Ja, banken moeten nieuw kapitaal ophalen

In het FD van vandaag nam oud-minister Bert de Vries   de moeite om te reageren op een column van mij. Hij is het niet met mij eens. Maar ik ben het wel met hem eens! Hoe dat kan?

Ongetwijfeld door slordig formuleren. Door mij.

In mijn column had ik opgeschreven dat “Als banken meer kapitaal moeten aanhouden, ze minder kunnen uitlenen”. De Vries stelt terecht dat die bewering op zich niet klopt. Banken kunnen immers nieuw kapitaal ophalen, bijvoorbeeld door nieuwe aandelen uit te geven.

Daar ben ik het dusdanig mee eens, dat ik op 28 augustus 2013 een column schreef in het FD met de titel: “Alle banken naar de beurs”. Ik schrijf:

“Geef direct nieuwe aandelen uit! Desnoods tegen afbraakprijzen! Banken moeten hun buffers versterken, liefst met risicodragend eigen vermogen. Aandelen dus. Alleen dan wordt de schuldenhefboom van de bank korter. En alleen dan kan het pijnlijke proces van afboeken van slechte leningen beginnen. Het gezond maken van de Europese (en dus ook Nederlandse) banken begint met het uitgeven van nieuwe aandelen.”

Versterken van de kapitaalpositie door balansverlenging, dus. Maar de banken weigeren dat.  Ze doen het liever via balansverkorting. Ze willen de zittende aandeelhouders beschermen tegen verwatering en winsten blijven uitkeren. (Zie bv. de antwoorden van ING-er Nagel hier).

Uitgaande van die halsstarrige weigering schreef ik in de column waar De Vries op reageert:

“Nederlandse banken maak je sterker door ze te dwingen meer kapitaal aan te houden voor iedere euro aan hypotheeklening op de balans. (…) Maar als banken meer kapitaal moeten aanhouden, kunnen ze minder uitlenen en dat kost groei.” 

Daar had dus het zinnentje bij gemoeten: “Tenzij ze nieuw kapitaal ophalen, maar daar hebben de banken geen zin in.”

De Vries en ik zijn het eens. Nu de banken nog.

En de politiek, want uiteindelijk komen de banken alleen in beweging als ze verplicht worden op zoek te gaan naar nieuw kapitaal. Dat minister Dijsselbloem het een goed idee vindt dat ABN Amro winst uitkeert aan de aandeelhouder (hijzelf), in plaats van die winst te gebruiken voor versterking van de balans, geeft weinig hoop op een goede afloop.

Yo!

(Eerder hier)

Heeft u de Yo-app al op uw smartphone staan? Nee? Dan mist u het nieuwe toppunt van malligheid. Met de Yo-app kunt u andere Yo-appers een bericht sturen. Dat bericht is altijd: Yo. Een andere tekst is niet mogelijk.

Onzin? Uiteraard. Maar wel onzin van $ 1,2 mln, want dat bedrag staken investeerders al in de app die — ik herhaal het nog maar eens — alleen Yo stuurt naar andere gebruikers. Ik heb hem inmiddels geïnstalleerd en hij doet het echt.

Is de wereld helemaal gek geworden? Nee, dat gebeurt pas op 1 januari 2015. Dan lanceert de Nederlandse Belastingdienst zijn eigen variant van de Yo-app. Het is een app waarmee zzp’ers en opdrachtgevers elkaar digitaal ‘VAR’ kunnen toeroepen. Tot in den treure. Zodat ze geen tijd overhouden om te ondernemen.

VAR-webmodule, heet de Yo-app van de Belastingdienst. Deze module komt in de plaats van de papieren VAR-verklaring waarmee zzp’ers nu aan hun opdrachtgever kunnen bewijzen dat ze ondernemer zijn, en dat die dus geen sociale premies hoeft te af te dragen. Een zzp’er krijgt zo’n verklaring als hij of zij een vragenlijst invult. Hoeveel opdrachtgevers heeft de zzp’er? Wordt er reclame gemaakt? Is er sprake van een gezagsrelatie met de opdrachtgever? Alle zzp’ers vullen de lijst in, krijgen een VAR-verklaring en kunnen ondernemen. Het is een onzinnige bureaucratische handeling, maar levert maar beperkte irritatie op. 

Dat kan irritanter, dacht de wetgever en bedacht een webmodule die niet meer alleen door de zzp’er, maar ook door de opdrachtgever moet worden ingevuld. De opdrachtgever wordt medeverantwoordelijk voor het correct invullen. Iedere zzp’er zal dus met al zijn opdrachtgevers op internetdate moeten om de module samen in te vullen. Hoe meer opdrachtgevers, hoe meer tijd en moeite dat kost.

