Vergeet dat Japan-scenario, juist eurolanden met deflatie groeien het snelst

Spanje leidt dit jaar het Europese economische herstel. In het tweede kwartaal groeide de voormalige crisiseconomie met een vol procent. Nergens in het eurogebied was de groei zo hoog. Sinds het begin van dit jaar is het Spaanse bruto binnenlands product (bbp) al bijna 2% gestegen.

Dat is opvallend, want eigenlijk zou Spanje in een dodelijke spiraal omlaag moeten zitten. De prijzen dalen al vele maanden op rij. In de eerste zes maanden van 2015 bedroeg de inflatie gemiddeld -0,7%. Het land heeft dus te kampen met langdurige deflatie en zou eigenlijk in een Japan-scenario van totale economische lethargie moeten zitten. Als het prijspeil daalt en de beleidsrente van de centrale bank staat al op nul procent (zoals in Europa het geval is), komt een economie in de gevreesde liquiditeitsval terecht. Zo luidt althans de keynesiaanse theorie. De reële rente is dan te hoog, burgers sparen te veel, bedrijven investeren te weinig en de recessie wordt dieper en dieper.

Zo luidt althans de theorie. Uit vrees voor dit theoretische gevaar besloot de Europese Centrale Bank eerder dit jaar te starten met een kolossaal opkoopprogramma. De ECB gaat voor meer dan duizend miljard euro aan obligaties opkopen, om de inflatie aan te jagen en de liquiditeitsval te vermijden.

Dat programma loopt inmiddels een aantal maanden, en de ECB is zelf uiterst tevreden met het resultaat. Uit onlangs gepubliceerde notulen van de ECB-vergadering van juni, blijkt dat de centrale bankiers met voldoening zien dat de deflatie in het eurogebied is omgebogen naar lichte inflatie. Het keerpunt is bereikt, stelt men, het deflatiegevaar is afgewend. Het opkoopprogramma doet zijn werk.

Op die laatste conclusie is wel wat af te dingen. De ontwikkeling op de oliemarkt zijn van veel grotere invloed geweest dan het ECB-beleid. Toen de olieprijs eind vorig jaar hard daalde, zorgde dat voor daling van het algemeen prijspeil in het eurogebied. In het tweede kwartaal van 2015 steeg de olieprijs weer, waardoor het prijspeil weer ging stijgen. Zonder de invloed van energieprijzen was de inflatie het afgelopen jaar redelijk stabiel en was er nooit sprake van deflatie.

Bovendien is het zeer de vraag of de deflatie van begin dit jaar werkelijk zo’n groot gevaar was, dat de ECB er om een gigantisch opkoopprogramma voor moest optuigen. Uit de groeicijfers van afzonderlijke eurolanden valt niet veel steun te destilleren voor de stelling dat deflatie Europa in een nieuwe recessie dreigde te storten. In dat geval zouden eurolanden met de ergste deflatie, de grootste problemen moeten hebben gehad, en landen met inflatie zouden stevig moeten herstellen.

Vrijdag publiceerde Eurostat nieuwe groeicijfers en kunnen we de voorlopige balans opmaken. Het beeld sluit niet aan bij de theorie. Een hardnekkig deflatieland als Spanje groeide in het eerste halfjaar van 2015 het snelst van alle eurolanden. Ook in Cyprus en Slowakije was de inflatie in de eerste zes maanden gemiddeld negatief, maar groeide de economie sneller dan in eurolanden met inflatie.

Schermafbeelding 2015-08-24 om 10.05.29

Van de eurolanden met inflatie hoort alleen Letland bij de sneller groeiers. België, Portugal en Oostenrijk combineerden inflatie met matige groei.

Schermafbeelding 2015-08-24 om 10.05.36

Opvallend is dat in landen met een stabiel prijspeil de groei nog matiger was. In Italië, Frankrijk, Duitsland en ook Nederland, was de inflatie gemiddeld (vrijwel) nul en kwam de groei gedurende de eerste twee kwartalen, niet boven de 0,7%.

Schermafbeelding 2015-08-24 om 10.05.42

Het voert te ver om op basis van een half jaar aan cijfers harde conclusies te trekken over het gevaar van deflatie in Europa. Maar in elk geval vinden de voorstanders van het inzetten van de monetaire bazooka geen enkele steun in de cijfers. Het deflatiegevaar is en blijft vooral een theoretisch gevaar.

Ondertussen heeft het ECB-beleid natuurlijk wel gezorgd voor een daling van de koers van de euro, en zo de Europese economie een prettig zetje in de rug gegeven. Maar wisselkoersmanipulatie was nooit de officiële reden voor de ECB om het opkoopprogramma te starten.

Oude normaal

Het heeft even geduurd, maar het optimisme heeft nu ook de economen van het Centraal Planbureau (CPB) in zijn greep.

Het afgelopen jaar werden de medewerkers van het planbureau telkens iets minder zuinig met hun voorspelling van de economische groei, maar ze bleven toch telkens aan de veilige kant. Vorig jaar durfde het CPB voor 2015 op niet meer dan 1,25% economische groei te rekenen.

