Ranglijsten: Nederland zit Zwitserland op de hielen in de strijd om de titel van ‘beste land ter wereld’

Een waarschuwing vooraf: als u vindt dat het helemaal misgaat in Nederland, dat onze economie steeds verder kopje-onder gaat en dat de innovatiekracht, het ondernemerschap, en het welzijn van onze burgers er alleen maar op achteruitgaan, stop dan nu met lezen. Want dit wordt een positief artikel. Het is op feiten gestoeld en door onafhankelijke, buitenlandse waarnemers bepaald, maar voor sommigen wellicht toch onverdraaglijk positief.

Voor eigen risico dus, de uitslag van de Ranglijst der Ranglijsten voor 2018: Nederland staat wederom op plaats twee, achter Zwitserland, en we zijn weer een stuk richting de eerste plaats opgeschoven. Dat laatste komt doordat Nederland dit jaar een plaats is gestegen op de ranglijst voor meeste concurrerende landen, terwijl Zwitserland op die lijst juist daalde. Ook gingen we een plek omhoog op de ranglijst voor meest innovatieve economieën. De achterstand op Zwitserland is daardoor – net als vorig jaar – geslonken. Als het zo doorgaat zal Nederland de Zwitsers in de komende jaren serieus kunnen bedreigen, en mogelijk de toppositie overnemen.

Het is de derde keer dat ik deze ranglijst presenteer. In 2016 telde ik voor het eerst vijf belangrijke, mondiale ranglijsten op. Twee daarvan meten de concurrentiekracht. De World Competiveness Scoreboard van het Zwitserse onderzoekbureau IMD doet dat aan de hand van honderden variabelen die iets zeggen over onder meer scholing, patenten, ICT-uitgaven, onderzoek en ontwikkeling, het gebruik van big data en kennisoverdracht. Samen geven deze indicatoren een beeld van de concurrentiekracht, meent IMD. In 2016 stond Nederland op de achtste plaats op deze ranglijst. In 2018 staan we op nummer vier. We hebben de voormalige nummer één Zwitserland (nu op vijf), volgens IMD zelfs al ingehaald.

‘Het verschil loopt al twee jaar op rij terug, en met dit tempo lopen we ze binnen enkele jaren in’

De onderzoekers van het World Economic Forum (WEF) berekenen ook elk jaar een indicator voor de concurrentiekracht van landen, maar gebruiken andere gegevens en een andere methode. Nederland stond in 2016 op de vijfde plaats, en is inmiddels naar plaats vier gestegen, nog wel achter lijstaanvoerder Zwitserland.

De derde ranglijst kijkt naar de innovatiekracht van landen. De Global Innovation Index (GII) van het Franse Insead veegt een grote hoeveelheid aan innovatie gerelateerde gegevens in een enkel cijfer. Nederland stond in 2016 nog op plaats acht van deze ranglijst en steeg in 2017 naar plaats drie. Deze week werd de GII voor 2018 gepubliceerd, en bleek Nederland wederom te zijn gestegen. We zijn nu na Zwitserland, de meest innovatieve economie ter wereld. Vooral als het gaat om de efficiënte manier waarop wij kennis gebruiken, onze vooruitstrevende bedrijven en onze creativiteit, scoort Nederland uitmuntend.

Omdat er in het leven meer is dan concurreren en innoveren voeg ik ook de Human Development Index van de Wereldbank toe. Dat is een brede indicator voor het welzijn in een land. Het laatste rapport dateert uit 2016, en Nederland staat op de zevende plaats. Omdat we het uiteindelijk allemaal doen voor een gelukkige bevolking is er de vijfde ranglijst, de Happiness Index van de economen Richard Layard en Jeffrey Sachs. Editie 2018 zet Nederland op de zesde plaats van gelukkigste landen (een plaats hoger dan in 2016), net achter Zwitserland en ruim achter de Scandinavische landen.

Deze vijf ranglijsten bij elkaar opgeteld levert de Ranglijst der Ranglijsten op. Nederland komt met een vierde, vierde, tweede, zevende en zesde plaats op een totaal van 23. Dat is minder dan de vijftien van Zwitserland. Maar het verschil met de Zwitsers loopt nu al twee jaar op rij terug. Met dit tempo halen we ze binnen een paar jaar in.

Onze achtervolgers, Denemarken en de Verenigde Staten laten juist een gaatje vallen. Hun totaalscore liep dit jaar op. In de top vier is Nederland het enige land dat zich sinds 2016 telkens heeft verbeterd.

