Niet radicaal

Is Syriza een radicale partij? Kort nadat de partij van Alexis Tsipras de Griekse verkiezingen had gewonnen, ontstond er in Nederland discussie over die vraag. Nee, klonk het vanuit linkse hoek. Syriza is geen radicale partij, want wat de Grieken willen is juist zeer verstandig en uiterst gematigd.

8935156736_15cd86bc59_b

Kwijtschelding van een onhoudbare schuld, een einde aan het bezuinigingsbeleid en de privatiseringen, bestrijden van de humanitaire crisis, dat zijn buitengewoon redelijke doelstellingen. De echte radicalen in Europa, dat zijn de ‘neo-liberale’ politici in Duitsland en Nederland die de Grieken laten lijden onder veel te harde bezuinigingen.

Ik was het in eerste instantie absoluut niet eens met dit verzet tegen het radicale label. Syriza betekent nota bene ‘Coalitie van Radicaal-Links’ en de ideologen van de partij hebben zich altijd laten voorstaan op hun radicale politiek. Waarom zou je ze dan niet zo mogen noemen? Radicale politiek betekent volgens Van Dale: ‘Strevend naar diep ingrijpende hervormingen’; dat etiket leek Syriza prima te passen.

Maar inmiddels ben ik om. Syriza is geen radicale partij en Tsipras is geen radicale politicus. Van diep ingrijpende hervormingen hebben we sinds de Griekse verkiezingen niets meer gehoord.

In plaats daarvan doet Syriza precies hetzelfde als eerdere Griekse regeringen: geld vragen in Europa in ruil voor vage beloften, het overleg traineren totdat de nood zo hoog is dat Europa wel met noodmaatregelen over de brug moet komen en consequent achteruit onderhandelen. Zodra er een afspraak is gemaakt met de andere eurolanden, wordt die overeenstemming het startpunt voor weer nieuwe onderhandelingen.

‘Constructieve onduidelijkheid’ noemt de flamboyante minister van financiën Yanis Varoufakis dat. Men belooft iets in Brussel, maar de formulering is zo vaag dat men er later weer op terug kan komen. Tsipras en Varoufakis willen noodhulp van Europa krijgen, zonder het bijbehorende hervormingsbeleid te hoeven leveren. Zo stapt de Syriza precies in de voetsporen van eerdere Griekse regeringen. Dat is bepaald niet radicaal.

Het is nu een kleine acht weken na de Griekse verkiezingen. Die tijd heeft Tsipras gebruikt om al zijn crediteuren kwaad te krijgen, spaargeld het land uit te jagen, het economisch herstel te frustreren en de rentes op te drijven. Het prille economische herstel is inmiddels in de kiem gesmoord, de belastinginkomsten vallen fors tegen en het geld is vrijwel op. Op deze manier moet het land vroeg of laat de euro opgeven.

In Van Dale staat nog een definitie van radicaal. Een radicaal is ‘een persoon die de uiterste consequentie van een denkwijze aanvaardt’. De uiterste consequentie van het wel-noodhulp-geen-hervormingen-beleid van Syriza is dat Griekenland de monetaire unie uit rommelt.

Pas als Tsipras en Varoufakis dat openlijk erkennen, noem ik Syriza weer radicaal.

 

 

(Verscheen eerder hier)

Moeder aller depreciaties geeft Europa wind in de rug

Zo optimistisch hadden we Mario Draghi in tijden niet meer gehoord. De president van de Europese Centrale Bank (ECB) was het afgelopen jaar juist de man die waarschuwde voor tegenvallende groei in Europa en de door dat gebrek aan dynamiek veroorzaakte deflatie. Alleen met een omvangrijk opkoopprogramma zou de ECB het gevaar kunnen keren.

Deze week ging het programma van start. De ECB en de aangesloten nationale centrale banken gaan maandelijks voor € 60 mrd aan langlopend schuldpapier opkopen. In de eerste dagen van het programma werd al voor meer dan € 9 mrd uit de markt genomen. Een vliegende start.

Dat heeft het humeur van Draghi duidelijk goed gedaan. De Europese groeivertraging is omgeslagen in een groeiversnelling, vertelde hij woensdag opgewekt tijdens de jaarlijkse conferentie voor ‘ECB-watchers’. De werkloosheid is gedaald naar het laagste niveau sinds augustus 2012. En in 2016 zal de inflatie weer oplopen naar 1,5%.