De euro kelderde in waarde, de prijs van ruwe olie stortte in, de prijzen van koopwoningen begonnen weer te stijgen en de binnenlandse vraag trok aan. Maar de raming van de rekenmeesters in Den Haag ging slechts met kleine stapjes omhoog, naar uiteindelijk 2% in juni.

Sindsdien was er veel tegenvallend nieuws. In Groningen draait het kabinet de gaskraan dicht, de Chinese economie koelt af, de economie van Brazilië en Rusland verkeert in een recessie en de wereldhandel stagneert. Maar ondanks deze tegenvallers herhaalde het planbureau vorige week de voorspelling van 2% groei voor het hele lopende jaar 2015.

Voor volgend jaar verwacht het planbureau zelfs 2,4% groei. Mocht die voorspelling uitkomen, dan ligt de groei nota bene boven het gemiddelde van voor de financiële crisis. Vergeet die ‘nieuwe normaal’ met een economische groei van hoogstens 1%. Nederland groeit weer met een tempo dat we vóór de crisis normaal vonden.

Helaas zien we de ‘oude normaal’ ook terug in andere CPB-cijfers: het begrotingstekort daalt minder dan eerder gedacht. Door tegenvallende gasinkomsten en een lastenverlichting van € 5 mrd, komt het begrotingstekort volgend jaar uit op 1,5% van het bruto binnenlands product. In juni ging het planbureau nog uit van een tekort van 0,8% van het bbp.

Natuurlijk, ook 1,5% ligt nog ruim onder het maximale tekort van 3% dat volgens het Europese stabiliteits- en groeipact regels toelaatbaar is. Maar toch begint het kabinetsbeleid weer tekenen van ouderwets potverteren te vertonen.

Dat is vooral te zien aan het zogenoemde structurele tekort, het begrotingstekort gecorrigeerd voor conjuncturele mee- en tegenvallers. Volgend jaar stijgt dat structurele tekort naar 1,1% van het bbp. Volgens de begrotingsnormen van de Europese Unie zou het juist moeten dalen in de richting van 0,5%.

Een stijgend structureel tekort, tijdens een conjuncturele opleving, is politiek te begrijpen, maar economisch onverstandig. Procyclisch begrotingsbeleid noemen economen dat, en ze trekken er een vies gezicht bij. Ik ben benieuwd of alle Nederlandse, keynesiaanse economen die de afgelopen jaren het beleid van het kabinet om te bezuinigen tijdens de crisis met boegeroep begeleidde, zich net zo kwaad gaan maken over het oplopende structurele tekort.

 

Nederlanders kunnen goed rekenen, maar doen er te weinig mee

Wij zijn goed met cijfers. We snappen rekensommen beter dan de Noren, zijn slimmer met wiskundige problemen dan de Duitsers en kunnen beter omgaan met complexe, getalsmatige informatie dan de Britten. Met onze rekenvaardigheden lopen we mijlenver voor op de Ieren, Italianen, Spanjaarden en — opvallend — Amerikanen. Alleen Japanners en Finnen zijn net wat handiger met getallen dan wij.

Deze fraaie score voor Nederland blijkt uit een grootschalig onderzoek onder volwassenen, waarvan de resultaten in 2013 werden gepubliceerd. ‘Programme for the International Assessment of Adult Compentencies’ (PIAAC) was de naam van dit veldonderzoek naar de vaardigheden van inwoners van 23 verschillende landen. Behalve dat men de numerieke en wiskundige vaardigheden testte, onderzocht men ook de taalkundige. Op dat gebied doet Nederland het nog iets beter. Alleen in Japan en Finland zijn volwassenen nog handiger met taal.

Het PIAAC heeft een unieke dataset met informatie over vaardigheden opgeleverd die langzamerhand zijn weg vindt in ander onderzoek. Een goed voorbeeld daarvan is te vinden in de nieuwste Employment Outlook van de Oeso, die deze zomer verscheen. Daarin wordt een verband gelegd tussen rekenvaardigheden en loonongelijkheid, die juist voor Nederland een opvallende uitkomst heeft.

Allereerst vinden de onderzoekers van de Oeso een duidelijk verband tussen de verdeling van rekenvaardigheden in een land, en die van de lonen. In landen waar de ene werknemer veel bedrevener is in het oplossen van cijfermatige problemen dan de ander, lopen de lonen ook meer uiteen. In de VS, bijvoorbeeld, laten de rekentests grote verschillen zien en zijn de lonen ongelijk verdeeld. Als de Amerikaanse verschillen in vaardigheden naar het gemiddelde van de onderzochte landen worden gebracht, dan zou de loonongelijkheid 4% kunnen afnemen, voorspellen de onderzoekers.

Dat verklaart ook waarom in Nederland de loonverschillen relatief klein zijn. Het verschil in rekenvaardigheid tussen de beste en minste 10% van de volwassen bevolking is bij ons kleiner dan in veel andere landen. Daardoor — zo luidt althans de theorie — is de concurrentie om de banen waar behendigheid met getallen en wiskunde wordt gevraagd, groter en zijn de lonen in die beroepen minder excessief.

Maar toch krijgt juist Nederland een grote opdracht mee van de Oeso. Juist in ons land is het mogelijk om de loonsongelijkheid verder terug te dringen. Daarvoor zijn geen nieuwe belastingen of toelages nodig, maar een beter werkende arbeidsmarkt. Nederland slaagt er namelijk niet goed in om de vaardigheden en banen goed te matchen.

