De huizenmarkt herstelt. Schieten we meteen weer door naar een nieuwe zeepbel?

Economen waren altijd al bovenmatig geïnteresseerd in de woningmarkt. Op deze markt doen burgers de grootste investering van hun leven, meestal met geleend geld, dus prijsbewegingen op de huizenmarkt hebben direct invloed op de solvabiliteit van zowel huishoudens als banken. Een gezonde huizenmarkt is een voorwaarde voor een gezonde economie.

Sinds de crisis is die interesse omgeslagen in een obsessie. Het was immers de woningmarkt waar in de Verenigde Staten alle ellende begon. En het was de woningmarkt die in landen als Spanje, Ierland en Nederland, de recessie van 2010 en 2011 zo ellendig diep en lang maakte.

Argusogen
Zonder de kopersstaking van huiseigenaren die volgde op de huizenprijsdalingen, had de Nederlandse economie tijdens de crisis niet zo negatief afgestoken bij die van onze buurlanden. Tegelijkertijd geldt ook: zonder de door overwaarde opgezweepte consumptie, waren er in de jaren negentig van de vorige eeuw geen hordes buitenlandse beleidsmakers naar ons land getrokken op de Nederlandse ‘wondereconomie’ te aanschouwen. De woningmarkt heeft de pendule van de Nederlandse conjunctuur telkens een flinke extra zwiep gegeven. Het maakt onze economie volatiel.

Geen wonder dus dat iedere beweging op de huizenmarkt met argusogen wordt gevolgd. Ieder rijtjeshuis in Leidsche Rijn, ieder flatje in Purmerend en elke woonboerderij in Franeker kan in potentie een conjuncturele omslag veroorzaken. Voor welke prijs worden ze verhandeld? Hoelang staan ze te koop? Hoe diep moet de koper zich in de schulden steken? Het zijn variabelen die macro-economische gezondheid van Nederland bepalen.

Op dit moment gaat het duidelijk beter met de Nederlandse woningmarkt. Dat zou reden voor opluchting kunnen zijn, maar lijkt vooral een bron van nieuwe argwaan. Gaat het niet té goed? Zien we nieuwe zeepbellen, bijvoorbeeld binnen de ring van Amsterdam, in Utrecht, Haarlem, Den Haag? Zijn we al terug op het toppunt van de huizengekte in 2008? Steken huizenkopers zich niet te veel in de schuld? Wat als de rente straks gaat stijgen, wie kan dan nog z’n hypotheek betalen? Een nieuwe huizencrisis lijkt onafwendbaar. Help!


De harde cijfers vertellen gelukkig een ander verhaal. Er is nog lang geen nieuwe zeepbel op de huizenmarkt. Wat we zien is herstel na een diepe val. Ik heb de belangrijkste indicatoren op een rij gezet, op basis van de meest recente cijfers.

Enorm aantal transacties
Allereerst valt op dat het aantal verkochte woningen enorm hoog is. Met meer een kleine 61.000 transacties was het derde kwartaal van 2016 het beste ooit. Maar dit duidt niet meteen op een overspannen markt. De gemiddelde prijs van een woning ligt nog altijd 11% onder het niveau van eind 2008. Gecorrigeerd voor inflatie is dat zelfs bijna 20%. Dat duidt niet op een nieuwe zeepbel.

Dat het aantal transactie zo enorm is, komt vooral door de lage rente. Voor een hypotheek met een looptijd tussen 5 en 10 jaar is die nu nog niet de helft van de rente in 2008. Dat maakt woningen (ondanks de prijsstijgingen) nog altijd behoorlijk betaalbaar. Cijfers van onderzoeksbureau Calcasa laten zien dat gemiddeld huis, gefinancierd met een annuïteitenhypotheek aan maandlasten nu ongeveer een derde van een gemiddeld inkomen kost. In 2008 was dat nog 45%. De gekte is (nog) niet terug.

Bouwers en architecten
Alle hypotheken bij elkaar opgeteld wordt er in Nederland nu wel meer geleend dan acht jaar geleden. De hypotheeksom is met € 665 mrd een kleine € 80 mrd hoger. Maar de totale hypotheeksom is wel lager dan enkele jaren geleden, want we zijn inmiddels enthousiast gaan aflossen, en de overheid heeft de leenregels aangescherpt.

De bouwers zullen beamen dat er sprake is van herstel, maar niet direct van een nieuwe zeepbel. Het aantal nieuwe bouwvergunningen voor woningen ligt nog flink onder het niveau van 2008. De omzet in de bouw stijgt, maar ligt nog 4% lager dan voor de crisis. Architecten moeten nog zelfs 12% goedmaken. Voor hen mag het herstel nog wel even doorzetten.

(FD)

Verliezers

Vroeger spraken economen zich met verve uit voor globalisering, voor vrije handel en voor open grenzen. Tegenwoordig doen ze dat veel bedeesder, en zeggen ze er direct bij: ‘we moeten de verliezers wel compenseren’. Want de onvrede onder de mensen moet wel een rationele reden hebben. Je stemt toch niet zomaar op Donald Trump, tegen de EU of voor de PVV? Iedereen zoekt naarstig naar het antwoord op de onvrede, en voor veel economen is compenseren van de verliezers van globalisering de belangrijkste kandidaat.

