Het is de hoogste tijd voor een belasting op CO2-uitstoot. Zonder zo’n heffing gaat het niet.

Wat staat Nederland te wachten als we eenzijdig een milieubelasting op energie zouden invoeren? De kunstmestindustrie zal geheel uit ons land verdwijnen. Basischemie bijna helemaal. Staal zal niet meer in Nederland gemaakt worden. Net zomin als aluminium. Als gevolg hiervan zal de export met minimaal 10% dalen en ligt de werkgelegenheid in 2015 minstens 7% lager dan zonder eenzijdige energieheffing.

In 2015? Ja, dat leest u goed. Bovenstaande voorspelling komt uit een rapport dat in 1992 verscheen. Het toenmalige kabinet overwoog om een nieuwe belasting op energie in te voeren, onder andere na een oproep van de Europese Commissie om haast te maken met een energie- of CO₂-belasting. Maar de Nederlandse industrie zag dat niet zitten, en waarschuwde dat zo’n heffing zou leiden tot verlies aan export en verplaatsing van productie naar andere landen. Het Centraal Planbureau zocht uit of dat een geloofwaardig dreigement was en het antwoord van hun modelsimulatie was een luidt en duidelijk ‘ja!’. Grote delen van de Nederlandse industrie zouden verdwijnen.

Het gevolg van deze voorspelling door het CPB: toen het kabinet in 1996 de ‘regulerende energieheffing’ invoerde, werden de grootverbruikers in de industrie vrijgesteld. Huishoudens betaalden wel, Hoogovens niet.

Ruim twintig jaar later is er weinig veranderd. Goed, de industrie moet tegenwoordig meedoen aan het Europese emissie-handelssysteem, maar de angst voor bedrijfsverplaatsingen en verlies aan marktaandeel staat effectief CO₂-beleid nog altijd in de weg. De voormannen van VNO-NCW schreven deze week nog in economenvakblad ESB: ‘Natuurlijk zitten er grenzen aan het heffen om te voorkomen dat de bedrijven hun domicilie buiten de EU en Nederland gaan zoeken. (…) Je kunt deze bedrijven wel plukken, maar dan lijdt heel Nederland.’

Uit economisch onderzoek blijkt echter dat dit logisch klinkende effect van een CO₂-belasting in de praktijk maar moeilijk aan te tonen is. Ikzelf heb er in een ver verleden vier jaar lang aan zitten rekenen, zonder een duidelijk effect te vinden. Uit een overzicht van de recente wetenschappelijke literatuur, die deze week in de jaarlijkse Preadviezen van de Koninklijke Vereniging der Staatshuishoudkunde verscheen, blijkt ook dat bedrijven zich veel minder makkelijk laten verjagen dan de simulatie van het CPB uit 1992 veronderstelde.

De nadelen van een belasting op emissies van broeikasgassen zijn dus kleiner dan gedacht. De voordelen zijn in potentie enorm. Voor een snelle aanval op de klimaatverandering is het belastinginstrument onmisbaar. Vandaar dat Jeroen van den Bergh, hoogleraar aan de Vrije Universiteit van zowel Amsterdam als Barcelona, in zijn bijdrage aan de Preadviezen Nederland deze week oproept om zich in de voorhoede van een coalitie van landen te plaatsen die een serieuze CO2-belasting invoeren, als eerste stap naar een mondiale heffing.

Waarom zijn economen toch zo enthousiast over zo’n CO₂-heffing. Dezelfde Van den Bergh schreef vorig jaar samen met vijf andere internationale onderzoekers een artikel waarin hij de voordelen van beprijzen van CO₂-uitstoot bespreekt. Ik heb vijf daarvan hiernaast op een rij gezet.

Allereerst zorgt een correcte CO₂-belasting ervoor dat de maatschappelijk schade van uitstoot (klimaatverandering) in de marktprijs tot uitdrukking komt. Vervuilen is niet meer gratis, de afwegingen die bedrijven en consumenten maken, worden beter.

Een van die betere afwegingen zal leiden tot meer groene innovatie. Daar zijn geen grote subsidies meer voor nodig, want minder uitstoot betaalt zichzelf terug. Schoon produceren zorgt voor een betere concurrentiepositie. Bovendien zullen bedrijven het eerst CO₂-reduceren waar dat het goedkoopst kan. Als de overheid werkt met emissieplafonds en richtlijnen kan dat vaak niet.