In het PIAAC-onderzoek wordt bekeken in hoeverre werknemers hun vaardigheden gebruiken op hun werk. Je kunt wel zeer bedreven zijn in het maken van spreadsheets en het oplossen van wiskundige problemen, maar als je tijdens werktijd vooral bezig bent met vergaderen, heb je daar niet veel aan. En de werkgever evenmin. Juist in Nederland blijkt het daar vaak mis te gaan. Slechts in enkele landen (België, Italië) doen werknemers nog minder met hun vaardigheden. In Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en de VS – waar de rekenvaardigheid gemiddeld lager ligt – zet men het beschikbare talent beter in. Finland heeft een hoog gemiddeld niveau én slaagt er zeer goed in dat ook tijdens werktijden te benutten. Ook in Zweden en Noorwegen zet men de vaardigheden van werknemers beter in.

Schermafbeelding 2015-08-16 om 22.15.48

Nederlanders zijn dus slim, maar vooral buiten kantooruren. Daardoor is de spoeling voor werkgevers kunstmatig dun, waardoor de loonverschillen groter zijn dan nodig. Als Nederland erin zou slagen vaardigheden en banen beter te matchen, zou de inkomensongelijkheid nog verder dalen. De Gini-coëfficiënt, een veelgebruikte ongelijkheidsmaatstaf, zou bijna 8% lager liggen. In geen van de onderzochte landen was het percentage hoger.

Wie zich zorgen maakt over de loonsongelijkheid in Nederland, hoeft dus niet direct te grijpen naar botte middelen als belasting en subsidie. Betere werving en selectie, nauwkeurig HR-beleid, optimaliseren van carrièreplanning en andere manieren om het selectieproces op de arbeidsmarkt te verbeteren, zouden wel eens veel effectiever kunnen zijn.

Dodelijke spiraal

‘Helaas, we kunnen onze schuld niet meer betalen.’ Aan het woord is de leider van het zonnige land aan de periferie van de monetaire unie. Hij vervolgt: ‘Dit is geen politiek, dit is gewoon wiskunde: verlaging van de schuldenlast is onvermijdelijk.’

Dat gaat de crediteuren pijn doen, weet de leider. ‘Schuldeisers moeten delen in de opoffering die wij onze burgers opleggen.’ Een faillissement dreigt voor het land, want er komen een aantal grote aflossingen aan, die niet zijn op te brengen. ‘De regering doet wat zij kan om wanbetaling te voorkomen, maar we moeten ook zorgen voor groei van de economie. Zo niet, dan komen we in een dodelijke spiraal terecht.’ De kredietwaardigheid van het land is door de beoordelaars al afgewaardeerd naar de laagste status. De werkloosheid is drie keer zo hoog als elders in de monetaire unie. Hoger opgeleiden ontvluchten het land. Nergens is de schuld per hoofd van de bevolking zo hoog.

Onrust
De uitspraken van de leider van het zonnige, perifere land zorgen voor onrust onder andere leden van de muntunie. De dreigende schuldsanering zou verreweg de grootste zijn in de geschiedenis van de munt. Men vreest besmettingsgevaar.

Al jaren wijzen economen op de enorme belastingontduiking in het land, op het slechte investeringsklimaat en het onbetaalbare stelsel van sociale zekerheid, maar met extra leningen wist de overheid harde hervormingen telkens uit te stellen. Van uitstel kan nu geen sprake meer zijn.

Daardoor staat Alejandro Garcia Padilla, gouverneur van Puerto Rico, voor de moeilijke taak om te hervormen, te bezuinigen, en de schuld te saneren.

Dollars
Puerto Rico? Juist! Bovenstaande tekst ging niet over Griekenland en de euro, maar over de Caraïbische eilandengroep, waar met Amerikaanse dollars wordt betaald. Puerto Rico is een zogenoemd ‘incorporated territory’: het land is geen echt onderdeel van de Verenigde Staten, maar wordt er wel door beheerd. Je zou kunnen zeggen dat het wel lid is van de monetaire unie, maar niet van de politieke unie. Dat is vragen om problemen, want op basis van de collectieve kredietwaardigheid van de dollar kon Puerto Rico zelfstandig besluiten om veel te lenen. Tot de wal het schip keerde.

De overeenkomsten met Griekenland zijn evident. President Obama speelt de rol van Angela Merkel met verve en sluit een bail out van Puerto Rico uit. Dit bewijst maar weer eens dat Griekenland niet het slachtoffer is van onbuigzame Duitsers en onredelijke Nederlanders, maar van de eigen weigering om bij toetreding van de monetaire unie begrotingssoevereiniteit op te geven.

Zonder afdwingbare politieke afspraken en regels, en de oprechte inzet om zich daaraan te houden, kan een monetaire unie niet functioneren. Bij de Puerto Ricanen lijkt dat besef inmiddels te dagen. Hopelijk volgen de Grieken snel.