Vooral bij de vragen over de gezagsverhouding gaat het samen invullen problemen geven. Nee, er is geen gezagsverhouding, zegt de zzp’er, want uiteindelijk bepaal ik zelf wel wat ik doe. Ja, die is er wel, zegt de opdrachtgever, want ik ga me soms met het werk bemoeien en als het mij niet bevalt, gooi ik de zzp’er eruit. De bedrijfsjurist zal staan op een strakke interpretatie van de regels, want de opdrachtgever is medeverantwoordelijk. Ik voorzie ellende.

De overheid vraagt ons het onbenoembare te benoemen. Precies wat in een gezonde marktrelatie tussen opdrachtgever en -nemer, niet uitgesproken wordt: wie is eigenlijk de baas hier? Dat is geen economische, maar een juridische vraag. Het gaat in het economisch verkeer niet om wie de baas is, maar of er volgens afspraak wordt geleverd en betaald.

De VAR-module is bedoeld om schijnzelfstandigheid te bestrijden, maar dreigt te ontaarden in een potje zelfstandigen pesten. Overheid, verzin iets anders. Yo!

Harde heelmeesters, stinkende wonden

(Verscheen eerder in FD)

Wat wilt u? Sterkere banken of meer economische groei?* U moet kiezen, want beide is op korte termijn niet mogelijk.

Er zijn meer dilemma’s. Wilt u lagere private schulden, of hogere winkelverkopen? Minder huizen onder water of stabiele huizenprijzen?

Nederlandse banken maak je sterker door ze te dwingen meer kapitaal aan te houden voor iedere euro aan hypotheeklening op de balans. Private schulden worden lager als huizenkopers meer eigen geld mee moeten brengen. En het probleem van huiseigenaren met ‘onderwaarde’ verminder je door de hypotheekrente sneller af te bouwen, zodat aflossen meer loont.

Maar als banken meer kapitaal moeten aanhouden, kunnen ze minder uitlenen en dat kost groei. Sparen voordat je een huis koopt, zorgt voor uitgestorven winkelstraten. En nieuwe ingrepen in de hypotheekrenteaftrek zullen de huizenprijzen verder in het rood drukken.

Het lijkt een keuze tussen de lange en de korte termijn. Tussen de pijn nu nemen of hopen dat van uitstel afstel komt. Het juiste antwoord lijkt daarom: nu de banken versterken, de private schulden verminderen en de renteaftrek afbouwen. Op de tanden bijten, het doet maar even pijn.

Maar de economische werkelijkheid is ingewikkelder. Korte pijn kan tot chronische klachten leiden. Tijdelijk lage economische groei en dalende huizenprijzen schaden de bankbalansen en frustreren de pogingen van huishoudens om hun schulden te saneren. In de economie zijn het soms juist de harde heelmeesters die de patiënt met stinkende wonden achterlaten.

Vandaar dat de Nederlandse regering flink lobbyde in Brussel om snellere beperking van de hypotheekrenteaftrek uit de aanbevelingen van de Europese Commissie te krijgen. Met succes. En vandaar dat banken zich zorgen maken over de mogelijk strenge kapitaaleisen die de Europese Centrale Bank aan hun hypotheekportefeuille wil stellen.

Uit een nieuw boek van het Centraal Planbureau (CPB) blijkt hoe kwetsbaar onze economie is voor nieuwe tegenvallers op de huizenmarkt. Roads to recovery, heet het in het Engels geschreven boek dat woensdag verscheen. Een hoofdstuk gaat over de consument. Die heeft het zwaar te verduren gehad. Niet alleen daalde het beschikbaar inkomen gedurende de crisis — vooral door lastenverzwaringen —, ook de waarde van zijn huis ging veel sneller omlaag dan in de meeste andere eurolanden.

Schermafbeelding 2014-06-28 om 15.12.35

De huizenprijsstijgingen van voor de crisis hadden Nederlanders routinematig omgezet in hogere hypotheken (met renteaftrek) en extra bestedingen, waardoor de Nederlandse economie het beter deed dan die van vergelijkbare eurolanden. Toen de huizenprijzen gingen dalen, de extra consumptie uit overwaarde wegviel en veel Nederlanders opeens met spijt naar hun gloednieuwe keuken en luxe badkamer keken, viel de consumptie hard terug. Sindsdien doen we het slechter dan vergelijkbare eurolanden. Sinds juni vorig jaar dalen de huizenprijzen niet meer. Dat is een belangrijke voorwaarde voor herstel van de consumptie.

Schermafbeelding 2014-06-28 om 15.12.29

Het CPB-boek bevat een rekenvoorbeeld dat het effect van huizenprijzen op toekomstige  consumptie fraai illustreert. Stel dat alle Nederlanders met onderwaarde op hun huis extra gaan aflossen, zodat na acht jaar tijd de schuld gelijk is aan de waarde van de woning. Wat zou er dan met de consumptie gebeuren? Als in die acht jaar de huizenprijzen blijven dalen, met een half procent per jaar, neemt de consumptie af met bijna 5%. Zet stevig economisch herstel dan maar uit je hoofd.

