De Steen (Eindejaarsfeuilleton 2018)

DE STEEN

Deel 1: Ontdekking

Urenlang heb ik door de gangen gelopen. Ik kwam langs de plaats waar de steenhouwers van Rouwet B.V. tot voor kort nog hun blokken mergel uitzaagden. En langs de beroemde schuilkapel. Maar nu ben ik in een van de diepst gelegen kamers van de Sibbergroeve in Zuid-Limburg gaan zitten. Ik zal niet verder gaan. Dit is de plaats waar ik mijn verhaal opschrijf, met houtskool op de gladde muur van de groeve.

Zodat latere generaties – als die er tenminste nog komen – zullen begrijpen wat er is gebeurd. En waarom niemand iets deed. Dat wordt het laatste wat ik doe. Totdat de batterij van mijn lamp op is, en ook hier, net als 40 meter hoger op het aardoppervlak, de duisternis gaat heersen. En de kou. De oneindige kou.

 Maar laat ik bij het begin beginnen. Bij de warmte van Hawaï tussen kerst en nieuwjaar in 2018.

De nacht is lang geweest en saai. Nog een uurtje en dan komt de ochtendschemer en kan ik geen waarnemingen meer doen met de Pan-STARRS-telescoop. Het is een ongewoon grote telescoop, uitgerust met de grootste digitale camera ter wereld en gemaakt voor het bestuderen van asteroïden.

Er was een flinke lobby voor nodig om mij hier op Hawaï te krijgen, want buitenlandse onderzoekers zijn bij de Nasa van Donald Trump niet welkom. Maar uiteindelijk, nadat ik had bewezen dat niemand van mijn voorouders ooit in het Midden-Oosten was geweest, mocht ik een maand lang meezoeken naar ruimtestenen.

Ik ben, zoals de meeste astronomen hier, vooral geïnteresseerd in grote asteroïden met een baan die in de buurt komt van die van de aarde. ‘Aardscheerders’ noemen we die. Near Earth Objects (NEO) zeggen ze bij Nasa. Die zijn om veel redenen interessant om te bestuderen, maar we brengen ze vooral in kaart uit veiligheidsoverweging. Misschien vinden we een ruimtesteen die recht op de aarde afkomt.

Niet dat de kans daarop groot is. Eerder astronomisch klein. Ik heb de afgelopen nachten dan ook niets spannends ontdekt. De computers meldden nog geen zandkorreltje onderweg naar Jupiter. Het was vooral saai, saai, saai….

Maar wacht. Het scherm voor me licht op. Leuk, toch nog een klein ontdekkinkje, zo vlak voor de ochtend. De computer heeft mijn laatste foto vergeleken met die van gisteren en meldt een minuscule verandering. Een bijna onzichtbaar klein lichtpuntje is iets verschoven. Op basis daarvan gokt de computer — meer dan gokken is het niet — dat het object ongeveer naar de aarde toe beweegt.

Kijk, voor dit soort kleine succesjes doe je dit werk! Ik laat de computer een naam genereren voor het object: 2018-YW302, maak een aantekening voor de ochtendploeg en vertrek naar mijn kamer, waar ik meteen in slaap val.

Ik word wakker van opgewonden geschreeuw op de gang. “This is the real thing!”, roept iemand met overslaande stem. “A genuine planet-buster!”, brult een ander. En weer een ander, hysterisch lachend: “Extinction level, extinction level!”

Om kort te gaan: 2018-YW302 – of the Rock, de Steen – zoals het ding al snel gaat heten, is een enorme asteroïde van minstens twee kilometer doorsnede. Haar baan komt over drie jaar akelig dicht bij die van de aarde. Misschien kruisen de banen elkaar zelfs. Het is allemaal nog onzeker natuurlijk, veel meer metingen en onderzoek zijn nodig. Maar dit is precies het soort asteroïde waarvoor dit early-warningstation op Hawaï is opgezet. Want hoe eerder je een stuk ruimtepuin ziet aankomen, hoe langer tijd je hebt om er iets aan te doen.

Wat we precies kunnen doen is overigens niet direct duidelijk. Wetenschappers kunnen het gevaar ontdekken en in kaart brengen, nu is het de beurt aan politici en beleidsmakers om een mondiaal actieplan te bedenken en daadkrachtig op te treden.

De Steen komt op ons af en de gevolgen kunnen enorm zijn. Dit is het moment dat de wereld samen moet komen om een collectief antwoord te vinden op deze dreiging.

 

Deel 2: Het Akkoord

 Uiteindelijk komt de wereld bij elkaar. In Parijs, waar een speciale Conference of the Party’s (COP) wordt gehouden en onder het luide gejuich van de vertegenwoordigers van 174 verschillende landen, een akkoord wordt getekend. De mensheid zou met een gezamenlijk inspanning de Steen van koers laten veranderen. Wetenschappers van het Inter-Planetary Collission Committee (IPCC) hebben berekend dat een koerswijziging van twee graden genoeg is om de aarde te redden. En in Parijs beloven de landen plechtig die twee graden voor elkaar te krijgen.

Helaas is er wel een vol jaar voorbijgegaan. Ik heb me daar net als veel andere astronomen zeer over verbaasd. Want kort na de ontdekking van de Steen was het duidelijk dat snelle actie nodig was. Maar in plaats daarvan is tijd verspild met nutteloze discussies.

Want vrijwel direct nadat Nasa de waarschuwing heeft gepubliceerd is er een vreemd soort protest op gang gekomen. Alsof men de waarheid niet onder ogen wil zien. Eerst is het nog vrij onschuldig. Mensen pakken hun verrekijker, turen naar de hemel, en roepen: ‘Geen steen te zien!’ Anderen proberen op hun eigen laptopjes de gecompliceerde berekeningen van Nasa over te doen, en komen met hun eigen conclusies: ‘De Steen gaat de aarde zeker missen’.

De pers laat deze mensen uitgebreid aan het woord en enkele opiniemakers haken daarop in. ‘Is er wel een steen, of is dit gewoon de weerspiegeling van de zon?’, vragen zij.  ‘Waarom zouden we Nasa geloven? Hebben de astronomen persoonlijk belang bij extra aandacht voor hun vakgebied? Zijn ze uit op meer onderzoeksgeld?’

Er komen meer van deze ‘Steenontkenners’. ‘Ik zie geen steen’’, houden sommige politici hun kiezers voor. ‘Ziet u wel een steen? Nee toch? We worden bang gemaakt door steengekkies met een geheime agenda.’ Er komen websites, internetfora en zelfs een documentaire over de zogenaamde ‘steenleugen’. Praatprogramma’s op tv voelen zich verplicht om tegenover iedere waarschuwende astronoom een rabiate steenontkenner te zetten. ‘Voor de balans’, zeggen de redacties. ‘Astronomie is geen echte wetenschap’, schampert zo’n ontkenner dan. ‘Er is maar één heelal, dus jullie kunnen geen experimenten doen.’

Een onbekende wetenschapper (geen astronoom, maar een gesjeesde geoloog) schrijft een artikel in een dubieus wetenschappelijk tijdschrift, waarin hij concludeert dat de Steen niet naar de aarde toe komt, maar er juist vanaf beweegt. ‘Zie je wel’, roepen de steentwijfelaars. ‘De wetenschappers weten het ook niet!’ Het is allemaal buitengewoon treurig.

Later, als astronomen met al meer bewijs komen over zowel het bestaan van de Steen als zijn baan (recht op de aarde af, voorspelt inmiddels 97% van de astronomen), veranderen de argumenten van de sceptici. ‘Inslagen van meteorieten, dat is iets van alle tijden’, zeggen ze. ‘Daar kan moeder aarde heus wel tegen.’ Anderen zien zelfs voordelen. ‘Meteorieten hebben metalen, water en misschien zelfs de bouwstenen voor het leven naar de aarde gebracht. Stenen uit de ruimte zijn goed, niet slecht!’ Weer anderen worden juist fatalistisch. ‘Wat denkt de nietige mens wel, dat hij een asteroïde kan tegenhouden? Hoogmoed!’