Nederland is het op een na beste land ter wereld, en hard op weg om de nummer een van de troon te stoten. Knappe pessimist die daar nog een negatieve draai aan weet te geven.

(FD)

NB: “Waar staat België dan?” vroegen een aantal zuiderlingen. Op nr 20.

Lessen voor nexiteers

Links moet feest vieren

Je strijdt al jaren voor een bepaald maatschappelijk doel in Nederland. Je bent zo gepassioneerd dat je er zelfs je beroep van hebt gemaakt. Daarom heb je je aangesloten bij een beweging die zich al decennia – ja, misschien zelfs al meer dan een eeuw – inzet voor dit maatschappelijke doel. Samen met de medestanders in deze beweging zet je je dag in dag uit met alle energie in om het doel te bereiken. Of op z’n minst dichterbij te brengen.

En dan, na jaren van strijd, komt de dag dat een onafhankelijke, buitenlandse, wetenschappelijke instelling een grootschalig onderzoek presenteert over precies jouw maatschappelijke doel. De conclusie: van alle landen die werden onderzocht, scoort Nederland het allerbeste. Nergens wordt het maatschappelijk doel dat jij en jouw beweging nastreven zo dicht benadert als hier!

Wat doe je dan? Je organiseert een feest om dit enorme succes te vieren. Je schrijft vriend en vijand aan om ze te wijzen op deze mijlpaal. Je stuurt persberichten rond vol zelffelicitaties en probeert in iedere krant een ingezonden stuk te krijgen waarin je de overwinning claimt.

Dat zou ik denken. Maar ik zit er faliekant naast. Wie zijn ultieme maatschappelijke doel in Nederland verwezenlijkt ziet, die houdt daar juist angstvallig zijn mond over. Geen festiviteiten, persberichten of nieuwsartikelen, maar juist volledige radiostilte.

Het gerenommeerde IFO-instituut uit Duitsland deed vernieuwend onderzoek naar de inkomens- en kansenongelijkheid in 31 Europese landen. Men keek naar de kans dat mensen in armoede belanden en naar de mate waarin inwoners gelijke kansen hebben om zich economisch te verbeteren. Het onderzoek werd uitgevoerd door drie economen, waaronder Ravi Kanbur, een in India geboren Brit, hoogleraar in de Verenigde Staten, die decennialang als directeur bij de Wereldbank het invloedrijke World Development Report opstelde.

Volgens Kanbur en zijn onderzoekers is er één land in Europa waar de inkomens- en kansengelijkheid het grootst is. Dat land is Nederland. Wij doen het zelfs beter dan de Scandinavische landen, die we op dit soort lijstjes vaak voor moeten laten gaan.

Nederland is de gelijkheidskampioen. Dat is geweldig nieuws. Zeker voor de linkse politieke partijen en de vakbonden, die hier al vele jaren voor vechten. Hun inspanningen hebben effect gehad. Ze kunnen zichzelf uitgebreid feliciteren.

Maar op de website van de vakbond lees ik alleen maar berichten als ‘Werken in de hitte, waar moet je op letten?’ De SP maakt zich weer een boos over de dividendbelasting. Terwijl de PvdA onder het kopje ‘Liefde = liefde’ mensen oproept zich te melden voor het ‘Roze Zomer-promotieteam’.

Kom op links Nederland, vier de overwinning! De strijd is gestreden en jullie hebben gewonnen. Nergens is de ongelijkheid zo gering als bij ons. Wat wil je nog meer?

Lastendruk onder Rutte hoger dan onder Den Uyl? Niet alles wat Baudet beweert blijkt altijd helemaal 100% correct

Er staat sinds vorige maand een nieuwe Nederlandse vlag in het gebouw van de Tweede Kamer. Een dubbel genaaide vlag op een voet van perenhout. Zo’n mooie vlag mag wat kosten natuurlijk. €12.000 om precies te zijn.

De nieuwe vlag achter de stoel van de Kamervoorzitter

Nee, ik zeg niet dat het weggegooid geld is. Symbolen zijn belangrijk. Maar voor dat bedrag had men bijvoorbeeld ook een 85 inch Utra-HD LCD-scherm kunnen aanschaffen. Hang zo’n enorme monitor (beelddiagonaal: twee meter) achter het spreekgestoelte, en het politieke debat zal veel feitelijker worden. Kamerleden kunnen hun beweringen dan staven met harde cijfers en grafieken. Interrupties hoeven niet meer te bestaan uit stamelende citaten uit rapporten, want met een swipe op de smartphone projecteert het Kamerlid direct de betreffende passage op de muur.

