nieuwe bronnen en volgens nieuwe internationale afspraken.

Deze revisie van de nationale rekeningen, zoals de operatie heet, heeft grote gevolgen voor de belangrijkste kerncijfers van de Nederlandse economie. Zo blijkt het bbp zo’n 7% hoger te zijn dan het CBS eerder dacht. Daardoor is onze staatsschuld als percentage van dat bbp ook direct stuk draaglijker.

De revisie verandert ook het economische verhaal van de afgelopen crisisjaren. Daarom was de MEV van deze week – de eerste geschreven op basis van de nieuwe CBS-cijfers – zo interessant.

Eerder schreef het FD over de investeringen, die volgens de nieuwe cijfers veel minder zijn afgenomen dan eerder gedacht. De griezelige trend van steeds minder investeringen en daardoor steeds minder potentiële economische groei is in de nieuwe cijfers niet meer zichtbaar. Weer een zorg minder.

Zuinig

Er is nog een verhaal dat we moeten herschrijven: dat van het gedaalde beschikbare inkomen. Volgens de oude cijfers is er tussen 2008 en 2014 sprake van een daling van het totale beschikbare inkomen uit arbeid, met ruim 7%. Geen wonder dat de consument zo zuinig aan deed, geen wonder dat de consumptie jaar op jaar bleef krimpen en het stil werd in de winkelstraten.

Maar in de nieuwe MEV ziet het beeld er een stuk gunstiger uit. Het totale beschikbaar inkomen uit arbeid is tijdens de crisisjaren zelfs gestegen en zal in 2015 bijna 4,5% boven het niveau van 2008 uitkomen. Dat komt vooral door een grotere stijging in 2009. In dat jaar schafte toenmalig minister van Financiën Wouter Bos het werknemersdeel van de WW-premie af, in de hoop zo de economie te stimuleren. Volgens de oude methode steeg het beschikbaar arbeidsinkomen in 2009 met 4,4%. Na de revisie is dat bijna twee keer zoveel.

Schermafbeelding 2014-09-28 om 10.26.42

Dalende huizenprijzen

Dat betekent echter niet dat de consumptie zich de afgelopen jaren ook gunstiger heeft ontwikkeld. De oude en nieuwe consumptiecijfers verschillen marginaal. Waarom was de consument zo zuinig, als het beschikbaar inkomen zich gunstiger ontwikkelde dan gedacht? Het antwoord luidt: door de dalende huizenprijzen.

Voor dat antwoord moest het CPB eerst het economische model Saffier opstarten. De gegevens over inkomen, huizenprijzen en vermogen (bijvoorbeeld aandelen en spaargeld) werden door dat model gehaald, zodat de invloed van iedere factor op de consumptie kon worden bepaald. Uit deze exercitie blijkt dat de ontwikkeling van het beschikbaar inkomen tussen 2008 en 2015 een positief effect op de consumptie had en zal hebben. Alleen in 2013 drukte deze factor de consumptie.

Schermafbeelding 2014-09-28 om 10.27.03

Herstel

De dalende huizenprijzen hebben de consumptie juist in alle jaren sinds 2010 gedrukt. Aan de verzilvering van overwaarde, via nieuwe en hogere hypotheken, kwam een einde. Het aangename idee van eeuwig stijgende woningwaarde, werd vervangen door de angst dat het eigen huis onder water zou komen te staan.

Schermafbeelding 2014-09-28 om 10.26.50

De invloed van huizenprijzen op consumptie werkt met enige vertraging. Pas na pakweg anderhalf jaar, denkt het CPB, zie je dalende woningwaarde terug in de consumptie. Hetzelfde geldt voor herstel op de woningmarkt. Vandaar dat – de recente stabilisatie van huizenprijzen ten spijt – het CPB ook dit en volgend jaar nog een negatief effect op de consumptie verwacht.

Het eigen huis is dus de grote boosdoener. De winkelstraten zijn leeg en verlaten omdat woningen minder waard werden. Wat Nederlanders voor de crisis extra uitgaven, omdat in ieder huis een eigen pinautomaat leek te zitten, moesten ze na 2009, toen bleek dat huizenprijzen ook omlaag konden, extra bezuinigen. Dat is het verhaal van de kopersstaking van de afgelopen jaren. Althans, tot de volgende revisie bij het CBS.

 

Zijn bier

Net als u vind ik het eigenlijk hartstikke mooi. Met een nuffig gebaar wees Charlene de Carvalho-Heineken de grote buitenlandse opkoper SABMiller de deur. Wij zijn van uw poenerige overnamepogingen niet gediend, was zo ongeveer haar antwoord. Het ‘erfgoed’ en de ‘identiteit’ van Heineken als zelfstandige onderneming moet worden behouden. Ook al kost het de familie — en alle andere aandeelhouders — mogelijk miljarden euro’s aan cash, ons erfgoed is veilig.

Overal in Nederland proosten blije bierdrinkers opgelucht op de gezondheid van Charlene. Heineken blijft ons bier. De gloed van chauvinistische trots verwarmt ons van binnen. Dat blussen we af met nog een rondje. En barman, doe er maar zo’n schaaltje borrelnootjes bij! Maar alleen als ze van het oer-Hollandse Duyvis uit Zaandam zijn.

