Zeker weten

(Verscheen eerder hier)

Langdurig discussiëren over monetair beleid maakt meer kapot dan je lief is. Vooral als de deelnemers hun bijdragen louter in hun eigen taal en in hun eigen kranten naar buiten brengen. Dan vallen Duitse economen andere Duitse economen bij in hun afschuw voor de experimenten van de Europese Centrale Bank (ECB), terwijl Franse economen andere Franse economen volmondig steunen in hun roep om nieuwe monetaire stimulering. De toon van de discussie wordt automatisch feller want men praat niet mét, maar óver economen uit landen met een andere monetaire traditie.

Nederlandse economen vinden een mogelijk opkoopprogramma van de ECB onnodig, ineffectief en risicovol. Een paar kilometer naar het zuiden vertellen Belgische economen elkaar dat zo’n opkoopprogramma juist noodzakelijk en zonder risico is. Na maanden van discussie zit iedereen diep ingegraven in zijn schuttersputje te genieten van z’n eigen gelijk.

Ik zit zelf ook in zo’n put. Ik denk dat het opkoopprogramma waar de ECB donderdag zeer waarschijnlijk toe besluit, de economie weinig zal helpen. Ik geloof niet dat het bedrijven zal aanzetten tot meer investeringen en banken tot een guller kredietbeleid. Alleen via een verdere daling van de euro helpt het de Europese economie, maar dat is bijvangst, want het doel van het opkoopprogramma is stimuleren van de binnenlandse bestedingen en voorkomen van deflatie.

Ik denk dat het niet gaat werken, maar wel de verdeeldheid in Europa vergroot. Boze Duitsers tegenover teleurgestelde Fransen, daar kopen we niks voor.

Maar ik weet het niet zeker. Kwantitatieve verruiming (zoals economen een opkoopprogramma van de centrale bank noemen) is onbewezen monetaire technologie. Er is wat theorie over, er zijn wat praktijkvoorbeelden, maar echte kennis over de werkzaamheid ontbreekt. Zorgt het voor meer geld in de economie, zoals de Belgische econoom Paul de Grauwe deze week beweerde? Of werkt het via hogere aandelenkoersen waardoor mensen rijker worden en meer gaan uitgeven? Is de werking veel subtieler, en zullen mensen meer inflatie gaan verwachten waardoor de economie aan de deflatiespiraal ontsnapt? Er zijn net zoveel theorieën als economen.

We gaan ze donderdag allemaal weer horen, van economen die denken dat de ECB een historische fout maakt en van economen die het opkoopprogramma toejuichen. Hou daarbij steeds in het achterhoofd: hoe stelliger de commentator is over de gevaren of effectiviteit van kwantitatieve verruiming, hoe meer hij of zij zwamt.

Want we weten simpelweg niet of het werkt en hoe gevaarlijk het is. Voor de ene helft van de economen is dat reden om te zeggen: laten we het daarom maar niet doen. De ander helft denkt: laten we het dan vooral maar proberen. Ik hoor bij de eerste groep.

Maar zeker weten doe ik dat niet.

Staak voor meer loon!

Reinier Castelein is een beschaafde man. Gekleed in de krijtstreep van de bankier, de stropdas van de werkgever en met de haarstijl van de beurscommentator, is hij de antithese van de volksmennende vakbondsleider. Er staat geen megafoon in het kantoor van Castelein, er hangt geen vakbondspetje aan zijn kapstok. Zijn Vakbond De Unie is een beschaafde bond voor beschaafde mensen.

Schreeuwen op het Malieveld of tieren op de Dam, dat is niks voor mensen van De Unie. Opbouwend overleggen met werkgevers en constructief bijdragen aan een voor alle partijen voordelige cao, da’s meer hun stijl.

Vandaar dat voorzitter Castelein deze week met achteloos gemak het in eerdere eeuwen bevochten stakingsrecht bij het grof vuil zette. Staken levert niets op, vindt Castelein. ‘Als argumenten aan tafel niet helpen, dan helpt een polonaise op het Malieveld zeker niet’, stelde hij deze week.

De Unie heeft mijn sympathie. De vakbond hangt veel minder aan verworven rechten en verouderde arbeidsmarktinstituties dan andere bonden. Maar het stakingswapen vrijwillig aan de wilgen hangen, dat is mij iets te pacifistisch. Het mes moet wel op tafel blijven. Juist nu!

Nederland smacht naar een loongolf, of op z’n minst een loongolfje. Een inkomensstijging voor werknemers waardoor de koopkracht stijgt en de inflatie toeneemt, dat is wat de economie nodig heeft. Juist het middenkader waar De Unie voor zegt op te komen, kan een loonstijging gebruiken. Het gemiddelde cao-loon steeg de afgelopen vijf jaar met zo’n 6%. De inflatie bedroeg in die periode 10%, dus in reële termen daalden de cao-lonen. Misschien logisch, gezien de crisis, maar nu de economie herstelt is het tijd voor een inhaalslag.

Natuurlijk moet het loon niet omhoog bij ieder bedrijf en in elke sector. Maar bij bedrijven met fraaie winsten en een nette vermogenspositie zouden de vakbonden nu prima extra loon kunnen eisen. Niet bij KLM, wel bij Bol.com. Niet in de bouw, wel in de zakelijke dienstverlening. Niet in Assen, wel in Eindhoven.

Om zo’n bedrijfs- of sectorspecifieke looneis hard te maken, heeft de vakbond het ultieme dreigmiddel van een staking ongetwijfeld nodig. Belangrijk is dan wel dat de vakbonden ook echt strijden voor hoger loon per direct, en zich niet — zoals de afgelopen jaren — laten afleiden door deelbelangen en het verdedigen van oude rechten.

Dus ditmaal niet de loonruimte inruilen voor vage baangaranties, meer verlofdagen, reparatie van de ww, transitievergoedingen, stortingen in sectorale studiefondsen of extra pensioenfranje. Gewoon harde pegels op de bankrekening van werknemers, daar moet het om gaan. Vergeet die bij voorbaat verloren strijd tegen modernisering van de arbeidsmarkt, hou op met dat zinloze gevecht tegen de zzp-er en staak voor meer loon! Castelein, op naar het Malieveld!

(Deze column stond eerst hier, in het FD)

Ook in Nederland dalen de prijzen

Het was de laagste inflatie sinds 2009, maar in elk geval ging de Nederlandse consumentenprijsindex in december nog omhoog. Terwijl in het eurogebied als geheel het prijspeil daalde met 0,2% ten opzichte van een jaar eerder, meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) afgelopen woensdag nog een positieve inflatie van 0,7%.

Er is deflatie in Europa, maar in Nederland stijgt het prijspeil nog. Hard gaat het niet, maar wie bang is voor deflatie lijkt in Nederland veilig.

Schijn bedriegt
Maar schijn bedriegt. Net als in het eurogebied in z’n geheel, heerst ook in Nederland deflatie. Het prijspeil daalde in december met 0,1%. Het was de eerst negatieve inflatie sinds juli en augustus 2009, toen het Nederlandse prijspeil ook met een tiende procent afnam.

Het CBS zegt dat de prijzen stegen in december, maar tegelijkertijd daalden ze ook. Hoe is dat mogelijk? De reden is dat je de verandering van de consumentenprijzen op verschillende manieren kunt berekenen. De manier die het CBS gebruikt is net anders dan de officiële Europese methode die Eurostat en de ECB voorschrijft.

Schermafbeelding 2015-01-18 om 14.18.59

Normaal gesproken maakt dat methodologische verschil niet zoveel uit. Maar nu de inflatie zich dicht bij de nul procent bevindt, kan het net het verschil tussen inflatie en deflatie uitmaken. Bovendien zorgt de andere methodiek op dit moment voor bovengemiddeld grote verschillen in de inflatieschatting.

Welke methode geeft het meest correcte beeld van de werkelijke inflatie in Nederland? Ik heb mijn keuze gemaakt: de Europese definitie komt dichter bij de waarheid. Dat betekent dus dat wat mij betreft het prijspeil in december is gedaald. Er is deflatie in Nederland.

 Kunstmatig

Ik kies niet voor het nationale CBS-cijfer omdat een flink deel van die prijsindex wordt bepaald door een kunstmatig berekende, niet in de werkelijke economie gevoelde prijs: de toegerekende huur van de eigen woning. Dit is een schatting van de kosten die huiseigenaren maken als ze hun huis ‘verwonen’. De aankoop van een huis zelf wordt door het CBS (terecht) niet gezien als consumptie maar als een investering. Die aankoopprijs zit daarom niet in de consumentenprijsindex.

Maar het gebruiken (consumeren) van de eigen woning na aanschaf, is wel consumptie. Welke prijs hoort bij die woonconsumptie? Het CBS veronderstelt dat de prijs van het consumeren van een eigen huis, gelijk is aan de huur die iemand betaalt voor een soortgelijk huis. Als de huur van een bepaald huis met 5% stijgt, neemt de geschatte prijs van het wonen in het koophuis van de buren ook met 5% toe. Bij de Europese methodiek wordt het eigen huis genegeerd.

Winkelmandje
De toegerekende huur is een belangrijke component in het winkelmandje dat het CBS gebruikt voor het berekenen van de inflatie. Met een gewicht van 11% is het na de bestedingen aan voeding, de belangrijkste component. Niemand betaalt of voelt een stijging van de toegerekende huur echt, maar meer dan een tiende van het inflatiecijfer wordt er door bepaald. Ter vergelijking: een stijging van de energieprijzen telt maar half zo zwaar mee.