Schermafbeelding 2014-06-28 om 15.12.42

Stijgt de huizenprijs met 3% per jaar, dan daalt de consumptie slechts met 0,7%. Bij een stijging van 4% hoeven de huiseigenaren zelfs helemaal niet extra af te lossen om hun onderwaarde weg te werken. De consumptie zal in dat geval niet afnemen.

Het IMF waarschuwt de wereld al weer voor nieuwe zeepbellen op huizenmarkten. Maar een klein beetje extra lucht in de huizenprijs zou het Nederlandse herstel nu goeddoen.

*) NASCHRIFT:  Een aantal lezers wees er op dat banken ook nieuw kapitaal kunnen ophalen. Bijvoorbeeld door nieuwe aandelen uit te geven. Dat klopt als een bus. Eerder heb ik daar ook voor gepleit. Maar de Nederlandse banken hebben er – spijtig genoeg – geen zin in. (zie ook deze discussie tussen Van Wijbergen en Nagel (ING)). Dan blijft alleen balansverkorting over, met alle schadelijke economische gevolgen van dien. 

Terug naar 1869

(het Financieele Dagblad, 18-6-2014)

Is Elon Musk de hipste ondernemer van dit moment? Het lijkt er wel op. Musk voelt de tijdgeest niet aan, hij ís de tijdgeest. Vorige week was het weer raak toen de 42-jarige ondernemer, miljardair en ceo van elektrische autoproducent Tesla, zijn patenten op straat gooide.

 Musk schreef op zijn blog dat iedereen die in goed vertrouwen technologie van Tesla gebruikt voortaan geen advocaat meer achter zich aan krijgt. Hij hoopt dat zo de ontwikkeling van de elektrische auto in een stroomversnelling komt. Patenten geven geen bescherming tegen concurrenten, meent Musk. Een patent is weinig anders dan een lot in een juridische loterij. Iets waar een gewiekste advocaat misschien nog eens een slaatje uit kan slaan.

Wie de concurrentie wil verslaan, moet de beste en slimste ingenieurs aantrekken, en die voelen zich prettig in een ‘open-source’ bedrijf, waar kennis wordt gedeeld, zoals Tesla vanaf nu is. Weg met het patent, leve open innovatie en samenwerking!

Hoe 2014 wil je het hebben? Luister naar Musk en je hipsterbaard begint spontaan te groeien.

Maar eigenlijk is het ook best ouderwets. De strijd tegen het patent is al anderhalve eeuw oud, en werd in 1869 zelfs al eens gewonnen. In dat jaar besloot het liberale kabinet Van Bosse-Fock de Nederlandse Octrooiwet buiten werking te stellen. De Tweede en Eerste Kamer stemden daar met grote meerderheid mee in. ‘Het octrooi bevordert noch de ware belangen van de Nijverheid, noch het algemeen belang’, schreef de regering in het Staatsblad.

Ook andere Europese landen overwogen, in deze bloeitijd van het liberalisme, om het octrooi radicaal af te schaffen, maar gingen uiteindelijk niet verder dan wetshervorming. De argumenten van de tegenstanders waren in de 19de eeuw verrassend gelijk aan die van nu. Octrooien zijn duur, overbodig, belemmeren vrijhandel en remmen concurrentie en technologische vooruitgang.

Was Nederland beter af zonder Octrooiwet? De resultaten zijn gemengd. Aan de ene kant vestigden zich hier direct veel gloeilampfabrikanten, die zo handig het Edison-monopolie konden omzeilen. Enkele daarvan werden later door Philips overgenomen, en in Eindhoven eten ze er nog altijd goed van.

Maar uit historisch onderzoek blijkt dat terwijl het aantal uitvindingen in de Nederlandse voedingsindustrie flink steeg, er in de textielindustrie juist minder uitvindingen werden gedaan. Innovaties in de instrumentenbouw bleven voor en na de afschaffing van het octrooi gelijk. Er is, kortom, geen eenduidige conclusie te trekken.

Onder druk vanuit buiten- en binnenland voerde Nederland in 1910 weer een nieuwe Octrooiwet in. We zijn nu weer een eeuw verder en de 19de-eeuwse discussie is weer helemaal levend.

Ik hoop op een nieuwe octrooiloze periode en klap voor Elon Musk. Hoe zou mij zo’n hipsterbaard staan?

Inkomens worden niet ongelijker

(verschenen in: Het Financieele Dagblad, 14-6-2014)

De chaos is compleet. Is de Nederlandse inkomensongelijkheid het afgelopen decennium nu wel of niet toegenomen?

