Nederland is het beste land ter wereld, op Zwitserland na

De champagne mag open, want Nederland is weer aangehaakt bij de kopgroep. Tijdens de crisisjaren waren we in het tragere peloton beland, maar dit jaar is de Nederlandse economie terug in de top 10 van meest concurrerende economieën ter wereld. We komen binnen op plaats 8.

In 2009 behoorde Nederland voor het laatst tot de tien meest concurrerende landen. In de vijf daaropvolgende jaren bleven we steeds hangen rond de 14de, 15de positie. Maar nu de economie opkrabbelt, herstelt in Nederland ook de concurrentiekracht.

Dat beweren althans de onderzoekers van het Zwitserse onderzoeksinstituut IMD. Zij stellen ieder jaar het ‘World Competitiveness Scoreboard op, waarin ze op basis van honderden indicatoren landen rangschikken naar concurrentiekracht. Begin deze week kwam de editie voor 2016 uit met daarin de eervolle 8ste plaats voor Nederland.

Subjectieve gegevens
Op een andere concurrentieranglijst staat Nederland echter al op plaats 5. Het World Economic Forum (WEF) maakt ook ieder jaar de balans op, met de ‘Global Competitiveness Index’. HetWEF berekent de concurrentiekracht net op een andere manier. Waar IMD focust op harde, meetbare cijfers (zoals koopkracht en uitgaven aan R&D), geeft het WEF meer gewicht aan subjectieve gegevens, zoals vertrouwensindicatoren en meningen van ondernemers.

Op de ranglijst van het WEF is Nederland nooit uit de top 10 gevallen. Wel zakte ons land in de crisisjaren terug naar plaats 10 (in 2010), maar inmiddels staan we dus al weer keurig in de top 5. Alleen Zwitserland, Singapore, de Verenigde Staten en Duitsland zijn concurrerender dan Nederland.

Het kan nog mooier. Het Franse Insead berekent jaarlijks de ‘Global Innovation Index’. Die index meet de innovatiekracht van landen. Op de Insead-ranglijst staat Nederland op plaats 4 met alleen Zwitserland, het Verenigd Koninkrijk en Zweden voor ons.

Schermafbeelding 2016-06-20 om 19.19.46

Er zijn ranglijsten en ranglijsten
Natuurlijk is er op ieder ranglijstje wel wat af te dingen. Neemt men de juiste indicatoren mee? Zijn cijfers van verschillende landen te vergelijken? Valt concurrentie of innovatie wel te meten? Het zijn terechte vragen. Maar in plaats van een nauwgezette analyse van de voor- en nadelen van ieder lijstje, stel ik een ander antwoord voor: laten we alle ranglijsten eens op elkaar leggen. Wat de ene ranglijst slecht meet, meet de andere misschien juist goed, dus zo’n ‘meta-ranglijst’ kan betrouwbaarder zijn dan de afzonderlijke lijsten.

Daarom neem ik van ieder land de plaats op de ranglijst en tel die bij elkaar op.Zwitserland bijvoorbeeld, staat tweede op het World Competitiveness Scoreboardvan IMD en eerste bij zowel de Global Competitiveness Index van WEF en deGlobal Innovation Index van Insead. Bij elkaar krijgt Zwitserland op onze meta-ranglijst dus vier punten.

Daarmee staat het land uiteraard bovenaan. De tweede plaats is voor de VS (11punten), dan komt Singapore (11 punten) gevolgd door — ex aequo — Zweden en Nederland (17 punten). Als het om concurrentie en innovatie gaat, zijn er slechts drie landen beter dan Nederland.

Ontkurken maar
Maar het kan nog mooier, want er zijn nog meer mondiale ranglijsten. De UNDPberekent jaarlijks de ‘Human Development Index’. Deze indicator kijkt naar deeconomie in veel bredere zin. Er is meer dan economische groei, vindt de UNDP. Gezondheid en onderwijs bepalen ook het ontwikkelingsniveau van een land.Nederland staat vijfde op deze lijst. Als we dit toevoegen aan de meta-lijst, stijgt Nederland naar de derde plaats, achter Zwitserland en de VS.

Ik voeg nog één ranglijst toe: die van het gelukkigste land. Want uiteindelijk dient de economie de mens en niet andersom. Uit het jaarlijkse ‘World HappinessReport’ van economen Jeffrey Sachs en Richard Layard haal ik de Happiness Ranking. Nederland staat daar met een 7de plaats hoger op dan de VS (19de), dus op de meta-lijst halen we de Amerikanen in. Alleen de Zwitsers blijven ons (ruim)voor.