Schermafbeelding 2015-01-18 om 14.19.11

De huren stijgen de afgelopen tijd flink. In 2014 gingen de huren gemiddeld met 4,5% omhoog. Koopwoningen stegen vorig jaar ook iets in prijs, maar bleven met een toename van 1,8% ver achter bij de huren. De kostprijs van een nieuwbouwwoning — toch ook een aardige indicator van wat een huis de burger kost — ging zelfs licht omlaag. In de jaren voor 2014 gingen de huren telkens omhoog, terwijl de huizenprijs en de kostprijs van nieuwbouw daalden.

Deze huurstijging heeft geen enkel effect op de koopkracht van Nederlanders in een koopwoning. Het is op theoretische gronden vast te verdedigen dat het CBS een schatting probeert te maken van de prijs van wonen in een eigen huis, maar nu de huren al lange tijd veel harder stijgen dan de prijs van een koopwoning, pakt het in de praktijk ongelukkig uit.

Schermafbeelding 2015-01-18 om 14.19.19

 

 

Ramkoers

Aan de linkerkant ziet u Angela Merkel in haar Audi A8. Aan de rechterkant Alexis Tsipras van de Griekse Syriza-partij in een oud bestelbusje. Er tussen een rechte weg zonder verkeer. Het is donker, maar zowel de Duitse als de Griek laat de koplampen uit. De motoren janken, vonken springen uit de uitlaten. Dan laten ze de koppeling los en daveren de weg op. Recht op elkaar af, snel accelererend, op weg naar een onvermijdelijke frontale botsing.

Welkom in Euroland. Zo doen wij dat hier. In plaats van overleggen, belangen uitruilen, of zoeken naar gemeenschappelijke winst spelen wij de ‘chicken game’. Twee auto’s rijden met volle vaart op elkaar af en degene die het eerste uitwijkt, is de ‘chicken’, de lafbek.

Nieuwe verkiezingen in Griekenland: uitdager Tsipras dreigt bij winst de afspraken die Griekenland maakte met Europa en het Internationaal Monetair Fonds aan de kant te schuiven. De gevolgen voor de euro, voor andere zwakke eurolanden, voor het reddingsplan van de Europese Centrale Bank? Gewoon negeren. Tsipras knijpt de ogen dicht en drukt het gaspedaal in. Op ramkoers met de Duitsers.

Merkel hoort in de verte de motor van zijn busje brullen. Onze afspraken negeren? Dan donder ik Griekenland gewoon de euro uit. Het maakt niet uit wat de gevolgen zijn voor de euro of voor andere eurolanden. Ogen dicht en gassen! Ik wijk niet uit. Die Griek zal heus wel op tijd de berm in sturen.

Voor de omstanders is het een uiterst spannend spel. Te spannend eigenlijk, want iedereen kan zich voorstellen wat er gebeurt als geen van beiden uitwijkt. Dan knallen de wagens frontaal op elkaar en zijn beide bestuurders morsdood.

Alleen de speltheoreticus in het publiek ziet het machtsvertoon rustig aan. Hij kent de uitkomst van het spel, want de ‘chicken game’ is door hem en zijn collega’s tot in detail ontleed.

Een echte botsing is vrijwel uitgesloten. De kosten van een frontale botsing zijn voor iedere speler immers veel groter dan de winst van als laatste wegsturen. Het spel verliezen valt altijd te prefereren boven een botsing. Dus zal altijd een van de bestuurders wegsturen. Misschien doen ze het wel allebei tegelijk.

Maar tot dat moment ziet het spel er gruwelijk serieus uit. Zolang niemand zijn verlies neemt, lijkt een botsing onafwendbaar. Duitsland en Griekenland op ramkoers, schrijven de kranten. Crisis! De euro gaat er aan!

Uiteindelijk, op het laatst mogelijke moment, binden de Grieken in en schuiven de Duitsers aan aan de onderhandelingstafel. Waarom doen ze dat niet meteen?, vraagt u misschien. Dan hoeven wij niet steeds in de rats te zitten.

Hoe naïef. Geen Europese politicus wil voor laffe eurofiel worden uitgemaakt. Eerst een bijna-ongeluk, dan pas het onvermijdelijke compromis.

 

(ook hier)

EINDEJAARSFEUILLETON 2014: DE SNELWEG

Hieronder alle vijf delen van mijn Eindejaarsfeuilleton dat in de laatste dagen van 2014 en de eerste van 2015 in het Financieele Dagblad verscheen. Striptekenaar Erik Varenkamp maakte er mooie tekeningen bij. Die kun je hier bewonderen.

 

DE SNELWEG
Deel 1: Seculiere stagnatie

Wat doet een minister die vreest dat de Nederlandse economie de komende jaren  amper groeit? Hij roept de hulp in van buitenlandse topeconomen. Mathijs Bouman schetst wat er dan gebeurt. Deel 1: Seculiere stagnatie

‘Anderhalf procent! Niet meer dan anderhalf procent! En als de olieprijs ook maar een beetje omhoog gaat en de euro ook maar een beetje duurder wordt, dan halen we dat niet eens.’

De minister stampvoet. Met zo weinig economische groei verliest de PvdA de volgende verkiezingen zeker. Net nu het zo lekker gaat met zijn carrière — minister van Financiën, voorzitter van de eurogroep, wie weet straks partijleider — dreigt zijn club een splinterpartij te worden. Economische groei is nodig, minder werkloosheid, meer koopkracht, en dan tevreden burgers die gewoon weer op zijn partij stemmen. Zoals het hoort.

Hij heeft zijn slimste ambtenaar opdracht gegeven met een spectaculaire oplossing te komen, een manier om de economische groei in korte tijd op de zwepen tot drie procent. Of vier. Waarom niet vijf?

Daarom staat hij hier om half vijf ’s ochtends in de ontvangsthal van Schiphol. ‘Ik heb een Amerikaanse econoom uitgenodigd’, heeft de ambtenaar hem verteld. ‘Eentje die precies weet hoe we onze vastgeroeste economie weer aan de praat krijgen. Haalt u hem op?’

De minister laat zijn ogen over de passagiers gaan die door de schuifdeuren lopen. Een dikke econoom, met een arrogante kop. Zo zou hij eruit moeten zien. Daar is hij! Precies zoals beschreven. De ander steekt zijn hand uit en zegt. ‘Larry Summers, great to meet you.’

Even later rijden ze samen naar Den Haag. De econoom kijkt somber uit het raam en zwijgt. Als ze door het Groene Hart bij Burgerveen rijden, spreekt hij voor het eerst. ‘Ik zie het al’, zegt hij. ‘Secular stagnation. Dit land lijdt aan een ernstige vorm van seculiere stagnatie. Alle symptomen.’

De minister houdt zijn adem in. Dat klinkt niet best. Fluisterend vraagt hij: ‘Is er een medicijn? Heeft u een routekaart uit deze ellende? Een soort blauwdruk van wat ik er aan kan doen?’

‘A template, you mean?‘, vraagt de econoom.

‘Nee’, zegt de minister. ‘Een blauwdruk.’

Later op zijn kantoor probeert de minister het nog eens. ‘Wat moeten we doen, mister Summers?’ De econoom pakt een dikke viltstift van het bureau van de minister en loopt naar de muur waar een kaart van Nederland hangt. Hij houdt het hoofd even schuin en laat dan de punt van viltstift landen in Zeeuws-Vlaanderen, boven op het plaatsje Cadzand. Dan kijkt hij schuin omhoog, naar rechts, en trekt in een enkele beweging een rechte lijn, schuin over de kaart.

Dwars door het Groene Hart, door Uithoorn en Diemen. Dan door het Markermeer, vlak langs Marken en verder naar Creil in de Noordoostpolder. Ten zuiden langs Heerenveen, ten noorden langs Groningen, totdat de stift stopt in Roodeschool.

Schermafbeelding 2015-01-10 om 20.38.23

‘Een snelweg’, legt de econoom uit, wijzend naar de lijn. ‘Minstens acht banen. Mag ook meer. Een weg van niets naar nergens. Een bestedingsimpuls, een banenplan, een investeringsagenda en een inkomensvermenigvuldiger, allemaal in één. Briljant, al zeg ik het zelf.’

De minister is met stomheid geslagen. De econoom wacht even, maar gaat dan door. ‘Eerst geef je de eigenaren van de grond een zak geld, dan huur je alle werkloze wegenbouwers en tunnelbouwers in, dan begint je economie al te groeien. Die groei zorgt voor inkomen en nieuwe vraag. Mensen gaan pakketjes bestellen, anderen moeten vaker zakenreizen maken. Auto’s, busjes en vrachtauto’s gaan de weg op. Voor je het weet staat er een file op je nieuwe snelweg. Zo versla je seculiere stagnatie, en niet anders.’

Een lach breekt door op de het gezicht van de minister. Ik ga een snelweg bouwen. Mijn eigen Derde Weg. Natuurlijk!

 

DE SNELWEG
Deel 2: Ongelijkheid

In de Noordoostpolder gaat het voor het eerst helemaal mis. Ergens tussen het plaatsje Creil en – oh, ironie – Rutten, versperren woedende burgers de bulldozers de weg. ‘Niet door onze achtertuin’, staat er gekwast op de borden die ze meedragen. En: ‘Minder Snelweg’.

