Beboet Frankrijk

Frankrijk had de afgelopen jaren al vaak een draai om de oren moeten krijgen. Maar zelden was het moment voor een oorvijg zo perfect als nu.

De Franse regering heeft er alles gedaan om de begrotingsregels van het Stabiliteitspact op zoveel mogelijke manieren te overtreden. Het tekort zal in 2014 met 4,4% van het bruto binnenlands product ver boven de 3%-grens liggen.

Het is ook nog eens gestegen vergeleken met vorig jaar, terwijl de afspraak was dat het zou dalen. Bovendien willen de Fransen in 2015 de begrotingsregels weer ruim overtreden. Het tekort komt dan voor het achtste jaar op rij boven de 3% uit. De tijd is rijp voor een boete.

Al was het maar omdat Frankrijk nog maar enkele jaren geleden volmondig instemde met het versterken van het Stabiliteitspact. Eind 2011, dus midden in de eurocrisis, besloten de eurolanden om de Europese Commissie meer macht te geven bij het vaststellen van overtredingen en opleggen van boetes. Onderonsjes tussen lidstaten, zoals in 2003, toen Duitsland en Frankrijk het op een akkoordje gooiden en de begrotingsregels buiten spel zetten, zouden na 2011 niet meer kunnen voorkomen.

Dat Frankrijk volgens de laatste berichten toch ook nu weer een dealtje met de Duitsers wil sluiten, en zo de Europese Commissie buiten spel wil zetten, zou al reden genoeg moeten zijn voor een boete. Nu is het moment om te laten zien dat het begrotingsbeleid in de muntunie geen zaak meer is van handjeklap tussen nationale politici.

Met een boete voor Frankrijk is in een keer duidelijk dat de regels bijten en dat grote eurolanden geen speciale behandeling krijgen. Dat maakt het voor de kleintjes ook makkelijker om impopulaire maatregelen te nemen.

Maar is het niet contraproductief? Het tekort wordt toch alleen maar hoger door zo’n boete? Dat was altijd al een drogredenering, want een groot tekort is een beleidskeuze, geen ongeluk. Maar op dit moment gaat het al helemaal niet op. De Franse rente is laag, dus de boete drukt nauwelijks op de begroting.

Reken maar mee: Frankrijk zou een boete van pakweg 0,3% van het bruto binnenlands product kunnen krijgen, dat is ruim € 6 mrd.

Als Frankrijk dat bedrag voor 30 jaar leent, kost dat bij de huidige lage rente zo’n € 150 mln per jaar. Dat is nog niet een achtste procent van de jaarlijkse overheidsuitgaven van Frankrijk. Lenen ze het voor 10 jaar, dan kost het € 85 mln. Een schijntje.

Die lage rente geeft natuurlijk ook aan dat de financiële markten zich weinig zorgen maken over Frankrijk. Moet Brussel dat dan wel doen? Jazeker, om de Europese muntunie te laten functioneren zijn nu eenmaal stevige begrotingsafspraken nodig.

Het afdwingen van die afspraken was nog nooit zo opportuun als nu.

(Verscheen eerder hier

Volgens IMF heeft Europa 40% recessiekans. Hoe betrouwbaar is dat?

(Deze column verscheen eerder hier)

Het was deze week weer ouderwets onrustig op de beurs. Paniek om niks en angst voor alles, hielden de financiële markten in de greep. Het slechte nieuws uit Griekenland, Frankrijk en Duitsland klonk voor beleggers als een startschot voor een behoorlijke koerscorrectie.

Maar het ‘op uw plaatsen’ voor deze correctie was al een week eerder te horen: in Washington, toen IMF-topvrouw Christine Lagarde, haar sombere verwachtingen voor 2015 uitsprak. De wereldeconomie zou minder voorspoedig groeien dan eerder gedacht en in het eurogebied was er zelfs een flinke kans op een nieuwe recessie.

Recessiekans Europa
Vooral die laatste voorspelling zorgde voor onrust. Een recessie in Europa, de derde in zes jaar tijd, net nu we dachten dat de situatie hier weer enigszins was gestabiliseerd. Wat het helemaal griezelig maakte, was dat Lagarde met wetenschappelijk aandoende precisie wist te vertellen hoe groot de recessiekans was: tussen de 35 en 40%.

Het eurogebied loopt dus niet een ‘behoorlijk risico’ op een recessie, of een ‘aardige kans’ op economische krimp, maar zit met een waarschijnlijkheid van 35 tot 40% het komende jaar weer twee kwartalen achtereen met een groei van minder dan nul. Zo precies kan het IMF dat blijkbaar voorspellen.

Schermafbeelding 2014-10-28 om 12.29.40

Voorspelling Lagarde
Maar hoe komt Lagarde aan die wijsheid? Sinds wanneer zijn economen in staat dit soort kansberekeningen te maken? En is het enigszins betrouwbaar? Om met die laatste vraag te beginnen: de voorspelkracht is nog onbewezen. Pas sinds 2012 maakt het IMF dit soort kansberekeningen. De korte trackrecord is niet al te best.