De conclusie luidt: Zwitserland is het beste land ter wereld. Maar Nederland is een goede tweede. Champagne!

(FD)

Vrije keuze

‘Ik wil een fles van je beste wijn en zeg de kok zijn allerbeste gerecht te bereiden.’ Het is de taal van de relaxte multimiljonair die een toprestaurant inloopt. Als geld geen rol speelt, hoef je de menukaart niet te zien, want wie van alles het beste bestelt heeft nooit last van keuzestress.

Armoedzaaiers als u en ik hebben die luxe niet. Wij zijn veroordeeld tot het nauwkeurig spellen van de menukaart. Oesters zijn lekker maar duur, varkenssaté is goedkoop maar ongezond. De Bordeaux is onbetaalbaar, maar van de huiswijn krijg je hoofdpijn. Het kost veel denkkracht om de juiste keuze te maken — als ons dat al lukt.

Gelukkig maar dat we bij echt belangrijke zaken niet hoeven te kiezen. Bij ons pensioen, bijvoorbeeld. Iedere werknemer zit verplicht bij het pensioenfonds dat bij zijn bedrijf of sector hoort. Switchen is verboden. De polder heeft al voor ons gekozen, dus van keuzestress heeft niemand last.

Toch zijn er onverlaten die vinden dat we ons pensioenfonds wel moeten kiezen. In het pensioenstelsel van de toekomst zou de deelnemer zelf moeten beslissen bij welk fonds hij spaart. Geen gedwongen winkelnering meer. Vakbonden, pensioenbesturen en sommige politici vinden dat een buitengewoon slecht idee. Mensen willen helemaal niet kiezen, zeggen zij. Mensen willen gewoon het beste pensioen. Bovendien blijkt uit gedragsonderzoek dat mensen vaak verkeerde keuzes maken. Dat moeten we niet willen.

Maar volgens mij moeten we het juist wel willen. Of mensen kiezen leuk vinden of perfect kunnen, heeft er niets mee te maken. Vrije keuze dwingt de pensioenfondsen om een goed pensioen tegen zo weinig mogelijk premie te leveren.

We kiezen niet omdat dat leuk is, maar omdat het discipline afdwingt. Want vergis u niet, wie iedere dag zonder op de prijs te letten vraagt om de beste wijn en het beste gerecht, krijgt na verloop van tijd waterige wijn en inferieur eten. En een duur pensioenfonds met een verwaterde dekkingsgraad en inferieure indexatie. Keuzevrijheid is de productiefactor die kwaliteit en efficiëntie genereert.

In de supermarkt liggen dertig verschillende soorten chocoladerepen omdat smaken verschillen en kiezen soms dus leuk is. Maar er staan ook vijf merken vrijwel identieke halfvolle melk in de koeling, omdat de supermarkt onze keuzevrijheid gebruikt om de melkfabrikant te disciplineren. Melk kiezen is voor de klant niet leuk, maar wel noodzakelijk.

Moeten we dan straks allemaal avonden studeren op welk pensioenfonds het beste is? Welnee, dat is het mooiste van keuzevrijheid: wie niet wil kiezen kan meeliften op de disciplinerende keuzes van anderen. Ik ben nog nooit van ziektekostenverzekeraar of stroomaanbieder veranderd, want ik weet dat de keuzevrijheid van andere klanten mijn aanbieder disciplineert. Wat wil je nog meer?

Een buffer voor geluk en pech

De Sociaal Economisch Raad legt een groot, zacht kussen neer, gevuld met het fijnste ganzendons en genaaid in een stevige sloop. Het ligt klaar om de val op te vangen voor iedere onfortuinlijke generatie met pech op de beurs. Zo’n hele generatie kan op het kussen neerploffen, zonder zich te bezeren.

Wie vult dit wonderbaarlijke kussen? Dat doen alle generaties die wel geluk hebben op de beurs. Wat de ene generatie te veel verdient met beleggen, wordt doorgeschoven naar generaties die te weinig verdienen op hun aandelen. Geluksgeneraties compenseren pechgeneraties. Er is solidariteit tussen de leeftijdscohorten, want we verzekeren elkaars beleggingsrendement.