Het is forse tegenvaller voor de minister, want het ging juist zo lekker met de aanleg van zijn banenscheppende en groeibevorderende snelweg. In Zeeland had niemand geprotesteerd. ‘Zolang je maar geen polders onder water zet’, had de Commissaris van de Koning uitgelegd. De vijftig kilometer lange tunnel onder het Groene Hart was extreem duur geweest, maar de minister herinnerde zich de woorden van Larry Summers: ‘Hoe duurder hoe beter. Geld moet rollen.’

Amsterdam had even moeilijk gedaan, maar toen hij de burgemeester beloofde — zwart op wit — dat de hoofdstad nooit meer een Sinterklaasintocht hoefde te organiseren, mocht hij de snelweg dwars door de Bijlmer leggen.

Tienduizenden wegenbouwers hadden weer werk. Honderden aannemers draaiden weer omzet. Nog even en de economie zou flink gaan groeien, wist de minister. Totdat de polderbewoners de aanleg van de snelweg stillegden.

‘Ik ken een econoom die misschien kan helpen.’ De minister schrikt op uit zijn somber gepeins. Het is de ambtenaar.

‘Wie dan?’ vraagt hij.

‘Een Franse econoom. Hij heet Thomas Piketty. U kent hem vast.’

Natuurlijk! De beste econoom ter wereld. Het geniale wonderkind. ‘Heeft hij verstand van wegenbouw?’ vraagt de minister bezorgd.

‘Zijn eigen werk heeft hij uitgewalst tot een boek van ruim zeshonderd pagina’s’, antwoordt de ambtenaar schalks. ‘Dus dat zit wel goed.’

Enkele dagen later staan de minister en de Franse halfgod in de winderige polder, aan het voorlopige uiteinde van de snelweg in aanbouw. Dranghekken voorkomen dat het gezelschap van Kamerleden, columnisten, economen en WRR’ers dat de Fransman sinds zijn aankomst in Nederland achtervolgt – smekend om een enkel woord, hopend op een enkele blik – Piketty onder de voet loopt.

‘Ik zie het al’, zegt deze. ‘Een typisch geval van ongelijkheid.’

‘Werkelijk?’ vraagt de minister.

‘Ik zal het uitleggen. Dit zijn de drie Fundamentele Wetten van de Wegenbouw in de 21ste eeuw:

  1. Een weg is een weg.
  2. Een weg is af zodra het eindpunt is bereikt.
  3. ‘Er’ is groter dan ‘gee’.

Snapt u?’

‘Niet helemaal’, zegt de minister aarzelend. (Van achter de dranghekken steekt een hoongelach op).

‘Ik leg het uit, zegt de Fransman mild. ‘‘Er’ is de winst van de wegenbouwers en ‘gee’ is het nut dat de burgers aan de snelweg ontlenen. In de 19de eeuw was ‘er’ altijd groter dan ‘gee’. Dat heb ik ontdekt in een studie die de econoom Jane Austen verrichtte naar de schatrijke wegenbouwer Mr. Darcy. Wegenbouw zorgde toen ook voor enorme ongelijkheid.’

‘Maar geldt dat ook in deze eeuw?’ vraagt de minister. (Hilariteit achter het dranghek. Veel hoofdschudden).

‘Natuurlijk’, zegt de Fransman. ‘Wat toen gold, geldt nu ook. Per definitie. Dat is de kracht van wetenschap.’ (Hysterisch gejuich achter het dranghek nu. Enkele aanwezigen vallen in katzwijm).

De minister knikt begrijpend. ‘Maar wat doen we eraan?’

‘Belastingverhoging’, zegt de Fransman onverstoorbaar. ‘Laat de wegenbouwers flink betalen, en deel de opbrengst uit onder de omwonenden. Dat is eerlijk en minder ongelijk.’ (Oorverdovend lawaai van achter het dranghek. Mensen scheuren zich uit pure blijdschap de kleren van het lijf, slaan elkaar op de blote lichamen, zoenen, dansen, rollen door de modder).

‘Briljant’, zucht de minister. ‘Snel de belasting verhogen. En dan weer verder bouwen aan mijn snelweg.’

 

DE SNELWEG
Deel 3: Ondernemende overheid

Ballonnen, vlaggen, bossen rode rozen. Het is feest in Roodeschool. De snelweg is gereed. De minister van Financiën kijkt trots om zich heen. Dit is zijn moment, zijn politieke erfenis, zijn gooi naar het partijleiderschap. Groei en banen. Anderen zeggen het alleen, hij doet het ook echt.

Fanfareorkest Concordia uit Middelstum speelt ‘Trias Politica’ van Jan Bosveld. Verderop vormen de jeugdspelers van de plaatselijke voetbalclub Corenos een erehaag. Hun rode broeken wapperen in de wind.

Naast de minister zit de collega van Sociale Zaken zich duidelijk te verbijten. ‘Kun je me garanderen dat deze weg 100% robotvrij is aangelegd?’ sist hij venijnig. ‘Of heb je de technologische werkloosheid alleen maar erger lopen maken.’

Negeren, denkt de minister. Zijn jaloezie is het bewijs van mijn succes. Na de Nacht van Guusje is de strijd binnen de partij echt losgebroken. Er komen verkiezingen aan, zoveel is duidelijk. Iedereen loopt zich warm om de kapot gestreden partijleider op te volgen.

De minister staat op en loopt naar de microfoon. Het orkest zwijgt. De publiek spitst de oren. De minister laat een stilte vallen.

Dat doet hij wel vaker. Tijdens debatten en tijdens interviews op tv. Eerst een stilte, intelligent kijken, en dan pas wat zeggen. Het werkt, zo heeft hij gemerkt. Mensen denken dat je verstandig bent, bedachtzaam en bekwaam, als je eerst even over je antwoord lijkt na te denken. Meestal heb ik gewoon geen idee wat ik moet zeggen, lacht de minister in zichzelf.

Hij raspt zijn keel. ‘Landgenoten’, zegt hij. ‘Vandaag openen we de weg van Cadzand naar Roodeschool. Daarmee openen we ook de weg van naar groei en de werkgelegenheid. Binnenkort rijden er bestelbusjes, vrachtwagen en zakenauto’s over dit asfalt. Nederland herstelt!’

Enkele weken later komen de eerste slechte berichten binnen. De weg is vrijwel leeg gebleven, rapporteert de ambtenaar. Een paar avonturiers zijn van Cadzand naar Roodeschool gereden. Een chauffeur had de verkeerde afslag genomen, en had tientallen kilometers op de stille weg gedwaald. Maar busjes, vrachtwagens of zakenauto’s zijn niet waargenomen.

De minister snapt het niet. We hadden toch seculiere stagnatie? En onderbesteding? Dan moest je toch investeren in infrastructuur? De markt zou de rest doen. Waar blijft het verkeer? Waar blijft de groei?

De ambtenaar kucht. ‘Ik weet een econoom die kan helpen’, zegt hij zacht. De minister veert op. ‘Wie is het?’

‘Het is een Italiaanse. Ze heet Mariana Mazzucato en schreef een boek over de ondernemende overheid dat bij ons ambtenaren zeer populair is.’

‘Hoe dat zo?’

‘Volgens Mazzucato is de overheid, en niet de markt, de echte groeimotor van de economie. Ambtenaren zijn de ware ondernemers.’

‘Ik ben om’, zegt de minister. ‘Haal haar naar Nederland.’

Twee dagen later is de minister terug in Roodeschool. Zonder fanfare maar met een Italiaanse econoom.

‘Ik zie het al’, zegt zij, starend over de lege snelweg. ‘Te weinig overheid.’

‘Meent u dat nou?’ vraagt de minister. ‘Te weinig overheid? In Nederland?’

‘Jazeker’, antwoordt de Italiaanse stellig. ‘Dit moet u doen. Begin een Staatsvervoersbedrijf, met overheidsbusjes, regeringsvrachtwagens en gesubsidieerd zakenvervoer. Laat die wagens 24 uur per dag rijden. Wedden dat die snelweg van je dan meteen vol is?’

De minister aarzelt. Is het zo simpel?

‘Kijk’, vervolgt de Italiaanse. ‘De iPhone zit vol technologie die door de overheid is bedacht. In alles wat bedrijven maken zitten enorme overheidsinvesteringen. Als de overheid leidt, volgt de markt uiteindelijk vanzelf.’

Juist, denkt de minister. Ik ga leiden. De markt volgt vanzelf!

 

 

DE SNELWEG
Deel 4: Gratis geld

Het is druk op de snelweg. De minister staat op de rand van de tunnel onder het Groene Hart. Onder hem door flitsen busjes, vrachtwagens en zakenauto’s. Een prachtig gezicht. Dat is voortrazende economische groei, mijmert de minister tevreden.

‘Het zijn trouwens wel allemaal onze eigen wagens.’ De ambtenaar naast hem spreekt zachtjes. ‘Allemaal van het staatsvervoersbedrijf.’

De minister op schrikt uit zijn mijmering. ‘Er zullen inmiddels toch wel veel private auto’s rijden?’, vraagt hij. De overheid hoefde alleen maar te leiden, de markt zou vanzelf volgen. Zo had de Italiaanse econome het uitgelegd.

