Japan-scenario? Misschien zit Europa wel in een Amerika-scenario

Is Europa het nieuwe Japan? Voor een groeiend aantal economen is dat al lang geen vraag meer. Ja, het eurogebied is in het gevreesde ‘Japans deflatiescenario’ terechtgekomen. Dit decennium is verloren, en het volgende misschien ook wel. Dan weet u vast waar u aan toe bent.

Er valt heel wat te zeggen over de vraag of de vergelijking van Europa met Japan wel zo’n gelukkige is. Zelf denk ik dat er meer verschillen dan overeenkomsten zijn, tussen de twee economieën. Maar die discussie laat ik hier rusten, want ik laat liever een andere vergelijking zien: die van het eurogebied met de Verenigde Staten.

Dat lijkt bij voorbaat een verloren zaak. Want het is toch algemeen bekend dat de Amerikaanse economie — zes jaar na het uitbreken van de kredietcrisis — er onvergelijkelijk veel beter voor staat dan die van Europa? In de VS daalt de werkloosheid en is de stemming onder consumenten en ondernemers opperbest. Het bruto binnenlands product groeit en is al weer flink hoger dan voor de crisis. Onvergelijkelijk.

Maar dat is geen eerlijke vergelijking. Voor de Amerikanen is het nu zes jaar na het uitbreken van de crisis, en zo’n vijf jaar na het oplossen er van. In het voorjaar van 2009 waren de Amerikaanse banken gered en was de acute crisis voorbij. De economie kon langzaam beginnen met het verteren van de gevolgen ervan. In het eurogebied moest op dat moment de echte crisis nog beginnen. De eurocrisis, die het voortbestaan van het gehele Europese financiële stelsel bedreigde, werd pas in de zomer van 2012 beteugeld. In Europa is het niet vijf, maar twee jaar na de crisis.

Hoe zag de Amerikaanse economie eruit, twee jaar na de kredietcrisis? Dat was begin 2011 en het beeld was niet al te fraai. Na een periode van herstel kromp de economie in het eerste kwartaal van 2011 opeens weer. Het bbp daalde met bijna 0,4%. De ramingen voor de groei in de rest van het jaar werden in allerijl naar beneden geschroefd.

Schermafbeelding 2014-09-13 om 21.27.59

Schermafbeelding 2014-09-13 om 21.28.08

Ook de afname van de werkloosheid stagneerde in 2011. Gedurende de eerste negen maanden van dat jaar bleef de werkloosheid hardnekkig rond 9% hangen. De gemiddelde werkloosheidsduur steeg zelfs, van 35 weken in januari naar 40 weken halverwege het jaar. Het vertrouwen van consumenten had er flink onder te lijden. Begin 2011 piekte het vertrouwen nog op 77 punten. Aan het eind van de zomer stond het op een magere 55 punten. Dat was het laagste niveau sinds november 2008.

Ook inkopers in de industrie en dienstensector verloren hun optimisme. De gecombineerde inkoopmanagersindex — een redelijk betrouwbare indicator voor de stand van de conjunctuur — begon 2011 op een stand van 59, maar daalde in de loop van het jaar naar 52. Twee jaar na het bezweren van de kredietcrisis was de Amerikaanse economie behoorlijk zwakjes en was er angst voor een nieuwe recessie. Het bbp lag in het eerste kwartaal van 2011 nog altijd 0,7% onder het niveau van voor de crisis. De Federal Reserve was maar vast begonnen met een nieuw opkoopprogramma (QE2) in de hoop dat daarmee de economie zou worden aangezwengeld.

Vervang in bovenstaande alinea’s VS door Europa en 2011 voor 2014, en je hebt een aardig overzicht van de economische stand van zaken hier en nu. Twee jaar na het einde van de eurocrisis is de Europese groei stilgevallen, neemt de werkloosheid nauwelijks af, is het consumentenvertrouwen laag, daalde de inkoopmanagersindex naar 52 en is de centrale bank begonnen aan een wanhoopsoffensief. Het Europese bbp ligt nog altijd 0,6% onder het niveau van voor de crisis.

Er is geen ontkomen aan: we zitten in een Amerika-scenario. Dat is een prima scenario, overigens. Want aan het eind van 2011 groeide de Amerikaanse economie al weer met meer dan een procent op kwartaalbasis. Het bbp was hoger dan ooit, de recessie was echt voorbij.

Hersenverweking

(Verscheen eerder hier)

Opnieuw een ‘doet ie het of doet ie het niet’-moment voor Mario Draghi. Gaat de ECB-president donderdag een nieuw opkoopprogramma aankondigen? Krijgen we kwantitatieve verruiming (QE) in het eurogebied?

 In de aanloop naar donderdag worden de geesten rijp gemaakt voor drastische monetaire maatregelen. Voormalige ECB-bestuurder Lorenzo Bini Smaghi schreef een stuk op de website van de Financial Times, onder de titel ‘Why the opponents of QE have failed to make their case”. Daarin noemt de Italiaan alle argumenten van de tegenstanders van QE, en verklaart ze stuk voor stuk ongeldig.

