Goud is gestold angstzweet

Je krijgt er vandaag de dag zo’n 25.000  euro per kilo voor.  Maar wat heb je aan goud? Feitelijk niets. Goud is gestold angstzweet. Het is de economische dood.

Maar dat is niet wat de goudverkopers ons willen doen geloven. De World Gold Council, een lobbyclub van goudmijnen, roept al jaren dat goud de perfecte belegging is. Waardevast, veilig en niet manipuleerbaar. Papiergeld wordt waardeloos als centrale banken er te veel van drukken, bankrekeningen verdwijnen als de bank omvalt, en aandelen worden waardeloos bij faillissement. Goud heeft daar geen last van. En als het echt eng wordt graaf je een klein gat in de tuin en verstop je je hele vermogen.

Alleen goud vertegenwoordigt echte waarde, weten alle goudbeleggers. Alleen goud beschermt tegen inflatie. Bankbiljetten of girorekeningen zijn alleen wat waard als we allemaal in die waarde geloven. Maar dat vertrouwen is broos. Als morgen de banken op de fles gaan, betalen we weer met goud.

Over de nadelen zijn de echte gold bugs  meestal minder breedsprakig. Dat je op goud geen cent rente ontvangt, bijvoorbeeld, terwijl je er in Nederland wel 1 ,2  procent per jaaraan vermogenswinstbelasting over moet betalen. Of dat je met goud in huis een aantrekkelijke prooi voor inbrekers wordt.

De truc om goud onderin een pak roomijs in de vriezer te bewaren kent het dievengilde inmiddels ook. Goud smelt bij 1062  graden – ongeveer de temperatuur van een oranje vlam. Na een flinke binnenbrand moet je dus op zoek naar gestolde gouddruppels.

Het belangrijkste nadeel van goud is dat de waarde ervan – net als bankbiljetten – gebaseerd is op gewoonte en vertrouwen. Dat blijkt al uit de certificaten en stempels waarmee goudverkopers de echtheid van hun metaal aantonen. Blijkbaar is het papier toch betrouwbaarder dan het goud zelf.

Uiteindelijk is de waarde van goud op niets anders gebaseerd dan het vertrouwen dat iemand anders er in de toekomst iets voor over heeft. Daarin verschilt het niet van bankbiljetten of bankrekeningen.

Geen wonder, want goud is goed beschouwd een behoorlijk nutteloos metaal. Het is zacht en zwaar en heeft daarom niet veel praktisch nut. Het roest niet, dat is een positieve kant van goud. Daarom is goud handig om een holle kies mee te vullen – hoewel daar tegenwoordig ook moderne materialen voor zijn. Het geleidt elektriciteit goed (maar niet zo goed als zilver), dus voor zeer hoogwaardige elektronische toepassingen komt goud soms van pas. Verder reflecteert goud zichtbaar en infrarood licht goed. Het wordt daarom wel als beschermlaagje op ruimtehelmen aangebracht. Om dezelfde reden worden satellieten beschermd met een zeer dun laagje goud.

Veel ander nut heeft het niet. Zelfs voor het maken van draagbare juwelen is goud niet echt geschikt. Het metaal is eigenlijk te zacht om er in pure vorm juwelen van te maken. Gouden juwelen bestaan dan ook meestal uit een legering van goud en bijvoorbeeld zilver of koper.

Waarom is dan toch zo veel vraag naar? Het antwoord is dat de goudmarkt zich voedt met de angst van miljoenen beleggers. De beste eigenschap van goud is dat het er bijna niet is. Al het goud dat in de afgelopen duizenden jaren boven de grond is gehaald, is bij elkaar niet meer dan een kubus van pakweg twintig meter hoog, breed en diep. Goud is zeer schaars. En houdbaar. Dat is precies de combinatie  waar bange mensen naar op zoek zijn. Je kunt er heel goed niets mee doen. Je kunt het wegstoppen en wachten op betere tijden.