‘Misschien komen die private busjes en auto’s nog’, probeert de ambtenaar. ‘Misschien staan we hier gewoon te vroeg.’ De minister schudt zijn hoofd. Dit wordt zijn Waterloo. Een extreem dure weg, waarop alleen overheidsbusjes rijden. Zo dol maakten zelfs de Grieken en Cyprioten het niet. Zodra de pers hier lucht van krijgt, hang ik.

‘Kunnen we nog iets doen?’ vraagt hij met dunne stem. De ambtenaar schuifelt onrustig. ‘Tja’, begint hij. ‘Ik weet misschien een econoom die een oplossing heeft.’

De minister aarzelt. Drie economen hebben hem dit moeras ingestuurd. Waarom zou hij naar een vierde luisteren?

‘Dit is een econoom met een bewezen staat van dienst. Hij heeft de Amerikaanse economie aan de praat gekregen. Dan moet hij van uw snelweg toch ook wel een succes kunnen maken?’

‘Wie is die tovenaar?’ vraagt de minister.

‘Ben Bernanke, de vorige voorzitter van de Fed. Hij is vrij en wil vast wel helpen.’

Inderdaad, Bernanke komt graag. Nog geen week later staat de minister weer op de rand van de tunnel, met naast hem een bebaarde Amerikaanse econoom.

‘Wat moet ik doen?’ vraagt hij wanhopig. ‘De benzineaccijns verlagen zodat het rijden op mijn snelweg eerder loont? Of de wegenbelasting verlagen?’

‘Nee’, reageert de Amerikaan fel. ‘Dat juist niet! Dan gaan de prijzen omlaag en krijg je deflatie. Iedereen zal dan zijn auto op de vluchtstrook parkeren en wachten tot de prijs van benzine en de wegenbelasting nog verder daalt. Ik heb een veel beter idee.’

Hij legt zijn onorthodoxe plan uit. De minister moet biljetten van €100 plakken op alle hectometerpaaltjes langs de snelweg. Op elk van de 3150 paaltjes naar het noordoosten en op elk van de 3150 paaltjes naar het zuidwesten. De bankbiljetten zullen duizenden, tienduizenden automobilisten aantrekken. Ze zullen van paaltje naar paaltje rijden, steeds gelokt door het volgende biljet. De bankbiljetten moeten natuurlijk steeds vervangen worden, dus er is een ruime kwantiteit van nodig.

‘Maar hoe lang moet ik strooien met bankbiljetten?’ vraagt de minister.

For a considerable time‘, legt de econoom uit.

‘En hoe krijg ik steeds genoeg bankbiljetten bij ieder paaltje?’

‘Ik zou het met een helikopter doen’, zegt de econoom. Hij geeft de minister een knipoog, stapt in de gereedstaande taxi en is vertrokken.

‘Bankbiljetten strooien, hoe verzint hij het’, sputtert de minister. Dan haalt hij zijn schouders op en belt Klaas Knot voor een geldwagen met bankbiljetten. En Jeanine Hennis voor een Apache-helikopter.

Het duurt even voordat de eerste geldwagen arriveert. Knot zelf is meegekomen. ‘Ik moest eerst nog even een lading goud afleveren in Amsterdam’, legt hij uit. ‘Dat lag al zestig jaar in New York, maar het CDA en de SP wisten dat de Amerikanen het gingen stelen. We hebben het er net op tijd weggehaald.’

Het zal wel, denkt de minister. Hij pakt een stapel bankbiljetten en stapt in de Apache.

 

 

DE SNELWEG
Deel 5: Particulier initiatief

Plak een bankbiljet op elk hectometerpaaltje, had de Amerikaanse econoom geadviseerd. Dan komt er vanzelf verkeer op je snelweg.

Dat haal je de koekoek, denkt de minister boos. Natuurlijk kwamen alle Nederlanders even geld halen op zijn weg. Er stond een week lang een file van Cadzand tot Roodeschool. Totdat de bankbiljetten op waren en al het verkeer weer even snel verdween.

Het staatsvervoerbedrijf is inmiddels opgedoekt. Daar zal nog wel een parlementaire enquête over komen. CDA-Kamerlid Pieter Omtzigt heeft al driehonderd Kamervragen gesteld en RTL Nieuws heeft minstens zoveel WOB-verzoeken ingediend. De minister weet hoe laat het is. Zijn snelwegproject heeft nooit economische groei opgeleverd. Zijn politieke toekomst ligt in duigen. Voorbij. Mislukt. Over en uit.

Hij komt zelden meer uit zijn kantoor. De gordijnen blijven dicht, het licht is altijd gedimd. Alleen de fles Luxemburgse likeur die zijn oude vriend Jean-Claude Juncker hem wekelijks stuurt, kan zijn humeur nog opbeuren. Maar de roes duurt kort.

Economen blijven oplossingen aandragen. Een Tilburgse econoom stuurt lange epistels op briefpapier van Harvard University, met ideeën voor de snelweg. ‘Ik begrijp dat je al met Larry, Thomas en Mariana hebt gesproken’, schrijft hij. ‘Alle drie zijn goede vrienden van mij. Je hebt mij vast ook gebeld, maar moet je telefoontje hebben gemist.’

Een Amsterdamse econoom — of was het nou een aardrijkskundige? — stelt in een woedende brief voor een lijst op te stellen met namen van iedereen die aan de mislukte snelweg heeft meegewerkt. ‘Stommeling’, was de aanhef boven de brief. ‘Ongelofelijke ezel’. De minister had niet verder gelezen.

En dan was er die Nobelprijswinnaar, die in zijn column in de New York Times schreef dat ‘de domme Hollanders natuurlijk minstens tien snelwegen hadden moeten bouwen’.

Tien snelwegen. De minister rilt. Hij neemt een slok uit Junckers fles en gaat onder zijn bureau liggen. Slapen. Nooit meer wakker worden, denkt hij.

Lawaai. Dan licht. Gordijnen die ratelend openschuiven. De ambtenaar schudt aan zijn schouder. ‘Wakker worden’, zegt hij dringend. ‘Dit moet u zien.’ De minister laat zich meevoeren. Het ministerie uit, de auto in. Ze rijden weg.

De minister ziet een grijze lucht. Het lijkt steenkoud buiten. ‘Welke dag is het’, vraagt hij. ‘1 januari’, antwoordt de ambtenaar. Een nieuw jaar. Uit de grauwe wolken begint het te sneeuwen.

Kort daarna stappen ze uit. De sneeuw valt nu in grote vlokken. De minister herkent deze plaats. Dit is zijn mislukte snelweg, met daar de ingang van zijn tunnel. ‘Wat doen we hier?’, vraagt hij.

Vanuit de tunnel klinkt muziek. Er is een nieuwjaarsfeest aan de gang. ‘Van de omwonenden’, legt de ambtenaar uit. Ze lopen de tunnel in. Verderop zijn speeltoestellen geplaatst voor de kinderen. Weer wat verder is een reusachtige kerstmarkt gaande.

Dan gaan ze weer de auto in en rijden door de sneeuw naar de Noordoostpolder. De weg is daar een kartbaan geworden. Honderden kinderen, tieners en volwassenen rijden er hun rondjes. Naar Friesland dan, waar de snelweg wordt geveegd voor het Fries kampioenschap skeeleren.

Overal waar de minister kijkt, zijn kraampjes met eten, winkeltjes met souvenirs en kaartjesverkopers. Over de vluchtstroken zoeven particuliere fietstaxi’s en kleine elektrische autootjes, die de bezoekers van het ene evenement naar het andere brengen. Het zoemt, gist en krioelt van activiteit, vitaliteit en ondernemingszin.

De minister gaat op een houten bankje zitten, naast een kraampje met glühwein. Sneeuw valt op zijn haar.

‘Particulier initiatief’, prevelt hij en schudt zijn hoofd. ‘Particulier initiatief. Waarom heeft geen econoom me daarop gewezen?’

 

 

 

(Eindejaarsfeuiletons van eerdere jaren staan hier: 2013, 2012, 2011)

Rutte-Asscher levert Nederland extra leger van 1,2 miljoen werknemers

(Verscheen eerder in het FD)

De kerstcrisis werd bezworen. Het kabinet Rutte-Asscher blijft nog even zitten. Maar veel slagkracht valt van de verkruimelende coalitie niet meer te verwachten, lees ik in de politieke commentaren. Gelukkig dan maar dat het belangrijkste werk al is gedaan.

De ongeschreven missie van dit kabinet was: Nederland vergrijzingsproof maken. Daarvoor moest de pensioenleeftijd omhoog, het pensioenstelsel op z’n kop en de hypotheekrenteaftrek omlaag. De arbeidsmarkt moest worden hervormd en het zorgstelsel versoberd. Van die twee laatste is weinig terecht gekomen. Echte hervorming van de arbeidsmarkt was na het tekenen van het Sociaal Akkoord niet meer mogelijk. En de nieuwe zorgwet bleef dus steken in de Eerste Kamer.

Maar op de eerste drie dossiers werden wel grote stappen gezet. Je zou het na de sombere commentaren van deze week niet snel denken, maar als het gaat om hervormen en toekomstbestendig maken van de economie, heeft het huidige kabinet de beste prestatie van deze eeuw geleverd. Het moet maar eens gezegd.

We gaan langer werken en minder hypotheekrente aftrekken, daardoor is de houdbaarheid van de overheidsfinanciën sterk verbeterd. Volgens de sommetjes die het Centraal Planbureau hier over maakt, stevenen we daardoor voor het eerst deze eeuw niet meer af op een exploderende staatsschuld.

