Nieuwe cijfers veranderen het verhaal van de Nederlandse kopersstaking

Zo weinig nieuws als in de Miljoenennota stond dit jaar, zoveel zat in de begeleidende Macro Economische Verkenningen (MEV) van het Centraal Planbureau. Dat nieuws kwam niet regelrecht uit de koker van het CPB zelf, maar was het gevolg van een grote verbouwing bij het Centraal Bureau voor de Statistiek. Sinds dit jaar wordt het bruto binnenlands product op een andere manier berekend. Een betere manier, meent het CBS zelf, met nieuwe bronnen en volgens nieuwe internationale afspraken.

Deze revisie van de nationale rekeningen, zoals de operatie heet, heeft grote gevolgen voor de belangrijkste kerncijfers van de Nederlandse economie. Zo blijkt het bbp zo’n 7% hoger te zijn dan het CBS eerder dacht. Daardoor is onze staatsschuld als percentage van dat bbp ook direct stuk draaglijker.

De revisie verandert ook het economische verhaal van de afgelopen crisisjaren. Daarom was de MEV van deze week – de eerste geschreven op basis van de nieuwe CBS-cijfers – zo interessant.

Eerder schreef het FD over de investeringen, die volgens de nieuwe cijfers veel minder zijn afgenomen dan eerder gedacht. De griezelige trend van steeds minder investeringen en daardoor steeds minder potentiële economische groei is in de nieuwe cijfers niet meer zichtbaar. Weer een zorg minder.

Zuinig

Er is nog een verhaal dat we moeten herschrijven: dat van het gedaalde beschikbare inkomen. Volgens de oude cijfers is er tussen 2008 en 2014 sprake van een daling van het totale beschikbare inkomen uit arbeid, met ruim 7%. Geen wonder dat de consument zo zuinig aan deed, geen wonder dat de consumptie jaar op jaar bleef krimpen en het stil werd in de winkelstraten.

Maar in de nieuwe MEV ziet het beeld er een stuk gunstiger uit. Het totale beschikbaar inkomen uit arbeid is tijdens de crisisjaren zelfs gestegen en zal in 2015 bijna 4,5% boven het niveau van 2008 uitkomen. Dat komt vooral door een grotere stijging in 2009. In dat jaar schafte toenmalig minister van Financiën Wouter Bos het werknemersdeel van de WW-premie af, in de hoop zo de economie te stimuleren. Volgens de oude methode steeg het beschikbaar arbeidsinkomen in 2009 met 4,4%. Na de revisie is dat bijna twee keer zoveel.

Schermafbeelding 2014-09-28 om 10.26.42

Dalende huizenprijzen

Dat betekent echter niet dat de consumptie zich de afgelopen jaren ook gunstiger heeft ontwikkeld. De oude en nieuwe consumptiecijfers verschillen marginaal. Waarom was de consument zo zuinig, als het beschikbaar inkomen zich gunstiger ontwikkelde dan gedacht? Het antwoord luidt: door de dalende huizenprijzen.

Voor dat antwoord moest het CPB eerst het economische model Saffier opstarten. De gegevens over inkomen, huizenprijzen en vermogen (bijvoorbeeld aandelen en spaargeld) werden door dat model gehaald, zodat de invloed van iedere factor op de consumptie kon worden bepaald. Uit deze exercitie blijkt dat de ontwikkeling van het beschikbaar inkomen tussen 2008 en 2015 een positief effect op de consumptie had en zal hebben. Alleen in 2013 drukte deze factor de consumptie.

Schermafbeelding 2014-09-28 om 10.27.03

Herstel

De dalende huizenprijzen hebben de consumptie juist in alle jaren sinds 2010 gedrukt. Aan de verzilvering van overwaarde, via nieuwe en hogere hypotheken, kwam een einde. Het aangename idee van eeuwig stijgende woningwaarde, werd vervangen door de angst dat het eigen huis onder water zou komen te staan.

Schermafbeelding 2014-09-28 om 10.26.50

De invloed van huizenprijzen op consumptie werkt met enige vertraging. Pas na pakweg anderhalf jaar, denkt het CPB, zie je dalende woningwaarde terug in de consumptie. Hetzelfde geldt voor herstel op de woningmarkt. Vandaar dat – de recente stabilisatie van huizenprijzen ten spijt – het CPB ook dit en volgend jaar nog een negatief effect op de consumptie verwacht.

Het eigen huis is dus de grote boosdoener. De winkelstraten zijn leeg en verlaten omdat woningen minder waard werden. Wat Nederlanders voor de crisis extra uitgaven, omdat in ieder huis een eigen pinautomaat leek te zitten, moesten ze na 2009, toen bleek dat huizenprijzen ook omlaag konden, extra bezuinigen. Dat is het verhaal van de kopersstaking van de afgelopen jaren. Althans, tot de volgende revisie bij het CBS.