In oktober 2012 er was volgends het IMF een kans van maar liefst 80% op een recessie in het eurogebied. Om precies te zijn: het IMF dacht dat er gedurende de aankomende vier kwartalen 80% kans was op twee achtereenvolgende kwartalen met economische krimp. Het pakte anders uit. In het vierde kwartaal van 2012 kromp de economie van het eurogebied nog met 0,2%. Maar een kwartaal later was er sprake van groei (0,3%) en ook de twee daaropvolgende kwartalen groeide de economie.

Toch voorspelde het IMF in april 2013 nog een 50%-kans op een recessie in het eurogebied. Op die voorspelling volgden vier kwartalen met groei. Het was geen enorm hoge groei, maar het eurogebied kwam niet in de buurt van zo’n ‘technische recessie’ met twee kwartalen krimp.

Schermafbeelding 2014-10-28 om 12.29.59

Schermafbeelding 2014-10-28 om 12.30.09

Model IMF
De kansberekeningen worden gegenereerd door een model dat het IMF recentelijk heeft ontwikkeld: het Global Projection Model (GPM). Daarin zijn de grote economieën van de wereld gemodelleerd, inclusief hun interacties. Een groot deel van de coëfficiënten is geschat op basis van cijfers uit het verleden, een klein deel is ‘geprikt’, dus bedacht door de modelbouwers zelf.

Met dit model kun je onder andere berekenen wat er met de economische groei gebeurt, als sprake is van een economische schok. Slaat de groei om in krimp, als de economie geraakt wordt door een schok die – op basis van het verleden – in het komende jaar met 40% kans kan optreden? Zo ja, dan is de kans op een recessie dus 40%. Het is een inventieve methode, maar of het goede voorspellingen oplevert valt nog niet te zeggen.

Daadwerkelijke kans
Bovendien zegt deze methode niets over de daadwerkelijke kans op economische tegenvallers. Het gaat om de kans op een recessie bij voorspelbare schokken. Onvoorspelbare schokken kunnen – uiteraard – niet worden meegenomen. Dat betekent dat de toegenomen kans op een Europese recessie, die het IMF signaleert, vooral komt door de wat lager dan verwachte economische groei in het recente verleden. Omdat die groei minder was, komt de groei bij een normale schok eerder onder de nul, en is er dus eerder sprake van een recessie.

Het IMF voorspelt dus geen toename van tegenvallers, maar slechts een grotere kans dat tegenvallers tot negatieve groei leiden, omdat het startpunt van het eurogebied lager ligt dan eerder geraamd. Het angstbeeld van 40% recessiekans zegt daarom meer over de tegenvallers in het recente verleden, dan over die in de toekomst.

 

Onzelfstandig

Eindelijk maken ook de werkgevers zich zorgen om mij. Eerst waren het alleen de vakbonden, de SP, de PvdA en minister Lodewijk Asscher die zich mijn hopeloze lot aantrokken, maar nu ziet ook werkgeversvereniging AWVN dat het zo echt niet langer kan. Ik zit in een risicovolle en uitzichtloze situatie en het wordt hoog tijd dat de overheid zich over mij bekommert.

Redding
Ik ben een kleine zelfstandige. Ik ben dus niet verzekerd voor werkloosheid, en betaal goud geld voor mijn arbeidsongeschiktheidsverzekering. Mijn pensioengeld staat zielig weg te smelten op een spaarrekening. Mijn professionele leven is — kort gezegd — een puinhoop.

Maar redding is nabij. Als het aan de AWVN ligt word ik binnenkort helemaal ontzorgd. Ik ga vallen onder een nieuw collectief stelsel, waarin er ook voor mij verplichte sociale verzekeringen en een collectief pensioen zijn. Al mijn medeburgers spannen een comfortabel vangnet onder mijn carrière. Ik kan iedere avond met een gerust hart naar bed, en krijg voor het slapen honderd zachte polderkusjes van alle sociale partners. Samen staan we sterk, fluisteren ze in mijn oor, voordat ik wegdommel.

Risico’s
Dat klinkt heerlijk. Maar er is een probleem. Ik heb helemaal geen extra verzekeringen nodig. Ik slaap ook zonder polderknuffels zorgeloos in. De overheid heeft voor mij een prima studie betaald en de maatschappij zo georganiseerd dat ik op eerlijke wijze mijn brood kan verdienen. Het risico op arbeidsongeschiktheid kan ik tegen een marktconforme premie prima zelf verzekeren. Als dan toch nog alles mis gaat is er eerst spaargeld, daarna bijstand en uiteindelijk AOW. Welke risico’s moeten er nog worden afgedekt?