Vorige week dinsdag stelde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat de inkomensverschillen stabiel en relatief klein zijn. Zelfs de crisis heeft niet geleid tot een toename in de ongelijkheid, schreef het CBS in het rapport ‘Welvaart in Nederland’.

Twee dagen later trok de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) in het rapport ‘Hoe ongelijk is Nederland’, een heel andere conclusie. De grote meerderheid van de huishoudens ervaart wel degelijk “een toenemende ongelijkheid.” En: “het idee van een stabiele inkomensongelijkheid berust op een defecte maatstaf.”

Ik voorzie jaren met mislukte politieke debatten, waarin de VVD met CBS-cijfers zwaait, en de SP met WRR-grafieken wappert. Iedereen heeft gelijk, en niemand. Of valt er een objectieve keuze te maken tussen de analyses? Volgens mij wel.

Allereerst de maatstaf: het CBS gebruikt de Gini-coëfficiënt, een veelgebruikte indicator van ongelijkheid. Sinds 2000 bleef de Gini min of meer gelijk.

Schermafbeelding 2014-06-21 om 17.30.36

Andere CBS-indicatoren (hoe ze verschillen laat ik hier onbesproken), geven hetzelfde beeld. De Theil-coëfficiënt en de polarisatie-index daalden of bleven gelijk. Conclusie: geen groeiende ongelijkheid.  

Schermafbeelding 2014-06-21 om 17.32.10

Maar de WRR gebruikt wéér een andere indicator. Men wil vooral de veranderingen aan de randen van de inkomensverdeling beschrijven en gebruikt daarvoor de zogenoemde S10:S1-verhouding. Dat is de verhouding tussen het inkomen van de rijkste 10% en dat van de armste 10%.

Volgens het rapport is deze indicator sinds 1977 flink gestegen. Ook in deze eeuw neemt S10:S1 structureel toe. Sinds het begin van de crisis in 2008 is de verdeling tussen rijk en arm 5% schever geworden.

Is dat de verklaring van de verschillende conclusies, CBS en WRR gebruiken een andere indicator? Nee, dat is het niet. Want met de cijfers van het CBS kun je ook de S10:S1 berekenen.

Ik heb dat gedaan: de verhouding tussen het inkomen van de rijkste en armste 10% ligt continu rond de zeven. Geen stijging in zicht. In de grafiek ziet u de ontwikkeling van de S10:S1 volgens de WRR en het CBS. Volgens de eerste stijgt de ongelijkheid, volgens de tweede niet.

Schermafbeelding 2014-06-21 om 17.30.12

Wat is er aan de hand? De oorzaak van dit opvallende verschil ligt in de manier waarop men de rijkste en armste groepen indeelt.  Het CBS neemt de netto-inkomens, dus na belasting en subsidies, en corrigeert deze voor de huishoudsamenstelling. Gezinnen met één kostwinner worden zo vergelijkbaar gemaakt met tweeverdieners. Vervolgens worden die gecorrigeerde netto-inkomens op een rij gezet, van laag naar hoog. De armste 10% vormt de eerst groep (S1), de rijkste 10% de laatste (S10).

De WRR — en nu komt het — doet het net even anders. Men neemt eerst alle bruto-inkomens, en selecteert daaruit de 10% armste en 10% rijkste Nederlanders. Pas dan corrigeert de WRR voor belastingen en huishoud­samenstelling. Dat klinkt als een subtiel verschil, maar dat is het zeker niet. Mensen die behoren tot de groep met de laagste, ongecorrigeerde, bruto-inkomens, hoeven niet ook het laagste netto-inkomen te hebben. Studenten, zelfstandige ondernemers die een slecht jaar draaiden, gepensioneerden (die netto meer overhouden omdat ze minder sociale premies betalen), nemen de plaats in van de echte armen in de onderste inkomensgroep.

De WRR-cijfers laten zien dat de groep met het laagste brutoloon er netto minder op vooruit is gegaan dan de groep met het hoogste brutoloon. De CBS-cijfers tonen aan dat dit niet betekent dat de werkelijke inkomensverdeling tussen Nederlanders met een laag en die met een hoog netto-inkomen ook is verschoven.

Wie wil weten of het werkelijke verschil tussen arm en rijk in Nederland is toegenomen, moet naar de CBS-cijfers kijken, niet naar die van de WRR.

Deze zzp-er wilde in 2006 al bij het ABP

Er komt een speciaal pensioenfonds voor zzp-ers. En de uitvoerder is… APG. Dat is een afgesplitst onderdeel van ambtenarenpensioenfonds ABP. Alle zzp-ers  aan het staatspensioen!