 

Zijn bier

Net als u vind ik het eigenlijk hartstikke mooi. Met een nuffig gebaar wees Charlene de Carvalho-Heineken de grote buitenlandse opkoper SABMiller de deur. Wij zijn van uw poenerige overnamepogingen niet gediend, was zo ongeveer haar antwoord. Het ‘erfgoed’ en de ‘identiteit’ van Heineken als zelfstandige onderneming moet worden behouden. Ook al kost het de familie — en alle andere aandeelhouders — mogelijk miljarden euro’s aan cash, ons erfgoed is veilig.

Overal in Nederland proosten blije bierdrinkers opgelucht op de gezondheid van Charlene. Heineken blijft ons bier. De gloed van chauvinistische trots verwarmt ons van binnen. Dat blussen we af met nog een rondje. En barman, doe er maar zo’n schaaltje borrelnootjes bij! Maar alleen als ze van het oer-Hollandse Duyvis uit Zaandam zijn.

Erfgoed

Duyvis. Alweer een jaar of acht in handen van het Amerikaanse Pepsico. Dat bedrijf kocht het van Douwe Egberts, dat op zijn beurt was overgenomen door het Amerikaanse Sara Lee. Inmiddels is het oer-Hollandse kopje koffie van DE van Benckiser uit Duitsland. En het traditionele plakje Peijnenburg-koek dat we daar graag bij eten, is van het Belgische Lotus Bakeries.

Want erfgoed verkopen doen we al jaren. Niets is Hollandser dan een boterham met hagelslag. Maar met elk pakje dat we leegschudden gaat de omzet omhoog bij moederbedrijf Heinz uit Pennsylvania. Generaties Nederlandse kinderen groeiden op met de vissticks van Iglo dat al weer acht jaar eigendom is van het Britse investeringsfonds Permira. De boerderijdrop van Venco is Zweeds (Cloetta), de muntdrop van Klene Italiaans (Perfetti Van Melle).

‘Een Hollandser merk is er haast niet’, beweert koekenbakker Verkade op de eigen website. Maar de meisjes van Verkade bakken al bijna een kwart eeuw voor het Britse United Biscuits. Kelloggs heeft trouwens trek in United Biscuits. De uitvinder van cornflakes zou nadenken over een bod, zo meldde Reuters deze zomer. Dan wordt Verkade Amerikaans.

Freddy Heineken

Het kan me niet schelen. Ik knabbel op de Hollandse borrelnootjes en zuig op een Nederlands muntdropje, ook al staat het hoofdkantoor van het moederbedrijf in een ver land.

Maar bij Heineken voelt dat toch anders. Heineken smaakt beter in Nederlandse handen. Merkwaardig is dat. Of eigenlijk niet. Want het merk is onlosmakelijk verbonden met Freddy Heineken, de man die het bedrijf weer onder familie-bewind bracht en die met zijn bluf, originaliteit en vooral zakelijk inzicht een bierimperium bouwde.

Dat verhaal verdient een mooier vervolg dan een overname door SABMiller en een toekomst als premium brand van een buitenlandse multinational. In principe ben ik tegen beschermingsconstructies en voor vrij verkeer van kapitaal, maar voor Freddy Heineken — en voor zijn erfgenamen — maak ik graag een uitzondering.

Wie gokt op inhaalgroei na een financiële crisis, rekent zich rijk

Eigenlijk had u jaarlijks ruim € 4000 meer moeten verdienen. Maandelijks zou er nu zo’n € 350 extra moeten binnenkomen. Met alle Nederlanders bij elkaar horen we anno 2014 jaarlijks pakweg € 68 mrd extra te produceren. We hebben recht op een 10% grotere economie.

Dat klinkt goed. Maar slaat het ook ergens op? Taco van Hoek vindt van wel. Van Hoek is directeur van het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) en publiceerde afgelopen maandag zijn boek De Risicomijdende ­Samenleving.

Volgens Van Hoek heeft het Centraal Planbureau (CPB) tijdens de afgelopen crisisjaren zonder goed onderbouwde ­redenen zo’n 10% van het bruto binnenlands product (bbp) van Nederland achter de horizon laten verdwijnen.

Potentiële groei
Dat deed het CPB door na het uitbreken van de kredietcrisis in 2008 de potentiële groei van de Nederlandse economie lager in te schatten. Potentiële groei is het hypothetische groeipercentage waarmee de Nederlandse economie onder normale omstandigheden — dus zonder crisis en recessie — zou kunnen groeien, door toename van de beroepsbevolking en de ­arbeidsproductiviteit.

In 2009 voorzag het CPB dat de potentiële groei door de crisis lager uit zou vallen. We zouden de verloren groei van recessiejaar 2009 daardoor niet snel inhalen, maar elk volgend jaar op een wat lager dan eerder verwacht bbp uitkomen.

Inhaalgroei
Van Hoek, die tot zijn aanstelling bij het EIB in 2006 onderdirecteur was bij het CPB, verbaast zich over deze prognose. Waarom zou Nederland de in 2009 opgelopen achterstand niet inlopen? Hij denkt dat er wel degelijk sprake kan zijn van inhaalgroei en dat daardoor de economische groei in de jaren na de crisis juist hoger zal uitvallen.