De zon breekt weer door in Europa. Het is een zonnetje van 60 miljard per maand, maar Draghi is er gelukkig mee: het opkoopprogramma werkt, concludeert de Italiaan.

Duitsland en Nederland lenen inmiddels tegen negatieve rente. De Italiaanse is lager dan ooit. En Spanje en Portugal lenen goedkoper dan de Verenigde Staten. Het beleid werkt, zegt Draghi. Maar werkt het misschien niet veel te goed? In de jaren voor de crisis konden zuidelijke eurolanden veel te goedkoop lenen, weten we nu. Dat was toen een probleem. Nu is het blijkbaar de oplossing.

Behalve op de obligatiemarkt heeft het ECB-beleid ook ongekend groot effect op de valutamarkt. Eerder deze maand ging de ECB er nog vanuit dat de euro dit jaar zou dalen naar $ 1,13. Maar dat punt zijn we al lang gepasseerd. Afgelopen week belande de euro op $ 1,05, de laagste koers in twaalf jaar tijd.

De depreciatie is op korte termijn zeker goed voor de Europese economie. Export wordt goedkoper, import duurder, dus de vraag naar Europese producten neemt toe. De lage euro geeft het economisch herstel de wind in de rug.

Tegelijkertijd is de heftigheid waarmee de euro omlaag klettert opzienbarend. Een beetje eng, eigenlijk. Vergeleken met een jaar geleden staat de euro-dollarkoers nu bijna 24% lager. Zo’n snelle depreciatie is in de geschiedenis van de Europese munt nog niet eerder voorgekomen. Een jaar na het ontstaan van euro in 1999, ging de koers ook al eens snel omlaag. Toen daalde de euro zelfs naar € 0,82. Maar tijdens die depreciatie was de snelst gemeten jaar-op-jaar-daling ruim 22%, iets minder heftig dus dan het afgelopen jaar.

Schermafbeelding 2015-03-23 om 16.17.55

Tijdens de crisisjaren 2009 en 2012, toen de euro ook flink onderuit ging ten opzichte van de dollar, kwam de maximale depreciatie niet boven de 20%. Waarom gaat het nu sneller? Voor de reden moeten we eerder naar Washington dan naar Frankfurt. In 2009 en 2012 daalde de euro, terwijl de Amerikaanse centrale bank bezig was met monetaire verruiming. Dat dempte de beweging van de euro-dollarkoers.

Schermafbeelding 2015-03-23 om 16.17.43

Op dit moment overweegt de Federal Reserve juist de monetaire teugels weer aan te halen. Het opkoopprogramma is al weer een tijd voorbij en het moment van de eerste renteverhoging in de VS nadert. Terwijl dECB e ECB bezig is met de extreemste monetaire verruiming in de geschiedenis van de bank, staat de Fed aan de vooravond van een ingrijpende verkrapping. Zelden was het verschil in monetair beleid zo groot. Het gevolg is een imploderende euro-dollarkoers.

Ten opzichte van de munten van andere handelspartners doet de euro het iets rustiger aan. De ECB berekent dagelijks een speciale wisselkoersindex, waarin de euro wordt afgezet tegenover de valuta van Europa’s belangrijkste handelspartners. Die zogenoemde effectieve wisselkoers staat nu 15% lager dan vorig jaar.

Schermafbeelding 2015-03-23 om 16.17.36

De euro werd goedkoper ten opzichte van de Chinese, Britse, Zwitserse en Poolse valuta, maar duurder ten opzichte van de Zweedse, Noorse en Tsjechische munten. Laat Draghi het maar niet horen.

 

 

(deze column verscheen eerder in FD)

 

Duurzaam Nederland

Nederland verslaat Malta en Luxemburg met een ruime marge. In die twee landen komt niet meer dan 3,8% van de energieconsumptie uit hernieuwbare bronnen. Nederland doet het met 4,5% onvergelijkbaar veel beter. Wij zijn met de energietransitie, de overgang van fossiele naar duurzame energie, veel verder op weg dan Malta en Luxemburg, zo bleek deze week uit nieuwe cijfers van Eurostat. Een hoeraatje voor Nederland!