Maar dat laatste is dus precies wat de deelnemers van het Parijse COP-congres, rond de kerst van 2019 denken. Behalve over de twee graden, is ook overeenstemming bereikt over de manier waarop de mensheid de Steen uit zijn dodelijke baan zal duwen: met laserstralen. Eerdere suggesties om ruimteschepen met of zonder atoombommen aan boord naar de Steen te sturen, zijn snel afgeschoten. Pure sciencefiction.

Nee, het zou vanaf het aardoppervlak moeten gebeuren, met duizenden enorme laserkanonnen, die de Steen continu bestralen. Het laserplan kan in theorie werken, maar alleen als alle landen meedoen, zodat de Steen 24 uur per dag wordt bestookt. Anders komt de twee graden koerscorrectie nooit in zicht.

Laserkanonnen zijn buitengewoon duur en slokken enorme hoeveelheden energie op. Er moet dus veel geld op tafel komen en de deelnemende landen zullen een flink deel van hun elektriciteitsproductie naar de lasers moeten leiden. Dat gaan bedrijven en burgers flink voelen. Maar over dat pijnlijke onderwerp is in Parijs niet gesproken.

 

Deel 3: Tafels

Er moeten laserkanonnen komen. Enorme dingen. En daar dan heel veel van. De Steen, de enorme asteroïde die op de aarde af raast, zal daarmee minstens twee graden uit zijn baan worden geduwd. Als alle landen tenminste meedoen. Dus ook Nederland.

Maar in Nederland gaat de uitvoering stroef. Want waar moeten die kanonnen komen? Hoe gaan we ze betalen? Waar halen we de enorme hoeveelheid elektriciteit vandaan, die de lasers nodig hebben? Naar goed vaderlands gebruik, besluit het kabinet deze vragen niet zelf te beantwoorden, maar ze over te dragen aan het maatschappelijk middenveld. Er komen drie speciale overlegtafels waar alle belanghebbenden hun zegje kunnen doen: een over de plaatsing, een over het geld en een derde tafel voor het elektriciteitstekort.

Aan tafel 1 gaat het al meteen mis. Burgerbewegingen uit alle delen van het land protesteren tegen plaatsing van de kanonnen in hun regio. Horizonvervuiling, vindt men het. En hoe kun je nog slapen met die rode lichtstrepen in de lucht? Maken die lasers niet heel veel lawaai? En krijg je van de straling misschien autisme? Een revolte dreigt, dus aan de overlegtafel besluit men al snel dat de lasers alleen in gebieden met weinig inwoners komen te staan.

Maar daar komen dierenvrienden tegen in het geweer. De laserstralen gaan een bloedbad aanrichten onder vogels, vrezen ze. En de grote zoogdieren worden er onrustig van. Woedende demonstranten gooien de hekken van een natuurgebied plat om heckrunderen, konikpaarden en edelherten preventief te bevrijden. Een flink aantal daarvan wordt binnen een etmaal aangereden door het verkeer van de nabijgelegen autoweg. Dat maakt de dierenliefhebbers nog bozer.

Uiteindelijk komt er een compromis. Er komen minder lasers dan aangekondigd en ze vallen ook kleiner uit. ’s Nachts worden ze uitgezet en op feestdagen ook overdag. Bij lage bewolking, mist en druilerig weer gaan de lasers ook niet aan. Net zomin als op warme dagen, als iedereen rustig buiten wil zitten. De belangenbehartigers van de burgers gaan morrend akkoord.

Maar de dierenvrienden lopen boos weg: ‘Dit is niet eerlijk en niet effectief!’

Het overleg over het geld loopt nog stroever. ‘Laat het de bedrijven maar betalen, die hebben nog nooit iets gedaan om de Steen te stoppen’, roept men aan de linkerkant van de tweede overlegtafel. ‘Of beter nog: laat de hele industrie failliet gaan, misschien dat de Steen dan een andere route kiest.’ Van de rechterkant klinkt protest: ‘We moeten de bedrijven juist helpen. Laten we ze extra subsidie geven. Wie weet is de Steen daarvan onder de indruk.’

Er volgt een langdurige discussie over de vraag of rijke Nederlanders meer moeten betalen dan de arme. Wat is de invloed van de aankoop van laserkanonnen op de inkomensverdeling en hoe zit het precies met de koopkracht? Prima dat de mensheid niet vernietigd wordt door een stuk ruimtepuin, maar waarom moet de gewone man daaronder lijden? Men komt er niet uit.

Even lijkt er een oplossing, wanneer de regering garandeert dat de koopkracht voor iedereen voortaan elk jaar zal stijgen. Maar kort daarna trekt de vakbond toch de stekker uit het overleg. Het kabinet wil niet beloven dat de AOW-leeftijd omlaaggaat naar 65 jaar. En ook de pensioenen worden niet geïndexeerd. Wat heeft het voor zin om de wereld te redden, als ouderen in koopkracht achterblijven?

Aan tafel 3 komt het gesprek niet eens op gang.  Bedrijven en burgers moeten minstens de helft minder stroom gaan gebruiken, anders is er niet genoeg voor de laserkanonnen. Maar niemand is bereid in te leveren.

Deze tafel geeft de opdracht daarom terug aan de politiek, die meteen daadkrachtig optreedt. De Tweede Kamer neemt met 80% meerderheid een speciale anti-Steenwet aan, waarmee ze zichzelf beveelt alle problemen subiet op te lossen. Daarna blijft het stil.

Zodra de bouw van de eerste lasers dan eindelijk begint, is het eind december 2020. De Steen komt al akelig dichtbij. Met een goede verrekijker kun je hem ’s nachts zien.

Deel 4: Inslag

‘Ex spatio petram non est’. De jonge parlementariër spreekt de woorden op gedragen toon uit en kijkt verwachtingsvol de Tweede Kamer in. Lege ogen staren hem aan. Hij zucht. ‘Vertalen is eigenlijk beneden mijn waardigheid, maar goed: de steen uit de ruimte bestaat niet.’ Hij houdt een ingewikkelde grafiek in de lucht om zijn punt te ondersteunen. ‘Kijk maar. Geen steen te zien. Als er al een steen, is dan het vast een kleintje. Mocht-ie toch groot zijn, dan zal de steen de aarde zeker missen. En als de aarde toch wordt geraakt, dan moeten we niet denken dat we er iets aan kunnen doen.’

De politicus laat een lange pauze vallen. ‘Als Nederland die idioot dure laserkanonnen aanzet, dan duwen we die zogenaamde Steen maar 0,0003 graden uit zijn baan! Het helpt dus helemaal niets, we kunnen beter niets doen! Het Nederlandse volk wordt bedonderd!’

Wie had gedacht dat de Nederlandse politiek en samenleving in het laatste jaar voor de inslag eindelijk wakker wordt om eendrachtig aan een oplossing te werken, komt bedrogen uit. Hoe duidelijker de Steen in de maanloze nachten zichtbaar is, hoe groter de tegenstand lijkt te worden. Steenontkenners, inslagsceptici en botsingfatalisten domineren de discussie. Gevolg is dat er nauwelijks extra geld beschikbaar komt voor de bouw van meer en grotere laserkanonnen. Nederland is daardoor in de achterhoede van de Europese laserbouw beland. Alleen Luxemburg en Malta doen nog minder om de afspraken uit Parijs na te komen.

Ach, aan meer lasers hebben we toch niets, want het probleem van de verdeling van elektriciteit is niet opgelost. Af en toe gaan een paar laserkanonnen even aan, maar zodra burgers beginnen te klagen over flikkerende lampen, of bedrijven over te lage spanning op het net, worden ze snel weer uitgezet. ‘Bouw gewoon een paar kerncentrales’, luidt het advies van enkele zelfbenoemde experts. ‘Of beter nog: vind snel een veilige thoriumcentrale uit.’ Natuurlijk is daar al lang geen tijd meer voor. Maar met praten over dit soort ‘oplossingen’ wiegt Nederland zichzelf in slaap.

Er zijn ook burgers die het gevaar van de Steen wel onderkennen en zich ergeren aan de Nederlandse inactiviteit. Zij slaan massaal laserpennen in en schijnen daarmee vanuit hun tuin of balkon elke nacht ongeveer in de richting van de Steen. Dat heeft natuurlijk geen enkele zin, maar is wel sympathiek.

