Nederland verspilt talent door vroege schoolselectie en stroeve doorstroming

Kinderen die beneden hun niveau worden opgeleid. Leerlingen die hun intelligentie niet kunnen benutten. Mensen die ergens goed in zijn, maar die geen kans krijgen te excelleren. Ik ken geen onvergeeflijker vorm van verspilling dan verspilling van talent. Zeker voor een vergrijzende kenniseconomie als die van Nederland.

Toch slagen we er niet in deze verspilling te stoppen. Sterker: de talentverkwisting neemt toe. Dat bleek deze week uit het jaarverslag van de Onderwijsinspectie. Inspecteur-generaal Monique Vogelzang schrijft in het voorwoord: ‘Niet alle leerlingen en studenten krijgen de kans het onderwijs te volgen dat past bij hun niveau. Er waren altijd al verschillen in kansen, maar de verschillen worden de laatste jaren groter.’

Stapelen moeilijker
Kinderen van hoogopgeleide ouders belanden vaker op havo en vwo dan kinderen van ouders met een lager opleidingsniveau – ook als wordt gecorrigeerd voor intelligentie. Die kloof wordt eerder groter dan kleiner. Ons onderwijssysteem slaagt er steeds minder in om leerlingen gelijke kansen te bieden. Dat is oneerlijk, maar vanuit economisch oogpunt bezien ook buitengewoon inefficiënt.

De inspectie geeft een aantal oorzaken voor deze ontwikkeling. Allereerst zijn hoogopgeleide (en vaak rijkere) ouders bewuster bezig met de schoolkeuze van hun kinderen, en geven meer geld uit aan huiswerkbegeleiding en examentraining. Een belangrijke oorzaak ligt ook bij de scholen: die zijn vroeger en strenger gaan selecteren, waardoor kinderen met een (tijdelijke) achterstand minder kansen krijgen. Bovendien is het stapelen van opleidingen moeilijker geworden. De typische schoolcarrière van de laatbloeier — van mavo naar havo naar vwo — komt minder vaak voor.

Scandinavië
De ouderwetse brugklas, waaruit leerlingen nog gemakkelijk konden doorstromen naar alle niveaus, is vervangen door de ‘homogene brugklas’ waarin kinderen met hetzelfde schooladvies bij elkaar zitten. Bijna de helft van de leerlingen zit nu in zo’n homogene brugklas. Tien jaar geleden was dat minder dan een derde.

Het moment waarop de schoolkeuze wordt gemaakt, is daardoor in de praktijk weer een jaar vervroegd. En dat terwijl leerlingen in Nederland toch al zo jong moeten kiezen. Alleen in Duitsland en Oostenrijk ligt de leeftijd waarop de eerste schoolselectie wordt gemaakt met tien jaar nog lager dan de Nederlandse twaalf jaar. In landen als Frankrijk, Zwitserland en Japan wordt de niveaukeuze pas op vijftienjarige leeftijd gemaakt. In Scandinavische en Angelsaksische landen zitten alle leerlingen zelfs tot zestien jaar op hetzelfde schooltype.

Minder kansongelijkheid door latere selectie
Amerikaanse en Canadese leerlingen zitten alle leerplichtige jaren bij elkaar. In Zweden en Noorwegen ligt 15% van de leerplichtige periode na het selectiemoment. Voor Nederland is dat maar liefst 45%. Een goed deel van de schoolcarrière brengen Nederlandse kinderen dus door in klassen met louter ‘niveaugenootjes’. In combinatie met de afgenomen kans op doorstroming naar een hoger schooltype geeft dit systeem bijna een garantie op verspilling.

Sociologen Thijs Bol en Herman van de Werfhorst van de Universiteit van Amsterdam gebruikten deze internationale verschillen in 2013 voor een onderzoeknaar de gevolgen van vroege schoolkeuzen. Daaruit blijkt inderdaad dat latere selectie zorgt voor minder kansongelijkheid in het onderwijs.

Middenschool
Hetzelfde beeld komt naar voren uit onderzoek naar onderwijshervorming in Finland. In de jaren zeventig van de vorige eeuw werd vroege schoolkeuze in dat land afgeschaft. Leerlingen bleven voortaan tot zestien jaar op hetzelfde schooltype. Kinderen van laagopgeleide ouders profiteerden hiervan. Hun testscores verbeterden duidelijk, zonder dat – belangrijk – de scores van kinderen van hoogopgeleide ouders verminderden.