Daarom is goud de economische dood. Vermogen dat in  goud zit kan niet worden gebruikt om te investeren, om te ondernemen, of om te genieten. Vandaar dat je ook geen rente ontvangt op spaargeld in goud. Het is morsdood kapitaal waar niemand iets aan heeft. Waardeloos

Columns in VT-Wonen

 In 2007 en 2008 was ik columnist voor… VT-Wonen.  Ik had net een huis gekocht en schreef over de perikelen rond van kopen en verbouwen.  

@FrederiekeH wilde weten wat ik schreef.  Nou dit:

 

1. Bouwvallige hypotheek

“De perfecte valstrik voor een romanticus”, schampert een vriend als hij ons toekomstige droomhuis ziet. Hij heeft nog gelijk ook, want bouwkundig stelt het allemaal weinig voor. Maar wij zien vooral het witte geveltje, de balkenplafonds en de oer-Hollandse bomen in de tuin. Dat het huis zelf een beetje instort, geeft het geheel juist die leuke Piet-Hein-Eek-uitstraling.

Dus vind ik mijzelf een paar dagen later terug aan de keukentafel achter een stapel hypotheekpapieren. Aan de andere kant van die stapel zit een onbekende man met een knalpaarse stropdas. “U wil natuurlijk een beleggingshypotheek”, zegt hij stellig. “Dan hebt u gegarandeerd de laagste maandlasten.”

Wil is dat? Ik wil een wit huisje met bomen in de tuin. Maar een beleggingshypotheek? “Sparen levert nauwelijks wat op”, ratelt de hypotheekadviseur door. “Beleggen geeft gemiddeld acht procent rendement.”

Dat klinkt aantrekkelijk. Te aantrekkelijk. Hoe zit het eigenlijk met dat rendement op aandelen? Als het meezit op de beurs haal je die acht procent per jaar met gemak. Maar er zijn ook lange perioden dat beleggen niets oplevert. Zo staat de AEX-index begin 2008 onder het niveau van tien jaar geleden. Wie in 1998 een beleggingshypotheek afsloot maakte een behoorlijk valse start.

Hoe mooi de paarse stropdas het ook verkoopt, het blijft een vorm van gokken met geleend geld. Doe mij maar zo’n degelijke spaarhypotheek.

Maar daar is de hypotheekadviseur niet blij mee. De bank betaalt hem meer provisie als hij een ingewikkeld beleggingsproduct verkoopt, want daaraan verdient de bank zelf ook veel meer. Volgens onderzoek van Vereniging Eigen Huis kunnen de kosten van een beleggingshypotheek met levensverzekering oplopen tot veertig procent van de inleg!

Nee, aan een bouwvallig huis hebben wij genoeg. Daar hoeft niet ook nog een gammele financiering bij.

 

2. Zeven hypotheken

Het nieuwe huis slaapt minder lekker dan verwacht. Niet dat we de snelweg missen, die in onze vorige woning voor een slaapverwekkende achtergrondruis zorgde. Evenmin komt het door de musjes die onder onze dakpannen de lente vieren. Of door de haan van de buren die het eerste streepje licht direct met luid gekraai verwelkomt. Zelfs de explosies van het knalapparaat waarmee een boer verderop de vogels uit zijn aanplant jaagt, houden me niet wakker. Rust is op het platteland altijd relatief.

Nee, ik pieker ’s nachts over onze hypotheek. Of beter: zeven hypotheken. Want zoveel zijn het er intussen. Ons nieuwe huis is gefinancierd met zowel een spaar- als een aflossingsvrije hypotheek. We hebben een extra hypotheek voor de verbouwing. En totdat ons reeds verkochte oude huis daadwerkelijk is overgeschreven en betaald, is er ook een overbruggingshypotheek.

Op dat oude huis rusten nog eens drie hypotheken. Eentje waarmee ik het veertien jaar geleden kocht. Een tweede hypotheek voor het uitkopen van een ex. En nog een derde met spoed, omdat er volgens de notaris te weinig geld binnen was voor de overdracht.

Zeven hypotheken in totaal, een levensverhaal in polissen.

Allemaal met hun eigen maandelijkse rentebetaling, het merendeel met een maandelijkse aflossing. Dat hakt er flink in. Doe daarbij nog de dubbele energierekening en gemeentebelasting, en het is een wonder dat ik de slaap überhaupt nog vat.