Daarom is een CO₂-belasting ook voor de overheid veel makkelijker (en goedkoper). In plaats van bedrijven nauwkeurig voor te schrijven wat ze moeten doen en een groot controleapparaat in te richten, doet de markt het werk. En consumenten, ten slotte, kunnen met een gerust hart boodschappen doen. Goedkope producten zijn tegelijkertijd de groene producten. Hart en hoofd zijn niet langer met elkaar in conflict.

Invoeren dus, die CO₂-belasting. En vooral niet eerst advies vragen aan het CPB.

Niet de zzp’er, niet de Chinees en niet de ICT’er. Zoektocht naar de dief van ons loon nog niet voorbij

De economie groeit, de arbeidsmarkt is krap, maar de lonen gaan toch niet snel omhoog. Achterblijvende loongroei is een van de meest intrigerende economische raadsels van onze tijd. Waarom de lonen zo weinig stijgen en waarom de productiefactor arbeid een steeds kleiner deel van de nationale koek lijkt te krijgen, zijn vragen waar economen zich al sinds de eeuwwisseling het hoofd over breken. Nationaal, maar ook internationaal want ook in veel andere postindustriële landen lijkt het alsof werknemers telkens minder dan evenredig profiteren van de economische groei.

Ons eigen Centraal Planbureau buigt zich ook al enige tijd over deze vraag. Enkele maanden geleden verscheen een CPB-publicatie waarin werd uitgelegd dat de achterblijvende loongroei deels komt door stijging van werkgeverslasten, pensioenpremies en zorgkosten, die de loonruimte aanvreten. Maar dit kan de achterblijvende lonen niet geheel verklaren.

Vrijdag publiceerde het CPB de resultaten van een veel omvangrijkere en fundamentele studie naar de achterblijvende lonen in Nederland. Ook deze keer is het antwoord niet geheel sluitend. Desondanks levert de studie veel interessante inzichten op en kunnen we een aantal verdachten vrijspreken.

Allereerst een schets van het probleem: sinds de crisis stijgen de nominale lonen gemiddeld met minder dan een procent per jaar. In eerdere decennia was dat ruim het dubbele, soms zelfs het viervoudige. Een deel van deze afname is eenvoudig te verklaren: vroeger lag de inflatie hoger dan nu, dus vroegen werknemers meer prijscompensatie. Rond de eeuwwisseling bijvoorbeeld, toen er net als nu sprake was van hoogconjunctuur en een krappe arbeidsmarkt, stegen de lonen met 4,5% maar bedroeg de inflatie ook bijna 3%. In reële termen was de loonstijging met ruim 1,5% dus een stuk gematigder.

Maar met een correctie voor inflatie zijn de dalende lonen nog niet verklaard. Er is meer aan de hand: de productiviteit van werknemers groeit minder snel dan voorheen. Uiteindelijk is de productiviteitsgroei de allesbepalende factor voor de (reële) loongroei. Werknemers kunnen pas meer verdienen als ze ook meer produceren. Uurloon en productie per uur zouden in een stabiele economie gelijk op moeten gaan, in elk geval op langere termijn.

De lagere productiviteitsgroei kan een flink deel van de stagnerende lonen verklaren. Steeg de productiviteit in de jaren negentig en begin deze eeuw nog met 1,5 tot 2%, sinds de crisis blijft de groei ver onder de 1%. Wat je niet produceert kun je ook niet verdienen, dus de geringe loonstijging is een logisch gevolg. Wie wil dat de Nederlandse lonen sneller stijgen, zal dus iets aan de productiviteit moeten doen. Bijvoorbeeld door meer innovatie, scholing en investeringen in nieuwe technologie.

Maar inflatie en productiviteit samen zijn niet genoeg om achterblijvende lonen helemaal te begrijpen. Feit blijft dat ook als je daarvoor corrigeert, de productiefactor arbeid een steeds kleiner deel van de nationale koek krijgt. Met uitzondering van de perioden tussen 1998 en 2002 en de crisisjaren 2008-2013 is het loonaandeel (het percentage van het nationaal inkomen dat naar werknemers gaat) telkens gedaald.