Natuurlijk, als je goed zoekt zijn enkele Europese landen te vinden die het nog net iets beter doen dan Nederland. Zoals België, waar het percentage hernieuwbare energie 7,9% bedraagt, of Duitsland dat 12,4% scoort. In Finland komt 36,8% van de verbruikte energie uit duurzame bron, in Letland 37,4% en in Zweden 52,1%. Maar dat zijn uitzonderingen. Het gemiddelde in de Europese Unie ligt een stuk lager: op 15%. Daar komt de Nederlandse 4,5% toch heel dicht bij in de buurt; het ligt maar iets meer dan een factor drie lager.

Schermafbeelding 2015-03-19 om 09.19.12

Bij de Grieken, Spanjaarden en Italianen schijnt de zon altijd, dus logisch dat men daar op of net boven het Europese gemiddelde van 15% zit. Goed beschouwd zou dat eigenlijk meer moeten zijn. In Oostenrijk stromen de rivieren gratis van de berg af, dus dat land kan nauwelijks trots zijn op dat 32,6% van de energie hernieuwbaar is. En in Denemarken waait het bijna altijd, waardoor men daar met een paar extra windmolens al op 27,2% duurzame energie zit.

Nee, dan Nederland. Hier moeten wij echt hard werken om aan de fraaie 4,5% te komen. Alleen al het op peil houden van dat percentage is een bijna bovenmenselijke prestatie. Volgens Eurostat nam het aandeel duurzame energie tussen 2012 en 2013 (het meest recente jaar waarvoor cijfers beschikbaar zijn), geen promille toe. Maar het daalde dus ook niet! Daar mag de Nederlandse energiesector best eens een schouderklopje voor krijgen. Men bouwde enthousiast aan nieuwe kolencentrales, maar wist tegelijkertijd toch maar mooi het percentage duurzaam constant te houden. Chapeau!

Ons land heeft het afgelopen decennium een ware energietransitie doorgemaakt. In 2004 haalden we slechts 1,9% uit hernieuwbare bronnen. Dankzij doortastend, consistent en moedig kabinetsbeleid, was dat in 2010 al op grandioze wijze gestegen naar 3,7%. De laatste twee jaar schoten we razendsnel door naar de eerdergenoemde 4,5%. Extrapoleren we deze trend, dan zal over tien jaar ruim 7% van ons energieverbruik duurzaam zijn. En in 2075, over een luttele zestig jaar, knallen we al door de 20%.

Denk je eens in: van elke tien lampen in onze huiskamer, branden er over zestig jaar maar liefst twee op hernieuwbare energie. Het is een ware energierevolutie waar onze kleinkinderen ons zeer dankbaar voor zullen zijn. Kom daar maar eens om, bij Malta en Luxemburg!

 

(Verscheen eerder hier)

CPB voorspelt voortaan ook de eigen missers

We moesten er twaalf jaar op wachten. Maar nu is het zover: het Centraal Planbureau schept de noodzakelijke ónduidelijkheid over de eigen voorspellingen. Hoe? Daarover verderop meer. Eerst het waarom.

Voor dat waarom moeten we terug naar 2003. Het CPB organiseert dat jaar een externe evaluatie van zichzelf. Vier buitenlandse en twee Nederlandse professoren krijgen de opdracht de methoden van het Planbureau door te lichten. Ze duiken in de modellen en publicaties van het CPB en praten met in- en outsiders. In een gesprek met drie financieel-economische journalisten – een daarvan ben ik – komt de interactie van CPB en pers te sprake.

De media rapporteert vaak met overdreven stelligheid over de ramingen van het CPB, is het verwijt van de professoren. In de krant lezen we “Groei volgende jaar 2%”, terwijl het Planbureau dat helemaal niet zo precies kan voorspellen.

Eerlijker en wetenschappelijker
Wij – de journalisten – kaatsten de bal terug: laat het CPB voortaan rapporteren over de onzekerheid van de eigen voorspellingen. In plaats van “Groei van 2%”, zou men “Groei van 2%, plus of min een kwart procent” moeten schrijven. Kwantificeer de onzekerheid, dan kan de journalistiek daar verslag van doen.

Zo kwam het uiteindelijk in de aanbevelingen van de evaluatiecommissie terecht. De professoren schreven: “Het comité adviseert dat de modelramingen voortaan worden gepresenteerd met een marge of een boven- en ondergrens, in plaats van als een puntvoorspelling”.

Een prima advies. Geef aan hoe zeker of onzeker je zelf bent van je voorspellingen. Dat is eerlijker, wetenschappelijker en vergroot de geloofwaardigheid. Zoals gezegd, we hebben er even op moeten wachten, maar het advies uit 2003 werd afgelopen week eindelijk opgevolgd.