Natuurlijk wist ik van tevoren dat we met deze extra kosten te maken zouden krijgen. En we kunnen het misschien wel lijden. Maar dat maakt het openscheuren van de bankafschriften niet minder pijnlijk. Nog een kleine maand, dan wordt ons oude huis eindelijk betaald. Ik ga een etmaal slapen…

 

3. Kleingeld

“Nee, de rente is voor de notaris”, zegt het blonde meisje lachend, en klapt kordaat haar multomap dicht. Daar gaat weer een paar honderd euro. Word ik boos? Welnee, na een paar maanden ervaring op de huizenmarkt ben ik murw. Verzin maar een volstrekt onbegrijpelijke reden waarom je geld van me krijgt. Ik betaal meteen.

In dit geval gaat het om een bedrag dat de notaris van de kopers van ons oude huis extra wil ontvangen. Het is de vrijdag voor Pinksteren, de dag dat het contract wordt getekend en het geld wordt overgemaakt.

Tenminste, daar ging ik van uit. Maar omdat er vier vrije dagen aankomen, kan het Kadaster pas vijf dagen later het ‘bewijs van inschrijving’ (wat dat ook moge zijn) leveren. Mijn geld wordt daarom pas halverwege volgende week overgemaakt. De oude hypotheek loopt langer door dan gepland. Ik moet een paar honderd euro extra hypotheekrente betalen. De notaris past in de tussentijd op mijn geld.

“Dat geeft niet”, zeg ik naïef, “zet het geld maar vijf dagen op een internetspaarrekening, dan kost het me per saldo nauwelijks iets”. Een denkfout, legt de assistente mij vrolijk uit. De ontvangen rente over mijn geld gaat naar de notaris.

Natuurlijk. Hoe kon ik zo dom zijn. Ook de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie, die ik toch maar even bel, verbaast zich over mijn onnozelheid: “Ja, meneer, dat is heel gebruikelijk.”

Dit soort kleine verliesjes hoort blijkbaar bij het kopen en verkopen van een huis. Ieder factuur staat vol onbegrijpelijke posten met kleine bedragen, die samen toch flink optellen. Er zijn ‘overbruggingskosten’ en ‘bankgarantiekosten’. Er zijn posten als ‘opslag kadestraal tarief levering’, ‘honorarium/kostes inzages’, en ‘kadestraal tarief akte van royement’.

Geef het maar een leuke naam. Ik betaal alles.

 

4. Duizend mijlen 

“Als ik het goed begrijp, moet ik dus eerst advies aanvragen over mijn bouwvergunning?” vraag ik voorzichtig. Nee, schudt de dame van de gemeente, en legt het nog een keer uit. Maar na drie zinnen ben ik de draad al weer kwijt.

Ik was vanochtend vol goede moed naar het gemeentehuis gegaan om mij te laten informeren over de vergunningprocedure. We hebben grote plannen met het oude hooischuurtje dat tegen ons huis leunt. Het wordt twee keer zo lang, Er komen vier paar openslaande deuren in. Op de verdieping willen we een  badkamer. En aan de zuidkant komt een  veranda. Schommelstoel er op. Glaasje wijn er bij. Dat komt helemaal goed. Alleen nog even een bouwvergunning regelen.

Een grandioze misrekening. Voordat de gemeente zich over mijn aanvraag voor de bouwvergunning buigt, wordt advies aangevraagd bij de Welstandzorg van Noord-Holland. Daarin zitten architecten die de plannen zullen toetsen. Maar voordat we dat traject ingaan, wil de gemeente dat we eerst een ‘Advisering Welstand’ aanvragen bij dezelfde commissie. Dat is een voorlopige toets op basis van wat ruwe schetsen. Het zou immers zonde zijn van ieders tijd, wanneer we met een bij voorbaat kansloze bouwaanvraag komen.

Maar voordat de voorlopige schetsen naar de Welstand mogen, moet eerst de gemeente een principe-uitspraak doen. Onze verbouwing vergt een aanpassing van het bestemmingsplan, en Welstand neemt dergelijke plannen alleen in overweging als de gemeente daaraan wil meewerken.