Negen jaar geleden werd ik zelf zzp-er. In 2006 schreef ik een brief aan het ABP met het verzoek mij als lid van het pensioenfonds kon worden. Zo’n staatspensioen zou immers eigenlijk voor alle belastingbetalers toegankelijk moeten zijn, redeneerde ik.

Ik laat even in het midden of het wel een goed idee was, om bij het ABP te willen. Hieronder de twee columns die ik in 2006 voor (het inmiddels ter ziele gegane) FEM Business schreef over mijn correspondentie met het ABP.

 

imgres

Verschenen in: FEM Business 8 juli 2006

Ondernemer wil staatspensioen

Verbetering van het ondernemersklimaat. Dat zou een van de belangrijkste doelstellingen van het volgende kabinet moeten zijn. Met een zakkam en fileermes door alle bestaande wetten en regelingen heen gaan, op zoek naar factoren die het ondernemerschap ontmoedigen en belemmeren. Te beginnen bij de pensioenregels, want daar wringt de schoen pijnlijk – vooral voor de kleinere ondernemers. Een zelfstandige die fiscaalvriendelijk wil sparen voor zijn pensioen is op dit moment overgeleverd aan de lijfrenteboeren die met veel plezier zijn zuur verdiende spaargeld verbrassen aan beheerkosten, afsluitprovisies en andere onzin. Nog voordat er iets zinnigs met de inleg gebeurt is, is er al zo acht tot tien procent in rook opgegaan. Eerder dit jaar stelde VVD en PvdA voor om ook banken toe te laten op de lucratieve lijfrentemarkt. Zo zou het monopolie van de verzekeraars gebroken worden. Maar het is niet gezegd dat deze stap lijfrentes tot een goedkoper pensioenproduct zal maken.

Zelfstandige ondernemers zouden beter af zijn als ze – net als werknemers – terecht konden bij een pensioenfonds. De kosten zijn dan een stuk lager en beleggingsrisico’s worden collectief gedragen. Er worden wel pogingen gedaan een pensioenfonds voor zelfstandigen op te zetten. Bijvoorbeeld door Alternatief voor Vakbond (AVV) de nieuwe rebellenclub onder de vakbonden, die samen met een commerciële partij een pensioenfonds op wil zetten “voor alle werkenden die nu geen mogelijkheid hebben bij een pensioenfonds pensioen op te bouwen”.

Een prima initiatief, maar de oplossing is volgens mij eenvoudiger. Nederland heeft namelijk al een pensioenfonds dat de zoekende ondernemer aan een zorgeloze oude dag kan helpen: het ambtenarenfonds ABP, het grootste pensioenfonds van Europa, en de nummer twee van de wereld. Met een beheerd vermogen van 190 miljard euro en zo’n 2,6 miljoen klanten, kan het ABP zonder veel extra investeringen de spaarpotjes van tienduizenden – of misschien zelfs honderdduizenden –  kleine zelfstandigen beheren. Twee weken geleden werd het voormalige Algemeen Burgerlijk Pensioenfondsnog uitgeroepen tot ‘Best European Institutional Investor of the Decade’, dus Nederlandse ondernemers kunnen hun geld met een gerust hart aan de Heerlense fondsmanagers toevertrouwen. Ondernemen is al risicovol genoeg.

Er is maar een probleem met dit plan: het ABP accepteert alleen ambtenaren als klant. Daar is geen duidelijke reden voor, behalve dat het nu eenmaal zo in de statuten van het pensioenfonds staat. Het gevolg is dat Nederland zichzelf verbiedt om het pensioenprobleem van zelfstandig ondernemers op simpele wijze op te lossen. Maar misschien is de praktijk minder onnozel dan de theorie, en is het ABP – dat tenslotte met belastinggeld overeind wordt gehouden – bereid de maatschappelijke verantwoordelijkheid te nemen en het klantenbestand uit te breiden met kleine ondernemers.

Ik ben zelf ook zo’n zelfstandige die op zoek is naar een veilige en goedkope plek voor zijn pensioenbesparingen. Vandaag doe ik daarom een brief aan John Neervens voorzitter van de directieraad van ABP op de bus:

Geachte heer Neervens,

Al ben ik geen ambtenaar maar een kleine zelfstandige ondernemer, toch zou ik graag het pensioenvermogen dat ik de komende jaren hoop op te bouwen, in de vertrouwde handen van het ABP geven. Graag verneem ik van u welke stappen ik moet zetten om deelnemer van uw pensioenfonds te worden.

Met vriendelijke groet, et cetera.

 Ondernemend Nederland wacht het antwoord met spanning af. Ik houd u op de hoogte.