De publicatie van de nieuwste raming van het CPB (1,7% groei, werkloosheid dalend naar 7,2% van de beroepsbevolking in 2015), ging gepaard met het verschijnen van een aantal kleurrijke waaiergrafieken die de kansintervallen rond de voorspellingen weergeven. Ik heb er hieronder twee gereproduceerd, voor economische groei en werkloosheid.

Natte-vinger-voorspelling
Het CPB voorspelt 1,7% economische groei in 2015. Maar er is een grote kans (90%) dat het een kwart procentpunt meer of minder is. Er is redelijke kans (60%)dat de werkelijke groei buiten dat interval maar wel tussen pakweg 1 en 2,5% uitkomt en een kleine kans (30%) dat er nog ruimere marges van tussen de 0,5 en 3% groei nodig zijn. Voor 2016 zijn de kansintervallen nog een stuk groter.

Het werkloosheidspercentage komt volgens het CPB volgend jaar uit 7,2%. Maar er is een kans van 30% dat het ergens tussen de 6,5 en 8% uitkomt. Voor 2016 voorspelt het CPB een werkloosheid van 7,0%, met een 30%-kansinterval van 5 tot 9%.

De werkloosheid ligt in 2016 dus met redelijke zekerheid ergens tussen de 5 en 9% van de beroepsbevolking. Dat is een zeer ruime marge. Vraag tien arbeidsmarktdeskundigen om hun natte-vinger-voorspelling van de werkloosheid in 2016, en alle genoemde percentages liggen tussen de 5 en 9%. Gegarandeerd.

Schermafbeelding 2015-03-15 om 13.27.15

Geen wilde, onberedeneerde gok
Hebben we dan wel wat aan zo’n CPB-voorspelling? Zeker wel. De meest waarschijnlijke uitkomst is nog altijd de puntvoorspelling, die het Planbureau traditioneel rapporteert (bijvoorbeeld 7,0% werkloosheid voor 2016). Als iemand een ‘best guess’ nodig heeft, bijvoorbeeld om economisch beleid te formuleren, dan is 7,0% het best mogelijke uitgangspunt. Het is niet de waarheid, en waarschijnlijk wordt het geen 7,0% maar iets meer of minder. Maar de CPB-raming is geen wilde, onberedeneerde gok.

Hoe moeten journalisten omgaan met de nieuwe informatie van het CPB? Het lijkt me onzinnig om voortaan de kansintervallen te gaan rapporteren. Maar op basis van de CPB-grafieken kunnen we voortaan wel in onze teksten meer van de onzekerheid rond de voorspellingen laten doorklinken. Dus in een lang artikel met de titel: “CPB voorspelt 1,7% groei”, kan best een alinea over de kans dat het wat meer of minder wordt.

Economie is een wetenschap, maar zeker geen exacte wetenschap. Dankzij de nieuwe grafieken is het CPB daar nog eerlijker over. Een prima zaak.

 

(Verscheen eerder hier)

BANKEN ÉN GRIEKEN GEHOLPEN

U bent bankroet. Al uw geld is op. Zelfs de euro’s tussen de kussens van het bankstel heeft u opgegraven en uitgegeven. U heeft alleen maar schulden. Aan wie? Aan mijn broer. Hij heeft u ooit, in een domme bui, 1000 euro geleend.

Die kunt u niet terugbetalen. U gaat failliet, niemand wil meer aan u lenen en u heeft trouwens ook al een paar dagen honger.

Een treurige situatie voor u, maar ook voor mijn broer. Het is een familiekwestie dus ik besluit te helpen.

Ik leen u 750 euro, uit eigen zak. Daarvan kunt u 600 euro gebruiken om het op een akkoordje te gooien met mijn broer. Hij weet dat hij die duizend euro nooit meer helemaal terugkrijgt. Dus misschien kunt u de hele schuld voor 600 euro afkopen. Van de 150 euro die u dan nog overhoudt, kunt u vervolgens eens goed gaan eten. Doe meteen ook boodschappen voor rest van de hele week.

U gaat niet failliet, u heeft een volle maag en de schuld van 1000 euro aan mijn broer is vervangen door een schuld van 750 euro aan mij. En ik ben — hoe kan het anders — een sympathieke schuldeiser.