De buffer voor geluk en pech is een belangrijk onderdeel van de pensioenverkenning van de SER, die eind vorige week verscheen. De Raad schets daarin een nieuw pensioenstelsel waarin werknemers hun eigen beleggingspotje opbouwen. Het is revolutionair dat de polder durft na te denken over zo’n persoonlijk pensioen. Afschaffen van de collectieve pensioenpotten waar alle premie in verdwijnt, in ruil voor een vage, nauwelijks afdwingbare belofte op een nominale uitkering na pensionering, was voor de vakbonden tot voor kort onbespreekbaar. Iedere aanpassing van de collectiviteit werd als ondermijning van de solidariteit afgedaan.

Maar nu ziet ook de polder dat het huidige systeem niet meer voldoet. Jarenlange discussies over rekenrente, dekkingsgraden en indexatie hebben de rot in het ‘beste pensioenstelsel van de wereld’ voldoende aangetoond. Dus gaat het roer om. Collectieve fondsen worden individuele potjes. Met daaronder dat enorme donzen kussen.

Het is geen individueel kussen, maar een collectief kussen. Gevuld met een donzige solidariteitsheffing op ‘te hoge’ rendementen van de individuele potjes.

De buffer voor geluk en pech is niets anders dan een schaduw-pensioenfonds dat premie heft over de beleggingswinsten van pensioenfondsen. Het is een nieuw collectief fonds gevuld met geld waarvan niemand precies weet van wie het is en dat op basis van verwachte beleggingsrendementen in de verre toekomst wordt verdeeld. Arbitraire veronderstellingen over wat ‘normaal’, ‘veel’ en ‘weinig’ rendement is, zijn nodig om deze beleggingssolidariteit te kunnen berekenen. Hoor ik iemand daar ‘rekenrente’ zeggen? De ruzie tussen generaties over het geld in deze buffer zal nog voor de eerste openingsgong van de beurs uitbreken. Want uiteindelijk ziet iedere leeftijdsgroep zichzelf als een pechgeneratie, omringd door louter generaties met geluk.

Individuele pensioenpotten, waarover solidariteitsbelasting wordt geheven ten bate van een collectieve beleggingsbuffer, op basis van arbitraire beleggingsverwachtingen — wie hoopte dat het nieuwe stelsel simpeler en transparanter zou worden, had weer eens buiten de polder gerekend.

(FD)

Extremist

Opeens weet je het: je bent een extremist. Je zit niet meer comfortabel in het midden van de verdeling der meningen, maar ergens in een extreme uithoek. Je bent niet meer de regel, je bent de uitzondering

Zo vind je vrijhandel een goed uitgangspunt voor de economische diplomatie. Liefst via multilaterale vrijhandelsverdragen, maar als dat niet lukt dan maar bilaterale verdragen. Nauwere samenwerking met bondgenoot de VS vind je een ‘no-brainer’. Natuurlijk eerst hard onderhandelen, maar daarna sluiten we een wederzijds voordelig vrijhandelsakkoord.

Je dacht dat heel weldenkend Nederland het nut van zo’n verdrag wel zou zien, maar toen je even niet oplette schoof de publieke opinie een stuk op. Vrijhandel dient alleen nog maar de belangen van multinationals, zo is het algemeen gevoelen, en die willen ons zo snel mogelijk vergiftigen met chloorkippen en hormoonvlees.

Met pijn in je hart heb je na een kwart eeuw je lidmaatschap van Milieudefensie opgezegd. Dat was ooit een club van natuurliefhebbers, die je graag steunde. Maar de actiegroep heeft nu een antiglobalistische agenda, strijdt tegen vrij ondernemerschap en pleit voor handelsbelemmerende maatregelen.

Je bent een extremist omdat je denkt dat Europese samenwerking de vrijheid, veiligheid en welvaart bevordert. Je gelooft nog steeds niet dat een Europa met nationale munten en vrij bewegende wisselkoersen beter werkt dan een monetaire unie. En je vreest de Russische beer meer dan de Brusselse slak. Sinds een paar jaar ben je een eurofiel (ja, dat is een scheldwoord), als je er zo over denkt.

Marktwerking, daarvan weet ook iedereen opeens dat het een totale mislukking is. In het weekend veilen we massaal onze overbodige huisraad via marktplaats.nl en bieden we op het goedkoopste ‘wellness-arrangement’ op vakantieveilingen.nl, maar door de week wordt het prijsmechanisme vervloekt als instrument van het zakkenvullende grootkapitaal.