Natuurlijk, er zijn ook zzp’ers die wel grote risico’s lopen. Die niet sparen, zich niet verzekeren en ook nog eens volstrekt afhankelijk zijn van een of twee opdrachtgevers. Voor hen lijkt een collectieve regeling meer dan logisch. Maar er zijn aan de andere kant ook zat goedbetaalde werknemers, die hun zaakjes best zelf zouden kunnen regelen en die onnodig onder de collectieve paraplu schuilen

Gemakzuchtig
Het is toe te juichen dat de werkgevers nadenken over een nieuw sociaal stelsel, dat aansluit bij de tijd. Maar men heeft de eerste vraag overgeslagen: voor wie is het vangnet nodig en voor wie niet? Welke groepen zijn kwetsbaar op de arbeidsmarkt en voor wie is er naast bijstand, AOW geen extra collectief aanbod nodig?

Daar moet de discussie beginnen: hoe maak je op praktische en eerlijke wijze onderscheid tussen kwetsbare en minder kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt. Het oude onderscheid werknemer-ondernemer voldoet niet meer, dat ziet de AWVN goed. Maar om in plaats daarvan dan maar helemaal geen onderscheid te maken, en iedereen onder hetzelfde one-size-fits-all regime te brengen, is een gemakzuchtige oplossing.

 

(Verscheen hier)

Economen zijn verrassend eensgezind over herstel Nederlandse economie

Het IMF is weer somberder geworden. Volgens de laatste editie van de World Economic Outlook, groeit de wereldeconomie volgend jaar minder snel dan eerder gedacht: geen 4%, maar 3,8%.

Dat komt vooral door — u raadt het al — trage groei in Europa. Het eurogebied zal in 2015 met slechts 1,3% vooruit kruipen. Dat is 0,2 procentpunt minder dan het IMF een half jaar geleden nog voorspelde.

Maar het kan nog erger worden. Het IMF rekende uit dat de kans op een derde recessie in Europa maar liefst 40% is. Deflatie, bezuinigingen, oninbare schulden, zwakke banken, aarzelend optreden van de Europese Centrale Bank; er gaat maar weinig goed in het eurogebied. Nederland kan zich aan deze euromalaise niet onttrekken. Ook voor ons land verlaagde het IMF de groeiraming met 0,2 procentpunt, naar 1,4%. Wat een ellende!

Eensgezind
Ellende? Zo’n snelle groei hebben we sinds 2011 niet meer gehad. De sombere IMF-economen zitten met hun groeiraming voor Nederland keurig tussen de verwachtingen van andere economen. Voor 2015 verwacht het CPB een groei van 1 ¼%. Zowel de Europese Commissie, de Oeso als het economisch bureau van ING verwachten 1,3%. ABN Amro en Rabobank voorspellen een groei van 1,5%.

Schermafbeelding 2014-10-21 om 18.00.27

Met een verschil van slechts een kwart procentpunt tussen de meest pessimistisch en meest optimistische groeiraming, zijn de economen verrassend eensgezind. Bovendien zijn de voorspellingen de afgelopen tijd behoorlijk stabiel geweest. In de ramingen van maart, juni en september voorspelde het CPB telkens 1,25% groei. De gestage bijstelling omlaag, die we in de voorgaande jaren steeds zagen, bleef deze keer uit. De crisis in Oekraïne ontvlamde, ebola brak uit en Isis rukte op, maar uit de CPB-modellen rolde telkens weer 1,25% groei in 2015.

De collega economen van De Nederlandsche Bank zijn niet minder optimistisch. De DNB-conjunctuurindicator staat op het hoogste punt in ruim twee jaar en voorspelt aantrekkende groei in de komende kwartalen.

Schermafbeelding 2014-10-21 om 18.00.48

Dichtbij
Toch komt het slechte nieuws de laatste weken dichterbij. Italië zit in een recessie, Frankrijk groeit niet meer en zelfs de Duitse motor lijkt af te slaan. De Duitse industrie produceerde in augustus 3% minder dan een jaar eerder en heeft een procent minder orders in portefeuille. Duitse bedrijven zagen hun export in augustus met bijna 6% dalen. De groeiramingen voor Duitsland zijn inmiddels verlaagd.

Maar ook deze slechte berichten kunnen het optimisme onder Nederlandse economen niet breken. Het economisch bureau van ABN Amro schreef woensdag opgewekt: ‘We gaan ervan uit dat de economie ook in het vierde kwartaal en daarna verder groeit.’ Rabobank-economen meldden donderdag dat volgend jaar in alle economische sectoren sprake zal zijn van groei.

Valt dit optimisme te rijmen met al het slechte nieuws van de afgelopen tijd? Toch wel. Allereerst omdat volgend jaar naar verwachting de binnenlandse vraag weer aantrekt. De werkloosheid daalt, de koopkracht stijgt en de huizenmarkt trekt aan. Consumenten durven daardoor weer geld uit te geven. In de bouw is sprake van een inhaalslag, na de verloren crisisjaren. En ook bedrijven lijken eindelijk weer te gaan investeren. Nederland is voor de groei in 2015 voor het eerst niet meer volledig afhankelijk van het buitenland.

Daarnaast komt er niet alleen slecht nieuws uit het buitenland: de euro is goedkoop en de olieprijs is laag. Die twee factoren bieden tegenwicht aan de Duitse tegenvallers en internationale onrust.