Juist ja. We moeten dus een principebesluit vragen aan de gemeente, om een advies te mogen vragen aan de Welstand, over hoe de bouwaanvraag bij de gemeente zal worden geadviseerd door de Welstand.

Er is niets aan te doen. Diep adem halen en kopje onder in de bureaucratie. Hoe zeggen de Chinezen dat ook al weer zo wijs? ‘Een reis van duizend mijlen begint met een enkele stap.’

 

5. Geld teveel

Een paar maanden geleden lag ik nog wakker van onze zeven hypotheken. Nu zijn mijn zorgen heel anders: waar zet ik mijn geld rendabel weg? Ons oude huis is verkocht, dus er staat geld op de rekening. Tegelijkertijd heeft de bank op eigen houtje besloten het geld voor de verbouwing alvast te storten.

Hartelijk bedankt. Alleen wat moet ik met dat bedrag met vijf nullen op onze bankrekening? Uiteindelijk gaat het naar de aannemer, maar dat duurt nog wel even. Ondertussen mogen we van de belastingdienst veel minder hypotheekrente aftrekken. Eerst je eigen geld opmaken, is hun devies.

Om het verlies te beperken, moet ik op zoek naar de hoogste spaarrente. Mijn eigen bank kan niet helpen. “Probeert u het bij een bank die last heeft van de kredietcrisis”, zegt de dame van de klantenservice in een aanval van oprechtheid. “Die hebben uw geld hard nodig en bieden een hogere rente.”

Geen woord van gelogen. Ik open direct een internetspaarrekening bij zo’n probleembank. Maar nog geen week later valt een aanbieding van een andere bank in de bus. Sponsor van een sympathieke voetbalclub uit de buurt, en nog meer rente ook. Ons geld verhuist weer.

Dan klik ik op een advertentie van een grote Rotterdamse vermogensbeheerder die nog meer biedt. Ook al zo’n sympathiek bedrijf. Een maand geleden mocht ik er een lezing geven. Meteen bellen. De juffrouw aan de lijn blijkt persoonlijk bij die lezing te zijn geweest! Het geld gaat per omegaande naar Rotterdam.

Totdat ik een spotje op de radio hoor van de meest sympathieke bank van allemaal. Onze euro’s mogen niet naar kinderarbeid of milieuvervuiling. Sorry Rotterdam, we gaan weer verkassen.

Vier internetrekeningen, inlognamen en wachtwoorden later ben ik het overzicht helemaal kwijt. Waar het geld nu staat? Ik wil het niet meer weten. Aannemer: schiet alsjeblieft op met die facturen!

 

6. Blokhut

Het kost wat, maar dan heb je ook niks. Voor 1125 euro belooft de importeur ons géén blokhut te leveren. We halen opgelucht adem.

Een paar maanden geleden leek het nog zo’n puik idee. Om de verbouwing te ontlopen wilden we noodwoning achter in de tuin zetten. Later zou het ding dienst kunnen doen als romantisch logeerhuisje voor vrienden en familie. We vonden een bedrijf dat in Estland robuuste blokhutten laat maken. Niet van die dunwandige hobbyschuurtjes, maar stevige huizen met massief houten muren. Precies wat we zochten.

De gemeente is infomeel akkoord, wij hebben haast, dus we bestellen direct zo’n ‘Chalet 6090’, met twee slaapkamers en een grote veranda. Het ding komt tussen de bomen te staan, onzichtbaar vanaf de weg, dus niemand zal bezwaar maken.

Mis. Twee weken later wijst de Welstandscommissie het plan resoluut af. Een ‘Amerikaanse’ blokhut in dat pittoreske West-Friese landschap? Geen sprake van! Helaas duurt het een week voor dat bericht ons bereikt. Annuleren blijkt dan al niet meer mogelijk. ‘Het bouwpakket ligt op de vrachtwagen’, klinkt het uit Estland. ‘Overmorgen is het in Nederland.’