De vraag is echter hoe die compensatie er in de praktijk uit zou moeten zien. Hoe kunnen we geld en koopkracht afpakken van de winnaars en uitdelen aan de verliezers? Ik heb mij in de kerstvakantie gebogen over dat probleem en ben met volgende plan gekomen. Sommigen van u vinden het misschien wat overdreven en zullen het doorgeschoten compensatiedrang noemen, want het gaat ver. Buitengewoon ver.

Allereerst stel ik voor om alle winnaars veel meer inkomstenbelasting te laten betalen dan de verliezers. Er komt een belastingstelsel met verschillende schijven, waarbij arme Nederlanders (de verliezers) bijna geen inkomstenbelasting afdragen, en de rijken bijna alles. ‘Progressieve belasting’, noem ik dit systeem, want het is bepaald vooruitstrevend.

Daarbovenop moet een omvangrijk stelsel van toeslagen komen, betaald door het Rijk. Verliezers krijgen dan een toeslag voor zaken als huur, zorgverzekering en voor hun kinderen. De winnaars krijgen geen toeslagen, maar moeten deze juist financieren. Voor de allergrootste verliezers komt er ook nog een uit collectieve middelen gefinancierd uitkeringensysteem. Wie zijn baan verliest door de globalisering krijgt een uitkering, desnoods voor het hele verdere leven!

Genoeg compensatie zo? Dat had u gedacht. We gaan de verliezers ook de kans geven om direct mee te delen in de winsten van bedrijven die profiteren van de vrije handel. Dat doen we door fiscaal gesubsidieerde spaarpotten in te stellen, waarmee de verliezers aandelen kunnen kopen van deze bedrijven. Op latere leeftijd kunnen ze die koerswinsten verzilveren en horen ze automatisch bij de winnaars.

Deze door het Rijk gesubsidieerde beleggingspotten voor de oude dag, mogen wat mij betreft een enorme omvang krijgen. Anderhalf keer het totale jaarlijkse bruto binnenlands product van Nederland zouden we zo verliezersvriendelijk kunnen beleggen. Als dat geen compensatie is!

Doe er ten slotte ook nog wat Europees geld bij. Een paar honderd miljoen trek ik uit voor een speciaal hiervoor op te richten ‘European Globalisation Adjustment Fund’ (EGF), dat projecten steunt waarmee de verliezers geholpen worden bij opleiding en het vinden van ander werk.

Ik geef het toe, mijn plan is behoorlijk extreem. Misschien wordt straks wel bijna de helft van ons bbp via de overheid verdeeld. Maar de verliezers van globalisering zijn dan in elk geval netjes gecompenseerd.

(FD)

DWDD: Vrijhandel onder vuur

De Britse premier May liet vandaag weten dat Groot-Brittannië hard uit de EU stapt. Donald Trump wil de wereldwijde vrijhandel inperken met protectionistische maatregelen. Het lijkt het einde van 200 jaar open, en daardoor lucratieve, vrijhandel. Een bedreiging van ons economische bestel. In Davos vindt momenteel het World Economic Forum plaats. Daar kwam uit onverwachte hoek een warm pleidooi voor economische mondialisering: de Chinese president Xi Jinping toonde zich ineens een voorvechter van de vrije handel. Aan tafel: Marike Stellinga en Mathijs Bouman.

Deense flexicurity model doorstaat de crisis. Wat kan Nederland daarvan leren?

Nederland had het zwaar in de crisis. De economie presteerde slechter dan die in andere noordelijke eurolanden. De Duitse en Belgische economie waren veel eerder weer boven jan, en zelfs Frankrijk krabbelde sneller op. Nederland was de zieke man van Noordwest-Europa, met een krimpende economie en snel oplopende werkloosheid.

Maar net buiten het eurogebied was er een Europees land met dezelfde problemen: Denemarken. Qua oppervlakte iets groter dan Nederland, wat betreft inwonersaantal drie keer zo klein, maar gelet op de economische ontwikkeling sinds 2008 opvallend gelijk.

De eerste recessie in 2009 was wat dieper dan in Nederland, de tweede dip juist wat milder dan hier en voor beide landen zou het tot diep in 2014 duren voordat het bruto binnenlands product (bbp) terug was op het niveau van voor de crisis. Andere landen in de regio bereikten dat punt al veel eerder.

