Wie is de baas?

Deze column lever ik op dinsdagmiddag in bij de krant, op z’n laatst om drie uur. Dat tijdstip heb ik niet zelf bedacht en als ik — het gebeurt echt bijna nooit — te laat ben, krijg ik daarover een vriendelijk doch duidelijk mailtje. De column moet 450 woorden lang zijn, zo is mij verteld. De onderwerpkeuze is in principe vrij, maar de stilzwijgende afspraak is dat ik over economische onderwerpen schrijf. Drie columns over de zuiverende werking van groene thee, en u ziet hierboven voortaan een andere foto.

Nu ik het zo bedenk, zit ik eigenlijk behoorlijk onder de knoet. De krant bepaalt wanneer, wat en hoeveel. Alleen waar ik schrijf (lekker thuis), mag ik zelf weten. Toch voel ik mij als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) zo vrij als een vogeltje. Onze afspraken zijn immers logisch, noodzakelijk en in beider belang. Als het me niet bevalt dan kan ik stoppen, en dat geldt voor het FD ook.

De vraag: wie is hier nou precies de baas, speelt daarom geen enkele rol bij de wekelijkse transactie tussen mij en de krant. Sterker, juist omdat opdrachtgever (FD) en opdrachtnemer (ik) elkaar op de vrije markt treffen, kunnen we de sociaal ongemakkelijk en praktisch lastig te antwoorden vraag over nu precies gezag heeft over wie, vermijden. Niet een van beide partijen, maar onze marktafspraak is de baas.

Maar voor arbeidsjuristen is de vraag over het gezag juist allesbepalend. Want als de krant mag zeggen hoe ik mijn werk moet doen, waarom ben ik dan niet in loondienst? De gezagsverhouding bepaalt in Nederland je juridische status op de arbeidsmarkt. Een opdrachtgever die bevoegd is om aanwijzingen te geven over hoe de zzp’er zijn werk doet, is eigenlijk een werkgever. En zo’n zzp’er is een schijnzelfstandige.

Het gebeurt wel vaker dat economen en juristen elkaar met blikken van totaal onbegrip aankijken. Bij de huidige zzp-discussie over gezagsverhoudingen is het weer zo ver.

Staatssecretaris Erik Wiebes van Financiën schortte handhaving van zijn nieuwe zzp-wet vorige week op, omdat het kabinet eerst de tijd wil nemen om de arbeidsrechtelijke definitie van gezagsverhouding te herijken. Als we straks weten wat gezag in de moderne economie precies inhoudt, kan de Belastingdienst de echte zzp’er van de schijnzelfstandige scheiden, hoopt Wiebes.

Valse hoop, want gezag zal in de praktijk een onduidelijk criterium blijven. De Nederlandse werknemer is wereldkampioen in eigenwijsheid, en doet meestal helemaal niet wat de baas wil, terwijl een dienstbare ondernemer zich juist perfect probeert te plooien naar de nukken van de klant. Baas of klant, dat verschil maakt voor een nuttige economische transactie niet uit.

Maar goed, mijn 450 woorden zijn op en het is bijna drie uur. Dus als ik nu niet stop, wordt de krant boos.

(FD)

Stop met lapwerk, denk eerst eens echt na over de arbeidsmarkt

Het gaat beter met de economie. Logisch dat het aantal werknemers met een vaste baan weer groeit. Maar die logica blijkt alleen op te gaan voor hoogopgeleiden. Werknemers met minder scholing hebben juist minder vaak een vast contract. Tien jaar geleden had nog driekwart van de lager opgeleide werknemers een contract voor onbepaalde tijd, inmiddels is dat gedaald naar nog geen twee derde.

Dat is een absurde situatie: de ontslagbescherming die het vaste contract biedt is vooral van belang voor mensen met een minder sterke positie. Als je baas ‘Voor jou tien anderen!’ naar je hoofd kan slingeren, is het prettig om de wet achter je te hebben. Voor werknemers met een hoge opleiding is het veel makkelijker om zich te onderscheiden van concurrenten op de arbeidsmarkt. Toch is juist die laatste groep goed in staat om een kerstboom aan fijne arbeidsvoorwaarden bij elkaar te onderhandelen. De vaste banen komen op deze manier bij de verkeerde werknemers terecht. Een moderne economie heeft een zekere mate van arbeidsmarktflexibiliteit nodig. In Nederland wordt die flexibiliteit geleverd door de groep die er juist het minst goed tegen kan.

Typisch een probleem waar de overheid wat aan zou moeten doen. En dat is ook wat het huidige kabinet zegt te proberen. De Wet werk en zekerheid (WWZ) moest onvrijwillige flexwerkers eerder aan een vaste baan helpen en de Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelatie (DBA) zou schijnzelfstandigen aan de onderkant van de arbeidsmarkt helpen aan een baan.