U hoeft daarom de eerste tien jaar niet af te lossen op de lening en daarnaast reken ik nauwelijks rente. Betaal maar net zo weinig rente als de meest kredietwaardige inwoner van het land, bied ik aan. Dat scheelt u in netto contante waarde misschien wel 40% van de schuldenlast.

Bent u tevreden met deze deal? Ongetwijfeld. Tenzij u een Griek bent. Dan vindt u dat u een groot onrecht wordt aangedaan. Dan rekent u voor dat van de 750 euro die u van mij ‘moest’ lenen, slechts 20% naar noodzakelijke levensbehoeften voor uzelf is gegaan. De andere 80% stroomde direct terug naar de bankrekeningen van de Familie Bouman.

Ik heb niet u gered, maar mijn broer! En voor die redding van mijn eigen vlees en bloed, zo klaagt u, mag u tot in lengte van dagen bloeden! Het is een grof schandaal.

Maar zonder dat geld was u failliet gegaan, probeer ik u — of beter: de Griekse versie van u — uit te leggen. Mijn broer had u voor het gerecht gesleept, u was in de schuldsanering terecht gekomen en van boodschappen doen was jaren lang helemaal niets gekomen.

Niks mee te maken, roept u boos. Uw broer was zo stom om mij 1000 euro te lenen. Hij nam het risico, dus hij had failliet moeten gaan!

U zult begrijpen dat ik op dit moment de conversatie met uw Griekse alter ego resoluut afkap. Zoveel redeloosheid, zoveel onterechte verwijten. U zoekt het maar uit, ik luister niet meer naar u.

Ik stop daarom ook met het lezen van de goedbedoelde columns die ons voorrekenen dat de Griekse noodhulp voor 80% naar Europese banken is terug gevloeid en dus de Grieken zelf niet heeft geholpen.

Borrelpraat! De banken zijn geholpen, maar de Grieken net zo goed.

(column verscheen eerder in FD)

Bronzen pensioenstelsel maakt Nederland gevaarlijk illiquide

Het beste pensioenstelsel van de wereld heeft Nederland al een paar jaar niet meer. In 2012 besloot onderzoekbureau Mercer, dat jaarlijks het veelbesproken lijstje opstelt, dat de Denen hun pensioen toch beter voor elkaar hadden.

Twee jaar later verdrong Australië Nederland naar de derde plaats. Zelfstandig sparen voor pensionering zou in ons land meer kunnen worden gestimuleerd, vindt Mercer. En opgebouwde pensioenaanspraken zijn onvoldoende beschermd tegen fraude en mismanagement.

Ach, zult u denken, zo’n derde plaats levert toch mooi brons op. We horen nog altijd bij de wereldtop. Maar het jaarlijkse lijstje van Mercer laat de belangrijkste problemen van ons pensioenstelsel onbenoemd.

Ons bronzen pensioenstelsel zorgt voor een financieel keurslijf voor jongeren, een laag besteedbaar inkomen voor werknemers, een onevenwichtige betalingsbalans, een enorm financieringsgat voor banken en suboptimale beleggingen. Bovendien komt door de accumulatie van kapitaal bij pensioenfondsen de groei van de Nederlandse economie op lange termijn in gevaar.

Dat is niet niks. Welke doemdenkende paniekzaaier komt met deze verwijten? Het is de Europese Commissie. Afgelopen donderdag kreeg Nederland een vermaning: de onbalans in onze economie verdient monitoring en beleidsactie, schreef de Commissie.

Het is vooral ons pensioenstelsel dat voor de onbalans zorgt. Jongeren worden gedwongen om aan het begin van hun carrière meteen veel premie te betalen. Door de systematiek van de doorsneepremie leggen ze meer premie in dan ze pensioenrechten opbouwen. Sparen voor pensioen wordt op deze manier kunstmatig naar voren gehaald.

Jongeren houden daardoor weinig geld over om zelf te sparen en zijn daardoor financieel kwetsbaar. Zekerheid na pensionering gaat ten koste van zekerheid nu.

FDgraphic

In combinatie met de hypotheekrenteaftrek zorgt ons pensioensysteem voor een onhandige combinatie van hoge schulden en grote, illiquide pensioentegoeden. Tegen elkaar weggestreept is Nederland zeer solvabel, want onze collectieve spaartegoeden zijn veel groter dan onze schulden. Maar het grootste deel van het vermogen zit vast in pensioenpotten. We zijn solvabel en illiquide tegelijk.