 

imgres 

Verschenen in: FEM Business 30 juli 2006

Wet Gelijkstelling Zelfstandigen

Het antwoord is ‘nee’. Het ABP wil mijn pensioentje niet beheren. Het ambtenarenpensioenfonds is zo vriendelijk deze negatieve boodschap in een beleefde, persoonlijke brief te vervatten, maar de mededeling is er niet minder duidelijk door. Het grootste pensioenfonds van Europa wil mij niet als klant.

De afwijzing komt niet als een verrassing. Ik ben nu eenmaal geen ambtenaar, maar een kleine zelfstandige. Het was dan ook tegen beter weten in, dat ik vorige maand een brief stuurde aan het ABP met de vraag of ik deelnemer kon. Kleine zelfstandigen zijn in Nederland voor hun pensioenbesparingen aangewezen op kostbare lijfrentepolissen. Het ondernemerschap wordt een stuk aantrekkelijker als ondernemers terecht kunnen bij een pensioenfonds. Bijvoorbeeld bij het ABP, dat door de overheid is opgericht en met belastinggeld wordt gefinancierd.

In theorie ziet het APB wel wat in die nieuwe, maatschappelijke rol. “U stipt een interessante kwestie aan”, begint de brief van waarnemend voorzitter van de directieraad drs. D.M. Sluimers hoopgevend. Maar dan volgt een lange opsomming van regels en wetten die mij – “helaas” -  toegang tot het ABP ontzeggen. De Wet Privatisering ABP (WPA), de statutaire doelstelling van het ABP, de Taakafbakeningsregeling Pensioenfondsen en de Pensioen en Spaarfondsenwet (PSW), alle rechtsgronden van het pensioenfonds spannen samen om mij als kleine zelfstandige buiten het ambtenarenfonds te houden.

Het is illustratief voor de wijze waarop we in Nederland het ondernemerschap benaderen. Met de mond wordt het grote belang van (kleine) ondernemers voor de Nederlandse economie beleden, maar als het er op aankomt, regelt de overheid de zaakjes voor werknemers veel beter dan voor zelfstandigen. Op deze manier maakt de politiek de ‘ondernemersval’ – de afname van inkomenszekerheid van een werknemer die besluit ondernemer te worden – onnodig groot. Het gevolg is dat bijna nergens in de wereld de lust om te ondernemen zo gering is als in Nederland. Onlangs bleek uit een internationaal onderzoek van het EIM dat slechts zes procent van de Nederlanders verwacht de komende drie jaar een eigen bedrijf te starten. Van de 25 onderzochte OESO-landen waren er maar drie met een nog lager percentage.

Hoogste tijd voor onconventionele maatregelen om de ondernemersval drastisch te verminderen. Niet met reparatiewetjes of subtiele aanpassingen van de regels, maar in één groot, allesomvattend gebaar. Nederland heeft een nieuwe wet nodig die zelfstandigen automatisch dezelfde rechten en faciliteiten toekent als werknemers. Noem het de Wet Gelijkstelling Zelfstandigen (WGZ) – want zonder drieletterige afkorting is een wet bij voorbaat kansloos. Verzint de overheid een spaarloonregeling voor werknemers? Met de WGZ in de hand kan de zelfstandige ook fiscaalvriendelijk sparen. Verlofsparen alleen voor werknemers? De WGZ verklaart de regeling automatisch van toepassing op ondernemers. Geen arbeidsongeschiktheidsverzekering? Met de WGZ als breekijzer verschaft iedere ondernemer zichzelf toegang tot de collectieve WIA (de opvolger van de WAO). Hoeven werknemers het inkomensafhankelijke deel van de ziektekostenverzekering niet te betalen? Dan de zelfstandige ook niet. Zelfs de WW zou dankzij de WGZ in principe toegankelijk worden voor zelfstandigen.

Voor een adequate oplossing voor pensioensparende ondernemers is nog een toevoeging aan de wet nodig. Collectieve regelingen die de overheid voor de eigen ambtenaren in het leven roept, staan automatisch open voor ondernemers. Of om in het drieletterige jargon te blijven: WPA en PSW worden buitenspel gezet door de WGZ. ABP, here I come!

Pechtholds Pinksterdag

(Het Financieele Dagblad 11 juni 2014)

Ik blaas een oud ideetje nieuw leven in, dacht Alexander Pechtold maandag. Hij twitterde: ‘Wat zou het economisch effect zijn van het afschaffen van tweede pinksterdag?’ gevolgd door de twitternaam van hoogleraar Bas Jacobs en die van mij.

In 2012 opperde D66-kamerlid Wouter Koolmees al eens om de collectieve vrije dag op tweede pinksterdag te schrappen. Een dag meer werken zou de economie stimuleren en de vergrijzingskosten dragelijker maken. Uit het feit dat Pechtold Jacobs’ en mijn naam toevoegde aan zijn bericht, maak ik op dat hij stilletjes hoopte op bijval.