Kanttekening
Zijn er dan helemaal geen economen die somberen over Nederland? Jawel, bij de Oeso zitten er een paar. Zij berekenen maandelijks de zogenoemde Leading Indicator. Dat is een potpourri van verschillende indicatoren, waarmee de Oeso omslagmomenten in de conjunctuur probeert te voorspellen. De leading indicator voor Duitsland schoot afgelopen maand omlaag. Maar ook die voor Nederland begint gevaarlijk omlaag te buigen.

Schermafbeelding 2014-10-21 om 18.00.38

Nee, dat bewijst niet dat de Nederlandse economen te optimistisch zijn. Daarvoor is deze Oeso-indicator zelf ook te weinig betrouwbaar. Wat het wel zegt is dat de relatief optimistische verwachtingen voor 2015 buitengewoon fragiel zijn. We gaan spannende maanden tegemoet.

Dure zeewind

Onverbiddelijk als de wet van de zwaartekracht en irritant als de wet van Murphy: de Law of Unintended Consquences. Elk goedbedoeld beleid van de overheid leidt elders tot onbedoelde schade. Zo zorgt de Europese CO2-handel voor onrendabele windmolenparken. Het NOS-journaal berichtte zondag over een rapport waarin werd berekend dat windmolens op zee de maatschappij per saldo € 5 mrd kosten.

Dat windmolens zorgen voor CO2-loze energie, daar werd bij de berekening geen rekening mee gehouden, want windenergie zorgt, volgens de logica van het rapport, niet voor minder CO2-emissies. In Europa wordt gehandeld in CO2-emissierechten: voor elke ton CO2 die energieproducenten en andere grootverbruikers de atmosfeer in blazen, moeten zij CO2-emissierechten kopen. Het plafond voor de totale Europese CO2-uitstoot ligt vast. Als het ene bedrijf minder uitstoot, daalt de prijs op de markt voor CO2-rechten, waardoor een ander bedrijf weer meer kan uitstoten. Windmolens op zee verlagen op die manier niet de CO2-uitstoot in Europa, maar alleen de prijs van een emissierecht.

Bij de berekening van de maatschappelijke kosten en baten van windmolens op zee, kun je de baten van minder CO2-uitstoot dus gewoon op nul zetten, en dat deden de opstellers van het rapport dan ook. Wat dan overblijft is een puur commerciële vergelijking van de kosten van molens op zee en de opbrengst van de elektriciteitsverkoop.

Maar we wisten natuurlijk al dat, wanneer je klimaateffecten buiten beschouwing laat, een vieze kolencentrale goedkoper is dan een schone windmolen. Onbedoeld maakt het systeem van handel in emissierechten een redelijke afweging van kosten en baten van alternatieve energie dus onmogelijk. Want wat voor windmolens geldt, geldt ook voor zonne-energie, kernenergie, waterkracht en zelfs schonere kolencentrales: de CO2-reductie leidt — via een lagere prijs op de CO2-markt — elders tot extra uitstoot.

In theorie is daar niet zoveel mis mee. Als we zorgen voor een laag en snel dalend CO2-plafond en iedereen een nette prijs van CO2-uitstoot laten betalen, wordt alternatieve energie vanzelf rendabel. CO2-rechten zijn dan zo duur dat investeren in windenergie zonder subsidies loont.

Maar zo werkt het niet in Europa. Emissierechten worden veel te ruimhartig aan bedrijven uitgedeeld. Sinds de crisis is de prijs van CO2 absurd laag. Het systeem is stuk en onder druk van de grootverbruikers durft de Europese politiek het niet te repareren.

De CO2-prijs moet omhoog. Als de Europese politiek het niet durft, moeten de burgers het doen. Greenpeace, Natuur en Milieu en alle andere clubs zouden al hun campagnes moeten staken en de donaties steken in het uit de markt halen van CO2 rechten. Den Haag kan helpen door geen energiesubsidies te geven, maar rechten op te kopen. Maak CO2-uitstoot duur, dan wordt wind vanzelf rendabel.

 

(Eerder hier)

Nederland is nog lang geen robotland

Lodewijk Asscher zal vandaag tevreden terugkijken op zijn werkweek. Het ging precies zoals gepland.

Op maandag organiseerde zijn ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een congres over de robotisering van arbeid. Asscher gaf daar een speech waarin hij vooral de gevaren van de robot schetste. Minder banen en meer ongelijkheid, daar zou het wel eens op kunnen uitdraaien, vreest de minister.

Maar denk vooral niet dat deze minister een technologiefobie heeft, hij wilde slechts het inktzwarte scenario schetsen, zodat we met gericht beleid voor een betere toekomst kunnen kiezen.

Hoe dat beleid en die toekomst eruit zouden moeten zien, liet Asscher in het midden. Ach, de speech was vooral bedoeld om de discussie op gang te brengen. En daarin slaagde hij uitstekend. Alle commentatoren doken op het onderwerp. De robot stond een week lang publicitair in het zonnetje.

