Houston, we have a problem: juist een lakse lockdown zorgt voor grote economische schade

De Texaanse lockdown was van korte duur. Nadat de Republikeinse gouverneur Greg Abbott de deuren van de Texaanse horeca op 1 april had gesloten, mochten restaurants op 30 april alweer heropenen.

Kort daarna nam het aantal besmettingen weer snel toe, tot zelfs meer dan 5000 nieuwe gevallen per dag. Daarom gingen vorige week de restaurants in Houston en andere grote steden opnieuw (deels) op slot. Texas heeft duidelijk misgegokt. Daar kunnen wij van leren, want de uitzonderlijk korte lockdown en de vroege heropening maken van de Amerikaanse staat een interessant natuurlijk experiment.

De reserveringsite Opentable.com verzamelt gegevens over het aantal restaurantreserveringen voor en na het begin van de corona-uitbraak. De grafiek voor Texas laat een aantal patronen zien. Allereerst: het aantal reserveringen stortte eerder in dan de lockdown officieel van start ging. Al voor 1 april hadden veel consumenten de lust om uit eten te gaan al verloren en waren restaurants al op eigen initiatief of op dat van de lokale overheid dicht gegaan. Toen de lockdown voor heel Texas werd afgekondigd, had dat geen duidelijke invloed meer op het aantal reserveringen. Ten tweede: nadat de economie weer openging nam het aantal reserveringen maar zeer aarzelend toe. Alleen op 21 juni werd er weer bijna net zoveel gereserveerd als een jaar eerder. Maar dit jaar viel Vaderdag op die datum, dus die vergelijking is niet eerlijk. Tenslotte valt ook op dat het aantal reserveringen recent alweer flink begon te dalen, nog voordat de gouverneur tot nieuwe maatregelen besloot.

De reserveringen lijken dus niet direct samen te hangen met de overheidsmaatregelen. Waarmee dan wel? Ik denk dat het onderste deel van de grafiek het antwoord geeft: angst voor het virus. De toename van het aantal besmettingen in maart en de snelle stijging in juni maakten klanten kopschuw. Het virus jaagt mensen de horeca uit, de lockdown bestendigt en versterkt dat vervolgens.

Dit is natuurlijk maar een hypothese, maar er verschijnt steeds meer economisch onderzoek waarin die volgorde van gebeurtenissen wordt onderschreven. Meest recent is de working paper (dus nog niet peer-reviewed) van de voormalig hoofdeconoom van Obama, Austan Goolsbee. Samen met een collega van de Universiteit van Chicago verzamelde hij telefoongegevens waarmee hij de bezoeken van miljoenen consumenten aan winkels in gebieden met verschillende lockdown-regimes kon analyseren. Gingen mensen minder vaak winkelen vanwege de lockdown, of omdat ze niet meer durfden? Goolsbee concludeert dat terwijl het aantal winkelbezoeken met 60% daalde, slechts 7%-punt daarvan direct gevolg is van de beleidsmaatregelen. De rest kwam door persoonlijke voorkeuren, ongetwijfeld gedreven door de angst voor besmetting.

Dit is een belangrijke conclusie. Allereerst omdat het ons iets leert over het herstel van de economie. De laatste weken vallen de meeste economische indicatoren telkens mee. Het gaat sneller beter dan gedacht. Als niet de lockdown maar angst voor het virus zorgde voor de recessie, is dat goed te begrijpen: het aantal besmettingen daalde al ruim voordat de maatregelen werden versoepeld.

Maar de resultaten van Goolsbee bevatten ook een waarschuwing: als de economische krimp vooral komt door virusvrees, zorgt een te vroege heropening van de economie voor een nog diepere recessie. Er is dan geen afruil tussen virusbestrijding en economisch herstel. Ze zijn juist complementair.

Dat is belangrijk om te weten, mocht er in Nederland een tweede golf van besmettingen komen. Beleidsmakers die het dan niet aandurven om de economie opnieuw in het slot te gooien, doen de economie mogelijk juist veel pijn. Natuurlijk kan zo’n nieuwe lockdown nog een stuk ‘intelligenter’ dan in dit voorjaar. Er is meer bekend over het virus en men zal veel gerichter te werk kunnen gaan, zowel regionaal als sectoraal.

Maar het idee dat we moeten kiezen tussen gezondheid en economie, en dat strenge regels ondernemers onredelijk hard treffen, kan langzamerhand wel van tafel.

FD

Opluchting

Dit is de tijd van de meevallers. Na de val in maart en april van zo ongeveer elke macro-economische indicator, gaan de cijfers nu juist harder omhoog dan verwacht. Nee, dat is nog geen bewijs van V-vormig herstel. Maar na maanden van onmachtig staren naar dalende curves, geeft het toch een gevoel van opluchting.

Op maandag telde het RIVM voor het eerst in maanden geen enkele coronadode en het CBS meldde een stijging van het consumentenvertrouwen. Er is vast geen directe correlatie, maar het geeft wel aan dat de verbetering van de gezondheidssituatie en die van de economie hand in hand gaan.