Maar de praktijk blijkt hardnekkig. Zowel WWZ als DBA jagen flexwerkers en zzp’ers alleen maar meer op. Hun arbeidsleven wordt er onzekerder door. Het is misschien nog te vroeg voor finale oordelen maar de wetten lijken het tegendeel te doen van waarvoor ze zijn bedoeld. Dus spoeden de verantwoordelijke bewindspersonen, Lodewijk Asscher en Erik Wiebes, zich keer op keer naar de Kamer met een snel in elkaar geflanste reparatie, in de hoop hun wet te kunnen redden. Zoals Wiebes, die vrijdag handhaving van de DBA uitstelde en beloofde enkele termen in de wet opnieuw te definiëren. Maar dergelijk lapwerk gaat de problemen niet oplossen, want de oorzaak van het falen van de wetten zit veel dieper.

Mensen die hetzelfde zijn verschillend behandelen, vinden we onrechtvaardig. Maar mensen die verschillend zijn hetzelfde behandelen, is dat ook. De arbeidswetten gooien uitgebuite flexwerkers met een nulurencontract op een hoop met professionals die graag op detacheringbasis werken. De regels voor schijnzelfstandige bouwvakkers zijn hetzelfde als die voor zichzelf verhurende interim-managers. Dat komt omdat onze arbeidsmarkt slechts één dimensie kent: je bent werknemer of zelfstandige, loonslaaf of ondernemer.

Een groep ambtenaren schreef eerder dit jaar een rapport waarin een tweede dimensie werd toegevoegd: de lijn tussen afhankelijkheid en zelfredzaamheid. Voor de eerste groep moet de overheid opkomen met regels en voorschriften, de tweede groep zoekt het zelf maar uit. Pas als we nadenken over de arbeidsmarkt met beide dimensies in het hoofd, heeft hervorming van het arbeidsrecht en de sociale zekerheid zin.

Maar wie is afhankelijk en wie is zelfredzaam? En is dat onderscheid voldoende duidelijk om in wetten en regels vast te leggen. Ikzelf denk dat een inkomenscriterium in de praktijk prima zal werken: wie op voltijdsbasis bruto meer dan 40 of 50 mille verdient verklaren we zelfredzaam. Maar arbeidsjuristen denken daar anders over, heb ik gemerkt.

schermafbeelding-2016-11-28-om-13-58-33

Daarom een oefening voor ons allemaal: teken op een leeg vel een assenstelsel met horizontaal de dimensie ‘werknemer-zelfstandige’ en verticaal de dimensie ‘afhankelijk-zelfredzaam’. Vul vervolgens op gevoel functies, beroepen en contractvormen in. Hiernaast mijn eigen poging. Topambtenaren, ceo’s en dga’s zijn allemaal zeer zelfredzaam, maar de eerste heeft een extreem vaste baan, de tweede kan bij wanpresteren worden ontslagen en de derde moet iedere dag vechten voor zijn onderneming. De thuishulp met een vast contract is een echte werknemer, de zzp-postbezorger een zelfstandige. Maar beide zijn ze afhankelijk van de buitenwereld. Voor wie moet de overheid opstaan? En wie kan zijn eigen boontjes doppen.

Pak een potlood en aan de slag!

Kan Trump de valutamanipulatie van China aanpakken?

Het is de grootste diefstal in de geschiedenis van de wereld en het grootste financiële misbruik dat ik ooit heb gezien.’ Donald Trump schuwde de hyperbool niet, toen hij tijdens zijn verkiezingscampagne sprak over het wisselkoersbeleid van China.

De Chinese overheid heeft de externe waarde van de eigen munt jarenlang laag gehouden. Daardoor zijn Chinese producten kunstmatig goedkoop en wordt de Amerikaanse industrie op oneerlijke wijze weggeconcurreerd. Daarom, zo kondigde Trump voor de verkiezingen aan, zal hij als president zijn minister van financiën opdracht geven om China te bestempelen als ‘valutamanipulator’. Als China het beleid niet aanpast, zullen er importtarieven komen voor Chinese producten.

Ouderwetse handelsoorlog
Nu heeft de ‘president-elect’ wel meer wilde dingen geroepen, maar de belofte om China aan te pakken was duidelijker gearticuleerd dan veel van zijn andere economische plannen. Bovendien zijn er op papier ook echt juridische mogelijkheden om China aan te pakken. Dit is een verkiezingsbelofte waar Trump zich in theorie aan zou kunnen houden.

Een ouderwetse handelsoorlog tussen de VS en China is daarom een van de scenario’s waarmee rekening moet worden gehouden. Zo’n gevecht met handelstarieven tussen de twee grootste economieën, zou zonder twijfel ook in de rest van de wereld gevoeld worden.