Dat hij zichzelf daarbij meermaals tegenspreekt (QE zorgt bij het ene punt niet voor inflatie, bij het andere juist wel) doet er niet toe. Sterker: het draagt juist mooi bij aan de hersenverweking van de lezer. Hoe vaker je schrijft dat het eurogebied een opkoopprogramma nodig heeft, omdat we anders in een neerwaartse spiraal van deflatie, vraaguitval en recessie terechtkomen, hoe meer dat als een feit gaat klinken. De murw gebeukte lezer gaat het mee prevelen: deflatie… vraaguitval… recessie.

Vooral Britse en Amerikaanse media zijn al geruime tijd bezig met het herprogrammeren van de Europese lezer. Hoe dat werkt? Afgelopen dinsdag publiceerde Eurostat nieuwe cijfers over de producentenprijzen in het eurogebied. In juli waren de prijzen die fabrikanten elkaar onderling berekenen gedaald met 0,1%.

Hoewel het hier niet om consumentenprijzen gaat, maakte de Wall Street Journal er toch een angstverhaal van. Het eurogebied kan niet ontsnappen aan een al langer wordende periode van erg lage inflatie, schreef de krant zorgelijk.

Pas aan het eind van het artikel ging de krant in op de oorzaak van de (licht) dalende producentenprijzen: energie was goedkoper. Dat was de enige sector waar in juni de prijzen daalden. Zonder energie bleven de prijzen stabiel, voor de vijfde maand op rij. Zijn lagere energieprijzen een probleem? Natuurlijk niet. Hoe goedkoper olie, gas en elektriciteit, hoe lager de kosten voor bedrijven, hoe hoger de winst. Moet de ECB de olieprijs stimuleren met een opkoopprogramma? Dat is net zo onzinnig als het klinkt.

 Ook de lage inflatie voor consumenten komt voor een belangrijk deel door de gedaalde energieprijzen. Zonder die daling was de Europese inflatie in augustus geen 0,3% maar 0,6% geweest. En zonder de tevens gedaalde voedselprijzen bedroeg de inflatie 0,9%. In de arbeidsintensieve dienstensector stegen de prijzen met 1,2%. Geloof me, echte deflatie ziet er anders uit.

Volgens een nieuw rapport van de Oeso zijn vooral de prijzen van tarwe, maïs en oliehoudende zaden flink gedaald. De oorzaak: recordoogsten eerder dit jaar. Voedselprijzen blijven ook het komende jaar dalen, zegt de Oeso. Wat een feest, denkt de consument. Wat een ramp, tobben de verweekte hersenen van de krantenlezer.

Europa in de greep van slordig geformuleerde angst voor deflatie

De prijzen in het eurogebied stijgen nauwelijks meer. In augustus bedroeg de inflatie 0,3%. Dat is het laagste percentage sinds 2009, toen er een paar maanden lang sprake was van regelrechte deflatie.

Krijgen we nu weer deflatie? Als de olieprijs verder daalt en de  Russische sancties zorgen voor lagere voedselprijzen, is dat goed mogelijk. De deflatie van 2009 was overigens zonder consequenties. Ondanks vijf maanden van dalende prijzen, herstelde de Europese economie stevig.

Toch is deflatie een groot gevaar, want, zo leggen experts keer op keer uit, als prijzen dalen stellen consumenten en bedrijven hun bestedingen uit. Van Lanschot-econoom Luc Albers gebruikte afgelopen week deze woorden op de Belgische tv. Het Centraal Planbureau schreef ze onlangs op in een publicatie. En zelfs ECB-president Mario Draghi maakte zich schuldig aan dit slordige taalgebruik.

Want dat is het: slordig. Wie beweert dat deflatie een probleem is omdat mensen hun bestedingen uitstellen, vertelt slechts het halve verhaal. Want wanneer stel je bestedingen uit? Als door te wachten met uitgeven, de koopkracht van je geld stijgt.

Maar dat is eigenlijk de normale situatie. We noemen dat ‘sparen’ en ‘rente ontvangen’ .  Wie zijn 100 euro niet meteen uitgeeft, maar tegen 4% rente spaart, kan over een jaar voor 104 euro boodschappen doen. Wachten loont, in de normale wereld. En in zo’n normale wereld is er ook inflatie. Laten we zeggen dat die 1,5% bedraagt. De koopkracht van 100 euro daalt daardoor met anderhalve euro. Per saldo levert uitstellen van besteden (sparen) 2,50 euro extra koopkracht op. De reële rente (dat is rente minus inflatie) is 2,5%.

Nu naar de abnormale wereld van deflatie: stel dat het prijspeil daalt met 1,5%. De centrale bank verlaagt de rente naar 1%; er is toch geen inflatiegevaar. De reële rente bedraagt dan ook 2,5%. De beloning op wachten is net zo hoog als in de ‘normale wereld’.