Junckers losse handjes

Pets! Daar had de Griekse premier Alexis Tsipras een klap op zijn rechterwang te pakken. Jean-Claude Juncker, de Luxemburgse voorzitter van de Europese Commissie, hield zijn linkerhand al enige tijd in de aanslag. Op het moment dat de korte persconferentie, bij aanvang van het crisisoverleg van afgelopen maandag, voorbij was, flitste de hand verder omhoog en landde met een hoorbare klets op Tsipras’ wang. Lachend liepen de twee naar de vergaderruimte, waar ze met IMF-topvrouw Christine Lagarde, ECB-president Mario Draghi en Eurogroep-voorzitter Jeroen Dijsselbloem het nieuwe Griekse voorstel zouden bespreken.

Over de uitkomst van dat overleg is genoeg geschreven. Verdere onderhandelingen zijn nodig. Ik hoor het wel als ze er uit zijn. In de tussentijd concentreer ik me graag op de joviale Juncker en zijn losse handjes. Wat bezielt de Commissievoorzitter om zijn gasten zo te bepotelen? Het is niet de eerste keer dat Juncker zijn handen laat wapperen. Onlangs sloeg hij tijdens een eurotop in Riga ook al een flink aantal regeringsleiders stevig in het gezicht. De Hongaarse premier Viktor Orban kreeg behalve een mep, ook nog de welkomstgroet ‘hallo dictator’ om de oren. Volkomen terecht in het geval van Orban, maar ook vrij ondiplomatiek. Voor de Belgische premier Charles Michel was er geen klap, maar wel een stevige zoen op zijn kale schedel. Dat allemaal terwijl de camera’s draaiden. Wie er van wil nagenieten, kijk op Youtube maar eens naar dit filmpje:

Waarom timmert Juncker er zo gezellig op los? Dronkenschap, zoals de titel van het Youtube-filmpje suggereert, kan het niet zijn. De Luxemburger heeft, na opmerkingen van Dijsselbloem hierover, plechtig verklaard geen alcoholprobleem te hebben. Is de ‘bitch slap’ dan een speciaal Luxemburgs begroetingsritueel? Ook niet. Volgens etiquettespecialisten zijn Luxemburgers juist zeer gereserveerd en begroeten zij elkaar middels een korte, formele handdruk.

Ik denk daarom dat Juncker diepere bedoelingen heeft met zijn oorveegdiplomatie. Hij wil de voorzitter zijn van een politieke commissie en wil stelling nemen in het Europese debat. De eerste klap is een daalder waard, denkt Juncker en mept vrolijk in het rond. De hoogste aap op de Europese apenrots is een ‘happy slapper’. Met elke tik bevestigt Juncker zijn dominantie. Primitief maar effectief.

Daar kan de rest van Europa een voorbeeld aan nemen. Hou op met oeverloos debatteren over Griekse hervormingen en bezuinigingen, maar vecht het uit met de vlakke hand. ‘Mano a mano’, net zo lang tot er een akkoord is. Wedden dat het Griekse kwestie dan zo is opgelost?

 

 

Rijken profiteren het meest van het lage btw-tarief

Kent u die mop van dat lage btw-tarief dat omhoog ging? Juist, dat bleef gewoon laag. Zo ging het in elk geval de afgelopen jaren. Al in 2004 pleitte Frits Bolkestein voor het verhogen van het btw-tarief voor de arbeidsintensieve diensten van kleermakers en kappers. Bolkestein deed dat niet als Nederlands politicus, maar als Eurocommissaris verantwoordelijk voor de interne markt en belastingen.

In 2000 had Brussel het namelijk mogelijk gemaakt om te experimenteren met de lage btw voor ambachten. Nederland was daarmee aan de slag gegaan en had de diensten van kappers, kleermakers, fietsenmakers, schilders en stukadoors overgeheveld naar het lage tarief. Maar volgens Bolkestein was het experiment mislukt. Er waren niet meer banen gecreëerd in deze sectoren, zo bleek uit een evaluatie.

In de gordijnen
Maar Nederland verzette zich heftig. Lobbygroepen vlogen in de gordijnen en politiek Den Haag stelde zich als één man op achter het lage tarief. Het Centraal Planbureau kwam met een eigen onderzoek waaruit bleek dat de btw-verlaging grotendeels was doorberekend aan de klant (door schilders wat meer dan door kleermakers, zie grafiek), en wel degelijk tot meer werk had geleid. Bolkestein zou later bakzeil halen; het experiment werd permanent beleid.

Schermafbeelding 2015-06-28 om 19.15.16

In 2012 volgde een nieuwe aanval op het lage tarief, ditmaal vanuit Den Haag zelf. Staatssecretaris van Financiën Frans Weekers stelde voor om het lage tarief te verhogen van 6% naar 8%. Uiteindelijk zou het helemaal kunnen worden afgeschaft. Maar na een storm van protest trok hij het voorstel weer snel in.

Een warme zomer wacht
Zijn opvolger Eric Wiebes waagt een nieuwe poging. Deze week lekte via NRC Handelsblad een onderdeel van het nieuwe belastingplan uit, waarin het lage tarief voor alle goederen en diensten (behalve voedsel), wordt opgetrokken naar 21%. Ook nu loeien de belangenbehartigers van verontwaardiging. Wiebes wacht een warme zomer.