Maar wat ontbrak waren de harde feiten. Hoe snel gaat het met de introductie van de robot in Nederland? Hebben wij er relatief veel of weinig? Is er in landen met veel robots meer werkloosheid? Over dat soort vragen ging het niet. We discussiëren enthousiast over de kansen en gevaren van de robot, maar wat zijn de cijfers?

Dik robotrapport

Gelukkig verscheen deze week een dik robotrapport. World Robotics 2014 – Industrial Robots telt 474 pagina’s vol grafieken en tabellen over het aantal industriële robots die wereldwijd in gebruik zijn.

Dit rapport wordt jaarlijks opgesteld door de International Federation of Robotics(IFR) in Frankfurt. En nee, dat is geen federatie van robots, maar van nationale verenigingen van robotproducenten.

Het rapport bevat een unieke dataset. Zó uniek dat je eerst 420 euro moet overmaken naar de opstellers voordat je toegang krijgt tot de digitale versie van het rapport. Verzamelaars van robotstatistieken moeten ook eten en doen dat blijkbaar het liefst van een gouden bordje. Tandenknarsend heb ik het bedrag overgemaakt.

Aan deze column houdt de Bouman bv deze week niet veel over, maar ik weet nu wel meer over de kwantitatieve kant van de robotdiscussie. Hier komen de feiten:

Allereerst: ja, er komen snel meer industriële robots bij. In 2008 waren wereldwijd een miljoen robots aan het werk. In 2013 waren dat er meer dan 1,3 miljoen. Ondanks crisis en recessie steeg de robotwerkgelegenheid dus met ongeveer een derde. Volgens het rapport zal die toename versnellen. In 2017 staan er naar verwachting bijna twee miljoen robots in de fabrieken van de wereld opgesteld.

Schermafbeelding 2014-10-12 om 10.26.28

Onbetwiste kampioen

Japan is de onbetwiste robotkampioen. Bijna een kwart van alle industriële robots (zo’n 300.000 stuks) staat in dat land. Maar Japan is ook een van de weinige landen waar de robot op de terugtocht is. Door outsourcing van productie is het aantal robots sinds 2008 met 14% gedaald.

In China stijgt het robotgebruik juist. Maar met 133.000 robots ligt de Chinese industrie nog ver achter die van de VS, Duitsland en Zuid-Korea.

Schermafbeelding 2014-10-12 om 10.26.14

En Nederland? Wij doen nauwelijks mee. Volgens de IFR stonden er in 2013 in de Nederlandse industrie 7400 robots, een half procent van het wereldtotaal. We hebben er minder dan bijvoorbeeld Italië, Spanje, Zweden, België en Tsjechië. De omvang van de auto-industrie in deze landen speelt hierbij vast een rol. Overigens groeit het aantal robots in Nederland wel snel: met 50% sinds 2008.

Nederland scoort laag

Nederland is een diensteneconomie, dus is het logisch dat we relatief weinig robots hebben. Maar ook als je daarvoor corrigeert scoort Nederland laag. Met 93 industriële robots per 10.000 werknemers in de industrie, staan we op de 15e plaats. In Zuid-Korea staan er naast 10.000 werknemers maar liefst 437 robots.

Schermafbeelding 2014-10-12 om 10.26.44

Is de robot een banenvernietiger? In robotlanden Japan en Zuid-Korea is de werkloosheid laag en de werkweek lang. Nee, dat is geen echt bewijs.

Maar voor de angstbeelden die Asscher oproept is de onderbouwing minstens zo zwak. We hebben nog meer feiten nodig. En onderzoekers die deze feiten onderzoeken. Academische economen van Nederland: aan de slag!

(Verscheen eerder hier)

De zaagrobot

Cornelis Corneliszoon van Uitgeest is in 1593 een “schamel huysman”. Hij heeft, schrijft hij zelf in dat jaar, “groote moeyten, costen ende arbeyt” in een uitvinding gestoken, die de Nederlandse republiek schatrijk zal maken. Cornelis is de bedenker van de houtzaagmolen.

In 1594 bouwt hij een werkende zaagmolen, die hij twee jaar later doorverkoopt aan een Zaandammer. In Amsterdam is de nieuwe technologie niet welkom. Het Amsterdamse handzagersgilde vreest baanverlies, want de molen zaagt dertig keer sneller dan een mens. Het gilde krijgt het stadsbestuur zover de zaagmolen te verbieden. Nog tot in 1627 zou in Amsterdam alleen met de hand gezaagd mogen worden.

Voorbeelden
In Zaandam is dan al een bloeiende houtzaagindustrie ontstaan. Honderden molens produceren de planken die nodig zijn voor de snel groeiende VOC-vloot. De uitvinding van de zaagmolen kwam precies op tijd, schrijft Stichting Cornelis Corneliszoon van Uitgeestin een recente publicatie. Voor een groot VOC-schip waren zo’n 3000 tot planken verzaagde eikenstammen nodig. Zonder zaagmolen was de 17de eeuw niet zo goud geweest. De Amsterdamse handzagers gingen wat anders doen. In de razendsnel groeiende Amsterdamse economie (bedankt, Cornelis) was werk genoeg.