Het beste nieuws is dat de forse daling van de beroepsbevolking, die eerder nog werd gevreesd, door de verhoging van de AOW-leeftijd uit de prognoses is verdwenen.

Afgelopen woensdag presenteerde het Centraal Bureau voor de Statistiek een nieuwe bevolkingsprognoses. Daaruit blijkt dat als we de AOW-leeftijd op 65 jaar hadden gelaten, de potentiële beroepsbevolking tussen 2010 en 2040 met 770.000 personen zou zijn afgenomen. Daarna zou het aantal Nederlanders in de werkzame leeftijd van 20 tot 65 jaar weer iets zijn toegenomen, maar in 2060 was de beroepsbevolking nog altijd 570.000 lager geweest dan in 2010.

Die krimpende beroepsbevolking had een groeiende groep inactieve Nederlanders moeten onderhouden en verzorgen. Het was een schrale boel geworden in ons land. Gelukkig kwam dit kabinet met de ‘Wet versnelde verhoging AOW-leeftijd’. De AOW-leeftijd gaat de komende jaren stapsgewijs omhoog. Vorig jaar, dit jaar en volgend jaar, gaat de AOW-leeftijd telkens met een maand omhoog. Van 2016 tot en met 2018 komen er ieder jaar drie maanden bij. Daarna gaat het met stappen van vier maanden omhoog, tot in 2021 de pensioenleeftijd van 67 jaar is bereikt. In de jaren daarna stijgt de AOW-leeftijd mee met de levensverwachting, in stapjes van minimaal drie maanden.

Uitgaande van de laatste prognoses van de levensverwachting, bereikt de pensioenleeftijd de 68 jaar in 2030, de 69 jaar in 2039 en de 70 jaar in 2047. In 2060 krijgen we pas op de leeftijd van 71 jaar en zes maanden AOW.

Schermafbeelding 2015-01-05 om 16.45.42

Dankzij de stijgende pensioenleeftijd komt de Nederlandse beroepsbevolking de komende vijftig jaar niet onder het aantal van 2010 te liggen. In 2040 levert het de maatregel ruim 800.000 extra (potentiële) werknemers op. In 2060 zal dat aantal oplopen naar meer dan 1,2 miljoen.

Schermafbeelding 2015-01-05 om 16.46.16

De toekomst is onzeker, dus het CBS geeft bij de getallen ook kans intervallen. Minimaal stijgt de beroepsbevolking in 2060 dankzij de hogere pensioenleeftijd met een half miljoen, maximaal met anderhalf miljoen.

Schermafbeelding 2015-01-05 om 16.45.53

Natuurlijk, er moet dan wel werk zijn voor al die 65-plussers. Daarom is de overheid met verhogen van de pensioen- en AOW-leeftijd niet klaar. De arbeidsmarkt moet beter gaan werken, zodat oudere werknemers er beter op terecht kunnen. Dat betekent wederom dat er taboes moeten worden doorbroken. Het taboe op demotie bijvoorbeeld. Aan het eind van de carrière kunnen dan zowel de werklast als de loonkosten wat gaan dalen. Mogelijk maken van demotie is het logische vervolg van de verhoging van de pensioenleeftijd.

Daarnaast moeten werknemers meer mogelijkheden en prikkels krijgen om gedurende hun carrière kennis en vaardigheden op peil te houden. Zonder levenslang leren leidt verhoging van de pensioenleeftijd vooral tot hogere werkloosheid onder ouderen.

Dat lijkt me een mooie beleidsagenda voor Rutte en Asscher, nu ze toch nog even blijven zitten.

 

Geef ministers opslag

Het jaar van Piketty wordt in Nederland afgesloten met een toepasselijk staaltje van nivellering. De Wet Normering Bezoldiging Topfunctionarissen werd dinsdag door de Eerste Kamer aangenomen. Met ingang van 1 januari 2015 mogen werknemers bij de semi-overheid niet meer verdienen dan een minister.

Minister Ronald Plasterk van Binnenlandse Zaken kan eindelijk een succesje claimen. Zijn superprovincie kwam er niet, maar aan het zakkenvullen op kosten van de belastingbetaler heeft hij toch mooi een einde gemaakt.

Vanaf volgend jaar zullen topbestuurders in publieke functies niet meer dan de € 178.000 van een ministersalaris verdienen, schreven veel kranten en nieuwssites. Hola, hoor ik u denken, verdient een minister € 178.000? Nou nee, het echte salaris ligt een stuk lager, op € 144.000 per jaar. Alleen door daar de onkostenvergoeding en het werkgeversdeel van de pensioenbijdrage bij op te tellen, kom je op € 178.000.

Een minister verdient dus bruto € 144.000 per jaar. Na belasting blijft daar zo’n € 77.000 van over. Per maand krijgt een minister zo’n € 6500 op z’n bankrekening gestort.

Nee, dat is helemaal niet weinig. Een minister is niet zielig. Maar het is ook niet veel. Tien jaar geleden schreef de Commissie Dijkstal een rapport over de hoogte van salarissen bij de overheid. Daarin werd een vergelijking gemaakt met andere landen. Een Nederlandse minister verdient minder dan zijn collega’s uit Duitsland, Frankrijk en België. Zelfs in het egalitaire Zweden en Denemarken neemt een minister meer mee naar huis.

In 1970 verdiende een minister € 49.455 per jaar. Om de stijging van het algemeen prijspeil bij te houden, zou dat salaris nu € 216.000 moeten bedragen. Dat is € 72.000, of precies 50%, meer dan het werkelijke salaris. Ook ten opzichte van de lonen in de marktsector is het inkomen van de minister fors achtergebleven. Maar jezelf opslag geven is politieke zelfmoord, weten de ministers. Dus ze laten het maar zo.

Nee, ik vind ze nog steeds niet zielig. Het ministerschap is al lang geen levensvullende baan meer, maar eerder een tijdelijk corvee voor bestuurders die aan carrièreplanning doen. Een paar jaar leven van € 144.000, daar wordt niemand slechter van.

Maar nu Plasterk het ludiek lage ministerssalaris verheft tot norm voor de hele (semi)publieke sector, wordt het wel een probleem. Wie weinig betaalt, krijgt ook weinig kwaliteit. Wie denkt dat ziekenhuizen, musea en wetenschapsinstellingen voor minder salaris net zo veel kwaliteit kunnen inkopen, houdt zichzelf voor de gek.

De wet is aangenomen. Daar valt niets meer aan te doen. Dan moet het ministersalaris maar omhoog, om te beginnen met 30%, zoals de Commissie Dijkstal in 2004 al voorstelde. Dat is politieke harakiri, maar Plasterk heeft het er zelf naar gemaakt.

 (deze column verscheen eerder in het FD)

Eindejaarsfeuilleton 2013: Mark & Moritz zoeken lichtpuntjes

Dit jaar mag ik voor de vierde maal het Eindejaarsfeuilleton voor het Financieele Dagblad schrijven. Even helemaal los op het nieuws en de onzin van afgelopen jaar. Heerlijk om te doen, want hoe vaak krijg je de kans als journalist om volslagen fictie in de krant te krijgen? 

Voor wie het leuk vindt, zet ik de komende dagen mijn oude feuilletons om deze blog. Eergisteren de eerste uit 2011. Gisteren die uit 2012. Vandaag het feuilleton van 2013, over Mark Rutte die probeert S&P te verslaan en de AAA-status voor Nederland probeert te heroveren.

 

Deel 1: De Haven

Ik zit op de passagiersstoel van een donkerblauwe Saab. Een oude Saab. De vering van de stoel prikt in mijn rechterbil. We rijden op de A13, van Den Haag naar Rotterdam. Het regent. En verderop begint de file.

Maar de bestuurder naast mij kan dat niets schelen. Die praat en schaterlacht aan een stuk door. Hij heeft het over ‘sterker uit de crisis komen’. Over ‘het huis op orde brengen’. Hij zegt: ‘We gaan S&P verslaan.’

Bij die laatste opmerking draait hij zich naar mij toe. Want ik ben van S&P. Ik ben Moritz Krämer, kredietbeoordelaar bij Standard and Poor’s. En ja, ik was het, die eind november Nederland z’n triple A-status afpakte, de hoogste kredietstatus.

En daarom zit ik nu — één bil half opgetrokken — in de oude Saab van de Nederlandse premier. ‘Jij gaat met mij mee, Moritz’, had Mark Rutte opgewekt door de telefoon gezegd. ‘We gaan een paar dagen op stap. Jij en ik. Laat ik je zien waarom Nederland drie A’s verdient.’

We rijden de file in. Als we stil staan naast een wat oudere Mercedes, draait de premier zijn raampje open en schreeuwt: ‘Hé, jij daar. Koop ’s een nieuwe auto!’ De bestuurder kijkt verbaasd op. De premier draait schaterlachend het raam weer dicht.

Ik vraag hem waar we naar toe gaan. ‘Naar de Rotterdamse haven’, antwoordt hij. ‘Naar de grootste haven van Europa. De poort van de grootste markt ter wereld.’ Dan gaat hij door over over de Hollandse handelsgeest en over de ambitie en het vakmanschap van Nederlandse ondernemers. Ik moet even zijn weggedommeld, want als ik opschrik zijn we bij de haven. We stappen uit.