Maar waarom hebben we eigenlijk verschillende btw-tarieven? Daar is een aantal theoretische redenen voor. Een heel fraaie is dat het 6%-tarief zorgt voor meer geweldige uitvindingen en een gelukkiger gezinsleven. In theorie althans.

Btw is een verstorende belasting, in de zin dat zij de beslissingen van mensen beïnvloedt. Voor sommige goederen en diensten is die verstoring ernstiger dan voor anderen. Hoge btw maakt de fietsenmaker duur, dus gaan mensen vaker zelf hun fiets repareren. Daar zitten bijvoorbeeld ook briljante uitvinders tussen die dan misschien niet meer de tijd hebben om de eeuwig volle telefoonbatterij uit te vinden. Vaders en moeders hadden, in plaats van de rammelende kettingkast vast te zetten, eindelijk een potje ganzenbord kunnen spelen met hun kinderen. Verlaag de btw op arbeidsintensieve diensten en de welvaart neemt toe. Deense onderzoekers vonden in 2007 daadwerkelijk empirisch bewijs dat het zo werkt.

Rijk profiteert
Dat laatste geldt veel minder voor een nog vaker gehoord voordeel van het lage btw-tarief: dat het mensen met lage inkomens zou helpen. Enig bewijs daarvoor vonden de Denen alleen voor aankopen van voedsel. Ook de Nederlandse cijfers laten zien dat het niet per se de armen zijn die van het lage btw-tarief profiteren. Integendeel, op basis van cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek valt uit te rekenen dat juist rijke Nederlanders er voordeel van hebben. Indien over alle goederen en diensten waarvoor nu het lage tarief geldt, 21% btw moest worden afgedragen, dan zou dat de 25% Nederlanders met het hoogste beschikbare inkomen jaarlijks €1.500 extra kosten. Maar de armste 25% betaalt in dat geval €638 meer. Rijk profiteert dus meer dan arm van het lage tarief.

Schermafbeelding 2015-06-28 om 19.15.26

Het pakket aan goederen en diensten dat onder het lage tarief valt, blijkt allerminst samen te vallen met het boodschappenmandje van Nederlanders met een laag inkomen. Het aandeel van 6%-producten in alle btw-plichtige aankopen ligt voor de 25% Nederlanders met het laagste beschikbaar inkomen op 41%. Dat is nauwelijks meer dan de 38% van het rijkste kwart.

Schermafbeelding 2015-06-28 om 19.15.33

Afschaffen dus maar, dat lage tarief. Als alle Nederlandse beloven wat vaker te ganzenborden, en de uitvinders beloven zich niet te laten afleiden door rammelende kettingkasten, moet het dit keer lukken.

 

Zomaar afschaffen minimumjeugdloon is een gevaarlijk experiment

Vroeger, toen Poetin nog Brezjnev heette, moesten alle Nederlandse jonge mannen in dienst. Pas in 1997, nadat het Russische gevaar voor altijd leek geweken, schortte Nederland de militaire dienstplicht op.

Toen ik begin jaren negentig afstudeerde, bestond de dienstplicht nog. Ik werd uitgeloot, maar veel van mijn mannelijke jaargenoten moesten wel opkomen. De slimmeriken onder hen lieten zich via een korte procedure tot gewetensbezwaarde verklaren en vervulden hun dienstplicht elders in de maatschappij.

Stunten met loonkosten
De werkloosheid was begin jaren negentig behoorlijk hoog en economen vreesden voor banenloze groei. Starters op de arbeidsmarkt hadden nauwelijks kans. Tenzij ze zichzelf tijdelijk tegen dumpprijzen konden aanbieden, en dat was precies wat de dienstweigeraars deden. Zij vervulden hun maatschappelijke dienstplicht bij overheidsinstellingen en onderzoeksbureaus, deden werkervaring op mochten na hun dienstplicht vaak blijven.

Stunten met loonkosten aan het begin van je carrière, is een slimme tactiek voor andere starters op de arbeidsmarkt. Maar de jongeren zelf pleitten momenteel juist voor een verbod op stunten met de prijs. Een aantal linkse jongerenorganisaties voert felle strijd voor afschaffing van het minimumjeugdloon voor 18-plussers. Het huidige het minimumjeugdloon voor 18-jarigen is nog niet de helft van het gewone minimumloon en gaat in stapjes met de leeftijd omhoog, totdat met 23 jaar het verschil is verdwenen.

Eigen ruiten ingooien
De jongerenorganisaties vinden dat niet eerlijk. Met 18 ben je volwassen, dus verdien je een volwassen loon. Afgelopen week onderstreepte ze hun eis door honderdduizend handtekeningen te overhandigen aan minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken. De actie kan op veel sympathie rekenen. Zowel van jongeren die hopen op een hoger inkomen, als van ouderen die hopen op minder concurrentie van met loon stuntende jongeren.

Juist vanwege dat enthousiasme onder niet-jonge werknemers, zouden de jongeren zich toch eens achter de oren moeten krabben. Gooien ze niet hun eigen ruiten in, door te eisen dat het recht om zich tegen een lagere loon aan te bieden, wordt geschrapt? Het Centraal Planbureau denkt van wel. De werkgelegenheid voor jongeren zal waarschijnlijk dalen, als het minimumjeugdloon wordt afgeschaft, stelde het CPB in 2012.