De geschiedenis is vol van dit soort voorbeelden. De tractor maakte de boerenknechten werkloos. Maar zorgde ook voor goedkoper voedsel, meer koopkracht, meer vraag naar industriële producten en nieuwe werkgelegenheid voor de boerenknechten in de fabriek. Kinderen hoefden niet meer direct van de lagere school het land op, konden langer leren en kregen daardoor beter betaalde banen.

Robot
De computer maakte een eind aan administratief werk. Kantoortuinen vol typistes en cijferaars verdwenen. Maar de werkloosheid is sinds de introductie van de pc niet structureel gestegen. In 2008, vlak voor het uitbreken van de kredietcrisis, zocht 3,1% van de Nederlandse beroepsbevolking werk; even veel als eind jaren zeventig. Arbeidsbesparende technologie leidt niet tot meer werkloosheid, wel tot meer welvaart.

Maar volgens minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken is het deze keer mogelijk anders. Hij vreest de robot. Afgelopen maandag zei Asscher dat het niet ondenkbaar is dat robots zullen leiden tot ‘technologische werkloosheid’. Alleen de rijken profiteren. Angstaanjagend, vindt Asscher.

Zoektocht
Is Asscher de nieuwe woordvoerder van het Amsterdamse handzaaggilde? Of is de robot echt anders dan de molen, tractor of pc? Ik denk het eerste, maar weet het niet zeker.

De komende maanden ga ik op zoek naar het antwoord. Ik zal af en toe, maar niet te vaak, verslag doen van die zoektocht. U kunt helpen: bent u uw baan verloren door een robot? Heeft u uw baan te danken aan een robot? Heeft u werkgelegenheid geschapen dankzij de robot? Mail me: mathijs.bouman@fd.nl.

Lage euro, lage rente en goedkope olie kunnen Nederlandse economie extra vaart geven

(Verscheen eerder hier)

De daling van de euro zette de afgelopen dagen stevig door. Met een koers van $ 1,27 staat de wisselkoers van de Europese munt nu op het laagste peil sinds november 2012. [Inmiddels verder omlaag naar $1,25, MB]

Andermaal was het Mario Draghi die voor de depreciatie zorgde.  “De ECB staat klaar om nieuwe onconventionele instrumenten in te zetten”, zei de ECB-president in een interview met een Litouwse krant. Wat die nieuwe instrumenten precies kunnen zijn, daar ging Draghi niet op in. Maar nadat de ECB de afgelopen maanden de rente had verlaagd, een nieuw leenprogramma voor Europese banken had uitgerold en een opkoopprogramma voor ‘asset backed securities’ en pandbrieven had aangekondigd, bleef er eigenlijk nog maar één onconventioneel instrument over: het opkopen van staatsobligaties.

Lijdzaam toezien

Of het daar in Europa echt van gaat komen, is maar de vraag. Draghi zou recht tegen de noordelijke minderheid in de bestuursraad van de ECB ingaan. De Duitse en Nederlandse centrale bankiers zijn mordicus tegen het opkopen van staatsobligaties. Maar door de optie alleen maar te noemen, bereikte Draghi al zijn doel: verzwakking van de euro.

Lange tijd moest de ECB-president lijdzaam toezien hoe het opkoopprogramma van de Amerikaanse Fed de dollar verzwakte. De Amerikaanse economie groeide de afgelopen tijd stevig, terwijl die van Europa bleef kwakkelen, maar toch werd de euro steeds duurder ten opzichte van de dollar. Deze appreciatie had niets te maken met economische fundamentals en alles met het extreem ruime monetaire beleid van de Fed. In de valuta-oorlog won de Fed alle slagen.

Meer inflatie

Maar nu het opkoopprogramma van de Fed vrijwel ten einde is, ruikt Draghi zijn kans. Telkens als hij nieuw onconventioneel beleid aankondigt of zelfs maar suggereert, daalt de euro. Zo’n lage euro is precies wat Europa nodig heeft. Het maakt Europese export goedkoper en import duurder. Dat laatste drijft de momenteel veel te lage inflatie op.

Ook de Nederlandse economie kan profiteren van een goedkopere euro. Uit modelsimulaties van het Centraal Planbureau (CPB) blijkt dat een 5% lagere eurokoers de economie ruim een half procentpunt extra groei kan opleveren. In het jaar na de depreciatie loopt dat zelfs op naar een kleine anderhalf procentpunt.

Meevaller

In de Macro Economische Verkenningen (MEV), die op Prinsjesdag verscheen, gaat het CPB ervan uit dat de eurokoers volgend jaar op $ 1,35 zal liggen. Dat is 5% boven de huidige koers. Het CPB is daarmee behoorlijk conservatief. Als Draghi de euro omlaag blijft praten, zit er een flinke potentiële meevaller voor de Nederlandse economie in.