Erfgoed

Duyvis. Alweer een jaar of acht in handen van het Amerikaanse Pepsico. Dat bedrijf kocht het van Douwe Egberts, dat op zijn beurt was overgenomen door het Amerikaanse Sara Lee. Inmiddels is het oer-Hollandse kopje koffie van DE van Benckiser uit Duitsland. En het traditionele plakje Peijnenburg-koek dat we daar graag bij eten, is van het Belgische Lotus Bakeries.

Want erfgoed verkopen doen we al jaren. Niets is Hollandser dan een boterham met hagelslag. Maar met elk pakje dat we leegschudden gaat de omzet omhoog bij moederbedrijf Heinz uit Pennsylvania. Generaties Nederlandse kinderen groeiden op met de vissticks van Iglo dat al weer acht jaar eigendom is van het Britse investeringsfonds Permira. De boerderijdrop van Venco is Zweeds (Cloetta), de muntdrop van Klene Italiaans (Perfetti Van Melle).

‘Een Hollandser merk is er haast niet’, beweert koekenbakker Verkade op de eigen website. Maar de meisjes van Verkade bakken al bijna een kwart eeuw voor het Britse United Biscuits. Kelloggs heeft trouwens trek in United Biscuits. De uitvinder van cornflakes zou nadenken over een bod, zo meldde Reuters deze zomer. Dan wordt Verkade Amerikaans.

Freddy Heineken

Het kan me niet schelen. Ik knabbel op de Hollandse borrelnootjes en zuig op een Nederlands muntdropje, ook al staat het hoofdkantoor van het moederbedrijf in een ver land.

Maar bij Heineken voelt dat toch anders. Heineken smaakt beter in Nederlandse handen. Merkwaardig is dat. Of eigenlijk niet. Want het merk is onlosmakelijk verbonden met Freddy Heineken, de man die het bedrijf weer onder familie-bewind bracht en die met zijn bluf, originaliteit en vooral zakelijk inzicht een bierimperium bouwde.

Dat verhaal verdient een mooier vervolg dan een overname door SABMiller en een toekomst als premium brand van een buitenlandse multinational. In principe ben ik tegen beschermingsconstructies en voor vrij verkeer van kapitaal, maar voor Freddy Heineken — en voor zijn erfgenamen — maak ik graag een uitzondering.

Wie gokt op inhaalgroei na een financiële crisis, rekent zich rijk

Eigenlijk had u jaarlijks ruim € 4000 meer moeten verdienen. Maandelijks zou er nu zo’n € 350 extra moeten binnenkomen. Met alle Nederlanders bij elkaar horen we anno 2014 jaarlijks pakweg € 68 mrd extra te produceren. We hebben recht op een 10% grotere economie.

Dat klinkt goed. Maar slaat het ook ergens op? Taco van Hoek vindt van wel. Van Hoek is directeur van het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) en publiceerde afgelopen maandag zijn boek De Risicomijdende ­Samenleving.

Volgens Van Hoek heeft het Centraal Planbureau (CPB) tijdens de afgelopen crisisjaren zonder goed onderbouwde ­redenen zo’n 10% van het bruto binnenlands product (bbp) van Nederland achter de horizon laten verdwijnen.

Potentiële groei
Dat deed het CPB door na het uitbreken van de kredietcrisis in 2008 de potentiële groei van de Nederlandse economie lager in te schatten. Potentiële groei is het hypothetische groeipercentage waarmee de Nederlandse economie onder normale omstandigheden — dus zonder crisis en recessie — zou kunnen groeien, door toename van de beroepsbevolking en de ­arbeidsproductiviteit.

In 2009 voorzag het CPB dat de potentiële groei door de crisis lager uit zou vallen. We zouden de verloren groei van recessiejaar 2009 daardoor niet snel inhalen, maar elk volgend jaar op een wat lager dan eerder verwacht bbp uitkomen.

Inhaalgroei
Van Hoek, die tot zijn aanstelling bij het EIB in 2006 onderdirecteur was bij het CPB, verbaast zich over deze prognose. Waarom zou Nederland de in 2009 opgelopen achterstand niet inlopen? Hij denkt dat er wel degelijk sprake kan zijn van inhaalgroei en dat daardoor de economische groei in de jaren na de crisis juist hoger zal uitvallen.

Als het CPB dat in 2009 zo had geraamd, had de overheid veel minder hoeven te bezuinigen, is de stelling van Van Hoek. We hebben ons onnodig veel ellende op de hals gehaald. In plaats van de broekriem aan te halen, hadden we beter rustig kunnen wachten tot de economie weer terug was op het oude groeipad.

Het gaat om enorme bedragen. Van Hoek rekent voor dat we onder normale omstandigheden tussen 2006 en 2015 een jaarlijkse groei van 1,75% zouden hebben gehad. Dat is 17,5% over die hele periode. In werkelijkheid was de groei slechts 7,5%. We komen dus 10% te kort. Het bbp bedraagt dit jaar € 630 mrd (gemeten in prijzen van 2010), uitgaande van Van Hoeks percentages, had dat eigenlijk € 698 mrd moeten zijn.