Er zijn de afgelopen jaren veel verklaringen voor deze relatieve achteruitgang geopperd. Globalisering, en met name de concurrentie uit lagelonenlanden als China, zou westerse werknemers op achterstand hebben gezet. De opkomst van flexwerkers en zzp’ers zou de onderhandelingsmacht van werknemers hebben geschaad. Daarnaast zouden investeringen in ICT veel werknemers overbodig hebben gemaakt, waardoor ze een lager loon moesten accepteren.

Dat klinkt allemaal best logisch, maar het CPB heeft al deze verklaringen onderzocht en komt tot de conclusie dat geen van alle als schuldige aan te wijzen is. Misschien komt dat door de manier van meten (hoe meet je globalisering of flexwerk precies?), maar het voorlopige oordeel is toch: vrijspraak wegens gebrek aan bewijs.

Daar wordt het loonverschil niet minder van, maar makkelijk wijzen naar flexwerkers, zzp’ers, Chinezen of computer als bron van alle ellende, is vanaf nu in elk geval niet meer mogelijk.

(FD)

Lees Pinker!

Volgens mijn telling is dit de 388ste column die ik voor het FD schrijf. Heel misschien is het wel de laatste. Want toen ik anderhalf lustrum geleden mijn eerste bijdrage besprak was de toenmalige opinie-chef duidelijk: een column is geen boekbespreking.

Hij zei: ‘Zodra een columnist gaat schrijven over een boek, dan weet ik: zijn ideeën zijn op en het is tijd voor een nieuwe columnist.’

Ik heb mij deze woorden ter harte genomen. U las hier de afgelopen jaren dus niet over geweldige boeken als Superforecasting van Tetlock en Gardner, Europe’s Orphan van Sandbu, Economic Rules van Rodrik, of Scale van West. Alleen voor Economics for the Common Good van Tirole heb ik u enthousiast proberen te maken, maar die had dan ook net een Nobelprijs gewonnen.

Vandaag weer een uitzondering – met alle risico’s van dien. Ik wil het hebben over het magistrale Enlightenment Now, van de Amerikaanse psycholoog Steven Pinker. Onlangs verscheen de Nederlandse vertaling (Verlichting nu). Volgens de ondertitel is het een pleidooi voor ‘rede, wetenschap, humanisme en vooruitgang’. Pinkers boek gaat dus niet over psychologie, of in elk geval niet alleen. Het is een empirisch onderbouwde lofrede op de vooruitgang die de mensheid heeft doorgemaakt, op het gebied van kennis, gezondheid, vrede, veiligheid, welvaart en welzijn. Het gaat goed met ons, stelt Pinker, en het kan nog beter worden, mits we onze liberale, democratische instituties koesteren. De mensheid is op de goede weg, maar we dreigen de verkeerde afslag te nemen. De weg van populisme, nationalisme en romantisch postmodernisme lijkt altijd makkelijker begaanbaar, waarschuwt de auteur.

Ik las het boek afgelopen zomer en was er kapot van. Ik was het heus niet altijd met Pinker eens, want zijn waarheden schuren nogal eens. Moet ik echt voor kernenergie zijn? Wordt de wereld echt al democratischer? Is het terrorisme echt op z’n retour? Maar juist daarom geef ik in deze recensie graag vijf sterren voor de empirische onderbouwing, vijf sterren voor overtuigingskunst en zeker ook vijf extra dikke sterren voor het sterke einde, waarin Pinker laat zien dat de media in het algemeen en kritische journalisten in het bijzonder, de belangrijke taak hebben om feit en fictie te scheiden en de moed moeten hebben om ook te vertellen wat er allemaal wél goed gaat.

Koop en lees dat boek. Maar lees ook de recensie die Denker des Vaderlands René ten Bos afgelopen weekend in deze krant schreef. Volgens Bos is het een heel erg boek, dat met een beetje pech de bijbel van liberalen gaat worden. Misschien heeft hij gelijk. Maar ik zeg: er zijn slechtere bijbels.