De vraag is of dat zo blijft. Want zelfs als een tweede coronagolf uitblijft, is er flinke kans op een tweede recessiegolf. Die komt dan niet uit Nederland zelf, maar uit het buitenland. Op mondiale schaal is de virusuitbraak nog lang niet onder controle. Integendeel: het aantal nieuwe besmettingen was de afgelopen tien dagen hoger dan ooit. Landen als Brazilië en India zitten nog in het opgaande deel van de curve, terwijl de lijnen in bijvoorbeeld de Verenigde Staten en Mexico op een hoog niveau zijn blijven hangen.

Voor de wereld als geheel is er dus nog allerminst sprake van opluchting. Dus zit ook de mondiale economie nog middenin de coronacrisis. Nederland zal daar als open economie (ja, een cliché, maar daarom niet minder waar) zeker de pijn van voelen.

‘Nederland stemt tegen zo ongeveer elk vrijhandelsverdrag, gevoed door de complete misvatting dat corona bewijst dat we alles weer lokaal moeten produceren’

Vooral omdat het met die wereldhandel toch al niet zo lekker ging. Volgens cijfers van het Centraal Planbureau is deze groeimotor al twee jaar aan het pruttelen. Het totaal van import en export in de wereld is in deze periode zelfs licht gedaald. Donald Trumps handelsoorlogen, ruzie binnen de Wereldhandelsorganisatie en de angst voor een harde brexit hebben de sfeer op de wereldmarkt behoorlijk verpest.

De coronacrisis zet nog eens een versnelling op dat proces. Niet alleen omdat veel grenzen preventief dicht gingen, maar ook omdat de recessie politici aanzet tot nieuw protectionisme. Trump fantaseert alweer over heffingen op Europese auto’s. De EU studeert op manieren om de Chinezen buiten de deur te houden en eigen ‘kampioenen’ te creëren. In het Verenigd Koninkrijk sturen de hardste brexiteers toch weer aan op ‘no-deal’. En in Nederland stemt het parlement tegen zo ongeveer elk vrijhandelsverdrag dat wordt voorgelegd. Dat alles wordt gevoed door de complete misvatting dat corona op een of andere manier bewijst dat we alles weer lokaal moeten produceren.

Zo wordt de recessie alleen maar dieper en langer. Ik ben pas echt opgelucht als de wereldhandel weer structureel gaat groeien.

(FD)

Geef papa geen verlof, maar geef hem vrijheid (uit 2017)

Tien dagen betaald verlof voor alle kersverse vaders in Europa. De Europese Commissie wil zich sinds kort graag profileren als een hoeder van de rechten van werknemers, en kwam woensdag met dit plan.

De Europese regelingen voor vaderschapsverlof lopen nu nog ver uiteen. Nederland is nogal karig met twee dagen betaald verlof voor nieuwe vaders, in Frankrijk is dat elf dagen, in Finland zelfs 54 dagen. Brussel wil dat met een minimum van 10 dagen glad trekken.

Moet de Europese Commissie zich wel dit onderwerp bemoeien? Nee, natuurlijk niet! Het gaat lijnrecht in tegen het subsidiariteitsprincipe. Hoeveel tijd vaders krijgen om “hun baby te leren kennen”, is een vraag die lidstaten prima zelf kunnen beantwoorden.

Maar het Brusselse voorstel biedt toch een mooie kans. Een kans voor Nederland om eens stevig te snoeien in de jungle van de verlofdagen, werkgevers te ontlasten en tegelijkertijd de Nederlandse werknemers meer vrijheid te geven.

Want meer vrije dagen voor jonge vaders is een prima idee, maar waarom moet dat per se via een verlofregeling? Waarom moeten werkgevers via loondoorbetaling opdraaien voor de kinderwens van hun werknemers? Waarom kan een vader die zijn baby wil leren kennen daar niet gewoon vakantiedagen voor opnemen? Je kind leren kennen zou iedere vader minstens zo belangrijk moeten vinden als een week strandbakken in Benidorm.

Vergeet daarom dat uitgebreide en kostbare vaderschapsverlof. Geef in plaats daarvan iedere werknemer het recht om na de bevalling van zijn (of haar) partner een flinke hoeveelheid vakantiedagen op te nemen.

Nu nog kan de werkgever volgens de cao vakantiedagen weigeren, als het bedrijfsbelang dat vereist. Verander die gunst in een recht en elke jonge ouder kan voortaan op eigen initiatief, maar ook op eigen kosten, langdurig vaderschapsverlof opnemen.

Zo’n nieuw recht op vakantie tijdens bijzondere perioden in het leven zou ook veel andere verlofregelingen kunnen vervangen. Blader eens in een cao en je valt achterover van de absurde hoeveelheid speciale verlofregelingen die Nederland kent.

Nederlandse werknemers hebben naast zwangerschaps- en vaderschapsverlof vaak ook recht op verhuisverlof, adoptieverlof, pleegzorgverlof, ouderschapsverlof, kortdurend zorgverlof en calamiteitenverlof of rouwverlof na overlijden van de partner, kind, grootouder, zus, broer, zwager, schoonzus of kleinkind.