Lage werkloosheid
Nederland zit nu nog in de Europese kopgroep als het gaat om jongeren op de arbeidsmarkt. Nergens werken jongeren zoveel als hier. Het gaat vaak om kleine baantjes, maar meer dan 60% van de Nederlanders tussen 15 en 24 jaar heeft werk. In landen als Duitsland, Frankrijk en België ligt dat percentage veel lager.

Schermafbeelding 2015-06-23 om 15.54.09

Ook de werkloosheid onder Nederlandse jongeren is relatief gering. Weliswaar is de jeugdwerkloosheid met 11% flink hoger dan de 7% die voor de bevolking als geheel geldt, maar dat verschil is onvermijdelijk omdat er nu eenmaal veel schoolverlaters en werknemers met een tijdelijk contract onder de jongeren zijn. De verhouding tussen jeugdwerkloosheid en totale werkloosheid komt voor Nederland uit op 1,6. Alleen in Duitsland — waar overigens tot voor kort helemaal geen landelijk minimumloon gold — is die verhouding nog gunstiger. In alle andere EU-lidstaten ligt de relatieve jeugdwerkloosheid hoger.

Schermafbeelding 2015-06-23 om 15.54.18

Klinkt sociaal, is gevaarlijk
Bovendien zijn de Nederlandse jongeren relatief goed door de crisis gekomen. De verhouding tussen het percentage jeugdwerklozen en dat van de gehele bevolking is sinds 2009 vrijwel ieder jaar gedaald. Er kwamen wel werkloze jongeren bij, maar die toename was minder dan voor de andere leeftijdsgroepen. Ook we inzoomen op de groep van ‘oudere jongeren’ (20-25) jaar, en daarbinnen op de groep laag opgeleiden, blijft deze daling nog altijd zichtbaar.

Schermafbeelding 2015-06-23 om 15.54.24

Of de relatief gunstige arbeidsmarktpositie van Nederlandse jongeren door het minimumjeugdloon komt, valt op basis van de cijfers niet met zekerheid te zeggen. Maar het is zeker geen onlogische verklaring. Zomaar afschaffen van het jeugdloon klinkt misschien lekker sociaal, maar het lijkt mij een gevaarlijk experiment, dat zomaar zeer asociaal zou kunnen uitpakken.

De gevolgen van afschaffing voor 18-plussers moeten eerst veel beter worden onderzocht. Hadden we nog maar een ouderwets leger van pas afgestudeerde dienstweigeraars; die hadden zo’n onderzoek voor een appel en een ei kunnen uitvoeren.

(FD)

Liegen met grafieken

Kipfilet wordt binnenkort goedkoper. Na jaren van gestage stijging gaat de prijs van pluimvee eindelijk weer omlaag. Deze zomer leggen we extra goedkope drumsticks op de barbecue. Hoe ik dat zo zeker weet? Dat zit zo: in 2005 daalde het aantal faillissementen in Nederland snel en ik heb grafisch bewijs dat de pluimveeprijs met tien jaar vertraging de ontwikkeling van de faillissementen volgt.

Oké, even pauze. Dit klinkt wel erg onzinnig. De prijs van een kip heeft toch niets te maken met failliete bedrijven een decennium geleden?

Natuurlijk niet. Ik ga echter toch ‘bewijzen’ dat er een duidelijke verband is. Maar eerst moeten we het hebben over een bijzondere grafiek die afgelopen week op sociale media voor rumoer zorgde.

Slim gedaan
De grafiek is hieronder te zien. We zien twee lijnen die elkaar onmiskenbaar volgen. De ene lijn geeft de Duitse tienjaarsrente weer, de andere de tienjaarsrente van Japan. De boodschap: kwantitatieve verruiming door de centrale bank zorgt voor volatiliteit op de kapitaalmarkt. De onverwachte sterke rentestijging die we de afgelopen weken in Europa hebben gezien, is een tijdelijk verschijnsel. Kijk maar naar Japan, daar ging de rente na een opleving uiteindelijk toch weer omlaag. De grafiek is bijzonder overtuigend. Die Duitse rente zal binnenkort weer dalen, het kan bijna niet anders.

Schermafbeelding 2015-06-18 om 15.09.01

Maar de correlatie is een leugen. De grafiek is gemanipuleerd. Allereerst omdat elke variabele een eigen verticale as heeft. De Duitse rente staat op de linker as, de Japanse rente op de rechter as. Die laatste as begint niet bij nul en gaat langzamer omhoog dan de linker as. Dat heeft de grafiekenmaker slim gedaan. Met twee assen kun je een steile en vlakke lijn toch netjes op elkaar krijgen.

Figuurlijke trucs
Ook de horizontale as is verschillend voor beide lijnen. De Duitse rente begint in januari 2015, die van Japan start twee jaar eerder. Door op die as slim te kiezen kun je altijd minstens één keer omslagpunten precies op elkaar krijgen. Dat de lijnen in de grafiek elkaar lijken te volgen, komt dus door de keuze van de assen. Of beleggers in Duitse obligaties iets kunnen leren van de Japanse ervaringen, valt uit de grafiek niet te concluderen.