Antwoord op huizenmarkt
Wat maakte Nederland en Denemarken anders dan andere landen? Het antwoord is te vinden op de huizenmarkt. In beide landen maakten de huizenprijzen na 2008 een enorme duikvlucht. Deense huizen werden vooral in 2009 snel goedkoper en er was een tweede daling in 2011. In Nederland gleden de huizenprijzen wat meer geleidelijk weg, tussen 2009 en 2013. Dat deze daling zoveel impact had op de economie als geheel, komt omdat ook als het gaat om hypotheekschuld, Nederland en Denemarken veel op elkaar lijken. Denemarken is wereldkampioen private schuld. De schuld van Deense huishoudens is ruim drie keer zo groot als het jaarlijks netto besteedbaar inkomen. Nederland is een goede tweede met een factor 2,8. Verreweg het grootste deel van deze schulden zijn hypotheekschulden. Ter vergelijking: de schuld van Belgische en Duitse huishoudens is ongeveer één keer het besteedbaar inkomen.

Schermafbeelding 2017-01-16 om 14.55.29

De combinatie van hoge schulden en dalende huizenprijzen zorgde voor acute geldzorgen bij Deense en Nederlandse huishoudens. Zij gingen bezuinigen en de recessie werd extra diep en lang. Logisch gevolg was een snel oplopende werkloosheid in beide landen. De Deense werkloosheid piekte op 7,8% in 2012, in Nederland werd precies datzelfde niveau twee jaar later bereikt.

Belangrijk verschil
Veel overeenkomsten, maar er is ook een belangrijk verschil: Denemarken heeft een veel flexibelere arbeidsmarkt dan Nederland. Het Deens ‘flexicurity’-model combineert geringe ontslagbescherming en een kortdurende WW, met een zeer actieve scholing en begeleiding naar nieuw werk. Dat is het tegendeel van Nederland waar de ontslagbescherming hoog is, de WW genereus en het actieve arbeidsmarktbeleid weinig effectief. Het Deense model wordt alom bewonderd, want het zorgt voor veel doorstroming op de arbeidsmarkt, een korte werkloosheidsduur en daardoor weinig verlies van vaardigheden tijdens perioden van werkloosheid. Ook in Nederland dromen arbeidseconomen graag van het flexicurity-model. Het heeft echter in theorie een belangrijk nadeel: flexicurity werkt goed in normale tijden met veel vacatures, maar mogelijk niet tijdens diepe, langdurige recessies. Dan helpt actieve begeleiding werklozen niet aan werk en door de korte WW-duur vallen zij snel terug naar een laag inkomen, waardoor de recessie verergert en de werkloosheid juist hardnekkiger wordt.

De ervaring van Denemarken en Nederland sinds 2008 is een mooi veldexperiment om te zien of dat idee klopt. Het korte antwoord luidt: nee, want in beide landen ging de werkloosheid redelijk snel weer omlaag. Bovendien blijkt uit deze week verschenen onderzoek van de Oeso dat de Deense arbeidsmarkt tijdens de recessie een gezonde dynamiek bleef vertonen. Er waren wel veel mensen werkloos, maar de gemiddelde duur van de werkloosheid bleef relatief kort. Op het dieptepunt van de recessie zat de gemiddelde Deense werkloze 15 weken zonder baan, schrijft de Oeso. Dit was beduidend meer dan de 5 weken van voor de crisis, maar vergeleken met andere landen nog altijd behoorlijk kort.

Storm goed doorstaan
De combinatie van flexicurity en een diepe recessie heeft in Denemarken niet tot hogere structurele werkloosheid geleid, concludeert de Oeso dan ook. Het model heeft de storm goed doorstaan. Misschien moet Nederland er toch maar weer eens serieus naar kijken. Dus voordat volgend jaar de formatie begint, eerst alle politici op studiereis naar Kopenhagen.

Eindejaarsfeuilleton 2016: Storm in de Pensioenstraat

schermafbeelding-2017-01-04-om-20-20-19

Deel 1: De Voorzitter

‘Niets aan de hand, niets aan de hand’. Nauwelijks hoorbaar door de gierende storm prevelt de Voorzitter zijn bezwering terwijl hij tastend langs de trapleuning zijn weg naar de zolder zoekt. De pannen rammelen op het dak. Sommige dakpannen zijn verschoven, waardoor er een flink gat is ontstaan. De regen gutst er in grote stralen door naar binnen. Het water verzamelt zich op de houten zoldervloer en zoekt zich door het gestuukte plafond een weg naar beneden; naar de kantoren en werkruimten op lager gelegen verdiepingen.

‘Niets aan de hand. Dit gaat weer voorbij. Deze storm is de laatste. Vanaf morgen schijnt de zon weer’. Prevelend zoekt de Voorzitter zich verder een weg naar de bovenste verdieping van het oude kantoorgebouw. De carbidlamp in zijn hand geeft niet meer dan een flauw schijnsel, net genoeg om zijn kromme schaduw op de gebladderde muur te projecteren.

Hij steekt zijn hoofd door het zolderluik en overziet de ravage. Grote gaten in het pannendak, regenwater dat naar binnen stroomt, een huilende wind die aan de panlatten rukt, het gebint dat zich krakend verzet tegen de natuurkrachten. Het oude kantoorgebouw lijdt, spijkers piepen in de gordingen, korbelen kermen, windveren en waterborden klepperen in de wind.