Moeten we in Nederland dan ook pas met zestien jaar de eerste schoolkeuze maken? Moeten we weer gaan experimenteren met de Middenschool? Misschien wel. Maar in elk geval moeten we snel af van alles wat in het huidige systeem de schoolkeuze onnodig vervroegt en de doorstroming belemmert. Dus maak een einde aan de trend van homogene brugklassen, voer de tweejarige brugklas landelijk in en geef iedere leerling het recht om na het eindexamen door te stromen naar een hoger schooltype – ongeacht het advies van de school. Dat vinden de scholen misschien niet leuk, maar verspilling van talent is erger.

(FD)

Vorig jaar schreef ik ongeveer hetzelfde.

En DWDD ging er ook nog over:

De Zusters vs Exxon

De Zusters van de Heilige Dominicus in Caldwell, New Jersey, zijn boos. Of beter: teleurgesteld, in ExxonMobil, want dat oliebedrijf heeft de cijfers niet op orde. Natuurlijk, de inkomsten en uitgaven worden netjes bijgehouden op het ExxonMobil-hoofdkantoor in Houston. Maar het bedrijf laat een potentieel bedrijfsvernietigende post weg in de boeken: het effect van klimaatbeleid op de vermogenspositie en de winstcijfers. Wat zijn de financiële gevolgen voor ExxonMobil als overheden besluiten om de klimaatafspraken van Parijs, om te zetten in beleid?

Om hun teleurstelling met het oliebedrijf te kunnen delen, kochten de Zusters aandelen ExxonMobil – ongetwijfeld met stilzwijgende instemming van de Heilige Dominicus. Vervolgens sloten zij zich aan bij een groep beleggers die tijdens de volgende algemene aandeelhoudersvergadering (ava) zullen voorstellen om ExxonMobil een groene stresstest te laten uitvoeren. Is het huidige bedrijfsbeleid wel bestand tegen klimaatbeleid? Tijdens de volgende ava op 25 mei zullen de zorgen van de Zusters aan de orde komen. Pogingen van ExxonMobil om dat te voorkomen, sneuvelden bij toezichthouder SEC.

De Zusters krijgen steun van hun broeders. De ministers van de American Baptist Home Missions en de kerkcommissarissen van de Church of England willen ook dat ExxonMobil zichtzelf gaat testen op kwetsbaarheid voor klimaatbeleid. Er is ook steun vanuit seculiere kring, bijvoorbeeld van de beleggers van de BNP Paribas, AXA en Legal&General. Samen met in totaal 32 grote en kleine beleggers, bijeengebracht door actiegroep Ceres, vrezen zij dat de winsten van het oliebedrijf niet bestand zijn tegen ambitieus klimaatbeleid. Moet ExxonMobil niet eigenlijk nu al een enorme voorziening nemen, voor mogelijk toekomstig CO2-beleid? De huidige winstgevendheid zal daar uiteraard flink onder leiden.

De Zusters en al hun kerkelijke en seculiere medestanders zijn ook al zeer teleurgesteld in Chevron. Tijdens de ava van dat oliebedrijf zal daarom ook een verzoek tot stresstesten op de agenda staan. Ook Chevron verzette zich daar overigens vergeefs tegen bij de SEC. Twee nul voor de Zusters, is dus inmiddels de tussenstand.

Ondertussen in Nederland proberen de dames en heren achter FollowThis om zoveel mogelijk aandeelhouders van Shell achter een soortgelijk voorstel te krijgen. Tijdens de ava op 24 mei vragen zij topman Ben van Beurden om van Shell snel een duurzaam bedrijf te maken, door fossiele winsten voortaan te investeren in duurzame energie. Ze hebben hun eerste succesje al binnen: hun voorstel staat op de agenda. Alle oude en nieuwe Shell-beleggers kunnen zich bij FollowThis aansluiten.

De duurzame revolutie begint dus misschien wel in de tempels van het kapitalisme, in de vergaderzalen van de aandeelhouders. Wie had dat gedacht?

(FD)

We hadden Mark van Baal van FollowThis eerder dit jaar ook al te gast in de studio van Z-Today: 

 

Verder lezen:

 

Mijnbouw in de ruimte: van wie is het platina in een asteroïde?

Niet alle economen zullen het willen toegeven, maar de bron van onze welvaart is niet economisch, maar juridisch. Je kunt de slimste ondernemers hebben, de meest efficiënte markten en best opgeleide bevolking, zonder juridisch verankerde eigendomsrechten wordt het niets. Van wie zijn de grondstoffen, van wie is het land, hoe wordt de winst verdeeld?