Wisselkoersbeleid
Trump zal dan wel eerst in de praktijk moeten aantonen dat China schuldig is. Dat zal niet makkelijk blijken te zijn. Sinds 1988 heeft het Amerikaanse ministerie de wettelijke plicht om twee keer per jaar een rapport te schrijven over het wisselkoersbeleid in landen die een groot overschot op hun handelsbalans met de VS hebben. Vorig jaar werd deze ‘Trade Facilitation and Enforcement Act´ nog aangescherpt. Om tot potentiële valsspeler te worden verklaard, moet een land op drie punten slecht scoren. Ten eerste moet er uiteraard sprake zijn van een groot bilateraal handelsoverschot met de VS. Ten tweede moet een land ook een groot netto overschot op de lopende rekening (handels- en kapitaalinkomsten) hebben met alle landen samen. En ten derde moet worden aangetoond dat de overheid langdurig, persistent en eenzijdig intervenieert op de valutamarkt.

Het meest recente rapport verscheen in oktober. Zes landen worden daarin onder de loep genomen: China, Japan, Zuid-Korea, Taiwan, Duitsland en Zwitserland. De conclusie van het ministerie luidt: geen van deze landen voldoen aan alle drie de criteria. Japan, Korea en Duitsland komen dichtbij, met een score van twee uit drie. Op gebied van bilaterale handel en de lopende rekening zitten deze landen fout, maar echte valutamanipulatie werd niet aangetoond. Taiwan en Zwitserland scoren wel op dit derde criterium (beide landen houden met interventies hun munt ‘goedkoop’), maar hebben dan weer geen voldoende groot handelsoverschot met de VS.

China is het braafste jongetje uit dit klasje van potentiële valsspelers, met een score van een uit drie. Alleen het bilaterale handelsoverschot is te groot, het overschot op de lopende rekening is dat niet meer en interventies worden ook niet aangetoond.

schermafbeelding-2016-11-21-om-08-59-26

schermafbeelding-2016-11-21-om-09-00-59

Kritiek komt te laat
Eigenlijk komt Trumps kritiek tien jaar te laat. Begin deze eeuw deed China er alles aan om appreciatie van de eigen munt ten opzichte van de dollar te voorkomen. Interventies waren daar altijd eenzijdig op gericht. Het handelsoverschot met de VS groeide snel, en ook met andere landen liepen de tekorten op. Het overschot op de lopende rekening steeg naar 10% van het Chinese bbp.

Maar sindsdien is het beleid veranderd. De renminbi mocht gecontroleerd appreciëren en China ging zich meer richten op de binnenlandse economie. De Chinese munt werd tientallen procenten duurder, niet alleen ten opzichte van de dollar, maar ook tegenover andere handelspartners. De duurdere munt, in combinatie met de wereldwijde recessie, zorgde voor snelle afname van het overschot op de lopende rekening. Dat ging zo snel dat sommige economen de Chinese munt overgewaardeerd vonden. De afgelopen twee jaar is de wisselkoers daarom logischerwijs weer iets gedaald.

Met economische argumenten zal Trump daarom de strijd tegen Chinese import niet winnen. Nu afwachten of hem dat iets kan schelen.

(FD)

Snelwegcommunisme

Stond u er ook in? In een van de vele monsterfiles tijdens de moeder-aller-avondspitsen? Goede kans dat u inderdaad de klos was, want op het hoogtepunt van de spits stond er 925 kilometer aan personenauto’s, busjes en vrachtwagens vast op de Nederlandse snelwegen en provinciale wegen. Dat is een rij voertuigen van Rotterdam naar Parijs en weer terug. Het was op 1 november dan ook de zwaarste avondspits van het jaar.

De economie groeit weer lekker, dus bij alle flessenhalzen in het landelijke wegennet is het weer dringen. De overheid heeft zich de afgelopen jaren ingespannen om wegen aan te leggen of te verbreden en spitsstroken aan te leggen, maar tegen de combinatie van economische groei en een flinke regenbui (zoals woensdag) is geen mobiliteitsplan bestand. Er kwam de afgelopen tijd ruim 4000 kilometer aan extra wegen bij in Nederland. En door asfalthobby van de twee kabinetten Rutte is de filedruk ook heus wel afgenomen. Maar nieuwe wegen trekken ook nieuw verkeer aan, dus een beetje economisch herstel zorgt al direct weer voor dichtslibben van het wegennet.

Rare weeffout

In principe wordt het fileprobleem natuurlijk niet veroorzaakt door te weinig asfalt. Verreweg het grootste deel van de dag is ons wegennet onderbenut: er zouden veel meer auto’s kunnen rijden. Het probleem is dat zoveel mensen tegelijkertijd willen rijden. Voor dat probleem is een buitengewoon voor de hand liggende oplossing, die al duizenden jaren met veel succes in andere sectoren wordt gebruikt: het prijsmechanisme.