Semi-ambtenaar Antoinette Hertsenberg krijgt van de semi-staatsomroep AvroTros alle zendtijd om de marktwerking in de zorg te verguizen. Zelfs je jeugdheld Jan Terlouw trapt er in. Hij twittert: ‘Heeft na de Radaruitzending van vanavond nog iemand ook maar één goed argument voor marktwerking in de zorg?’ Begin jaren zeventig wist dezelfde Terlouw in zijn boek Koning van Katoren nog zo overtuigend uit te leggen hoe het monopolie van de nepdokters — de Tara’s — de stad Afzette-Rije, aan de bedelstaf bracht. Inmiddels is zijn mening een heel eind opgeschoven. Doe mij maar de Terlouw van 1971.

Wie vroeger net rechts van het midden was, met een beredeneerd wantrouwen tegen overheidsingrijpen en geloof in internationale samenwerking, is tegenwoordig een neoliberale slaaf van het kapitalisme. Een eurofiele extremist.

(FD)

Beleggers zijn bang voor een beurskrach die bijna nooit komt (en dat is de schuld van de pers)

Januari van dit jaar. Een analist van Royal Bank of Scotland stuurt een mail naar zijn klanten. Analist Andrew Roberts heeft een duidelijk advies: ‘Sell everything.’ Alles stort in. Verkoop aandelen, verkoop risicovolle obligaties, verkoop grondstoffen, verkoop alles. 2016 wordt een ‘cataclysmic yearAandelen zullen kelderen, olie daalt naar $16 per vat. De sneeuwbal begint te rollen in China en sleurt de hele wereld mee, weet Andrews.

Dezelfde analist had in 2010 ook al hel en verdoemenis gepredikt. ‘Denk het ondenkbare’, schreef hij toen. ‘We bevinden ons op de rand van de afgrond.’ Maar 2010 bleek juist een prima beleggingsjaar. Dat weerhield journalisten er niet van om in 2016 de waarschuwingen van deze Cassandra toch weer serieus te nemen. De roemruchte (**kuch**) Ambrose Evans-Pritchard van de Daily Telegraph wakkerde het depressieve vuurtje van Roberts graag aan. De laatste woorden van zijn column van 11 januari over Roberts’ doemscenario luidde: ‘De verkoopgolf kan zichzelf gaan versterken en uitgroeien tot de volgende mondiale crisis.’

Weer zat Roberts er grandioos naast. En Evans-Pritchard had zich weer eens bij de neus laten nemen door een doemprofeet. Na de dip in januari en februari herstelden de beurzen wereldwijd. De olieprijs krabbelde op en de wereldeconomie weigerde in te storten. Wie alles in de winter verkocht, had in het voorjaar spijt.

Doemprofeten bakken er meestal niks van. Toch zijn hun scenario’s populair bij beleggers. Het bijzondere van de profetie van Roberts begin dit jaar was niet dat deze zo zwart was, maar dat zijn verhaal zo veel aandacht kreeg van beleggers en de financiële pers. Houden we soms van pikzwarte voorspellingen?

Ja dus. Daarop wijst althans een nieuwe studie van Nobelprijswinnaar Robert J. Shiller van Yale University. Afgelopen week publiceerde hij de resultaten van onderzoek naar de pessimistische inslag van beleggers en de invloed daarop van de pers. Shiller houdt al ruim een kwart eeuw enquêtes onder particuliere en institutionele beleggers. Hij vraagt hen onder andere naar de kans op een beurskrach in de komende zes maanden. Met een beurskrach bedoelt hij er een zoals in oktober 1987, toen de Dow Jones in één dag met meer dan 8% daalde. Uit de antwoorden destilleert Shiller de ‘Crash Confidence Index’: het percentage van de geënquêteerden die de kans op zo’n crash in het komende halfjaar op minder dan 10% schatten.

Schermafbeelding 2016-05-13 om 20.01.49

Die index is verrassend laag, ontdekte Shiller. De ondervraagde beleggers schatten de kans op een grote crash dus veel hoger in dan gerechtvaardigd is op grond van het verleden. Beleggers zijn overdreven bang voor zwarte maandagen en donderdagen. Die komen minder vaak voor dan ze denken.

Een oorzaak ligt mogelijk bij de financiële pers. Shiller onderzocht duizenden beursberichten in de Wall Street Journal, en constateerde dat negatief beursnieuws prominenter gebracht wordt en langduriger besproken, dan positieve verrassingen op de beurs. De financiële pers — en misschien wel alle pers — brengt graag negatief nieuws. Of, zoals Shiller ruiterlijk toegeeft: misschien is het de nieuwsconsument die een voorkeur heeft voor negatief nieuws, en bedient de pers die consument op z’n wenken.