Pas als er een helder en onweerlegbaar antwoord is op deze vragen, kan de kapitalistische machine worden opgestart en kan het welvaartsgroei beginnen. Ondernemers moeten eerst zeker weten dat ze de opbrengst van hun inspanningen mogen houden — na afdracht van redelijke belasting — anders heeft het geen zin een bedrijf te beginnen.

Amerikaanse ruimtewet
Op aarde zijn deze zaken zeker nog niet perfect geregeld, maar zijn we een eind op de goede weg. Maar buiten de aarde, in de ruimte, moet de juridische strijd over eigendomsrecht nog helemaal worden gestreden. Maar de eerste stappen zijn gezet.

Het Amerikaanse Congres nam eind vorig jaar een speciale ruimtewet aan die het juridisch mogelijk moet maken om commerciële mijnbouw te plegen op asteroïden in de ruimte. Deze U.S. Commercial Space Launch Competitiveness Act stelt dat grondstoffen gewonnen op asteroïden het eigendom zijn van degene die ze heeft gemijnd. Dit is de eerste keer dat particuliere eigendomsrechten in de ruimte zo duidelijk zijn vastgelegd.

Ruimtemijnbouw in de stijgers
Voor buitenstaanders lijkt de nieuwe wet misschien een logische stap. In de Verenigde Staten zijn inmiddels meerdere commerciële partijen serieus bezig met het ontwikkelen van plannen voor mijnbouw in de ruimte. Het bedrijf Planetary Resources noemt zichzelf, misschien wat voorbarig, al ‘the asteroid mining company’. Onder andere Larry Page en Eric Schmidt van Alphabet (het moederbedrijf van Google) en Richard Branson van Virgin hebben geld in het bedrijf gestoken.

Van concurrent Deep Space Industries zijn geen investeerders bekend, maar het bedrijf (‘We are miners’ luidt het motto) haalde wel al geld op in twee investeringsrondes. Ongetwijfeld hebben deze bedrijven flink gelobbyd in Washington voor de nieuwe ruimtewet.

Inmiddels heeft Luxemburg aangekondigd ook met een ruimtewet te komen, ongetwijfeld in de hoop om mijnbedrijven aan te trekken.

Binnen handbereik
In de wereld van het ruimterecht werd er op de Amerikaanse wet met veel opwinding gereageerd. Volgens sommige juristen is de ruimtewet in strijd met het Ruimteverdrag uit 1967. Dat verdrag bepaalt juist dat niemand soevereiniteit kan opeisen over hemellichamen. De ruimte is van ons allemaal, net als de zeeën op aarde. Vlaggen planten heeft geen zin.

Dat klinkt nobel. Maar voor economen ook behoorlijk naïef. Zonder eigendomsrechten wordt exploratie van de ruimte nooit rendabel, en verspillen we in feite de enorme hoeveelheid grondstoffen die rond de aarde zweven. Want de afgelopen jaren zijn er enorm veel asteroïden ontdekt die hun rondjes de zon relatief dichtbij de aarde draaien.

Rond de eeuwwisseling waren dat er ongeveer duizend, inmiddels staat de teller al op bijna 14.000. Dat zijn veel grote asteroïden met een diameter van meer dan een kilometer, maar ook veel handzamere van 30 tot 300 meter. De metalen platina, nikkel, en palladium zijn op veel asteroïden aanwezig, met in potentie grote opbrengsten. (Ik laat hier de enorme technische problemen bij de winning maar even buiten beschouwing).

Schermafbeelding 2016-04-17 om 11.49.05

Gokje
De oplossing voor het juridische steekspel ligt ongetwijfeld in internationaal overleg. Afgelopen week is er in Wenen gepraat over dit onderwerp door de leden van het Committee on the Peaceful Uses of Outer Space (ja, die bestaat) van de Verenigde Naties. De komende week wordt er verder gesproken.

De belangrijkste juridische werkgroep wordt geleid door de Leidse juriste Tanja Masson. Volgens haar valt de Amerikaanse Ruimtewet wel degelijk te rijmen met het Ruimteverdrag, omdat het bij mijnbouw niet gaat om het toe-eigenen van hemellichamen, maar het exploiteren ervan. Zij ziet de Amerikaanse en Luxemburgse wetten als een mooi drukmiddel om echte internationale afspraken hierover te maken.

En dan is het wachten tot het eerste ruimteschip vol platina terugkeert op aarde. Lang wachten, gok ik.