Als het CPB dat in 2009 zo had geraamd, had de overheid veel minder hoeven te bezuinigen, is de stelling van Van Hoek. We hebben ons onnodig veel ellende op de hals gehaald. In plaats van de broekriem aan te halen, hadden we beter rustig kunnen wachten tot de economie weer terug was op het oude groeipad.

Het gaat om enorme bedragen. Van Hoek rekent voor dat we onder normale omstandigheden tussen 2006 en 2015 een jaarlijkse groei van 1,75% zouden hebben gehad. Dat is 17,5% over die hele periode. In werkelijkheid was de groei slechts 7,5%. We komen dus 10% te kort. Het bbp bedraagt dit jaar € 630 mrd (gemeten in prijzen van 2010), uitgaande van Van Hoeks percentages, had dat eigenlijk € 698 mrd moeten zijn.

Schermafbeelding 2014-09-21 om 11.58.21

Maar kun je na een financiële crisis wel rekenen op inhaalgroei, zoals Van Hoek vrij achteloos veronderstelt? Over die vraag breken CPB-economen zich al sinds 2009 het hoofd.

Zweden en Finland
In het boek De Grote Recessie dat het Planbureau dat jaar liet verschijnen, staat een heel hoofdstuk over de kans op inhaalgroei. Het CPB vergelijkt Finland en Zweden in de jaren negentig van de vorige eeuw, toen beide landen een financiële crisis met bijbehorende recessie meemaakten. Zweden haalde de achterstand binnen een paar jaar in. Finland kwam nooit meer op het oude trendmatige groeipad terug.

Krijgt Nederland Zweedse inhaalgroei of Finse achterstand? De wedstrijd is nog onbeslist, schrijft het CPB in 2009. Maar een Fins verlies van 5% tot 10% van het bbp is zeker mogelijk.

In 2014 verschijnt weer een CPB-boek: Roads to Recovery. De economen zijn dan stelliger. De crisis heeft de verdiencapaciteit aangetast. Door de hoge werkloosheid hebben veel Nederlanders geen kans gehad werkervaring op te doen. Investeringen in machines, opleidingen en R&D werden geremd door strengere banken en door onzekerheid over financiële stabiliteit en toekomstige vraag. Daardoor heeft de arbeidsproductiviteit zich veel minder gunstig ontwikkeld dan zonder crisis het geval was geweest. In de marktsector lag de arbeidsproductiviteit eind 2013 maar liefst 10% onder de trend van voor de crisis.

Dat haal je niet zomaar in. Van Hoeks inhaalgroei is gebaseerd op misplaatst optimisme over de veerkracht van de economie. De financiële crisis heeft onze productiecapaciteit wel degelijk geraakt. Het CPB was in 2009 niet pessimistisch, maar realistisch.

(FD)

Onze AAA terug!

Aan: Dhr. Moritz Krämer, Standard & Poors

Geachte heer Krämer,

Het is nu ruim negen maanden geleden dat u de AAA-status van Nederland afpakte. Als kredietbeoordelaar van Standard & Poors, vond u AA+ meer bij ons passen. De elite van tripple-A-landen was voor Nederland te hoog gegrepen. U gaf voor deze downgrade een aantal argumenten. Graag loop ik deze met u langs.

S&P maakte zich eind 2013 vooral zorgen over de groeiperspectieven van de Nederlandse economie. Die zouden een stuk slechter zijn dan van andere AAA-landen. Dat beeld klopte misschien in 2013. Maar inmiddels is de economie weer gaan groeien. De afgelopen vier kwartalen bedroeg de groei 0,9%. Dat is bijna net zoveel als triple-A-land Zwitserland en flink meer dan de nulgroei van Denemarken en Finland (beide AAA).

Met een groei van 0,5% in het laatste kwartaal, zou Nederland zelfs in de top-3 van Europese AAA-landen hebben gestaan. Alleen Noorwegen en het VK deden het beter.

U zag eind 2013 een economie zonder binnenlandse vraag. Nederlandse bedrijven investeerden steeds minder en Nederlandse consumenten hielden een koopstaking. Vooral over die consumenten was u pessimistisch. Zij zouden in 2014 hun huis nog verder in waarde zien dalen en de werkloosheid zien oplopen tot maar liefst 8%. Logisch dat u voorspelde dat de consumptie in 2014 en 2015 verder zou dalen.

Maar vier maanden na het verschijnen van uw rapport begon de consumptie weer te groeien. De huizenprijzen stegen sinds november 2013 met 2,5%. De werkloosheid daalt al drie maanden op rij en zal – zoals het er nu uitziet – de 8% nooit halen. Bedrijven hebben in acht van de afgelopen negen maanden meer geïnvesteerd. Het herstel gaat langzaam, maar sneller dan S&P vorig jaar voorzag.

Verder maakte u zich zorgen over de stabiliteit van de Nederlandse politiek. Er was in 2013 weliswaar een begrotingsakkoord gesloten tussen het kabinet en een deel van de oppositie, maar, zo schreef u, als er nieuwe bezuinigingen nodig zouden zijn, zou het al moeilijker worden om daar steun voor te krijgen. Pas in 2015 zou het begrotingstekort weer op of onder de 3% uitkomen, dacht u, dus de begrotingsruimte was uiterst beperkt.