Het is de combinatie van tegenvallers op de beurs en de grote aandacht daarvoor in de pers die beleggers een overmatige angst bezorgt voor grote krachs. Vooral negatieve beursberichten op de voorpagina van de Wall Street Journal verhogen de angst voor een beursimplosie. Dit verband zag Shiller overigens alleen bij particuliere beleggers. Voor professionele beleggers vond Shiller geen significante relatie tussen slecht nieuws, overdreven berichtgeving en de vrees voor een beurskrach.

Een professional als Andrew Roberts geloofde dus misschien zelf wel niets van zijn profetie, maar wist dat een doemverhaal veel meer impact zou hebben dan een realistischere versie. De particuliere belegger is voortaan gewaarschuwd: slecht beursnieuws op de voorpagina is zelden de aankondiging van een echte krach.

IJsjes voor eskimo’s

Een ijsfabriek boven de poolcirkel, het is eindelijk mogelijk. Binnenkort maakt Unilever magnums op de Noordkaap, raketjes in Groenland en cornetto’s in Siberië. Dankzij de lage rente is dat nu bedrijfseconomisch volstrekt rationeel.

Natuurlijk, de huidige inwoners van die gebieden zitten niet te springen om een bevroren traktatie, maar hun kleinkinderen misschien wel. Als het met de klimaatverandering een beetje opschiet, hebben we nog deze eeuw zomerse dagen boven de poolcirkel. Een verkoelend ijsje is dan wel zo lekker. Unilever hoeft de opwarming van de aarde niet af te wachten en kan nu al beginnen met grootschalig investeren in ijsfabrieken in het hoge noorden. De inkomsten van de ijsverkopen komen pas over vele jaren, maar dat maakt voor de boekhouders van het levensmiddelenbedrijf niets uit.

Tijd is geen factor meer voor Unilever, want wachten is gratis. Deze week leende cfo Graeme Pitkethly € 300 mln op de kapitaalmarkt, tegen een couponrente van 0%. De toekomst is voor Pitkethly nu net zo veel waard als het heden. Unilever is in een boekhoudkundig zwart gat gevallen, waar tijd niet bestaat. Heden en toekomst zijn samengedrukt tot een enkel punt. Een euro nu verdiend is evenveel waard als een euro in de toekomst.

Tijd is dus gratis. Dat klinkt leuk, maar is het allerminst. Bij een rente van nul is zo ongeveer ieder investeringsplan op papier rendabel. Kleine inkomstenstromen in een verre toekomst tellen zonder discontovoet uiteindelijk toch op tot oneindig veel euro’s. Welke ondernemer kan nee zeggen tegen oneindige winst? IJsjes voor Eskimo’s, oplaadpunten voor zelfrijdende elektrische auto’s, een pompstation op de maan voor toekomstige ruimte­reizigers, het zijn bij 0% rente allemaal uiterst degelijke investeringen. (Zelfs ondernemers die nu investeren om ooit de hogesnelheidstrein tussen Amsterdam en Parijs te laten rijden, zouden dat op papier rendabel kunnen krijgen — maar misschien overdrijf ik nu.)

Dat Unilever en andere grote, solvabele bedrijven kunnen lenen zonder rente komt natuurlijk door de Europese Centrale Bank. Die begint in juni met het opkopen van bedrijfsobligaties, als onderdeel van het onlangs verder opgevoerde programma van kwantitatieve verruiming. Vooruitlopend op die nieuwe vraag naar bedrijfspapier, zijn de rentes voor sommige Europese bedrijven al 0%.

Over die lage rente wordt veel gemopperd. Die zou spaarders oneerlijk veel pijn doen en pensioenfondsen midscheeps raken. Van die klachten ben ik niet echt onder de indruk. Spaarders kunnen gaan beleggen en pensioenfondsen hadden zich in moeten dekken tegen rentedalingen.

Nee, mijn zorg is dat bij een rente van nul de productiefactor tijd niet meer schaars is. Onzinnige investeringen lijken opeens verstandig. Daar gaan we nog veel spijt van krijgen. Ooit.

