De Puinhopen van vier jaar Rutte-Asscher (deel 1, 2 & 3)

Ik schreef in drie stukken voor het FD over vier jaar Rutte-Asscher. Het is vlak voor Prinsjesdag 2016, dus mooi moment om terug te blikken.

In het regeerakkoord beloofden Mark Rutte en Diederik Samsom drie dingen: 1. Sterker uit de crisis, 2. Hervormingen en 3. Eerlijk delen.  Mijn puinhopen-drieluikje volgde die indeling. Daar gaan we:

De Puinhopen van vier jaar Rutte-Asscher
Deel 1: economisch herstel en een nette begroting

Ze moeten nog even. Pas volgend jaar maart zijn de verkiezingen en wordt het kabinet-Rutte-Asscher demissionair. Maar nu al is het een van de langstzittende missionaire kabinetten van de afgelopen decennia. Dit weekend tikt het huidige kabinet de 1.353ste dag aan. We moeten terug naar begin jaren negentig van de vorige eeuw om een langer zittend kabinet te vinden: Lubbers 3. Dat kabinet van CDA en PvdA is met 1.638 missionaire dagen meteen ook het langstdienende van de afgelopen honderd jaar.

Rutte kan Lubbers niet meer inhalen. Op verkiezingsdag volgend jaar heeft Rutte er 1.590 dagen opzitten. Maar als zijn kabinet die eindstreep haalt, komt hij wel mooi op nummer twee in de ranglijst van de laatste eeuw, voor De Quay, Beel, Den Uyl, Drees en Kok.

Uithoudingsvermogen
Wat je ook van het beleid van dit kabinet vindt, qua uithoudingsvermogen en crisismanagement verdienen de ministers in elk geval een pluim. Vooral omdat de politieke omstandigheden allerminst stabiel zijn; nog geen een kabinet haalde deze eeuw de eindstreep. Bovendien had Rutte niet de luxe van een meerderheid in de Eerste Kamer. Ieder wetsvoorstel had daardoor de fatale bananenschil kunnen zijn.

Komende Prinsjesdag wordt dus de vierde en laatste van dit kabinet. Veel nieuw beleid zal er nieuw beleid er niet meer worden aangekondigd. Daarom kijk ik in de aanloop naar de derde dinsdag, de komende weken graag terug. Hoe heeft Rutte-Asscher het er in vier jaar afgebracht? Vandaag de kille afrekening op basis van economische kengetallen.

Vier jaar Paars-min
Niet dat ik denk dat de macro-economische ontwikkeling in sterke mate wordt bepaald door het Haagse beleid. Nederland dobbert vooral mee op de Europese en mondiale conjunctuur. Maar toch, in de VS rekenen ze hun presidenten zelfs af op de winst op de beurs, dus ik zet de cijfers toch graag op een rij.

Hier de ‘puinhopen’ van vier jaar Paars-min: na enkele eerste kwartalen met krimp ging de economie weer aardig groeien. Toen premier Rutte in april 2013 zei dat hij ‘de groene waas’ van het herstel al kon zien, lachte iedereen (mijzelf incluis) hem uit. Maar veel preciezer had hij het niet kunnen timen, want vanaf halverwege 2013 was er weer groei. In 2016 is het Nederlandse bruto binnenland product (bbp) ruim 4% hoger dan in 2012. Dat is geen enorme groei, maar na jaren van crisis en recessie voelt het toch goed.

Meer welvaart, meer banen én meer werklozen
De koopkracht steeg in vier jaar met 3,8%. Niet iedereen ging er zoveel op vooruit, maar gemiddeld (of om precies te zijn: mediaan) werden Nederlanders dus wel een beetje rijker. Ook de huizenmarkt herstelde waardoor de prijzen nu 3,7% hoger liggen dan in 2012. Er zijn wel meer werklozen (57.000) dan bij aanvang van het kabinet. Maar tegelijk zijn er ook meer mensen met werk (59.000).

Veel van het nieuwe werk wordt gedaan door zzp’ers. Daarvan kwamen er sinds eind 2012 ruim 200.000 van bij. Ondernemerschap, roept Rutte blij, maar vicepremier Lodewijk Asscher ziet vooral schijnzelfstandigen.

schermafbeelding-2016-09-18-om-22-23-19

Minder bedrijven
Grotere ondernemers hadden geen makkelijke vier jaar. Er zijn nu 12.800 minder bedrijven (exclusief zzp-ers) dan in 2012. Maar het aantal faillissementen vertoont al sinds mei 2013 een duidelijk dalende trend, dus daar lijkt het lek ook boven.

De overheid zelf staat er financieel duidelijk beter voor dan in 2012. Door bezuinigingen, lastenverzwaringen en natuurlijk het herstel, is het begrotingstekort gedaald van 3,9% van het bbp in 2012 tot 1,2% dit jaar. Zelfs de staatsschuldquote daalt weer. Bij aanvang van het kabinet stond die op 66,4% bbp. Nu is dat 63,5%.

Een knappe prestatie. En precies als beloofd in 2012. Het op orde brengen van de overheidsfinanciën was een van de drie doelstellingen. De andere waren: duurzame economische groei en eerlijke verdeling van de lasten. Daarover volgende week meer.

 

De Puinhopen van vier jaar Rutte-Asscher
Deel 2: geslaagde en mislukte hervormingen

Vorige week besprak ik de macro-economische ontwikkelingen tijdens de afgelopen vier jaar Rutte 2. Deze week reken ik af met de hervormingen van het kabinet. Want bij de start in 2012 maakten Mark Rutte en Diederik Samsom er geen geheim van: dit zou een echt hervormingskabinet worden. ‘Dus reiken wij elkaar de hand en halen we het beste uit elkaar’, schreven ze in het regeerakkoord. ‘Dat maakt grote hervormingen en doorbraken mogelijk: in de zorg, op de woningmarkt, op de arbeidsmarkt, in het buitenlands beleid en op energiegebied. Hervormingen en doorbraken waardoor Nederland sterker uit de crisis kan komen.’