Het goede nieuws is dat het begrotingstekort op het moment van uw downgrade al onder de 3% zat. Ook in 2014 zitten we er ruim onder. Over nieuwe bezuinigingen wordt in Den Haag niet meer gesproken Er is juist weer wat geld te verdelen. Geen wonder dat het overleg tussen kabinet en oppositie soepel verloopt.

Goed beschouwt was u in november 2013 op alle punten te pessimistisch. Vandaar mijn verzoek via deze weg.: meneer Krämer, mogen we onze AAA terug? We missen ‘m zo.

(FD)

Japan-scenario? Misschien zit Europa wel in een Amerika-scenario

Is Europa het nieuwe Japan? Voor een groeiend aantal economen is dat al lang geen vraag meer. Ja, het eurogebied is in het gevreesde ‘Japans deflatiescenario’ terechtgekomen. Dit decennium is verloren, en het volgende misschien ook wel. Dan weet u vast waar u aan toe bent.

Er valt heel wat te zeggen over de vraag of de vergelijking van Europa met Japan wel zo’n gelukkige is. Zelf denk ik dat er meer verschillen dan overeenkomsten zijn, tussen de twee economieën. Maar die discussie laat ik hier rusten, want ik laat liever een andere vergelijking zien: die van het eurogebied met de Verenigde Staten.

Dat lijkt bij voorbaat een verloren zaak. Want het is toch algemeen bekend dat de Amerikaanse economie — zes jaar na het uitbreken van de kredietcrisis — er onvergelijkelijk veel beter voor staat dan die van Europa? In de VS daalt de werkloosheid en is de stemming onder consumenten en ondernemers opperbest. Het bruto binnenlands product groeit en is al weer flink hoger dan voor de crisis. Onvergelijkelijk.

Maar dat is geen eerlijke vergelijking. Voor de Amerikanen is het nu zes jaar na het uitbreken van de crisis, en zo’n vijf jaar na het oplossen er van. In het voorjaar van 2009 waren de Amerikaanse banken gered en was de acute crisis voorbij. De economie kon langzaam beginnen met het verteren van de gevolgen ervan. In het eurogebied moest op dat moment de echte crisis nog beginnen. De eurocrisis, die het voortbestaan van het gehele Europese financiële stelsel bedreigde, werd pas in de zomer van 2012 beteugeld. In Europa is het niet vijf, maar twee jaar na de crisis.

Hoe zag de Amerikaanse economie eruit, twee jaar na de kredietcrisis? Dat was begin 2011 en het beeld was niet al te fraai. Na een periode van herstel kromp de economie in het eerste kwartaal van 2011 opeens weer. Het bbp daalde met bijna 0,4%. De ramingen voor de groei in de rest van het jaar werden in allerijl naar beneden geschroefd.

Schermafbeelding 2014-09-13 om 21.27.59

Schermafbeelding 2014-09-13 om 21.28.08

Ook de afname van de werkloosheid stagneerde in 2011. Gedurende de eerste negen maanden van dat jaar bleef de werkloosheid hardnekkig rond 9% hangen. De gemiddelde werkloosheidsduur steeg zelfs, van 35 weken in januari naar 40 weken halverwege het jaar. Het vertrouwen van consumenten had er flink onder te lijden. Begin 2011 piekte het vertrouwen nog op 77 punten. Aan het eind van de zomer stond het op een magere 55 punten. Dat was het laagste niveau sinds november 2008.

Ook inkopers in de industrie en dienstensector verloren hun optimisme. De gecombineerde inkoopmanagersindex — een redelijk betrouwbare indicator voor de stand van de conjunctuur — begon 2011 op een stand van 59, maar daalde in de loop van het jaar naar 52. Twee jaar na het bezweren van de kredietcrisis was de Amerikaanse economie behoorlijk zwakjes en was er angst voor een nieuwe recessie. Het bbp lag in het eerste kwartaal van 2011 nog altijd 0,7% onder het niveau van voor de crisis. De Federal Reserve was maar vast begonnen met een nieuw opkoopprogramma (QE2) in de hoop dat daarmee de economie zou worden aangezwengeld.

Vervang in bovenstaande alinea’s VS door Europa en 2011 voor 2014, en je hebt een aardig overzicht van de economische stand van zaken hier en nu. Twee jaar na het einde van de eurocrisis is de Europese groei stilgevallen, neemt de werkloosheid nauwelijks af, is het consumentenvertrouwen laag, daalde de inkoopmanagersindex naar 52 en is de centrale bank begonnen aan een wanhoopsoffensief. Het Europese bbp ligt nog altijd 0,6% onder het niveau van voor de crisis.

Er is geen ontkomen aan: we zitten in een Amerika-scenario. Dat is een prima scenario, overigens. Want aan het eind van 2011 groeide de Amerikaanse economie al weer met meer dan een procent op kwartaalbasis. Het bbp was hoger dan ooit, de recessie was echt voorbij.

Hersenverweking

(Verscheen eerder hier)

Opnieuw een ‘doet ie het of doet ie het niet’-moment voor Mario Draghi. Gaat de ECB-president donderdag een nieuw opkoopprogramma aankondigen? Krijgen we kwantitatieve verruiming (QE) in het eurogebied?