Wie gaat trouwen krijgt huwelijksverlof. Maar ook als kinderen, broers, zussen, kleinkinderen of grootouders gaan trouwen heb je recht op door de werkgever doorbetaald verlof. Er is vakbondsverlof voor actieve leden van de vakbond, prepensioneringsverlof om vast aan het leven na het pensioen te wennen en zelfs een speciaal verlof als je partner binnenkort met pensioen gaat.

Ondertrouwverlof, generatieverlof, vrijwilligersverlof, vitaliteitsverlof; de Nederlandse verlofdeken is een patchwork van oneindig veel lapjes.

Niet iedere werknemer heeft recht op ieder soort verlof, want verschillen tussen cao’s zijn groot. De ene sector is kwistig met doorbetaald verlof, de andere juist karig. Ook dat is een reden om eens flink in de regelingen te snoeien, want waarom zou de ene werknemer meer speciale vrije dagen nodig hebben dan de andere?

Schaf daarom alle verlofdagen af en verhoog tegelijk het aantal vakantiedagen van alle werknemers, zodat het gemiddeld aantal dagen doorbetaalde afwezigheid in Nederland gelijk blijft. Geef vervolgens iedere werknemer het recht op vakantie bij geboorte, huwelijk, rouw, vakbondsactiviteiten en desnoods ook maar bij een aanstaande pensionering.

Iedereen is vrij om te doen wat hij of zij wil, iedereen mag zelf besluiten om wel of niet te werken rond levensbepalende gebeurtenissen en dat allemaal zonder dat de werkgever op nieuwe kosten wordt gejaagd.

(RTLZ)

Beloofd is beloofd: ooit gaan we korten, maar nooit volgend jaar

Ik neem u mee naar het jaar 2035. De wereld is totaal veranderd. De Noordzee staat vol met windmolens en in Zeeland is net de derde kerncentrale opgestart. Boerenerven zijn veranderd in kleine woonwijkjes, landbouwgebied werd stikstof-negatieve natuur en op de Life Science Campus in Oss maken biotechbedrijven sneller nieuwe vaccins dan virussen kunnen evolueren.

Alles is anders. Bijna alles, want de pensioenproblemen zijn hetzelfde. Jarenlang kwamen beleggingsresultaten niet boven het afgesproken ‘prognoserendement’. Dat was pure pech, zeiden de fondsbesturen, dus ze putten telkens geld uit de speciaal voor dit soort pechgevallen ingestelde ‘solidariteitsreserve’. Maar de pech bleef aanhouden. Of was het prognoserendement waarmee men rekende misschien te optimistisch geweest? De reserve zou gevuld worden door ‘geluksgeneraties’, maar tot nu toe bleek dat iedereen een pechvogel was.

Toen de buffer leeg was, moest er gekort worden. En flink ook. Zo had de pensioensector dat in 2020 plechtig beloofd. Dat was het jaar waarin het pensioenakkoord uit 2019 eindelijk was uitgewerkt. Een aantal boze FNV-leden had die uitwerking nog een tijdje proberen tegen te houden. Tijdens wat later de ‘Klucht van Breukelen’ zou gaan heten, wisten zij een stemming over het akkoord te saboteren door niet in te loggen bij het stemsysteem. Maar twee weken later ging de vakbond toch akkoord.

Dat pensioenakkoord van 2019 waar het akkoord van 2020 op voortborduurde, was weer de opvolger van een eerder akkoord uit 2014. Ja, het waren de jaren van de repeterende pensioenakkoorden. Werkgevers, werknemers en de overheid waren permanent in onderhandeling, omdat de afspraken telkens werden ingehaald door slecht economisch nieuws.

Al deze akkoorden hadden eigenlijk maar één doel: het voorkomen van kortingen op de uitkeringen van de gepensioneerden van dat moment. In 2014 had men nog het idee dat kortingen konden worden voorkomen door de pijn uit te smeren. ‘We nemen voortaan tien jaar om pech op de financiële markten weer in te lopen’, zei men. En met die bezwering werden pensioenkortingen vrijwel voorkomen. Maar ook in de jaren erna wilde het geluk maar niet komen. De rente werd steeds lager, zodat de toekomstige pensioenuitkeringen al zwaarder op de fondsen drukten. Er moest toch weer worden gekort.

Gelukgeneraties

In 2019 volgde de tweede list. Men bedacht een ander pensioenstelsel, waarin voor jongeren meer beleggingsrisico’s werden genomen dan voor ouderen. Zo kwam er virtueel meer geld in kas en hoefde er (waarschijnlijk) niet gekort te worden. Er bleef zelfs ruimte over voor het deels terugdraaien van de verhoging van de AOW-leeftijd.