 Schermafbeelding 2014-10-06 om 09.43.57

Overigens moet de Fed dan niet al te hard op de rem trappen. Als het Amerikaanse monetaire beleid echt snel wordt verkrapt, is het effect van de lage euro op de Nederlandse economie een stuk kleiner, zo blijkt uit de modelsimulaties. Maar tot nu toe lijkt het er niet op dat Fed-president Janet Yellen van plan is de monetaire teugels extra krachtig aan te halen.

Lange rente

Het Planbureau maakt in de laatste MEV nog enkele conservatieve veronderstellingen. Zo gaat men ervan uit dat de lange rente volgend jaar 1,8% bedraagt. De huidige 10-jaarsrente staat maar net boven de 1%. Als die rente in 2015 zo laag blijft, zou de economische groei — alweer op basis van modelsimulaties door het CPB zelf — wel eens pakweg een kwart procentpunt hoger kunnen uitvallen. Dat zou dan vooral door een extra investeringsgroei, van misschien wel 2,5%, komen.

Schermafbeelding 2014-10-06 om 09.44.04

Ook de olieprijs wordt in de MEV behoorlijk hoog ingeschat. Het CPB verwacht dat een vat Brentolie volgend jaar gemiddeld $ 107 kost. Op dit moment betaal je voor een vat ruwe Noordzee-olie slechts $ 97. Dat voordeel van $ 10 zou de economische groei in 2015 met 0,2 procentpunt kunnen aanwakkeren.

Schermafbeelding 2014-10-06 om 09.44.13

Het is allemaal geen exacte wetenschap, maar opgeteld zou de Nederlandse economie in 2015 een kleine procent extra kunnen groeien, als de dollar, rente en olieprijs op het huidige niveau blijven. We krijgen dan niet de geraamde 1,25%, maar meer dan 2% groei.

Niet gek

Wat is er mis bij de Staatsloterij? De toezichthouder voor de sector, de Kansspelautoriteit, gaat onderzoek doen bij het in 1992 verzelfstandigde gokbedrijf. Is er gesjoemeld bij de trekkingen door Intralot, het Griekse bedrijf dat de systemen van de Staatsloterij beheert? Oud-medewerkers vrezen van wel, schreef de Volkskrant afgelopen weekend.

De Stichting Loterijverlies (ja, die bestaat) eist dat de trekking direct wordt gestaakt. Het risico dat veel deelnemers benadeeld worden veel te groot, vindt men. Dat is een grappige opmerking. Benadelen van deelnemers is immers precies het doel van de Staatsloterij. Of beter: van iedere loterij — ook als er geen schimmige Griek aan de lottomolen draait. Het uitgekeerde bedrag ligt altijd flink onder het ingelegde bedrag, zodat de deelnemers er gemiddeld bij inschieten. Je wordt bij voorbaat benadeeld.

Afgerond nul kans
Toch doen miljoenen Nederlanders elke maand weer mee, in de hoop op een miljoenenprijs. Maar de kans op een hoofdprijs in de Staatsloterij is nul. Niet precies nul, maar afgerond nul. Net zo nul als al die andere kansen die we dagelijks afronden op nul. De kans dat er een piano op ons hoofd valt terwijl we de hond uitlaten, de kans dat we toevallig Koningin Maxima tegen het lijf lopen en dat ze een gezellig gesprek met ons aanknoopt of de kans dat we bij het bollenplanten in de tuin op een Keltische goudschat stuiten. Het kan in theorie, maar in de praktijk gebeurt het alleen bij een ander. De kans is afgerond nul.

Zo is het ook met de Staatsloterij. Altijd wint iemand de hoofdprijs, maar u zult dat nooit zijn. Afgerond nooit. Wel is zeker dat de verwachte opbrengst van deelname negatief is. Kans maal opbrengst minus kosten is kleiner dan nul. Maar geen deelnemer die dat uitrekent, want voor kansrekenen is de mens niet in de wieg gelegd.

We kunnen niet rekenen
De loterijen kennen ons gebrek aan rekenkracht en gooien folders in de bus met foto’s van Audi’s en mega-Jackpotten van €21 mln. Hoe dikker de prijs, hoe meer deelnemers, ongeacht de minuscule kans (afgerond nul) op winst. We kunnen niet rekenen, en via de Staatsloterij heft de overheid belasting over onze dyscalculie. Uit Amerikaanse onderzoek blijkt dat arme mensen vaker deelnemen aan een loterij dan rijke, dus deze belasting pakt ook nog eens denivellerend uit.

Maar het geeft toch ook plezier, deelname aan de loterij? Een lot koop je om even te kunnen hopen op een leven als miljonair. Als dat zo was, hoefde er maar één trekking per jaar te zijn. Of één trekking per leven; dan kon iedereen z’n hele leven hopen. Nee, de loterij verkoopt geen hoop, maar een leugen. De leugen dat we de wetten van de kansrekening kunnen afkopen voor de prijs van een lot.