Forum voor Democratie (FvD) zal vast voorstander zijn van zo’n grote monitor. Afgelopen week stond fractievoorzitter Thierry Baudet opzichtig te klungelen met uitgeprinte A4-tjes met grafieken over de stand van de economie. De plaatjes waren zo klein dat – hoe hoog Baudet ze ook in de lucht hield – niemand van de Kamerleden kon lezen wat er op stond. Later zou de partij een filmpje publiceren waarin de grafieken handig beeldvullend waren gemonteerd. Maar Baudet liet de grafieken natuurlijk niet alleen liet zien voor de mensen thuis, maar vooral ook voor de 149 collega’s in de Kamer. Tenminste, daar ga ik van uit.

Drie keer hield de FvD-voormaneen A4-tje met een grafiek omhoog. Die moesten zijn bewering ondersteunen dat Nederland door de beleidsfouten van de kabinetten Rutte veel slechter presteert dan andere westerse landen. De eerste ging over de collectieve lastendruksinds 2010 (gestegen), de derde over het besteedbaar inkomen van Nederlanders vergeleken met een aantal andere landen (blijft achter). En daartussen zat een grafiek over de ‘Rutte-ratio’.

Wat is de Rutte-ratio? Volgens Baudets grafiek is dat ‘het aandeel overheid in nationaal inkomen’. Als andere Kamerleden dat hadden kunnen lezen, dan hadden zij ongetwijfeld om een toelichting gevraagd. Gaat het om de overheidsuitgaven, of de inkomsten? Wordt de hele collectieve sector bedoeld, dus inclusief sociale verzekeringen? En bedoelt FvD met nationaal inkomen eigenlijk het bruto binnenlands product? Want dat is standaard de noemer in dit soort verhoudingsgetallen.

Ook had men kunnen vragen naar de verticale as van de grafiek. Die loopt van 20% tot 30%, terwijl de Rutte-ratio volgens dezelfde grafiek nu 39% bedraagt. Daar lijkt een foutje in te zijn geslopen, die andere Kamerleden hadden kunnen corrigeren als de grafiek voor hen zichtbaar was geweest.

Schermafbeelding 2018-07-12 om 10.27.09

Belangrijker is wat Baudet met de grafiek wilde aantonen. De Rutte-ratio staat sinds 2010 op de hoogste stand ooit, stelde hij. ‘Wat het kabinet Den Uyl met z’n “leuke dingen voor linkse mensen” in de jaren zeventig niet voor elkaar kreeg lukt Joop Rutte wel: 39% van het nationaal inkomen belandt bij de overheid.”

Hier was het handig geweest als andere politici snel een andere grafiek naar het grote scherm hadden kunnen swipen. Bijvoorbeeld de grafiek hieronder, met de collectieve lastendruk (belastingen en premies) als percentage van het bbp, gemiddeld per decennium. In de jaren zeventig lag dat gemiddeld op 38,5%, in de jaren tachtig op 41,3% en in de jaren negentig op 39,3%. Tussen 2010 en 2018 was dat een paar procentpunt minder: 37,5%. Allerminst de hoogste stand ooit.

 

Een nog actiever Kamerlid had misschien cijfers over de collectieve uitgaven sinds 1950 van het Centraal Planbureau op het scherm getoverd. In procenten bbp lagen die in jaren zeventig en tachtig ruim boven de 50% en nu rond de 45%. Of het grote scherm had gegevens getoond over de belastingdruk van de overheid (dus zonder premies): al decennia verrassend stabiel rond de 23%; tijdens de crisis wat toegenomen, maar inmiddels weer aan het dalen.

Zulke harde feiten hadden de politieke discussie goed gedaan. Want aan onzingrafieken vol onzinfeiten heeft niemand iets.Zo’n groot scherm is z’n geld dubbel en dwars waard.