(FD)

Zie ook:

 

Gokhypotheek

Draai aan de roulette en halveer uw hypotheekschuld. Het stond met grote letters op de vrolijke banier op het bankgebouw. De tekst trok veel geïnteresseerden. Huizenkopers die bij deze bank een hypotheek afsloten, werden direct na ondertekening meegenomen naar een feestelijk zaaltje waar ze de roulettetafel een slinger mochten geven. Kwam het balletje op wit terecht, dan werd direct de helft van de hypotheekschuld kwijtgescholden. Bankmedewerkers sloegen de fortuinlijke huizenkoper op de schouders. Gefeliciteerd! Dat is snel verdiend!

Maar er stond nog iets op de banier. In veel kleinere letters, bijna niet te lezen: ‘Let op, het blijft een gok’. De huizenkoper die het rouletteballetje op rood zag eindigen had pech. De hypotheekschuld ging direct 50% omhoog. All in the game.

De bank heette Staalbankiers en de roulettetafel stond op de valutamarkt. Voor avontuurlijke huizenkopers had Staalbankiers bedacht dat het een spannend idee zou zijn om de hypotheek af te sluiten in Zwitserse franken. Spannend, want in euro’s gemeten zijn zowel de rentebetalingen als de hoofdsom dan iedere maand weer een verrassing. De valutamarkt is zo ongeveer de meest volatiele en minst voorspelbare markt die er is, dus de perfecte roulettetafel voor deze spectaculaire gokhypotheek. Wie weet daalt de frank wel in waarde, en zijn je hypotheeklasten opeens veel lager.

Uiteraard waren de bankiers in de bijsluiter duidelijk over de risico’s. ‘In feite gaat u een speculatieve valutapositie in Zwitserse franken aan. U loopt daarbij zowel valutarisico als renterisico.’ Ze hadden daar wat mij betreft aan kunnen toevoegen: ‘U speculeert dus met geleend geld en het huis waarin u en uw gezin wonen dient als onderpand.’

Met die toevoeging zou volgens mij meteen duidelijk zijn waarom een hypotheek in Zwitserse frank voor niemand een geschikt product is — behalve misschien voor iemand die in Nederland een huis koopt, maar zijn inkomen in Zwitserland verdient. Wie wil gokken op valutabewegingen kan dat gewoon doen op de valutamarkt; zoiets koppelen aan een hypotheek is nergens goed voor.

De ‘CHF Hypotheek’ van Staalbankiers is in het nieuws omdat de variabele rente in Zwitserland inmiddels zo negatief is, dat Staalbankiers nu rente op de hypotheek betaalt in plaats van ontvangt. Een unieke situatie, die veel aandacht oplevert.

Maar slechts een schrale troost voor de huizenkopers die zo’n CHF Hypotheek afsloten. De Zwitserse frank is enorm in waarde gestegen, dus de schuld in euro’s ook. Daar helpt een rentecadeautje van de bank nauwelijks aan.

Daarom is voor mij niet de negatieve hypotheekrente opvallend, maar het feit dat er nog steeds bankiers zijn die zo’n roulettehypotheek een verantwoord product vinden.

(FD)

Het geld klotst weer tegen de plinten; het schrijven van verkiezingsprogramma’s wordt straks een feest

Zolang als het Centraal Planbureau (CPB) verkiezingsprogramma’s doorrekent, is er gemopper in Den Haag. Maar dit jaar klinkt het gebrom en geklaag luider dan ooit tevoren. CDA, PvdA en D66 twijfelen voor de komende Tweede Kamerverkiezingen in 2017 hardop over hun deelname aan deze uniek Nederlandse traditie. En ook SP, GroenLinks en de SGP weten nog niet of ze meedoen, zo meldde deze krant onlangs.

Nou heb ik zelf ook altijd een dubbel gevoel gehad bij de doorrekeningen. Om te voorkomen dat partijen beloond worden voor spilzucht, rekent het CPB naast de kortetermijneffecten ook de gevolgen van de verkiezingsplannen op lange termijn uit. Het gevolg van deze logische keuze is dat politici elkaar tijdens de campagne om de oren slaan met cijfers over de banengroei in 2040. Dat levert vaak onzindiscussies op.