 In de aanloop naar donderdag worden de geesten rijp gemaakt voor drastische monetaire maatregelen. Voormalige ECB-bestuurder Lorenzo Bini Smaghi schreef een stuk op de website van de Financial Times, onder de titel ‘Why the opponents of QE have failed to make their case”. Daarin noemt de Italiaan alle argumenten van de tegenstanders van QE, en verklaart ze stuk voor stuk ongeldig.

Dat hij zichzelf daarbij meermaals tegenspreekt (QE zorgt bij het ene punt niet voor inflatie, bij het andere juist wel) doet er niet toe. Sterker: het draagt juist mooi bij aan de hersenverweking van de lezer. Hoe vaker je schrijft dat het eurogebied een opkoopprogramma nodig heeft, omdat we anders in een neerwaartse spiraal van deflatie, vraaguitval en recessie terechtkomen, hoe meer dat als een feit gaat klinken. De murw gebeukte lezer gaat het mee prevelen: deflatie… vraaguitval… recessie.

Vooral Britse en Amerikaanse media zijn al geruime tijd bezig met het herprogrammeren van de Europese lezer. Hoe dat werkt? Afgelopen dinsdag publiceerde Eurostat nieuwe cijfers over de producentenprijzen in het eurogebied. In juli waren de prijzen die fabrikanten elkaar onderling berekenen gedaald met 0,1%.

Hoewel het hier niet om consumentenprijzen gaat, maakte de Wall Street Journal er toch een angstverhaal van. Het eurogebied kan niet ontsnappen aan een al langer wordende periode van erg lage inflatie, schreef de krant zorgelijk.

Pas aan het eind van het artikel ging de krant in op de oorzaak van de (licht) dalende producentenprijzen: energie was goedkoper. Dat was de enige sector waar in juni de prijzen daalden. Zonder energie bleven de prijzen stabiel, voor de vijfde maand op rij. Zijn lagere energieprijzen een probleem? Natuurlijk niet. Hoe goedkoper olie, gas en elektriciteit, hoe lager de kosten voor bedrijven, hoe hoger de winst. Moet de ECB de olieprijs stimuleren met een opkoopprogramma? Dat is net zo onzinnig als het klinkt.

 Ook de lage inflatie voor consumenten komt voor een belangrijk deel door de gedaalde energieprijzen. Zonder die daling was de Europese inflatie in augustus geen 0,3% maar 0,6% geweest. En zonder de tevens gedaalde voedselprijzen bedroeg de inflatie 0,9%. In de arbeidsintensieve dienstensector stegen de prijzen met 1,2%. Geloof me, echte deflatie ziet er anders uit.

Volgens een nieuw rapport van de Oeso zijn vooral de prijzen van tarwe, maïs en oliehoudende zaden flink gedaald. De oorzaak: recordoogsten eerder dit jaar. Voedselprijzen blijven ook het komende jaar dalen, zegt de Oeso. Wat een feest, denkt de consument. Wat een ramp, tobben de verweekte hersenen van de krantenlezer.

Europa in de greep van slordig geformuleerde angst voor deflatie

De prijzen in het eurogebied stijgen nauwelijks meer. In augustus bedroeg de inflatie 0,3%. Dat is het laagste percentage sinds 2009, toen er een paar maanden lang sprake was van regelrechte deflatie.

Krijgen we nu weer deflatie? Als de olieprijs verder daalt en de  Russische sancties zorgen voor lagere voedselprijzen, is dat goed mogelijk. De deflatie van 2009 was overigens zonder consequenties. Ondanks vijf maanden van dalende prijzen, herstelde de Europese economie stevig.

Toch is deflatie een groot gevaar, want, zo leggen experts keer op keer uit, als prijzen dalen stellen consumenten en bedrijven hun bestedingen uit. Van Lanschot-econoom Luc Albers gebruikte afgelopen week deze woorden op de Belgische tv. Het Centraal Planbureau schreef ze onlangs op in een publicatie. En zelfs ECB-president Mario Draghi maakte zich schuldig aan dit slordige taalgebruik.

Want dat is het: slordig. Wie beweert dat deflatie een probleem is omdat mensen hun bestedingen uitstellen, vertelt slechts het halve verhaal. Want wanneer stel je bestedingen uit? Als door te wachten met uitgeven, de koopkracht van je geld stijgt.

Maar dat is eigenlijk de normale situatie. We noemen dat ‘sparen’ en ‘rente ontvangen’ .  Wie zijn 100 euro niet meteen uitgeeft, maar tegen 4% rente spaart, kan over een jaar voor 104 euro boodschappen doen. Wachten loont, in de normale wereld. En in zo’n normale wereld is er ook inflatie. Laten we zeggen dat die 1,5% bedraagt. De koopkracht van 100 euro daalt daardoor met anderhalve euro. Per saldo levert uitstellen van besteden (sparen) 2,50 euro extra koopkracht op. De reële rente (dat is rente minus inflatie) is 2,5%.