Schermafbeelding 2014-09-21 om 11.58.21

Maar kun je na een financiële crisis wel rekenen op inhaalgroei, zoals Van Hoek vrij achteloos veronderstelt? Over die vraag breken CPB-economen zich al sinds 2009 het hoofd.

Zweden en Finland
In het boek De Grote Recessie dat het Planbureau dat jaar liet verschijnen, staat een heel hoofdstuk over de kans op inhaalgroei. Het CPB vergelijkt Finland en Zweden in de jaren negentig van de vorige eeuw, toen beide landen een financiële crisis met bijbehorende recessie meemaakten. Zweden haalde de achterstand binnen een paar jaar in. Finland kwam nooit meer op het oude trendmatige groeipad terug.

Krijgt Nederland Zweedse inhaalgroei of Finse achterstand? De wedstrijd is nog onbeslist, schrijft het CPB in 2009. Maar een Fins verlies van 5% tot 10% van het bbp is zeker mogelijk.

In 2014 verschijnt weer een CPB-boek: Roads to Recovery. De economen zijn dan stelliger. De crisis heeft de verdiencapaciteit aangetast. Door de hoge werkloosheid hebben veel Nederlanders geen kans gehad werkervaring op te doen. Investeringen in machines, opleidingen en R&D werden geremd door strengere banken en door onzekerheid over financiële stabiliteit en toekomstige vraag. Daardoor heeft de arbeidsproductiviteit zich veel minder gunstig ontwikkeld dan zonder crisis het geval was geweest. In de marktsector lag de arbeidsproductiviteit eind 2013 maar liefst 10% onder de trend van voor de crisis.

Dat haal je niet zomaar in. Van Hoeks inhaalgroei is gebaseerd op misplaatst optimisme over de veerkracht van de economie. De financiële crisis heeft onze productiecapaciteit wel degelijk geraakt. Het CPB was in 2009 niet pessimistisch, maar realistisch.

(FD)

Onze AAA terug!

Aan: Dhr. Moritz Krämer, Standard & Poors

Geachte heer Krämer,

Het is nu ruim negen maanden geleden dat u de AAA-status van Nederland afpakte. Als kredietbeoordelaar van Standard & Poors, vond u AA+ meer bij ons passen. De elite van tripple-A-landen was voor Nederland te hoog gegrepen. U gaf voor deze downgrade een aantal argumenten. Graag loop ik deze met u langs.

S&P maakte zich eind 2013 vooral zorgen over de groeiperspectieven van de Nederlandse economie. Die zouden een stuk slechter zijn dan van andere AAA-landen. Dat beeld klopte misschien in 2013. Maar inmiddels is de economie weer gaan groeien. De afgelopen vier kwartalen bedroeg de groei 0,9%. Dat is bijna net zoveel als triple-A-land Zwitserland en flink meer dan de nulgroei van Denemarken en Finland (beide AAA).

Met een groei van 0,5% in het laatste kwartaal, zou Nederland zelfs in de top-3 van Europese AAA-landen hebben gestaan. Alleen Noorwegen en het VK deden het beter.

U zag eind 2013 een economie zonder binnenlandse vraag. Nederlandse bedrijven investeerden steeds minder en Nederlandse consumenten hielden een koopstaking. Vooral over die consumenten was u pessimistisch. Zij zouden in 2014 hun huis nog verder in waarde zien dalen en de werkloosheid zien oplopen tot maar liefst 8%. Logisch dat u voorspelde dat de consumptie in 2014 en 2015 verder zou dalen.

Maar vier maanden na het verschijnen van uw rapport begon de consumptie weer te groeien. De huizenprijzen stegen sinds november 2013 met 2,5%. De werkloosheid daalt al drie maanden op rij en zal – zoals het er nu uitziet – de 8% nooit halen. Bedrijven hebben in acht van de afgelopen negen maanden meer geïnvesteerd. Het herstel gaat langzaam, maar sneller dan S&P vorig jaar voorzag.

Verder maakte u zich zorgen over de stabiliteit van de Nederlandse politiek. Er was in 2013 weliswaar een begrotingsakkoord gesloten tussen het kabinet en een deel van de oppositie, maar, zo schreef u, als er nieuwe bezuinigingen nodig zouden zijn, zou het al moeilijker worden om daar steun voor te krijgen. Pas in 2015 zou het begrotingstekort weer op of onder de 3% uitkomen, dacht u, dus de begrotingsruimte was uiterst beperkt.

Het goede nieuws is dat het begrotingstekort op het moment van uw downgrade al onder de 3% zat. Ook in 2014 zitten we er ruim onder. Over nieuwe bezuinigingen wordt in Den Haag niet meer gesproken Er is juist weer wat geld te verdelen. Geen wonder dat het overleg tussen kabinet en oppositie soepel verloopt.

Goed beschouwt was u in november 2013 op alle punten te pessimistisch. Vandaar mijn verzoek via deze weg.: meneer Krämer, mogen we onze AAA terug? We missen ‘m zo.

(FD)