De resultaten van een enquête van de Europese Centrale Bank (ECB) laten zien hoe Nederland zichzelf kunstmatig arm houdt. Aan rente en aflossing van schulden betalen Nederlands meer dan Italianen, Duitsers en Oostenrijkers. Aan liquide bezittingen (zoals spaargeld en aandelen) hebben we minder dan de meeste eurolanden. En alleen in Spanje zegt een kleiner deel van de bevolking genoeg inkomen te hebben om maandelijks te kunnen sparen (zie grafieken). De Nederlandse economie is rijk, maar het besteedbaar inkomen van de inwoners is door de hoge verplichte pensioenbesparingen relatief laag.

Wat doen de pensioenfondsen met al ons spaargeld? Ze verschepen het zo snel mogelijk naar het buitenland. Slechts 17% van het pensioenvermogen wordt belegd in Nederland, stelt de Europese Commissie. Volgens De Nederlandsche Bank (DNB) is het nog minder: 14%. Het grootste deel daarvan zit in staatsobligaties, relatief weinig geld gaat naar de huizenmarkt. Dat zorgt voor een groot financieringsgat bij de Nederlandse banken, schreef DNB vorige week. De Commissie noemt de allocatie van pensioengeld ‘suboptimaal’ en vreest dat de Nederlandse groei door de kapitaalvlucht van pensioenfondsen onder druk komt.

Wat doen we er aan? De Commissie geeft geen duidelijke agenda voor een pensioenhervorming, maar een actieplan is eenvoudig op te stellen. De systematiek van de doorsneepremie moet aangepast, zodat jongeren minder premie betalen. Balansen van huishoudens kunnen korter als ze hypotheekschuld mogen aflossen met pensioenvermogen. Werknemers moeten premie kunnen inruilen voor meer netto loon. En we moeten pensioenfondsen ervan overtuigen ons collectieve spaargeld meer in te zetten voor productieve investeringen in de eigen economie.

Zulke aanpassingen kosten Nederland ongetwijfeld de bronzen plak van Mercer, maar ze maken de economie als geheel rijker en onze huishoudens minder kwetsbaar.

 

Minder zekerheid

Het gat in de wet is gedicht, de weeffout is gerepareerd. Campinghouders, schilderbedrijven en tv-omroepen halen opgelucht adem. De nieuwe Wet Werk en Zekerheid, die op 1 juli van kracht wordt, dreigde hen het werken onmogelijk te maken.

Het recht op een ontslagvergoeding (‘transitievergoeding’, in de Haagse newspeak), dat in deze wet wordt geregeld, zou met terugwerkende kracht gaan gelden. Waardoor seizoensarbeiders plotseling recht kregen op een hoge vergoeding.

Door die nieuwe kosten dreigde seizoenswerk te verdwijnen en zouden seizoenswerkers vaker moeten rouleren tussen werkgevers. De werkzekerheid nam door de wet dus niet toe, maar af. De hele Kamer — exclusief de SP, die minder werkzekerheid voor flexwerkers blijkbaar geen probleem vindt — vroeg de minister om dit ongewenste effect van de wet zo snel mogelijk weg te nemen. Lodewijk Asscher wachtte nog even of de sociale partners er zelf uit zouden komen, maar toen dat niet het geval bleek, kwam hij afgelopen dinsdag met een Nota van Wijziging.

De techniek van zijn reparatie laat ik hier buiten beschouwing. De toelichting van Asscher is veel interessanter. In de aanbiedingsbrief geeft Asscher de volgende motivatie voor de wetswijziging: ‘Het behoud van een baan is uiteindelijk belangrijker voor een werknemer dan het verkrijgen van een transitievergoeding’.

Daar is geen speld tussen te krijgen. Werk is altijd te verkiezen boven een ontslagvergoeding. Als een nieuw recht op ontslagvergoeding mensen werkloos maakt, schiet de wet zijn doel mijlenver voorbij.

Maar die redenering geldt ook voor de rest van de Wet Werk en Zekerheid. De wet maakt het aanbieden van flexbanen voor werkgevers een stuk ingewikkelder en duurder. In plaats van de huidige drie jaar, mag een werkgever na 1 juli 2015 nog maar twee jaar tijdelijke contracten aanbieden aan dezelfde flexwerker. Bovendien wordt de ‘afkoelperiode’ tussen series van tijdelijke contracten verhoogd van drie naar zes maanden.