 

(FD)

Nederland verspilt talent door vroege schoolselectie en stroeve doorstroming

Kinderen die beneden hun niveau worden opgeleid. Leerlingen die hun intelligentie niet kunnen benutten. Mensen die ergens goed in zijn, maar die geen kans krijgen te excelleren. Ik ken geen onvergeeflijker vorm van verspilling dan verspilling van talent. Zeker voor een vergrijzende kenniseconomie als die van Nederland.

Toch slagen we er niet in deze verspilling te stoppen. Sterker: de talentverkwisting neemt toe. Dat bleek deze week uit het jaarverslag van de Onderwijsinspectie. Inspecteur-generaal Monique Vogelzang schrijft in het voorwoord: ‘Niet alle leerlingen en studenten krijgen de kans het onderwijs te volgen dat past bij hun niveau. Er waren altijd al verschillen in kansen, maar de verschillen worden de laatste jaren groter.’

Stapelen moeilijker
Kinderen van hoogopgeleide ouders belanden vaker op havo en vwo dan kinderen van ouders met een lager opleidingsniveau – ook als wordt gecorrigeerd voor intelligentie. Die kloof wordt eerder groter dan kleiner. Ons onderwijssysteem slaagt er steeds minder in om leerlingen gelijke kansen te bieden. Dat is oneerlijk, maar vanuit economisch oogpunt bezien ook buitengewoon inefficiënt.

De inspectie geeft een aantal oorzaken voor deze ontwikkeling. Allereerst zijn hoogopgeleide (en vaak rijkere) ouders bewuster bezig met de schoolkeuze van hun kinderen, en geven meer geld uit aan huiswerkbegeleiding en examentraining. Een belangrijke oorzaak ligt ook bij de scholen: die zijn vroeger en strenger gaan selecteren, waardoor kinderen met een (tijdelijke) achterstand minder kansen krijgen. Bovendien is het stapelen van opleidingen moeilijker geworden. De typische schoolcarrière van de laatbloeier — van mavo naar havo naar vwo — komt minder vaak voor.

Scandinavië
De ouderwetse brugklas, waaruit leerlingen nog gemakkelijk konden doorstromen naar alle niveaus, is vervangen door de ‘homogene brugklas’ waarin kinderen met hetzelfde schooladvies bij elkaar zitten. Bijna de helft van de leerlingen zit nu in zo’n homogene brugklas. Tien jaar geleden was dat minder dan een derde.

Het moment waarop de schoolkeuze wordt gemaakt, is daardoor in de praktijk weer een jaar vervroegd. En dat terwijl leerlingen in Nederland toch al zo jong moeten kiezen. Alleen in Duitsland en Oostenrijk ligt de leeftijd waarop de eerste schoolselectie wordt gemaakt met tien jaar nog lager dan de Nederlandse twaalf jaar. In landen als Frankrijk, Zwitserland en Japan wordt de niveaukeuze pas op vijftienjarige leeftijd gemaakt. In Scandinavische en Angelsaksische landen zitten alle leerlingen zelfs tot zestien jaar op hetzelfde schooltype.

Minder kansongelijkheid door latere selectie
Amerikaanse en Canadese leerlingen zitten alle leerplichtige jaren bij elkaar. In Zweden en Noorwegen ligt 15% van de leerplichtige periode na het selectiemoment. Voor Nederland is dat maar liefst 45%. Een goed deel van de schoolcarrière brengen Nederlandse kinderen dus door in klassen met louter ‘niveaugenootjes’. In combinatie met de afgenomen kans op doorstroming naar een hoger schooltype geeft dit systeem bijna een garantie op verspilling.

Sociologen Thijs Bol en Herman van de Werfhorst van de Universiteit van Amsterdam gebruikten deze internationale verschillen in 2013 voor een onderzoeknaar de gevolgen van vroege schoolkeuzen. Daaruit blijkt inderdaad dat latere selectie zorgt voor minder kansongelijkheid in het onderwijs.

Middenschool
Hetzelfde beeld komt naar voren uit onderzoek naar onderwijshervorming in Finland. In de jaren zeventig van de vorige eeuw werd vroege schoolkeuze in dat land afgeschaft. Leerlingen bleven voortaan tot zestien jaar op hetzelfde schooltype. Kinderen van laagopgeleide ouders profiteerden hiervan. Hun testscores verbeterden duidelijk, zonder dat – belangrijk – de scores van kinderen van hoogopgeleide ouders verminderden.