Het CPB eist precisie
Aan de andere kant zorgt de doorrekening wel voor discipline bij de opstellers van de programma’s. De politieke partij die de belastingen verlaagt, de uitgaven verhoogt en toch beweert dat het begrotingstekort daalt, wordt in Nederland door het CPB genadeloos ontmaskerd. Bovendien worden partijen gedwongen om hun plannen precies te formuleren. Met ‘we gaan de zorgkosten verlagen’ kom je bij het Planbureau niet ver. Hoeveel lager dan? Met welke maatregelen precies? Wanneer en voor wie? Het CPB eist precisie. Wie echt wil weten wat politieke partijen van plan zijn, kan daarom vaak beter de doorrekening lezen, dan het verkiezingsprogramma zelf.

Ik zou het daarom zonde vinden als de programma’s voor 2017 niet meer zouden worden doorgerekend — op wat voor manier dan ook. Gelukkig is de kans groot dat de partijen uiteindelijk toch meedoen. Allereerst omdat ze tijdens de campagne anders telkens om hun oren krijgen dat ze hun plannen niet eens durfden te laten doorrekenen. Maar ook omdat er dit keer veel te winnen is bij een doorrekening. Het geld klotst de komende jaren namelijk tegen de plinten.

 

Voor elk wat wils
Dat blijkt in elk geval uit de nieuwe economische voorspelling voor de komende kabinetsperiode, die het CPB afgelopen week uitbracht. Deze raming kun je zien als de nulmeting voor de verkiezingen: hoe zou de economie zich ontwikkelen bij ongewijzigd beleid? Het is belangrijke input voor de opstellers van de verkiezingsprogramma’s, want er blijkt onder andere uit hoeveel ruimte er is voor extra uitgaven en lastenverlichting.

Die ruimte blijkt ditmaal behoorlijk groot. Na jaren van bezuinigingen en lastenverzwaringen is de rijksbegroting zeer gezond. Zo gezond zelfs dat Nederland in 2021 aan alle Europese begrotingsregels voldoet. Het begrotingstekort slaat om in een overschot en de staatsschuld daalt tot onder de 60% van het bbp. Ook andere regels over bijvoorbeeld het structurele tekort en de groei van de overheidsuitgaven worden niet geschonden. Dat geeft linkse partijen de financiële ruimte om met plannen voor minder inkomensongelijkheid te komen, terwijl rechts stevige lastenverlichting kan beloven. Voor elk wat wils.

27 mrd extra uitgeven
Hoeveel geld is er precies voor dit soort hobby’s? Dat is moeilijk exact te zeggen; het is maar aan welke begrotingsregels je wilt blijven voldoen. Ik doe toch een poging. Het structurele tekort mag in 2021 officieel niet hoger dan 0,5% van het bbp liggen. Volgens het CPB komt het uit op 0,1% overschot. Dat geeft 0,6% ruimte, of omgerekend zo’n €5 miljard voor nieuw beleid.

Dat klinkt leuk, maar is nog niet fantastisch. Als we uitgaan van de maximaal toegestane toename van de collectieve uitgaven (0,9% per jaar), mag de overheid in 2021 maar liefst €24 miljard extra uitgeven. Dat klinkt al beter. Daarbij loopt het tekort wel op, maar blijft nog onder de maximale 3%. Om dat percentage te halen, mag er zelfs €27 miljard extra worden uitgegeven. Brussel wordt dan natuurlijk wel onrustig, maar een boete riskeert Nederland nog niet.

De snoeppot staat open bij het CPB. De miljarden liggen klaar. Knappe politicus die dat kan negeren. Nee, die doorrekeningen komen er ook deze verkiezingen wel weer.

(FD)

Helicoptergeld

Denk je je lollig te zijn, blijkt de werkelijkheid nog veel maller. Anderhalf jaar gelden schreef ik op deze plaats: ‘Laat Mario Draghi geen staatsobligaties opkopen, maar de Opel Kadett van Jan Modaal’.

Het was eind 2014 en de Europese Centrale Bank was nog niet begonnen met kwantitatieve verruiming (QE), maar Draghi had wel duidelijk gemaakt dat hij in 2015 met zo’n opkoopprogramma zou beginnen. Ik dacht grappig te zijn door te suggereren dat opkopen van oude auto’s effectiever zou zijn. Dan krijgen alle Europanen direct geld in hun zak. Of — nog leuker — print genoeg euro’s om alle 18 miljoen werklozen een basisinkomen te geven zodat ze nooit meer hoeven te werken. Reken maar dat de inflatie dan stijgt.

Economenhumor van de bovenste plank, dacht ik. Maar de werkelijkheid wist een paar betere grappen. Het opkoopprogramma van de ECB ging van start en werd — wegens gebrek aan succes — uitgebreid naar een bedrag van € 80 mrd per maand. Dat smaakt naar meer, likkebaarden de monetaire activisten, dus wordt er sinds een aantal maanden hardop gespeculeerd over het volgende gerecht dat de ECB zou kunnen opdienen: gratis geld voor iedereen!