Groeien is moeilijk als er geen vakmensen meer zijn te vinden

Ook zo geschrokken van dat abominabel slechte groeicijfer? Slechts 0,2% steeg het bruto binnenlandse product tijdens het derde kwartaal van 2018. Goed, we deden het nog niet zo slecht als de Duitsers, die hun economie zagen krimpen, maar dit was het slechtste kwartaal sinds de lente van 2016.

Is dit het begin van een nieuwe recessie? Ik ga er nog niet van uit. De lagere groei is eerder een symptoom van de hoogconjunctuur, dan een aankondiging van het einde ervan. De economie groeit nu al achttien kwartalen op rij. In de afgelopen zestig jaar was er maar één langere periode van onafgebroken groei, tijdens de Paarse kabinetten in de jaren negentig. Toen hield de onafgebroken groei maar liefst 32 kwartalen aan. Historici zullen zich nog eeuwen het hoofd breken over wat er toch bedoeld werd met die ‘Puinhopen van Paars’ waar iedereen het begin deze eeuw over had.

Hoe dan ook: de huidige expansie staat in de economische hitparade achter de paarse jaren, op nummer 2. Dus is het logisch dat er sprake is van slijtage aan de hoogconjunctuur. De slijtplekken zijn vooral zichtbaar op de arbeidsmarkt, want het is vooral het tekort aan vakkrachten dat de groei belemmert.

Ook de overheid heeft daar last van. Volgens de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek kwam de lage groei onder andere door stagnatie van de overheidsbestedingen. In het derde kwartaal steeg de overheidsconsumptie niet. Een kwartaal eerder was de toename met 0,1% nauwelijks beter. Dit terwijl het kabinet juist van plan was om meer uit te geven aan zorg, onderwijs en veiligheid. In tijden van hoogconjunctuur blijkt het moeilijk om dit extra geld uit te geven.

Het Centraal Planbureau waarschuwde hier op Prinsjesdag al voor toen het schreef: ‘De krappe arbeidsmarkt kan de groei drukken en maakt het voor de overheid lastig om de hogere uitgaven voor zorg, defensie en onderwijs te realiseren.’ Je kunt wel geld willen uitgeven, maar verpleegkundigen, onderwijzers en politieagenten kun je er niet zomaar bij toveren.

Daarom is de tegenvallende economische groei in het derde kwartaal vooral een symptoom van de krappe arbeidsmarkt. De overheid heeft daar last van, maar de marktsector nog meer. Het aantal vacatures is met 261.000 op een recordstand beland. Vooral in de ICT, bouw en horeca is de vacaturegraad met vijf of meer vacatures per honderd banen buitengewoon nijpend. Ondernemers willen wel groeien, maar de arbeidsmarkt staat dat niet toe.

Dit probleem is niet eenvoudig op te lossen. De werkloosheid staat op 3,7% en is daarmee nu al lager dan wat past bij een gezonde arbeidsmarkt. En er is geen grote verborgen arbeidsvoorraad die we nog kunnen aanboren. De netto arbeidsparticipatie (het aantal mensen dat werkt gedeeld door het aantal mensen tussen 15 en 75 jaar oud), steeg in het derde kwartaal naar ruim 68 procent. De dubbele recessie van de krediet- en eurocrisis is daarmee helemaal weggewerkt. De arbeidsmarkt is weer net zo krap als tien jaar geleden, toen er ook geen vakman of -vrouw meer te vinden viel.

Hoe kunnen Nederlandse bedrijven dan nog groeien? Door veel actiever op zoek te gaan naar arbeidskrachten. Denk niet dat je nog geschikte kandidaten kunt vinden, maar jaag op ongeschikte kandidaten, en maak die via training en opleiding geschikt voor het werk. Verleidt deeltijders meer uren te maken door kantoortijden los te laten en kinderopvang te subsidiëren. Zoek naar arbeidsmigranten, investeer in robotisering en automatisering om de arbeidsproductiviteit te vergroten. En neem eens een 55-plusser aan.

Nederlanders willen graag werken. Dat blijkt uit de ontwikkeling van de bruto arbeidsparticipatie (alle mensen die werken, of willen en kunnen werken). De stijgende trend van voor de crisis lijkt dit jaar weer te zijn opgepakt. Eind 2018 wil 71% van de bevolking tussen 15 en 75 werken. Daar zit muziek in voor ondernemers. Of beter: daar zit groei in.