Nu naar de abnormale wereld van deflatie: stel dat het prijspeil daalt met 1,5%. De centrale bank verlaagt de rente naar 1%; er is toch geen inflatiegevaar. De reële rente bedraagt dan ook 2,5%. De beloning op wachten is net zo hoog als in de ‘normale wereld’.

Dat bestedingen uitstellen lucratief is, is dus niet bijzonder. Het is de natuurlijke gang van zaken in een normaal werkende economie. Waarom is er dan toch zoveel angst voor deflatie? De reden is dat de centrale bank de rente niet of nauwelijks onder de nul procent kan krijgen. Dat is fysiek onmogelijk, omdat bij een negatieve spaarrente spaarders hun geld in bankbiljetten opnemen en onder hun hoofdkussen leggen. Dan krijgen ze in elk geval nog nul procent.

Als de beleidsrente niet lager kan zijn dan nul en er is sprake van deflatie, dan is de reële rente positief. Als een economie dan ook nog eens in een recessie zit, is dat volgens sommige economen een groot probleem. Volgens hen is een fiks negatieve reële rente (dus een boete op sparen) de enige manier om de economie weer aan de praat te krijgen. Deflatie maakt dat onmogelijk.

Dat is de theorie waarop de angst voor deflatie is gebaseerd. Dus niet: consumenten wachten op goedkopere producten. Maar wel: we kunnen de reële rente niet negatief genoeg maken. Dat betekent ook dat er nauwelijks verschil is tussen lage inflatie en milde deflatie. Er ligt geen magische grens bij 0% inflatie. Hoe hoog of laag is de reële rente, dat is de enige relevant vraag.

Het antwoord? Behoorlijk laag. Neem Nederland: met een 10-jaars rente van slechts 1% en een inflatie van 0,6%, bedraagt de reële rente 0,4%. Dat is iets meer dan de -0,5% (negatief!) van de afgelopen twee jaar. Maar afgezien van die twee jaar, staat de reële rente op het laagste niveau sinds 1977. De recessie van de jaren tachtig kwamen we door met een reële rente van 6 tot 7%.

Schermafbeelding 2014-09-06 om 20.43.55

Spanje zit al een tijdje in de ‘deflatiespiraal’, maar groeit harder dan Frankrijk en Finland, waar de prijzen bovengemiddeld snel stijgen. De Portugese economie groeit met 0,8 procent terwijl de prijzen dalen. Oostenrijk groeit net zo hard, bij een inflatie van 1,7%.

Zorgen over de Europese economie zijn terecht. Maar het bewijs dat lage inflatie en te hoge reële rente het Europese hoofdprobleem is nog lang niet geleverd.

Kan de klant kiezen? 

Onderstaande column schreef ik jaren geleden voor (het inmiddels opgeheven – niet mijn schuld) FEM Business. Het archief van FEM is  offline. N.a.v. deze tweet herplaats ik de column hier)

Bureaucratisering

Van alle gratis diensten die Google biedt, zijn de ‘alerts’ misschien wel de mooiste. Je typt een zoekterm en je emailadres, en Google stuurt iedere dag een mailtje met de laatste nieuwsberichten over het gewenste onderwerp. Op de hoogte blijven was nog nooit zo eenvoudig. Bijkomend voordeel is dat je alleen maar je teen in deze constante stroom aan nieuwsberichten hoeft de te steken, om de temperatuur van het maatschappelijk debat vast te stellen.

Begin dit jaar voegde ik de zoekterm ‘marktwerking’ aan mijn alert-lijstje toe. Drie maanden later is mijn teen bijna afgevroren – zo ijzig waren de nieuwsberichten. Van de 46 nieuwsberichten die ik ontving, waren er slechts 10 enigszins positief over marktwerking. (Eén daarvan had ik zelf geschreven, dus die telt eigenlijk niet mee). Maar liefst 29 berichten waren negatief – vaak zeer negatief. Zeven waren neutraal.

In de meeste gevallen ging het om aanklachten tegen marktwerking in de zorg en het openbaar vervoer. “Bijna 78 procent van de Nederlanders wil minder marktwerking in de zorg”, bleek uit een enquête. “Zestig procent van de verpleegkundigen in de thuiszorg vindt dat hun werk door marktwerking in de knel komt”, meldde een ander onderzoek “Roep marktwerking in de zorg een halt toe!”, eiste Eelco Damen, ‘zorgmanager van het jaar’, in Trouw. Het Reformatorisch Dagblad schreef: “De belangen van reizigers zijn niet gediend met marktwerking binnen het openbaar vervoer”. En de FNV stuurde een persbericht rond met de alarmerende mededeling: “Marktwerking en concurrentie zijn funest voor de veiligheid op het Nederlandse spoor”.

Het is duidelijk: marktwerking is de nieuwe duivel. Wat er ook mis gaat in Nederland: de markt heeft het gedaan. Een bizarre situatie. Want vrijwel alle klachten komen juist door gebrek aan marktwerking.