Want in de huidige opzet van onze mobiliteitsmarkt zit een rare weeffout: overal werkt de markt, behalve als we de weg opgaan. Bij het aanschaffen van een auto gaat het nog goed. U mag het merk, het type en de kleur zelf uitkiezen, maar een luxe, grote, snelle auto is duurder dan een boodschappenwagentje. Wilt u diesel, benzine of elektra? De keuze is aan u. Het kiezen en kopen van een auto is een heldere afweging tussen kosten en baten.

U heeft de auto gekozen en betaald? Dan gaan we de weg op. Bijvoorbeeld in de spits. Nu gelden er opeens heel andere principes. U kunt niet meer kopen wat u wilt. U wilt graag op tijd op uw bestemming komen. Maar de vervoersdienst ‘op tijd komen’ is niet te koop, er is geen markt voor. In de file komt de ultieme socialistische droom uit: iedereen krijgt dezelfde dienst geleverd, iedereen is gelijk, geld speelt geen rol.

Automobilisten betalen natuurlijk wel een prijs, alleen geldt die niet in euro’s, maar in minuten. Wie in de spits op tijd aan wil komen op het werk of een afspraak, moet eerder van huis gaan. Hoeveel eerder? Dat blijft altijd een gok, dus om zeker te zijn gaat een verstandige automobilist veel eerder weg dan waar de gemiddelde extra reistijd in de spits om vraagt. Te laat komen is immers vervelender dan te vroeg. Zoals altijd zorgt het gelijkheidsideaal dus voor verspilling en inefficiency.

Resumerend: u koopt een auto met geld, volgens de kapitalistische regels van onze maatschappij, maar u koopt ‘ergens op tijd komen’ vervolgens met tijd, volgens de principes van de Sovjet-Unie.

Motorrijtuigenbelasting verlagen

Kan dat dan ook anders? Jazeker. Met moderne technologie is het goed mogelijk om voor de dienst ‘op tijd komen’ een markt te creëren met een prijs in euro’s. Rekeningrijden heet die technologie. Met een goedgekozen, met tijd, dag en drukte fluctuerende prijs per kilometer zijn files te voorkomen en krijgt de automobilist de keuze tussen veel betalen en (zonder vroeger vertrekken) op tijd aankomen of op een ander (goedkoper) moment gaan rijden. Vrije keuze op basis van markt en prijs, precies zoals we in de rest van onze economie schaarse middelen verdelen.

De opbrengst van rekeningrijden kan terug naar de automobilist door de motorrijtuigenbelasting te verlagen of zelfs helemaal af te schaffen. Denkt u zich eens in: geen files meer, geen snelwegcommunisme, en ook geen motorrijtuigenbelasting. Wie kan daar nou tegen zijn?

(eerder in FD)

Remmen los na Brexit

Voor de een is de Europese Unie een vredesproject dat nieuwe oorlogen in West-Europa heeft voorkomen. Voor de ander gaat het vooral om vrij verkeer van goederen en mensen, en heeft de EU een praktisch economisch doel. Weer een ander beschouwt de unie als een onmenselijke gevangenis waarin politici als Wilders, Roos en Baudet tegen hun zin en zonder enige soevereiniteit worden vastgehouden. Zoveel hoofden, zoveel zinnen, zeker als het om de EU gaat.

Toch voeg ik graag nog een smaakje toe: de EU is de tegenkracht van politiek opportunisme. Europese samenwerking is nodig om te voorkomen dat nationale overheden zich gedragen als uitvreters die alleen gaan voor het economische eigenbelang en zich laten chanteren door multinationals.

Kijk maar hoe de Britse politiek zich gedraagt sinds het brexitreferendum. Europese samenwerking is daar nu een vies woord en het taboe op zelfzucht is vervangen door gepassioneerd nationalisme. Voor het referendum vonden de meeste Britse politici Europese afspraken over staatssteun aan bedrijven nog even logisch als noodzakelijk. Zonder zulke afspraken zou ieder land proberen multinationals te lokken en de eigen industrie voortrekken. Zo’n race naar de bodem is uiteindelijk voor niemand goed (behalve voor de vertroetelde bedrijven), dus coördinatie is in het algemeen belang.

Maar nu dat algemene belang per referendum is weggestemd, gaat in Londen de kraan voor bedrijven open. Om de Nissan-fabriek in Sunderland open te houden, ook na vertrek uit de EU, bleek de Britse regering bereid om steun en zekerheden aan het Japanse autobedrijf te geven. Welke toezeggingen precies zijn gedaan is staatsgeheim en mag zelfs het Britse parlement niet weten. Mogelijk is compensatie van eventuele exporttarieven beloofd. Het was in elk geval genoeg om het aarzelende Nissan te doen besluiten nieuwe modellen in Sunderland te gaan produceren. Staatssteun mag als je buiten de EU zit. Of beter: staatssteun moet dan.