‘Niets aan de hand’, mompelt de voorzitter. ‘Ik zei het toch. Niets aan de hand.’ Hij laat het zolderluik weer vallen, daalt moeizaam de trap af en verschanst zich in zijn kantoor. De haard brandt, de oorfauteuil zit net zo zacht als op andere avonden. Alles komt goed, er is niets aan de hand.

Het gebouw zal ook deze storm doorstaan, weet de Voorzitter. Hij houdt er immers al zo lang kantoor. Minstens een halve eeuw. Al vijftig jaar staat er op die koperen naamplaat naast de deur: ‘Pensioenfonds der Knopentellers’. Eerst werkte hij er als eenvoudige klerk, maar gedurende de jaren klom hij gestaag op in de rangen van het pensioenfonds. Nu is hij al weer twee decennia Voorzitter van het PdK.

Het is een vergrijsd fonds, met veel gepensioneerden en weinig actieve premiebetalers. Het tellen van knopen is geen populaire bezigheid meer. Vroeger deed bijna iedereen het: voordat men een belangrijk besluit nam, of een allesbeslissende uitspraak deed, telde men eerst zijn knopen. Maar de tijden zijn veranderd. Nu is het eerst roepen, dan pas nadenken. Voor het tellen der knopen neemt niemand meer de tijd. De Voorzitter zucht.

Gelukkig is de kas vol, bij het PdK. Er is veel gespaard, en met een beetje slim beleggen, met iets meer risico op de beurs, moet het beloofde pensioen voor alle deelnemers te betalen zijn, denkt de Voorzitter. Of in elk geval bijna. De fundamenten van het fonds zijn sterk. Net zo sterk als de fundamenten van het kantoorgebouw van het PdK.

Deel 2: De fundering

De storm beukt tegen dak en gevel, planken kraken en boven vliegt weer een hele rij pannen kletterend van het dak. Maar de funderingspalen zijn sterk genoeg. Vast en zeker. Er is niets aan de hand.

De volgende ochtend waait het nog steeds, maar de bulderende storm is even wat minder. Tijd om de schade op te nemen, denkt de Voorzitter van het PdK. Weer de krakende trap omhoog, het zolderluik open en dan de vliering op. Hij ziet plassen water op de vloer en donkere wolken door de gaten in het pannendak.

Zeker weer twintig kapot gevallen. Vroeger had hij altijd een stapeltje pannen in reserve. maar die zijn al jaren op. Om het technisch te zeggen: de dakbedekkingsgraad is erg laag. Maar de Voorzitter weet hiervoor een oplossing die hij al vaak toepaste. Hij verlegt de pannen zodat de meest essentiële delen van het kantoorgebouw goede dekking hebben. Zijn eigen kantoor, uiteraard. Maar ook de werkplekken van de meest ervaren medewerkers van het PdK. De oude rotten in het vak moeten het droog houden. Van jongere werknemers kan een forse dosis solidariteit worden verwacht. Als zij onverhoopt nat regenen hebben ze nog ruim de tijd – een hele carrière – om weer op te drogen.

Zo. De dakpannen zijn herschikt. Alles is weer in orde. De Voorzitter puft een momentje uit en kijkt, het hoofd door een gat in het dak gestoken, naar de daken om zich heen. Overal verschoven dakpannen en gapende gaten. Relatief staat zijn kantoor er eigenlijk nog netjes bij, mijmert hij tevreden. Kijk daar, verderop, dat enorme kantoorpand van het Algemeen Beheerfonds der Pennenlikkers (ABP) met niet alleen gaten in het dak – de bedekkingsgraad is echt lachwekkend laag – maar ook in de muren. Een wonder dat het nog overeind staat. Verderop staan de kleinere pandjes van het Fonds der Metaalbewerkers, dat van de Barbieren, van de Scribenten en alle andere beroepsgroepen. Ieder netjes in z’n eigen pandje. Aan het eind van de straat ziet hij het onttakelde dak van het reusachtige gebouw van het Pensioenfonds voor Nachtzusters en Hoofdmeesters.

Het leek ooit zo’n goed idee: we zetten alle kantoorpanden van alle fondsen in dezelfde straat bij elkaar. Ieder op z’n eigen kavel, duidelijk omschreven en ingetekend. Ieder fonds z’n eigen gebouw; op een gegeven moment werd dat zelfs verplicht gesteld. Het was een prachtig gezicht, al die trotse gebouwen bij elkaar. Zonder twijfel de beste straat van de wereld, zeiden buitenlandse bezoekers bewonderend.

En eigenlijk is het dat nog steeds, denkt de Voorzitter. Ach, er zitten wat gaatjes in de daken, en de gebouwen zijn een beetje scheef gezakt. Maar omdat ze tegen elkaar aan kunnen leunen, blijft de straat als geheel zeer solide.