Wat te doen? Een familielid weet raad: omtimmer de blokhut met planken en het is een West-Friese schuur. Briljant. Een snel gemaakte schets van zo’n schuur komt moeiteloos langs de Welstand. Maar de gemeente wil wel graag een bouwtekening. Op Marktplaats vind ik een tekenaar die ons bedenksel op papier zet.

Hm. Het wordt wel een bizar ding. Blokhut van binnen, nostalgische schuur van buiten. Willen we dit wel? Opluchting daarom, als de importeur meldt iemand te hebben gevonden die het bouwpakket met korting wil overnemen. De cheque is snel uitgeschreven. We zijn blokhut en ruim duizend euro armer.

En de noodwoning? We hebben maar zo’n plastic stacaravan gehuurd. Kraak nog smaak. Maar op wielen, dus niemand die daar een probleem van maakt.

 

7. Belastingdruk

De huizenmarkt koelt snel af. Dat maakt de makelaars inventief. Zo is er een makelaar in Hazerswoudedorp die bij aankoop van een rietgedekte nieuwbouwvilla een heuse sloep cadeau doet.

Dat kan slimmer. Voor makelaars die ook willen stunten, hier een tip: geef bij aankoop een accountant cadeau. Succes verzekerd, want de fiscale afhandeling van de aanschaf van een huis is een absolute nachtmerrie.

Ik weet het uit ervaring. Want helaas huldig ik het dwaze standpunt dat een econoom in staat moet zijn om zijn eigen belastingaangifte in te vullen. Dat levert een kleine besparing op. En vele radeloze avonden achter de computer.

Een nieuw huis zou garant moeten staan voor honderden euro’s aan extra belastingaftrek. Misschien zelfs duizenden. Maar wat mag ik aftrekken en wat niet? De notariskosten voor het passeren van de hypotheekakte wel. Maar die voor de koopakte niet. Hetzelfde geldt voor de kadastrale rechten. Taxatiekosten zijn in principe niet aftrekbaar. Maar weer wel als de bank de taxatie eiste.

Afsluitprovisie voor de hypotheeklening mag ik aftrekken. Alleen geldt er wel een maximum van 3630 euro. Wij moesten een paar honderd euro meer betalen. Die mag ik dit jaar niet aftrekken, maar wel uitgesmeerd over de komende dertig jaar. Dat gaat mij in theorie tot m’n 72ste een jaarlijkse aftrekpost van 12 euro opleveren. Maar volgend jaar ben ik dat natuurlijk al weer vergeten. Meevallertje voor Wouter Bos.

Helemaal ingewikkeld is de renteaftrek. In het laatste belastingjaar hadden we een paar maanden twee huizen. Voor zo’n korte periode mag voor beide huizen hypotheekrente worden afgetrokken. Maar we hadden ook een bouwlening lopen. Daarvoor gelden weer andere regels. De eerste zes maanden mag je de hele rente aftrekken. Daarna alleen over het werkelijk uitgegeven geld. Tenminste, zo interpreteert de staatsecretaris van Financiën een recente gerechtelijke uitspraak.

Als belastingbetaler wordt je blijkbaar geacht dat allemaal te bij te houden en te snappen. Zo’n accountant klinkt al aantrekkelijker.

 

8. Prijsvechten

U kent ze vast wel, die tv-programma’s waarin een naïef stel een ingestorte varkensstal koopt, om er hun droomhuis van te maken. Met twee linkerhanden en een budget van een paar duizend euro, gaan ze aan de slag. Aan het einde van een uitzending vol lekkages, slechte funderingen en echtelijke ruzies zit het echtpaar goedgemutst in wat inderdaad een droomhuis is geworden. Trots leiden ze de cameraploeg rond.

Maar dan komt die dodelijke vraag: hoeveel heeft het uiteindelijk gekost? Vijf keer het oorspronkelijke budget. Ze hebben er allebei een baantje voor de avonduren bij moeten nemen. En uit eten gaan zit er de komende kwart eeuw niet in. Ze zitten gevangen in een gouden varkensstal.

Ik kon altijd hartelijk lachen om zoveel domheid. Maar sinds kort weet ik beter. Wij maken het niet zo dol als op tv, maar kennen nu ook die ijzeren verbouwingswaarheid: het wordt altijd duurder dan je denkt.