Mooie woorden, maar zijn ze daarin geslaagd? Van zorg en buitenlands beleid heb ik weinig kaas gegeten. Beoordelen of daar echt is hervormd laat ik graag aan anderen over. Maar over de drie economische hervormingen: woningmarkt, arbeidsmarkt en energie, durf ik wel een oordeel te formuleren.

AOW-leeftijd
En over een vierde hervorming ook. Want Rutte en Samsom vergaten in de inleiding van het regeerakkoord een belangrijke hervorming te benoemen: de verhoging van de AOW-leeftijd. Op zich is die omissie te begrijpen, want er stond vóór de vorming van het kabinet al een verhoging in de stijgers. Maar Rutte 2 deed er een schepje bovenop: de AOW-leeftijd gaat nu sneller omhoog en zal al in 2021 de 67 jaar bereiken. Daarna wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting. Als we langer leven, gaan we later met pensioen.

Dit is een buitengewoon geslaagde hervorming. Met één beweging werd de vergrijzing betaalbaar en — zo blijkt uit de sommetjes van het Centraal Planbureau — de begroting op lange termijn houdbaar, zowel door de lagere kosten van de AOW als de hogere premieopbrengst doordat Nederlanders langer werken. Verdere maatregelen zijn op dit dossier niet meer nodig. (Het pensioenstelsel moet natuurlijk nog wel worden hervormd, maar dat is iets voor het volgende kabinet.)

Hypotheekrenteaftrek

De hervorming van de woningmarkt valt ook als geslaagd te beoordelen, al blijft er wat te wensen over. Het tarief waartegen hypotheekrente mag worden afgetrokken wordt in jaarlijkse stapjes van een half procent verminderd, totdat het tarief van de derde schijf is bereikt. Nieuwe hypotheken moeten voortaan worden afgelost en mogen vanaf 2018 niet meer dan 101% van de woningwaarde bedragen. Lenen wordt dus minder gesubsidieerd en de kwetsbaarheid van huishoudens wordt — in theorie — minder. De lage rente maakt echter dat niemand de beperkingen nu al echt voelt. Het volgende kabinet kan er daarom wel een schepje boven op doen, vooral als het gaat om het tempo waarin de renteaftrek wordt afgebouwd. Het eindtarief kan ook omlaag.

schermafbeelding-2016-09-18-om-22-25-35

Windenergie
Het kabinet deed ook een poging om de energiemarkt te hervormen. Als het om duurzame energieopwekking gaat, is Nederland al jaren het lachertje van Europa. Het energieakkoord dat het kabinet sloot met energiebedrijven en de milieubeweging moet dat veranderen, onder andere via meer windenergie op land en op zee, en de sluiting van oude kolencentrales. Een geslaagde doorbraak? Kwantitatief niet, want ook met het Energieakkoord wordt de doelstelling van 14% hernieuwbare energie in 2020 niet gehaald. Maar kwalitatief blijken de prijsprikkels in het Energieakkoord wel te leiden tot een ongekend snelle daling van de kosten van wind op zee. Wie de minste subsidie nodig heeft, wint de aanbesteding, en die methode werkt goed. Dat smaakt naar meer: meer prijsprikkels, om precies te zijn.

Faliekant mislukt
Over de vierde en misschien wel belangrijkste hervorming — die van de arbeidsmarkt — kan ik kort zijn: deze hervorming is faliekant mislukt. De Wet Werk en Zekerheid moest flexwerkers een vaste baan bezorgen, maar lijkt ze vooral op te jagen en weg te pesten van de arbeidsmarkt. Hetzelfde geldt voor de Wet DBA, die de rechtpositie van zzp’ers had moeten verbeteren. Het tegendeel gebeurt: de zzp’er is opgejaagd wild geworden. Hervorming mislukt, dus uithuilen en opnieuw beginnen — zo snel mogelijk graag.

De Puinhopen van vier jaar Rutte-Asscher
Deel 3: Eerlijk delen

Iedereen gaat erop vooruit, volgend jaar. Ouderen, jongeren, werkenden, uitkeringsgerechtigden, allemaal krijgen ze een ‘boost’ in hun koopkracht. Want het gaat beter met de economie, het begrotingstekort daalt en – vooral – de verkiezingen komen eraan. Geen zeurpieten in het stemhokje a.u.b., denkt het kabinet, dus de minister van Financiën opent graag de schatkist voor een gratis rondje voor iedereen, zo bleek deze week uit via RTL Nieuws gelekte Prinsjesdagstukken.

Koopkracht was vanaf de start van het kabinet-Rutte-Asscher een van de leidende thema’s. In het regeerakkoord ‘Bruggen slaan’, uit oktober 2012, staat het duidelijk: ‘Wij verdelen de lasten eerlijk’. PvdA-leider Diederik Samsom had in de verkiezingscampagne telkens benadrukt dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moesten dragen, dus dit punt moest hij wel binnenhalen.

Niet te pruimen
Samsom deed dat overigens zo goed, dat het kabinet er bijna direct aan ten onder ging. De inkomensafhankelijke zorgpremie die PvdA en VVD waren overeengekomen, was voor de liberale achterban niet te pruimen. Nivelleren is een feestje, lalde PvdA-voorzitter Hans Spekman dronken van geluk, maar uiteindelijk overwon het nuchtere verstand en werd dit nieuwe herverdelingsinstrument uit de kabinetsplannen geschrapt.

Voor veel PvdA-kiezers was deze valse start een teken aan de wand. Was dit wel het kabinet van eerlijk delen? Of een VVD-kabinet met steun van de sociaaldemocraten? Dat laatste, denken velen, als we afgaan op de peilingen. Zelden stond de PvdA er zo slecht voor.