Er zijn mensen die beweren dat er al direct bij de bouw fouten zijn gemaakt. Buitenstaanders zonder verstand van zaken fluisteren dat er te korte palen zijn gebruikt voor de fundering. Kamergeleerden zijn het. Dilettanten die met hun theoretische rekensommetjes over paallengte en draagvermogen onrust zaaien onder de gebruikers van de panden.

De onrust hierover is inmiddels zo groot dat hij met de andere voorzitters een symposium gaat organiseren over dit zogenaamde funderingsprobleem. Morgen vindt dat plaats, hier ten kantore van het Pensioenfonds der Knopentellers. Als het niet te hard regent moet het net kunnen.

Deel 3: Het symposium

Een congres over funderingen. Niet van een enkel gebouw, maar van een hele straat. Een straat vol pensioenkantoren. In de grote hal op de onderste verdieping van het Pensioenfonds der Knopentellers (PdK) komt vandaag iedereen bijeen, om te praten over het probleem van de te korte funderingspalen onder de panden. ‘Of beter: het non-probleem’, denkt de Voorzitter van het PdK.

Hij staat in de deuropening en heet zijn collega’s welkom. De grote voordeur gaat al een tijd niet meer dicht. Sinds de Grote Verzakking van 2008 past het ding niet meer in z’n sponning. Maar dat geeft niet. Pensioenfondsen als het PdK willen graag open en transparant zijn. Een dichte deur past daar niet bij.

Als iedereen binnen is, gaat het symposium van start. Of eigenlijk nog niet. Het leek de organisatoren leuk om te beginnen met een stukje vermaak. Voor de vrolijkheid hebben ze een piepjonge ingenieur uitgenodigd, die funderingskunde studeert aan de Universiteit van Chicago. Dat wordt lachen! De jongeman vertelt een onbegrijpelijk verhaal vol cijfers en formules over te korte palen en te weinig dakpandekking. Hij zegt dat de hele straat op instorten staat. Renoveren heeft geen zin meer, alleen slopen en opnieuw beginnen. Het is allemaal bijzonder komisch!

‘Zo,’ zegt de Voorzitter als de knul het podium heeft verlaten, ‘dan kan het symposium nu echt beginnen.’

De eerste serieuze spreker komt van het Fundatie Negatie Verbond (FNV). Zonder veel omhaal van woorden stelt de spreker dat er niets mis is met de funderingspalen. Ze waren vroeger lang genoeg, dus nu ook. Waarschijnlijk kunnen ze zelfs wel wat korter. Het hout van de reststukken zouden de pensioenfondsen dan kunnen gebruiken voor leuke uitbouwtjes: torentjes, dakkapellen, misschien zo’n hippe hottub voor in de tuin. De aanwezigen klappen luid.

Vervolgens spreekt een emeritus hoogleraar. Hij deed vroeger alleen onderzoek naar schoorstenen, maar sinds z’n pensionering zijn funderingspalen zijn hobby. De palen zijn niet te kort, zegt ook hij. ‘De rekenmethode van Bouw- en Woningtoezicht deugt van geen kant. Zij willen dat we de daadwerkelijke paallengtes gebruiken voor de berekeningen! Terwijl je veel beter de historische bouwtekeningen als uitgangspunt kunt nemen. In deze stad is vroeger altijd met lange palen gebouwd. Dus waarom zou dat nu opeens anders zijn?’

Als de professor klaar is en onder luid applaus het podium verlaat, gaat er een siddering door het gebouw. De storm is weer in volle hevigheid opgestoken en inmiddels hagelt het. Door de trillingen zakt de linkerkant van het gebouw in een keer zo’n 30 centimeter verder weg. ‘Zie je wel’, schreeuwt de professor over het gekreun van de plafondbalken heen. ‘Dit kan het gebouw dus prima hebben.’

Het symposium wordt afgesloten door een oude boekhouder die vertelt over een betere rekenmethode om paallengte te bepalen. De Ultieme Fundatie Rekening, of UFR, heet die methode, waarbij wordt uitgegaan van fictieve paallengtes. Echt heel verantwoord, legt hij uit.

Maar de aanwezigen luisteren al niet meer. De voorzitters van de pensioenfondsen gaan op een holletje terug naar hun scheefgezakte kantoorpanden. Het weer wordt slechter en ze maken zich stiekem toch zorgen. Een klein beetje.

Deel 4: Het rapport

“Er is niets aan de hand. Ik zei het toch?” De Voorzitter van het Pensioenfonds der Knopentellers wist het altijd al, maar nu heeft hij het zwart op wit. De Solitair Epibrerende Raad (SER), het gezelschap van experts, dat onafgebroken adviseert over ditjes en datjes en van alles en nog wat, heeft een rapport geschreven waarin geen ruimte is voor twijfel.

Natuurlijk, hier en daar kunnen de gebouwen van de pensioenfondsen wel een likje verf gebruiken, leest de Voorzitter. En misschien kan er een extra spijkertje in. Maar we moeten vooral niet doen alsof de boel op instorten staat. De eerste regel van het rapport laat aan duidelijkheid niets te wensen over: De Nederlandse pensioengebouwen behoren tot de beste van de wereld. “En zo is het”, mompelt de Voorzitter instemmend.

Toch had hij de afgelopen nacht een enkel moment van twijfel gevoeld. De hagelstorm van gisteren was overgegaan in een Siberische sneeuwstorm. De sneeuw woei door het inmiddels dakpanloze dak, en drukte zwaar op de zoldervloer. Rond drie uur was de kritische massa bereikt en stortte de vloer met donderend geraas omlaag. Even later verloor ook de ondergelegen verdieping de strijd met de zwaartekracht. Zijn bureau, de archiefkasten, zijn fijne oorfauteuil, alles was in totale wanorde op de marmeren tegels van de begane grond beland – inclusief een meter sneeuw.

Direct daarna ging het gebouw zelf schuiven. Door de schok van de vallende verdiepingen gleed het pand van de fundering af en maakte dertig graden slagzij, Toen de Voorzitter geschrokken door de gebroken ramen naar buiten keek, zag hij dat andere pensioengebouwen het minstens zo zwaar hadden. Het krakkemikkige pandje van het Pensioenfonds der Scribenten was simpelweg omgevallen, dat van het Pillendraaiersfonds miste zowel dak als voorgevel. En waar ooit het enorme gebouw van het Algemeen Beheerfonds der Pennenlikkers had gestaan, zag hij nu alleen nog maar een enorme hoop sneeuw met hier en daar een uitstekende balk.

Toen kwam dat moment van twijfel. Was er misschien toch iets structureel mis met de pensioengebouwen? Maar gelukkig: even later brak de grijze ochtend aan en arriveerde de postbode. De man vocht zich dapper een weg door het metershoge puin in de straat om het rapport te bezorgen, dat de Voorzitter nu met zoveel instemming leest.

Behalve een likje verf en een extra spijkertje, pleit het rapport ook voor een ‘collectieve buffer’: een soort PUR-schuim dat in enorme hoeveelheid in alle stegen en spouwen moet worden gespoten, zodat de gebouwen elkaar nog steviger overeind zullen houden. Daarnaast stelt de Raad zogenaamde ‘solidariteitskringen’ voor. Het idee is om de dakpannen niet meer terug te leggen, maar een enorm grote paraplu te maken, die dan door een grote kring van jonge medewerkers over de daken kan worden gehouden.

Slim, denkt de Voorzitter. Jongeren zijn sterk.

Terwijl hij die gedachte formuleert, glijdt het gebouw nog twintig graden schever. De marmeren vloer zakt in en een zijmuur valt naar binnen. Grote bakstenen dalen op de Voorzitter neer. Nog net tijd voor één gedachte: “Niets aan de hand”, denkt hij. “Alles komt goed.”

 

 

(Feuilletons eerdere jaren: 20152014, 2013, 2012 en 2011

Het Raderwerk: meest gedeeld in 2016

Iedere zaterdag schrijf ik in het FD de rubriek Het Raderwerk. Het is een poging tot een analytische economische column, inclusief cijfers & grafieken. Onder het motto: eerst feiten, dan de mening.

Welk Raderwerk werd het meest gedeeld in 2016? Hier de top 5:

Op 5: Weg met globalisering! Weg met onszelf!
schermafbeelding-2016-12-31-om-15-18-07

Op plaats 4: Wen er maar aan: de hypotheekrente-aftrek wordt soberder
schermafbeelding-2016-12-31-om-15-33-05

En op 3: Er is wel degelijk grote schaarste op de arbeidsmarkt
schermafbeelding-2016-12-31-om-15-25-04

Op 2 (mijn persoonlijke favoriet):  Werken en studeren maakt niet gelukkig, dansen en vrijen wel.
schermafbeelding-2016-12-31-om-15-27-25

En op 1, het meest gedeelde Raderwerk van 2016: 
Zelfstandige ondernemers betalen niet te weinig, maar juist relatief veel belasting
schermafbeelding-2016-12-31-om-15-30-28

Weg met de decembertraditie! Koop dit jaar eens geen oudejaarslot

Volgens mensen die doodsbang zijn dat we binnenkort het woord ‘kerst’ niet meer mogen gebruiken, mogen we binnenkort het woord ‘kerst’ niet meer gebruiken. Alle andere mensen hebben geen idee waar zij het over hebben. Die vieren gewoon op Eerste Kerstdag de geboorte van de Heiland of het sterven van de kalkoen, naargelang de religieuze voorkeur. De vermeende ondergang van het kerstfeest is niet meer dan een politieke stunt van de zich op rechts verdringende splinterpartijtjes.

Maar dat wil niet zeggen dat alle decembertradities moeten blijven. Er is een vrij recente traditie, opgedrongen door een obscene combinatie van overheid en commercie, die wat mij betreft nog dit jaar mag eindigen: dat hele opgewonden gedoe over de oudejaarstrekking van de Staatsloterij. Om klokslag middernacht staren miljoenen Nederlanders naar een getallenreeks op een papiertje, terwijl ze hun familie en vrienden horen te omhelzen. Ze verkiezen hebzucht boven hartstocht.

