Hysterisch landje

‘Sliertentikkertje’ zo noemden wij het vroeger op school. Een variant van tikkertje waarbij iedereen die wordt getikt, zich aansluit bij de sliert. Hand in hand vormen deelnemers een al langer wordende ketting, jagend op de al schaarser wordende prooi.

Het spel was vooral spannend voor kinderen aan de buitenkant. Zo maakten zij op een nogal confronterende manier kennis met het concept van de middelpuntvliedende kracht. Als de sliert een bocht nam, zwaaiden zij woest uit. Nietsvermoedende kleutertjes werden rücksichtslos omver geveegd en soms eindigde het spel met een pijnlijke botsing tegen een muur.

Waarom deze nostalgie? Omdat ik, toen ik  de nieuwe Nederlandse groeicijfers (2017 3e kwartaal) zag, meteen dacht: sliertentikkertje. Wij zijn het buitenste kind van de sliert. Als de Europese economie beweegt, vliegt Nederland de bocht uit. Toen het buitenland vertraagde, in 2011 en 2012, schoot Nederland direct in een recessie — de tandarts had er jaren werk aan. Nu de Europese economie herstelt, schiet Nederland uit de startblokken. Het buitenland houdt ons handje stevig vast, en slingert ons het schoolplein rond.

Onze economie groeide in het derde kwartaal met 3% op jaarbasis. Dat was iets minder dan een kwartaal eerder, zegt de kniesoor. Maar 3% is gewoon erg goed. Het was weer vooral de export die de economie vaart gaf. Maar de groeiende export maakt ook dat bedrijven weer investeren, terwijl de snel gestegen werkgelegenheid de consument zowel het geld als de moed geeft om meer uit te geven. Als het goed gaat in Nederland, dan gaat het meteen ook erg goed.

Dat is fijn in goede tijden, als Nederland zich gillend van pret laat meevoeren. Maar vroeg of laat verandert de sliert van richting, en knallen we weer tegen de muur. Daar zouden we in de huidige goede tijden iets aan moeten doen.

Maar wat? We zijn nu eenmaal een open economie en worden altijd meegesleurd door het buitenland. Grenzen sluiten voor een meer stabiele conjunctuur is onzin. Wat we wel kunnen doen is de interne dynamiek minder hysterisch maken.

Onze huizen- en hypotheekmarkt versterken nu de conjunctuur, omdat huiseigenaren zoveel lenen dat ze bij iedere daling van de huizenprijs of stijging van de rente, direct gaan bezuinigen. Het pensioenstelsel maakt de economie volatiel omdat daling van beurskoersen en rente leiden tot lagere uitkeringen en hogere premies. De overheid, ten slotte, bezuinigt in slechte tijden en gaat flink uitgeven als ‘het geld tegen de plinten klotst’.

In het regeerakkoord staan impopulaire maatregelen, zoals verlaging van de hypotheekrenteaftrek en hervorming van het pensioen, terwijl de nieuwe minister van Financiën belooft vooral op de rem te gaan staan.

Voordat u daar boos over wordt, denk dan aan dat buitenste kind in de sliert. En aan die stenen muur.

In Amsterdam staat de huizenmarkt in brand, maar Nederland is nog lang niet terug in 2008

Hoeveel huizen mag een prins bezitten? Liever niet al te veel, zo lijkt het. Het tijdperk van regenten en koningen ligt ver achter ons. We bouwen geen paleizen meer en geen buitenplaatsen. Een prins van koninklijken bloede met vastgoedambities is daarom al snel verdacht.

Dat merkte prins Bernhard van Oranje-Nassau, Van Vollenhoven vorige week. Het Parool had een inventarisatie gemaakt van de grootste beleggers op de Amsterdamse woningmarkt en de prins viel op in de top van die lijst – naast bijvoorbeeld media-ondernemer Reinout Oerlemans. Maar liefst 102 pandjes bezit prins Bernhard, die zijn geld verdient als ICT-ondernemer.

Half Mokum viel over de prins heen. Beleggers als hij zouden particulieren uit de markt drukken. De sociale cohesie in buurten zou verdwijnen. SP-Wethouder Laurens Ivens, sprak over ‘heel ongewenste effecten’.

Schermafbeelding 2017-11-21 om 09.53.44

Opmerkelijk, want de woningen van prins Bernhard, Oerlemans en al die andere beleggers staan natuurlijk niet leeg. Ze worden verhuurd aan mensen die graag in de stad wonen, maar om de een of andere reden niet willen of kunnen kopen. Amsterdam is kampioen sociale woningbouw; het hogere segment, voor mensen met een hoger inkomen, wordt aan de de markt overgelaten. Maar als de markt dan levert, in de vorm van beleggers die wel brood zien in Amsterdams vastgoed, is de wereld te klein. Dan ‘drijven rijke beleggers de prijzen op’. Alsof kopende particulieren meer recht hebben op woonruimte binnen de ring dan hurende particulieren.