Misschien verwachtte hij zelfs per kerende tweet een sommetje met de kosten van Pinksteren. Maar daarvoor was het veel te mooi weer. Met vertraging daarom hier mijn gok. Afschaffen van de feestdag zal op korte termijn misschien 0,05% extra groei opleveren (ongeveer € 300 mln). Dat percentage hanteert het CBS als vuistregel voor incidentele extra werkdagen, als bijvoorbeeld kerst in het weekend valt. Op lange termijn levert een extra werkdag maximaal 0,4% op (bijna € 2,5 mrd), de gemiddelde Nederlandse dagproductie. Misschien moet het CPB er maar eens serieus aan rekenen.

Tot die tijd vermaken wij ons met de enorme hoeveelheid reacties die Pechtolds tweet opriep. Het grootste deel was negatief. Pinksteren blijkt voor veel Nederlanders een ongelooflijk belangrijke feestdag. De snelste twitteraars lieten de onderbuik borrelen: niet Pinksteren moeten we afschaffen, maar D66, of Alexander Pechthold, of de gehele Tweede Kamer. Het hele voorstel is een complot van de EU en zonder de euro bleef tweede pinksterdag altijd een vrije dag.

Anderen wezen op de baten van Pinksteren. Zo’n vrije dag levert veel op. Kijk naar de omzetten in de horeca en de kaartverkoop van Pinkpop. Er waren er ook die vonden dat Nederland al veel te weinig vrije dagen heeft. Wij zitten met 25 vakantiedagen onder het Europese gemiddelde, wisten zij. Dat Nederlandse werknemers gemiddeld de kortste werkweek van Europa hebben, twitterde niemand. Echt zielig zijn we dus niet.

De grootste groep ging op de filosofische toer. Je leeft niet om te werken en plezier is belangrijker dan geld, vonden zij. Prachtig, maar waarom moeten we dat levensplezier allemaal op dezelfde dag consumeren? Wie liever wandelt in Landgraaf dan naar oude rockers luistert, heeft op de verkeerde dag vrij.

Afschaffen dan maar, die vrije pinkstermaandag? Wat mij betreft toch niet. Een collectief lang weekend geeft Nederland de kans om gezamenlijk het voorjaar te vieren, met kermis, schuttersfeest, popconcert of tuinfair. Dat is gezelliger en waarschijnlijk ook efficiënter dan vele losse voorjaarsfeesten. Ja, Nederlanders zouden gemiddeld wel wat langer mogen werken, maar op zo’n mooie maandag in het voorjaar even lekker niet.

ECB vecht niet tegen deflatie, maar tegen de hoge rente

(Verschenen in het Financieele Dagblad op 7 juni 2014)

Deflatie is een groot gevaar, want als de prijzen dalen, stellen consumenten hun bestedingen uit.

U hebt deze zin de afgelopen week weer vaak gelezen. Elke keer als ik ’m zie, trek ik uit pure wanhoop een paar haren uit mijn hoofd. Aan mijn foto ziet u hoe erg het intussen is.

Klopt het dan niet, van dat uitstellen? Nee, het klopt niet. Niemand stelt aankopen uit omdat het algemeen prijspeil – want daar hebben we het over bij deflatie – daalt. Dat heeft namelijk geen enkele zin. Denk maar mee: ik koop vandaag geen slaboontjes, want morgen zijn ze goedkoper. Morgen koop ik ze weer niet, want overmorgen gaat de prijs nog verder omlaag. Ik koop dus nooit meer slaboontjes. En omdat mijn hele boodschappenmandje elke dag goedkoper wordt, koop ik nooit meer iets.

Wie eeuwig speculeert op prijsdalingen, sterft van de honger.

Uitstellen van bestedingen is alleen een rationele strategie als de consument weet wanneer de prijsdalingen stoppen. Morgen eten we slaboontjes, want morgen zijn ze in de aanbieding. Maar bij echte deflatie weet niemand wanneer de prijsdalingen stoppen. Uitstel van bestedingen, vanuit een speculatieve motivatie, is daarom niet te verwachten.

Wat is dan het probleem van deflatie? Een dalend prijspeil kan ervoor zorgen dat de reële rente te hoog is. De reële rente is de marktrente minus de (verwachte) inflatie. Het is de prijs van geld nu, ten opzichte van geld straks. Wie zijn geld spaart, kan straks meer kopen als de marktrente hoger is dan de inflatie, maar minder kopen als de inflatie hoger is dan de marktrente.

Een centrale bank die de economie wil stimuleren, verlaagt de officiële rente, in de verwachting dat banken die verlaging doorberekenen aan klanten, zodat de reële rente daalt en bedrijven en consumenten minder sparen en meer lenen. De Europese Centrale Bank (ECB) heeft de officiële rentetarieven afgelopen donderdag tot het absolute nulpunt verlaagd. De rente waartegen banken bij de ECB lenen, staat nauwelijks boven de nul, de rente waartegen ze bij de ECB sparen, zit er nu zelfs iets onder. Lager gaat eigenlijk niet.