Helikoptergeld. Schuldenvrije geldcreatie. De centrale bank strooit bankbiljetten uit een helikopter, of — praktischer — stort duizend euro op de bankrekening van iedere Europeaan. Zonder tegenprestatie of verplichting tot terugbetalen. Jan Modaal krijgt geld én mag z’n auto houden. Niet alleen werklozen krijgen geld, maar iedereen. Dat is pas lachen!

De grappenmakers zelf kijken er trouwens heel serieus bij. Ze noemen helikoptergeld ‘QE for the people’ en stellen dat gewone kwantitatieve verruiming alleen de banken helpt, die, zoals u ongetwijfeld weet, de crisis veroorzaakt hebben. Het geld moet daarom direct naar de burgers. Het zijn niet de minsten die staan te popelen om in de helikopter te klimmen. De invloedrijke FT-columnist Martin Wolf, bijvoorbeeld, pleit er voor zonder lachen.

Maar ik vind het — dat zal u niet verbazen — een lachwekkend slecht idee. Wie wil dat iedereen duizend euro krijgt moet niet bij de centrale bank aankloppen, maar bij de minister van Financiën. Die kan de belastingen verlagen zodat iedereen meer geld overhoudt. De minister kan naar iedere Nederlander een waardecheque opsturen, of een tegoedbon, zoals af en toe in Japan is gedaan. Het begrotingstekort stijgt dan, maar vanwege het QE-programma van de ECB hoeft daardoor de rente niet op te lopen.

Een centrale bank die gratis geld uitstrooit over de burgers voert geen monetair beleid, maar begrotingsbeleid. Zo’n centrale bank wordt politiek en raakt terecht zijn onafhankelijkheid kwijt. Dat is waar helikoptergeld toe leidt: een politiek afhankelijke centrale bank die het werk doet van de minister van Financiën. Wat een grap.

(FD)

Meer baby’s? Verhoog niet de kinderbijslag, maar de kinderopvangsubsidie

Zeventien miljoen inwoners. Maandag, waarschijnlijk ergens in de avond, is het zo ver. Dan springt de bevolkingsteller van het Centraal Bureau voor de Statistiek naar zeventien miljoen geregistreerde Nederlanders. Natuurlijk valt niet te zeggen of Nederland op dat moment ook precies zo veel inwoners telt, want de teller tikt met een geschat tempo vooruit. Maar het is toch een memorabel moment.

Piek in 1964
Het is alweer veertien jaar geleden dat de grens van zestien miljoen inwoners werd doorbroken. Vroeger groeide de bevolking veel sneller. Om bijvoorbeeld van elf naar twaalf miljoen inwoners te groeien, was begin jaren zestig van de vorige eeuw slechts zes jaar nodig. Dat was de tijd van de babyboom en werden er jaarlijks meer dan 240 duizend nieuwe Nederlanders geboren. In 1964 piekte het aantal pasgeborenen zelfs boven de 250 duizend. Dat was ook het jaar dat de pil in Nederland op de markt kwam.Schermafbeelding 2016-03-29 om 10.50.52

Daarna ging het vruchtbaarheidscijfer (het gemiddeld aantal kinderen per vrouw) snel omlaag, van 3,1 in 1964 naar 1,7 nu. Na 1972 – toevallig het jaar dat de pil in het ziekenfonds kwam – dook het aantal kinderen per vrouw onder de 2,1. Dat aantal is volgens demografen het ‘vervangingsniveau’: onder de 2,1 gaat de bevolking op de lange duur krimpen, tenzij er een positief immigratiesaldo is.

Schermafbeelding 2016-03-29 om 10.51.00

Met de daling van het vruchtbaarheidscijfer, nam ook de omvang van gezinnen af. De kans dat een baby bij geboorte al een broertje of zusje had lag in 1950 op bijna driekwart. In 2014 was dit iets meer dan de helft. De kans op twee broertjes en zusjes (of meer) was in 1950 nog 46%, in 2014 was het slechts 17%. Schermafbeelding 2016-03-29 om 10.52.44

 

Pleidooi voor meer kinderen
Dat de bevolking tegenwoordig nog groeit met gemiddeld tweehonderd per dag, komt dan ook voornamelijk door immigratie. De natuurlijke bevolkingsgroei (geboortes minus sterfte) staat nu op een daggemiddelde van zestig. De rest van de aanwas komt doordat er meer mensen naar Nederland immigreren dan er vertrekken.