Dat bestedingen uitstellen lucratief is, is dus niet bijzonder. Het is de natuurlijke gang van zaken in een normaal werkende economie. Waarom is er dan toch zoveel angst voor deflatie? De reden is dat de centrale bank de rente niet of nauwelijks onder de nul procent kan krijgen. Dat is fysiek onmogelijk, omdat bij een negatieve spaarrente spaarders hun geld in bankbiljetten opnemen en onder hun hoofdkussen leggen. Dan krijgen ze in elk geval nog nul procent.

Als de beleidsrente niet lager kan zijn dan nul en er is sprake van deflatie, dan is de reële rente positief. Als een economie dan ook nog eens in een recessie zit, is dat volgens sommige economen een groot probleem. Volgens hen is een fiks negatieve reële rente (dus een boete op sparen) de enige manier om de economie weer aan de praat te krijgen. Deflatie maakt dat onmogelijk.

Dat is de theorie waarop de angst voor deflatie is gebaseerd. Dus niet: consumenten wachten op goedkopere producten. Maar wel: we kunnen de reële rente niet negatief genoeg maken. Dat betekent ook dat er nauwelijks verschil is tussen lage inflatie en milde deflatie. Er ligt geen magische grens bij 0% inflatie. Hoe hoog of laag is de reële rente, dat is de enige relevant vraag.

Het antwoord? Behoorlijk laag. Neem Nederland: met een 10-jaars rente van slechts 1% en een inflatie van 0,6%, bedraagt de reële rente 0,4%. Dat is iets meer dan de -0,5% (negatief!) van de afgelopen twee jaar. Maar afgezien van die twee jaar, staat de reële rente op het laagste niveau sinds 1977. De recessie van de jaren tachtig kwamen we door met een reële rente van 6 tot 7%.

Schermafbeelding 2014-09-06 om 20.43.55

Spanje zit al een tijdje in de ‘deflatiespiraal’, maar groeit harder dan Frankrijk en Finland, waar de prijzen bovengemiddeld snel stijgen. De Portugese economie groeit met 0,8 procent terwijl de prijzen dalen. Oostenrijk groeit net zo hard, bij een inflatie van 1,7%.

Zorgen over de Europese economie zijn terecht. Maar het bewijs dat lage inflatie en te hoge reële rente het Europese hoofdprobleem is nog lang niet geleverd.

Kan de klant kiezen? 

Onderstaande column schreef ik jaren geleden voor (het inmiddels opgeheven – niet mijn schuld) FEM Business. Het archief van FEM is  offline. N.a.v. deze tweet herplaats ik de column hier)

Bureaucratisering

Van alle gratis diensten die Google biedt, zijn de ‘alerts’ misschien wel de mooiste. Je typt een zoekterm en je emailadres, en Google stuurt iedere dag een mailtje met de laatste nieuwsberichten over het gewenste onderwerp. Op de hoogte blijven was nog nooit zo eenvoudig. Bijkomend voordeel is dat je alleen maar je teen in deze constante stroom aan nieuwsberichten hoeft de te steken, om de temperatuur van het maatschappelijk debat vast te stellen.

Begin dit jaar voegde ik de zoekterm ‘marktwerking’ aan mijn alert-lijstje toe. Drie maanden later is mijn teen bijna afgevroren – zo ijzig waren de nieuwsberichten. Van de 46 nieuwsberichten die ik ontving, waren er slechts 10 enigszins positief over marktwerking. (Eén daarvan had ik zelf geschreven, dus die telt eigenlijk niet mee). Maar liefst 29 berichten waren negatief – vaak zeer negatief. Zeven waren neutraal.

In de meeste gevallen ging het om aanklachten tegen marktwerking in de zorg en het openbaar vervoer. “Bijna 78 procent van de Nederlanders wil minder marktwerking in de zorg”, bleek uit een enquête. “Zestig procent van de verpleegkundigen in de thuiszorg vindt dat hun werk door marktwerking in de knel komt”, meldde een ander onderzoek “Roep marktwerking in de zorg een halt toe!”, eiste Eelco Damen, ‘zorgmanager van het jaar’, in Trouw. Het Reformatorisch Dagblad schreef: “De belangen van reizigers zijn niet gediend met marktwerking binnen het openbaar vervoer”. En de FNV stuurde een persbericht rond met de alarmerende mededeling: “Marktwerking en concurrentie zijn funest voor de veiligheid op het Nederlandse spoor”.

Het is duidelijk: marktwerking is de nieuwe duivel. Wat er ook mis gaat in Nederland: de markt heeft het gedaan. Een bizarre situatie. Want vrijwel alle klachten komen juist door gebrek aan marktwerking.

De meest basale eis die je aan marktwerking mag stellen, is dat er een markt is die werkt. Dat betekent: de klant kan besluiten naar een andere aanbieder over te stappen als hem iets niet bevalt. De lakmoesproef van iedere markt-werkingsoperatie is daarom: kan de klant kiezen? Zo nee, dan is er geen marktwerking.