Vrijwillige verplichtstelling

Twaalf jaar geleden schreef ik een brief aan Pensioenfonds ABP. Ik was net zzp’er geworden en maakte me zorgen over mijn pensioen. In die tijd kon je als zelfstandige voor een belastingvriendelijk pensioenproduct alleen terecht bij de verzekeraars, maar in zo’n woekerpolis had ik geen trek. ‘Waarom niet sparen bij ons nationale pensioenfonds?’, dacht ik naïef, en schreef het ABP met het verzoek om mee te mogen doen.

‘Sinds de crisis worstelen pensioenfondsen met lage dekkingsgraden en kijken ze likkebaardend naar de zzp’er als potentiële premiebetaler.’

Nog geen week later viel het antwoord in de bus. Toenmalig interim-voorzitter Dick Sluimers liet – op sportieve wijze – weten dat het helaas niet mogelijk was om als niet-ambtenaar pensioen op te bouwen bij het ABP. Dat kwam door de Wet Privatisering ABP, de statutaire doelstelling van het ABP, de Taakafbakeningsregeling Pensioenfondsen en de Pensioen- en spaarfondsenwet. Kortom: het mocht gewoon niet. Ik zou mijn pensioen in een eigen potje moeten opbouwen.

Maar de tijden zijn veranderd. Sinds de crisis worstelen pensioenfondsen met lage dekkingsgraden en kijken ze likkebaardend naar de Nederlandse zzp’er als potentiële premiebetaler. Afgelopen maandag meldde deze krant dat pensioenfondsen willen experimenteren met automatisch pensioensparen voor zzp’ers, bij het bedrijfstakpensioenfonds van de sector waarin de zelfstandige werkt. Het zou niet om een verplichting gaan, want voor wie niet mee wil doen komt er een ‘opt out’-regeling.

Het wordt dus een paradoxale mix van verplichtstelling (iedereen spaart bij het fonds van z’n sector, er is geen keuzevrijheid) en vrijwilligheid (als je het niet wil, hoef je niet mee te doen).

Gezien mijn briefwisseling met het ABP zou ik eigenlijk enthousiast moeten zijn over dit voorstel. Maar dat ben ik toch niet. Allereerst omdat mijn plannetje uit 2006 buitengewoon dom was. Inmiddels weet ik dat ik door zelf sparen, (index-)beleggen en aflossen op mijn hypotheek, veel beter in staat ben om het vermogen op te bouwen dat past bij mijn leven en dat van mijn gezin. Afstorten in een collectief fonds met een groot hek er omheen, dat pas op de pensioendatum opengaat, was eigenlijk nooit een goed idee.

Daarnaast vertrouw ik de opt out niet. Nu lijkt het nog alsof het zzp-pensioen echt vrijwillig is. Maar ik voorspel dat over een paar jaar wordt bedacht dat de opt out alleen geldt voor zzp’ers die aantoonbaar elders sparen voor hun pensioen. En weer later moeten die besparingen minstens zo hoog zijn als die van werknemers. Zo wordt de zzp’er langzaam weer richting werknemerschap geduwd.

Er zijn zzp’ers die te weinig sparen. Dat kan een probleem zijn. Maar dit plan lijkt niet bedoeld om de zelfstandigen te helpen, maar de pensioenfondsen.

(FD)

Robotisering gaat sneller dan voorspeld, vooral door investeringen in China

De grens van twee miljoen is doorbroken. Vorig jaar werd ergens in de wereld de twee miljoenste industriële robot geïnstalleerd. Dat blijkt uit nieuwe cijfers van de International Federation of Robotics (IFR), de branchevereniging van robotproducenten wereldwijd en de enige betrouwbare bron van harde cijfers over de opmars van de robot in de industrie.

Die opmars is de afgelopen paar jaar in een versnelling gekomen. In 2008 werd voor het eerst de grens van een miljoen operationele robots doorbroken. De jaren daarna steeg het aantal robots met gemiddeld zo’n 7%. Vanaf 2014 gaat dat met ruim 10%. En in 2017 steeg het aantal industriële robots zelfs met 15%. Overigens gaat het hier om schattingen van de IFR, op basis van de jaarlijkse robotverkopen en een veronderstelde levensduur van twaalf jaar.