Wanneer gaan we de 18 miljoen halen? Pas in 2044 verwacht het CBS in de laatste bevolkingsprognose. En daarna is de groei er helemaal uit. Is dat erg? Die vraag gaat de reikwijdte van dit artikel te boven. De transitie van bevolkingsgroei naar -stagnatie en van groen naar grijs brengt in elk geval flinke problemen met zich mee. De opgewonden pensioendiscussie van de afgelopen week is daarvan een duidelijke illustratie.

Een pleidooi voor meer kinderen wordt in Nederland nog niet zo vaak gehoord. Maar bijvoorbeeld in Duitsland, waar het geboortecijfer nog veel lager is, is stimuleren van het kindertal inmiddels een geaccepteerd beleidsdoel. Tot nu toe overigens met weinig succes.

Stel je wilt het kindertal stimuleren. Hoe moet je dat dan doen? Deze maand verscheen nieuw onderzoek met een antwoord op die vraag. ‘Bargaining over babies’, heet het artikel van twee Duitse economen. Kinderen komen in de regel pas als moeder en vader dat allebei willen, schrijven de onderzoekers. Daarom gingen zij spitten in een grote dataset met resultaten van een enquête onder (potentiële) moeders en vaders in negentien landen. De kinderwens van vrouw en man blijkt vaak uiteen te lopen en de onderzoekers zien – logischerwijs – dat de kans op het krijgen van een kind in dat geval een stuk lager ligt.

Bij ruim 27% van de ondervraagde koppels wil minstens een van de partners (nog) een kind. Bij slechts 16% van de koppels hebben beide partners een kinderwens. Het is vaker de vrouw dan de man die geen, of niet meer, kinderen wil en dat verschil is het grootst in landen met een laag vruchtbaarheidscijfer. Bovendien vinden de onderzoekers dat naarmate de man minder zorgtaken op zich neemt, de kans toeneemt dat de vrouw geen kinderen meer wil. Dat laatste klinkt natuurlijk logisch, maar was nog niet eerder met harde cijfers aangetoond.

19 miljoen?
Het leidt ook tot een duidelijk beleidsadvies: overheden die het kindertal willen stimuleren, kunnen zich het best richten op de vrouw en proberen haar zorgtaak te verlichten. Subsidies gericht op de vrouw zijn zelfs tot drie keer zo effectief als die gericht op de man. Zo lang vrouwen het grootste deel van de zorg op zich nemen, werkt goedkope kinderopvang dus beter dan hogere kinderbijslag. Als we tenminste ooit 19 miljoen inwoners willen halen.

Zie ook:

De ECB maakt ons niet arm

Nee, ook van mij had het niet gehoeven. Het monetaire beleid is ruim genoeg en de Europese economie staat niet op instorten. De nog lagere rente en het nog grotere opkoopprogramma dat ECB-president Mario Draghi vorige week bekendmaakte verstoort de prijzen op financiële markten en neemt de druk om echt te hervormen weg.

Maar daar werd in Nederland niet over geklaagd. Nee, hier ging het over de pensioenen. Mario Draghi straft verstandige landen met volle pensioenpotten, zoals Nederland, en helpt kortzichtige schuldenlanden, zoals Italië.

Maar hoe dan precies? Pensioenvermogen wordt in principe door twee gevaren bedreigd: onverwacht hoge inflatie, waardoor de koopkracht van het vermogen tegenvalt, en lage beleggingsrendementen waardoor het vermogen zelf te weinig groeit. De inflatie is de afgelopen jaren alleen maar meegevallen. Sinds de invoering van de euro bedroeg de inflatie in het eurogebied gemiddeld 1,8%. Dat is precies de ‘onder-maar-dichtbij-2%’, die de ECB beloofde, dus dat kan het pensioen niet hebben geschaad. Sinds het aantreden van Draghi in 2011 was de inflatie slechts 1,1%, een regelrechte meevaller voor ons pensioen.

Dan het beleggingsrendement: gaat dat omlaag door het ruime monetaire beleid van de ECB? In principe niet, want dat rendement hangt niet af van de rente, maar van het rendement van kapitaal. Het ECB-beleid maakt krediet goedkoper en beïnvloedt zo het relatieve rendement van verschillende beleggingen (bijvoorbeeld van spaargeld ten opzichte van aandelen), maar niet het absolute rendement. Hoeveel kapitaal oplevert hangt af van zaken als economische groei, van technologische ontwikkeling, van arbeidsproductiviteit en ondernemerschap. Mocht het ECB-beleid daar al invloed op hebben, dan is die positief. Als Draghi’s lage rente de economie aanzwengelt, dan stijgt het rendement op kapitaal. Je hoort dan ook geen pensioenfondsen klagen dat de ECB hun beleggingsrendement schaadt.