De meest basale eis die je aan marktwerking mag stellen, is dat er een markt is die werkt. Dat betekent: de klant kan besluiten naar een andere aanbieder over te stappen als hem iets niet bevalt. De lakmoesproef van iedere markt-werkingsoperatie is daarom: kan de klant kiezen? Zo nee, dan is er geen marktwerking.

Voor zowel openbaar vervoer als de zorg geldt: de klant kan niet kiezen. De NS heeft een monopolie op het spoor, de busbedrijven zijn de enige aanbieders in de regio, de thuiszorgorganisatie wordt aangewezen door de gemeente en ziekenhuizen onderhandelen in de eerste plaats met de verzekeraars. De klant staat er bij en kijkt er naar. Geen marktwerking, dus.

Bureaucratisering zou een betere benaming zijn. Want als de klant niet mag kiezen is er altijd ergens een bureaucraat die dat voor hem doet. Om die te vinden hoef je alleen maar het papierspoor te volgen. Dat leidt meestal naar een enorm kantoorgebouw. Daar zit de bureaucraat. Hij speelt voor marktmeester. Via aanvraagformulieren, indicatiesystemen urencalculaties en andere bureaucratische rompslomp, probeert hij de markt na te bootsten.

Een dergelijk bureaucraat is de provinciale bestuurder die een busbedrijf uitkiest. Hij schrijft een tender uit, waarin hij tot achter de komma vertelt welke dienst ‘de klant wil’. Het is de wethouder die een thuiszorginstelling uitkiest en rapportages wil over wat iedere verpleegster elk kwartier uitvoert. Het is de zorgverzekeraar die met elke huisarts een apart contract afsluit en ze zo met kilo’s papierwerk opzadelt. Die bureaucraat is de werkelijke oorzaak van alle ellende. Snij hem uit het systeem, laat de klant zelf kiezen, en de markt zal echt gaan werken.

Ik heb de zoekterm ‘bureaucratisering’ aan mijn Google-lijstje toegevoegd. Resultaat tot nu toe: nul berichten. We wachten af.

Kabinet wil vertrouwen uitstralen, maar consument laat het hoofd toch hangen

Voor het eerst in een jaar is het consumentenvertrouwen weer gedaald. Landgenoten, wat is er met u aan de hand?

De werkloosheid daalt, de huizenmarkt herstelt, de koopkracht stijgt en het begrotingstekort gaat sneller omlaag dan gedacht. Maar de consument laat het hoofd hangen.

Ons kabinet hoeft zich niet langer nachtenlang op te sluiten in zweterige kamertjes, voor onderhandelingen over nieuwe bezuinigingen of de redding van weer een bank. Nee, de ministersploeg gaat een dagje uitwaaien in de tuinen van Landgoed Nijenhuis.

Daar lieten Rutte en Asscher zich interviewen in spijkerbroek en lamswollen trui. Casual kleding straalt zo’n prettige ontspanning uit: alles gaat goed, we liggen op koers. De nieuwe VVD-staatssecretaris Eric Wiebes had zelfs een versleten spijkerjekkie aangetrokken. Alleen een pakje zware shag in zijn borstzak en een button met ‘Atoomenergie? Nee bedankt’ ontbraken nog. (Het VVD-partijbestuur laat weten binnenkort een paar blauwe blazers bij Wiebes langs te brengen.)

Banen en groei, dat worden de speerpunten van het kabinet voor de komende tijd, zei Rutte na afloop. Slim gekozen, want volgens de laatste raming van het CPB trekt de groei in 2015 aan en daalt de werkloosheid sneller. Mocht dat echt zo uitpakken, dan heeft het kabinet dit succes nu al handig geclaimd.

Maar de Nederlandse consumenten kijken voorbij Landgoed Nijenhuis en zien de donkere wolken hangen boven Oekraïne en het Midden-Oosten. CBS-econoom Peter Hein Mulligen noemde de onzekere situatie in het buitenland als belangrijkste reden voor de plotselinge daling van het vertrouwen.

Die angst moet dan direct ook in de eigen portemonnee zijn geslagen. Meestal zie je zorgen over buitenlandse oorlogen alleen terug in de antwoorden die consumenten geven over het algemene economische klimaat. In augustus gingen ook de verwachtingen over de persoonlijke financiële situatie omlaag. Een meerderheid van de ondervraagden verwacht erop achteruit te gaan. Alsof het halve CBS-panel uit tomatentelers bestaat.

De aanhoudende crisis van de afgelopen jaren heeft de Nederlandse consument blijkbaar zo murw gebeukt, dat hij bij ieder negatief nieuws automatisch denkt: dat zal mij wel weer geld gaan kosten. Maar misschien is dat wel een te grove generalisering, want dé Nederlandse consument bestaat natuurlijk helemaal niet.

We zijn een divers volkje van optimisten en pessimisten. De onderliggende cijfers van het CBS-onderzoek naar het consumentenvertrouwen laten dat helder zien. Bijvoorbeeld: in het tweede kwartaal van 2014 waren er meer pessimisten dan optimisten in Nederland. Maar dat kwam alleen maar omdat relatief veel vrouwen geen vertrouwen in de economie hadden. Onder mannen hielden de optimisten en pessimisten elkaar dit voorjaar precies in evenwicht.