De kans is groot dat die twee miljoenste robot in een fabriek in China terecht is gekomen. Want dat land is verreweg de grootste investeerder in robots. Van de ruim 380.000 nieuwe robots die in 2017 wereldwijd werden verkocht, gingen er bijna 138.000 – dus meer dan een derde – naar China. Nog eens een derde kwam in andere Aziatische landen terecht, vooral in Japan, Zuid-Korea, Taiwan en Vietnam.

China is bezig met een razendsnelle inhaalslag. Per 10.000 werknemers in de Chinese industrie, staan er nu 97 robots opgesteld. Dat is nog steeds minder dan in andere industrielanden: bijvoorbeeld Duitsland heeft 322 robots per 10.000 werknemers, in Zuid-Korea is dat zelfs 710. Maar met 97 komt China wel voor het eerst boven het mondiale gemiddelde. Er wordt nu zo snel geïnvesteerd, dat het land binnenkort ook op het gebied van robotisering in de voorhoede mee zal doen. Arbeid wordt snel duurder in China en de vergrijzing zet de komende jaren stevig door, dus als het land de fabriek van de wereld wil blijven, is snelle robotisering noodzakelijk. De IFR verwacht dat het aantal nieuwe robots die China jaarlijks in gebruik neemt de komende vier jaar zal verdubbelen. In 2021 zal dan bijna de helft van alle nieuwe industriële robots naar China gaan.

Daar steekt Europa karig bij af. Natuurlijk, Europese bedrijven liggen momenteel nog ver voor op China. Naast koploper Duitsland is ook de industrie in Denemarken, Zweden, België en Italië flink gerobotiseerd. Maar van de nieuwe systemen belandde in 2017 slechts 17% in Europese fabrieken. Een relatief groot deel daarvan ging naar landen in Oost- en Midden-Europa.

En Nederland? Wij doen de afgelopen paar jaar steeds beter mee. Onze industrie heeft een tussensprint ingezet. Stonden we in 2011 nog achter in het veld met nog geen 100 robots per 10.000 werknemers in de industrie. Inmiddels is Nederland met 172 een aardige middenmoter. In 2017 kwamen er 1.814 nieuwe robots bij in Nederland. Dat is een nieuw record, maar tegelijk ligt dit aantal slechts 2% boven dat van 2016. Dat is de laagste groei in vijf jaar tijd. In 2016 steeg het aantal aangeschafte robots nog met 20%. Een jaar daarvoor was dat 21% en in 2014 zelfs 38%.

De 2% groei in Nederland valt dus wat tegen. Maar over het algemeen wijst niets in het IFR-rapport er op dat de mondiale trend van robotisering stoom aan het verliezen is. Integendeel, de opstellers van het rapport verwachten juist een verdere acceleratie. IFR is een brancheorganisatie, dus enig overdreven optimisme lijkt logisch. Maar terugkijkend naar de voorspellingen van de afgelopen jaren is men eigenlijk steeds te pessimistisch geweest. Tussen 2014 en nu kwam het werkelijk aantal verkochte robots telkens ruim boven de voorspelling uit. Gemiddeld met maar liefst 25%.

De robotisering gaat nu zo snel, dat zelfs de producenten de ontwikkelingen structureel onderschatten.

Lessen van Paars 1

Minachting en paniek

Voelt u het ook, die ongewone combinatie van minachting en paniek? Voelt u die diepe minachting voor de Britten die tijdens de brexit-onderhandelingen telkens weer het onderspit delven en aan de onderhandelingstafel al bij voorbaat de handdoek in de ring gooien? En voelt u tegelijkertijd die verlammende paniek, omdat de Britten juist alle kaarten in handen hebben en zich in de onderhandelingen dus keihard kunnen opstellen?

Minachting en paniek. Het lijkt een onwaarschijnlijke mix van emoties. Maar toch is dat precies wat wij, continentale Europeanen, op dit moment voelen – althans, volgens de belangrijkste voorstanders van een harde brexit, die zich deze week weer flink roeren in de Britse pers.