‘Imposant, niet?’ zegt de premier. Ik ben diep onder de indruk. Dit is geweldig. Kolossaal. Ik zie gigantische kranen die containers optillen als luciferdoosjes. Ik zie honderden vrachtauto’s af en aan rijden. Een logistieke mierenhoop. Wat een prestatie van zo’n klein land!

‘Zie je die nieuwe kranen verderop, die net worden geïnstalleerd?’ glundert de premier. ‘Dat zijn de allergrootste kadekranen ter wereld. Ze hebben een reikwijdte van 24 containers breed.’ Mijn mond valt open. De premier glimlacht. Handen in z’n zakken.

‘ECT’, staat er op de kranen. Europe Container Terminals, legt de premier uit.

Een Nederlands bedrijf met een Engelse naam, wat zijn jullie toch internationaal, mijmer ik bewonderend.

‘Juist’, zegt de premier. En dan aarzelend: ‘Nou ja. Helemaal Nederlands is ECT natuurlijk niet.’ Ik kijk hem niet-begrijpend aan. ‘Eh, ECT is uiteindelijk van Hutchison Whampoa. Uit Hongkong.’

‘Hongkong?’ vraag ik. ‘Hoezo Hongkong? Dit is toch Rotterdam?’ Ik snap het niet. ‘En die nieuwe, allergrootste kranen dan? Die zijn toch wel Nederlands?’

Niet helemaal. Ik zie wat zweet op het voorhoofd van de premier. ‘Die komen uit Sjanghai. Ze kwamen kant-en-klaar op een schip hiernaartoe. Ze gaan Chinese spullen uitladen, die dan met Poolse vrachtauto’s direct doorgaan naar Duitse winkels.’

Hij kijkt opeens veel minder opgewekt. Ik snap er niets meer van. ‘Maar wanneer verdient Nederland er dan wat aan?’ ‘Nou, ja. De schepen betalen havengeld. En soms moet een actiesticker op een Koreaanse tv, bestemd voor Duitsland, worden geplakt. Dat doen de Nederlanders dan.’

Maar dan breekt de brede grijns weer door bij de premier. ‘Weet je wat wij gaan doen, Moritz?’ Hij slaat op mijn schouders. We stappen weer in de auto. ‘We gaan naar het noorden. Onze gasbel bekijken.’

Deel 2: De Gasbel.

De regen is gestopt. De lucht is blauw en het is koud. In mijn rechterbil prikt nog altijd de vering van de stoel. Ik zit weer in de oude Saab van de premier van Nederland. We gaan naar Groningen. Naar de gasbel.

‘Ons gas is ons goud’, doceert de premier, terwijl hij over de A7 naar de Afsluitdijk rijdt. ‘Ons vermogen. Het is wat ons kredietwaardiger maakt dan alle eurolanden bij elkaar. Nederland kan niet failliet, want we kunnen altijd betalen met gas.’

Daar zit wat in, denk ik. Nederland mag dan de kortste werkweek ter wereld hebben, de hoogste private schuld en een economie die al vijf jaar niet groeit, wat maakt het uit als het aardgas gratis uit de grond komt spuiten? Ik maak wat aantekeningen op mijn S&P-kladblok. De premier knikt me bemoedigend toe.

We tanken op de Afsluitdijk. Terwijl de premier zijn Saab volgooit schreeuwt hij, net als gisteren bij Rotterdam, naar een andere auto: ‘Hé, jij daar. Koop eens een nieuwe auto!’

‘Doe effe normaal man!’, reageert de bestuurder boos. ‘Doe lekker zelf normaal!’ kaatst de premier terug. ‘Tjonge, jonge.’ Dan weer die schaterlach.

Anderhalf uur later stappen we uit. ‘Slochteren’, zegt de premier en maakt een weids gebaar met zijn armen. ‘Het land van boer Boon. Boven de grond alleen de groene waas van gras. Onder de grond onze kredietwaardigheid. Onze triple A.’

Ik pak m’n blocnote. ‘Hoeveel gas zit er onder de grond?’ vraag ik.

‘Nog ongeveer 1000 miljard kubieke meter’, zegt de premier. ‘Sinds de jaren zestig hebben we er al € 300 mrd aan verdiend. Ik zit goed in die cijfers.’ Dan lachend: ‘Al kan ik er natuurlijk best € 50 mrd naast zitten.’

Ik vraag: ‘Waar is dat geld nu? In een staatsfonds, net als in Noorwegen?’

De premier schudt zijn hoofd. ‘Zo doen wij dat niet. Wij betalen er onze uitkeringen mee. En onze ambtenaren. En af en toe gaat er een envelopje naar een VVD-Statenlid of zo. Geld moet rollen, Moritz. Want we moeten sterker uit de crisis komen!’

‘Dus eigenlijk is dit de plek waar Nederland z’n vermogen oppompt en opmaakt?’ vraag ik. ‘Waar de Nederlandse balans razendsnel wordt verkort? Als straks het gas op is, heeft Nederland een enorm gat in de begroting.’

De premier kijkt zuur. ‘Ik weet niet wat je bedoelt. Volgens mij ben je moe. Het is laat. Kom, we zoeken een hotel.’

Later lig ik onder ruwe lakens in de herberg van een Gronings dorpje. Denk na over de dag, over Rotterdam en Slochteren, over Chinezen en Polen, over korte werkweken, hoge schulden, verspilde gasbaten en val pas laat in slaap.

Ik schrik wakker. Mijn bed schudt. Een glas water trilt van het nachtkastje. Een stoel valt om. De houten balken in het dak kraken en er vallen grote stukken witte stuc uit het plafond. Geschrokken doe ik het licht aan en zie opeens een grote scheur ontstaan, in de muur onder het raam. Wat is er aan de hand?

De premier stormt mijn kamer in. Hij draagt slechts een boxershort en een oud T-shirt met grote letters. ‘Rita is Ruk’, lees ik.

De premier schreeuwt en trekt aan mijn arm. ‘Moritz, dit gaat mis! We moeten wegwezen. Dit is the Big One. Pak je koffer! De auto in! Snel! We gaan naar Eindhoven.’

Deel 3: De Hightechcampus

Weer die Saab. En weer die prikkende veer in mijn bil. De wolken zijn vandaag zo grijs dat ik niet zie waar het grauwe land eindigt en de koude lucht begint.

We rijden twee uur in stilte. Pas bij Arnhem schraapt de premier zijn keel. ‘Eindhoven’, zegt hij. ‘De slimste regio ter wereld. Nederlands vernuft, Nederlandse hersens, Nederlands ondernemerschap. Dat is het fundament onder onze welvaart.’

Even later: ‘Er is niets mis met Nederland wat wij niet kunnen repareren met wat er goed is aan Nederland.’ Ja, ja, bla, bla, denk ik. Leert hij dit soort zinnen uit zijn hoofd? Zijn opgewekte stem lijkt gespeeld. Zijn lach klinkt vals.

Het is zachtjes gaan sneeuwen wanneer we de snelweg verlaten. ‘Hightechcampus’ lees ik op een trendy staalconstructie vol keien. Als we parkeren, zie ik dat de premier iets wil schreeuwen naar een automobilist die ook net uitstapt. Ik grijp ik zijn arm en sis: ‘Hou op over die nieuwe auto’s.’ Hij kijkt beduusd.

Het besneeuwde wandelpad is breed en voert ons naar een modern gebouw met veel glas. ‘Young High Tech Entrepreneur’s Day’ staat er op bord. Het is een soort beurs voor jonge technische bedrijven. ‘Welke ondernemer wil mijn 06-nummer?’ roept de premier bij binnenkomst joviaal.

Hij neemt me mee naar het ­kraampje van een start-up. Ze maken iets dat ‘multi layer display accelerator’ heet. Verderop vertelt een jonge ondernemer over zijn ‘hybrid photovoltaic thermal zonnecellen’. Iemand laat een werkende circulaire elektromotor zien.

Je zou er enthousiast van worden. Maar ik ruik nattigheid. Ik hoor alleen maar Engels. Vaak met een Russisch, Indiaas of Israëlisch accent. Zelden het boerenkool-Engels van de Nederlander.

‘Werken er ook Hollanders in uw bedrijfje?’ vraag ik een jonge twintiger met baard en hip mutsje. ‘Sure’, antwoordt hij. ‘We hebben één Nederlander in dienst. Voor de subsidieaanvragen. Zonder kennis van de ongeschreven lokale regels gaat dat niet.’

De premier trekt me snel mee. ‘Hier zijn échte Nederlandse ondernemers.’ We staan bij stand met drie Apple-computers en evenzoveel jongens met appelwangen. Echte Nederlanders. Ze hebben een nieuwe website ontwikkeld waar mensen 3D-printers van elkaar kunnen lenen, waarmee ze logeerbedden kunnen uitprinten, waar vervolgens toeristen op kunnen slapen. Het heet ‘3Dbnb’ en heeft een YouTube-kanaal met honderdduizend abonnees en al vijf miljoen likes op Instagram.

Indrukwekkend. Bij S&P krijgen we nooit likes. De appelwangen vertellen dat Sergey Brin van Google wil investeren. ‘Maar we willen eerst met Keith Rabois praten. Dat is de investeerder achter LinkedIn, Etsy, Yammer en Yelp’, leggen ze behulpzaam uit.

Ah. LinkedIn. Dat ken ik. Dan vertellen ze dat ze dit jaar een belangrijke beslissing moeten nemen. Een keuze die de toekomst van 3Dbnb zal bepalen.