Zelfs als je juist probeert te bezuinigen. Neem onze nieuwe slaapkamer-annex-badkamer. Die mooie handgebakken Portugese vloertegels passen toch niet in het budget, en met pijn in het hart kiezen we voor een veel goedkopere, waterdichte laminaatvloer. We moeten dan wel een douchebak kopen, in plaats van de geplande betegelde douchevloer.

Dat blijkt een leuke boodschap. In douchebakkenland heeft zich een designrevolutie voltrokken. De ene bak is nog platter, strakker en mooier dan de andere. Onze favoriet is een oversized modelletje met de dikte van een langspeelplaat en onzichtbare afvoer. Prijs: ruim 700 euro. Daarvoor krijg je dan anderhalve vierkante meter plaatstalen design. Portugese vloertegels zijn zo’n zes keer goedkoper. We zijn terug bij af.

Het blijkt een terugkerend patroon tijdens de verbouwing: iedere zoektocht naar een betaalbaar alternatief eindigt met een nog mooiere – en dus duurdere – vloer, kraan, wasbak, deurknop, keukenkast of wc-bril. Onbetaalbaar. Tenzij we er in de avonduren een baantje bij nemen, natuurlijk…

 

9. Huilbaby

De aannemer is weg. De stacaravan waar we de afgelopen maanden in bivakkeerden staat leeg. Het huis is langzaam aan het opwarmen. Langzaam, want als we de vloerverwarming te heet zetten barst de verse cementvloer, zo heeft de cv-monteur bij zijn vertrek gewaarschuwd. Goed, we wonen nog tussen halfvolle verhuisdozen, rauwe gipsplaten en armoedige vezelplaat. Maar nieuwe aanbouw staat.

“Zwaar zeker, zo’n verbouwing”, vragen vrienden die polshoogte komen nemen? Welnee, antwoorden wij verbaasd. Alles liep eigenlijk op rolletjes en er waren nauwelijks tegenvallers. Gewoon prima gegaan.

We zijn net ouders met een huilbaby. Als je ze een paar jaar later herinnert aan de wanhoop en onmacht van die tijd, kijken ze je stomverbaasd aan. “Basje een huilbaby? Welnee, het schatje was altijd de rust en kalmte zelve.” Lang leve het selectieve geheugen. Ouders die zich iedere doorwaakte nacht altijd blijven herinneren, zouden nooit meer van hun kind kunnen houden. Zo gaat het blijkbaar ook met verbouwingen. Om je te laten genieten van je huis, wist je geheugen de verbouwingsellende uit.

Maar ik ben mijn geheugen te snel af. Want ik heb alles opgeschreven. Een lange lijst met alles wat misging. Dat één van de prefab buitenwanden achterstevoren was gemaakt, was ik eigenlijk al weer vergeten. Dat de openslaande deuren daardoor naast, in plaats van op de veranda uitkwamen ook. Verder was het dak in het midden een halve meter te kort, waardoor de zon mooi naar binnen viel, en de regen ook. Er waren binnenwanden die niet geschroefd, maar gespijkerd waren, waardoor de elektriciën er alleen nog met grof geweld achter kon komen. Kozijnen die er heel anders uitzagen dan op de tekening. Een keuken die keer op keer blank stond. Wat een ellende.

Weg die lijst! Uiteindelijk hebben we alle problemen opgelost. Ik wil genieten van ons nieuwe huis. Doe mij maar een dubbele dosis van die heerlijke vergeetachtigheid. Onze verbouwing? Die is prima verlopen. Op rolletjes.

 

10. Moddervloer

Even terug naar de zomer van 2007. De Boumannetjes staan voor een schattig boerderijtje met een ‘te koop’-bord in de tuin. Het liefst zouden we meteen een bod doen. Maar we houden ons in en bestellen eerst een bouwkundig onderzoek.