Maar niet echt natuurlijk. Toen begin 2020 de coronacrisis uitbrak, bleken de dekkingsgraden toch weer te laag. Er was meer nodig: een nieuw stelsel zonder pensioenbeloften, dus ook zonder dekkingsgraden en rekenrentes. Voortaan zou de pensioenuitkering meebewegen met het beleggingsresultaat. Korten zou vanaf 2026 niet meer de uitzondering, maar de norm worden.

O ja, en men bedacht die solidariteitsreserve waarmee gelukgeneraties konden betalen voor pechgeneraties. Door te beloven in de toekomst rücksichtslos te korten als de regels dat voorschreven, hoefden de regels in 2020 en 2021 niet gevolgd te worden en konden kortingen wederom uitblijven. Een briljante oplossing!

Maar wel een oplossing die korten in de toekomst veel waarschijnlijker maakte. En in 2035 is die toekomst aangebroken. De rendementen vielen toch weer tegen, de buffer is leeg, dus de automatische kortingen zijn een feit.

Maar wacht eens even… Is de solidariteitsreserve wel echt leeg? Wie heeft eigenlijk bedacht dat zo’n buffer niet negatief mag zijn? In 2020 leek dat de onderhandelaars een goed idee en de toezichthouder had er ook op aangedrongen. Maar na zoveel jaren pech moet er toch binnenkort weer een gelukgeneratie geboren worden die wel hoge rendementen behaalt? Als we de buffer negatief laten worden, kunnen wat van die toekomstige rendementen nu al uitkeren. We lenen van de kinderen, maar die vinden dat vast niet erg.

En als het over tien jaar allemaal toch weer verkeerd uitpakt? Dan gaan we echt korten op de uitkeringen. Keihard korten, rücksichtslos. Beloofd!

Virtuele nepeconomie

Neppubliek in Spaanse stadions? De mannen van Studio Sport zijn er opvallend positief over. In La Liga spelen de voetbalteams weer, maar blijven de tribunes leeg. Dat staat ongezellig op tv, dus monteert men een soort digitaal publiek in clubkleuren op de lege stoeltjes. Een technicus start op het juiste moment stadionvullend geluid van opwinding, teleurstelling en blijdschap in.

Totaal nep. En journalistiek nogal dubieus. Maar in de Voetbalpodcast van de NOS zijn ze er mild over. ‘Zo’n wedstrijd voelt veel natuurlijker aan als je dat omgevingsgeluid hebt en op de achtergrond wat ziet bewegen’, legt een van de sportjournalisten uit. ‘Het is een vorm van klantenbinding’, zegt een ander. Volgend jaar in de Eredivisie?

‘Wat we tijdens corona gewoon gaan vinden, leren we misschien wel nooit meer af’

Nood breekt wet. Maar Arno Vermeulen en zijn mannen zien volgens mij iets over het hoofd: wat gebeurt er na corona? Gaan de digitale foefjes dan weer de kast in? Vast niet. Halflege tribunes van middenmoters voelen ‘natuurlijker’ aan met extra virtuele toeschouwers. De matte sfeer bij een 0-0 wedstrijd wordt opgepept met vrolijke digitale spreekkoren. Zijn er oerwoudgeluiden te horen? Dan starten we een toffe sfeeractie in. En een vuile overtreding verdwijnt achter een knappe schaar van de rechtsbuiten, die nooit heeft plaatsgevonden.

Wat we tijdens corona gewoon gaan vinden, leren we misschien wel nooit meer af. De overheid als redder van de werkgelegenheid, bijvoorbeeld. Liefst 144.000 bedrijven maken gebruik maken van de NOW-regeling. De verborgen werkloosheid is enorm, maar we zien het niet omdat het kabinet virtuele banen op de lege arbeidsmarkt projecteert. Het geweeklaag van werklozen verdwijnt achter een opgewekt geluidsfragment van tevreden personeel. De NOW is nu goed verdedigbaar, maar zal de overheid in de volgende ‘gewone’ recessie niet weer naar dit instrument grijpen?

Dat geldt ook voor de staatsgaranties en belastingmaatregelen waarmee de facto failliete bedrijven virtueel in leven worden gehouden. Prima in coronatijd, maar in de toekomst erg verleidelijk om de kiezer mee te paaien. Of neem het nieuwe idee dat de overheid geen bindende budgetrestrictie meer heeft. De staatsschuld mag oplopen want in het ECB-stadion is het digitale bier altijd gratis. Het houdt de sfeer er in tijdens de coronacrisis, maar hoe draaien we die virtuele biertap ooit weer dicht?

Alleen duidelijke afspraken kunnen redding brengen. Over het journalistieke principe dat we alleen uitzenden wat er echt gebeurt. En over het economische principe dat de overheid terugtreedt zodra dat weer kan. Zonder zulke principes krijgen we de wereld van voor corona nooit meer terug.

(FD)

Snellere energietransitie dankzij de corona-crisis? Je moet wel heel optimistisch zijn om dat te geloven

De crisis is een kans en kansen moet je niet verspillen. De overheid zal veel geld in de economie moeten pompen om de vraag naar goederen en diensten weer op peil te krijgen, dus als we dat geld nou eens oormerken voor duurzame investeringen, slaan we twee vliegen in een klap. De economie gaat weer groeien, terwijl de energietransitie wordt gestimuleerd en de circulaire economie dichterbij komt. Zo komen we sterker de crisis uit!

Dat klinkt fantastisch, toch? Zo fantastisch dat we het de komende maanden ook nog vaak zullen horen, denk ik. Van politici, lobbyisten en commentatoren: de coronacrisis biedt de uitgelezen kans om de noodzakelijke vergroening van de economie te versnellen.

Maar ik geloof er niet in. De crisis is geen kans, maar vooral gewoon een diepe crisis. De economie krimpt sneller dan ooit en de werkloosheid zal de komende maanden fors oplopen. Mensen worden geconfronteerd met grote onzekerheden, zowel over hun gezondheid als hun inkomen. De coronacrisis bedreigt ons bestaan op een fundamentele manier.

Schept dat de ideale voedingsbodem voor ambitieus milieubeleid, inclusief een sneller energietransitie? Het lijkt me niet. Die transitie zal ook veel onzekerheid en risico met zich mee brengen en dat is nou net waar men niet op te wachten zit.

Vergis u niet: ik zou het prachtig vinden als het anders was. De klimaatcrisis bedreigt op termijn onze welvaart en welzijn nog meer dan de coronacrisis. Maar de mens is nu eenmaal geneigd om problemen nu belangrijker te vinden dan problemen later. We zijn kortzichtig en verliezen juist in tijden van crisis de lange termijn uit het zicht.

Er is aardig wat onderzoek gedaan naar milieubewustzijn van burgers tijdens recessies, vooral na de kredietcrisis van 2008 en 2009. Uit een deel daarvan blijkt inderdaad dat laagconjunctuur en stijgende werkloosheid gepaard gaan met afnemende voorkeur bij burgers voor streng klimaatbeleid. Maar er is ook een aantal onderzoeken dat een dergelijke relatie juist niet hard kan aantonen.

Meest recent is de studie van de Oxford-socioloog John Kenny. Hij gebruikt de antwoorden die mensen uit verschillende landen gaven op vragen uit de World Values Survey, een grootschalig en veeljarig onderzoek naar voorkeuren en overtuigingen. In veel landen gaven mensen kort voor de kredietcrisis duidelijk meer prioriteit aan milieu dan erna. In bijvoorbeeld Spanje en de Verenigde Staten was dit verschil behoorlijk groot. Ook in Nederland vonden na de kredietcrisis meer mensen banen belangrijker dan het milieu. In Duitsland en Zuid-Korea nam het milieubewustzijn ondanks de recessie juist wat toe.

Op basis van zijn statistische analyse concludeert Kenny dat het vooral stijgende werkloosheid is die zorgt voor afkalvend milieubewustzijn. Economische krimp en een lager inkomen heeft dat effect veel minder. Zijn suggestie is daarom dat, om de steun van het publiek te behouden, beleidsmakers zich bij het formuleren van milieubeleid vooral moeten richten op baanbehoud. De economie mag er wel een klap van krijgen, maar de werkgelegenheid niet.

Misschien kan dat een les zijn voor Angela Merkel, Frans Timmermans en Eric Wiebes. Zij (en veel andere Europese politici) hameren erop dat het herstelplan voor de Europese economie een groen plan moet zijn. Laat het dan vooral ook een werkgelegenheidsplan zijn. Dus kies in eerste instantie de milieuprojecten met positieve impact op de banengroei. Dus liever subsidie op isoleren van miljoenen woningen, dan op het vergroenen van de chemische industrie. En even geen lastenverzwaringen in de industrie, maar opleidingsbudgetten voor installateurs van zonnepanelen en warmtepompen.

Denk daarbij niet dat de energietransitie het ultieme werkgelegenheidsproject is. Er zijn veel mensen nodig voor de uitbreiding van duurzame energie, maar er verdwijnen tegelijkertijd banen in de fossiele sector. Maar goed, het inzetten op snelle werkgelegenheidsgroei in de groene sector kan tijdens een recessie helpen met zowel het economisch herstel als met het behoud van milieubewustzijn.

Nee, heel optimistisch ben ik niet. De coronacrisis zal een spaak in het wiel van de energietransitie blijken te zijn. Maar we kunnen de val misschien wel wat minder pijnlijk maken.

(FD)

Zijn economen te pessimistisch?

Getallen kunnen gruwelijk zijn. Het Centraal Bureau voor de Statistiek publiceerde deze week cijfers over het aantal nieuwe AOW-uitkeringen. In Noord-Brabant en Limburg was er sprake van een forse daling: in april 2020 waren er in deze provincies maar liefst 1.400 minder mensen met een AOW-uitkering dan een maand eerder. Normaal gesproken zou dat aantal met pakweg 1.400 zijn gestegen.

Zelfs voor mensen die nog steeds in de ‘het-is-maar-een-griepje’-groef zitten moeten dit gruwelijke cijfers zijn. En al die mensen die blaten dat het prima is dat het ‘oude hout’ uit de boom valt, of dat onze ouderen ‘geen recessie waard zijn’, kunnen zich na het zien van de CBS-cijfers de ogen uit de kop schamen. De corona-uitbraak is uitzonderlijk, gruwelijk en helemaal nergens goed voor.

Maar er is ook goed nieuws. Althans: goed in relatieve zin. Want in mei is het aantal AOW-uitkeringen in Zuid-Nederland weer flink gestegen. Er kwamen in die maand 940 Brabantse en Limburgse AOW-ers bij. De AOW-grafiek laat dus een duidelijke V-vorm zien: een steile daling in april en een bijna even steile stijging in mei. Voor Oost- en West-Nederland is er ook zo’n V zichtbaar, al is die een stuk minder diep. Alleen in de noordelijke provincies blijft de lijn vrijwel vlak.

Zo’n V-vorm is precies waar economen aan het begin van de corona-uitbraak op hoopten. Niet voor de instroom in de AOW, maar voor de economie als geheel. Een diepe recessie in het voorjaar, door de lockdown, en dan snel herstel in de zomer. De economie is dit keer niet kapot, dus zodra het virusgevaar minder is zitten we in mum van tijd weer op het oude productieniveau.

‘Als tegenwicht mijn voorspelling: de recessie wordt uitzonderlijk diep, maar ook uitzonderlijk kort’

Inmiddels hebben de meeste economen de hoop op zo’n V-vormig herstel wel opgegeven. Zowel het IMF als de Europese Commissie denken dat we zelfs eind volgend jaar nog lang niet terug zijn op het niveau van voor de uitbraak. Het Centraal Planbureau heeft haar V-scenario de afgelopen weken stilletjes ten grave gedragen. En de economen van de Nederlandsche Bank hadden het deze week over een ‘langzaam herstel’ waarbij onze economie pas in 2023 weer boven Jan is. Als alles meezit.

Je zou er somber van worden. Daarom als tegenwicht hier mijn voorspelling: de recessie wordt uitzonderlijk diep, maar ook uitzonderlijk kort. We krijgen toch een V-vormig herstel en voor het eind van dit jaar zien we de productie weer flink stijgen en de werkloosheid weer dalen.

Nee, ik weet dat natuurlijk niet zeker. Maar ik denk dat de economische modellen in deze situatie de veerkracht van ondernemers en consumenten miskennen en de impact van de noodhulp van de overheid onderschatten. V-vormig herstel, ik geef je nog niet op.

(FD)

Anderhalve meter knelt veel meer in de stad. Tijd om toch weer in het buitengebied te bouwen?

Hoger wonen dan het topje van de Utrechtse Dom, het kan straks in de nieuwe wijk Sluisbuurt in Amsterdam. Op het Zeeburgereiland verrijzen de komende jaren enorme woontorens die wel 125 meter hoog mogen worden. Door de hoogbouw kunnen er op deze snipper land in het IJ straks ruim 5640 huishoudens wonen.

Amsterdam moet wel de lucht in, want de bevolking groeit razendsnel en om de natuur in de omgeving te beschermen, streeft men naar een compacte stad. Liever allemaal hutjemutje op elkaar gestapeld, dan uitgestrekte vinexwijken in het groen. Een compacte, vitale stad, dat is wat Nederlanders willen. Dicht bij werk, restaurant en theater. En dicht bij elkaar, natuurlijk.

Urbanisatie is een wereldwijde trend waar Nederland zich niet aan kan onttrekken. Volgens Rijksbouwmeester Floris Alkemade moeten we die trend omarmen. Zijn ‘Panorama Nederland’ dat vorig jaar verscheen, is een lofzang op de positieve agglomeratie-effecten van de grote stad. Citaat: ‘We gaan dichter bij elkaar wonen en werken, binnen een efficiënt netwerk van verbindingen. De meeste nieuwbouw realiseren we in de bestaande stedelijke omgeving.’ Urbanisatie is de megatrend van deze tijd en er moet wel iets heel bijzonders gebeuren om die trend te keren.

Een pandemie misschien? ‘Dichter op elkaar wonen en werken’, klonk gezellig in 2019. Een jaar later klinkt het vooral gevaarlijk. Sinds corona moeten we afstand houden, niet teveel interacties hebben met andere mensen en drukke plaatsen mijden. In de tram zit niemand meer naast elkaar. Een iets te gezellige barbecue in het stadspark wordt opgebroken door boa’s en de politie. En een sfeervolle demonstratie op de Dam leidt tot woedende Kamervragen en moties van wantrouwen tegen de burgemeester.

Daar zit je dan in je woontoren. De lift is een bron van besmetting geworden. De hippe koffiecorner op de begane grond heeft de anderhalvemetereconomie niet overleefd. En dat je zo lekker op fietsafstand van kantoor met al die inspirerende collega’s woont, maakt voor de post-coronathuiswerker niet meer uit.

Al die mooie agglomeratievoordelen zijn door de pandemie opeens in nadelen veranderd. Wereldwijd slaat het virus vooral in stedelijke gebieden hard toe. Het is er moeilijk om andere mensen te ontlopen. En de anderhalve meter voelt er meer beperkend dan in het buitengebied.

Hoeveel meer? Dat heb ik proberen uit te rekenen. In de anderhalvemetersamenleving heeft iedere inwoner minstens een cirkel met een diameter van 1,5 meter aan ruimte nodig. Hoeveel van die cirkels heeft iedere inwoner van Nederland gemiddeld tot z’n beschikking? Er is een hele tak van wiskunde die ruimtes zo efficiënt mogelijk met cirkels vult, dus daar waag ik me niet aan. Ik ga vierkanten tellen: in een vierkant van 1,5 bij 1,5 meter past precies zo’n cirkel uit de anderhalvemetersamenleving. De oppervlakte van dat vierkant is 2,25 m². Iedere Nederlander heeft gemiddeld 686 van die vierkanten tot z’n beschikking.

Maar in het dichtbevolkte Noord-Holland is dat maar 415. En in Zuid-Holland is er per inwoner zelfs maar ruimte voor 327 coronaveilige vierkanten. Nee, dan Drenthe: daar heeft iedere inwoner maar liefst 2.377 vierkanten aan ruimte. Friesland en Zeeland zitten daar net onder.

Dat de bevolkingsdichtheid in het westen veel hoger is dan in het noorden, wist u natuurlijk wel. Maar misschien maakt mijn eigen manier van meten met de coronavierkanten het gevoel van ruimte en veiligheid, dat we door de pandemie zijn gaan waarderen, duidelijker.

En wellicht dat we dan ook anders en op andere locaties gaan bouwen. Want misschien moeten er in plaats van krappe woontorens in Amsterdam, wel ruimtelijke woonwijkjes in Friesland komen. Voor thuiswerkers die slechts een paar keer per maand naar kantoor hoeven, voor gezinnen die niet nog een keer in lockdown willen op een krappe bovenwoning en voor ouderen die een veilige woonomgeving zoeken.

Ik kan best ongelijk hebben. De trend van urbanisatie laat zich wellicht niet breken, zelfs niet door corona. Maar het lijkt me op z’n minst een serieuze heroverweging waard.

(FD)

Wie nu pleit voor vroegpensioen houdt (klein)kinderen juist langer werkloos

Het is recessietijd en de werkloosheid loopt op. Dus daar is ie weer: de oproep om vroegpensioen mogelijk te maken zodat ouderen plaats kunnen maken voor jongeren. Ik dacht dat na de ervaringen van de afgelopen vijftien jaar deze reflex wel uit het DNA was geëvolueerd. Maar niet dus.

Ditmaal was het FNV-voorzitter Han Busker die de eeuwige pavlovreactie mocht verwoorden. In deze krant pleitte hij voor ‘arrangementen waardoor oudere werknemers eerder kunnen stoppen met werken’. Want het coronasteunpakket moet worden ingezet om ‘vroegpensioen zonder boete mogelijk te maken. De arbeidsmarkt is totaal veranderd.’

Dat laatste is natuurlijk zo. In januari hadden we het nog over de extreme krapte op de arbeidsmarkt. Het aantal vacatures was voor het eerst hoger geworden dan het aantal werklozen. Vooral in ICT, bouw en horeca waren de tekorten ongekend hoog. Vier maanden later is dat helemaal anders.

Vacatures worden ingetrokken en de verborgen werkloosheid bedraagt misschien al meer dan 10%. We zien het niet omdat veel werknemers dankzij de NOW-regeling hun baan houden. Maar de nieuwe arbeidsmarktindicator van het Centraal Planbureau – die naar gewerkte uren kijkt – laat zien dat de inactiviteit ook in Nederland enorm is toegenomen.

Vooral jongeren zijn zonder werk komen te zitten. Zij hebben vaak een flexcontract en worden in deze coronarecessie als eerste aan de kant te gezet. Alleen al in het eerst kwartaal van dit jaar, met slechts een paar weken coronacrisis, daalde de werkgelegenheid voor flexwerkers met meer dan 3%. Het aantal vaste banen steeg nog licht in dat kwartaal.

Maar betekent dat ook dat als ouderen vroegtijdig plaatsmaken deze jongeren sneller weer aan het werk komen? Het is een even logische als onjuiste gedachte. Met vervroegde uittreding (VUT) of prepensioen help je de jonge werklozen niet. Integendeel. De economie wordt er door afgeremd en het herstel van de werkgelegenheid vertraagt.

Hoe weten economen dat zo zeker? Dat heeft drie redenen. Allereerst is het een misverstand om te denken dat er een vaste hoeveelheid banen is in de economie die verdeeld moeten worden onder alle werkzoekenden. Het aantal banen staat niet vast, maar is afhankelijk van de vitaliteit en dynamiek van de economie. Als iedereen morgen ontslag neemt om werklozen een kans te geven, zal de economie instorten en is er voor niemand meer een baan. Of positiever geformuleerd: we hebben de oudere werknemers hard nodig om de economische groei te creëren die hun (klein)kinderen werk geeft.

Het was de katholieke vakbondsbestuurder Toon Riemen die in 1975 het plan ‘Jong voor oud’ lanceerde. De VUT zou zorgen voor meer werk voor jongeren, omdat ouderen plaatsmaakten. Minister Jaap Boersma (ARP) zag dat wel zitten en begon met experimenteren. Vanaf 1980 werd de VUT (later: prepensioen) een structurele regeling die pas begin deze eeuw werd afgebouwd. De feitelijke pensioenleeftijd daalde daardoor snel. In 2004 was die gemiddeld onder de 61 jaar uitgekomen.

Hielp dat de jongeren? Welnee. Onderzoekers hebben geen bewijs gevonden dat jongeren door VUT en prepensioen een grotere kans kregen op werk. Integendeel: in de jaren tachtig en negentig was de jeugdwerkloosheid juist bijzonder hardnekkig.

En toen VUT en prepensioen werden afgeschaft in 2004 schoot toen de werkloosheid onder jongeren omhoog? Zeker niet. De feitelijke pensioenleeftijd is sindsdien sterk gestegen naar 65 jaar in 2018. En het aantal actieve, werkende 55-plussers steeg van 42% in 2003 naar maar liefst 71% begin dit jaar. Maar de werkloosheid onder 35-minners ging in diezelfde periode niet omhoog, maar omlaag. Was vlak voor de afschaffing nog 6,3% van de mensen tussen 15 en 35 jaar werkloos, inmiddels is dat slechts 4,8%.

Ouderen hoeven zich niet op te offeren voor jongeren. Juist als ze blijven werken en met hun kennis en ervaring bijdragen aan een groeiende economie creëren ze de omstandigheden waarin jongeren een baan kunnen vinden. De verhouding flex en vast zou daarbij natuurlijk wel wat eerlijker over de generaties verdeeld kunnen worden. Daar zou de FNV zich eens druk om moeten maken.

(FD)

De Corona-kater

Er is brand bij de buren, dus we moeten midden in de nacht het huis uit. Daar sta je dan, op blote voeten, in een haastig aangetrokken joggingbroek. ‘Mogen we wat belangrijke papieren ophalen?’, vraag ik. ‘Of op z’n minst de fotoboeken? En waar is de kat?’ Maar de agent laat zich niet vermurwen. Het is te gevaarlijk. We moeten op afstand aan de overkant van de weg blijven staan.

Intussen is de brandweer begonnen met blussen. Er slaan al grote vlammen uit de ramen van de buren en we voelen de hitte op ons gezicht. Ik word nu toch een beetje zenuwachtig. ‘Gaat ons huis er ook aan? Waarom houdt de brandweer mijn huis niet nat?’ Even later zie ik dat een van de brandslangen op ons dak wordt gericht. De pannen rammelen. ‘De zolder wordt vast nat’, denk ik. ‘Maar dat is van later zorg.’

Er komt een tweede brandweerwagen de straat in. En dan nog een derde uit een kazerne in een dorp verderop. Een gordijn van water, rook en stoom onttrekt beide huizen aan het zicht. Blinde paniek slaat toe. Hoe loopt dit af?

‘Er is maar één huis uitgebrand, en dat was toch al heel oud, de brandweer had nooit hoeven komen’

Dat weten een paar oude mannetjes uit de buurt me wel te vertellen. Want inmiddels zijn er kijkers op de brand afgekomen. ‘Het is een gewone brand, niks bijzonders’, relativeert de een. ‘Welnee, die vonken waaien veel verder dan je denkt’, brengt de ander er tegenin. Er is een oud mannetje dat het onzin vindt dat we uit ons huis moeten en onze slaap missen. ‘Deze oplossing is erger dan de kwaal’, zegt hij. Ze vinden dat de brandweer te veel naar links of juist te veel naar rechts spuit, dat de agenten veel te streng of juist te laks zijn en dat de brand op de buurt-app moet, of dat die app nu juist nutteloos is.

Eenstemmigheid is er pas de volgende dag, als de brand bij de buren na vele uren spuiten eindelijk geblust is. De brandweerlieden zijn uitgeput en zwartgeblakerd weggereden. Ons huis werd gespaard. ‘Eigenlijk was het een brandje van niks’, concluderen de mannetjes. ‘Er is maar één huis uitgebrand, en dat was toch al heel oud. De rest van de straat heeft nooit in de fik gestaan. We hadden net zo goed thuis kunnen blijven en de brandweer had nooit hoeven komen’.

Ik voel wel met ze mee, want mijn waterschade is enorm. Dit gaat maanden duren om op te ruimen. Wat een puinhoop heeft de brandweer ervan gemaakt! Ik ben de hele nacht op geweest, voor niks eigenlijk. Kijk daar komt een agent met onze kater aanlopen. Zelfs die heeft het gewoon overleefd. Waar kan ik een schadevergoeding indienen?

FD

journalist en econoom