Net als lagere winstbelasting. Volgens de Sunday Times ligt er een plan klaar om de Britse vennootschapsbelasting te halveren van 20% naar 10%, als blijkt dat het VK geen vrijhandel met de EU kan uitonderhandelen. De schatkist gaat open en grote bedrijven mogen naar hartenlust graaien. De gewone Brit draait er voor op. Hetzelfde geldt voor de historisch lage koers van het pond: prima voor exporteurs, maar het leven van de burger wordt er slechts duurder door. De verruiming van het monetaire beleid waarmee de Bank of England reageerde op de referendumuitslag is dus indirect ook een cadeautje voor de grote bedrijven

VK vlucht uit de EU, regelrecht in de klauwen van de multinationals. ‘Take back our country’, beloofden de brexiteers. ‘And give it to big business’, zeiden ze er niet bij.

Belg in je brievenbus

Consolidatie, grensoverschrijdende bezorging, schaalvergroting, en leren van elkaar. De argumenten om te komen tot een overname van PostNL door het Belgische Bpost zijn op het eerste gezicht zo dom nog niet. De markt voor brieven krimpt, die voor bezorging van pakketten groeit, dus traditionele postbedrijven moeten zich snel omvormen tot flexibele pakketdiensten en tot professionele partners van de nieuwe webwinkels. In een Europa zonder grenzen is het niet waarschijnlijk dat deze nieuwe postbedrijven zich het best kunnen organiseren langs de oude landsgrenzen. Nederlands-Belgische samenwerking is dus niet onlogisch.

Maar tegelijkertijd ook wel. Want Bpost is niet zomaar een bedrijf. De meerderheid van de aandelen is in handen van de Belgische Staat, en die lijkt allerminst van plan om afstand te doen van deze aandelen. Ook bij BpostNL, of hoe het fusiebedrijf ook zal heten, blijft de Belgische staat een activistische grootaandeelhouder, met naar verwachting zo’n 40% van de aandelen.

Dat bleek afgelopen week wel uit de woorden die de Belgische minister van Telecom en Post, Alexander de Croo, koos toen hij werd geïnterviewd door de Belgische tv. Wat hij zei was vooral voor binnenlands gebruik. De Croo probeerde onrust in België over de wellicht tanende invloed van de overheid op het postbedrijf weg te nemen met duidelijke taal. Hier het gehele citaat:

De Croo: ‘Eerst en vooral worden wij met 40% de grootste aandeelhouder van een veel groter bedrijf. Met 40% is er geen enkele beslissing die kan genomen worden zonder dat de Belgische staat het daar mee eens is. Dus eigenlijk houden wij nog altijd de invloed die we vandaag hebben maar dan op een bedrijf dat veel groter is.’

Zo staat de Belgische overheid er dus in. Evenveel invloed, maar straks ook op het Nederlandse deel van het postbedrijf. Beslissingen over reorganisaties, ontslagen en investeringen in Nederland, worden straks vanuit Brussel aangestuurd. Politieke argumenten gaan een rol spelen bij het dagelijks managen van het nieuwe postbedrijf.

Stel dat het nodig blijkt om flink te snijden in het personeelsbestand, en dat voor de toekomst en winstgevendheid van het bedrijf, de hardste klappen in België moeten vallen. Gaat de minister daar dan mee akkoord? Dat lijkt me politieke zelfmoord. Wat goed is voor de minister en wat goed is voor het postbedrijf zal niet altijd netjes samenvallen.

Staatsbedrijven zouden zich wat mij betreft afzijdig moeten houden in het spel van internationale fusies en overnames. Dat geldt voor Bpost, maar ook voor al die andere publieke bedrijven die in Europa jagen op geprivatiseerde concurrenten. Of je speelt het kapitalistische spel helemaal, of je speelt het helemaal niet. Ik wil best een Belg in m’n brievenbus, maar liever geen Belgische politicus.

Is het succes van Van der Leegte een luchtspiegeling?

‘Chapeau voor Wim van der Leegte!’ Met deze uitroep van bewondering peilde FD.nl de stemming onder lezers. Van der Leegte, topman van VDL en eigenaar van de Nedcar-fabriek in het Limburgse Born, had Nederland weer eens verrast met een industrieel succes. VDL Nedcar gaat voor BMW de nieuwe Mini-terreinwagen produceren. Dat levert 1200 nieuwe banen op, die deels worden ingevuld met uitkeringsgerechtigden die worden opgeleid in de eigen bedrijfsschool.

Prachtig nieuws, natuurlijk. Daarom kozen de kleine duizend lezers die de poll onder de chapeau-uitroep invulden bijna allemaal voor ‘Ja, hij heeft Nedcar weer op de kaart gezet’ en ‘Ja, hij laat zien dat de maakindustrie toekomst heeft.’