Schermafbeelding 2014-08-30 om 13.40.03

Dat is geen toeval: de afgelopen twaalf jaar waren vrouwen telkens pessimistischer dan mannen. Een enkele keer hadden beide seksen er even weinig vertrouwen in, zoals in het crisisjaar 2008. Maar in 2007, vlak voor de kredietcrisis uitbrak, stond het consumentenvertrouwen onder mannen op 10, en onder vrouwen slechts op 3. Wat zagen de vrouwen dat de mannen misten?

Nog groter dan de verschillen tussen de seksen, zijn de verschillen tussen generaties. Jongeren zijn in de regel een stuk optimistischer dan ouderen. Onder Nederlanders tussen 18 en 35 jaar oud is het vertrouwen het hoogst. Het gemiddelde consumentenvertrouwen van alle Nederlanders bedroeg tussen 2002 en 2014 min 19. Onder jongeren was dat in die periode gemiddeld min 6. De groep tussen 65 en 75 jaar oud heeft er met een gemiddelde van min 25 het minste vertrouwen in.

Schermafbeelding 2014-08-30 om 13.40.54

Ook opleidingsniveau speelt een grote rol. Hoe hoger de opleiding, hoe groter het consumentenvertrouwen. Academici scoren tussen 2002 en 2014 een gemiddelde van min 5. Nederlanders met alleen basisonderwijs komen gemiddeld uit op min 29.

Schermafbeelding 2014-08-30 om 13.40.35

Het patroon is duidelijk: jonge mannen met een academische titel zien de economisch toekomst zonnig in. Oudere dames zonder opleiding zijn juist somber. Gegeven hun kansen op de arbeidsmarkt is dat in beide gevallen — helaas — terecht. Daar zal dit kabinet weinig aan kunnen veranderen, al trekken alle ministers een spijkerjack aan.

(Eerder hier)

Nieuw Stabiliteitspact: geen boete maar tekortbelasting

In de praktijk geven eurolanden elkaar geen boetes. De schande van zo’n  sanctie doen ze elkaar liever niet aan. Bovendien komen de boetes pas zo laat in het proces ter sprake, dat een land er alleen maar verder door in de financiële nood wordt gebracht. Een preventieve werking gaat er niet van uit.

Het was de bedoeling van het Stabiliteitspact dat de hoge boetes zo afschrikwekkend zouden zijn, dat niemand de regels zou durven overtreden. In de praktijk blijken de boetes zo hoog (en stigmatiserend) dat niemand ze durft op te leggen.

Terug naar de tekentafel
Het Stabiliteitspact moet terug naar de tekentafel. We moeten terug naar de hoofdvraag: waarom moeten eurolanden elkaar eigenlijk straffen? De reden is dat landen in een monetaire unie last hebben van elkaars slechte begrotingsdiscipline.

Als een euroland te veel leent zorgt dat voor onrust op de financiële markten van alle eurolanden. De rente gaat omhoog, de wisselkoers daalt. Of andere landen moeten met eigen geld bijspringen om het probleemland te redden. Kortom: in een muntunie waait het slechte beleid van het ene land over naar het andere land.

Introductie tekortbelasting
Een te hoog tekort is dus geen kwestie van zonde en schuld, maar van overlast voor de buren. En met overlast weten economen wel raad. Overlast moet je weg belasten. Een vieze fabriek betaalt een milieuheffing, motoren worden schoner als je de wegenbelasting op vieze auto’s verhoogt, en  ‘begrotingsvervuiling’ pak je aan met een ‘tekortbelasting’.

Eurolanden mogen best een begrotingstekort hebben, zolang ze de tekortbelasting maar betalen. Bij kleine tekorten is de belasting laag –maar niet nul. Bij hogere tekorten loopt de heffing snel op, want dan neemt ook de schade voor andere eurolanden rap toe. De opbrengst van de belasting gaat naar Brussel, zodat de EU-afdracht voor landen zonder tekort omlaag kan.

Een land met hoge werkloosheid en een activistische regering kan er gewoon voor kiezen om de economie een extra zet te geven met expansief begrotingsbeleid. Het is niet verboden, maar kost  wel wat extra tekortbelasting.

De tekortbelasting wordt automatisch geheven. Er gaat geen vergadering van Europese ministers aan vooraf. Niemand hoeft zijn buurman te straffen.

Geen gezichtsverlies
Betalen van belasting zorgt niet voor gezichtsverlies. Alle landen met een tekort moeten betalen, zij het dat het land met het grootste tekort de hoogste (progressieve) heffing krijgt opgelegd. In plaats van een boete die nooit wordt uitgedeeld, krijgen we een belasting die altijd wordt betaald.

De kosten van een begrotingstekort gaan omhoog. Landen worden voorzichtiger en kunnen de schade van slechte begrotingsdiscipline niet meer afwentelen op de
buurlanden.

Bijkomend voordeel: de monsterlijke begrotingsindustrie in Brussel kan worden opgedoekt. Geen nachtelijke vergaderingen meer over het tekort van Portugal of Frankrijk en geen metersdikke rapporten over de staatsschuld van Italië.