De premier trekt aan mijn mouw: ‘We moeten verder.’ Maar ik ben geboeid. ‘Welk besluit? Welke belangrijke keuze?’

‘We zijn uit de subsidiefase’, legt een van de appelwangen uit. ‘Dus moeten we de locatiekeuze maken.’ Hij kijkt met een schuin oog naar de premier die driftig met zijn hoofd schudt en zijn vlakke hand heen en weer voor zijn keel beweegt. ‘Welke locatiekeuze?’ vraag ik.

‘Waar we ons vestigen. Eerst in Berlijn? Of meteen in Silicon Valley?’

De premier laat zijn armen vallen. Zijn schouders hangen omlaag. ‘Ik geef het op, Moritz. We gaan terug naar Den Haag.’

 

Deel 4: De Oude Econoom

‘We gaan terug naar Den Haag’, had de moedeloze premier gezegd. Maar zelfs dat blijkt moeilijk. De sneeuw valt nu in dikke vlokken en is een harde wind opgestoken. Als de Saab de snelweg op draait, is de belijning al niet meer zichtbaar. Terwijl de schemer invalt, zie ik de eerste sneeuwduinen op de weg ontstaan.

De premier lijkt er geen erg in te hebben. Hij zit zachtjes mopperend achter het stuur en let nauwelijks op de weg. Ziet hij die hoge rand van vastgevroren sneeuw dan niet?

De auto schiet omhoog. De veer in mijn stoel, die al twee dagen in mijn rechterbil prikt, breekt met een knal. Au! Bij het neerkomen slaat de motor af. We glijden van de weg. De berm in. En komen tot stilstand in een hoge berg pasgevallen sneeuw. We leven nog. Maar de Saab is dood.

Twee mannen, op nette schoenen en in dunne donkerblauwe pakken lopen de ijskoude nacht in. Het Brabantse land is wit en leeg. De sneeuw is op veel plekken kniehoog. ‘We moeten doorpakken en vooruitkijken’, prevelt de premier bij iedere stap. ‘Het wordt straks beter, het ergste is bijna voorbij.’ Maar de kou dringt al verder door in ons lijf. In onze botten. Ik kan niet meer. Is dit het einde?

Dan roept de premier: ‘Daar, die gele waas! Een lichtpuntje!’ Het is een kleine boerderij. Een oude heer doet open. Zijn vrouw geeft ons dekens en warme chocolademelk. Even later zitten we bij een warm vuur.

De heer blijkt een oude econoom. Veel haar zit er niet meer op zijn hoofd, maar als hij lacht, komen er jeugdige kuiltjes in zijn wangen. ‘Mark Rutte bij m’n open haard’, zegt hij vrolijk. ‘Wie had dat gedacht? En wie bent u?’ Ik stel me voor.

‘Van S&P?’ herhaalt hij lachend. ‘Dus u bent die domoor die denkt dat Nederland geen drie A’s verdient.’

Ik vertel hem over onze terechte twijfels over de Nederlandse economie. En over mijn reis met de premier. Over Chinezen en Polen in Rotterdam, Russen en Indiërs in Eindhoven, over de enorme schuldenberg en de leeglopende gasbel.

‘U snapt er echt niet veel van, hè?’ zegt de econoom vaderlijk. ‘Dat gas is een vloek. Het heeft ons lui en vadsig gemaakt. De Hollandse ziekte. Hoe eerder het op is, hoe beter.’

‘En tegenover de private schulden staan veel grotere pensioentegoeden’, gaat hij verder. ‘Tegenover de staatsschuld staat een enorme belastingclaim op de pensioenpot. We zijn schathemeltjerijk. Nederland is misschien niet zo liquide, maar wel zeer solvabel.’

Ik zoek mijn blocnote, maar bedenk dat die in de auto heb laten liggen. Dan maar luisteren.

De econoom doceert verder: ‘Maar het mooiste van je verhaal is dat we de haven van Rotterdam aan een Chinees verpatsen, dat we de slimste Russen naar Eindhoven lokken en dat onze jonge ondernemers naar de VS willen. Precies op die constante uitwisseling van ideeën, mensen, producten en geld met de rest van de wereld, is onze welvaart gebouwd. Dát is de kracht van Nederland. Dat is onze kredietwaardigheid.’

Later liggen we samen in de kleine bedstee van de boerderij. Ik overdenk stil de woorden van de econoom. Hoe kon ik zo kortzichtig zijn? Ik stoot de premier aan.

‘Zeg, Mark. Die derde A krijg je terug. Maar op één voorwaarde.’

‘Welke voorwaarde, Moritz?’

‘Morgen koop je een nieuwe auto.’

2014 lijkt doodnormaal beursjaar te worden

Met de AEX op 424 punten (23-12, 10:15 uur), staat de index ruim 5% hoger dan de slotstand van vorig jaar.

We hebben nog een paar handelsdagen te gaan, maar als de jaarwinst onder 10% blijft (en boven de 0), schaart 2014 zich bij de doodnormale beursjaren. Een leuk winstje, maar niet meer dan dat.

Sinds de AEX in 1983 van start ging waren er nog zeven van dergelijke jaren. Zestien maal was de jaarwinst (exclusief dividend) hoger dan 10%. Acht maal eindigde de AEX op verlies.

Schermafbeelding 2014-12-23 om 10.24.49(klik op plaatje voor vergroting) 

EINDEJAARSFEUILLETON 2012: Eén minuut om de euro te redden

Dit jaar mag ik voor de vierde maal het Eindejaarsfeuilleton voor het Financieele Dagblad schrijven. Even helemaal los op het nieuws en de onzin van afgelopen jaar. Heerlijk om te doen, want hoe vaak krijg je de kans als journalist om volslagen fictie in de krant te krijgen? 

Voor wie het leuk vindt, zet ik de komende dagen mijn oude feuilletons om deze blog. Gisteren de eerste uit 2011. Vandaag het feuilleton van 2012, over dat cruciale moment in de eurocrisis dat jaar, toen de Bestuursraad van de ECB besloot in te stemmen met OMT.

We gaan naar 6 september 2012, Eurotower Frankfurt. De cruciale stemming over de toekomst van de euro is net begonnen…

Eén minuut om de euro te redden

Deel 1: De Spanjaard

Luis Mariá Linde zweet. Niet dat het zo warm is op de 36ste verdieping van de Eurotower in Frankfurt. Maar het hoge voorhoofd van de gouverneur van de Banco de España glimt en zijn bril beslaat. Hij doet hem af poetst de glazen met zijn zakdoek. Het pak van de gouverneur kriebelt en de boord van zijn strakke overhemd prikt in zijn nek.

Dit is pas de zesde vergadering van de Bestuursraad van de Europese Centrale Bank die Linde bijwoont. Begin juni volgde hij Miguel Angel Fernando Ordóñez op als hoogste man van de centrale bank van Spanje. Nu op 6 september, tijdens de belangrijkste ECB-vergadering in de geschiedenis van zijn land, is Linde de nieuwkomer in het gezelschap van de 23 mannen die de euro moeten redden. Vandaag is de dag waarop die redding moet slagen. Linde wrijft met zijn zakdoek in zijn ogen en zet zijn bril weer op, als hij voorzitter Mario Draghi hoort zeggen: “Ik stel voor dat we gaan stemmen”. De bril beslaat subiet weer.

“Stem voor, stem allemaal voor”, prevelt Linde binnensmonds. Het is een wens, maar ook een verwachting. Tijdens de bespreking van het voorstel van Mario waren er meer voorstanders dan tegenstanders. Het reddingsplan was tijdens de vergadering van begin augustus al even ter tafel gekomen, en ook toen viel het goed

Natuurlijk, de Duitsers is tegen, weet Linde. Die melkmuil van de Bundesbank begon voor de zoveelste keer met zijn hoogdravende en theoretische gezanik over onafhankelijkheid van de ECB en het verbod op monetaire financiering. Gelukkig snoerde Mario hem de mond voordat hij weer uit het EU-verdrag kon gaan citeren. ¡Qué estúpido!

Dan had die andere melkmuil, die uit Nederland, een meer verrassende bijdrage. Hij leek het zowaar oneens met zijn Duitse leeftijdsgenoot! Niet dat er aan zijn ingewikkelde betoog over ‘geloofwaardige controlemechanismen’ een touw viel vast te knopen. Maar misschien stemt hij voor Mario’s voorstel. Dan zou de Duitser alleen staan, en is er geen sprake van een pijnlijke tweedeling binnen de ECB, maar van een enkele dissident. Dat kan andere twijfelaars over de streep trekken.

Twijfelaars? Lafaards, is een betere term. Het is toch voor iedereen zonneklaar dat de monetaire unie op het punt staat uiteen te vallen. De financiële markten speculeren openlijk op een Spaanse exit euro. De rente die de Spaanse overheid moet betalen is tot ondraaglijke hoogte opgedreven. Spanje gaat kapot als de ECB met de armen over elkaar blijft zitten, en sleept de rest van de eurozone mee. De ECB moet aankondigen weer staatsschuld op te gaan kopen. Blaas de speculanten van de markt! We kunnen het, dus waarom doen we het niet?

O, wacht. De Duitser gaat stemmen. Tegen. Wat een domkop! ¡Cago en tu leche!