Het zal wel komen door de overspannen situatie op de Amsterdamse woningmarkt, dat men zo ongenuanceerd reageert. De prijzen zijn omhooggeschoten en de koophuizen raken op. Dat maakt nerveus. Amsterdamse huizen zijn alweer een stuk duurder dan voor de crisis. En omdat de stad heeft verzuimd flink bij te bouwen, lijkt het einde van de schaarste niet in zicht.

Wie naar Amsterdam kijkt, zou de indruk kunnen krijgen dat in Nederland de gekte op de huizenmarkt weer helemaal terug is. Maar dat is niet het geval. Ondanks berichten als ‘Verblinde huizenkopers’ (Telegraaf) en ‘Overwaarde weer ingezet, net als voor de crisis’ (Volkskrant), is de huizenmarkt nog lang niet terug in 2008.

Een paar cijfers om dat te laten zien: de huizenprijsindex van het CBS stond in september nog 4,5% onder het niveau van september 2008. Rekening houdend met inflatie (een euro was in 2008 immers meer waard dan nu), zijn de huizen nu zelfs bijna 15% goedkoper. In 2008 zat de sleet er ook duidelijk op. De prijzen waren zo hoog, en het aanbod zo schaars, dat er nog maar weinig woningen werden verkocht. In het derde kwartaal van 2008, na drie jaar van verkoopdalingen, slechts 48.000. Nu boekt het aantal verkochte woningen juist record op record en kwam aan het eind van de zomer uit op ruim 61.000. Er zit duidelijk nog gezonde beweging in de markt.

Een ander belangrijk verschil met 2008: huizen zijn gemiddeld nog steeds prima betaalbaar. Door de lage rente is de gemiddelde huizenkoper met een aflossingsvrije hypotheek nog geen 15% van zijn of haar netto-inkomen aan maandlasten kwijt, rekende onderzoeksbureau Calcasa uit. In 2008 was dat ruim het dubbele. Voor de tegenwoordig meer relevante annuïteitenhypotheek is dat 27% van het netto-inkomen nu, tegen 41% in 2008. Huizen zijn duur, maar toch betaalbaar.

Ook in Amsterdam? Nee, daar zijn de prijzen wel degelijk zo hoog dat de betaalbaarheid in het gedrang komt. Maar in andere delen van Nederland gaat het veel langzamer. Om dat te illustreren keek ik naar het verschil in de mediane huizenprijs in Amsterdam en (Noord-)Drenthe. De mediane Amsterdamse koopwoning is nu 78% duurder dan die in Drenthe. In 2008 was dat verschil slechts 26%. De overspannen huizenmarkt is nu dus eerder een lokaal dan een nationaal verschijnsel.

Misschien is dat ook de oplossing voor prins Bernhard. Investeer ook eens wat in de provincie, daar ziet men het geld graag komen. In het Drentse Oranjedorp bijvoorbeeld, vlak bij Emmen. Daar staan nog vier zeer betaalbare pandjes te koop.

(FD)

Nederlandse industrie euforisch over orderpositie. Op zoek naar harde stukjes in een zachte indicator

Voor de een zijn het de liedjes van de jonge Gerard Joling, voor de ander alle afleveringen van ‘Say yes to the dress’ van tv-zender TLC, iedereen heeft zo zijn eigen ‘guilty pleasures’, gênante pleziertjes die eigenlijk niet kunnen, maar waar we toch stiekem van genieten. En de econoom, wat is zijn heimelijke genoegen? Die van mij maak ik met gepaste schaamte openbaar: mijn guilty pleasure is de zachte indicator.

Ik heb het dan over macro-economische informatie, die niet voortkomt uit harde metingen van onbetwistbare feiten, maar gebaseerd is op gevoelens en vage inschattingen. Het consumentenvertrouwen, bijvoorbeeld, het gemiddelde saldo van positieve en negatieve antwoorden van Nederlandse consumenten op een aantal vragen over de economisch situatie en de eigen financiële. Ik ken eerlijk gezegd geen onderzoek waaruit blijkt dat deze zachte indicator een puike voorspeller is van de daadwerkelijke consumptie, maar toch veer ik iedere maand op als het CBS weer een nieuwe aflevering van dit boeiende feuilleton publiceert. Gaat het vertrouwen omhoog, dan krijgt de econoom een kleine dopaminekick. Gaat het omlaag, dan voelt het als een teleurstelling.

Smakelijke harde stukjes

Zachte indicatoren geven hoogstens een richting aan, maar zijn vrij onbetrouwbaar als echte voorspellers. Die stelling baseer ik niet op diepgravend onderzoek, maar op ervaring. Het is mijn persoonlijke ‘zachte’ conclusie. Dat gezegd hebbende: vaak zit er toch interessante informatie verstopt in de indicatoren. Als je niet naar de algemene index kijkt, maar naar de antwoorden op de afzonderlijke vragen, zijn er wel degelijk smakelijke harde stukjes te ontdekken.