Kansrekening
En waarom? Niet omdat ze echt kans maken op een miljoenenprijs. Ook niet omdat ze gelukkiger worden als ze zo’n prijs zouden winnen. Welnee, ze doen alleen maar mee omdat ze niet goed zijn in kansrekening en daarom het primitieve deel van hun hersenen laten beslissen over de aankoop van een lot. Leuke traditie is dat!

Vorig jaar rond deze tijd verbrandde ik op RTLZ demonstratief een staatslot, uit protest tegen de onzin van de oudejaarstrekking. Die actie heeft natuurlijk niets uitgehaald, daarom vandaag een tweede poging. U hebt de argumenten vast al eens gehoord. Maar omdat u toch steeds loten blijft kopen, hier vijf redenen waarom ik ook dit jaar geen oudejaarslot koop.

1. Ik win toch niet
De kans op een grote prijs is echt absurd klein. Er worden zoveel loten verkocht dat de kans dat ik op 31 december de hoofdprijs win slechts 0,000024% is. Of afgerond: de kans is nul. Ik win de hoofdprijs niet.

Maar iemand wint toch wel de 30 miljoen? Jazeker. De kans dat iemand wint, is maar liefst 100%! Maar de kans dat ik die iemand ben (of u) is afgerond nul. Een kleinere prijs dan? De Staatsloterij schermt graag met het feit dat meer dan de helft (51,2%) van de deelnemers een prijs wint. Maar in de meeste gevallen is het bedrag dan lager dan de prijs van het lot. Slechts 12% van de deelnemers verliest geen geld.

2. Ik wil niet gemanipuleerd worden
Loterijen adverteren graag met enorme prijzen van vele miljoenen, terwijl de meeste mensen ook al blij zouden zijn met een paar ton. De reden is dat mensen de piepkleine kansen op een hoofdprijs niet kunnen inschatten. In plaats van afronden op nul, ronden ze af op ‘misschien’. Misschien 30 miljoen is natuurlijk fijner dan misschien een paar ton. Loterijen maken hier gebruik van: als ze het totale prijzengeld verlagen (dus meer zelf houden), maar de hoofdprijs verhogen, kopen toch meer mensen een lot.

3. Ik heb irrationele neigingen
Er bestaat zoiets als een half lot. Dat is half zo duur, en als je wint krijg je de helft van de prijs. Mensen kopen soms liever twee halve loten, dan een heel lot, om zo hun kansen te spreiden. Ik zou zelf die neiging ook hebben, maar het slaat natuurlijk nergens op. Wil je nou een gokje wagen of niet? Alweer: onze hersenen laten ons in de steek. Mensen zijn slecht in kansrekening dus doorgronden het spel niet.

4. Ik betaal al genoeg belasting
Ruim een kwart van de omzet van de Staatsloterij stroomt de schatkist in: via een directe afdracht, via kansspelbelasting en via de vennootschapsbelasting. Meedoen betekent belasting betalen. Ik zie niet waarom ik de feestdagen zou moeten laten bederven door extra belasting te betalen.

5.Loterijen zorgen voor ongelijkheid
Arme mensen doen vaker mee aan loterijen dan rijke mensen en omdat de gemiddelde opbrengst van een lot negatief is (er wordt meer verloren dan gewonnen), vergroten loterijen zo de ongelijkheid. De Staatsloterij is vreemde degressieve belasting, binnen een verder progressief belastingstelsel.

Waanzin.

(eerder in FD)
(reactie loterij hier)
(lees ook: Niet gek)

Zelfs de meevallers vallen mee

Jeroen Dijsselbloem was er speciaal voor in een studiootje gekropen. Er stond een groot scherm met een grafiek. De minister van Financiën wilde het grote nieuws graag zelf brengen, en vertelde recht in de camera dat het begrotingstekort volgend jaar helemaal is weggewerkt. Swipend door de grafieken vertelde hij het succes van.. nou ja… van zijn eigen beleid.

Als journalist vind ik het natuurlijk jammer dat Dijsselbloem zich direct per zelfgemaakte video tot het volk richt. Alsof we het in de media niet al moeilijk genoeg hebben. Maar ik snap het ook wel. Jarenlang heeft Dijsselbloem moeten aanhoren dat hij de economie aan het kapot bezuinigen was en dat zijn contraproductieve beleid alleen maar tot nieuwe tegenvallers zou leiden. Je gelijk halen is twee keer zo leuk als je het recht in de camera kunt doen.

Het was dinsdag dus een echte feestdag voor Dijsselbloem. De nieuwe raming van het Centraal Planbureau (CPB) liet zien dat het met de Nederlandse economie veel beter gaat dan op Prinsjesdag nog werd gedacht. De groei trekt verder aan, de werkloosheid blijft dalen en het begrotingstekort smelt weg als sneeuw voor de zon. Zelfs de staatsschuld komt volgend jaar weer onder het Europese plafond van 60% van het bbp.