Moeten we in Nederland dan ook pas met zestien jaar de eerste schoolkeuze maken? Moeten we weer gaan experimenteren met de Middenschool? Misschien wel. Maar in elk geval moeten we snel af van alles wat in het huidige systeem de schoolkeuze onnodig vervroegt en de doorstroming belemmert. Dus maak een einde aan de trend van homogene brugklassen, voer de tweejarige brugklas landelijk in en geef iedere leerling het recht om na het eindexamen door te stromen naar een hoger schooltype – ongeacht het advies van de school. Dat vinden de scholen misschien niet leuk, maar verspilling van talent is erger.

(FD)

Vorig jaar schreef ik ongeveer hetzelfde.

En DWDD ging er ook nog over:

De Zusters vs Exxon

De Zusters van de Heilige Dominicus in Caldwell, New Jersey, zijn boos. Of beter: teleurgesteld, in ExxonMobil, want dat oliebedrijf heeft de cijfers niet op orde. Natuurlijk, de inkomsten en uitgaven worden netjes bijgehouden op het ExxonMobil-hoofdkantoor in Houston. Maar het bedrijf laat een potentieel bedrijfsvernietigende post weg in de boeken: het effect van klimaatbeleid op de vermogenspositie en de winstcijfers. Wat zijn de financiële gevolgen voor ExxonMobil als overheden besluiten om de klimaatafspraken van Parijs, om te zetten in beleid?

Om hun teleurstelling met het oliebedrijf te kunnen delen, kochten de Zusters aandelen ExxonMobil – ongetwijfeld met stilzwijgende instemming van de Heilige Dominicus. Vervolgens sloten zij zich aan bij een groep beleggers die tijdens de volgende algemene aandeelhoudersvergadering (ava) zullen voorstellen om ExxonMobil een groene stresstest te laten uitvoeren. Is het huidige bedrijfsbeleid wel bestand tegen klimaatbeleid? Tijdens de volgende ava op 25 mei zullen de zorgen van de Zusters aan de orde komen. Pogingen van ExxonMobil om dat te voorkomen, sneuvelden bij toezichthouder SEC.

De Zusters krijgen steun van hun broeders. De ministers van de American Baptist Home Missions en de kerkcommissarissen van de Church of England willen ook dat ExxonMobil zichtzelf gaat testen op kwetsbaarheid voor klimaatbeleid. Er is ook steun vanuit seculiere kring, bijvoorbeeld van de beleggers van de BNP Paribas, AXA en Legal&General. Samen met in totaal 32 grote en kleine beleggers, bijeengebracht door actiegroep Ceres, vrezen zij dat de winsten van het oliebedrijf niet bestand zijn tegen ambitieus klimaatbeleid. Moet ExxonMobil niet eigenlijk nu al een enorme voorziening nemen, voor mogelijk toekomstig CO2-beleid? De huidige winstgevendheid zal daar uiteraard flink onder leiden.

De Zusters en al hun kerkelijke en seculiere medestanders zijn ook al zeer teleurgesteld in Chevron. Tijdens de ava van dat oliebedrijf zal daarom ook een verzoek tot stresstesten op de agenda staan. Ook Chevron verzette zich daar overigens vergeefs tegen bij de SEC. Twee nul voor de Zusters, is dus inmiddels de tussenstand.

Ondertussen in Nederland proberen de dames en heren achter FollowThis om zoveel mogelijk aandeelhouders van Shell achter een soortgelijk voorstel te krijgen. Tijdens de ava op 24 mei vragen zij topman Ben van Beurden om van Shell snel een duurzaam bedrijf te maken, door fossiele winsten voortaan te investeren in duurzame energie. Ze hebben hun eerste succesje al binnen: hun voorstel staat op de agenda. Alle oude en nieuwe Shell-beleggers kunnen zich bij FollowThis aansluiten.

De duurzame revolutie begint dus misschien wel in de tempels van het kapitalisme, in de vergaderzalen van de aandeelhouders. Wie had dat gedacht?

(FD)

We hadden Mark van Baal van FollowThis eerder dit jaar ook al te gast in de studio van Z-Today: 

 

Verder lezen:

 

Mijnbouw in de ruimte: van wie is het platina in een asteroïde?

Niet alle economen zullen het willen toegeven, maar de bron van onze welvaart is niet economisch, maar juridisch. Je kunt de slimste ondernemers hebben, de meest efficiënte markten en best opgeleide bevolking, zonder juridisch verankerde eigendomsrechten wordt het niets. Van wie zijn de grondstoffen, van wie is het land, hoe wordt de winst verdeeld?