Vies en vuil
De maakindustrie heeft toekomst in Nederland. Het is een bewering die beleidsmakers tot een paar jaar geleden niet zomaar voor hun rekening durfden te nemen. Nederland zag de industrie – voor zover nog aanwezig – juist snel naar lagelonenlanden vertrekken, en dat was misschien wel helemaal niet erg. Met dienstverlening was immers veel te verdienen. Vooral in de Randstad werd daarom vol ingezet op de dienstensector. Logistieke diensten in Rotterdam, financiële diensten in Amsterdam, zakelijke diensten in Utrecht, (semi-)publieke diensten in Den Haag en creatieve diensten overal. Industrie was vies en vuil en bood alleen werk voor laagopgeleiden.

Buiten de Randstad dacht men daar anders over. Rond Eindhoven, in de Achterhoek en dus ook in Limburg ontstond in alle stilte een nieuwe, moderne maakindustrie: flexibel, innovatief en hoogtechnologisch. VDL, ASML, NXP, Inalfa, 24TailorSteel en vele andere grote en kleine industriële bedrijven draaien inmiddels mee in de Europese of mondiale top. Nederland dienstenland? Welnee, Nederland industrieland! Onze economische toekomst ligt in de innovatieve maakindustrie.

Tijdverspilling
Klinkt mooi, nietwaar? In plaats van ons geld verdienen met nutteloze financiële producten, vage marktonderzoeken, inhoudsloze consultantrapporten, oneindig lange coachingsessies en al die andere tijdverspilling die door moet gaan voor dienstverlening, gaan we gewoon weer dingen maken en verkopen.

Maar zien we het nieuwe industriële elan ook terug in de macro-economische cijfers? Is er sprake van ‘herindustrialisatie’ van Nederland? Dat valt tegen. De rol van de industrie in de economie is nog altijd tanende. In 1995 werd nog 13% van het bbp in de industrie verdiend. In de twintig jaar daarna daalde dat percentage gestaag, tot 11,7 in 2015. Van een opleving is niets te zien.

Als we verder terugkijken, blijkt dat deze trend al halverwege de jaren zeventig werd ingezet. Na de eerste oliecrisis komt het groeitempo van de industriële productie structureel onder dat van de economie als geheel te liggen. In de jaren daarvoor gingen beide nog gelijk op, zoals in de grafiek is te zien. Halverwege de jaren tachtig haakte de industrie weer even aan, maar toen de economie later weer flink ging groeien, moest de industriële productie toch weer afhaken. Kort voor de kredietcrisis zette de industrie een tussensprint in. Maar tijdens de recessie van 2009 werd juist deze sector het hardst geraakt. In de laatste paar jaar is er niets dat wijst op inhaalgroei van de industrie. Het gat tussen bruto binnenlands product (bbp) en industriële productie wordt alleen maar groter.

schermafbeelding-2016-11-08-om-19-21-40

Geen luchtspiegeling
Is het succes van Van der Leegte en al die andere nieuwe industriëlen dan slechts een luchtspiegeling? Nee, want de sectoren waarin zij uitblinken, groeiden wel degelijk verrassend snel. Sinds het begin van deze eeuw steeg de toegevoegde waarde in de Nederlandse transportmiddelenindustrie bijvoorbeeld met een keurige 25%. De machinebouw groeide zelfs met 48%. De elektrotechnische industrie verdubbelde de productie zelfs bijna. Deze sectoren deden het allemaal beter dan de economie als geheel.

schermafbeelding-2016-11-08-om-19-20-29

Dus waren er ook verliezers. De voedingsmiddelenindustrie groeit sinds 2000 niet meer, de grafische industrie kromp met 19% en in de elektrische-apparatenindustrie (lees: Philips) daalde de toegevoegde waarde met 43%.

Dat is het verhaal van de Nederlandse industrie: er zijn groeibriljanten, maar van herindustrialisatie is geen sprake. Nog niet in elk geval.

ABN Amro vecht vorige oorlog

Met stomme verbazing volg ik de afgelopen dagen de soap bij ABN Amro. Gerrit Zalm stapt volgend jaar op, dus er moet een nieuwe leider op het groengele schild worden gehesen. In deze krant zo ongeveer dagelijks een smeuïge aflevering in dit bancaire feuilleton.

Samengevat komt de verhaallijn ongeveer hier op neer: er is ruzie tussen de aandeelhouder en de bank over de opvolging. De aandeelhouder wordt gespeeld door minister Jeroen Dijsselbloem van Financiën. Namens de bank doet commissaris Olga Zoutendijk mee. Maar Zoutendijk speelt een dubbelrol, want zou zelf misschien ook wel trek hebben in de toppositie van de bank. Zo wordt althans door figuranten gefluisterd.

Dijsselbloem wil aan het roer van zijn bank iemand met veel gevoel voor politieke fijngevoeligheden, iemand die kan voorkomen dat ABN in oude fouten vervalt en het weer hoog in de bol krijgt. Waarom niet Wouter Bos? Zo’n oud-politicus weet tenminste hoe je de minister uit de wind houdt. Of anders DSM-topman Feike Sijbesma, de ongekroonde koning van het Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen en dit jaar nog de trotse ontvanger van een Duurzaam Lintje. Sijbesma is de vleesgeworden politieke correctheid. Precies wat een bank nodig heeft.