FD

(NB: Uiteraard heb ik FvD gevraagd om de cijfers en bron van hun grafiek. Tot op heden heeft men nog geen inhoudelijke reactie gegeven)

 

 

Niks geleerd van de crisis

Waar een klein land groot in kan zijn. Onze eigen Wopke Hoekstra gaat voorop in de strijd tegen de Fransen en Duitsers die van Europa een transferunie willen maken. De Nederlandse minister van Financiën is het duidelijkst van alle eurolanden in zijn afwijzing van het plannetje van Macron en Merkel om de eurozone een eigen budget te geven. Zo’n budget lost geen enkel probleem op, vindt Hoekstra.

Daarmee geeft de CDA-er keurig invulling aan het regeerakkoord. Want daarin staat: ‘Het kabinet is geen voorstander van een stabilisatiemechanisme (fiscal capacity) op EMU-niveau om de gevolgen van economische schokken op te vangen.’ Niet alleen de regeringspartijen, ook zo’n beetje de hele oppositie is tegen een begroting voor de eurozone. Wat Nederland betreft verdwijnt het plan weer zo snel mogelijk in een diepe la. Nooit meer over praten. Het onderwerp is taboe.

Ik vind dat nogal bizar. Niet omdat ik zo’n begroting bij voorbaat een goed idee vind, maar omdat Nederland niets van de eurocrisis heeft geleerd. In de crisis bleek dat de monetaire unie tijdens recessies gevaarlijk instabiel kan worden. Vooral als de recessie in het ene land harder toeslaat dan in het andere land. Met de invoering van de euro verdween de wisselkoers als belangrijk stabilisatiemechanisme. Bovendien werd het monetair beleid voortaan centraal bepaald, en kon dat dus ook niet meer worden gebruikt om conjuncturele verschillen tussen landen glad te strijken. Bleef alleen het begrotingsbeleid nog over als manier om de conjunctuur te stabiliseren. Maar de begrotingsregels van het Stabiliteitspact beperkten de reikwijdte daarvan.

Economen zagen dit probleem al ruim voor de invoering van de euro en hebben er ook voor gewaarschuwd. Een monetaire unie zonder centrale begroting waarmee conjuncturele verschillen tussen landen kunnen worden uitgevlakt, is intrinsiek instabiel. En een kwart eeuw geleden zag de Nederlandse regering dat ook zo. Daarom probeerde toenmalig premier Ruud Lubbers in 1991 naast de monetaire unie tegelijk een politieke unie op te richten. Dat mislukte jammerlijk, omdat de andere Europese landen het niet zagen zitten. Maar het principe dat bij een monetaire unie ook een stabiliserende begroting hoort, staat nog steeds overeind.

Het kabinet denkt dat het met het streng toepassen van de huidige begrotingsregels ook wel kan. Als iedereen zich netjes aan de afspraken houdt, is er niets aan de hand. Dat is naïef, want Spanje en Ierland hielden zich netje aan de begrotingsregels, maar belandden toch in een diepe recessie. De crisis heeft geleerd: begrotingsregels zijn niet genoeg, er is behoefte aan een ander instrument om de conjuncturele verschillen op te vangen. Of dat per se een eurobudget moet zijn, weet ik niet. Maar we moeten er in elk geval wel over willen praten.

(FD)

We draaien de gaskraan dicht en dat doet pijn. Maar deze pijn is heilzaam

Nederland moet van het gas af. Vanwege de aardbevingen in Groningen, vanwege het opwarmende klimaat en natuurlijk ook omdat de Nederlandse gasvoorraad toch al aan het opraken was. Maar afkicken van je gasverslaving is niet makkelijk. De chemische industrie is ingesteld op aardgas als grondstof en huishoudens zijn ervan afhankelijk voor warme voeten, warme douche en de warme prak. Nederland zonder gas wordt voor iedereen flink wennen.

Of beter: voor bijna iedereen. Want de minister van Financiën is er al lang aan gewend. Het definitief dichtdraaien van de gaskraan zal de overheidsbegroting verder weinig pijn doen. ‘De economische gevolgen van verminderde gaswinning zijn beperkt’, schrijft De Nederlandsche Bank deze week in de halfjaarlijkse economische prognose. Het kost de economie slechts 0,1%-punt groei. Het effect op de begroting noemt DNB ‘beperkt’, want er is nu al niet zoveel meer over van de gasbaten, die ooit allesbepalend waren voor het humeur van een kabinet.

 

Al in 2016 kwam het aandeel van de gasbaten in de totale overheidsinkomsten voor het eerst in ruim een halve eeuw onder de 1% uit. Vorig jaar daalde dat verder naar 0,8%. Minister Wopke Hoekstra zal er niet warm of koud van worden als dat percentage de komende jaren naar nul daalt. De grootste begrotingspijn is al door zijn voorganger genomen.

Want toen Jeroen Dijsselbloem het ministerie nog runde, was de Nederlandse overheid voor meer dan 5% afhankelijk van gasinkomsten. In de crisisjaren waren de gasbaten een van de weinig inkomstenbronnen die de begroting nog wat wind in de rug gaven. Dat kwam door een wat hogere gasprijs, maar ook omdat de gaskraan tussen 2009 en 2014 wat extra werd opengedraaid. Juist toen het begrotingstekort door de dubbele recessie opliep, namen de inkomsten uit gas toe.

Dat is niet voor het eerst. Wanneer we terugkijken naar bijna zestig jaar gasinkomsten, valt op dat een hogere gasopbrengst vaak samenvalt met een groter begrotingstekort. Gedurende de jaren zeventig en tachtig nam het belang van gasbaten in de overheidsbegroting snel toe. In 1969 ging het nog om minder dan 1 procent, vijftien jaar later was dat al 10%. Dat kwam door een stijgende prijs (twee oliecrises zorgen voor dure olie, en de gasprijs was daar toen nog aan gekoppeld), maar ook door meer productie. De gasproductie verdrievoudigde in die periode. Maar die extra inkomsten leidden niet tot een gezondere begroting. Integendeel: het begrotingstekort steeg juist enorm, van pakweg 1% van het bbp in 1969 naar bijna 6% begin jaren tachtig.

In de jaren negentig gebeurde het omgekeerde: de gasbaten namen flink af, vooral door de lage olieprijs, terwijl het tekort omsloeg in een overschot. En begin deze eeuw ging het weer andersom: hogere gasbaten gingen samen met een stijgend tekort op de begroting.

Je kunt deze opvallende correlatie op twee manieren verklaren. Je kunt erin lezen dat de gasbaten een rol als stabilisator van de begroting speelden. Telkens als het slecht ging met de economie, en de begrotingstegenvallers zich opstapelden, leverde het gas net op tijd wat extra inkomsten op. De gasbel van Slochteren was zo het nationale appeltje voor de dorst.

Maar er is ook een ander verhaal mogelijk: telkens als de gasinkomsten stegen, verdween de begrotingsdiscipline bij de overheid als sneeuw voor de zon, en werden extra ballen in de kerstboom van de verzorgingsstaat gehangen. Daardoor schoot de begroting bij de minste economische tegenwind meteen in het rood. Juist door de luxe van de gasbaten, liep het begrotingstekort uit de hand.

Of misschien zijn beide verklaringen wel tegelijkertijd geldig: de gasbel als begrotingsstabilisator ondermijnde de begrotingsdiscipline. Het appeltje voor de dorst voorkwam dat de overheid zuinig met de watervoorraad moest doen. Als dat het geval is, dan is dat – naast aardbevingen, klimaat en de oprakende voorraden – nog een extra reden om zo snel mogelijk ‘van het gas af’ te gaan.

(FD)

Amerikaanse grens

Aan de zuidgrens van de Verenigde Staten worden kinderen door de overheid gescheiden van hun ouders. Wanneer gezinnen illegaal de grens oversteken worden de ouders tot crimineel verklaard en de kinderen afgepakt en afgevoerd. Dit leidt tot veel kritiek op president Donald Trump en zijn minister.

Maar als macro-econoom en beursvolger vraag ik graag ook aandacht voor een andere enorme misstand aan de grens: de importtarieven die Trump momenteel invoert. Daardoor kan de economische groei wereldwijd mogelijk net wat lager uitvallen. En op de beurs moeten beleggers daardoor iets van hun enorme winsten inleveren.

Deze misstand dreigt te worden overstemd door de duizenden noodkreten van soms zeer jonge kinderen die met een leugen (‘de kinderen moeten even meekomen om zich te wassen’) uit de armen van hun vader of moeder worden weggelokt. Als de ouders na een uur verontrust vragen wanneer hun kind weer terugkomt van het wassen, krijgen zei te horen: ‘U zult uw kind niet terug zien’.

Erg uiteraard. Maar een importtarief op aluminium of staal is ook geen pretje. Dat metaal kan Trump overigens prima gebruiken om hekken van te maken. De zogenaamd illegale kinderen worden afgevoerd naar tijdelijke ‘processing centers’ elders in de VS. Bijvoorbeeld in het plaatsje McAllan in Texas, waar een leegstaand magazijn van Walmart met stalen hekwerken is omgebouwd tot een opslagplaats voor kleine kinderen. Ze liggen daar achter gaas, op matjes op de grond, met niets dan een stuk aluminium nooddeken (10% importheffing!) om onder weg te kruipen.

Het zijn tieners, maar ook jongere kinderen – kleuters en peuters zelfs – die het zo opeens zonder ouders moeten zien te rooien in een onbekende en angstaanjagende omgeving. Wie zelf kinderen heeft begrijpt de verlammende angst die hun ouders nu voelen. En wie zelf een niet al te dapper kind is geweest – ikzelf vond uit logeren gaan lange tijd best spannend – kan zich iets voorstellen bij het trauma dat de opgesloten kinderen nu oplopen. Hoe kan het land van Thomas Jefferson en Martin Luther King zo met ouders en kinderen omgaan?

Geen juridische fijnslijperij (‘Wie illegaal het land binnenkomt is crimineel en kinderen mogen niet bij criminelen wonen’) of drogredenering (‘Als je niet wil dat je kinderen worden afgepakt moet je gewoon de grens niet oversteken’), kan deze evidente schending van de mensenrechten goedpraten. De bijna tweeduizend kinderen die de afgelopen maanden opzettelijk van hun ouders zijn gescheiden, dienen als pion in het politieke schaakspel van Trump en zijn regering. Dit is kindermisbruik in z’n meest sinistere vorm, waar de Europese Unie en de Nederlandse regering fel tegen zouden moeten protesteren.

Maar ik zou het over de importtarieven hebben. Ja, die zijn ook best erg.

(FD)

Puber Europa

Europese leiders staan voor een belangrijk besluit: doen ze het alleen, of toch met elkaar. Het is een moeilijke keus die we tot voor enkele dagen altijd handig wisten te omzeilen. Tot afgelopen weekend hoefden we niet te kiezen tussen ‘samen’ of ‘alleen’. Want er was altijd nog een derde optie: ‘We doen het een beetje samen en een beetje alleen, zodat we een krachteloze unie van verdeeldheid en eigenbelang vormen, maar dat geeft niet, want uiteindelijk zorgen de Amerikanen wel voor een wereldorde die stabiliteit en welvaart voor ons garandeert’.

De Amerikanen organiseerden een wereld met multilaterale handelsovereenkomsten, waar onze bedrijven vol van konden profiteren. Hun militaire macht en atoomparaplu zorgden voor een (min of meer) gewapende vrede. En de Amerikaanse steun aan allerhande internationale organisaties en overleggen (IMF, VN, WTO, G7, et cetera) bracht de wereld als geheel een heel klein beetje dichter bij elkaar.

Natuurlijk, dit is een rooskleurig beeld van de internationale politiek van voor Donald Trump. Maar in elk geval gaf de hegemonie van de VS, Europese politici altijd het geruststellende gevoel dat het niet zoveel uitmaakte dat ze politieke prutsers waren die het EU-project keer op keer in het rulle zand lieten vastlopen. In een wereld waarin de dominante Amerikanen onze vrienden waren, konden Europeanen hun tijd verdoen met onderling ruzie maken over landbouwsubsidies, begrotingsregels en immigratie.

Ze konden ongestraft de oplossing van ieder urgent probleem tot in de oneindigheid uitstellen en over iedere onbeduidende hervorming tot in lengte van jaren strijd voeren. Dankzij vadertje VS hing Europa decennia lang de verveelde puber uit, die van iedere discussie een diep-principiële strijd maakt, maar ondertussen nooit een keer uit z’n bed komt en gewoon even z’n kamer opruimt.

Tot deze week. Trump luidde in Canada en Singapore onze ‘wake-up call’. Nu weet Europa dat vader VS het gezin verlaten heeft, en met z’n nieuwe Koreaanse vriendin ineen caravan is vertrokken naar een onbekend trailerpark. De Europese kinderen blijven in verwarring achter.

In het Amerika van Trump zijn oude bondgenoten vijanden geworden, die met hun superieure exportproducten de Amerikaanse economie proberen te vernietigen. Met zulke landen wil Donald Trump echt geen G7 succesvol afsluiten. Dat soort landen verdienen een handelsoorlog. Zijn nieuwe maatje is Kim Jong-un, de dictator die tegenstanders laat kapotschieten met luchtdoelraketten en zijn burgers martelt en uithongert. ‘Hij heeft een geweldige persoonlijkheid’, zegt Trump. ‘Het is een grappige vent. Hij houdt van zijn bevolking.’

Driekwart eeuw na de Tweede Wereldoorlog moet Europa eindelijk weer op zichzelf vertrouwen. Want zoals politieke analisten eerder al concludeerden: Trump is geen oorzaak, maar een gevolg van de veranderde rol van de VS. Europa moet nu kiezen: alleen, of met elkaar?

Nederland bleef zwelgen in de crisis, en vergat zo te werken aan het echte probleem

Mooi was die tijd toen ondernemers nog gewoon de bank de schuld konden geven. Liep het slecht met de omzet? Schoot de cashflow tekort? Of had men geen geld om te investeren? Allemaal de schuld van de bankiers, de beroepsgroep die de paraplu afpakt zodra het gaat regenen, en de mkb-ondernemer alleen ziet staan in goede tijden. Want toen het na het uitbreken van de kredietcrisis minder ging, viel er opeens geen zaken meer te doen.

Ondernemen was moeilijk in de crisis, maar klagen was nog nooit zo makkelijk. Als het niet de bank was waarop de schuld kon worden afgeschoven, dan was er altijd nog de klant. Afnemers waren collectief in kopersstaking, dus belemmerde een gebrek aan afzetmogelijkheden ondernemers om te groeien. Daar kon je als mkb’er zelf weinig aan doen.

Those were the days. Inmiddels zitten we weer in een hoogconjunctuur. Ondernemers die nu niet kunnen groeien hebben dat in de eerste plaats aan zichzelf te wijten. En dan vooral aan hun personeelsbeleid.

Want het moeilijk vinden van bekwaam personeel is momenteel de grootste belemmering voor groei. Dat blijkt uit de enquête die de Europese Centrale Bank (ECB) twee keer per jaar onder Europese ondernemers uitvoert. Van de Nederlandse mkb’ers in dit onderzoek noemt nu 36% het vinden van vakmensen als grootste probleem. Vijf jaar geleden was dat minder dan 10%. Toen maakten Nederlandse ondernemers zich veel meer zorgen over de kredietverlening door banken en het gebrek aan klandizie.

Inmiddels is het percentage ondernemers dat kredietverlening als grootste probleem noemt, gedaald naar 8%. Vinden van klanten noemt 19% als grootste obstakel voor groei. Deze cijfers laten fraai zien dat Nederland zich momenteel echt in een situatie van hoogconjunctuur bevindt: de krapte zit niet meer bij de vraag (klanten), maar bij het aanbod (personeel). En omdat de ECB nog altijd zeer ruim monetair beleid voert, wordt het feestje nog niet verpest door verslechterende financieringsmogelijkheden. We zitten op het fijnste plekje van de conjunctuur.

Maar het gebrek aan personeel dreigt wel roet in het eten te gooien. Vergeleken met andere eurolanden is de situatie bij ons het meest nijpend. Zelfs in Duitsland, waar de werkloosheid lager is en de hoogconjunctuur al eerder begon, noemen minder ondernemers het vinden van vakbekwaam personeel als grootste probleem. In bijvoorbeeld België en Frankrijk is dat percentage nog een stuk lager.

Ik kan niet met zekerheid zeggen hoe dat komt. Maar ik heb wel een theorietje: we zijn in Nederland veel te lang blijven zwelgen in de crisis. We hebben daardoor veel te laat ingezien dat de economie weer op volle snelheid begon te draaien en dat arbeidsmarktkrapte, net als voor de crisis, de grootste belemmering voor de groei was.

Ook toen de economie alweer aardig groeide en de werkloosheid verrassend snel daalde, bleven politici roepen dat ‘werkloosheid hun grootste zorg was’. De zogenaamd hardnekkige werkloosheid was zelfs een belangrijk thema tijdens de laatste verkiezingen, terwijl men het toen had moeten hebben over beleid om de krapte te bestrijden.

Ook economen dragen schuld. In 2015 beweerde De Nederlandsche Bank nog dat ‘de werkloosheid minder snel daalt dan gebruikelijk’. Men voorspelde met droge ogen dat het werkloosheidspercentage nauwelijks zou dalen, van 6,9% in 2015 naar 6,7% in 2017. In werkelijkheid zou het cijfer dat jaar uitkomen op 4,9% en vervolgens verder dalen tot de huidige 3,9%. De werkloosheid daalde niet langzamer, maar juist veel sneller dan gebruikelijk. Het overschot sloeg razendsnel om in een tekort.

“Stop met zoeken naar de geschikte kandidaat. Neem juist een ongeschikte kandidaat aan en zet vervolgens alles in het werk om haar of hem geschikt te maken.”

Ondernemers hebben zich te lang een crisisgevoel laten aanpraten, en zich daarom onvoldoende voorbereid op de structurele schaarste. Het is tijd voor een inhaalslag. Bedrijven die willen groeien moeten alles zetten op het vinden en binden van personeel. Dus een stevig loon bieden, fantastische arbeidsomstandigheden en geweldige opleidingsmogelijkheden. En vooral: stop met zoeken naar de geschikte kandidaat, want die is toch niet meer te vinden. Neem juist een ongeschikte kandidaat aan en zet vervolgens alles in het werk om haar of hem geschikt te maken. Dat mag wat kosten, want zonder mensen geen groei.

Schermafbeelding 2018-06-17 om 21.53.20

Gevaarlijk staal uit Nederland

Er moet een moment zijn waarop het gebeurt. Is het al vroeg in het proces, als de ijzererts tot meer dan 2300 graden wordt verhit? Of later, als het gesmolten ruwijzer witheet uit de oven stroomt? Misschien gebeurt het pas tijdens het walsen. Of nog later, als het staal klaar wordt gemaakt voor transport.

Zelf denk ik dat de metamorfose pas ergens op zee plaatsvindt, als het schip vol met speciaal staal voor Caterpillar, Duracell en een flink deel voor de Amerikaanse frisdrankindustrie al een eind de Atlantische Oceaan op is. Mogelijk vindt de wonderbaarlijke transformatie pas plaats bij het binnenvaren van de continentale wateren van de Verenigde Staten.

Hoe het ook zij, ergens in het proces van ijzererts in IJmuiden tot bruikbaar staal in de VS verandert het product op dramatische wijze van samenstelling. Ergens in dat proces wordt het als bij toverslag een enorme bedreiging voor de Amerikaanse veiligheid.

‘Ergens in het proces van ijzererts in IJmuiden tot bruikbaar staal in de VS verandert het product op dramatische wijze van samenstelling’

Countering trade practices that undermine national security‘ is de reden die het Witte Huis in de officiële verklaringen geeft voor de nieuwe importtarieven voor staal (25%) en aluminium (10%) uit onder meer de Europese Unie. Daarmee wordt verwezen naar Amerikaanse wetgeving uit 1962, die de Amerikaanse president de macht geeft in te grijpen als een bepaalde importstroom de nationale veiligheid bedreigt. Dat is het geval met staal en aluminium, stelde het Amerikaanse ministerie van handel onlangs vast, want ‘de VS importeert vier keer meer staal dan het exporteert’.

Waarom dat een bedreiging voor de nationale veiligheid vormt, is niet duidelijk. Zeker niet als het gaat om import uit een bevriend land als Nederland, waarmee de VS in een militaire verdragsorganisatie zit en waarmee ‘onze’ geheime dienst informatie uitwisselt. Een land bovendien waarmee de VS samenwerkt tijdens internationale vredesoperaties en onlangs besloot een flink deel van het defensiebudget aan Amerikaanse straaljagers uit te geven.

Een beetje staal importeren voor batterijen, bulldozers en blikjes uit zo’n land kan natuurlijk nog niet het kleinste krasje maken op de nationale veiligheid van de best bewapende natie ter wereld. Dus er moet iets anders aan de hand zijn. Er moet iets mis zijn met het staal zelf.

Zitten er misschien geheime stoffen in het staal uit IJmuiden, die later via frisdrankblikjes vrijkomen en dappere GI-Joes veranderen in laffe soldaatjes die wegrennen bij het eerste teken van gevaar? Nemen de Caterpillar-bulldozers op onverwachte momenten het stuur over, waarna ze collectief de dichtstbijzijnde militaire basis platwalsen? Vallen alle Duracell-batterijen op een vooraf bepaald moment uit, zodat alle rookmelders in Amerikaanse kerncentrales onklaar worden?

Ja, dat lijkt mij ook onwaarschijnlijk. Maar zoiets moet het toch zijn. Anders zou de handelsmaatregel van Trump totaal irrationeel zijn.

(FD)