De opgestapte minister van buitenlandse zaken en opper-brexiteer Boris Johnson schreef een column in The Telegraph waarin hij de minachting-invalshoek voor zijn rekening neemt. Titel van het stuk: ‘De EU behandelt ons met onverholen minachting – we moeten stoppen met deze capitulatie van ons land.’

De Britten doen alles om het de EU naar de zin te maken, schrijft Johnson. ‘We hebben ingestemd met het vergaderschema van de EU, we hebben beloofd miljarden ponden aan belastinggeld over te maken, we hebben de rechten van EU-burgers beschermd, maar voor al deze generositeit krijgen we niets terug van de EU.’ Het is pure minachting, vindt Johnson. En daar komt nog de vernedering bij dat, om een harde grens tussen Ierland en Noord-Ierland te voorkomen, de Britten ‘tijdelijk’ in de Europese douane-unie moeten blijven, zodat het land niet kan beginnen met het afsluiten van al die uiterst rendabele vrijhandelsakkoorden met de rest van de wereld. ‘Dit is een catastrofe en het maakt ons brexit-project belachelijk’, dreint Johnson.

Volgens David Davis, mede-brexiteer en medewegloper uit het kabinet van May, ligt de zaak andersom: juist de EU is in volle paniekmodus. De titel van zijn artikel, dat in The Times verscheen, luidt daarom: ‘Het continent is in paniek over brexit; we moeten nu keihard onderhandelen.’ Vooral de Duitse industrie zou peentjes zweten bij het vooruitzicht van een harde brexit. Die angst moeten de Britten gebruiken door harde eisen op tafel te leggen.

Wie van de twee heeft gelijk? Bent u in paniek of voelt u minachting? Mijn gok: geen van beide. De waarheid is dat de meeste Europeanen er niet zo emotioneel instaan. Als er een emotie overheerst dan is dat het gevoel van ergernis. Ergernis over de Britten die niet kunnen kiezen. En vooral ergernis over types als Johnson en Davis, die de moeizame onderhandelingen misbruiken voor eigen politiek gewin.

(FD)

Woontorens bouwen in het laatste stukje groen, of eindelijk eens investeren in het buitengebied?

De Nederlandse woningmarkt kookt droog. Er is veel meer vraag dan aanbod, waardoor huizenprijzen onrustbarend snel stijgen terwijl het aantal transacties daalt. In augustus waren huizen weer ruim negen procent duurder dan een jaar eerder. De markt is extreem krap en vooral starters komen er nauwelijks meer tussen.

De oplossing: meer nieuwbouw. Volgens Ger Jaarsma, voorzitter van makelaarsvereniging NVM, is er nu een ‘nationaal woningbouwplan’ nodig, met ‘strakke regie van het Rijk’. Hij luidde in oktober de noodklok, met een nieuw rapport over de krappe woningmarkt. Er wordt veel te weinig gebouwd, en als we niets doen wordt het woningtekort alleen maar nijpender.

De makelaars hebben de cijfers aan hun kant. Nederland heeft zo’n 75.000 nieuwe woningen per jaar nodig, en dat aantal wordt niet gehaald. Sterker: de nieuwbouw lijkt zelfs nog verder te stagneren. De oorzaak is gebrek aan alles: aan bouwvakkers, aan betaalbare bouwmaterialen en aan bouwlocaties.

Maar er is ook een andere waarheid: Nederland heeft genoeg woningen. Ze staan alleen niet op de juiste plaats. Behalve nieuwe huizen bouwen, zou de overheid daarom ook moeten nadenken over het beter benutten van de bestaande huizenvoorraad.

Ons land telt momenteel een kleine 7,8 miljoen huishoudens (inclusief eenpersoonshuishoudens) en bijna net zoveel woningen. Voor elke 100 huishoudens zijn er 99,3 woningen. Er zijn huishoudens die een woning delen, maar er staan ook altijd wat woningen leeg, dus het aantal huishoudens en het aantal woningen zal in de regel wat van elkaar verschillen. Een verhouding van 1 op 0,993 duidt in elk geval niet op een enorme woningnood. Enkele jaren geleden, in 2015, was de verhouding zelfs 1 op 1.