Koopkrachtplaatjes
De koopkrachtcijfers vertellen echter een genuanceerder verhaal. Ik bespreek ze zo, maar eerst even dit: ik ben geen fan van koopkrachtcijfers. Ze zijn vaak misleidend, omdat mensen in hun leven veel grotere financiële schokken meemaken dan de koopkrachtplaatjes laten zien. Iemand studeert, vindt werk, wordt werkloos, gaat met pensioen, krijgt kinderen, ziet ze weer uitvliegen, trouwt, scheidt en verhuist. Niemand blijft jaar op jaar in hetzelfde koopkrachtplaatje hangen. Als we het hebben over de koopkrachtontwikkeling van een alleenverdiener met kinderen en een modaal inkomen, dan negeren we dat die persoon inmiddels misschien een nieuwe partner heeft, inmiddels een veel beter betalende functie kreeg en de kinderen misschien het huis verlieten. Statische koopkrachtcijfers zeggen iets over groepen, niet over individuen.

Oudere stellen
Met die kanttekening geef ik hier de koopkrachtontwikkelingen gedurende vier jaar Rutte-Asscher. Eerste conclusie: oudere stellen met een aanvullend pensioen zijn de verliezers. Die gingen er 3,7% op achteruit. Alleenstaande gepensioneerden verloren 2,7% koopkracht. Dit komt niet door kabinetsbeleid, maar doordat veel pensioenfondsen niet meer kunnen indexeren of zelfs moeten korten op de uitkering. Niet leuk voor wie het overkomt, maar niet direct aan het kabinet toe te rekenen.

Ook het traditionele kostwinnersgezin ging er iets op achteruit. Gezinnen waarvan maar één ouder werkt die een modaal inkomen meebrengt, zagen hun koopkracht met ruim een half procent dalen. Reden hiervoor is ongetwijfeld de afbouw van de aanrechtsubsidie (officieel: ‘uitbetaling algemene heffingskorting’.)

schermafbeelding-2016-09-18-om-22-27-13

Tweeverdieners
Verder gingen alle door het Centraal Planbureau gespecificeerde groepen er na 2012 op vooruit. Gezinnen met een (minimum)uitkering en kostwinnersgezinnen met twee keer modaal een beetje, oudere echtparen met alleen AOW en alleenstaanden zonder kinderen met twee keer modaal iets meer.

Tweeverdieners deden het nog wat beter, met koopkrachtstijgingen tussen de 4,3% en 7,1% sinds 2012. Deze gezinnen hadden geen last van de lagere aanrechtsubsidie. Opvallend is wel dat binnen deze groep de relatief armste gezinnen (1,5x modaal) er het meest op vooruitgingen, en de rijkste (3x modaal) het minst. Het ‘eerlijk delen’ van Samsom is hier terug te zien.

Overwinning
Dat geldt helemaal voor de groep die er het meest op vooruitging: alleenstaande werkenden met minimumloon. Hun koopkracht nam met bijna 11% toe. Voor hen was nivelleren echt een feestje. Zeker als ze kinderen hadden, want het kindgebonden budget ging flink omhoog, waardoor de koopkracht van deze groep na 2012 met bijna 17% steeg.

Dat kan de PvdA toch als een overwinning vieren. Nu nog een manier vinden om het de kiezers uit te leggen.

De Elite

Toen de presentator van Zomergasten het even leek op te nemen voor de demonstrerende Turkse Nederlanders die een verslaggever het werk onmogelijk maakten, reageerde Mark Rutte fel. Hij zei: ‘Wat je nu doet, is precies wat de elite in Nederland te vaak doet, zeggen: “Ach het valt wel mee. Is het nu zo erg?”’

De elite was weer eens de schuldige. De elite had het weer eens voor de rest van ons verpest. Wie deze elite precies is? Niemand die het weet, en dat maakt de term zo bruikbaar voor politici en opiniemakers die een schuldige zoeken buiten zichzelf. De elite heeft het gedaan, niet ik. Het is de plaksnor waarmee bestuurlijk en opiniërend Nederland zich probeert te vermommen als Gewone Man.

Want wie klaagt over de elite, klaagt meestal over zichzelf. Een academisch opgeleide historicus, met een carrière bij levensmiddelenconcern Unilever, die kantoor houdt in het torentje van het Haagse Binnenhof, ja, zo iemand is heus lid van de Nederlandse elite.

Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor Thierry Baudet en Jort Kelder die deze zomer de ‘deftige elite’ van Nederland aanklaagden in NRC Handelsblad. De een is een goedverdienende tv-maker die graag tegen de Nederlandse adel aanschurkt, de ander noemt zichzelf de belangrijkste intellectueel van Nederland en laat zich het liefst fotograferen, liggend op zijn zwartgelakte vleugel. Ja heren, u bent de elite.

Ikzelf hoor daar denk ik ook bij, al voelt het niet zo. Maar u ook. Als lezer van deze roze pagina’s kwalificeert u zich waarschijnlijk als lid van de elite. De top van politiek Nederland is het in elk geval, de meeste parlementariërs ook. Als Geert Wilders zegt dat ‘gewone hardwerkende burgers moeten kiezen tegen de elite in’, heeft hij het dan niet over zichzelf? Fractiemedewerker, gedogende regeringspartner, langst zittende parlementariër, dat lijkt me toch een typisch elitaire carrière.

Laten we daarom een afspraak maken. Iedereen die in de komende verkiezingscampagne ‘de elite’ ergens de schuld van geeft, zonder precies te vertellen wie hij of zij precies met de elite bedoelt, en wat ze precies verkeerd heeft gedaan, moet voor straf een maandsalaris overmaken aan de Cliniclowns. Want iedereen die we via de media zullen horen in de debatten, talkshows en andere keuvelprogramma’s, is zelf onderdeel van de elite. Je kunt je als politicus niet verstoppen achter jezelf.

Dat wist premier Rutte afgelopen zondag in de avondvullende tv-uitzending natuurlijk ook wel. Daarom zei hij later, toen hij weer de elite de schuld gaf, in een tussenzinnetje: ‘Daar horen jij en ik natuurlijk ook bij.’ Waarmee al zijn afkeer van de elite plotseling veranderde in zelfkritiek en Rutte bewees wat hij als historicus natuurlijk al lang wist: domme generalisaties bijten zichzelf uiteindelijk altijd in de staart.