Toch zie je dit soort grafieken vaak. Sinds het uitbreken van de kredietcrisis is het een sport geworden om overeenkomsten met eerdere crises te vinden. Men legt recente grafieken op die uit de jaren dertig, vergelijkt het baanverlies met eerdere recessie en ontdekt opvallende overeenkomsten tussen beursindices in verschillende perioden. Soms gaat dat goed, maar vaak worden er trucs gebruikt om verbanden te suggereren die er niet zijn.

Daarom wordt er in de economische wetenschap ook nauwelijks gebruik gemaakt van grafieken om verbanden aan te tonen. Economen openen liever hun econometrische gereedschapskist. Dat leidt tot voor leken vaak onbegrijpelijke tabellen met coëfficiënten en testresultaten, die veel minder spectaculair ogen dan twee lijnen die elkaar volgen. Maar grafieken zijn bedrieglijk.

Willekeurig klikkend
Om dat te illustreren nog even terug naar die pluimveeprijzen en faillissementen. Ik heb deze twee variabelen volkomen toevallig uitgezocht: het waren de eerste twee cijferreeksen die ik willekeurig klikkend op de website van het CBS tegenkwam.

Wanneer je de prijsindex voor pluimvee en de index voor het aantal faillissementen in een grafiek met een enkele y-as weergeeft, is geen enkel verband zichtbaar. Pluimveeprijzen zijn relatief stabiel terwijl het aantal faillissementen flink op en neer gaat.

Schermafbeelding 2015-06-18 om 15.06.36

 

Op zoek naar een verband, bereken ik voor beide reeksen een voortschrijdend gemiddelde, zodat de pieken en dalen wat minder worden. Pluimveeprijzen en faillissementen krijgen ieder een eigen verticale as, waarvan de rechter niet bij nul begint.

Vervolgens is het een kwestie van net zo lang schuiven met de horizontale as, om een mooie match te vinden. Dat blijkt niet moeilijk. Vertraag het aantal faillissementen met tien jaar en het is duidelijk: de prijs van kippenvlees gaat binnenkort flink dalen. Ik steek de barbecue vast aan.

Schermafbeelding 2015-06-18 om 15.06.44

 

Eens met Klaver

Nee, ik denk niet dat het ‘economisme’ onze politiek verpest en maatschappij ontwricht. Integendeel. U kon dat zaterdag in deze krant uitgebreid lezen in het verslag dat FD-coryfee Rob de Lange maakte van mijn twistgesprek (mooi woord) met de nieuwe GroenLinks-leider Jesse Klaver.

Twist dus genoeg, in het gesprek. Maar op een paar punten waren Klaver en ik het juist hardgrondig eens, en was de twist vooral een spraakverwarring. Bijvoorbeeld als het gaat om het belasten van gedrag dat het milieu schaadt. Het econonomieboek schrijft voor dat de overheid in dat geval de welvaart kan verhogen door dat gedrag te belasten. De Britse econoom Arthur Pigou toonde al in 1920 aan, dat zo’n belasting net zo hoog moet zijn als de schade die wordt aangericht.

Generaties economen zeggen hem dat na. In de Verenigde Staten richtte de republikeinse topeconoom Greg Mankiw enkele jaren geleden zelfs een ‘Pigou-club’ op, waar zowel linkse als rechtse economen elkaar vinden in hun voorkeur voor een regulerende CO2-belasting. Deze economen vinden de GroenLinks-leider aan hun kant. Voor dit soort economisme is Klaver wel te porren. Volkomen terecht.

Het is een ander soort economisme waar Klaver tegen strijdt. Het idee in Den Haag dat een plan alleen kan deugen als het de economische groei bevordert. Gaat de groei van het bruto binnenlands product (bbp) ervan omlaag, dan kan het geen goed voorstel zijn. Ik kan niet goed beoordelen of dit argument echt de doorslag geeft in politieke discussies, of alleen maar als gelegenheidsargument van stal wordt gehaald.

Maar het is hoe dan ook een domme redenering. Het bbp is allesbehalve een feilloze indicator van de economische welvaart in een land. Je kunt dus best de welvaart bevorderen, zonder dat het bbp groeit. Ik ken overigens geen econoom die dit ontkent.

Het lijkt me behoorlijk irritant als politieke tegenstanders telkens het bbp-argument in de strijd gooien. Dat geldt trouwens ook voor het eeuwige argument dat beleid geen banen mag kosten. En dat de milieu­schade van bouwprojecten altijd elders moet worden gecompenseerd. Om van de korenwolf en de rugstreeppad nog maar te zwijgen. Afwegingen maken mag — nee, moet — in de politiek.

Ten slotte waren Klaver en ik het ook eens over verzelfstandigde bedrijven in staatshanden. Pogingen om marktje te spelen, zonder echt de tucht van de markt toe te laten, zijn tot mislukken gedoemd. Dat soort experimenten eindigen in dure Fyra’s, onbetaalbare Maserati’s en ontevreden klanten die niet naar een andere aanbieder kunnen switchen.

Het moet een duidelijke keuze zijn: of je laat het over aan de markt, of de overheid doet het zelf. Klaver kiest dan voor de overheid, ik denk dat de markt het meestal beter kan. Daar scheiden onze wegen zich weer.