Het schandaaltje bij de Staatsloterij is een prima moment voor een collectief voornemen: wij kopen geen loten meer. Nooit meer. Wij zijn namelijk niet gek.

 

Nieuwe cijfers veranderen het verhaal van de Nederlandse kopersstaking

Zo weinig nieuws als in de Miljoenennota stond dit jaar, zoveel zat in de begeleidende Macro Economische Verkenningen (MEV) van het Centraal Planbureau. Dat nieuws kwam niet regelrecht uit de koker van het CPB zelf, maar was het gevolg van een grote verbouwing bij het Centraal Bureau voor de Statistiek. Sinds dit jaar wordt het bruto binnenlands product op een andere manier berekend. Een betere manier, meent het CBS zelf, met nieuwe bronnen en volgens nieuwe internationale afspraken.

Deze revisie van de nationale rekeningen, zoals de operatie heet, heeft grote gevolgen voor de belangrijkste kerncijfers van de Nederlandse economie. Zo blijkt het bbp zo’n 7% hoger te zijn dan het CBS eerder dacht. Daardoor is onze staatsschuld als percentage van dat bbp ook direct stuk draaglijker.

De revisie verandert ook het economische verhaal van de afgelopen crisisjaren. Daarom was de MEV van deze week – de eerste geschreven op basis van de nieuwe CBS-cijfers – zo interessant.

Eerder schreef het FD over de investeringen, die volgens de nieuwe cijfers veel minder zijn afgenomen dan eerder gedacht. De griezelige trend van steeds minder investeringen en daardoor steeds minder potentiële economische groei is in de nieuwe cijfers niet meer zichtbaar. Weer een zorg minder.

Zuinig

Er is nog een verhaal dat we moeten herschrijven: dat van het gedaalde beschikbare inkomen. Volgens de oude cijfers is er tussen 2008 en 2014 sprake van een daling van het totale beschikbare inkomen uit arbeid, met ruim 7%. Geen wonder dat de consument zo zuinig aan deed, geen wonder dat de consumptie jaar op jaar bleef krimpen en het stil werd in de winkelstraten.

Maar in de nieuwe MEV ziet het beeld er een stuk gunstiger uit. Het totale beschikbaar inkomen uit arbeid is tijdens de crisisjaren zelfs gestegen en zal in 2015 bijna 4,5% boven het niveau van 2008 uitkomen. Dat komt vooral door een grotere stijging in 2009. In dat jaar schafte toenmalig minister van Financiën Wouter Bos het werknemersdeel van de WW-premie af, in de hoop zo de economie te stimuleren. Volgens de oude methode steeg het beschikbaar arbeidsinkomen in 2009 met 4,4%. Na de revisie is dat bijna twee keer zoveel.

Schermafbeelding 2014-09-28 om 10.26.42

Dalende huizenprijzen

Dat betekent echter niet dat de consumptie zich de afgelopen jaren ook gunstiger heeft ontwikkeld. De oude en nieuwe consumptiecijfers verschillen marginaal. Waarom was de consument zo zuinig, als het beschikbaar inkomen zich gunstiger ontwikkelde dan gedacht? Het antwoord luidt: door de dalende huizenprijzen.

Voor dat antwoord moest het CPB eerst het economische model Saffier opstarten. De gegevens over inkomen, huizenprijzen en vermogen (bijvoorbeeld aandelen en spaargeld) werden door dat model gehaald, zodat de invloed van iedere factor op de consumptie kon worden bepaald. Uit deze exercitie blijkt dat de ontwikkeling van het beschikbaar inkomen tussen 2008 en 2015 een positief effect op de consumptie had en zal hebben. Alleen in 2013 drukte deze factor de consumptie.

Schermafbeelding 2014-09-28 om 10.27.03

Herstel

De dalende huizenprijzen hebben de consumptie juist in alle jaren sinds 2010 gedrukt. Aan de verzilvering van overwaarde, via nieuwe en hogere hypotheken, kwam een einde. Het aangename idee van eeuwig stijgende woningwaarde, werd vervangen door de angst dat het eigen huis onder water zou komen te staan.

Schermafbeelding 2014-09-28 om 10.26.50

De invloed van huizenprijzen op consumptie werkt met enige vertraging. Pas na pakweg anderhalf jaar, denkt het CPB, zie je dalende woningwaarde terug in de consumptie. Hetzelfde geldt voor herstel op de woningmarkt. Vandaar dat – de recente stabilisatie van huizenprijzen ten spijt – het CPB ook dit en volgend jaar nog een negatief effect op de consumptie verwacht.

Het eigen huis is dus de grote boosdoener. De winkelstraten zijn leeg en verlaten omdat woningen minder waard werden. Wat Nederlanders voor de crisis extra uitgaven, omdat in ieder huis een eigen pinautomaat leek te zitten, moesten ze na 2009, toen bleek dat huizenprijzen ook omlaag konden, extra bezuinigen. Dat is het verhaal van de kopersstaking van de afgelopen jaren. Althans, tot de volgende revisie bij het CBS.