 

Eén minuut om de euro te redden

Deel 2: De Duitser

Nein, nein, nein! Ik doe het niet! Ik laat me niet dwingen door die stiekeme Italiaan met zijn eeuwige glimlach. De oude vos die in de jaren negentig als topambtenaar van Financiën met vage boekhoudkundige trucs eigenhandig Italië de euro in rommelde. Wil hij dat ik voor zijn voorstel stem om Spaanse obligaties op te kopen? Nein, nein, nein!

Het is een vernuftig voorstel, moet Jens Weidman, de jonge president van de Bundesbank, toegeven. De ECB belooft obligaties op te kopen, maar alleen als Spanje zich schikt naar de eisen van de Europese Commissie. Laat die zich maar zorgen maken over draaikonterij van de Spaanse politici, die de ene dag in Brussel harde hervormingen beloven, en de volgende dag aan de kiezers vertellen dat alles bij het oude blijft. Prima dat de ECB daar buiten blijft

Maar Weidmann kan niet voor Draghi’s opkoopprogramma stemmen. Hij zou geen leven meer hebben. De Duitse pers zou hem direct veroordelen als een nep-Duitser met zwakke knieën, die het land regelrecht de hel van de hyperinflatie in loodst. Daar zou hij op zich nog wel tegen kunnen. Hij is baas van de BuBa dankzij Angela Merkel. En wie Mutti aan zijn kant heeft is bijna onaantastbaar.

Bijna. Er is een groepje mannen dat zich van Merkel niets aantrekt: de oude garde van de Bundesbank. Enorme mannen in enorme pakken, al sinds de prehistorie in dienst van de centrale bank. Zij zijn de Bundesbank. Als je iets doet wat zij niet willen, gaan ze om je heen staan. Ze schreeuwen dat je het mis hebt. Dat de euro niet koste wat kost hoeft te worden gered. Dat Duitsland moet dreigen met uittreden uit de monetaire unie. Ze praten hard, met rode koppen. Ze staan zo dicht bij, dat je de haren in hun neus kunt zien trillen. ‘Geen inflatie!’, roepen ze. ‘Geen geldgroei’. Schuim staat op hun mond.

Weidmann rilt als hij terugdenkt aan die eerste dag op de Bundesbank. ’s Ochtends was hij nog een ambitieuze topambtenaar die de centrale bank het pragmatisme van de moderne tijd zou bijbrengen. ’s Avonds, na het indringende gesprek met de Buba-dino’s, ging hij naar huis als conservatieve ijzervreter. Sindsdien gaf hij op iedere suggestie om de euro te redden het voorgeschreven standaard antwoord: ‘Dat kan niet, want dan gaat de inflatie omhoog’.

Daarom kan hij niet voor Draghi’s voorstel stemmen. Hij kan het niet en hij durft het niet. Godzijdank stemt de meerderheid wel voor. Misschien zelfs ook de Nederlander. Hoe doet hij dat toch? Lopen er op De Nederlandsche Bank dan geen conservatieve inflatie-hooligans rond? Ah, kijk. Hij is net aan de beurt. “Voor”, zegt de Nederlander. Die durft

 

Eén minuut om de euro te redden

Deel 3: De Nederlander

Doe ik het? Ga ik echt voor een ongelimiteerd opkoopprogramma stemmen? Klaas Knot dubt tot het laatste moment. Een paar maanden geleden was hij nog tegen. Mordicus tegen. ‘Het opkoopprogramma is in diepe slaap: daar blijft het.’, had hij in een interview gezegd. Hij haalde er de wereldpers mee. ‘Als iemand Zuid-Europa moet helpen, dan andere overheden. Niet de ECB’, had hij er stoer aan toegevoegd

Die avond kreeg hij een telefoontje van Jens Weidman van de Bundesbank. ‘Gut gesprochen, Klaas!’ Ze hadden samen gelachen om de domme Spanjaarden die werkelijk dachten dat Noord-Europa de geldpers voor hen zou aanzwengelen. Het idee! ‘Dop je eigen boontjes maar, amigos!’, had Knot geroepen. Hij hoorde Jens aan de andere kant van de lijn hikken van het lachen. Twee dagen later werd er bij het Frederiksplein een doos vol Thüringse bloedworsten bezorgd, met een handgeschreven briefje van Jens: “Für mein Standhafter Freund”. Vrienden voor altijd.

Maar nu gaat hij breken met zijn Duitse strijdmakker. Hij loopt over naar team-Mario. Knot durft de Duitse bankpresident aan de andere kant van de enorme ronde vergadertafel niet aan te kijken. Wat zal de pers morgen over hem schrijven? Ze zullen me een draaikont noemen. Een flip-flopper.” denkt Knot. Zal ik toch maar tegen stemmen?

Nee, niet twijfelen. Ik ga de euro redden. Dit moet gebeuren. We moeten de markten leren dat de euro een blijvertje is. Ook in Spanje. Bovendien, denkt Knot, wie maakt me wat? Ik hoef binnen DNB geen tegenstand te vrezen. De meeste andere directieleden zitten er nog korter dan ik. En als iemand het met me oneens is roep ik gewoon ‘cultuurverandering!’ en degradeer hem tot bankbiljettenstrijker. Je bent verandermanager, of je bent het niet.

In Den Haag zullen ze ook niet moeilijk doen. Daar hebben ze wat anders aan hun hoofd. Rutte heeft zijn kabinet uit handen laten vallen. De amateur. En De Jager staat in de peiling op negen zetels verlies. ‘I am Dutch so I can be shunned”. Midden in de diepste crisis in vijftig jaar, zijn de holle vaten van Den Haag bezig met navelstaren. Dan moet ik het voortouw maar nemen.

Hij heeft zijn huid duur genoeg verkocht, overweegt Knot. Draghi heeft moeten beloven alleen obligaties op te kopen van landen die hulp aanvragen bij het Europese noodfonds. Na twee maanden stopt het opkoopprogramma automatisch. Dan gaat de trojka controleren of het land zich aan alle afspraken houdt. Pas na groen licht van de trojka wordt het opkopen herstart. Keiharde conditionaliteit. Een waterdicht systeem, denkt Knot niet zonder trots.

Hij gaat rechtop zitten, schraapt zijn keel en stemt voor. Vanuit zijn ooghoek ziet hij dat Draghi hem vaderlijk toeknikt. Met een klein lachje om zijn mond. Zo’n Goldman Sachs-lachje.

 

Eén minuut om de euro te redden

Deel 4: De Italiaan

Kijk ze zitten. De zwetende Spanjaard, de bange Duitser, de talmende Hollander en al die andere lokale bankpresidentjes. Mario Draghi laat zijn blik rond de vergadertafel gaan. Mijn pionnen, denkt hij met plezier. Op mijn schaakbord. Mijn geniale spel. Ik ben de grootmeester. Il Grande maestro internazionale.

Ze wilden stemmen over zijn nieuwe opkoopprogramma. En hij laat ze stemmen. Maar de uitkomst staat al vast. Het besluit over zijn omstreden programma wordt niet hier genomen. Dat gebeurde ruim twee maanden geleden, in Londen. Daar had hij het fait accompli gecreëerd. Onaangekondigd zei hij tegen een zaal met bankiers dat de ECB alles zou doen om de euro te redden. “En geloof me, het zal genoeg zijn!”, had hij er impulsief achteraan geroepen. Goed, dat laatste was misschien iets te dramatisch geweest. ‘Calma Mario, calma’, zou zijn Jezuïtische retoricaleraar hebben gezegd. Maar het had gewerkt. De volgende dag gingen de rentes van Spanje en Italië omlaag. Mijn woorden redden landen van de afgrond, had Draghi zich met een mengeling van genot en huiver gerealiseerd.

Draghi was koud terug uit Londen, toen Jens Weidmann belde. Wat hij aan het doen was. Of hij dacht dat de Bundesbank hiermee akkoord zou gaan. Dat het einde van de euro juist als een zwaard van Damocles boven Zuid-Europa moest blijven hangen, zodat ze daar eindelijk eens zouden bezuinigen. Draghi liet de Duitser uitrazen, hing op en belde meteen een ander nummer. Dat van het Bundeskanzleramt.

Merkel en hij waren er samen snel uit. De Kanzlerin snapte dat als Draghi de euro zou redden, zij dat niet hoefde te doen met Duits belastinggeld. Hij gaf haar de overwinning in de verkiezingen van 2013. Zij liet in ruil haar oude vriend Weidmann vallen. Er zou geen breuk komen binnen de ECB, maar een breuk binnen Duitsland, met aan de ene kant de Bundesbank en aan de andere kant de Duitse regering. Jörg Assmussen, het Duitse lid van Draghi’s ECB-directie zou het programma steunen, beloofde Merkel.

Toen hoefde hij alleen nog de Nederlandsche Bank naar zijn kamp te lokken. Goed dat daar tegenwoordig die nieuwe jongen zat, die kort geleden als ambtenaar op Financiën de eurocrisis had moeten managen. Zo iemand wist dat de politiek de euro nooit zou kunnen redden. Dat de ECB, het enige functionerende Europese instituut het moest doen. De belofte – hoe ongeloofwaardig ook – dat Draghi het opkopen zou staken als Spanje zich niet precies aan de afspraken hield, was voor Nederlander genoeg.

Kijk maar. De Nederlander stemt. Hij is voor. Iedereen is voor, behalve Weidmann. Maar die bangerik doet maar als of, weet Draghi. Die heeft de luxe van het overstemt worden. Wij redden vandaag de euro, en hij kan blijven spelen dat hij het zo niet wilde. Commediante! Tragediante!

journalist en econoom