(Uit: FD)

Gezonde huizenmarkt door minder renteaftrek en een ander pensioen

De huizenmarkt tackelde de Nederlandse economie. Het was een smerige tackle van achteren. Jarenlang leken huizenprijzen alleen maar omhoog te kunnen. De overwaarde die daardoor ontstond werd door huiseigenaren en masse gecasht bij de bank. Met eerste, tweede en derde hypotheken financierden we een consumptiefeest, waardoor de economische groei eind vorige eeuw zo snel werd opgestuwd, dat de halve wereld naar Nederland stroomde om de Hollandse wonder-economie te bewonderen.

Maar op het consumptiefeest volgde de kater. Of beter: de tackle van achteren. Na de kredietcrisis bleken huizenprijzen ook te kunnen dalen. De consumptie daalde en hypotheken kwamen onder water te staan. De Nederlandse economie kromp meer dan die van de buurlanden — inclusief Frankrijk. Van wondereconomie werd Nederland het internationale voorbeeld van een rijk maar fragiel schuldenland. De welvaart is hier hoog, maar de enorme particuliere schulden maken ons zeer kwetsbaar voor schokken op financiële markten.

Uitstekend
Logisch dus, dat het eerste advies van het kersverse Financieel Stabiliteitscomité over de woning- en hypotheekmarkt gaat. Voorzitter Klaas Knot pleitte er donderdag voor om de maximale loan-to-value (LTV), dat is de hypotheekschuld als percentage van de woningwaarde, geleidelijk te verlagen van de huidige 103% naar 90%. Bij zo’n lagere LTV komen huiseigenaren minder snel in schuldproblemen als de huizenprijs daalt en wordt de Nederlandse economie minder kwetsbaar.

In isolatie beschouwd is het een uitstekend voorstel. Een beetje sparen voor je een huis koopt, is helemaal geen onredelijke eis. Zeker niet als het de financiële kwetsbaarheid van huiseigenaren vermindert, en de economie minder volatiel maakt.

Armoedig
Maar het is ook een armoedig voorstel. De hoge hypotheekschuld is maar een deel van het verhaal. Het Stabiliteitscomité negeert het pensioenstelsel, de disfunctionele huizenmarkt en de rol van de hypotheekrenteaftrek. Om met dat laatste te beginnen: lenen Nederlanders nou zoveel omdat de LTV-grens te hoog ligt, of omdat de overheid hypotheekschuld subsidieert? Die laatste factor lijkt me de echte oorzaak. Renteaftrek maakt lenen goedkoop. Doe daar eerst wat aan, voordat je de botte bijl van een lagere LTV hanteert. Stimuleren en afremmen tegelijk, is onzinnig.

Dit kabinet heeft besloten de rentesubsidie heel langzaam, met een half procent per jaar, af te bouwen. Maak daar een vol procent per jaar van, en de schuldenlast gaat mee omlaag. In een reactie op het voorstel van het Stabiliteitscomité, verkoos het Centraal Planbureau dan ook verlaging van de renteaftrek boven verlaging van de LTV.

Kapot gereguleerd
Er is nog een oorzaak van de wilde stijging van de huizenprijs en hypotheekschuld die het comité negeert: de Nederlandse bouwmarkt is kapot gereguleerd. Lagere overheden bepalen met hun vergunningen en grondpolitiek het bouwtempo en trekken zich nauwelijks iets aan van de vraag naar woningen. Terwijl de huizenprijzen tussen 1995 en 2008 tweeënhalve keer over de kop gingen, nam het aantal nieuwbouwwoningen af met 16%.

De vraag steeg, maar het aanbod bewoog niet mee. Geen wonder dat de huizenprijzen omhoog knalden en Nederlanders zich diep in de schulden staken. Maak bouwen gemakkelijker en het destabiliseerde effect van de huizenmarkt neemt af.

Schermafbeelding 2015-06-07 om 22.36.05

Onredelijk
Maar de blik moet eigenlijk nog breder. Dat starters moeten sparen voordat ze hun eerste huis kopen, is een prima idee. Maar laat diezelfde starters dan niet tegelijk onredelijk hoge pensioenpremies betalen. Lagere LTV voor huizenkopers zou moeten samengaan met afschaffen van de doorsneesystematiek bij pensioenen.

Volgens die systematiek betalen jongeren een even groot deel van hun inkomen aan pensioenpremie, als oudere werknemers. Maar de premie van jongeren kan veel langer renderen. Zij krijgen daardoor relatief weinig pensioenrechten per ingelegde euro. Ouderen krijgen juist teveel. Jong spaart voor oud.

Volgens berekeningen van het CPB bouwt een hoog opgeleide man hierdoor tot z’n 46ste ruim 30% te weinig pensioen op. Mannen van 46 en ouder krijgen bijna 20% te veel. Voor vrouwen en lager opgeleiden zijn de percentages vergelijkbaar.

Schermafbeelding 2015-06-07 om 22.36.16

Schermafbeelding 2015-06-07 om 22.36.43

Als we willen dat jongeren sparen voor hun huis, dan moeten we ze niet gelijktijdig teveel laten storten in het pensioenfonds. Schaf de doorsneepremie af, en verlaag daarna de LTV. In die volgorde.