Bij ABN Amro hopen ze juist op een echte bankier. De bank moet het binnenkort weer op eigen kracht doen, en de wereld is voor regionale bankjes als ABN Amro bepaald geen comfortabele plek. Winsten zijn gering, kapitaal- en toezichteisen enorm, een bank kan alleen hopen op zelfstandig overleven met een zeer heldere strategie. Daarom heeft ABN Amro weer een echte bankier nodig, een man als Chris Vogelzang die meeschreef aan de strategie en al sinds het begin van de eeuw het groengeel van de bank draagt.

Bos of Zoutendijk? Sijbesma of Vogelzang? Wie moet het worden? Misschien wel geen van allen. Want het gênante gevecht over de opvolging van Zalm is een veldslag uit de vorige oorlog. ABN Amro wil weer lekker gaan groeien, Dijsselbloem wil voorkomen dat het weer fout afloopt. Maar waarschijnlijk moet ABN Amro de komende jaren een heel ander gevecht voeren: een bittere overlevingsstrijd. Betalingsverkeer, kredietverlening aan bedrijven, aan huizenkopers, financieel advies, alle verdienmodellen van de traditionele bank verkruimelen onder de druk van nieuwe fintechbedrijven. Is er over tien jaar nog wel enig bestaansrecht voor een bank als ABN Amro? Alleen als de bank zelf ook razendsnel een technologiebedrijf wordt.

Gaat Wouter Bos die totale transformatie leiden? Of Olga Zoutendijk. Ik betwijfel het. Haal liever de vijand binnen de poorten en kies iemand die z’n sporen in de fintech heeft verdiend. Iemand als Pieter van der Does, oprichter en ceo van het zeer succesvolle Adyen. Wat heeft de bank te verliezen?

(FD)

Werkloosheid is niet hardnekkig, maar daalt nu juist opvallend snel

Mediatraining voor politici: zodra je iets positiefs zegt over de Nederlandse economie, bijvoorbeeld dat de groei aantrekt en de recessie duidelijk voorbij is, voeg daar dan altijd direct een zinnetje aan toe over de veel te hoge werkloosheid. Doe dat zonder punt of komma, haal zelfs niet even snel adem tussendoor, zodat de eindredacteur van het nieuws- en actualiteitenprogramma deze toevoeging er niet uit kan knippen. Fonetisch wordt het dan zoiets: ‘Het gaat beter met de Nederlandse economiemaardewerkloosheid [hier ademhalen] is nog altijd veel te hoog.’

Mooi weer spelen
Blijf dit oefenen totdat je de techniek perfect beheerst en ieder optimistisch geluid over de economie automatisch aanvult met somberheid over werkloosheid. De kiezer gelooft namelijk niet echt dat het beter gaat, zolang er nog zoveel mensen op zoek zijn naar werk. Dus mooi weer spelen over het economisch herstel komt onoprecht over. Politici als Lodewijk Asscher en Jeroen Dijsselbloem beheersen de techniek als geen ander.

Er is ook een andere tactiek mogelijk, maar die wordt door mediatrainers niet aangeraden: de cijfers erbij pakken en laten zien dat het ook met de werkloosheid eigenlijk opvallend snel de goede kant op gaat. De arbeidsmarkt lijkt sneller te herstellen dan na voorgaande recessies. Een dappere politicus zou dit zelfs met enkele grafieken kunnen illustreren.

Feiten, cijfers en grafieken
Ik wil hier natuurlijk niemand de verkiezingsstrijd insturen gewapend met feiten, cijfers en grafieken. Dat is in het huidige klimaat politieke zelfmoord. Maar voor wie het — voor eigen risico — toch wil proberen kan de grafiek hieronder als leidraad dienen. Daarin zien we gedurende vier perioden met een recessie, de ontwikkeling van werkloosheid en economische groei. In 2002 en 2003 was er in de meest strikte zin van het woord geen sprake van een recessie. De economie bleef heel zachtjes doorgroeien, maar de werkloosheid liep wel snel op en ook andere indicatoren gaven een duidelijk recessiebeeld.

schermafbeelding-2016-11-01-om-21-33-56
(klik voor groot)

De recessie van 2009 ontbreekt in de grafiek. Dit was een zeer diepe, maar ook kortstondige recessie, veroorzaakt door de onzekerheid tijdens de kredietcrisis. Vooral multinationals zagen hun omzetten enorm dalen, de binnenlandse economie werd in 2009 veel minder geraakt. Daarom liep de werkloosheid ook maar weinig op en was deze snel weer op het oude niveau. Deze uitzonderlijke recessie laat ik daarom in de grafiek buiten beschouwing.