Asscher hoopt dat flexwerkers daardoor eerder een vaste baan aangeboden. Vandaar de term ‘Zekerheid’ in de naam van de nieuwe wet. Maar of werkgevers zomaar nieuwe vaste banen uit de hoge hoed zullen toveren, is zeer twijfelachtig. De Raad van State schreef eerder — met veel gevoel voor understatement — dat het niet uitgesloten is dat de positie van flexwerkers door de wet juist slechter wordt. Moest een flexwerker vroeger na drie jaar op zoek naar een nieuwe werkgever, nu staat hij of zij al na twee jaar weer op straat.

Daarom is het wachten op een nieuwe Kamerbrief van Asscher, waarin hij schrijft: ‘Het behoud van een baan is uiteindelijk belangrijker voor een werknemer dan het verkrijgen van een vast contract’. Bij die brief zit de kortste Nota van Wijziging ooit, bestaande uit een enkele zin: ‘De Wet Werk en Zekerheid wordt ingetrokken’.

 

Teveel aan bankiers belemmert economische groei

Stel u een land voor met te veel loodgieters. Niet iets te veel, maar veel te veel. De loodgieters hebben zich verenigd in machtige lobbyorganen. Iedere stad bedelt om de vestiging van het hoofdkwartier van het loodgietersgilde. Duizenden dienstverlenende bedrijfjes danken hun bestaan aan de bestedingen van de grote loodgietersbedrijven. De sector zorgt voor werkgelegenheid, belastinginkomsten en is een essentiële schakel in de nationale economie.

De loodgietersbedrijven trekken de slimste koppen aan en die bedenken telkens weer nieuwe, inventieve redenen om pijpen aan te leggen en waterstromen te leiden. Wc-doorspoelwater wordt apart geleverd, douchewater wordt hergebruikt. Drinkwater is in verschillende smaken en samenstelling te verkrijgen.

Maar er zijn ook nadelen. De wegen liggen continu open om het leidingennet te optimaliseren. Werkdagen gaan verloren doordat burgers thuis blijven, wachtend op de loodgieter. En een goede timmerman is niet te vinden, want alle vakmensen zijn loodgieter. Veel loodgieters is prima, maar te veel loodgieters hinderen de economie.

Zo is het ook met bankiers. Je merkt het minder snel, omdat ze geen wegen openbreken, maar een teveel aan bankiers is slecht voor de economie. Dat is in elk geval de conclusie van onderzoek dat econoom Stephen Cecchetti de afgelopen twee jaar uitvoerde.

Cecchetti is het voormalig hoofd van het economisch bureau van de Bank for International Settlements (BIS), het overlegorgaan en de denktank van centrale bankiers in Basel. (Ja, de BIS is ook die club waarvan een aantal enigszins verwarde Nederlandse toneelspelers vermoedt dat het de hoofdrol speelt in een duister complot.)

Groei van de financiële sector is in eerste instantie goed voor economische groei, stelt Cecchetti. Banken brengen leners en spaarders op een efficiënte wijze bij elkaar, scheiden nuttige van onzinnige investeringen en financiële innovaties van verzekeraars verminderen risico’s van burgers en bedrijven. Maar er is een tipping point. Voorbij dat punt remt verdere groei van de financiële sector de economische ontwikkeling juist.

Subprime

De financiële sector wordt dan een last voor de economie. Bankiers gaan subprime-hypotheken bedenken voor burgers met een onrealistische woonwens, en renteswaps verkopen aan financieel dyslectische ondernemers. Dat levert op korte termijn winst op, salarissen en bonussen stijgen, en dat trekt talent van buiten aan.

Cecchetti schrijft: ‘Mensen die in een andere tijd hadden gedroomd over het genezen van kanker of vliegen naar mars, dromen vandaag over een bestaan als hedgefondsmanager.’

De econoom berekende, op basis van cijfers uit 50 landen, dat het tipping point in elk geval is bereikt als 3,9% van de bevolking in de financiële sector werkt. Maar, schrijft hij, waarschijnlijk ligt het een stuk lager, zo rond de 1,5%. ‘De meeste ontwikkelde economieën zijn dat punt al lang gepasseerd.’

Uit zijn onderzoek blijkt dat door de dominantie van de financiële sector, projecten met goed onderpand en weinig risico (bijvoorbeeld de bouw), makkelijker geld krijgen dan projecten zonder onderpand en veel risico (R&D). Die scheefgroei zorgt voor daling van de productiviteitsgroei.