Een deel van het consumentenvertrouwen wordt bepaald door antwoorden over de algemene economische situatie. Alsof de gemiddelde Nederlander zich daar eenvoudig een goed beeld van kan vormen. Maar van de eigen bankrekening weet een consument wel veel. De antwoorden op vragen over de eigen financiële situatie zijn in die zin wel degelijk harde info.

Orderposities

Hetzelfde geldt voor het producentenvertrouwen, de maandelijkse CBS-indicator die de stemming in de industrie meet. Deze indicator kwam in oktober uit op 8,2. Dat is net wat lager dan een maand eerder, maar wel flink boven het meerjarige gemiddelde. De interessante informatie zit echter verscholen achter dit geaggregeerde cijfer. Want het producentenvertrouwen is vooral zo hoog, omdat de deelindicator over de orderpositie het buitengewoon goed doet. Het oordeel daarover staat met 13,9 op de hoogste stand sinds eind 2007. De afgelopen twintig jaar waren er maar een handvol maanden waarin de industrie nog contenter was met de eigen orderportefeuille.

Schermafbeelding 2017-11-16 om 10.28.20 Schermafbeelding 2017-11-16 om 10.29.02

De orderpositie is typisch zo’n hard stukje in de zachte indicator: hoe het met het aantal orders staat, weet de ondernemer zelf het beste. Daarom voelt een hoog producentenvertrouwen beter als het door tevredenheid over het aantal orders komt, dan door bijvoorbeeld de verwachte bedrijvigheid in de komende maanden.

Feest bij de bouw

We kunnen nog een stap dieper graven in de indicator. Zijn alle sectoren tevreden over de orders, of wordt dit positieve oordeel beïnvloed door euforie in een enkele sector? Uit de cijfers blijkt het laatste. Vooral in de conjunctuurgevoelige sector hout- en bouwmaterialen zijn ze opgetogen. Nu de woningmarkt weer lekker richting hysterie gaat, aangemoedigd door een gulle ECB, is het feest bij producenten van bouwmaterialen. In de elektrotechnische industrie, bij de raffinaderijen en chemische bedrijven en vooral in de voedingsindustrie is men een stuk minder opgetogen over de orderportefeuille. Niet negatief, want ook die sectoren voelen de conjuncturele meewind, maar ze zijn minder euforisch dan de bouw.

De vorige keer dat het producentenvertrouwen op een hoogtepunt stond, in juni 2006, was het optimisme over de orders veel gelijkmatiger verdeeld. Toen waren alle industrieën bovengemiddeld enthousiast. Dat zegt misschien iets over de kracht van het huidige herstel: toch eerder op de vleugels van het rentebeleid van de ECB, dan echt op basis van breed, intern gedreven optimisme?

Of trek ik nu te makkelijk conclusies uit een paar toevallige cijfers? Zou goed kunnen, want ook dat is een guilty pleasure van veel economen.

(FD)

Moet u nu bitcoins kopen?

Je kunt een doorwrocht verhaal houden over waarderingen van aandelen, over de kans op een crash van de obligatiemarkt en over de gecompliceerde relatie tussen centrale banken en de beurs. Na afloop hebben de luisterende beleggers toch maar één vraag: moet ik nu bitcoins kopen?

Lange tijd was mijn antwoord dan: natuurlijk niet! Je bent toch niet gek? Maar nu de koers record op record boekt, heb ik een nieuw antwoord. Wil je van mij horen of je bitcoins moet kopen? Doe het dan vooral. Want als je het type belegger bent dat denkt dat het zinvol is om een loslopende econoom om gouden beleggingstips te vragen, dan ben je ook precies het type om mee te doen met de bitcoin-hype.

Ander verhaal

‘Een echte belegging geeft een stroom van echt rendement, heeft een prijs die niet onberekenbaar volatiel is, en is op een of andere manier gekoppeld aan een onderliggende waarde’

Verkoop al je ‘olies’ en ‘flippen’, en stap vol in cryptogeld, voor het ritje van de eeuw. Een enkele bitcoin is inmiddels €5.400 waard. Dat is ruim vijf keer zoveel als begin dit jaar. De trein rijdt weg, spring er snel op of heb de rest van je leven spijt.

Dat is dus mijn antwoord aan de speculant met bitcoin-tekens in zijn ogen. Voor u, de verstandige lange-termijnbelegger, wars van speculatieve posities, heb ik een ander verhaal. Loop met een grote boog om de cryptomunten heen. U mist misschien het ritje omhoog, maar doet dat in het rustgevende besef dat u een belegger bent, en geen speculant.