Pas als er een helder en onweerlegbaar antwoord is op deze vragen, kan de kapitalistische machine worden opgestart en kan het welvaartsgroei beginnen. Ondernemers moeten eerst zeker weten dat ze de opbrengst van hun inspanningen mogen houden — na afdracht van redelijke belasting — anders heeft het geen zin een bedrijf te beginnen.

Amerikaanse ruimtewet
Op aarde zijn deze zaken zeker nog niet perfect geregeld, maar zijn we een eind op de goede weg. Maar buiten de aarde, in de ruimte, moet de juridische strijd over eigendomsrecht nog helemaal worden gestreden. Maar de eerste stappen zijn gezet.

Het Amerikaanse Congres nam eind vorig jaar een speciale ruimtewet aan die het juridisch mogelijk moet maken om commerciële mijnbouw te plegen op asteroïden in de ruimte. Deze U.S. Commercial Space Launch Competitiveness Act stelt dat grondstoffen gewonnen op asteroïden het eigendom zijn van degene die ze heeft gemijnd. Dit is de eerste keer dat particuliere eigendomsrechten in de ruimte zo duidelijk zijn vastgelegd.

Ruimtemijnbouw in de stijgers
Voor buitenstaanders lijkt de nieuwe wet misschien een logische stap. In de Verenigde Staten zijn inmiddels meerdere commerciële partijen serieus bezig met het ontwikkelen van plannen voor mijnbouw in de ruimte. Het bedrijf Planetary Resources noemt zichzelf, misschien wat voorbarig, al ‘the asteroid mining company’. Onder andere Larry Page en Eric Schmidt van Alphabet (het moederbedrijf van Google) en Richard Branson van Virgin hebben geld in het bedrijf gestoken.

Van concurrent Deep Space Industries zijn geen investeerders bekend, maar het bedrijf (‘We are miners’ luidt het motto) haalde wel al geld op in twee investeringsrondes. Ongetwijfeld hebben deze bedrijven flink gelobbyd in Washington voor de nieuwe ruimtewet.

Inmiddels heeft Luxemburg aangekondigd ook met een ruimtewet te komen, ongetwijfeld in de hoop om mijnbedrijven aan te trekken.

Binnen handbereik
In de wereld van het ruimterecht werd er op de Amerikaanse wet met veel opwinding gereageerd. Volgens sommige juristen is de ruimtewet in strijd met het Ruimteverdrag uit 1967. Dat verdrag bepaalt juist dat niemand soevereiniteit kan opeisen over hemellichamen. De ruimte is van ons allemaal, net als de zeeën op aarde. Vlaggen planten heeft geen zin.

Dat klinkt nobel. Maar voor economen ook behoorlijk naïef. Zonder eigendomsrechten wordt exploratie van de ruimte nooit rendabel, en verspillen we in feite de enorme hoeveelheid grondstoffen die rond de aarde zweven. Want de afgelopen jaren zijn er enorm veel asteroïden ontdekt die hun rondjes de zon relatief dichtbij de aarde draaien.

Rond de eeuwwisseling waren dat er ongeveer duizend, inmiddels staat de teller al op bijna 14.000. Dat zijn veel grote asteroïden met een diameter van meer dan een kilometer, maar ook veel handzamere van 30 tot 300 meter. De metalen platina, nikkel, en palladium zijn op veel asteroïden aanwezig, met in potentie grote opbrengsten. (Ik laat hier de enorme technische problemen bij de winning maar even buiten beschouwing).

Schermafbeelding 2016-04-17 om 11.49.05

Gokje
De oplossing voor het juridische steekspel ligt ongetwijfeld in internationaal overleg. Afgelopen week is er in Wenen gepraat over dit onderwerp door de leden van het Committee on the Peaceful Uses of Outer Space (ja, die bestaat) van de Verenigde Naties. De komende week wordt er verder gesproken.

De belangrijkste juridische werkgroep wordt geleid door de Leidse juriste Tanja Masson. Volgens haar valt de Amerikaanse Ruimtewet wel degelijk te rijmen met het Ruimteverdrag, omdat het bij mijnbouw niet gaat om het toe-eigenen van hemellichamen, maar het exploiteren ervan. Zij ziet de Amerikaanse en Luxemburgse wetten als een mooi drukmiddel om echte internationale afspraken hierover te maken.

En dan is het wachten tot het eerste ruimteschip vol platina terugkeert op aarde. Lang wachten, gok ik.

(FD)

Zie ook: