Deze handelsoorlog is geen kredietcrisis. Beste centrale bankiers, dit is niet jullie gevecht

Klaas wil het niet. Jens en Ewald willen het niet. En nu is ook Sabine tegen het idee van een nieuw opkoopprogramma. Op zich vormen ze nog lang geen meerderheid binnen de Europese Centrale bank. Maar nu het Nederlandse lid van de bestuursraad (Knot, voornaam Klaas, president van De Nederlandsche Bank) , het Duitse lid (Weidmann, Jens, Bundesbank), het Oostenrijkse lid (Nowotna, Ewald, Oesterreichische Nationalbank) en zelfs een van de zes directieleden van de ECB (Lautensläger, Sabine) zich publiekelijk hebben uitgesproken tegen een nieuwe ronde van kwantitatieve verruiming, wordt de volgende ECB-vergadering toch weer spannend.

Want het leek een voldongen feit: de ECB gaat dit najaar nog besluiten tot een nieuwe monetaire injectie. Hoogstwaarschijnlijk in de vorm van een nieuw opkoopprogramma, want de rentes staan al op het laagst mogelijke peil. De beurzen veerden op, deze zomer, toen deze suggestie werd gedaan. En op obligatiemarkten bleken de rentes nog negatiever te kunnen worden. Een activistische ECB, met ongeremde opkoopneigingen, zorgt voor extra liquiditeit en nog goedkoper krediet. Daar lusten de markten wel pap van!

Maar nu lijkt er toch een kink in de kabel te komen. Een opstandige minderheid van monetaire beslissers twijfelt over een nieuw opkoopprogramma. Krijgt de vertrekkende president Mario Draghi meer tegenstand dan verwacht? Zadelt hij zijn opvolger Christine Lagarde op met een tot het bot verdeeld bestuur?

Eerlijk gezegd hoop ik van wel. Een nieuw opkoopprogramma heeft volgens mij weinig zin. Is de rente die landen als Nederland en Duitsland op obligaties vergoeden nog niet negatief genoeg? Zullen de Italiaanse en Griekse economieën echt harder groeien als de lange rente nog lager wordt? Is de huizenmarkt in de Europese steden nog niet overspannen genoeg? Ik denk het niet dat het ons veel zal helpen.

Nu was ik ook al geen voorstander van de vorige opkoopoperatie van de ECB. In 2015 begon Draghi met het opkopen van staatsobligaties, omdat hij vreesde voor deflatie. In de jaren daarna zou de ECB voor meer dan €2500 mrd aan obligaties opkopen. Het grootste deel daarvan bestond uit staatsobligaties van de eurolanden. Er werd voor ruim €175 mrd aan bedrijfsobligaties opgekocht. En ook nog voor bijna €290 mrd aan gedekte obligaties (asset backed securities en pandbrieven). Wat was het effect van dit enorme opkoopprogramma? Volgens de ECB zelf daalde de lange rente met bijna een procentpunt en zorgde het programma voor hogere inflatie. Critici stellen dat de Europese economie eind 2015 al uit zichzelf was gaan groeien, dat de inflatie vooral opliep door stijgende grondstofprijzen.

Helaas is er geen parallel universum met een tweede eurozone waarin de ECB afzag van kwantitatieve verruiming, zodat we nooit zeker weten of de kwantitatieve verruiming veel heeft uitgemaakt.

Wat we wel weten is dat er in 2015 in elk geval nog een theoretische reden was om obligaties op te kopen. We kwamen uit de kredietcrisis en de eurocrisis en de kredietverlening leek niet op gang te komen. Met een beetje fantasie was vol te houden dat Europa kampte met een liquiditeits- en solvabiliteitscrisis waar de centrale bank in principe iets aan zou moeten doen.

Anno 2019 is dat absoluut niet het geval. Er is veel meer liquiditeit dan de markt kan absorberen en zelf een notoire wanbetaler als Griekenland kan nu op de kapitaalmarkt terecht. Dat de economie afkoelt heeft ditmaal geen financiële oorzaak. De handelsoorlogen van Donald Trump en de no-dealbrexit van Boris Johnson zijn de bron van alle ellende. Internationaal is de goederenhandel en industrie in een recessie beland, maar de monetaire omstandigheden hebben daarbij geen enkele rol gespeeld.

We zitten niet in een kredietcrisis, er is geen gebrek aan geld. De monetaire autoriteiten hoeven niet op te treden. Ze kunnen misschien een oproep doen aan de politiek om de handelsoorlog te beëindigen en een idiote no-dealbrexit te voorkomen. Maar verder hoeft hun rol deze keer niet te gaan.

Pak de zzp’er!

Er is een intrigant binnengeslopen in onze harmonieuze wereld. Een naargeestig wezen dat uit is op de ondergang van alles dat de Hardwerkende Nederlander de afgelopen decennia aan zekerheden en onvervreemdbare rechten heeft opgebouwd. Het is een virus dat gestopt moet worden. Tegen elke prijs.

Kom daarom allemaal naar het marktplein! Met fakkels en rieken! Dan pakken we de onderkruipers aan. Hoezo geen arbeidsongeschiktheidsverzekering? Zijn zzp’ers soms sterker, gezonder en beter dan wij? Sla ze met de dorsvlegel op hun vrije wil, net zolang tot ze een verzekering afsluiten. En waarom sparen ze niet verplicht voor hun pensioen? Zijn zelfstandigen soms superieure financiële planners, die hun pensioenpot op eigen houtje kunnen vullen? Waanzin! Kook ze op een laag vuurtje tot ze toegeven dat ze ook niet verder dan tien minuten vooruit kunnen plannen en vrijwillig instemmen met verplichte deelname in het vrijwel failliete pensioenfonds.

‘Wat denken ze wel, die zzp’ers, dat ondernemersrisico en eigen initiatief gewaardeerd worden in de 21ste eeuw?’

Maar daarmee zijn we er nog niet. Weten jullie wel dat zelfstandigen meer aftrekposten hebben dan gewone Nederlanders? Ze denken zeker dat ze niet hoeven bij te dragen aan het collectief. Nee, er is geen bewijs dat zelfstandigen minder meebetalen aan de dijken, scholen en lantaarnpalen, maar pak preventief toch maar al hun belastingvoordelen af. Alleen zo zullen ze leren dat ondernemerschap en zelfstandigheid niet worden gewaardeerd in dit land.

Wat denken ze wel, die zzp’ers, dat ondernemersrisico en eigen initiatief belangrijke eigenschappen zijn in de 21ste eeuw? Dan hebben ze het mis!  Een vaste baan, dat is het enige dat telt. Een leven van zekerheid, met ieder jaar een extra periodiekje en altijd de garantie van een Arbo-goedgekeurde bureaustoel. Echte Nederlanders klagen over het kroketje in de bedrijfskantine en zeuren dat er niet genoeg bijzondere verlofdagen zijn. Ze willen met vroegpensioen, het liefst nog volgend jaar. En als ze per ongeluk ontslagen worden omdat ze altijd te laat komen of geen enkele belangstelling voor hun werk hebben, dan stappen ze naar de rechter en krijgen een extra hoge transitievergoeding, omdat het allemaal zo buitengewoon oneerlijk is.

Nee, dan die ellendige zzp’er. Gelukkiger met z’n leven, minder last van stress en burn-outs, trots op wat hij of zij zelf heeft bereikt, beter in staat om voor zichzelf te zorgen en een bron van dynamiek voor de economie. Het is de zzp’er die vanwege z’n flexibiliteit de vaste baan van anderen mogelijk maakt en bij iedere recessie de eerste klappen opvangt.

Wat een walgelijk wezen! Pak pek en veren en jaag ze het land uit, zodat Nederland weer net zo bescheten en ambitieloos wordt als in die goede oude tijd.

(FD)

Pleidooi voor een Koopkrachtplaatjesloos Tijdperk

Na jarenlang nuanceren, kanttekeningen plaatsen en omstandig uitleggen waarvoor koopkrachtplaatjes wel en niet gebruikt kunnen worden, is het tijd voor drastische maatregelen. Nederland kan blijkbaar niet verstandig omgaan met de jaarlijkse stroom aan informatie over theoretische koopkrachteffecten. Men blijft de kunstmatige cijfers politiek misbruiken en laat zich telkens weer verleiden tot het voeren van inhoudsloos ad-hocbeleid om de zogenaamde koopkrachteffecten te repareren.

Stijgt de koopkracht van ouderen op papier minder dan die van jongeren met een baan? Dan moet de ouderenkorting omhoog. Blijven ouders in een huurhuis in de plaatjes achter bij alleenstaanden met een koopwoning? Dan moet er snel iets aan huursubsidie en het kindgebonden budget gebeuren. Gaat de berekende koopkracht van de mediane werknemer minder omhoog dan beloofd? Snel een hogere arbeidskorting voor iedereen!

‘De focus op koopkracht zorgt voor een fiscaal beleid zonder plan of visie’

De focus op koopkracht zorgt voor fiscaal beleid zonder plan of visie. In plaats van nadenken over de meest efficiënte en eerlijke manier om belastingen te innen, is de politiek bezig met fiscaal knip- en plakwerk, met als enige doel om de koopkrachtplaatjes er leuk uit te laten zien. Hoe vaak het Centraal Planbureau (CPB) ook waarschuwt dat de plaatjes een zeer beperkt beeld van de werkelijke inkomensveranderingen geven, in de beleidsdiscussie blijven ze heilig.

Daar heeft de journalistiek ook schuld aan. Iedere gerapporteerde achteruitgang in koopkracht wordt verslagen als een misdaad tegen de mensheid. Logisch dat politici er op aanslaan. Ook deze zomer lijken de begrotingsonderhandelingen weer louter over de schijnwerkelijkheid van de koopkrachtplaatjes te gaan.

Hoe ontsnapt Nederland aan de dictatuur van de koopkracht? Ik denk dat het tijd is voor drastische maatregelen. Stel een koopkrachtplaatjesloze periode in, van bijvoorbeeld twee jaar en evalueer daarna of en hoe de beleidsdiscussie daarvan is opgeknapt. Ik stel een bindende afspraak voor tussen iedereen die de plaatjes maakt en gebruikt. Een soort anti-koopkracht coalitie van CPB, Nibud, ambtenaren van Financiën en Economische Zaken en de hoofdredacteuren van de grote Nederlandse nieuwsorganisaties. Allen beloven twee jaar lang geen gedetailleerde koopkrachtberekeningen te maken en te publiceren, ook niet stiekem.

Het koopkrachtgekwetter verstomt, rust daalt neer in Den Haag. Politici durven weer inhoudelijke afwegingen te maken en beleid te voeren op basis van politieke visie, terwijl boze burgers de verkrampte spieren laten ontspannen. Twee jaar zonder koopkrachtplaatjes; ik zou er voor tekenen.

(FD)

Nederland nog nipt een-na-beste land ter wereld, maar de Zweden komen eraan

Na een week vol meevallend en soms zelfs positief economisch nieuws, tijd voor de koude douche. Want ja, het Centraal Bureau voor de Statistiek meldde dat de Nederlandse economie in het tweede kwartaal verrassend stevig doorgroeide. En ja, het Centraal Planbureau verwacht dat die groei volgend jaar redelijk standhoudt. Conjunctureel ziet het er helemaal niet zo beroerd uit. Maar structureel heeft Nederland aan kracht ingeboet.

Dat laatste blijkt niet uit de cijfers van CBS of CPB, maar uit onze eigen, jaarlijkse ‘Ranglijst der ranglijstjes’. Dat is een optelsom van vijf gerenommeerde, internationale ranglijsten, die alle iets proberen te zeggen over de kracht van de economie. Twee daarvan meten de concurrentiekracht (maar doen dat op zo’n verschillende wijze, dat ik ze beide gebruik). De derde ranglijst stelt de innovatiekracht in de economie vast. De kwaliteit van de bredere economie (inclusief gezondheid en onderwijs) komt tot uiting in de Human Development Index. En als vijfde is er de World Happiness Ranking, die aan de hand van harde indicatoren landen rangschikt naar geluk; want uiteindelijk gaat het daar natuurlijk om. Het land op de eerste plaats van een ranglijst krijgt één punt, nummer 2 twee punten, enzovoort. Tel per land alle punten op, en we hebben de eindstand.

Eerst goede nieuws: net als de afgelopen twee jaar eindigt Nederland op deze meta-ranglijst op de 2e plaats. Ons land heeft de een-na-beste economie ter wereld. Bravo! Alleen Zwitserland moeten we – net als de voorgaande jaren – voor laten gaan. In geen van de onderliggende ranglijsten komt Nederland in de top-3 voor, maar we doen het ook nooit slechter dan plaats 10. Door deze consistente score eindigen we in de totaalstand toch op twee.

Da’s mooi, maar ten opzichte van vorig jaar is er toch een duidelijke verslechtering zichtbaar. Op de World Competitiveness Ranking van het Zwitserse IMD, duikelt Nederland dit jaar van plaats 4 naar 6. Op het criterium ‘Economic performance’ scoorden we flink lager en ook onze ‘Government Efficiency’ was iets minder.

Op de concurrentielijst van het World Economic Forum (WEF) zakte Nederland ook – van 5 naar 6. Japan nam de plek in de top-5 over. Onze ‘Global Competitiveness’ had vooral te lijden van een afname van de ‘Innovation Capacity’ van onze economie. Op die deelindex zakte Nederland naar de 9e plaats.

Pijnlijk, want juist op het versterken van de innovatiekracht zet het huidige kabinet fors in. In het regeerakkoord komt de term ‘innovatie’ maar liefst zestig keer voor. Helaas daalt Nederland ook op de ranglijst die specifiek innovatiekracht meet. Vorig jaar bereikten we nog de tweede plek op de Global Innovation Index. Maar in het nieuwe rapport zakken we af naar 4.

De reden voor deze daling is niet dat Nederlandse bedrijven op innovatiebeleid minder bereiken, want gemeten naar output staat Nederland nog altijd op de tweede plaats. Het is de input die tekortschiet. We geven relatief weinig geld uit aan zowel onderzoek en ontwikkeling als onderwijs. Op het sub-ranglijstje ‘Overheidsuitgaven per leerling’, zien we Nederland zelfs pas op plaats 36 terug.

Het hardst valt Nederland terug op de ranglijst van de UNDP die de algemene ontwikkeling meet. Volgens de laatste update van de Human Development Index is ons land gezakt naar plaats 10. Op zich is de situatie niet duidelijk verslechterd, maar we zijn qua menselijke ontwikkeling ingehaald door Ierland, IJsland en Zweden.

Op slechts een lijstje zijn we gestegen: het World Happiness Report bestempelt Nederland als het op vier na gelukkigste land. In de vorige editie stonden we een plek lager. Mede dankzij die stijging behoudt Nederland de 2e plek in de totaalscore van de ranglijst der ranglijsten.

Maar let op: Zweden zit ons op de hielen. Dat land schoot dit jaar omhoog van 6 naar plaats 3. De Zweden zijn innovatiever en scoren beter op human development. Vlak daarachter komen de Denen eraan. Ik moet nog maar zien of Nederland volgend jaar de tweede plaats heeft weten vast te houden.

(FD)

NB: Hier completere lijst. Op verzoek. Inclusief België.

Pensioenleugentje om bestwil

Leugentjes om bestwil, als je ze bedenkt klinken ze meestal redelijk en rationeel. Je vertelt het net even anders dan het is, maar daarmee dien je een hoger belang. Uiteindelijk profiteert iedereen van je subtiele verdraaiing van de waarheid. Het doel heiligt de middelen.

Een voorbeeld: na lang onderhandelen heb je een pensioenakkoord gesloten. Het verouderde pensioenstelsel wordt aangepast aan de eisen van de tijd. Nu komt het moment dat je aan de bevolking moet uitleggen waarom het nieuwe pensioenstelsel een verbetering is. Dat kun je doen door te wijzen op de technische voordelen van de hervorming. Je kunt uitleggen hoe schrappen van de doorsneesystematiek zal uitpakken en wat de voordelen zijn van het nieuwe pensioencontract. Maar onzeker is of je daarmee de bevolking enthousiast krijgt.

‘Een leugentje om bestwil heeft eigenlijk maar een nadeel: soms komt het uit en sta je in je hemd’

Je kunt ook een leugentje om bestwil vertellen. Dan zeg je: ‘Met dit stelsel is de kans dat we volgend jaar de pensioenen moeten korten veel kleiner.’ Of beknopter: ‘Hoera, we hebben kortingen voorkomen!’ Op die manier krijg je de mensen wel achter het akkoord, want wie wil er nou inkomen afpakken van gepensioneerden? Uiteraard vertel je niet dat een belangrijk element van het akkoord is dat kortingen in de toekomst juist sneller worden doorgevoerd. Dat principe is – paradoxaal – precies de reden dat de kortingen volgend jaar niet nodig zijn. Wie met de hand op het hart belooft in de verre toekomst hardvochtig te zullen korten zodra dat nodig is, houdt nu juist geld over om kortingen te voorkomen. Maar dat leg je natuurlijk allemaal niet uit.

Zo’n leugentje om bestwil heeft eigenlijk maar een nadeel. Heel soms komt het uit en sta je in je hemd. Bijvoorbeeld als tegen alle verwachtingen in de rente nog verder daalt, terwijl door handelsoorlog en brexit de aandelenbeurs flinke klappen krijgt. De dekkingsgraden van pensioenfondsen dalen dan zo hard, dat ze zelf met de belofte van korten in de verre toekomst niet meer boven het absolute minimum te krijgen zijn. De kortingen blijken helemaal niet van tafel.

Daar sta je dan in je witte interlockje. De gok is mislukt, je leugentje kwam uit. Misschien had je toch beter het eerlijke verhaal over de pensioenhervorming kunnen vertellen, hoe ingewikkeld dat ook was. Dan had de hervorming een solide draagvlak gehad en waren de plannen bestand tegen lage rente en lage koersen.

Maar wacht, waarom niet vuur met vuur bestrijden? De zaak valt misschien nog te redden met een nieuw leugentje om bestwil. Je denkt even na en dan heb je het: ‘Er is pensioengeld genoeg, we hoeven alleen maar de rekenrente te verhogen’.

(FD)

De negatieve rente gilt keihard in ons oor. Maar wat is precies de boodschap?

Nog nooit leende de Nederlandse staat zo goedkoop. Eind vorige maand veilde het ministerie van Financiën voor een kleine anderhalf miljard euro aan 10-jaars obligaties. De effectieve rente op deze lening bedroeg gemiddeld -0,205% per jaar. Negatief dus. De beleggers betalen voor het voorrecht om hun geld tien jaar bij de overheid te stallen. Dat is niet voor het eerst, maar nog nooit was de prijs zo hoog. In 2029 krijgen ze hun geld terug, maar met een gegarandeerd verlies van in totaal ruim 2%.

Onze schatkist is een bewaardienst geworden voor pensioenfondsen en andere beleggers. Wie risicoloos wil sparen moet geld meebrengen. Dat is een onnatuurlijke situatie, want in essentie zeggen de financiële markten ermee dat nu consumeren goedkoper is dan straks consumeren. Wachten met je geld uitgeven heeft een negatieve opbrengst.

‘Dit sluit niet aan bij de normale voorkeuren. Normaal gesproken is nu meer waard dan straks’

Dat sluit niet aan bij de normale voorkeuren van mensen. Normaal gesproken is nu meer waard dan straks. Een ijsje vandaag is lekkerder dan een ijsje over een jaar. Uitstel van consumptie zou beloond moeten worden, niet beboet. Wie pas later geld krijgt, maar toch nu al iets wil kopen, is in de regel bereid daarvoor te betalen.

Dat laatste is – ondanks de negatieve risicoloze rente – nog dagelijks te zien. De rente op consumptief krediet bijvoorbeeld, bedraagt gemiddeld nog altijd 3,8%, zo blijkt uit cijfers van De Nederlandsche Bank. Dat percentage is de risicopremie die geldverstrekkers eisen, en Nederlanders zijn blijkbaar nog altijd bereid dergelijke positieve rentes te betalen. Ook huizenkopers betalen positieve rentes voor hun hypotheek. En bedrijven moeten rente betalen voor zakelijk krediet. De commerciële rentes zijn wel laag, maar niet negatief.

Alleen als banken onderling geld bij elkaar stallen wordt daar wel een negatieve prijs voor gerekend. De 3-maands euribor is al jaren negatief. Niet toevallig zo ongeveer sinds de Europese Centrale Bank de deposito-rente voor banken negatief maakte. Hebben we daarmee meteen ook de oorzaak van de negatieve risicoloze rente te pakken? Je zou bijna denken van wel. Behalve de negatieve deposito-rente heeft ook het opkoopprogramma van de ECB de rente onmiskenbaar gedrukt. Het laagterecord van deze week kan misschien zelfs worden toegeschreven aan de kandidatuur van Christine Lagarde als nieuwe ECB-president, want de verwachting is dat zij het zeer ruime monetaire beleid van haar voorganger zal willen voortzetten.

‘Het ECB-beleid is eerder een symptoom dan een oorzaak. De centrale bank leidt niet in deze dans, maar volgt de trend van dalende rente’

Maar zoals Coen Teulings vrijdag helder in deze krant uiteenzette: het ECB-beleid is eerder een symptoom dan een oorzaak. De centrale bank leidt niet in deze dans, maar volgt de trend van al verder dalende rente, die kort na de eeuwwisseling werd ingezet. De westerse wereld en een goeddeel van Azië bereiden zich voor op de vergrijzing en dat leidt tot enorme spaaroverschotten. De rente is niet laag omdat de ECB dat wil, maar omdat miljarden mensen nog even snel proberen hun pensioen veilig te stellen en bedrijven huiverig zijn geld te lenen en grote investeringen te doen.

Een prijs is niets anders dan een pakketje informatie over vraag en aanbod, en voor de rente is dat niet anders. Ontcijferen wat de negatieve risicovrije rente ons probeert te vertellen is niet moeilijk. Jullie sparen te veel en investeren te weinig, luidt de boodschap.

‘De boodschap is niet moeilijk: jullie sparen te veel en investeren te weinig’

De negatieve rente schreeuwt ons toe: ‘Dit is het uitgelezen moment om noodzakelijke investeringen te doen. Nog nooit was het zo goedkoop.’ De dijken moeten versterkt, de energiesector moet helemaal om, er moeten windmolenparken komen en zonneweides. Bedrijven moet hun fabrieken versneld robotiseren en hun diensten digitaliseren. We hebben een hogere arbeidsproductiviteit nodig, dus veel investeringen in onderzoek en ontwikkeling. Dat kost allemaal reuze veel geld, maar juist geld is nu goedkoper dan ooit.

Ja, ik ben ook voor gezonde overheidsfinanciën en snap wel bedrijven solvabel moeten zijn. Maar negatieve rente is een signaal dat we niet kunnen negeren. Als we nu niet massaal gaan investeren in zaken waarvan we weten dat we ze straks nodig hebben, wanneer dan wel?

(FD)

 

Leven zonder cash

Kan ik leven zonder cash? Die vraag stelde ik mij eind 2017. Om het uit te proberen kocht ik een nieuwe portemonnee – eentje zonder vakjes voor munten en biljetten – en ging vanaf nieuwjaarsdag 2018 zonder chartaal geld door het leven.

Ik vond het een spannend experiment, maar al snel merkte ik dat het voor sommige mensen al doodgewoon is. Zij gaan door het leven met slechts een mobieltje, met in het hoesje een betaalpas. Maar voor lezers die nog met een dik pak biljetten en rinkelende munten in hun zak lopen, is het misschien toch goed om verslag te doen van mijn cashloze maanden. Want voor je het weet moeten we er allemaal aan: het kabinet zette deze week de aanval in op het €500-biljet, dat al niet meer gedrukt wordt, maar nog wel gebruikt en vooral populair is in het criminele circuit. Als dat biljet uit roulatie is, volgt vast ook het €200- en €100-biljet, want ook die gebruiken brave burgers nauwelijks. Een paar stappen verder en alle cash is verdacht.

‘Sorry ouders van ‘Jongens-onder-zeventien-twee’ dat ik mij zo vaak in de sportkantine liet trakteren op koffie’

Het €500-biljet was overigens de aanleiding van mijn persoonlijke experimentje. Toen bleek dat het biljet niet meer bijgedrukt zou worden, wilde ik er nog wel eens eentje in m’n handen hebben. Dat bleek niet eenvoudig. Ik moest het biljet dagen van tevoren bestellen bij mijn bank en daar wilde men het pas na een indringend gesprek en strenge identiteitscontrole uit de kluis halen. Thuisgekomen had ik eigenlijk geen idee wat ik met het paars-roze biljet aan moest en bedacht ik me hoe middeleeuws zo’n fysieke vorm van geld eigenlijk was.

Daarom zou ik het voortaan zonder cash proberen en dat bleek eigenlijk nauwelijks problemen te geven. Ja, in het verre buitenland heb ik nog wel eens biljetten uit de muur gehaald. En in Nederland kun je nog niet in alle voetbalkantines pinnen. Dus, sorry ouders van ‘Jongens-onder-zeventien-twee’ dat ik mij zo vaak liet trakteren op koffie. Een keer was de pinautomaat van de stomerij defect. Maar toen ik het bedrag gewoon via de bank-app overmaakte, kreeg ik mijn schone pak toch gewoon mee.

Collectanten aan de deur zijn wel een probleem. Er schijnen collectebussen te zijn met contactloos betalen, maar nog niet in mijn dorp. Direct wat geld overmaken naar het goede doel kan natuurlijk, maar is toch een wat sneue vertoning. Laat je bijvoorbeeld op je telefoon aan de collectant zien dat je echt geld hebt gestort? Beetje gênant.

Maar verder kan ik toch echt niet anders dan concluderen dat het prima gaat, zo’n leven zonder cash. Digitaal betalen kan vrijwel overal en de verkoper heeft het ook liever. Nee, die bankbiljetten gaan het volgende decennium niet overleven.

(FD)

Duitsland is weer de zieke man/vrouw van Europa, maar Nederland voelt zich ook niet jofel

Hoge werkloosheid, dure arbeid, een flinke staatsschuld en nauwelijks economische groei; rond de eeuwwisseling stond de Duitse economie er beroerd voor. ‘Is Duitsland de zieke man van Europa?’, was de logische vraag die econoom Katinka Barysch van het Centre for European Reform in 2003 stelde. Jazeker, vond ze. De hereniging van Oost- en West-Duitsland in 1990 had de economie een enorme dreun gegeven. Het ‘absorberen’ van zestien miljoen nieuwe inwoners, duizenden verouderde fabrieken en een halve eeuw aan centrale planning, gaven grote problemen.

Daar bovenop kwam het sympathiek bedoelde, maar economisch rampzalige beleid om de lonen in de voormalige DDR snel gelijk te trekken en het westerse sociale stelsel te exporteren naar het oosten. Geen wonder dat de Duitse economie er twintig jaar geleden zo beroerd uitzag.

Maar toen kwam de omwenteling. Lonen werden gematigd, het sociale stelsel hervormd en Duitse bedrijven gingen enthousiast investeren in de nieuwe kapitalistische economieën van Midden- en Oost-Europa en boorden in Azië nieuwe markten aan voor de producten van de industrie. Duitsland werd een onverslaanbare exportmachine en de economie was gezonder dan ooit. De euro voorkwam tegelijkertijd dat het land zich via een hogere wisselkoers uit de markt prijsde. ‘Van zieke man naar Europa’s groeimotor’, schreef de Financial Times in 2017.

Maar het economische rad van fortuin is inmiddels weer gedraaid en Duitsland lijkt hard op weg naar een nieuw dieptepunt. Niet dat de werkloosheid oploopt en de staatsschuld stijgt, maar de Duitse industrie heeft de wind vol tegen. Al meer dan een jaar daalt de industriële productie en de vooruitlopende indicatoren voorspellen weinig goeds. De inkoopmanagers in de industrie verwachten verdere krimp en het aantal nieuwe orders daalde in een jaar tijd met maar liefst 8,5%. Dat is de grootste afname sinds crisisjaar 2009.

De zwakte van nu is een direct gevolg van de kracht van het afgelopen decennium. Het Duitse groeimodel gokt op open grenzen en vrije handel, zowel voor de wereldwijde afzet van de goederen als voor de productie daarvan zelf. De Duitse productieketens overspannen de hele wereld en de plotselinge terugkeer van protectionisme doet Duitsland veel pijn. De handelsoorlog tussen China en de VS dempt ook de Aziatische vraag en maakt bedrijven huiverig om te investeren. Duitse auto’s en machines zijn plotseling minder in trek.

Bovendien is de Duitse auto-industrie in gevecht met zichzelf. Door het dieselschandaal, de strengere emissieregels en de laat ingezette elektrificatie van de modellen, heeft de productie vertraging opgelopen. Economische hervormingen zijn al een paar kabinetten taboe en door de heiligverklaring van het begrotingsoverschot zijn publieke investeringen uitgebleven.

Ondernemers in de Duitse industrie hebben dan ook een pesthumeur. Volgens de laatste Europese peiling staat hun vertrouwen op min 9,5. Er zijn dus veel meer pessimisten dan optimisten. Het vergelijkbare Nederlandse cijfer is nog net positief, en is ook minder snel gedaald.

Maar niet alle delen van de Duitse economie zijn ziek. In de dienstensector zijn ondernemers opvallend optimistisch gebleven; een stuk optimistischer ook dan hun Nederlandse concurrenten.

En ook de Duitse consument houdt de moed er nog enigszins in. Terwijl in Nederland het consumentenvertrouwen eind vorig jaar instortte, is het Duitse cijfer pas afgelopen maand echt gaan dalen.

Anders dan in Duitsland, heeft het Nederlandse pessimisme nog geen groot effect op de economie. Terwijl onze economie aardig op stoom bleef, kwam de Duitse bijna tot stilstand. Maar de negatieve stemming kan altijd omslaan in een echte koopstaking. Dan zal blijken of Nederland echt zoveel gezonder is dan Duitsland.

(FD)

Monopolie-geld

Wat zou Friedrich Hayek van de Libra vinden? De Oostenrijkse econoom is alweer een kwart eeuw dood, dus we kunnen hem niet vragen naar zijn oordeel over de nieuwe munt van Facebook. Maar hij zou vast enthousiast zijn. Een privaat bedrijf dat uit puur winstbejag een internationaal bruikbare valuta uitgeeft, dat is precies wat het kapitalisme nodig heeft.

‘Bruikbaar geld kan alleen ontstaan vanuit eigenbelang, niet vanuit goedwillendheid’, schreef de econoom. ‘We hebben altijd slecht geld gehad omdat het private ondernemingen niet is toegestaan om ons beter geld te geven’. In zijn boek ‘Denationalisation of Money’ uit 1976 legt hij uit hoe dit zou werken.

Als meerdere bedrijven een eigen munt op de markt brengen, dan heeft de consument wat te kiezen. Welke munt zal men willen accepteren als betaling? Welk geld heeft men graag in de spaarpot? Dat is de valuta die het meest waardevast is. Hoe lager de inflatie, hoe bruikbaarder de munt. Concurrentie tussen munteenheden zal zorgen dat het beste geld wint. De vrije markt is daardoor een betere inflatiebestrijder dan de centrale bank.

‘Facebook en vrije concurrentie, die twee kunnen niet tegelijk in hetzelfde universum bestaan’

Facebook-baas Mark Zuckerberg zou de ultieme aanvoerder zijn van Hayeks ‘Free Money Movement’, die wereldwijd de noodzaak voor de denationalisering van geld aan de man moet brengen. Als je Trump kunt laten winnen en brexit kunt veroorzaken, is het verkopen van een inflatieloos monetair systeem een fluitje van een cent.

Facebook had z’n munt niet de Libra moeten noemen, dat is een veel te bravige naam voor zo’n revolutionaire munt. De Hayek, is een veel betere naam. Mits Zuckerberg bereid is om het gehele plan-Hayek uit te voeren. Dus ook het essentiële onderdeel: concurrentie tussen private munten. Met een privaat muntenmonopolie zijn we alleen maar verder van huis. Er moet dus ook een Google-munt komen en een Amazon-munt. Bol.com moet in Nederland aan de slag, en anders is het wel wat voor Adyen. Alleen met een strijd op leven en dood tussen een groot aantal commerciële munten, kan de inflatieloze wereld werkelijkheid worden.

Dat wordt ‘m dus niet. Facebook en vrije concurrentie, die twee kunnen niet tegelijk in hetzelfde universum bestaan. Zuckerbergs bedrijf doet er juist altijd alles aan om marktmacht te krijgen en te behouden. De eigen munt is alleen maar bedoeld om dat monopolie nog verder uit te rollen. Hayek had een bloedhekel aan dit soort bedrijven en zag als rasliberaal zelfs een rol voor de overheid om monopolies te beteugelen.

Met andere woorden: privaat geld is een prachtig idee. Zolang het maar niet van Facebook is.

 

(FD)

Het nieuwe pensioengat: in 2040 komen we een kwart miljoen mensen tekort

Het pensioenakkoord is getekend, maar de polder kan nog lang niet met vakantie. Er zijn nog veel losse eindjes waar werkgevers, werknemers en andere belanghebbenden zich de komende tijd over moeten buigen. Het grote vergaderen begint pas nu.

Zo moet aan de cao-tafel bepaald worden hoe de nieuwe regeling voor zware beroepen eruit gaat zien. Een speciale stuurgroep gaat uitvogelen hoe 40-plussers voor de afschaffing van de doorsneepremie gecompenseerd gaan worden. De Stichting van de Arbeid mag zich gaan buigen over het probleem van de ‘witte vlekken’, werknemers met te weinig pensioenopbouw. En ook voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen is nader overleg nodig. Zet de kannen koffie maar klaar in de vergaderzaaltjes, want dit kan allemaal nog best even duren.

En dan ontbreekt er volgens mij zelfs nog een overleg. De polder moet snel gaan praten over een gevolg van het pensioenakkoord, waarvoor tot nu toe nauwelijks aandacht is geweest: de daling van het potentiële arbeidsaanbod. Dat probleem is weer springlevend en verdient aandacht van sociale partners en de politiek.

Vrees voor toekomstige tekorten op de arbeidsmarkt was altijd een van de betere redenen om de AOW-leeftijd flink op te krikken. In de discussies ging het vooral om de betaalbaarheid van de AOW, maar de ‘werkbaarheid’, was minstens zo belangrijk. Door de vergrijzing daalt het aantal mensen in de werkzame leeftijd de komende decennia. Langer doorwerken is een van de manieren om hier mee om te gaan en te voorkomen dat de Nederlandse economie vastloopt in langdurige en structurele arbeidsschaarste.

De grafieken hieronder laten zien hoe hard de stijging van de AOW-leeftijd nodig is. Ze zijn gebaseerd op eigen berekeningen met als input de recentste bevolkingsprognose van het CBS en de verwachtingen over de toekomstige AOW-leeftijd die het Ministerie van Sociale Zaken onlangs naar buiten bracht.

Wat zou er gebeuren als de AOW-leeftijd vanaf 2019 niet meer zou stijgen? Dan zou het aantal Nederlanders in de werkzame leeftijd (ik neem daarvoor: iedereen tussen 20 jaar en de AOW-leeftijd) de komende decennia fors dalen. Anno 2019 zijn er iets meer dan 10,4 miljoen mensen in Nederland in die leeftijdsgroep. Zouden we de AOW-leeftijd vastzetten op de huidige 66 jaar en vier maanden, dan krimpt dit potentiële arbeidsaanbod naar minder dan 10 miljoen in 2035. Vijf jaar later zal het aantal mensen in de werkzame leeftijd zelfs 600.000 lager liggen dan nu. In de tweede helft van de eeuw neemt het tekort weer iets af.

Wie wil dat de AOW-leeftijd niet verder stijgt, moet dus een oplossing vinden voor deze structurele daling van de potentiële beroepsbevolking. De arbeidsmarkt is nu al zo krap, terwijl de daling nog niet eens begonnen is. Dat lijkt dus onbegonnen werk.

Vandaar dat tijdens Rutte II de snelheid waarmee de AOW-leeftijd oploopt, juist flink werd opgevoerd. Volgens dat tempo zou de potentiële beroepsbevolking tussen pakweg 2035 en 2050 nog wel dalen, maar nooit serieus onder het niveau van 2019 komen. Stagnatie was niet te voorkomen, regelrechte krimp wel.

Maar in het pensioenakkoord neemt men weer gas terug. De AOW-leeftijd gaat nog wel omhoog met de levensverwachting, maar niet meer zo ‘hysterisch’, in de woorden van de premier. Het gevolg is dat het aantal mensen tussen 20 jaar en de AOW-leeftijd toch weer gaat dalen. In 2040 is de potentiële beroepsbevolking een kwart miljoen kleiner van nu. Pas in 2050 zijn we weer op het niveau van 2019.

 

Werk aan de winkel dus voor een nieuwe Stuurgroep Krimpende Beroepsbevolking. Hoe gaat Nederland met deze nu onvermijdelijke arbeidskrapte om? Komen er grote investeringssubsidies voor bedrijven die robotiseren en automatiseren? Gaan we vol in de aanval op de deeltijdcultuur? Moeten de grenzen open voor een kwart miljoen nieuwe arbeidsmigranten? Het lijken me behoorlijk belangrijke vragen. In elk geval minstens zo belangrijk als de premiecompensatie van 40-plussers en de witte vlekken in de pensioendeelname.

(FD)

journalist en econoom