Waarom brengt het ECB-beleid onze pensioenfondsen dan toch in problemen? Dat is vanwege de rekenrente. Pensioenfondsen moeten hun verplichtingen berekenen aan de hand van de marktrente. Hoe lager de rente, hoe lager de dekkingsgraad en hoe groter de kans op kortingen. Dat komt niet door Draghi, maar door de onhandige manier waarop wij ons pensioen hebben georganiseerd. De combinatie van collectieve pensioenpotten en nominale pensioenbeloftes, maakt rekenen met de marktrente noodzakelijk. Bovendien hebben veel pensioenfondsen in het verleden de dekkingsgraad niet of te weinig verzekerd tegen rentedalingen. Ze gokten ten onrechte op hogere rente en betalen daarvoor nu de prijs.

We hebben een pensioenstelsel gebouwd dat zeer kwetsbaar is voor lage rente. Dat is niet de schuld van Draghi, maar echt alleen van onszelf.

(FD)

Nieuwe belasting

Je hebt een analyse geschreven. Die staat vol scherpe observaties en puike voorstellen. Je bent er trots op, maar om een of andere reden wil je dat iedereen je conclusies negeert. (Nee, ik zou ook niet weten waarom je dat zou willen, maar stel even dat dat zo is.) Wat doe je dan?

Hier is het antwoord: je stopt er een voorstel in voor een nieuwe belasting. Het liefst een belasting op een iets dat veel mensen bezitten. Zo’n voorstel levert direct een heftige discussie op tussen verhitte koppen zonder argumenten. Over de zinvolle aanbevelingen in je rapport heeft niemand het meer.

Een fraai voorbeeld van hoe effectief deze tactiek werkt — nogmaals, ik zou niet weten waarom je ervoor zou kiezen — werd deze week gegeven door de economen van het Centraal Planbureau. Zij schreven een artikel over hoe Nederlanders gedurende hun leven sparen en ontsparen, om zo hun consumptie te spreiden. Dat doen we in ons land namelijk nogal onhandig. In het begin van onze carrière, als het inkomens nog relatief laag is en consumptiebehoefte hoog, moeten we veel sparen. Jongeren betalen relatief veel pensioenpremie en moeten meteen beginnen met aflossen van de hypotheek, waardoor ze permanent krap zitten. Later, als we meer verdienen en het besef is ingedaald dat bezit niet gelukkig maakt, houden we juist geld over. Terwijl de op- en afbouw van vermogen zou moeten zorgen voor wat meer ruimte in de jonge jaren en wat minder aan het einde van ons werkzame leven, gebeurt in Nederland precies het omgekeerde.

Dat moet slimmer kunnen. Het CPB bedacht daarom vier manieren om de situatie te verbeteren. Een daarvan luidt: hef vermogensbelasting op het (afgeloste) eigen huis (van ouderen), en de belasting op inkomen (van jongeren) kan omlaag. Dit was de belastingverhoging waar iedereen het vervolgens alleen nog maar over had.

Zonde, want er staan veel verstandigere voorstellen in het stuk. Vooral het idee om pensioen en hypotheek met elkaar te ‘verknopen’ verdient veel meer aandacht. Een huiseigenaar die zijn hypotheek aflost, heeft minder pensioenopbouw nodig dan een huurder. Dat is zo logisch als wat, maar de regels verbieden nu om bij de pensioenopbouw rekening te houden met huiseigendom. Daardoor sparen jonge huiseigenaren dubbel. De oplossing: sta huiseigenaren toe om af te lossen met de pensioenpremie. Zo simpel is het. (Ik schreef er ook al een paar keer over, bijvoorbeeld hier, hierhier en hier)

Bovendien doen we dan wat aan de belachelijk lange balansen van huishoudens, waarop zowel grote hypotheekschulden als grote pensioenbezittingen staan. Die lange balansen maken Nederland kwetsbaar voor economische schokken. Een rentestijging of -daling, een huizencrisis of een aandelenkrach, het raakt Nederlanders midscheeps. En om daar wat aan te doen heb je gelukkig geen nieuwe belasting nodig.

(FD)