Voor zowel openbaar vervoer als de zorg geldt: de klant kan niet kiezen. De NS heeft een monopolie op het spoor, de busbedrijven zijn de enige aanbieders in de regio, de thuiszorgorganisatie wordt aangewezen door de gemeente en ziekenhuizen onderhandelen in de eerste plaats met de verzekeraars. De klant staat er bij en kijkt er naar. Geen marktwerking, dus.

Bureaucratisering zou een betere benaming zijn. Want als de klant niet mag kiezen is er altijd ergens een bureaucraat die dat voor hem doet. Om die te vinden hoef je alleen maar het papierspoor te volgen. Dat leidt meestal naar een enorm kantoorgebouw. Daar zit de bureaucraat. Hij speelt voor marktmeester. Via aanvraagformulieren, indicatiesystemen urencalculaties en andere bureaucratische rompslomp, probeert hij de markt na te bootsten.

Een dergelijk bureaucraat is de provinciale bestuurder die een busbedrijf uitkiest. Hij schrijft een tender uit, waarin hij tot achter de komma vertelt welke dienst ‘de klant wil’. Het is de wethouder die een thuiszorginstelling uitkiest en rapportages wil over wat iedere verpleegster elk kwartier uitvoert. Het is de zorgverzekeraar die met elke huisarts een apart contract afsluit en ze zo met kilo’s papierwerk opzadelt. Die bureaucraat is de werkelijke oorzaak van alle ellende. Snij hem uit het systeem, laat de klant zelf kiezen, en de markt zal echt gaan werken.

Ik heb de zoekterm ‘bureaucratisering’ aan mijn Google-lijstje toegevoegd. Resultaat tot nu toe: nul berichten. We wachten af.

Kabinet wil vertrouwen uitstralen, maar consument laat het hoofd toch hangen

Voor het eerst in een jaar is het consumentenvertrouwen weer gedaald. Landgenoten, wat is er met u aan de hand?

De werkloosheid daalt, de huizenmarkt herstelt, de koopkracht stijgt en het begrotingstekort gaat sneller omlaag dan gedacht. Maar de consument laat het hoofd hangen.

Ons kabinet hoeft zich niet langer nachtenlang op te sluiten in zweterige kamertjes, voor onderhandelingen over nieuwe bezuinigingen of de redding van weer een bank. Nee, de ministersploeg gaat een dagje uitwaaien in de tuinen van Landgoed Nijenhuis.

Daar lieten Rutte en Asscher zich interviewen in spijkerbroek en lamswollen trui. Casual kleding straalt zo’n prettige ontspanning uit: alles gaat goed, we liggen op koers. De nieuwe VVD-staatssecretaris Eric Wiebes had zelfs een versleten spijkerjekkie aangetrokken. Alleen een pakje zware shag in zijn borstzak en een button met ‘Atoomenergie? Nee bedankt’ ontbraken nog. (Het VVD-partijbestuur laat weten binnenkort een paar blauwe blazers bij Wiebes langs te brengen.)

Banen en groei, dat worden de speerpunten van het kabinet voor de komende tijd, zei Rutte na afloop. Slim gekozen, want volgens de laatste raming van het CPB trekt de groei in 2015 aan en daalt de werkloosheid sneller. Mocht dat echt zo uitpakken, dan heeft het kabinet dit succes nu al handig geclaimd.

Maar de Nederlandse consumenten kijken voorbij Landgoed Nijenhuis en zien de donkere wolken hangen boven Oekraïne en het Midden-Oosten. CBS-econoom Peter Hein Mulligen noemde de onzekere situatie in het buitenland als belangrijkste reden voor de plotselinge daling van het vertrouwen.

Die angst moet dan direct ook in de eigen portemonnee zijn geslagen. Meestal zie je zorgen over buitenlandse oorlogen alleen terug in de antwoorden die consumenten geven over het algemene economische klimaat. In augustus gingen ook de verwachtingen over de persoonlijke financiële situatie omlaag. Een meerderheid van de ondervraagden verwacht erop achteruit te gaan. Alsof het halve CBS-panel uit tomatentelers bestaat.

De aanhoudende crisis van de afgelopen jaren heeft de Nederlandse consument blijkbaar zo murw gebeukt, dat hij bij ieder negatief nieuws automatisch denkt: dat zal mij wel weer geld gaan kosten. Maar misschien is dat wel een te grove generalisering, want dé Nederlandse consument bestaat natuurlijk helemaal niet.

We zijn een divers volkje van optimisten en pessimisten. De onderliggende cijfers van het CBS-onderzoek naar het consumentenvertrouwen laten dat helder zien. Bijvoorbeeld: in het tweede kwartaal van 2014 waren er meer pessimisten dan optimisten in Nederland. Maar dat kwam alleen maar omdat relatief veel vrouwen geen vertrouwen in de economie hadden. Onder mannen hielden de optimisten en pessimisten elkaar dit voorjaar precies in evenwicht.

Schermafbeelding 2014-08-30 om 13.40.03

Dat is geen toeval: de afgelopen twaalf jaar waren vrouwen telkens pessimistischer dan mannen. Een enkele keer hadden beide seksen er even weinig vertrouwen in, zoals in het crisisjaar 2008. Maar in 2007, vlak voor de kredietcrisis uitbrak, stond het consumentenvertrouwen onder mannen op 10, en onder vrouwen slechts op 3. Wat zagen de vrouwen dat de mannen misten?

Nog groter dan de verschillen tussen de seksen, zijn de verschillen tussen generaties. Jongeren zijn in de regel een stuk optimistischer dan ouderen. Onder Nederlanders tussen 18 en 35 jaar oud is het vertrouwen het hoogst. Het gemiddelde consumentenvertrouwen van alle Nederlanders bedroeg tussen 2002 en 2014 min 19. Onder jongeren was dat in die periode gemiddeld min 6. De groep tussen 65 en 75 jaar oud heeft er met een gemiddelde van min 25 het minste vertrouwen in.

Schermafbeelding 2014-08-30 om 13.40.54

Ook opleidingsniveau speelt een grote rol. Hoe hoger de opleiding, hoe groter het consumentenvertrouwen. Academici scoren tussen 2002 en 2014 een gemiddelde van min 5. Nederlanders met alleen basisonderwijs komen gemiddeld uit op min 29.

Schermafbeelding 2014-08-30 om 13.40.35

Het patroon is duidelijk: jonge mannen met een academische titel zien de economisch toekomst zonnig in. Oudere dames zonder opleiding zijn juist somber. Gegeven hun kansen op de arbeidsmarkt is dat in beide gevallen — helaas — terecht. Daar zal dit kabinet weinig aan kunnen veranderen, al trekken alle ministers een spijkerjack aan.

(Eerder hier)

Nieuw Stabiliteitspact: geen boete maar tekortbelasting

In de praktijk geven eurolanden elkaar geen boetes. De schande van zo’n  sanctie doen ze elkaar liever niet aan. Bovendien komen de boetes pas zo laat in het proces ter sprake, dat een land er alleen maar verder door in de financiële nood wordt gebracht. Een preventieve werking gaat er niet van uit.

Het was de bedoeling van het Stabiliteitspact dat de hoge boetes zo afschrikwekkend zouden zijn, dat niemand de regels zou durven overtreden. In de praktijk blijken de boetes zo hoog (en stigmatiserend) dat niemand ze durft op te leggen.

Terug naar de tekentafel
Het Stabiliteitspact moet terug naar de tekentafel. We moeten terug naar de hoofdvraag: waarom moeten eurolanden elkaar eigenlijk straffen? De reden is dat landen in een monetaire unie last hebben van elkaars slechte begrotingsdiscipline.

Als een euroland te veel leent zorgt dat voor onrust op de financiële markten van alle eurolanden. De rente gaat omhoog, de wisselkoers daalt. Of andere landen moeten met eigen geld bijspringen om het probleemland te redden. Kortom: in een muntunie waait het slechte beleid van het ene land over naar het andere land.

Introductie tekortbelasting
Een te hoog tekort is dus geen kwestie van zonde en schuld, maar van overlast voor de buren. En met overlast weten economen wel raad. Overlast moet je weg belasten. Een vieze fabriek betaalt een milieuheffing, motoren worden schoner als je de wegenbelasting op vieze auto’s verhoogt, en  ‘begrotingsvervuiling’ pak je aan met een ‘tekortbelasting’.

Eurolanden mogen best een begrotingstekort hebben, zolang ze de tekortbelasting maar betalen. Bij kleine tekorten is de belasting laag –maar niet nul. Bij hogere tekorten loopt de heffing snel op, want dan neemt ook de schade voor andere eurolanden rap toe. De opbrengst van de belasting gaat naar Brussel, zodat de EU-afdracht voor landen zonder tekort omlaag kan.

Een land met hoge werkloosheid en een activistische regering kan er gewoon voor kiezen om de economie een extra zet te geven met expansief begrotingsbeleid. Het is niet verboden, maar kost  wel wat extra tekortbelasting.

De tekortbelasting wordt automatisch geheven. Er gaat geen vergadering van Europese ministers aan vooraf. Niemand hoeft zijn buurman te straffen.

Geen gezichtsverlies
Betalen van belasting zorgt niet voor gezichtsverlies. Alle landen met een tekort moeten betalen, zij het dat het land met het grootste tekort de hoogste (progressieve) heffing krijgt opgelegd. In plaats van een boete die nooit wordt uitgedeeld, krijgen we een belasting die altijd wordt betaald.

De kosten van een begrotingstekort gaan omhoog. Landen worden voorzichtiger en kunnen de schade van slechte begrotingsdiscipline niet meer afwentelen op de
buurlanden.

Bijkomend voordeel: de monsterlijke begrotingsindustrie in Brussel kan worden opgedoekt. Geen nachtelijke vergaderingen meer over het tekort van Portugal of Frankrijk en geen metersdikke rapporten over de staatsschuld van Italië.

Zoetzuur

Extra uitgaven! Lastenverlichting! Voor het eerst in vijf jaar gaat het in Den Haag eens niet over bezuinigen en hogere belastingen.

De economie groeit nauwelijks, maar het begrotingstekort daalt sneller dan gedacht. Er is eindelijk weer ruimte voor nieuw beleid. Met de verkiezingen voor de Provinciale Staten (en de Eerste Kamer) in aantocht wapperen zowel de regeringspartijen als de drie ‘geliefde oppositiepartijen’ enthousiast met hun wensenlijstjes.

Vergeet de ellende van de afgelopen jaren, 2015 wordt het oogstjaar. Het zoet is eindelijk gekomen.

Dus gaan we ‘investeren in werk’, zoals dat in Den Haag heet. De lasten gaan met een half miljard euro omlaag, en als het aan D66 ligt komt daar voor de middeninkomens nog wat bij. Ook defensie krijgt miljoenen extra. We hebben snel nieuwe bommen en granaten nodig, want de Russen komen toch.

Wordt 2015 echt een zoet jaar? Vergeet het maar. Ook volgend jaar zal het zuur overheersen. Want terwijl Den Haag praat over extra uitgaven en lagere lasten, wordt 2015 toch gewoon weer een jaar van bezuinigen en lastenverzwaring. Dat komt doordat er nog veel maatregelen in de pijplijn zitten.

Het totaal van tekortreducerende maatregelen, zoals het Centraal Planbureau de som van bezuinigingen en lastenverzwaringen noemt, bedraagt in 2015 maar liefst zeven miljard euro.

Zes miljard daarvan komt direct voort uit de plannen van het huidige kabinet. Volgens de afspraken uit het regeerakkoord wordt 2015 het jaar van de grote klapper. In geen ander regeerjaar van Rutte 2 is het geplande pakket aan ombuigingen zo groot.

Nog eens twee miljard aan maatregelen in 2015 komt nog uit het regeerakkoord van het eerste kabinet-Rutte. U herinnert zich dat nog wel: dat kabinet van VVD en CDA met gedoogsteun van de PVV. Rutte 1 kwam in april 2012 ten val, maar de aangenomen en goedgekeurde bezuinigingen en lastenverzwaringen die voor 2015 in de planning stonden, worden nog gewoon uitgevoerd. Voor Den Haag is het al lang geschiedenis, voor de rest van Nederland nabije toekomst.

Na de val van Rutte 1 moest er snel een noodbegroting worden opgesteld voor 2013. Dat lukte met de hulp van D66, GroenLinks en de ChristenUnie. Een deel van de maatregelen uit dat zogenoemde Kunduz-akkoord waren tijdelijk. In 2015 loopt er voor ongeveer een miljard aan Kunduz-bezuinigingen af. Per saldo resulteert er voor volgend jaar daarom een pakket aan ombuigingen van zeven miljard euro. Dat is net zo veel als de hele jaarlijkse defensiebegroting en twee keer zo veel als de jaarlijkse inkomsten uit motorrijtuigenbelasting.

Ik snap dat de politiek het eindelijk weer eens over uitgaven en lastenverlichting wil hebben. Maar 2015 wordt gewoon weer een jaar van schrapen en snijden.

(Eerder hier)

 

Europese Decentrale Bank

De Ieren zijn boos, de Duitsers verontwaardigd, maar in Nederland is nog geen echte rel ontstaan. En dat terwijl onze soevereiniteit op het spel staat! We krijgen minder te zeggen over het beleid van de Europese Centrale Bank (ECB).

De Ierse krant The Independent schrijft over de ‘woedende reacties’ op het besluit om het stemrecht binnen de ECB-bestuursraad vanaf 1 januari 2015, als Litouwen als achttiende land de euro zal invoeren, te laten rouleren. De bankpresident van Ierland mag dan niet meer iedere vergadering mee­stemmen.

Een slechte dag voor Ierland, concludeert een Ierse politicus. Een andere stuurde een boze brief naar de ECB waarin hij het stemrecht terug eist.

Ook Duitsland is boos. Een Beierse CSU-politicus noemt de nieuwe stemregels een gevaar voor Duitsland. De liberale FDP eist permanent stemrecht voor Duitsland. En het eurosceptische Alternative für Deutschland wil zelfs vetorecht voor de Bundesbank.

In Nederland blijft het tot nu toe bij wat rumoer op perifere internetfora. We houden zowaar het hoofd eens koel. Gelukkig maar, want de Ierse en Duitse ophef is nogal overdreven.

Allereerst komt de boosheid ruim een decennium te laat. Al in maart 2003 besloten de EU-regeringsleiders dat het stemrecht van de leden van de ECB-bestuursraad op termijn zou gaan rouleren. De vijf grote landen (waaronder Nederland) zouden soms, en de kleinere landen wat vaker, hun stemrecht verliezen. De zes bestuursleden van de ECB zelf, inclusief de ECB-president, zouden wel altijd mogen stemmen.

De Ierse en Duitse boosheid laat bovendien zien dat de politici het EU-Verdrag niet kennen. De nationale bankpresidenten mogen bij de ECB niet voor de belangen van hun eigen land opkomen, maar moeten het belang van de unie als geheel behartigen. Dat is hun plicht.

Ierland noch Duitsland heeft formeel een eigen stem bij de ECB. Natuurlijk werpen de bankpresidenten hun nationale kleuren in de praktijk niet zo makkelijk af. Maar dat sommige bestuursleden zich niet aan hun opdracht houden, is eerder een reden om ze minder, dan meer stemrecht te geven.

Wat mij betreft gaan de nieuwe stemregels dan ook lang niet ver genoeg. Met vijftien stemmende bankpresidenten en zes permanent stemmende ECB-bestuurders heeft de monetaire unie nog altijd een bestuurlijk waterhoofd.

Bovendien is de macht scheef verdeeld: de regionale bankpresidenten hebben de meerderheid, de ECB-bestuurders zijn in de minderheid. ‘Europese Decentrale Bank’ zou een betere naam zijn voor de ECB.

De Amerikanen kwamen na de krach van 1929 tot de conclusie dat je een centrale bank maar beter centraal kunt leiden. Sinds 1935 hebben de regionale presidenten nog maar vier van de tien stemmen in het beleidsbepalend comité. Daar moeten we in Europa ook naartoe, hoe hard de Ieren en Duitsers ook tegenstribbelen.

(Eerder hier verschenen)

Redt de actie ‘Eet een peer tegen de Russische beer’ de Nederlandse fruitteler?

De Russische sancties gaan Nederland bakken met geld kosten. Misschien belanden we zelfs weer in een recessie. In elk geval zal Nederland voor €549,5 mln aan export verliezen, rekende de Volkskrant vrijdag voor.

Dat laatste getal is van een onnozele precisie. Op een half miljoen euro nauwkeurig schatten hoe groot de exportschade van de Russische boycot zal zijn, lukt alleen als je blind de exportstatistieken van het Centraal Bureau voor de Statistiek overtypt. Want €549,5 mln is het bedrag dat Nederland aan export misloopt, als we alle voor Rusland bedoelde voedingsmiddelen linea recta in de verbrandingsoven gooien.

Dat zou idioot zijn, want onze tomaten, kaasjes en karbonades zijn vast nog wel elders op de wereldmarkt te slijten. De wereldmarkt is een waterbed: als de Russen het matras aan een kant omlaag drukken, gaat het bed elders weer omhoog.

Hoogleraar plattelandsontwikkeling Dirk Strijker is aanhanger van die waterbedtheorie. Hij stelde: ‘De Russen zullen wel blijven importeren, maar dan uit andere landen. Die landen laten dan weer een gat in de markt vallen. Uiteindelijk ontstaat er dan weer een soort evenwicht.’

Dat klinkt hoopvol. Vraag en aanbod komen uiteindelijk weer bij elkaar. Daar zorgt het prijsmechanisme wel voor. Maar deze redenering is minstens zo ondoordacht als die van de Volkskrant. Want wanneer is precies ‘uiteindelijk’? En wat is er in de tussentijd met de prijs van producten gebeurd? Een paar dagen boycot hebben de tomatenprijs al doen kelderen. Daar hebben ook tomatentelers die niet aan de Russen leveren enorme last van. Mogelijk is de schade op korte termijn dus zelfs veel groter dan die €549,5 mln.

Het echte antwoord is dus: we hebben geen idee wat de schade zal zijn. Er zijn te veel onbekende factoren. Zelfs voor een enkel exportproduct valt vooraf geen schaderapport op te maken.

Ik geef een voorbeeld: de peer. Telers van deze vrucht lijden potentieel enorme schade door de boycot, want Rusland is een van de grootste afnemers van Nederlandse peren. Tussen 2008 en 2011 exporteerden we gemiddeld 46 miljoen kilo peren naar Rusland. Dat is ruim 13% van de totale export. Ter vergelijking: van de Nederlandse appels gaat nog geen 7% naar Rusland.

Schermafbeelding 2014-08-16 om 13.37.49

Mede door de Russische honger naar peren is Nederland een perenland geworden. Sinds vorig jaar is er meer Nederlandse grond beplant met perenbomen dan met appelbomen. In 2000 waren er nog ruim twee keer zoveel hectaren met appelbomen.

Schermafbeelding 2014-08-16 om 13.37.57

De peren-‘boom’ zorgde overigens niet voor meer perentelers. Integendeel: het aantal perenbedrijven daalde sinds 2000 met 35% tot pakweg 1460.

Schermafbeelding 2014-08-16 om 13.38.05

Dat zijn 1460 fruitondernemers die hard geraakt worden door de Russische boycot. Wat gebeurt er als de voor Rusland bestemde peren op de Europese markt terechtkomen? De prijs zal ongetwijfeld dalen, dus de vraag zal stijgen.

Maar hoe gevoelig is de perenvraag voor prijsdalingen? Nauwelijks, zo blijkt uit onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Als de prijs van peren met 1% daalt, neemt de vraag met nog geen 0,25% toe. De perenvraag is inelastisch, zeggen economen dan. Het prijsmechanisme werkt daardoor zeer stroef. De prijs zal flink moeten dalen voordat Strijkers’ ‘uiteindelijke evenwicht’ weer is gevonden. Ook perentelers die niet aan de Russen leverden, worden hard geraakt.

Kunnen ze dan niets doen? Jawel. Anders dan tomaten zijn peren goed houdbaar. De hele oogst kan gekoeld zo een jaar worden opgeslagen. Op die manier valt het overaanbod te bestrijden. Bovendien zullen perenhandelaren proberen de Nederlandse peer om te toveren in bijvoorbeeld een Turkse of Japanse peer, die wel welkom is in Rusland. Met een tussenstop in zo’n land verandert een lading fruit eenvoudig van nationaliteit.

En wie weet ontstaat er in Nederland wel een gevoel van camaraderie, waardoor iedereen een peertje extra eet. Een nationale actie ‘Eet een peer tegen de Russische beer’, zou zomaar kunnen slagen.

De uiteindelijke conclusie moet zijn dat er vooraf werkelijk niets valt te zeggen over de schade van de sancties. Het wordt een kwestie van achteraf meten, vrees ik. Dat is in de economie wel vaker het geval.

(verscheen eerder hier)

Doorwerken

Nee, een salaris kreeg hij niet. Maar dat vond de beheerder van de Desert View Campground, aan de oostkant van de Grand Canyon, geen probleem. Hij ontving al tien jaar een heel aardig pensioen, dus deed zijn werk graag als vrijwilliger. Na zijn pensionering was hij eerst thuis gaan zitten. Maar van niets doen ga je dood, wist hij. Van werken blijf je leven.

Het is altijd riskant, zo’n eerste column na een vakantie. Voor je het weet val je de lezer lastig met onbenullige vakantiewaarnemingen. Ik waag het er toch maar op, want tijdens mijn trip door het zuidwesten van de Verenigde Staten viel het me telkens weer op: het grote aantal werkende ouderen. De boodschappeninpakker, de hotelklerk, de buschauffeur, de ranger van het National Park en dus ook de campingbeheerder, allemaal waren ze de 65 jaar ruim gepasseerd.

Is het Amerikaanse pensioensysteem dan zo beroerd, zijn de ziektekosten en private schulden zo hoog, dat een rustige oude dag alleen voor de allerrijkste Amerikanen is weggelegd?

Volgens de officiële cijfers werkt een kleine 19% van de Amerikaanse 65-plussers. Dat is bijna een verdubbeling ten opzichte van dertig jaar geleden. Velen werken ongetwijfeld door uit financiële noodzaak. Pensioenen zijn vaak karig en veel Amerikanen hebben helemaal geen geld gespaard.

Maar de oudere werknemers met wie ik een praatje aanknoopte, hadden het zelden over de noodzaak om te werken, maar vooral over plezier in het werk. Misschien hielden ze zich groot, maar hun antwoorden komen overeen met eerder onderzoek. In 2008 vroegen Amerikaanse onderzoekers een groep werkende ouderen naar hun redenen om door te werken. ‘Anders heb ik te weinig inkomen’, werd slechts door 18% van de ondervraagden genoemd. ‘Ik zou me anders vervelen’, scoorde 31%.

Harvard-econoom Edward Glaeser denkt dat de arbeidsparticipatie onder Amerikaanse gepensioneerden de komende jaren nog verder zal stijgen. In de moderne diensteneconomie is het werk lichamelijk veel minder zwaar. Bovendien is de hedendaagse oudere relatief fit.

De werkloze oude dag, die we in de loop van de twintigste eeuw gewoon waren gaan vinden, was volgens Glaeser in werkelijkheid een ‘pensioenzeepbel’, een tijdelijke periode met uitzonderlijk lage arbeidsparticipatie onder ouderen. Die zeepbel is geknapt.

En in Nederland? Ook hier is de deelname van 65-plussers op de arbeidsmarkt stijgende. Volgens Europese cijfers werkte in 2011 ruim 11% van de Nederlanders tussen de 65 en 69 jaar oud. In 2005 was dat nog 9%. Maar de Nederlandse vakbond ziet gepensioneerden nog altijd het liefst niets doen. Ouderen die als vrijwilliger de buurtbus besturen? De FNV is erop tegen en opende deze week het speciale Meldpunt Werkverdringing om deze misstand tegen te gaan.

Nederlandse ouderen horen blijkbaar niet achter het stuur, maar achter de geraniums.

(Column verscheen eerder hier)