 

(FD)

English, please!

Yukichi Fukuzawa was 24 jaar toen hij voor het eerst naar Yokohama reisde. Deze Japanse havenplaats was in 1859 net opengesteld voor handel met de rest van de wereld. Fukuzawa, zoon van een verarmde samurai-familie, had zijn volwassen leven doorgebracht in Nagasaki, om Nederlands te leren. Nederlands was de taal van de kennis en de wetenschap voor het Japan van de eerste helft van de 19e eeuw. Vanaf 1641 mochten alleen Nederlanders handel drijven met Japan, dus alle kennis uit het westen kwam naar Japan via Nederlandstalige boeken. Wie iets wilde weten over wetenschap, militaire strategie of geneeskunde, moest eerst Nederlands leren.

In 1859, als Fukuzawa aankomt in Yokohama, waar voor het eerst niet-Nederlandse buitenlanders welkom zijn, spreekt hij vloeiend Nederlands. ‘Ik kwam tot de conclusie dat er weinig kenners van het Nederlands waren die mij in vertaalwerk konden overtreffen’, schrijft hij in zijn autobiografieDe poorten gaan open.

Maar al snel komt de teleurstelling: Nederlands was in de zeventiende eeuw nog een van de wereldtalen. In 1859 was het niet meer dan een kwakerig Germaans dialect, gesproken in een land waar alles altijd pas 50 jaar later gebeurde. Fukuzawa heeft er niets aan als hij in Yokohama met buitenlanders probeert te praten.

Hij schrijft: ‘Tot mijn verdriet bleek, toen ik probeerde met hen te spreken, niemand me te verstaan. Ook kon ik hoegenaamd niets begrijpen van wat er gesproken werd door wie dan ook van alle buitenlanders die ik tegenkwam. Evenmin kon ik ook maar iets lezen van de uithangborden boven de winkels, noch de etiketten op de flessen die zij te koop hadden. (…) Het moet Engels of Frans zijn geweest, voor zover ik weet.’

Hartverscheurend, nietwaar? Een jonge, ambitieuze student komt in aanraking met de echte wereld en blijkt in al zijn ijver de verkeerde taal te hebben geleerd. Een dramatische ervaring!

En precies de ervaring die sommige Nederlanders onze eigen studenten ook nu nog gunnen. Anderhalve eeuw na Fukuzawa’s teleurstelling zijn er nog altijd mensen die vinden dat op onze universiteiten de lessen in het Nederlands moeten zijn, niet in het Engels. Volkskrant-columnist Martin Sommer noemt de ‘verengelsing’ van het universitair onderwijs ‘dom en achteloos’. Hij kan op veel bijval rekenen van zowel lezers als de hoofdredactie. Engels is de lingua franca van de wetenschap, maar onze jonge wetenschappers moeten vooral goed Nederlands leren. Dat noem ik nou dom en achteloos.

Voor straf je volgende column in het Japans schrijven, Sommer.

(PS: Met Fukuzawa kwam het goed. Hij leerde Engels, reisde naar de VS en Europa en leidde zijn land de nieuwe tijd in, onder andere als oprichter van de eerste krant en de eerste universiteit.)

(FD)

Verkiezingstijd

Hoe weet je dat de verkiezingscampagnes van start zijn gegaan? Als verstandige politici domme dingen gaan roepen. Jeroen Dijsselbloem schoot als eerste uit de startblokken. Oudere Nederlanders met een aardig pensioen gaan er volgend jaar gemiddeld flink op achteruit, omdat pensioenfondsen niet indexeren en soms zelfs korten op de uitkering. ‘Dat moeten we repareren’, vond de PvdA-minister.

Klinkt sympathiek, maar het impliceert dat de Nederlandse staat voortaan garant staat voor de koopkracht van gepensioneerden. Met een beetje pech kampen onze pensioenfondsen nog vele jaren met lage dekkingsgraden. Het is niet aan de overheid om die pensioengaten via de achterdeur van de koopkrachtplaatjes te vullen. Dan gaat Nederland de kapitaalgedekte tweede pijler garanderen met belastinggeld van huidige werkenden. Zo’n garantie op pakweg € 1400 mrd aan pensioenbeloften wil ik dan ook graag netjes terug zien op de staatsbalans. Ben benieuwd hoe gezond de overheidsfinanciën ons dan nog toelachen.

Dat Mark ‘de staat is geen geluksmachine’ Rutte zijn minister niet terugfloot, maar zelf ook wel voelde voor het met belastinggeld wegpoetsen van pensioenpech, bewijst dat ook bij de VVD verkiezingskoorts heerst. Nederland telt in 2017 ruim 443.000 65-plussers meer dan tijdens de verkiezingen in 2012. Zo’n groep kun je maar beter te vriend houden.

Ook bij de oppositie roepen verstandige politici inmiddels domme dingen. De ChristenUnie en het CDA willen graag leuke dingen doen voor huiseigenaren met een dure hypotheek. De kosten die banken rekenen voor oversluiten moeten flink omlaag, zodat iedereen kan profiteren van de lage rente. De buiten verkiezingstijd zo bekwame Carola Schouten van de ChristenUnie beargumenteerde dat zo: ‘Wij hebben zoveel voor die banken gedaan, het wordt tijd dat die banken ook iets terug doen voor de consument.’

Alsof we de banken hebben gered zodat ze aardiger zouden doen tegen de consument! De redding was een ongewenste maar noodzakelijke maatregel, uitgevoerd omdat de banken onze economie in gijzeling hielden. Wie wil dat banken klantvriendelijker zijn, moet meer concurrentie organiseren. Bijvoorbeeld door de Europese bankenunie af te maken, maar daar is de ChristenUnie tegen.