Daling werkloosheid duurt normaal even
Wel te zien zijn, van links naar rechts, de recessie van 1975, volgend op de oliecrisis, toen de economie even stopte met groeien. Daarnaast die van begin jaren tachtig, toen het zeer restrictieve monetaire beleid van Fed-voorzitter Paul Volcker de wereldeconomie in de achteruit zette. Verder naar rechts de bijna-recessie van 2002 en 2003 na het knappen van de internetzeepbel (onzekerheid rond de Amerikaanse inval in Irak speelde ook een rol). En ten slotte de recente recessie van 2012 en 2013, tijdens de eurocrisis.

Wat opvalt is dat het in alle gevallen een jaar of meer duurde na het einde van de recessie, voordat het werkloosheidspercentage weer ging dalen. In 1976 steeg de werkloosheid door, ondanks zeer krachtig economisch herstel (groei: 4,5%). In 1983 groeide de economie al weer met 2%, maar steeg de werkloosheid net zo snel door als in de voorgaande recessiejaren. En ook toen de Nederlandse economie na de bijna-recessie van 2002 en 2003 in 2004 weer behoorlijk begon te groeien, bleef de werkloosheid stijgen. Zelfs in 2005 ging het werkloosheidspercentage nog verder omhoog.

Hoe anders was dat de afgelopen jaren. In 2014 begon de economie weer te groeien — zij het niet al te snel — en datzelfde jaar al kwamen er nauwelijks meer werklozen bij. Al in februari 2014 piekte het werkloosheidspercentage, om vervolgens de daling in te zetten. In 2015 en 2016 zette die daling door.

De werkloosheid liep snel op tijdens de recessie van 2012 en 2013, maar begon erna dus opvallend snel te dalen. Welke politicus durft dat goede nieuws in één adem te vertellen?

(FD)

De tegenstemmer wint

In de Europese Unie wonen 505 miljoen mensen. Daarvan zijn 11 miljoen (2,2%) Belg. Van die Belgen wonen er 3,5 miljoen (0,7% van de EU-bevolking) in Wallonië, of beter: in het Waals Gewest, de bestuurlijke eenheid in de zuidelijke helft van België. Van die Walen brachten er 1,9 miljoen (0,4%) hun stem uit tijdens de Waalse parlementsverkiezingen in 2014. Van hen stemden er 943.000 op de PS, (de socialistische partij) of de cdH (de christendemocraten). Dat is 0,19% van alle inwoners van de EU.

Op basis van dat minuscule mandaatje besloot de Waalse regering (PS en cdH) namens 505 miljoen Europeanen het handelsverdrag met Canada op te blazen. De Waalse minister-president Paul Magnette sprak na een stemming in het Waalse parlement over dit CETA-verdrag zijn veto uit over ondertekening door België. Gaat hij daar dan over? Blijkbaar wel. In de bestuurlijke spaghetti van België — met drie gewesten, drie gemeenschappen en een federale overheid, ieder met een eigen parlement en regering — is er altijd wel een bestuurslaag te vinden die tegen stemt. Nee zeggen is in zo’n federatie nu eenmaal veel eenvoudiger dan ja.

Op Europees niveau speelt hetzelfde probleem. De Waalse tegenstem vertaalt zich met een beetje pech in een Belgisch nee tegen CETA, waardoor de hele Europese Unie tegen de Canadezen moet zeggen: sorry, maar we zijn bij nader inzien toch tegen vrijhandel met jullie, want 0,19% van onze bevolking heeft tegen gestemd. Alsof 17 miljoen Nederlanders een besluit laten vetoën door de 32.000 inwoners van het Gelderse Epe of Zuid-Hollandse Maassluis.

Bij het schrijven van deze column waren de Europese ministers van handel nog in bespreking bijeen, om te kijken of de Walen toch niet aan boord zijn te krijgen. Eurocommissaris Cecilia Malmström is naar eigen zeggen al dagen bezig om ‘hun zorgen te begrijpen en ze tegemoet te komen’. Slijmen bij een piepkleine minderheid is dagelijkse kost voor een eurocommissaris, want wie tegenstemt is de baas in Europa.

Opvallend trouwens hoe stil al die criticasters van de EU zijn tijdens deze gênante vertoning.

Altijd de eerste om te wijzen op de democratische tekortkomingen van de EU, maar als een gewestelijk parlementje alle democratisch gekozen parlementen en regeringen van de lidstaten buiten spel zet, hoor je ze niet.

Nee zeggen is veel te gemakkelijk in Europa. De tegenstemmende minderheid wint het meestal van de voorstemmende meerderheid. Dat is buitengewoon zonde, want, om uit het boek De Omgekeerde Wereld van een bekende Waalse politicoloog te citeren: ‘Europa is, ondanks haar gebreken, de grote politieke horizon van de volgende decennia en de belangrijkste reden tot hoop. Europa is het tegengif voor nationalisme.’ Wie dat schreef? Juist: Paul Magnette, minister-president van het Waalse Gewest.