Want de bitcoin is geen belegging. Een echte belegging geeft een stroom van echt rendement (rente, dividend, huur), heeft een prijs die niet onberekenbaar volatiel is, en is op een of andere manier gekoppeld aan een onderliggende waarde. De bitcoin heeft geen ander rendement dan koersstijging, beweegt veel te wild om een belegging genoemd te kunnen worden en heeft geen onderliggende waarde.

Eén bitcoin-transactie kost aan elektriciteit zoveel als een gezin in pakweg drie weken gebruikt. Als het ooit een veelgebruikt betaalmiddel wordt, dan pas na de uitvinding van gratis energie’

Maar het is toch een betaalmiddel? Je kunt er iets van kopen, dus is dat dan niet de onderliggende waarde? Welnee. Ook als betaalmiddel voldoet de cryptomunt niet. Stabiele koopkracht en lage transactiekosten, dat is wat je verwacht van een betaalmiddel. Vanwege de wilde koersfluctuaties kan de koopkracht van de bitcoin elke dag totaal anders zijn en een transactie in bitcoin is duur in directe transactiekosten, in tijd, maar vooral in energie. Eén bitcoin-transactie kost aan elektriciteit zoveel als een gezin in zo’n drie weken verbruikt. Als het ooit een veelgebruikt betaalmiddel wordt, dan pas na de uitvinding van gratis energie.

Wordt het dan nooit wat met die cryptomunten? Dat zeg ik niet. Wie weet betalen we ooit allemaal met decentraal elektronisch geld. Als econoom verheug ik mij op een toekomst waarin het overheidsmonopolie op geld is doorbroken. Maar dat wil nog niet zeggen dat ik met mijn pensioengeld op zo’n toekomst ga gokken. Ik ben toch niet gek?

(FD)

Streven naar geluk is prachtig, behalve als de overheid dat voor ons gaat doen

Eens in de drie jaar looft het Nederlandse Pierson Fonds de Pierson Penning uit. Dit is – met een beetje overdrijving – de Nederlandse Nobelprijs voor de Economie en werd eerder gewonnen door illustere economen als Jan Tinbergen, Jan Pen en Arnold Heertje. Dit jaar gaat de prijs naar Arie Kapteyn en Bernard van Praag (gefeliciteerd, heren!), voor hun onderzoek naar de meting van welzijn. Kapteyn en Van Praag waren misschien wel ’s werelds eerste ‘gelukseconomen’.

Het voert te ver om hun werk hier te bespreken. Op de website www.mejudice.nl staat een mooie samenvatting. Waar het mij om gaat, is dat hun huldiging perfect past in de tijdgeest. Want geluk is in. Gelukkig zijn, dat is waar we het allemaal voor doen.

 

Daarom lezen we de Happinez, stemmen we op een politicus die ‘economisme’ wil uitbannen en worden we enthousiast als onderzoekers het bruto binnenlands product vervangen door een ‘Brede Welvaartsindicator’. En als – zoals deze week – uit die indicator blijkt dat mensen in Assen veel beter af zijn dan in Amsterdam, knikken we instemmend: ‘Inderdaad, echt gelukkig word je pas in Assen’, om vervolgens toch maar een half miljoen te bieden op een kleine etage in het centrum van Amsterdam.

Wethouder voor Geluk

Geluk, we zijn er gek op. Jeroen Smit en Hans Sibbel trekken volle zalen met hun theatershow over het ‘Bruto Binnenlands Geluk’. Weg met al die spullen, laten we nu eindelijk gaan genieten van het leven. De gemeente Schagen heeft inmiddels zelfs een Wethouder Geluk benoemd, die het welbevinden van de West-Friese bevolking moet bevorderen.

En daar gaat het volgens mij fout. Het is prima om waar te nemen dat mensen streven naar een gelukkig leven, het is heel wat anders om dat uitgangspunt van beleid te maken. Neem de bijgaande grafiek. Daarin staan de resultaten van de halfjaarlijkse ‘geluksmeting’ in de Europese Unie. Aan burgers wordt gevraagd hoe tevreden ze zijn met hun leven. Te zien is dat de Denen het meest tevreden zijn, gevolgd door (jawel) Nederlanders en Zweden. Italianen zijn het ontevredenst.

Maar wat meet je eigenlijk als we mensen vragen naar hun ‘tevredenheid’? Misschien wel vooral verschillen in taal en cultuur. Wie weet zeggen Denen dat ze erg ‘tilfreds’ zijn bij een voortkabbelend gevoel van voldoening, terwijl een Italiaan pas zegt dat hij ‘soddisfatto’ is, als hij iedere dag chianti drinkend en parmaham etend in de Toscaanse zon kan liggen. Tevredenheid (geluk) is per definitie subjectief.

Subsidie voor levensgenieter?