Schermafbeelding 2014-06-13 om 18.06.27

Bij een ECB-rente van bijna nul en een Europese inflatie van 0,5% is de reële rente licht negatief. Is dat laag genoeg om investeerders aan te moedigen? Sommige economen vinden van niet. De reële rente zou nog lager moeten en omdat de ECB-rente al op nul staat, moet de ECB de inflatie opdrijven, bijvoorbeeld door massaal staatsobligaties op te kopen, zodat er (misschien) meer euro’s in omloop komen en (misschien) de inflatie stijgt. Kwantitatieve verruiming, net zoals de Amerikaanse Fed doet.

Maar de ECB luistert niet. Men kiest voor een andere weg. Want de ECB-rente mag dan zowat op nul staan, de marktrente doet dat nog lang niet. Vooral kleinere Europese bedrijven betalen nog altijd forse rentes. Voor kleine leningen (tot een kwart miljoen euro) aan Europese bedrijven rekenen de banken gemiddeld ruim 4,5% rente. In veel Zuid-Europese landen ligt dat percentage zelfs nog een stuk hoger. De reële rente is hoog, niet zozeer omdat de inflatie laag is, maar vooral omdat de banken de lage ECB-rente nauwelijks doorberekenen. Bovendien hebben de banken de eisen die ze aan bedrijven stellen, voordat die überhaupt in aanmerking komen voor een lening, flink aangescherpt.

Schermafbeelding 2014-06-13 om 18.05.14

Schermafbeelding 2014-06-13 om 18.19.14

Logisch daarom, dat de ECB donderdag aankondigde vooral iets aan de beschikbaarheid van mkb-krediet te willen doen. Banken mogen goedkoop en lang geld lenen bij de ECB, mits ze dat uitzetten bij bedrijven. Of het gaat helpen weten we niet, want de ECB heeft zoiets nog niet eerder geprobeerd. Maar het klinkt in elk geval een stuk verstandiger dan in het wilde weg staatsobligaties opkopen, in de vage hoop dat daardoor de inflatie stijgt.

Schermafbeelding 2014-05-13 om 10.12.32

Telegraaf shopt selectief in EU-rapport

“Europeanen hebben weinig vertrouwen in EU”, schrijft de Telegraaf vandaag (13-5). Dat zou blijken uit de laatste Eurobarometer, het periodieke onderzoek van de Europese Commissie naar de stemming onder Europese burgers (pdf).

Het artikel gaat verder: “Bijna twee derde van de Europeanen heeft het gevoel dat zijn of haar stem niet gehoord wordt in Brussel.”

Maar klopt het ook? Nou nee, niet precies. In de Eurobarometer werd de volgende vraag voorgelegd aan duizenden EU-burgers: “I would like to ask you a question about how much trust you have in certain institutions. For each of the following institutions, please tell me if you tend to trust it or tend not to trust it”. Dan volgden vijf verschillende politieke instituties: de Europese Unie, de nationale regering, het nationale parlement, politieke partijen en lokale overheid. Hier de uitslag, gerangschikt naar afnemend vertrouwen:

Schermafbeelding 2014-05-13 om 10.22.52

U ziet het. Na lokale overheid hebben de burgers het meest vertrouwen in de Europese instelling. Of beter: ze staan er het minst wantrouwend tegenover. Burgers wantrouwen alle politieke lagen, maar in de nationale politiek hebben Europeanen minder vertrouwen dan in de EU.

Dat was een leuke kop geweest: “Europeanen hebben meer vertrouwen in EU dan in nationale politiek”. Maar blijkbaar niet voor de Telegraaf.

 

Met zes ondernemers met lef in DWDD

De afgelopen twee seizoenen nam ik succesvolle ondernemers mee naar de tafel van Matthijs van Nieuwkerk. In de hoop dat iets van het optimisme, lef en vooral plezier zou overslaan op het somberende Nederland.

We begonnen met de West-Fries Jan Willem Breukink van Incotec, die tomatenzaadjes maakt die duurder zijn dan goud en eindigden met de Afrikaanse stoffen van Vlisco uit Helmond

Daartussen Rinze van der Schuit, die de sterkste en slimste kabels ter wereld maakt, de camera’s van Orlaco, de fiets van Van Moof en de transportschepen van Dockwise. zes bijzondere ondernemers met bijzondere verhalen.

Voor wie ze gemist heeft of nog eens terug wil kijken, hier de fragmenten:

Incotec

Orlaco

Van Moof

Dockwise

Fibremax

Vlisco