Een man met laptop inspecteert alles. Maar hoe is de situatie onder die prachtige brede planken? Hij kan het niet vaststellen, want in de vloer is geen luik te bekennen. De verkopende makelaar kan ook geen luik ontdekken, en belt met de eigenaar van het huis. Hè, vervelend, die neemt niet op. De bouwkundige moet naar een volgende klus. Ik spring wat op en neer. De vloer geeft geen krimp. Daar moeten enorme balken onder zitten. Laat maar, die inspectie. Kopen dat huis!

Een jaar later zitten we midden in de verbouwing en moet een deel van de vloer weg.

Ik zet een koevoet onder een anderhalve eeuw oude plank. Hij breekt. Niet met gekraak, maar met een soort sompig geluid. Alsof je twee natte kranten van elkaar trekt. Er dwarrelt ook een geel stofwolkje boormeel op, achtergelaten door vele generaties houtworm.

Niet de hele plank komt mee. De onderkant van lijkt vastgroeit met… ja met wat eigenlijk? Wat is dat voor een grijze massa onder de vloer? Het lijkt wel modder!

Inderdaad. De planken liggen niet op balken, maar rechtstreeks op de aarde. Een paar symbolische latten houden de zaak op z’n plek. Zo deden ze dat blijkbaar in 1850. Of is dit ook voor een negentiende-eeuwse timmerman broddelwerk?

Hoe dan ook, de vloer moet er helemaal uit. Een minigravertje mag de aarde komen weggraven. Dan een laag beton. En daarop weer een nieuwe vloer. Geen verbouwing zonder tegenvallers, maar een graafmachine in huis, daar hadden we toch niet op gerekend.

Het zal wel mooie foto’s opleveren. We zullen er eentje inlijsten en naar de makelaar sturen.

 

11. Crisis

Eerst gingen de banken kapot, daarna de rest van de economie. De recessie slaat onverbiddelijk toe en de financiële toekomst van veel Nederlanders is plotseling onzeker. Dat geldt zeker voor een zelfstandige econoom zonder vast contract, die in 2007, dus precies op de piek van de markt, een huis kocht.

Maar medelijden is niet nodig.  Zoals een glaszetter wel vaart bij een flinke hagelbui, zo heeft ook een econoom in barre economische tijden werk. Economen laten zich eerst betalen voor slechte adviezen die economie het moeras in leiden, om vervolgens geld te vragen voor de weg er uit.

Desondanks is verbouwen in crisistijd ook voor ons geen pretje. Niemand weet hoe diep de recessie wordt, en hoe lang het zal duren. Die onzekerheid maakt besluiteloos. Hoeveel geld kunnen we met goed fatsoen nog in de verbouwing steken? Toch maar geen parketvloer, maar een laminaatje? Geen vrijstaand bad, maar een inbouwexemplaar van de bouwmarkt? Geen houten shutters voor de ramen, maar de oude gordijnen nog eens wassen? En waarom moest er ook weer per se een nieuwe keuken komen?

Tijd voor een recessieproof afbouwplan. Maar aan de keukentafel blijkt schrappen van uitgavenposten toch veel moeilijk dan gedacht. De verbouwing was kostbaar, dus moet de afwerking er wel een beetje uitzien.

Wat is wijsheid? Dat merken we als we op een vrijdagmiddag toch maar een exclusieve parketwinkel binnenlopen. Shoppen tijdens de recessie blijkt buitengewoon leuk. En voordelig. De verkoper is bereid tot vrijwel iedere concessie. Hij goochelt met kortingen, acties en betalingsregelingen. Alle extra’s zijn gratis, bezorgkosten bestaan niet meer en de parketlegger komt precies in de week dat het ons uitkomt.

Bij de badkamerzaak gaat het precies zo. Afdingen gaat vanzelf. De btw is voor de winkelier. En natuurlijk wordt het bad kosteloos thuis bezorgd.

Leve de recessie! De klant is weer koning.

 

12. Bubbelbad

Sommige mensen zweren bij een bellenbad. Ik lig liever in het warme water zonder masserende waterstralen. Whirlpoolverkopers beloven een ‘rustgevende en ontspannende ervaring’, maar ik vind het geborrel allesbehalve rustig en ontspannend. In onze nieuwe badkamer komt dus een bad zonder bellen. Maar dat blijkt nog niet zo eenvoudig.