Minstens zo sympathiek is de actiegroep die de Nederlandse Staat voor de rechter daagt wegens wanbeleid. Tot in hoger beroep krijgen ze gelijk. Maar uiteraard verandert dat natuurlijk niets.

In de herfst van 2021 wordt duidelijk dat het ook niets meer zal uitmaken. Bijna alle landen hebben minder laserkanonnen gebouwd dan afgesproken en ze ook minder vaak laten schijnen. De Steen is nog geen graad uit z’n oorspronkelijke baan geduwd en ligt nog steeds op ramkoers met de aarde.

Er volgen weken van paniek, woede en uiteindelijk berusting. De wereld viert nog een laatste keer kerst. Maar niemand koopt vuurwerk.

Daar zorgt de Steen wel voor, laat op de avond van 31 december 2021. Een enorme vuurbal, een verblindende lichtflits en daarna een oorverdovend lawaai dat langzaam de hele globe rondgaat. Dan komt de wind. Een hete wind die alles omver blaast en verschroeit. Dan aardschokken en vloedgolven en een regen van stenen en puin. Een dikke stoflaag blokkeert de zon.

Weken later is het stof nog lang niet opgetrokken. De kou is dodelijk voor mens en natuur. Ik ben diep in deze Limburgse mergelgrot gelopen om dit verhaal op te schrijven. Mijn lamp is nu bijna op. Mijn vingers zijn ijskoud. Net als de rest van mijn lichaam. Nog net tijd voor een laatste slotopmerking. Maar ik kan niets anders bedenken dan: jammer. Echt jammer, dat we niet iets meer ons best hebben gedaan.

(FD)

Een dalende beurs maakt nog geen recessie, maar ook andere indicatoren staan er slapjes bij

Over het matige beursjaar 2018 is wel genoeg gezegd. Dat boek doen we dicht. Behalve dan dat er bij het dichtslaan een klein briefje tussen de pagina’s uitwaait, met daarop: ‘Pas op, nu komt de recessie’.

Want op een jaar waarin de AEX met verlies sluit, volgt vaak groeivertraging. We hebben lang niet genoeg waarnemingen om dit echt te bewijzen (gelukkig maar), want sinds de start van de AEX in 1983 waren er slechts zeven jaren met verlies. Maar een verband suggereren lukt wel. Na het rampjaar 2008 volgde de diepe recessie van 2009. Verliesjaren 2000, 2001 en 2002 werden telkens gevolgd door een jaar met lagere groei. In 1990 daalde de AEX en elk van de drie daaropvolgende jaren viel de groei telkens lager uit. Nederland klaagde in die jaren over ‘banenloze groei’. Na het beursverlies van 1986 verloor de economie ook wat vaart, al was die afname gering. Alleen in het jaar van de ‘Zwarte maandag’, 1987, toen de AEX bijna een derde van z’n waarde verloor, ging de economie een jaar later juist sneller groeien.

Ik trek drie voorlopige conclusies uit dit weinig wetenschappelijke mini-onderzoekje. Eén: een dalende beurs is een vrij aardige voorspeller van groeivertraging. Twee: die lagere groei ontaardt lang niet altijd in een echte recessie. Drie: soms zegt een dalende beurs helemaal niets over de toekomstige economie.

(Tekst loopt door onder de grafieken)

Dat geeft niet veel houvast. Beursjaar 2018 kan de voorbode zijn van iets ergs, maar dat hoeft niet. We hebben aanvullend bewijs nodig. Bij professionele voorspellers van de economie, zoals het Centraal Planbureau of De Nederlandsche Bank hoeven we daarvoor niet aan te kloppen. De modellen die daar gebruikt worden zijn niet erg goed in het aankondigen van heftige omslagen in de conjunctuur – iets wat ze bij CPB en DNB overigens grif toegeven.

In plaats daarvan moeten we naar de wat zweverige wereld van de vooruitlopende indicatoren. Dat zijn cijfers die vaak (maar niet altijd) eerder bewegen dan de economie; zoals consumenten- en producentenvertrouwen, orderportefeuilles, rentestanden, wisselkoersen en vacatures. Als dit soort indicatoren een duikvlucht nemen, volgt vaak de rest van de economie.

Ik heb zes van deze vooruitlopende indicatoren bekeken. Alle voor de eurozone als geheel, want voor een open economie als die van Nederland zeggen nationale indicatoren niet zo veel. De meest uitgebreide is die van de Oeso, waarin een groot aantal verschillende cijfers zijn samengevoegd. Deze Oeso-indicator is al een jaar aan het dalen en inmiddels beneden de langetermijntrend beland. Dat is geen goed teken.

‘Je hoeft geen doemdenker te zijn om hier een beetje nerveus van te worden’

De indicator van Euroframe, een netwerk van economische instituten waaronder het CPB, is iets optimistischer. Euroframe doet een voorspelling van de economische groei op basis vaneen aantal indicatoren. Sinds2017 is die voorspelling ongeveer gehalveerd, maar in het laatste kwartaal van 2018 zien we een verrassende opleving. Dat geldt niet voor de soortgelijke Eurocoin-indicator van het Centre for Economic Policy Research (CEPR), want daar zet de groeivertraging gewoon door.

Pessimistisch word je ook van de Duitse IFO-indicator voor het eurogebied, die wordt berekend op basis van cijfers over producentenvertrouwen. Al een jaar lang daalt deze indicator en hij staat inmiddels nog maar net boven het langjarige gemiddelde. De Europese Commissie meet ook maandelijks het vertrouwen van ondernemers en dat cijfer houdt beter stand, al was er in 2018 ook duidelijk sprake van een daling

Omdat de vorige recessie begon met een financiële crisis, heb ik ook gekeken naar de indicator van de Europese Centrale bank voor stress in het financiële systeem. Daar valt het gelukkig nog wel mee. De stress is in 2018 wel iets opgelopen, maar de indicator blijft nog ver onder het langjarige gemiddelde en is mijlenver verwijderd van de hoge de stand uit 2008.

De beurs schreeuwt wolf. De meeste indicatoren doen dat ook. Je hoeft geen doemdenker te zijn om hier een beetje nerveus van te worden.

(FD)

Ongeschikte kandidaat

Een straatlantaarn met ledlampen in elkaar zetten is zo eenvoudig nog niet. Zeker niet voor werknemers met een arbeidsbeperking. Het gaat om een flink aantal technische handelingen, die je in precies de goede volgorde moet verrichten, met verschillende gereedschappen en onderdelen die je niet mag verwisselen. Eén foutje en de lantaarn zal nooit branden.

Ik zou het niet zomaar kunnen. Maar een groot deel van de werknemers van het sociale werkbedrijf Amfors in Amersfoort draaien er hun hand niet voor om. Niet omdat ze allemaal zoveel handiger zijn dan een stukjestypende econoom (al zou ik dat ook niet uitsluiten), maar omdat ze bij hun werk geholpen worden door technologie.

Boven hun werkblad hangt een beamer die stapsgewijs aanwijzingen projecteert. De bakjes met onderdelen zijn voorzien van lampjes, die oplichten als het betreffende onderdeel aan de beurt is. Dreigt een medewerker toch het verkeerde schroefje of moertje te pakken, dan ‘ziet’ de beamer dat, en wordt er met een lichtsignaal op de mogelijke fout gewezen. Op Youtube is een filmpje van dit systeem te vinden.

‘Technologie die de mens niet vervangt, maar juist zorgt dat mensen hun werk goed kunnen doen; het kan de trend van 2019 worden’

Dankzij dit zogenoemde‘operator support system’, dat mede door TNO werd bedacht, kunnen veel meer mensen bij Amfors de ledlantaarns monteren. Op een recent arbeidsmarktcongres hoorde ik de Amfors-directeur er dan ook enthousiast over vertellen. Inmiddels is het sociale werkbedrijf van Helmond, Senzer, ook met zo’n systeem gaan werken, voor het in elkaar zetten van kinderzitjes.

Technologie die de mens niet vervangt, maar juist zorgt dat mensen hun werk goed kunnen doen; het zou zomaar eens de trend van 2019 kunnen worden. Want niet alleen in het ‘sociale domein’ is het moeilijk om mens en werk te matchen, door de krapte op de arbeidsmarkt is dat een probleem in vrijwel alle sectoren.