Bij het CDA wil de normaal uitstekend rekenende Pieter Omtzigt dat banken huiseigenaren geld gaan lenen tegen lage rente, zodat ze kunnen aflossen op hun hypotheek met vaste, hoge rente. Een hypotheek met lange rentevaste periode wordt zo de facto eenzijdig opzegbaar en daarmee minder aantrekkelijk voor banken om aan te bieden. Juist de voor huizenkopers veilige hypotheek met vaste rente zal daardoor uiteindelijk duurder worden.

Want gratis lunches bestaan niet. Al willen politici ons in verkiezingstijd graag anders doen geloven.

(FD)

De Nederlandse economie kwam veel beter door de crisis dan eerder gedacht

Bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) werken ze met het potlood in de ene hand en de vlakgom in de andere. Ze noteren de cijfers voor de economische groei in hun ruitjesschrift, maar slaan vrijwel direct daarna weer aan het rekenen. Het oude cijfer wordt uitgegumd, een nieuw groeicijfer ingevuld — maar weer met potlood. Het gummen, rekenen en schrijven gaat nog jaren door, totdat uiteindelijk de pen wordt gepakt en de CBS’ers het groeicijfer met onuitwisbare inkt noteren.

Voor journalisten die de economische ontwikkeling proberen te verslaan, is dat lastig. Over de eerste zogenoemde ‘flashraming’ voor de groei van het bruto binnenlands product, die zo’n anderhalve maand na ieder kwartaal verschijnt, rapporteren de media nog uitgebreid. Journalisten ondervragen economen over de mee- of tegenvallende groei, ministers krijgen de vraag voorgelegd of extra bezuinigingen nodig zijn terwijl de oppositie alle ruimte krijgt om te mopperen over de ‘kapotbezuinigde’ economie.

Weer anderhalve maand later verschijnt de eerste reguliere groeiraming. Als deze duidelijke afwijkt van de flashraming, is dat goed voor een klein berichtje. Maar de updates van de groei die het CBS daarna nog berekent, halen het nieuws vrijwel nooit. Als tweeënhalf jaar later het definitieve cijfer naarbuiten komt, kraait daar geen haan meer naar.

Terecht, natuurlijk. De krant is er om nieuws te brengen, niet om aan economische geschiedschrijving te doen. Hoe snel de economie tweeënhalf jaar geleden precies groeide, is voor het heden zelden relevant.

Golvend zwembad
Maar soms wel. De afgelopen zeven jaar waren zulke wilde jaren voor de economie, dat het nauwelijks mogelijk was om op het moment zelf te kunnen zien wat er precies aan de hand was. De bankencrisis, de dalende huizenprijzen, de dreiging van een uiteenvallende eurozone en de enorme bezuinigingen en lastenverzwaringen werkten allemaal door elkaar heen en op elkaar in. De Nederlandse economie was een bootje in een klotsend en golvend zwembad vol wild spelende kinderen. Aan economen en statistici de taak te bepalen welke richting het bootje volgde, hoe hoog de boeggolf was en hoe groot de kans op kapseizen. Een onmogelijke taak op dat moment.

Inmiddels zijn de kinderen bedaard, heeft de economie weer richting en is het zinvol om terug te kijken. Vorige week publiceerde het CBS de laatste ramingen voor de economische groei in 2013 en 2014. Daaruit blijkt dat de recessie in 2013 veel minder diep was en het herstel in 2014 een stuk sterker.

Eerder had het CBS de krimp van de economie in 2012 al bijgesteld van 1,6% naar 1,1%. Nu werd de bbp-krimp voor 2013 verlaagd van 0,5% naar 0,2%. Groothandel, IT-dienstverlening en zakelijke dienstverlening hadden meer geproduceerd en de consumptie was hoger, waardoor ieder kwartaal beter was verlopen dan gedacht. Nederland zat twee jaar in een lelijke recessie, maar die was dus beduidend minder diep.

Schermafbeelding 2016-07-14 om 00.29.45

In 2014 groeide het bbp weer. Niet met 1% zoals eerder geraamd, maar met een stevige 1,4%. Genoeg om de twee voorgaande recessiejaren goed te maken. Onder andere in de bouw ging het beter, we consumeerden meer en de internationale handel zat mee.

Geen neerwaartse spiraal
Met deze opwaartse bijstelling verandert ook het verhaal over de ‘kapotbezuinigde economie’. Juist in 2013 en 2014 trapte het kabinet hard op de rem. Bezuinigingsplannen en lastenverzwaringen uit voorgaande kabinetten, eigen beleid en extra begrotingsakkoorden, telden op tot een cumulatie van miljardenbezuinigingen in deze twee jaar. Veel economen vreesden en voorspelden dat de Nederlandse economie hierdoor in een neerwaartse spiraal terecht zou komen. De bezuinigingen zouden daardoor vooral nieuwe tegenvallers veroorzaken, en zo zichzelf ongedaan maken.

Aan de hand van de definitieve groeicijfers van het CBS kunnen we concluderen dat die vrees op z’n minst overdreven was. De economie herstelde sterk, dwars door de bezuinigingen heen. Natuurlijk, zonder de bezuinigingen en lastenverzwaringen was het vast sneller gegaan, maar van een kapotbezuinigde economie was echt geen sprake.

Die conclusie mogen we met echte inkt in de geschiedenisboeken neerpennen.

Belastingparadijs

George Osborne is een efficiënte man. Maandag wist de Britse minister van financiën met een enkele opmerking maar liefst vier grote vraagstukken definitief te beantwoorden. Osborne kondigde aan deBritse vennootschapsbelasting te verlagen naar 15%. Nu is het tarief nog 20%. De verlaging is bedoeld om het bedrijfsleven te laten zien dat het land nog altijd open is for business. Ondernemers die twijfelen of het Verenigd Koninkrijk na de brexit nog een goede vestigingsplaats is, moeten met het lage tarief over de streep worden getrokken. Geen lid van de EU, wel een belastingparadijs, dat is de boodschap.

De maatregel levert ons vier bewijzen. Ten eerste: niemand in het Verenigd Koninkrijk heeft nagedacht over de gevolgen van de brexit. Ten tweede: alle Britse politici liegen. Drie: Europese samenwerking is belangrijker dan ooit. En vier: de EU is nog lang niet af. Ik loop ze alle vier graag even langs.

De verlaging van de winstbelasting heeft alles van een paniekmaatregel. Onrust onder multinationals — hoe voorspelbaar die ook was — moet blijkbaar worden bezworen met een miljarden kostende botte maatregel als deze. De brexit is zo slecht doordacht dat de minister van financiën niets beters weet te bedenken dan met stapels bankbiljetten te gooien, in de hoop dat banken en bedrijven zijn land niet verlaten.

Dezelfde Osborne beweerde voorafgaande aan het referendum dat een leave-stem juist zou leiden tot hogere belastingen en extra bezuinigingen. Mochten de kiezers tegen EU-lidmaatschap stemmen, dan zou hij genoodzaakt zijn om een noodbegroting in te dienen met voor 30 miljard pond aan hogere lasten en lagere uitgaven. Zijn eerste maatregel blijkt echter een belastingverlaging. Iedereen loog over de brexit, ook Osborne.

De Britse belastingverlaging toont ook aan dat Europese samenwerking in een wereld met multinationale bedrijven onmisbaar is. Met de lage vennootschapsbelasting probeert Osborne bedrijvigheid af te snoepen van andere landen. Het is een agressieve zet in de wedloop om het laagste belastingtarief, waar de landen gezamenlijk alleen maar door verliezen. Multinationals zijn de enige winnaars. Door deze wedren naar de bodem is het gemiddelde tarief voor de winstbelasting in Europa gedaald van 35% in 1996 naar nog geen 23% nu. Inkomstenbelasting moest omhoog om het gat op de begroting weer te dichten.

De Britse winstbelasting stond in 1996 op 33%. Als Osborne straks klaar is, is dat tarief meer dan gehalveerd. Alleen met Europese afspraken over harmonisatie of op z’n minst over minimumtarieven is deze belastingconcurrentie te stoppen. Wat ons brengt op het vierde antwoord: binnen de EU lukte het de afgelopen jaren niet om hier afspraken over te maken.

De EU is nog lang niet af. Maar weglopen, zoals de Britten doen, maakt het probleem alleen maar groter.

Knip-Uit-en-Bewaar-Feitenkaart voor al uw #Nexit-discussies

Er zijn veel manieren om naar de dramatische uitkomst van het brexitreferendum te kijken. De gewone Brit won van de elite, Engeland versloeg Schotland, de babyboomers overwonnen de millennials, het platteland nam de stedeling te grazen, of de reactionaire krachten waren sterker dan dan de progressieve. Het Britse electoraat viel donderdag in vele groepen uiteen.

Maar ik zie de uitslag toch vooral als een nederlaag van feit op fictie. Via emotionele halve waarheden en hele leugens wist het brexitkamp de harten van iets meer dan de helft van de Britten te veroveren. Het hoofd deed even niet mee.

Zoals dat gaat, veranderden de brexiteers direct na de uitslag volstrekt van toon. Boris Johnson, die tijdens de campagne de EU nog achteloos vergeleek met het nazirijk, vond nu — als ware hij een staatsman — dat Groot-Brittannië ‘de rug niet naar Europa kan keren’. En Ukip-leider Nigel Farage verklapte vrijdagochtend dat de belofte om na een brexit £350 mln pond per week extra aan gezondheidzorg uit te geven een ‘vergissing’ was geweest. De overwinning was binnen, de leugentjes konden worden weggepoetst.

Met een beetje pech trekt deze fabelkaravaan nu door naar het Europese vasteland. Op twitter zijn de hashtags #frexit (een vertrek van Frankrijk, ongetwijfeld onder leiding van Marine Le Pen) en #nexit (Nederland, Geert Wilders), al behoorlijk populair. Zelfs pogingen om #hunxit en #italexit trending te maken zijn niet bij voorbaat kansloos. Het Vlaams Belang droomt hardop van een #vlexit.

 

Ben ik een ‘elitaire eurofiel’ als ik nu al preventief moe word van de hopeloze, feitenvrije discussies die dit allemaal gaat oproepen? Ongetwijfeld. Maar ik zeg het toch. Het was al tenenkrommend om vanaf de zijlijn te zien hoe de discussie in Groot-Brittannië ontspoorde. Hoe hou je goede zin als zo’n discussie in Nederland wordt gevoerd? Wat zeg je straks tegen een nexit-voorstander die stelt dat Nederland beter zelf handelsverdragen kan afsluiten dan in EU-verband, dat de EU ons miljarden kost die we ook aan gezondheidszorg kunnen uitgeven, of dat — zoals in het Verenigd Koninkrijk werkelijk werd beweerd — Syrië binnenkort toetreedt tot de EU?

Ik vrees toch dat we dat soort fabeltjes alleen met feiten kunnen bestrijden. Niet meebuigen, niet vergoelijken, maar ieder leugentje methodisch ontmantelen. En niet alleen door de pers, in speciale factcheckrubriekjes, maar iedere dag door iedereen en overal in het land. We moeten Nederland bedelven onder een ‘tsunami van feiten’, om onze nexitleider te parafraseren.

Ik doe hier een voorzetje. In plaats van de gebruikelijke grafiek vindt u bij deze rubriek vandaag een gratis ‘Knip-Uit-En-Bewaar-Feitenkaart’. Knip hem netjes uit langs de perforatielijn, vouw hem op en steek de kaart in uw portemonnee of in het hoesje van de telefoon. Belandt u dan in trein of café in een discussie over een nexit, haal dan zelfverzekerd de kaart tevoorschijn en vertel met ernst en gezag over het belang van de Europese Unie voor de Nederlandse economie.