Dat is de eerste reden waarom ik denk dat sturen op geluk onverstandig is. Maar er is nog een belangrijker bezwaar: hoe voer je beleid gericht op tevredenheid en geluk? Door iedereen zo gelukkig mogelijk te maken? Zo simpel is het niet. Economisch beleid gaat over keuzes maken, over herverdelen. Geluksbeleid zou dus de beperkte middelen zo moeten inzetten dat het binnenlands geluk maximaal is, door ze terecht te laten komen bij mensen die echt genieten van consumptie en dus goed zijn in het produceren van geluk. De levensgenieter krijgt subsidie, de zwartkijker een belastingaanslag. Onzin natuurlijk, maar wel de logische consequentie van beleid gericht op maximaal geluk.

Dergelijk beleid zou in Europa zelfs tot een subsidiestroom van zuid naar noord moeten leiden. Want nieuw onderzoek suggereert dat de Denen niet gelukkiger zijn dan de Italianen omdat ze hun zaakjes beter voor elkaar hebben, maar omdat ze daadwerkelijk beter zijn in het produceren van tevredenheid. In het prestigieuze wetenschappelijke tijdschrift Economic Journal verscheen dit jaar een opzienbarend artikel waarin tevredenheid wordt gelinkt aan een bepaalde genmutatie die in Denemarken veel voorkomt. Naarmate een bevolking genetisch meer lijkt op die van Denemarken, zijn de mensen gelukkiger, blijkt uit het onderzoek. Denen (en in mindere mate Nederlanders) zijn tevreden omdat ze betere geluksmachines zijn en dat is genetisch bepaald.

In zo’n wereld moet de overheid nooit proberen het totale geluk te maximaliseren. Burgers zoveel mogelijk een gelijke kans geven op het nastreven van hun eigen geluk, is het hoogst haalbare. Gelukkig maar.

Ongezonde btw

Waar ga je heen als je een vraag hebt over je zieke kind? Naar de kinderarts natuurlijk! En naar wie ga je toe als je een vraag hebt over het effect van prijzen op de consumptie van huishoudens? Ook naar de kinderarts!

Want kinderartsen snappen precies hoe het werkt met prijs en vraag: als iets duurder wordt, dan koop je er minder van. Daarom is kinderarts Koen Joosten van het Erasmus MC ook zo boos over de verhoging van het lage btw-tarief van 6 naar 9%. Staand voor een frisse groentekraam stelde hij op RTL Nieuws: ‘Dit ontmoedigt mensen om groente en fruit te eten.’

Geen misverstand, Joosten heeft mijn sympathie. De arts roept ons al jaren op om meer groente en fruit te eten, omdat we er bijna allemaal te weinig van consumeren. Een mooie strijd, en ik beloof vanavond extra broccoli op te scheppen.

Maar de angst dat het hogere btw-tarief mensen zal wegjagen van de groentekraam is mijns inziens ongegrond. Want waar moeten ze heen? Naar de kaaskraam ernaast? Daar gaat de btw op een pondje jong belegen ook omhoog. Naar de snoepkraam aan de overkant? Nee, want daar stijgen de prijzen ook met 2,8 procentpunt. Terzijde: ja, de btw-verhoging levert geen 3 procentpunt, maar 2,8 procentpunt hogere prijzen op – als de verhogingen al geheel worden doorberekend.

Alle voeding wordt duurder, ook het ongezonde eten. Een rekenvoorbeeld. Bij een grote Nederlandse supermarkt betaal je voor een Elstar zo’n 20 cent. Na de btw-verhoging wordt dat 0,56 cent meer. Laten we de appels nu liggen, en krijgen onze kinderen voortaan een zakje paprikachips als snack? Nou nee, zo’n ‘uitdeelzakje’ zakje kost €3,09 per 15 stuks, dus ook zo’n 20 cent per stuk. Ieder zakje wordt straks dus ook ruim een halve cent duurder. Er is geen reden om een appel te substitueren voor een zakje chips.

In theorie zou je de appel wel kunnen inruilen voor een product met 21% btw, dat niet in prijs stijgt. Een fles jenever, bijvoorbeeld, een koffiezetapparaat, of een nieuwe auto. Maar het is niet te verwachten dat de prijs van groente en fruit invloed heeft op de consumptie van dergelijke zaken. In economentaal: de kruislingse prijselasticiteit is zo goed als nul.

We geven ook meer geld uit aan ongezond eten dan aan groente en fruit. Volgens het CBS besteedt een gemiddeld huishouden ongeveer 1,1% van het budget aan verse groente en vers fruit. Aan snoep, ijs, frisdrank en sap geven we 1,3% uit. Aan vlees zelfs 2,2%. Dus als er al een effect op consumptie is – wat ik sterk betwijfel – dan gaan wij ook minder ongezonde dingen eten en drinken. Is dat goed voor de gezondheid? Vraag het een arts.