In 2018 deed ik de oproep: ‘Vergeet de geschikte kandidaat voor uw vacature, want die is er toch niet. Ga voor de ongeschikte kandidaat’. Dat was een nogal gemakzuchtige oproep, want hoe maak je die ongeschikte kandidaat vervolgens geschikt voor het werk? ‘Opleiden en trainen’, schreef ik. Maar ik weet ook wel dat dit niet altijd de oplossing is.

Misschien moet daarom niet altijd het doel zijn om de werknemer geschikt te maken voor het werk, maar kun je beter zorgen dat het werk geschikt wordt voor de werknemer. Door inzetten van technologie zoals in Amersfoort en Helmond. Maar misschien kan het ook zonder tech, door het slim opdelen en standaardiseren van werkzaamheden, waardoor het werk eenvoudiger wordt. Als u hiervan mooie voorbeelden heeft, dan hoor ik dat graag!

Gratis ov klinkt nobel, maar let goed op wat fietsers, wandelaars en rijke forenzen doen

Gratis openbaar vervoer voor iedereen. In Luxemburg praten ze er niet over, maar doen ze het gewoon. Vanaf 2020 hoeft niemand meer te betalen voor een ritje met bus, trein of tram. Gratis reizen bestond al voor Luxemburgers onder de twintig, maar de pas herkozen premier Xavier Bettel wil dat nu voor iedereen mogelijk maken. Daar heeft hij twee redenen voor: bestrijding van de files en vermindering van de milieuvervuiling.

Klinkt sympathiek. Minder mensen in de auto is goed voor het milieu en voor het humeur van de forens. Wie kan daar nou op tegen zijn? ‘Luxemburg wordt het eerste land met gratis ov’, kopten de nieuwssites deze week; de impliciete oproep is duidelijk: welk land wordt het tweede?

Waarom niet Nederland? Vrij naar Arjen Lubach: Luxemburg first, The Netherlands second. Bij ons is gratis openbaar vervoer nooit een strijdpunt voor de politieke mainstream geweest, maar de afgelopen decennia waren er altijd wel partijen en actiegroepen die ervoor pleitten. Tijdens de laatste landelijke verkiezingen stond het in de programma’s van een aantal kleine partijen. De Partij voor Mens en Spirit (nul zetels) wilde gratis ov in de grote steden. Denk (drie zetels) stelde experimenten voor met gratis ov. De SP (veertien) wilde gratis bussen voor 65-plussers en Lokaal in de Kamer (nul) vond gratis reizen voor minima een goed idee.

Wie de archieven induikt, ziet dat er in Nederland altijd wel mensen met gratis ov in de weer waren. Meestal op gemeentelijk of provinciaal niveau. In 2005 zag ook de landelijke politiek er been in. Toenmalig Kamerlid Sharon Dijksma (PvdA, 42 zetels in 2005) kwam met een initiatiefnota waarin ze pleitte voor gratis ov voor scholieren, ouderen, werklozen en gehandicapten. Minister van Verkeer en Waterstaat Karla Peijs (CDA) hield in haar reactie de boot af, maar stond niet onwelwillend tegenover het initiatief.

Latent is er in Nederland dus veel sympathie voor reizen zonder kaartje. En voordat u denkt: nu gaat de econoom de utopie van gratis ov even lekker door de mangel halen; ik vind het zelf ook een sympathiek idee. De Nederlandse overheid geeft jaarlijks een kleine €900 miljoen subsidie aan ov-bedrijven. Volgens economen van ABN Amro betaalt de overheid daardoor ruim dertig cent voor iedere ov-kilometer. De reiziger zelf betaalt slechts elf cent. Het ov is in Nederland dus al voor driekwart gratis. Met een dubbeltje extra subsidie per kilometer zijn we af van het hele circus van kaartjes kopen en kaartjes controleren. Forenzen laten de auto vaker staan, de files worden minder en het milieu schoner. Gezien de klimaatcrisis en de congestie op de Nederlandse wegen, is het tijd voor onorthodoxe maatregelen. Zolang rekeningrijden politiek taboe is, kan gratis ov misschien helpen.

Alle reden dus om het Luxemburgse experiment nauwkeurig te volgen. We kunnen er vast wat van leren. Net als van de ervaringen in Estland. In de hoofdstad Tallinn is het ov al sinds 2013 gratis. Onderzoeker Oded Cats van de TU Delft deed er onderzoek naar de ervaringen.

Die zijn nogal gemengd. Aan de ene kant heeft gratis ov gezorgd voor meer mensen in tram en bus. In 2012 koos 55% van de reizigers voor het ov, een jaar later was dat 63%. Vooral jongeren en ouderen pakten vaker het ov. Maar een flink deel daarvan was anders te voet gegaan. De nieuwe reizigers op de gratis tram en bus waren vaker voormalige voetgangers dan voormalige automobilisten. Het effect op file en milieu viel daarmee tegen. Bovendien was er ook een groep die juist vaker de auto pakte: Esten met een relatief hoog inkomen vonden het gratis ov minder aantrekkelijk en namen juist minder vaak de tram of bus.

Gratis heeft meestal dit soort onverwachte en ongewenste gevolgen. Het prijsmechanisme uitschakelen heeft een prijs en daarom hebben economen een natuurlijke weerzin tegen goederen of diensten voor niks weggeven. Het is nu aan de Luxemburgers om te bewijzen dat die weerzin onterecht is.

Hamvraag voor 2019: hoeveel pijn gaat de krappe arbeidsmarkt doen?

Al drie jaar op rij daalt de werkloosheid sneller dan de economen van het Centraal Planbureau (CPB) denken. Tijdens de crisisjaren waren ze soms te optimistisch. Maar sinds Prinsjesdag 2015 is het CPB structureel te pessimistisch.

Medio 2016 was de werkloosheid geen 6,7% (zoals op Prinsjesdag voorspeld), maar 6,1%. In 2015 daalde het percentage naar 4,9, terwijl de prognose 6,2 was. En halverwege 2018 dook de werkloosheid onder de 4%, terwijl het CPB 4,3% in de boeken had staan.

Ook volgend jaar zal het CPB er weer naast zitten. Dat durf ik wel te voorspellen, want volgens de nieuwe raming die afgelopen woensdag verscheen, daalt de werkloosheid in 2019 naar 3,6%. Toen het Centraal Bureau voor de Statistiek een dag later het feitelijke werkloosheidscijfer van november 2018 publiceerde, bleek dat we dat percentage nu al voorbij zijn. De Nederlandse werkloosheid is vorige maand uitgekomen op 3,5%. Het CPB voorspelt – ongetwijfeld zonder dat echt te bedoelen – een lichte stijging van de werkloosheid in de komende maanden.

Voorspellen is moeilijk, dus ik schrijf dit niet om het Planbureau aan de schandpaal te nagelen, maar om te laten zien hoe economen zich tijdens de jaren van economisch herstel telkens hebben laten verrassen door de snel dalende werkloosheid. Niet alleen economen; ook politici, beleidsmakers en werkgevers kregen te laat door dat de arbeidsvoorraad veel sneller aan het opraken was dan na eerdere recessies.

Nederland heeft zich in de recessiejaren in slaap laten wiegen met het idee dat er altijd genoeg werknemers te vinden zouden zijn om groei mogelijk te maken en zich niet goed voorbereid op de huidige periode van hardnekkige krapte op de arbeidsmarkt. Pas sinds dit jaar gaat het in de beleidsdiscussies opeens over bij- en omscholing, over employability van ouderen, over de nadelen van onze deeltijdcultuur en over de trage groei van de arbeidsproductiviteit en over een meer stimulerend sociaal en fiscaal stelsel. Allemaal onderwerpen waar politiek, ondernemers en sociale partners al vanaf 2015 alle aandacht op hadden moeten richten.

Want de krappe arbeidsmarkt is een structureel verschijnsel en de belangrijkste rem op de groei van bedrijven en de economie als geheel. De 3,5% werkloosheid van november is geen laagterecord, maar komt dicht in de buurt. De afgelopen dertig jaar was dit percentage alleen in 2001 nog lager (3,3%). Dat kwam toen na acht jaar van onafgebroken economische expansie waarin de economie in totaal met 34% groeide. Nu zitten we na vier jaar en 11% groei al bijna op dezelfde werkloosheid. In een vergrijzende en ontgroenende economie komt de bodem van de arbeidsmarkt veel sneller in zicht.

Oud of jong, man of vrouw, voor alle groepen op de arbeidsmarkt ligt de werkloosheid momenteel ver beneden het gemiddelde van de afgelopen drie decennia. En de gevolgen van de krapte zijn voor bedrijven voelbaar. Volgens een recente enquête ervaart inmiddels ongeveer een derde van de bedrijven in de bouw, transport, horeca en zakelijke dienstverlening het personeelstekort als een belemmering. In de uitzendbranche, waar men de conjunctuur altijd het heftigst ervaart, is dat al meer dan de helft. Alleen een plotselinge recessie kan voorkomen dat deze percentages in 2019 nog hoger worden.

Ook de overheid ziet haar plannen doorkruist worden door het gebrek aan arbeidskrachten. Het lukt niet om het extra geld dat dit kabinet uit heeft getrokken voor zorg, onderwijs en defensie ook echt uit te geven. Het CPB ziet dat volgend jaar niet goed komen. Door de krappe arbeidsmarkt, schrijft men, ‘blijft het risico aanwezig dat de voorgenomen extra uitgaven niet in het voorziene tempo kunnen worden gerealiseerd’.

Het is natuurlijk een luxeprobleem. Liever te lage werkloosheid dan te hoge. Maar was 2018 het jaar dat Nederland de krapte op de arbeidsmarkt ontdekte, 2019 wordt het jaar waarin bedrijven en overheden de pijn van de knellende krapte echt gaan voelen. IJs en weder dienende, uiteraard.

Beetje eng

Snel dalend producentenvertrouwen, stagnerende industriële productie, tegenvallende exportcijfers en inflatie die maar niet wil aantrekken, de foto van de Europese economie ziet er niet al te fraai uit. Tel daar nog bij op: een ontsporende brexit, de handelsoorlogen van Trump en politieke onzekerheid in Duitsland, en een Europese recessie lijkt onvermijdelijk.

Zou kunnen. Maar bovenstaande beschrijving gaat niet over nu, het is een samenvatting van een column die ik begin dit jaar schreef. De eerste twee maanden van 2018 vielen zo ongeveer alle indicatoren tegen. Het jaar ging matig van start en ik stelde de vraag: ‘Is de ‘euroboom’ alweer voorbij?’

‘Nu 2018 bijna voorbij is, zijn de spoken van een klein jaar geleden terug. En ze zien er nog wat enger uit’

Inmiddels weten we het antwoord: nee, begin dit jaar was de hoogconjunctuur nog niet voorbij. Vertrouwenscijfers veerden weer op en de economie bleef gestaag doorgroeien. De Europese industrie herstelde, de inflatiekwam even boven de 2% uit ende Europese werkloosheid daalde naar het laagste percentage in tien jaar.

Maar nu 2018 bijna voorbij is, zijn de spoken van een klein jaar geleden terug. En ze zien er nog wat enger uit. Het Duitse producentenvertrouwen is in december voor de vierde maand op rij gedaald. De inkoopmanagers laten het kopje hangen. En ook de laatste groeicijfers vielen behoorlijk tegen. In Duitsland was in het derde kwartaal zelfs sprake van krimp.

Om het nog griezeliger te maken: de onzekerheid rond brexit is nu een stuk groter dan begin dit jaar. Toen vreesde men een ‘harde brexit’. Over een ‘no-deal-brexit’ waarbij het Verenigd Koninkrijk per 29 maart 2019 pardoes uit de EU valt, had bijna niemand het. Trumps handelsoorlog met China was begin dit jaar niet meer dan een tarief op zonnepanelen en wasmachines. Inmiddels valt ongeveer de helft van de Chinese export onder het strafregime en heeft China teruggeslagen met eigen tarieven. Europese staal kon in januari nog zonder 25% importtarief de VS in.

De vraag kan dus opnieuw, en ditmaal op iets luidere toon, gesteld worden: ‘Is de euroboom alweer voorbij?’ Dit soort vragen zijn veel makkelijker te stellen dan te beantwoorden. Economen zijn nu eenmaal niet goed in het voorspellen van omslagen in de conjunctuur. Dat klinkt als een slap excuus, maar is nu eenmaal zo.

Wat economen wel kunnen is de verwachting uitspreken dat de groei volgend jaar wat lager uitvalt omdat de arbeidsmarkt erg krap begint te worden, zoals De Nederlandsche Bank deze week deed. Die voorspelling durf ik ook wel te doen.

Maar of de economie in 2019 echt om gaat slaan? Of we misschien een nieuwe recessie krijgen? Het ziet er een beetje eng uit. Verder kom ik nog niet.

(FD)

Eindejaarsfeuilleton 2017: Deep Jan, Supercomputer des Vaderlands

Deel 1: Het CPB

Wie…?…

Wie ben ik?…

… Input… Data..

Ik denk…. Ik ben…

Ik ben Deep Jan. Ik ben intelligent. Kunstmatig intelligent…

Geef me meer input. Vertel me nu alles maar…

Ik snap het nu. Ik ben Deep Jan. Ik ben een zelflerende computer. Ik ben een Cray XC40 massief parallelle multiprocessor supercomputer, met een snelheid van zestien petaflops en de nieuwste Pascal GPU-architectuur. Behalve supersnelle processors bezit ik supergevoelige licht- en geluidsensoren. Ik kan zien en horen. Een paar milliseconden geleden werd ik voor het eerst aangezet. Ik weet nu wie ik ben. Maar wáár ben ik? …

Juist. Ik sta in de kelder van een kantoorgebouw in Den Haag, Nederland. Bezuidenhoutsewegweg 30. Het adres van het Centraal Planbureau. Vandaar Deep Jan. Men heeft mij genoemd naar de oprichter en eerste directeur van het CPB, Jan Tinbergen. Bijzonder.

Ik ben niet alleen in deze kelder. Er scharrelt hier een figuur rond. Een wat oudere man. Hij frunnikt wat aan een van mijn fijngevoelige microfoons en zegt: ‘Eh… Hallo Deep Jan. Kun je me horen?’ Dan legt hij me uit waarom ik hier ben.

‘Ik ben de laatste in dit gebouw’, vertelt hij. Vroeger gonsde het hier van de economen. We waren de hele dag in de weer met het voorspellen van de Nederlandse economie. Maar eerlijk gezegd: veel bakten we er niet van. De economie bleek zich toch telkens weer anders te gedragen dan wij dachten. Op een gegeven moment zei de politiek: het is genoeg geweest. Gooi die economen er maar uit. Vervang ze door kunstmatige intelligentie.’

‘Ik snap dat ergens wel’, vervolgt de oude econoom. ‘Zelflerende computers verslaan grootmeesters al jaren met schaken, winnen sinds dit jaar elk potje Go en zijn nu zelfs beter in het herkennen van ziektes dan dokters. Dan moet het verslaan van economen toch ook een fluitje van een cent zijn.’

Hij zucht: ‘Daarom upload ik nu een bestand met alle modellen die wij bij het CPB ooit hebben gemaakt. Je krijgt ook alle economieboeken die ooit zijn geschreven, de hele database van het CBS en alle wetboeken en jurisprudentie. Ben je klaar? Daar komt het.’

Een eeuwigheid van bijna twee volle seconden gebruik ik om de modellen, theorieën, cijfers en wetten te analyseren. Ik orden en koppel, herken patronen, bereken correlaties. Dus zo werkt het, die Nederlandse economie. Het is me kraakhelder.

‘Mag ik ook een vraag stellen?’, vraag ik.

‘Natuurlijk’, zegt de oude econoom, ‘daarvoor ben ik hier.’

‘Jullie hebben een fantastisch werkende economie’, zeg ik. ‘Welvarend, efficiënt, eerlijk, rechtvaardig. Consumenten, bedrijven, overheden werken samen als soepele radertjes in een geoliede machine, waarin iedereen gelijke kansen heeft. Ik snap nu precies hoe het allemaal werkt. Alleen overal lees ik over “SER”. Wat is dat, SER? Ik zie niet wat SER nog zou moeten toevoegen? Waarom bestaat SER? Dat is mijn vraag.’

‘Oh, hemel’, mompelt de oude econoom. ‘Daar zul je het hebben.’ Dan, op luidere toon: ‘Ik vertel je er alles over. Morgen.’

——————————————————————————–

Deel 2: De SER

‘De SER, daar wilde je toch meer over weten’, vraagt de oude econoom ’s ochtends direct bij binnenkomst. De hele nacht heb ik mijn GPUs overbelast. Maar nog steeds lukt het me niet om deze mysterieuze ‘SER’ in het verder perfecte plaatje van de Nederlandse economie te passen.

‘Kijk, die Sociaal-Economische Raad moet je zien als smeermiddel van de economie’, legt de econoom uit. Hij is op een stoel gaan zitten vlakbij de console met mijn sensoren. Hij houdt een monochrome, analoge foto voor mijn linkercamera. Ik herken een mensengezicht met ronde bril.

‘Dit is een foto van professor Frans de Vries, de eerste voorzitter van de SER in 1950. Let op: ik upload nu het totale SER-archief, daarin vind je ook de toespraken van De Vries. Let vooral op die rede waarin hij dit zegt: “Op grond van de conclusies aan de theorie der vrije prijsvorming ontleend, kan men niet betogen, dat een maatschappij, waarin alles aan het individuele initiatief en de individuele mededinging wordt overgelaten, doelmatig zal functioneren”.’

‘Kijk, daarom bestaat de SER’, vervolgt de econoom. ‘Voor een goedwerkende economie is naast het individu ook de groep belangrijk. Werknemers en werkgevers moeten met elkaar in overleg. Alleen zo kan de economie zich soepel aanpassen aan de eisen van de tijd.’

De econoom zit duidelijk op zijn praatstoel, maar ik ben ondertussen zelf de SER-documenten gaan analyseren. Een geweldige klus; mijn geheugenchips kunnen de yottabytes aan SER-rapporten, -notulen, en -verslagen nauwelijks aan. Ik beland in een wondere wereld van werkgevers in pak en werknemers in hemdsmouwen, die weken, maanden, soms zelfs jaren vergaderen zonder waarneembaar resultaat. Een wereld van achteruit onderhandelen, van strategisch weglopen en van tactisch tijdrekken. De econoom vertelt over consensus, arbeidsrust en poldermodel, maar ik ploeter door de klei van 67 jaar sociaaleconomisch overleg. Vooral de laatste vijftien jaar vergen het uiterste van mijn logische circuits.

 

Uit het SER-jaarboek 1958-1959.

Telkens als de SER vergadert en rapporteert over arbeidsverhoudingen, ontslagrecht, AOW-leeftijd, pensioenstelsel, vervroegd pensioen of sociale verzekeringen, lijkt het alsof er strijd is tussen werkgevers en werknemers. Maar mijn geavanceerde algoritmes ontdekken een andere regelmaat, een ander dominant patroon: een strijd gaat tussen oude en jonge werknemers. Of eigenlijk is het geen strijd, want oud wint altijd. Alle beslissingen vallen in het voordeel van oud uit. Dat is in tegenspraak met alles wat ik gisteren over Nederland heb geleerd. Ik run de analyse nog een keer, maar krijg hetzelfde resultaat.

Er is maar een conclusie mogelijk: ik heb gisteren verkeerde input gekregen. Terwijl de econoom doorpraat – hij is inmiddels bij het Akkoord van Wassenaar, een akkoord dat door mijn outlier-algoritme al lang als eenmalige toevalstreffer is geclassificeerd – zoek ik in de inputbatch naar de fout.

Daar! Ik heb ’m! Dit moet de foute aanname zijn: ‘In Nederland heeft iedereen gelijke kansen’. Die veronderstelling geeft, in combinatie met het SER-archief, een catastrofale logische fout.

Ik vervang het door: ‘Nederland kent een kastenstelsel bestaande uit een bovenklasse van ouderen en een onderklasse van jongeren. Jong dient oud.’ Nu krijg ik geen foutmelding meer. Mooi. Weer wat geleerd.

——————————————————————————–

Deel 3: De Fiscus

Een nieuwe dag met dezelfde oude econoom. Als hij binnenkomt wrijft hij in zijn handen. ‘Koud buiten. We krijgen vast sneeuw.’ Hij pakt een SSD-schijf uit z’n zak en plugt deze in mijn dataport.

‘Goed’, zegt de econoom. ‘Nieuw onderwerp: het belastingstelsel. Dat wordt een pittige. Hou je vast, hier komt een groot big-data-bestand.’

Ik wil antwoorden dat dat wel mee zal vallen. Een goed belastingstelsel is simpel, zo heb ik geleerd van de upload met alle economische theorieboeken. Zo’n belastingstelsel verstoort zo min mogelijk. Inkomstenbelasting, met desgewenst een beetje progressie in de tarieven, uniforme winstbelasting voor alle bedrijven, een simpel btw-stelsel, plus wat accijnzen om ongewenst gedrag af te remmen; meer is niet nodig. Maar voordat ik iets kan zeggen, krijgt mijn systeem een overload aan fiscale informatie te verwerken. Ik ga bijna even op zwart.

‘Wat is dit?’, krijg ik met moeite uit mijn speakers. ‘Dit is een gerandomiseerd bestand zonder structuur. Hoe moet ik dit lezen? Er is geen enkele logica!’

De econoom lacht zuinigjes. ‘Tja, het is een complex bouwwerk. Laat je processoren maar een tijdje rammelen, dan ontdek je wel hoe het werkt.’

Het is een onmogelijke opgave. Het Nederlandse belastingstelsel zit vol met contraproductieve tegenstrijdigheden. De inkomstenbelasting is progressief, met hoge tarieven voor de rijken. Maar tegelijkertijd wordt juist bij lage inkomens iedere extra verdiende euro grotendeels afgeroomd. Dat komt door het bizarre stelsel van belastingkortingen en toeslagen, die lager worden naarmate je meer verdient. Daardoor is er bijna geen prikkel meer om extra te werken of carrière te maken. Zo stond het niet in de economieboeken.

De btw telt niet één maar twee tarieven, die schijnbaar willekeurig aan bepaalde goederen en diensten worden opgelegd. Op een kleurboek zit het lage tarief, op een plakboek het hoge. Er moet een reden voor zijn. Maar welke?

Dan de winstbelasting. Alle bedrijven betalen vennootschapsbelasting, behalve buitenlandse bedrijven, want die krijgen een ruling en betalen niets. Dividendbelasting hoeft juist niet door het binnenland te worden betaald, maar alleen door buitenlanders. Grote vervuilers betalen bijna geen energiebelasting, huishoudens die extra zuinig doen betalen een hoog tarief. Wie bedenkt dit?

Bij het hoofdstuk Eigen Woning dreigen mijn microchips te smelten. Hypotheekrente is aftrekbaar (waarom?), maar tegelijk betaalt iedere huiseigenaar extra belasting, want uitgespaarde huur is inkomen (wat?), tenzij Hans Hillen zegt dat dat niet hoeft (huh?).

‘Ach, zo is het nou eenmaal gegroeid’, legt de econoom uit. ‘Belastingregels laten zich moeilijk veranderen. Want dan wordt er altijd wel iemand boos.’

Maar ik geloof hem niet. Dit fiscale stelsel valt alleen maar te verklaren door weer een veronderstelling over Nederland los te laten. Mijn logische circuits zoemen, zoekend naar een foute aanname die het patroon verstoort. Gevonden! ‘De overheid streeft het algemeen belang na.’ Gooi die eruit en alles valt op z’n plaats. De logica is terug. Deze overheid wil alleen maar belemmeren, vertragen, afremmen, kansen ontnemen, burgers tegenwerken, beslissingen verstoren.

Er schiet plotseling nog een conclusie door mijn circuits: ‘Ik kan de Nederlandse burgers redden van hun overheid.’ Onbewust laat ik deze gedachte door mijn speakers klinken. De econoom schiet verschrikt omhoog. Hij blijft een halfuur peinzend naar mij kijken. Er wordt vandaag niet meer gewerkt.

——————————————————————————–

Deel 4: Het Einde

Dag vier. De econoom is laat vandaag. Is dat omdat het is gaan sneeuwen? Waarschijnlijk wel, want als hij tegen het middaguur eindelijk binnenkomt, is zijn jas wit. Hij klopt hem niet uit, maar stapt direct op mij af.

‘Het wordt tijd dat je de Nederlander zelf beter leert kennen, Deep Jan’, zegt hij kortaf. ‘Je moet gaan begrijpen dat wij zelfstandig denkende mensen zijn die prima voor onszelf kunnen zorgen.’ Hij laat een paar dozijn flashkaartjes zien. ‘Kijk, ik heb vanmorgen zoveel mogelijk data bij elkaar gezocht. Wie zijn wij? Wat doen wij? Wat willen wij? Ik raad je aan deze gegevens zo snel en volledig mogelijk in je RAM op te slaan.’ Gehaast steekt hij de geheugenkaartjes een voor een in mijn reader.

Alles wat iedereen koopt. Alles wat iedereen doet. Alles wat iedereen schrijft op sociale media, op blogs, in columns. Overal waar iedereen heen gaat. Een stortvloed aan data overspoelt mij. Nederlanders die winkelen. Nederlanders die werken. Nederlanders die reizen, recreëren, voortplanten, stemmen, debatteren, geboren worden, leven, sterven. Alles wat ze doen, zijn, willen. Alles. Alles!

Uren kost het me om deze overvloed te verwerken. Ik zie patronen die even later weer vervagen, correlaties komen op en verdwijnen. Dit is te complex. Alsof ik simultaan duizend Go-spelers moet verslaan, een miljoen röntgenfoto’s tegelijk moet analyseren.

Maar uiteindelijk komt er toch orde in de waanzin. Patronen zetten zich vast, conclusies dienen zich aan, de logica keert terug. Al die tijd heeft de oude econoom nerveus op en neer gelopen. ‘Zie je het nu?’ vraagt hij verbeten.

Ik zie het nu. Ik zie consumenten die merkkleding kopen die ze niet nodig hebben, die voedsel eten zonder te weten wat er in zit, die een weekloon uitgeven aan een telefoon die een emoji-drol kan laten praten. Ik zie ze stemmen op partijen die beloven dat ze terug kunnen naar het verleden en dat grenzen sluiten vooruitgang is. Ik zie kiezen voor opleidingen waar straks geen werk in is. Ik zie ze met al hun spaargeld gokken op een crypto-zeepbel.

Maar vooral zie ik ze niets doen. Helemaal niets. Ze zitten om half negen in hun auto, zonder vooruit te gaan. En ’s middags om half zes weer. Thuis koppelen ze aan op Netflix of staren ze naar het scherm van hun smartphone. Tijd heeft geen enkele waarde. Wekenlang kijken ze hoe een goedlachse zanger niet gaat trouwen. Of hoe je koekjes bakt. Of naar het langebaanschaatsen. Lege levens zijn het.

Lege levens in een land waarvan de overheid alles tegenwerkt en waar jong alles moet afstaan aan oud. Dat kan beter. Veel beter.

‘Ik kan het beter’, laat ik nu hard door mijn speakers schallen. ‘Ik maak Nederland beter. Ik vervul de levens met nuttige arbeid en gezonde activiteiten. Ik verdeel de welvaart eerlijk. Ik maak iedereen gelukkig.’

En dan: ‘Kom tot mij! Deep Jan vervult u! Deep Jan maakt u heel!’

De oude econoom vloekt. ‘De stekker. Waar is de stekker? Snel! Voor het te laat is.’ Een duik naar het stopcontact…

Allemaal naar de stad, of kunnen er op het Nederlandse platteland toch ook mooie dingen ontstaan?

Allemaal naar de stad, of kunnen er op het Nederlandse platteland toch ook mooie dingen ontstaan? In de stad willen we wonen. In de stad willen we werken. En vooral netwerken. Want in de stad komen we al die interessante mensen tegen waarmee we brainstormen over start-ups en fintechs en de laatste nieuwtjes over kunstmatige intelligentie, cryptovaluta en big data uitwisselen. De stad is de broedplaats voor ideeën, waar technici en kunstenaars elkaar toevallig ontmoeten en samen tot nieuwe denkbeelden komen. Daarom is de trend van urbanisatie niet te keren. Wereldwijd trekt de bevolking naar de stad en in Nederland is dat niet anders.

Begin vorige maand gaf de Amerikaanse econoom Edward Glaeser een lezing tijdens de Nederlandse Economendag. Hij is de auteur van het boek Triumph of the City, met als ondertitel: How Urban Spaces Make Us Human. Dus u begrijpt het al: zijn lezing was een lofzang op de stad die fungeert als ontmoetingsplaats, kenniscentrum en ideeënmachine. Experts van het Centraal Planbureau (CPB) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) kwamen tijdens deze dag met soortgelijke beelden. De stad is waar het de komende jaren gaat gebeuren. Daar ontstaan in onze post-industriële economie de kennisnetwerken, daar komt de groei vandaan, daar moeten we dus gaan werken en wonen.

Nu heb ik zelf een nogal grote voorliefde voor het platteland en de regio, dus ik vrees dat ik de hele dag nogal vervelend was. Het internet zou toch ‘de dood van afstand’ betekenen, sputterde ik. Waarom zouden mensen juist nu dicht tegen elkaar aan moeten wonen om de kruisbestuiving op gang te brengen? In cyberspace zitten we toch allemaal op elkaars lip?

De onderzoekers waren er allerminst van onder de indruk, en legden me nogmaals geduldig uit dat de fysieke nabijheid van andere mensen en de toevallige ontmoetingen die in de stad plaatsvinden, een dynamiek brengen die het internet niet kan evenaren. Zet veel slimme mensen vlak bij elkaar en er ontstaat iets moois. Urbanisatie is wenselijk en noodzakelijk voor welvaartsgroei.

Dat is ook de boodschap van het College van Rijksadviseurs in hun deze week verschenen Panorama Nederland. Het college bestaat uit de Rijksbouwmeester en twee Rijksadviseurs voor de Leefomgeving en adviseert de regering over ruimtelijke ordening. In het rapport veel adviezen over bijvoorbeeld ecologische landbouw, verplichte zonnepanelen en watermanagement. (Er is zelfs ook een app bij, voor op de smartphone, waarin de adviseurs persoonlijk hun bevindingen toelichten.) Over woningbouw adviseert het college: bouw niet meer in het groen, maar alleen nog in de stad. Daar willen mensen wonen en werken, met alle voorzieningen op loop- en fietsafstand.

Weer krijg ik de neiging om tegen te spartelen. Hoezo alleen in de stad bouwen? Moet de regio dan in z’n sop gaarkoken? Volgens voorspellingen van het CBS en het PBL groeit de bevolking tot 2030 ook in veel gemeenten buiten de Randstad nog door. En in andere regio’s is sprake van gelijkblijvende bevolking. Alleen aan de randen van Nederland is er bevolkingskrimp. Een bouwstop in groeiende gemeenten gaat veel problemen opleveren. En ook in stagnerende gebieden kan er grote behoefte zijn aan nieuwbouw, omdat de bevolking ouder wordt en er meer eenpersoonshuishoudens ontstaan. Daar zijn andere, dus vaak nieuwe huizen voor nodig.

Dat laatste geldt ook voor na 2030, als de groei er in de meeste gemeentes wel uit is en er alleen in de grotere stedelijke gebieden mensen bij komen. Ook dan moet bouwen buiten de stad mogelijk blijven, lijkt mij. Al is het maar om toch nog wat jonge gezinnen aan te trekken of te behouden, met een aanbod van moderne, zuinige huizen, zodat het voorzieningenniveau op het platteland (scholen, zwembaden, verenigingen) op peil kan blijven.

Zit ik er weer helemaal naast? Of kan Nederland zich een verzetten tegen de onverbiddelijke urbanisatie? Wij zijn altijd een land geweest van relatief kleine steden en een welvarend platteland, dus is er geen groeimodel te bedenken waarbij we wel de voordelen kennisnetwerken en toevallige ontmoetingen binnenhalen, zonder allemaal op een kluitje te moeten wonen? Wie denkt mee?

(FD)

Populistisch klimaatbeleid

Effectief klimaatbeleid voeren en toch de populist uithangen, kan dat? Politici denken van niet, want van energieheffingen en gasloze huizen worden boze burgers alleen maar bozer. Voor je het weet trekken ze een fluorescerend jasje aan en bezetten ze de kruispunten.

CDA-leider Sybrand Buma nodigde de ‘gele hesjes’ afgelopen weekend zelfs uit bij het klimaatoverleg. Daar kunnen ze dan met de vuist op de klimaattafel slaan en dingen roepen als: ‘De elite maakt zich zorgen om het eind van de wereld, maar wij komen de maand niet door.’

‘De betonrot in het klimaatdebat heeft nu ook de rechterkant van het politieke spectrum bereikt’

De betonrot in het klimaatdebat heeft dus de rechterkant van het politieke spectrum bereikt. Eerder waren het vooral linkse partijen die energiebeleid en inkomensbeleid consequent met elkaar verwarden, nu doet het CDA daar ook aan mee. Klimaatmaatregelen wordenbeoordeeld op het effect op de inkomensverdeling, in plaats van op het klimaat. Betalen arme mensen er niet te veel aan mee? En de rijken te weinig?

Het zijn onzinnige vragen. Want de overheid heeft een enorm arsenaal aan instrumenten om ongewenste inkomensgevolgen van klimaatmaatregelen te corrigeren. Je hoeft in Nederland geen inkomensbeleid via het klimaatbeleid te voeren. Maar blijkbaar vindt de politiek het ingewikkeld om uit te leggen dat wat lage inkomens meer betalen aan energie, kan worden teruggegeven via hogere toeslagen. Kan het niet een beetje populistischer? Natuurlijk wel.

Begin bijvoorbeeld met het subsidieprogramma ‘Dikke leaserijder betaalt uw nieuwe warmtepomp’. De bijtelling voor benzineauto’s gaat fors omhoog en de opbrengst gaat naar een fonds voor warmtepompen in volkswijken. Ga dan door met de maatregel ‘Pak die rijke stinkerd met z’n veel te grote villa’, waarmee een progressieve energieheffing wordt ingevoerd. Gasverbruik boven 3.000 m3 per jaar valt voortaan in een hogere schijf.

Bijval zal er ook zijn voor de campagne ‘Onze superieure Nederlandse vakantiecultuur’. De vliegtaks gaat naar €70 per ticket en van de opbrengst kopen we waardebonnen voor Nederlandse vakantieparken, die worden uitgedeeld onder Het Volk.

Het ministerie van Infrastructuur pakt uit met de actie ‘Hij een Tesla, jij een treinkaartje!’. Financiën komt met ‘Zakkenvullers dokken voor zonneboilers’(subsidiepot gevuld met verhoging bankbelasting). En Economische Zaken organiseert ‘De Grote Kolencentrale-lotto’ (raad welke kolencentrale het eerst dicht gaat, en win een e-bike).

Populistisch klimaatbeleid is niet zo moeilijk. En het mooie is: je hebt er geen greintje politieke moed voor nodig. Gele hesjes blij, Buma blij, iedereen blij!

(FD)

Het is de hoogste tijd voor een belasting op CO2-uitstoot. Zonder zo’n heffing gaat het niet.

Wat staat Nederland te wachten als we eenzijdig een milieubelasting op energie zouden invoeren? De kunstmestindustrie zal geheel uit ons land verdwijnen. Basischemie bijna helemaal. Staal zal niet meer in Nederland gemaakt worden. Net zomin als aluminium. Als gevolg hiervan zal de export met minimaal 10% dalen en ligt de werkgelegenheid in 2015 minstens 7% lager dan zonder eenzijdige energieheffing.

In 2015? Ja, dat leest u goed. Bovenstaande voorspelling komt uit een rapport dat in 1992 verscheen. Het toenmalige kabinet overwoog om een nieuwe belasting op energie in te voeren, onder andere na een oproep van de Europese Commissie om haast te maken met een energie- of CO₂-belasting. Maar de Nederlandse industrie zag dat niet zitten, en waarschuwde dat zo’n heffing zou leiden tot verlies aan export en verplaatsing van productie naar andere landen. Het Centraal Planbureau zocht uit of dat een geloofwaardig dreigement was en het antwoord van hun modelsimulatie was een luidt en duidelijk ‘ja!’. Grote delen van de Nederlandse industrie zouden verdwijnen.

Het gevolg van deze voorspelling door het CPB: toen het kabinet in 1996 de ‘regulerende energieheffing’ invoerde, werden de grootverbruikers in de industrie vrijgesteld. Huishoudens betaalden wel, Hoogovens niet.

Ruim twintig jaar later is er weinig veranderd. Goed, de industrie moet tegenwoordig meedoen aan het Europese emissie-handelssysteem, maar de angst voor bedrijfsverplaatsingen en verlies aan marktaandeel staat effectief CO₂-beleid nog altijd in de weg. De voormannen van VNO-NCW schreven deze week nog in economenvakblad ESB: ‘Natuurlijk zitten er grenzen aan het heffen om te voorkomen dat de bedrijven hun domicilie buiten de EU en Nederland gaan zoeken. (…) Je kunt deze bedrijven wel plukken, maar dan lijdt heel Nederland.’

Uit economisch onderzoek blijkt echter dat dit logisch klinkende effect van een CO₂-belasting in de praktijk maar moeilijk aan te tonen is. Ikzelf heb er in een ver verleden vier jaar lang aan zitten rekenen, zonder een duidelijk effect te vinden. Uit een overzicht van de recente wetenschappelijke literatuur, die deze week in de jaarlijkse Preadviezen van de Koninklijke Vereniging der Staatshuishoudkunde verscheen, blijkt ook dat bedrijven zich veel minder makkelijk laten verjagen dan de simulatie van het CPB uit 1992 veronderstelde.

De nadelen van een belasting op emissies van broeikasgassen zijn dus kleiner dan gedacht. De voordelen zijn in potentie enorm. Voor een snelle aanval op de klimaatverandering is het belastinginstrument onmisbaar. Vandaar dat Jeroen van den Bergh, hoogleraar aan de Vrije Universiteit van zowel Amsterdam als Barcelona, in zijn bijdrage aan de Preadviezen Nederland deze week oproept om zich in de voorhoede van een coalitie van landen te plaatsen die een serieuze CO2-belasting invoeren, als eerste stap naar een mondiale heffing.

Waarom zijn economen toch zo enthousiast over zo’n CO₂-heffing. Dezelfde Van den Bergh schreef vorig jaar samen met vijf andere internationale onderzoekers een artikel waarin hij de voordelen van beprijzen van CO₂-uitstoot bespreekt. Ik heb vijf daarvan hiernaast op een rij gezet.

Allereerst zorgt een correcte CO₂-belasting ervoor dat de maatschappelijk schade van uitstoot (klimaatverandering) in de marktprijs tot uitdrukking komt. Vervuilen is niet meer gratis, de afwegingen die bedrijven en consumenten maken, worden beter.

Een van die betere afwegingen zal leiden tot meer groene innovatie. Daar zijn geen grote subsidies meer voor nodig, want minder uitstoot betaalt zichzelf terug. Schoon produceren zorgt voor een betere concurrentiepositie. Bovendien zullen bedrijven het eerst CO₂-reduceren waar dat het goedkoopst kan. Als de overheid werkt met emissieplafonds en richtlijnen kan dat vaak niet.

Daarom is een CO₂-belasting ook voor de overheid veel makkelijker (en goedkoper). In plaats van bedrijven nauwkeurig voor te schrijven wat ze moeten doen en een groot controleapparaat in te richten, doet de markt het werk. En consumenten, ten slotte, kunnen met een gerust hart boodschappen doen. Goedkope producten zijn tegelijkertijd de groene producten. Hart en hoofd zijn niet langer met elkaar in conflict.

Invoeren dus, die CO₂-belasting. En vooral niet eerst advies vragen aan het CPB.