Schermafbeelding 2016-07-02 om 20.34.44

De kaart is brexitproof: voor zover mogelijk gaan de cijfers uit van een EU zonder het Verenigd Koninkrijk. Daarom is het EU-aandeel in de Nederlandse goederenexport niet de huidige 71%, maar 63%. Onze dienstenexport is voor 44% afhankelijk van EU-landen exclusief het Verenigd Koninkrijk. Dat zijn indrukwekkende percentages. Voor de import is Nederland iets minder afhankelijk van de EU, maar ook na de brexit halen we bijna de helft van de goederen uit Europa. Ons vermogen is voor 39% belegd in EU-landen, en omgekeerd levert de EU 42% van onze financiering.

Ongetwijfeld zal in zo’n nexitdiscussie de enorme hoeveelheid geld die Nederland aan Brussel moet overmaken ter sprake komen. Wijs er dan op dat dit per saldo om €280 per inwoner gaat, en dat alleen al de interne markt iedereen minstens €1500 rijker maakt. Beweert uw opponent dan toch nog dat de grenzen allemaal dicht moeten, informeer dan beleefd hoe we dat met meer dan 350 grensovergangen precies praktisch gaan regelen.

Ik wens u een feitenvolle discussie!

Gezond verstand gaat op vakantie

Direct na uitschrijven van een referendum begint het gezonde verstand met koffers pakken. Het neemt een sabbatical en gaat in een ver land uitrusten van jarenlang hard werken aan redelijke compromissen en afwegingen.

Voor het gezond verstand is er geen plaats in een referendumcampagne. Nuancering en relativering zijn nutteloze concepten, als de burger slechts de keuze heeft uit twee opties: ja of nee, in of uit. Alleen aan extreme meningen is behoefte, want die trekken de kiezer het duidelijks een kant op.

Tijdens het brexit-debat in het VK laten beide kanten zien dat ze dit mechanisme prima begrijpen. De voorstanders van een EU-lidmaatschap kwamen met op zich redelijk onderbouwde cijfers over de mogelijke economische gevolgen van een brexit; voor zover je dat kunt uitrekenen waren die behoorlijk zwaar. Maar minister van Financiën George Osborne vond het toch nodig om daar afgelopen zondag flink overheen te gaan. Op tv waarschuwde hij: ‘Persoonlijk denk ik echter dat het heel wat erger dan dat kan worden’.

Hoezo denkt hij dat? En waarom is het relevant wat hij denkt, als er dikke rapporten liggen die de schade in alle redelijkheid proberen vast te stellen? Uiteraard omdat hyperbolen prima werken als het gezonde verstand met vakantie is.

Sinds de afschuwelijke moord op parlementslid en EU-pleitbezorger Jo Cox, vorige week, lijken kansen voor een brexit weer wat afgenomen. Iedereen doet alsof het ene logisch volgt uit het andere, maar het geeft vooral aan hoezeer het brexit-referendum gaat over emotie in plaats van verstand.

Nergens wordt dat zo goed begrepen als in het kamp van de ‘Brexeteers’. De campagne van brexit-kopstukken Boris Johnson, Michael Gove en Nigel Farage wordt vanaf de eerste dag gevoerd met een clusterbombardement aan emotie-oproepende leugens. Op de brexit-campagnebus staat dat het VK dagelijks 350 miljoen pond aan Brussel overmaakt. De keurige UK Statistics Authority noemt dit getal ‘misleading, maar de bus wordt niet overgeschilderd.

Turkije zou op het punt staan om lid van de EU te worden, waarna het land wordt overspoeld door Turkse migranten. En de Britten kunnen daar niets tegen doen. (Onwaar, iedere lidstaat heeft een veto). Gezondheidszorg zou kraken onder de komst van EU-migranten, terwijl deze in werkelijkheid gewoon meebetalen. Migranten zouden ook massaal banen van Britten inpikken, terwijl al het onderzoek die stelling tegenspreekt. Criminelen mogen gewoon het VK binnenlopen (onwaar), Britten verliezen alle stemmingen Brussel (56 verloren, 2466 gewonnen) en van Europa mogen kinderen geen ballonnen opblazen (onzin).

Alle mythes worden door oprechte mensen op redelijke websites ontkracht en gecorrigeerd. Maar alleen het gezonde verstand wil die websites bezoeken. Zodra het terug is van vakantie.

Nederland is het beste land ter wereld, op Zwitserland na

De champagne mag open, want Nederland is weer aangehaakt bij de kopgroep. Tijdens de crisisjaren waren we in het tragere peloton beland, maar dit jaar is de Nederlandse economie terug in de top 10 van meest concurrerende economieën ter wereld. We komen binnen op plaats 8.

In 2009 behoorde Nederland voor het laatst tot de tien meest concurrerende landen. In de vijf daaropvolgende jaren bleven we steeds hangen rond de 14de, 15de positie. Maar nu de economie opkrabbelt, herstelt in Nederland ook de concurrentiekracht.

Dat beweren althans de onderzoekers van het Zwitserse onderzoeksinstituut IMD. Zij stellen ieder jaar het ‘World Competitiveness Scoreboard op, waarin ze op basis van honderden indicatoren landen rangschikken naar concurrentiekracht. Begin deze week kwam de editie voor 2016 uit met daarin de eervolle 8ste plaats voor Nederland.

Subjectieve gegevens
Op een andere concurrentieranglijst staat Nederland echter al op plaats 5. Het World Economic Forum (WEF) maakt ook ieder jaar de balans op, met de ‘Global Competitiveness Index’. HetWEF berekent de concurrentiekracht net op een andere manier. Waar IMD focust op harde, meetbare cijfers (zoals koopkracht en uitgaven aan R&D), geeft het WEF meer gewicht aan subjectieve gegevens, zoals vertrouwensindicatoren en meningen van ondernemers.

Op de ranglijst van het WEF is Nederland nooit uit de top 10 gevallen. Wel zakte ons land in de crisisjaren terug naar plaats 10 (in 2010), maar inmiddels staan we dus al weer keurig in de top 5. Alleen Zwitserland, Singapore, de Verenigde Staten en Duitsland zijn concurrerender dan Nederland.