Nederlandse woningmarkt: niet bijbouwen als de huizenprijs stijgt, wel een bouwstop bij prijsdalingen

De Amsterdamse huizenwinkel Binnen De Ring sluit de deuren. Niet omdat de winkel een flop zou zijn. Integendeel, het is een klapper vanjewelste. De klanten kwamen massaal af op het unieke huizenaanbod van Binnen De Ring, en de uitbater kon de prijzen van zijn producten dan ook dagelijks fors verhogen. Maar nu is het feest voorbij. Wegens te veel succes. Alles is uitverkocht. De plank is leeg, de voorraad is op en pas in de heel verre toekomst komt er misschien weer een kleine levering.

Sinds het dieptepunt van de huizencrisis eind 2013 zijn de huizenprijzen in Amsterdam met ruim 53% gestegen. Ter vergelijking: in Utrecht kwam er in dezelfde periode 35% bij, in Den Haag en Rotterdam zo’n 30%. Niets was de afgelopen jaren zo gewild als een pandje in Mokum, en dan het liefst binnen de ringweg A10. Maar terwijl de vraag naar koopwoningen enorm aantrok, droogde het aanbod op. In het afgelopen kwartaal daalde daardoor het aantal verkochte Amsterdamse woningen fors. Er gingen in het derde kwartaal ruim 12% minder woningen van de hand dan een jaar eerder.

Een markt met stijgende prijzen en een dalend aantal transacties, dat duidt op een gebrek aan aanbod. Normaal wordt dat door de markt zelf gecorrigeerd, omdat de hoge prijs de productie aanjaagt. Maar op de woningmarkt werkt het helaas niet zo. Niet in Amsterdam, maar ook niet in de rest van Nederland.

Het woningaanbod krijgt niet de kans om te reageren op prijsstijgingen, want het aantal nieuwe woningen wordt niet bepaald door de markt, maar door de bureaucratie. Bestemmingsplannen, nota’s over ruimtelijke ordening, woningmarktvisies, inspraakrondes, provinciaals en gemeentelijk hobbyisme, de drang om via de woningmarkt aan inkomenspolitiek te doen; de ambtelijke en politieke bemoeienis met de vaderlandse woningmarkt kent geen grenzen. Uiteraard meestal (maar heus niet altijd) met goede bedoelingen en gedacht vanuit het maatschappelijk belang, maar het zorgt er wel voor dat het woningaanbod is losgetrild van de vraag. Het logische gevolg: wilde bewegingen van de prijs van koophuizen, omdat als het aanbod niet reageert op stijgende vraag (bijvoorbeeld vanwege lage hypotheekrente), de prijs al het werk moet doen.

Schermafbeelding 2017-10-31 om 10.16.09

In augustus publiceerde het Centraal Planbureau (CPB) een studie waarin de ongevoeligheid van het Nederlandse woningaanbod voor prijsveranderingen wordt geanalyseerd. De onderzoekers vonden dat het aanbod van nieuwe woningen in Nederland over het algemeen inderdaad nauwelijks wordt bepaald door de prijs (en dus ook niet door de vraag naar woningen). Maar soms is de relatie tussen prijs en aanbod er juist wel. In de woorden van het CPB: ‘De aanbodelasticiteit is geen statisch gegeven, maar hangt sterk af van de tijdsperiode.Neem de periode tussen 1995 en 2003. Dat zijn de jaren waarin de huizenprijzen in Nederland zeer snel stegen, soms wel met meer dan 15% op jaarbasis. In Amsterdam in 1999 zelfs met bijna 30%. Gelijktijdig is het de periode waarin het aanbod van nieuwe woningen (gemeten met behulp van uitgegeven bouwvergunningen) juist flink daalde. De hoge prijzen lokten dus geen nieuw aanbod uit. Integendeel.

Tussen 2003 en 2008 vlakte de stijging van de huizenprijs af naar gemiddeld zo’n 4%. Nieuwbouw maakte in die periode juist een forse inhaalslag. Weer was er geen duidelijk verband tussen prijs en aanbod. Zo’n verband was er juist wel toen de huizenprijzen instortten, kort na het begin van de kredietcrisis in 2008. Die daling zou zo’n vijf jaar duren en in die periode daalde de nieuwbouw met bijna driekwart. Blijkbaar reageert het aanbod in Nederland nauwelijks op prijsstijgingen, maar juist wel op prijsdalingen.

Het is in Nederland gemakkelijker bestaande nieuwbouwplannen uit of af te stellen, dan nieuwe plannen op te starten. Toen de prijzen weer gingen stijgen in 2014, nam de nieuwbouw weliswaar ook weer wat toe, maar dat kwam waarschijnlijk doordat stilgelegde projecten die al door het proces heen waren, weer werden opgestart. Inmiddels groeit de nieuwbouw al niet meer. Het bordje ‘alles uitverkocht’ kan aan de winkeldeur blijven hangen.