Voor een echt tekort aan woningen moeten we veel verder terug: naar de jaren zestig van de vorige eeuw, toen er voor elke 100 huishoudens slechts 91 woningen beschikbaar waren. Die verhouding liep op naar 96 woningen per 100 huishoudens in de jaren zeventig en 98 woningen rond de eeuwwisseling. Sinds 2006 heeft dat aantal altijd boven de 99 gelegen.

Wat is dan het probleem? De regionale spreiding van de woningen. Ze staan niet op de plaats waar de huishoudens (willen) wonen. In Zeeland, Friesland, Drenthe, Overijssel en Limburg zijn er meer woningen dan huishoudens. Voor iedere 100 Zeeuwse huishouden zijn er zelfs maar liefst 107 woningen. In Utrecht, Noord-Holland, Gelderland, Flevoland en Zuid-Holland zijn er juist minder huizen dan huishoudens. In Utrecht moeten 100 huishoudens het doen met 97 woningen.

In de provincie Groningen lijkt de schaarste nog groter: 95 woningen per 100 huishoudens. Maar zonder deze schaarste te bagatelliseren, denk ik dat het relatief grote aantal studenten in de stad Groningen dit getal wat vertekent. Dat idee wordt ondersteunt door de prijsontwikkeling in Groningen: de verkoopprijzen van Groningse huizen zijn nog niet terug op het niveau van tien jaar geleden. Voor de andere provincies met te weinig woningen is dat wel het geval. In Noord-Holland zijn huizen gemiddeld alweer 14% duurder dan in 2008.

Het Nederlandse woningtekort is dus eerder een probleem van locatie dan van absolute aantallen. Behalve een woningbouwplan zou er daarom ook een woninglocatieplan moeten komen. Of, omdat woningen zich nu eenmaal moeilijk laten verplaatsen: een bewoners-locatieplan, waarmee de overheid mensen verleidt om te vertrekken uit de drukke, verstedelijkte Randstad, naar het platteland in de provincie.

Dat betekent: investeren in infrastructuur buiten de Randstad, zodat de woon-werk-reistijden kleiner worden, door wegen te verbreden, maar beter nog door buitengebieden directe, snelle en regelmatige treinverbindingen te geven met de Randstad. Er moet daarnaast serieus geld naar de kleinere gemeenten, zodat die de basisvoorzieningen op peil kunnen houden. Zonder onderwijs, sport, cultuur en bereikbare zorg blijven de dorpen niet bewoonbaar.

Weggegooid geld? Dat denk ik niet. Massaal huizen bouwen in het schaarse groen van de Randstad, terwijl er elders in Nederland leegstand is, dat is pas verspilling.

Lage btw, en wel hierom niet

De afgelopen jaren heb ik een aantal keer geschreven over de zin en onzin van het lage btw-tarief. Nu het nieuwe kabinet het (eindelijk) aandurft om het lage tarief te verhogen, de oppositie daartegen te hoop loopt, en zelfs Katja Schuurman en Giel Beelen zich in deze fiscale discussie mengen, zet ik deze artikelen en columns graag nog eens op een rij:

BTW: Belasting Toegevoegde Waanzin (Z24, 2011)

Rijken profiteren het meest van het lage btw-tarief (FD, 2015)

Dadendrang (FD, 2016)

Let op: de overheid wil dat u een kleurboek koopt, en geen plakboek (FD, 2016)

Schaf het lage btw-tarief af! (FD, 2017)

Lage btw omhoog (FD, 2017)

Nog een laatste opmerking over de redenering dat een verhoging van het lage tarief  “groente en fruit duurder maakt”. De btw-verhoging geldt net zo goed voor snoep, koek, kauwgum, slagroomtaarten, suikerspinnen, karbonades uit de bio-industrie, plofkippen, energy-drankjes, gummybeertjes,  hamburgers, alles uit de frituur, softijsjes met discodip, rookworsten, vers-geschoten wilde konijntjes en alle andere voedingsmiddelen en niet-alcoholische drankjes. Dus alleen als je denkt dat mensen door het hogere lage btw-tarief massaal hun dagelijkse appel inruilen voor een glas oude jenever, is er reden tot (theoretische) zorg over het effect op de gezondheid.

Zie daarom ook: Ongezonde BTW (FD, 2018)

En trouwens, de waterleidingbedrijven huilen krokodillentranen (Nieuwsuur, 2018). Reportage hier.