Het kan nog mooier. Het Franse Insead berekent jaarlijks de ‘Global Innovation Index’. Die index meet de innovatiekracht van landen. Op de Insead-ranglijst staat Nederland op plaats 4 met alleen Zwitserland, het Verenigd Koninkrijk en Zweden voor ons.

Schermafbeelding 2016-06-20 om 19.19.46

Er zijn ranglijsten en ranglijsten
Natuurlijk is er op ieder ranglijstje wel wat af te dingen. Neemt men de juiste indicatoren mee? Zijn cijfers van verschillende landen te vergelijken? Valt concurrentie of innovatie wel te meten? Het zijn terechte vragen. Maar in plaats van een nauwgezette analyse van de voor- en nadelen van ieder lijstje, stel ik een ander antwoord voor: laten we alle ranglijsten eens op elkaar leggen. Wat de ene ranglijst slecht meet, meet de andere misschien juist goed, dus zo’n ‘meta-ranglijst’ kan betrouwbaarder zijn dan de afzonderlijke lijsten.

Daarom neem ik van ieder land de plaats op de ranglijst en tel die bij elkaar op.Zwitserland bijvoorbeeld, staat tweede op het World Competitiveness Scoreboardvan IMD en eerste bij zowel de Global Competitiveness Index van WEF en deGlobal Innovation Index van Insead. Bij elkaar krijgt Zwitserland op onze meta-ranglijst dus vier punten.

Daarmee staat het land uiteraard bovenaan. De tweede plaats is voor de VS (11punten), dan komt Singapore (11 punten) gevolgd door — ex aequo — Zweden en Nederland (17 punten). Als het om concurrentie en innovatie gaat, zijn er slechts drie landen beter dan Nederland.

Ontkurken maar
Maar het kan nog mooier, want er zijn nog meer mondiale ranglijsten. De UNDPberekent jaarlijks de ‘Human Development Index’. Deze indicator kijkt naar deeconomie in veel bredere zin. Er is meer dan economische groei, vindt de UNDP. Gezondheid en onderwijs bepalen ook het ontwikkelingsniveau van een land.Nederland staat vijfde op deze lijst. Als we dit toevoegen aan de meta-lijst, stijgt Nederland naar de derde plaats, achter Zwitserland en de VS.

Ik voeg nog één ranglijst toe: die van het gelukkigste land. Want uiteindelijk dient de economie de mens en niet andersom. Uit het jaarlijkse ‘World HappinessReport’ van economen Jeffrey Sachs en Richard Layard haal ik de Happiness Ranking. Nederland staat daar met een 7de plaats hoger op dan de VS (19de), dus op de meta-lijst halen we de Amerikanen in. Alleen de Zwitsers blijven ons (ruim)voor.

De conclusie luidt: Zwitserland is het beste land ter wereld. Maar Nederland is een goede tweede. Champagne!

(FD)

Vrije keuze

‘Ik wil een fles van je beste wijn en zeg de kok zijn allerbeste gerecht te bereiden.’ Het is de taal van de relaxte multimiljonair die een toprestaurant inloopt. Als geld geen rol speelt, hoef je de menukaart niet te zien, want wie van alles het beste bestelt heeft nooit last van keuzestress.

Armoedzaaiers als u en ik hebben die luxe niet. Wij zijn veroordeeld tot het nauwkeurig spellen van de menukaart. Oesters zijn lekker maar duur, varkenssaté is goedkoop maar ongezond. De Bordeaux is onbetaalbaar, maar van de huiswijn krijg je hoofdpijn. Het kost veel denkkracht om de juiste keuze te maken — als ons dat al lukt.

Gelukkig maar dat we bij echt belangrijke zaken niet hoeven te kiezen. Bij ons pensioen, bijvoorbeeld. Iedere werknemer zit verplicht bij het pensioenfonds dat bij zijn bedrijf of sector hoort. Switchen is verboden. De polder heeft al voor ons gekozen, dus van keuzestress heeft niemand last.

Toch zijn er onverlaten die vinden dat we ons pensioenfonds wel moeten kiezen. In het pensioenstelsel van de toekomst zou de deelnemer zelf moeten beslissen bij welk fonds hij spaart. Geen gedwongen winkelnering meer. Vakbonden, pensioenbesturen en sommige politici vinden dat een buitengewoon slecht idee. Mensen willen helemaal niet kiezen, zeggen zij. Mensen willen gewoon het beste pensioen. Bovendien blijkt uit gedragsonderzoek dat mensen vaak verkeerde keuzes maken. Dat moeten we niet willen.

Maar volgens mij moeten we het juist wel willen. Of mensen kiezen leuk vinden of perfect kunnen, heeft er niets mee te maken. Vrije keuze dwingt de pensioenfondsen om een goed pensioen tegen zo weinig mogelijk premie te leveren.

We kiezen niet omdat dat leuk is, maar omdat het discipline afdwingt. Want vergis u niet, wie iedere dag zonder op de prijs te letten vraagt om de beste wijn en het beste gerecht, krijgt na verloop van tijd waterige wijn en inferieur eten. En een duur pensioenfonds met een verwaterde dekkingsgraad en inferieure indexatie. Keuzevrijheid is de productiefactor die kwaliteit en efficiëntie genereert.

In de supermarkt liggen dertig verschillende soorten chocoladerepen omdat smaken verschillen en kiezen soms dus leuk is. Maar er staan ook vijf merken vrijwel identieke halfvolle melk in de koeling, omdat de supermarkt onze keuzevrijheid gebruikt om de melkfabrikant te disciplineren. Melk kiezen is voor de klant niet leuk, maar wel noodzakelijk.

Moeten we dan straks allemaal avonden studeren op welk pensioenfonds het beste is? Welnee, dat is het mooiste van keuzevrijheid: wie niet wil kiezen kan meeliften op de disciplinerende keuzes van anderen. Ik ben nog nooit van ziektekostenverzekeraar of stroomaanbieder veranderd, want ik weet dat de keuzevrijheid van andere klanten mijn aanbieder disciplineert. Wat wil je nog meer?