Lage btw omhoog

Hoe weet je dat de oppositie het moeilijk heeft? Als volksvertegenwoordigers een handtekeningenactie organiseren onder de bevolking. Dat is toch een beetje alsof soldaten aan de burgers verzoeken om de geweren te laden. Of de brandweer die aan alle jongetjes vraagt om het vuur uit te plassen. Want hadden we niet net verkiezingen gehouden, waarbij we 150 vertegenwoordigers van het volk uitkozen? Zij moeten de komende vier jaar de strijd aangaan in de Tweede Kamer, op basis van hun eigen argumenten. Direct weer de deuren langsgaan met een handtekeningenlijst, is een tikkeltje armoedig.

Toch is dat precies wat de linkse oppositie doet. Of we allemaal even naar www.geenbtwverhoging.nl willen gaan om onze naam en e-mailadres in te typen en zo te protesteren tegen de verhoging van het lage btw-tarief van 6% naar 9%. Dan kunnen GroenLinks, SP en PvdA daar straks de nieuwe minister van Financiën mee om de oren slaan, met het verzoek aan de minister om het bescheiden aantal Kamerzetels van links te negeren, maar vooral op de enorme doos met handtekeningen te letten.

‘Je kunt helemaal niet zeggen dat de btw-verhoging wordt gebruikt voor verlaging van de winstbelasting’

O ja, en luister ook vooral niet naar de inhoudelijke argumenten tegen de verhoging van het lage btw-tarief. Dat is namelijk nogal armoedig. Het nieuwe kabinet wil de btw verhogen op dagelijkse boodschappen, maar tegelijkertijd verlaagt ze de winstbelasting voor grote bedrijven. Dat is natuurlijk een schande, vinden de handtekeningenjagers. Ik zag op internet een komisch filmpje waarin een in keurig pak geklede acteur — type zakenman — winkels ingaat om ‘gewone mensen’ te bedanken voor het fiscale douceurtje.

Het is een bedroevend zwakke redenering. Je kunt tegen btw-verhoging zijn. Je kunt ook tegen lagere winstbelasting zijn. Maar doen alsof deze twee zaken onverbiddelijk met elkaar verbonden zijn, is onzin. Zo werkt de Rijksbegroting niet. Je kunt helemaal niet zeggen dat de btw-verhoging wordt gebruikt voor verlaging van de winstbelasting.

Op die manier geredeneerd: misschien wordt de opbrengst van het 9%-tarief wel gebruikt voor het stabiel houden van het eigen risico in de zorg. Of voor de salarisverhoging van leraren in het basisonderwijs. Misschien gaat het wel naar de politie, want die krijgen er ook honderden miljoenen bij. ‘Lagere btw, want we hebben nu te veel blauw op straat’, met die slogan krijg je niet veel handtekeningen binnen.

Als de btw-verhoging al aan een specifiek doel valt te verbinden, dan is dat aan verlaging van de loon- en inkomstenbelasting. Voor zo’n verschuiving van lasten pleiten economen al jaren, omdat daardoor de werking van de arbeidsmarkt wordt bevorderd. Het is ook precies het argument dat in het regeerakkoord te lezen valt.

Wie z’n handtekening zet tegen hogere btw, tekent dus niet voor hogere belasting voor bedrijven, maar voor hogere belasting voor werknemers.

(FD)

Eindelijk: overheid erkent dat zzp’ers verschillend zijn en dus niet gelijk moeten worden behandeld

‘Waarom lekt er niets?’ Dat vroeg ik me vorige maand in het FD af. Ik maakte me zorgen, want misschien lekte er wel zo weinig uit de formatie, omdat er gewoon weinig werd besloten. Mijn angstbeeld: misschien schrijft Gerrit Zalm onder ieder afgehamerd agendapunt het zinnetje: ‘Partijen spreken af dat alles bij het oude blijft’.

Ik zat er dus helemaal naast. Nu het coalitieakkoord openbaar is (na een laatste week met een stortvloed aan gelekte plannen), is één ding duidelijk: Rutte III wil, net als Rutte II, een echt hervormingskabinet worden. Zorg, arbeidsmarkt, hypotheken, het belastingstelsel, overal gaat de bezem door. Of al die hervormingen vanuit economisch oogpunt wel zo nuttig en haalbaar zijn, daar gaan we het de komende jaren vast nog veel over hebben. Vandaag licht ik er graag een opvallende verandering uit: de nieuwe manier waarop het kabinet naar de zzp’er wil gaan kijken. Men erkent eindelijk dat ‘de zzp’er’ niet bestaat, en dat de regelgeving dus ook niet voor iedere zelfstandige hetzelfde moet zijn.

‘Een inkomensgrens, waaronder iemand geen zzp’er mag zijn, is in elk geval een goed idee.’

Lange tijd sloot men de ogen voor dat feit. Nieuwe zzp-regels, zoals de Wet DBA, werden over alle zzp’ers tegelijk uitgerold. Om de uitgebuite ‘zelfstandige’ schoonmaker aan de onderkant van de arbeidsmarkt te helpen, moesten aan de bovenkant alle dure consultants en ICT’ers door een onmogelijk hoepeltje springen. Rampzalig.

Dat wil Rutte III anders doen. De wetgever gaat onderscheid maken tussen (in mijn woorden) zelfredzame en niet-zelfredzame zzp’ers. De indicator waarmee dat onderscheid wordt gemaakt, is het bruto-uurtarief van de zelfstandige. Inkomen bepaalt dus of je op de arbeidsmarkt geholpen wordt door het juridische systeem, of dat je prima voor jezelf kunt zorgen. Inkomen is mijns inziens een prima criterium. Dat vind ik al langer dan vandaag.

(Pas op: hieronder volgt een alinea met zelffelicitaties, dus deze kunt u zonder problemen overslaan.) In 2006 schreef ik een boek over de Nederlandse economie, waarin ik pleitte voor een ‘Club van 40 mille’. Mijn idee was: stel arbitrair een inkomensgrens voor bescherming op de arbeidsmarkt; bijvoorbeeld €40.000 bruto per jaar. Wie meer verdient, is automatisch een zelfstandig ondernemer, en kan geen beroep meer doen op de arbeidsrechten die voor zwakkeren op de arbeidsmarkt zijn bedoeld. Wie eronder zit, is automatisch werknemer, bij voorkeur met een (behoorlijk) vast contract. Misschien een te extreem idee? Zou kunnen, maar het principe wordt door het nieuwe kabinet wel voor zzp’ers ingevoerd.

De grens zou volgens het coalitieakkoord komen te liggen bij een uurtarief van €18. Wie daaronder zit, kan in principe geen (B2B-) zzp’er zijn en opdrachtgevers worden werkgever. Bij een werkweek van 38 uur en 46 weken per jaar, komt deze grens neer op bijna €31.500. Dat is omzet, dus het inkomen zal lager zijn, want van die omzet moeten de bedrijfskosten nog af.

DMFQ1lVXcAI37tZ
Welke zzp’ers rekenen nu minder dan €18? En hoeveel zijn dat er? Daarover is weinig bekend. Het CBS heeft deze cijfers niet, en dat is logisch, want zzp’ers werken vaak per opdracht of op stukbasis, dus denken zelf niet eens in uurtarieven.

De (wetenschappelijke) stichting Loonwijzer.nl heeft echter wel schattingen van minimum- en maximumtarieven, op basis van de antwoorden van tienduizenden zelfstandigen. Daaruit blijkt dat in de schoonmaak- en kappersbranche geen plaats meer zal zijn voor zzp’ers. Zelfs hun maximale tarief zit nog onder de €18. In de zorg, bouw en journalistiek kunnen zzp’ers wel blijven werken. Zij zullen dan volgens de nieuwe regels wel een ‘opdrachtverklaring’ moeten invullen, samen met de opdrachtgever, om schijnzelfstandigheid te voorkomen. Hoe die er precies uit gaat zien, is nog niet duidelijk.

Wie meer dan €75 per uur kan factureren (juristen, consultants en veel ICT’ers) hoeft geen opdrachtverklaring op te stellen. Wie zoveel verdient, krijgt z’n eigen ‘club’ en heeft geen overheidsbescherming nodig, redeneert het nieuwe kabinet. Het wordt natuurlijk spannend of deze nieuwe regels in de praktijk ook echt gaan werken, maar het principe is in elk geval logisch.

(FD)

Lage btw, en wel hierom niet

De afgelopen jaren heb ik een aantal keer geschreven over de zin en onzin van het lage btw-tarief. Nu het nieuwe kabinet het (eindelijk) aandurft om het lage tarief te verhogen, de oppositie daartegen te hoop loopt, en zelfs Katja Schuurman en Giel Beelen zich in deze fiscale discussie mengen, zet ik deze artikelen en columns graag nog eens op een rij:

BTW: Belasting Toegevoegde Waanzin (Z24, 2011)

Rijken profiteren het meest van het lage btw-tarief (FD, 2015)

Dadendrang (FD, 2016)

Let op: de overheid wil dat u een kleurboek koopt, en geen plakboek (FD, 2016)

Schaf het lage btw-tarief af! (FD, 2017)

Lage btw omhoog (FD, 2017)

Nog een laatste opmerking over de redenering dat een verhoging van het lage tarief  “groente en fruit duurder maakt”. De btw-verhoging geldt net zo goed voor snoep, koek, kauwgum, slagroomtaarten, suikerspinnen, karbonades uit de bio-industrie, plofkippen, energydrankjes, gummybeertjes,  hamburgers, alles uit de frituur, softijsjes met discodip, rookworsten, versgeschoten wilde konijntjes en alle andere voedingsmiddelen en niet-alcoholische drankjes. Dus alleen als je denkt dat mensen door het hogere lage btw-tarief massaal hun dagelijkse appel inruilen voor een glas oude jenever, is er reden tot (theoretische) zorg over het effect op de gezondheid.