Hoe is het in Nederland? Hebben wij een overschot aan financiële experts? Waarschijnlijk wel. In 2012 werkte 3% van de Nederlanders met een baan in de financiële sector. Dat is iets minder dan de 3,5% van een decennium eerder, maar meer dan de 2,5% uit begin jaren zeventig.

web-radarwerk-werk

Banken en verzekeraars pakken ook een steeds groter stuk van de economische taart. In 1969 ging 4,7% van het bbp naar de financiële sector. Inmiddels is die taartpunt 8,1%. Vooral de banken zijn de afgelopen twintig jaar flink uitgedijd. Terwijl de hele economie sinds 1988 met twee derde groeide, nam de ‘productie’ van de banken met 155% toe. Bij verzekeraars groeide de productie slechts met een derde.

De meest recente CBS-cijfers dateren van 2012, dus misschien zijn de percentages in de nasleep van de kredietcrisis verder gedaald. Maar ook dan zit Nederland ongetwijfeld nog boven het kritieke punt. Dus mocht u een slimme zoon of dochter hebben, laat die dan raketgeleerde worden of kankeronderzoeker. Of desnoods loodgieter. Maar in elk geval geen bankier.

 

Stop de pompen

De hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant zag het goed, in 1972. Twaalf jaar eerder was er gas ontdekt onder het weiland van boer Boon in Groningen. Nederland was dat gas enthousiast gaan oppompen en verkopen. Maar hoofdredacteur Eddy Evenhuis voorzag problemen op lange termijn.

Onder het kopje ‘Kostbare rijkdom’ schreef hij: ‘Voorlopig zijn de berichten over het zinkende Groningen vrij geruststellend, maar niemand kan voorzien hoe het er over dertig tot vijftig jaar voor staat. Zou het niet goed zijn, een deel van de aardgasbaten niet à fonds perdu uit te geven, maar in enerlei vorm te reserveren?’

Drieënveertig jaar later weten we het antwoord op die vraag: ja, het was slim geweest om een reservering te maken voor schade van de gaswinning. Slim, prudent en vooral eerlijk. Dan hadden we gedupeerde Groningers nu kunnen compenseren uit een speciaal bij elkaar gespaard verzekeringspotje.

Maar nee, Nederland spaarde de gasopbrengsten niet, maar gaf ze met een verbeten ijver uit. Maar liefst € 265 mrd aan gasbaten hebben we er sinds 1960 doorheen gejaagd. Het heeft Nederland weinig meer opgeleverd dan hoge overheidsuitgaven, een veel te gulle verzorgingsstaat en een bedroevend geringe prikkel om te investeren in duurzame energie. O ja, en een op z’n grondvesten schuddende provincie.

Nee, dan de Noren. Die sparen hun oliekronen netjes in een staatsfonds. Het geld wordt wereldwijd belegd, in plaats van opgesnoept. Mocht er ooit een claim komen van een gedupeerde Noor, dan kan die met een handje kleingeld uit het staatsfonds zo worden gecompenseerd.

De Rekenkamer becijferde vorig jaar dat een Nederlands gasfonds — als we het net als de Noren hadden gedaan — inmiddels gevuld zou zijn met € 350 mrd. Daarover zou de overheid zichzelf sinds 1960 zo’n € 200 mrd euro aan dividend hebben kunnen uitkeren. Bij elkaar is dat een opbrengst van € 550 mrd, ruim het dubbele van de werkelijke gasopbrengst.

Klinkt fantastisch. Maar zo’n gasfonds heeft ook nadelen. Je ruilt fysiek kapitaal in de grond in voor financieel kapitaal. De zekerheid dat je in de toekomst gas kunt verkopen wordt ingeruild voor de hoop dat het buitenland in de toekomst netjes zal aflossen en winsten zal uitkeren.

Ik weet daarom een veel betere belegging: gas! Sla het gas op in een ondergronds gewelf dat al miljoenen jaren bewezen gasdicht is. Met andere woorden: laat het gewoon zitten. Sinds 1960 hebben we 3413 miljard m3 gas verkocht. Op basis van de gasinkomsten in 2013 (het meest recente jaar met gegevens), zou die hoeveelheid gas voor € 640 mrd op de staatsbalans mogen worden gezet. Dat is meer dan bij het gasfonds van de Rekenkamer.

Stop de pompen! Juist gas niet oppompen maakt ons rijk. En het houdt de Groninger grond prettig stabiel.

(Eerder hier)