Dat zijn veel betere cijfers dan waar het CPB bij de start van dit kabinet nog van uit ging. In de doorrekening van het regeerakkoord uit 2012 werd voor 2017 nog een tekort van 1,6% verwacht. Het grootste deel daarvan (1,1%) kwam door de negatieve effect van de voorgenomen bezuinigingen en lastenverzwaringen. De staatsschuld zou daardoor in 2017 nog altijd op ruim 72% staan, dacht het CPB.

Het pakte allemaal veel beter uit dan gedacht. Dwars door de bezuinigingen heen begon de economie vanaf de lente van 2013 weer te groeien. Eerst voorzichtig, daarna sneller. Telkens ging het beter dan het CPB dacht. In zowel 2014, 2015 als 2016 groeide de economie een beduidend sneller dan de prognose van een jaar eerder. Het begon meevallers te regenen in Den Haag en zelfs de meevallers vielen telkens weer mee.

Maar er gebeurde ook een de financiële ramp. Eentje waar alle ministers van Financiën sinds Jelle Zijlstra ’s nachts nachtmerries over hebben gehad: de gaskraan ging dicht. De gasbaten halveerden in 2015 en nogmaals in 2016. De schatkist loopt nu structureel 7,5 miljard euro mis. Vroeger was dat genoeg voor een begrotingscrisis, maar nu werd het achteloos weggestreept tegen de meevallers. Knap gedaan.

Natuurlijk, het valt allemaal heus niet op het conto van Dijsselbloem te schrijven en een beetje columnist hoort vooral te wijzen op wat fout gaat. Maar vandaag even niet. Vandaag mag de minister shinen voor z’n eigen camera.

(FD)

De billen van Zimra

‘Dat is nou typisch een reactie van de mainstream media, dat je zegt: hoe zit het eigenlijk met de betaalbaarheid.’ Aan het woord is Sjuul Paradijs, tot anderhalf jaar geleden hoofdredacteur van De Telegraaf, de grootste krant van Nederland. Een verslaggever van Nieuwsuur vroeg hem of 50Plus, de partij die het zo goed doet in de peilingen, de kiezer niet wat al te veel beloofde, zonder degelijke financiële onderbouwing. Paradijs schreef mee aan het verkiezingsprogramma.

Dat was dus precies de verkeerde journalistieke vraag, wist de voormalig hoofdredacteur. Typisch mainstream media, om over de betaalbaarheid van politieke plannen te beginnen. Je moet in de politiek gewoon vertellen wat je wil, de problemen van de samenleving benoemen, legde hij uit. En vooral je plannen niet kapot laten rekenen door het Centraal Planbureau.

De AOW-leeftijd kan weer naar 65 jaar, koopkracht van gepensioneerden wordt hersteld, er komen structurele belastingverlagingen voor ouderen, de successiebelasting wordt helemaal afgeschaft, iedereen moet altijd een ton belastingvrij kunnen schenken, de vermogensbelasting gaat omlaag, het eigen risico in de zorg kan helemaal naar nul. En tegelijkertijd belooft 50Plus dat de staatsschuld netjes onder de 60% van het bbp zal uitkomen.

Wie vraagt of dat wel kan, wie wil weten of de mensen die op 50Plus stemmen misschien niet bedrogen uit gaan komen omdat de rekenkundige wetten van uitgaven en inkomsten zelfs voor Henk Krol gelden, die is zo’n foute journalist van de mainstream media.

Wat is dan wel een goede journalist, volgens Paradijs? Misschien dat we het antwoord op de website van zijn eigen mediabedrijf kunnen vinden. Paradijs is sinds kort ondernemer en zijn bedrijf draagt de hoopvolle naam Trusted Media. Uitgevers, bedrijven en instellingen helpen door creatieve en kwalitatieve journalistieke content te vervaardigen, dat is zijn missie. En goed nieuws voor journalisten die aan de politiek correcte beklemming van de mainstream media willen ontsnappen: Sjuul heeft werk voor jullie in de kwalitatieve journalistiek!

Freelancers met een journalistieke neus kunnen direct bij hem aan de slag om relevante nieuwsartikelen te plaatsen op de website van het op een na grootste familieblad van Nederland! Het gaat om Ditjes & Datjes, de prachtuitgave van supermarktconcern Dirk van den Broek. Voor de website willen ze graag meer creatieve kwaliteitsproducties als: ‘Zimra met nieuwe Billen’, ‘Yolanthe sexy in club’ en natuurlijk de succesrubriek: ‘Wat deden de bn’ers afgelopen week’.

Kijk, mainstream media, dat willen de mensen lezen! Geen zure stukjes over de betaalbaarheid van een lagere AOW-leeftijd of over de financiële onderbouwing van pensioenplannen. Maar lekker genieten van de nieuwe billen van ex-Playmate Zimra Geurts en dan gewoon met ogen dicht stemmen op de partij van die gezellige ome Henk. Neef Sjuul zegt dat het goed is.