We bestellen een prachtig vrijstaand bad bij een badkamerwinkel. Het is van Europa’s grotere ketens, dus dat zit wel goed. Helaas, na anderhalve maand krijgen we een zorgwekkend telefoontje. Er zitten bubbels in het bad. Niet in het water, maar in het bad zelf. Er is iets mis gegaan tijdens de productie waardoor de bodem vol luchtbelletjes zit. Het bad gaat terug naar de fabriek. Weken later wordt een nieuw exemplaar geleverd. Maar blijkbaar zijn er in de fabriek onlangs een paar ervaren krachten met pensioen gegaan, want het is weer een lelijk bubbelbad.

Voor ons begint de tijd te dringen. Het ligbad is het laatste stukje van een hersenkrommende verbouwingspuzzel. Ik moet zeker weten of het gaat lukken met het bad, want dan weet ik precies waar de afvoer moet komen. Dat is belangrijk, want de af- en toevoerleidingen van de nieuwe badkamer lopen door het plafond van de woonkamer een verdieping lager. We kunnen de gipsplaten pas tegen dat plafond schroeven als alle leidingen liggen. Daarna kan de stukadoor aan het werk. En pas dan kan de parketlegger komen. Zonder bad dus geen parket. De datum waarop de mannen van het parket komen, ligt al vast. En die dag komt snel dichterbij. Straks moeten we de vloer afbellen, omdat de een of andere badenproducent er niet in slaagt een bad zonder bellen af te leveren.

Dit soort planningsproblemen horen blijkbaar bij een verbouwing. Zo moesten we in een zeer vroeg stadium al bedenken welke badkamertegeltjes we wilden. De dikte van de tegel bepaalt de exacte plaats van de douche-afvoer (zo’n hippe drain), dus dat moest bekend zijn voordat het plafond dicht kon.

Eerder waren we gedwongen de schuifdeuren uit te zoeken, nog voordat er zelfs nog maar een fundering was gestort. De toekomstige plek van de tv bepaalden we voordat de buitenmuren stonden. En de exacte kleur van de kozijnen moesten we al weten toen de bouwaanvraag naar de gemeente ging.

Een onmogelijke opgave. Eigenlijk ontdek je pas wat je wilt tijdens het bouwproces zelf. Bij mij werkt het in elk geval wel zo. Wat voor de bouw een goede beslissing leek, blijkt later totaal verkeerd.

Dat geeft behoorlijk wat onrust en spanning, die alleen verdwijnt in zo’n heerlijk warm bad, zonder luchtbellen, draaikolken en massagestralen.

 

13. Grasmaaier

Een schoongeboend toilet, bloemen op tafel, de koffie vers gezet en een appeltaart in de oven. Volgens de verkooptips die makelaars geven, is de kieskeurige koper vooral geïnteresseerd in de Libelle-sfeer van veertig jaar geleden. Moeder heeft een schort om, vader leest de krant en de kinderen amuseren zich in doodse stilte met een fijne puzzel. Huiselijkheid blijkt een prima verkoopargument.

Genoeg van appeltaarten bakken? Het kan ook anders. Zet een oude grasmaaimachine in de schuur en je huis is zo verkocht. Tenminste, als ik de potentiële koper ben, want oud, gemotoriseerd tuingereedschap was de reden dat wij ons huisje kochten.

Natuurlijk wilden we het huis ook zonder gereedschap hebben, maar de onderhandelingen over de prijs liepen vast. Wij waren genoeg omhoog gegaan met ons bod en de verkoper had zijn bodemprijs bereikt. Er restte een gat van slechts vijfduizend euro, maar geen van beide partijen was bereid dit kloofje te overbruggen. Onderhandelen maakt koppig.

Dan ontdekt de makelaar de zwakke plek in mijn verdediging. “De verkoper is bereid om zijn zitmaaier, kettingzaag en motorzeis achter te laten in de schuur”. Ik ben meteen om. Zo’n leuk maaitractortje heb ik altijd al willen hebben. Bomen omzagen gaat mijn nieuwe hobby worden, want we hebben een houtkachel. En zo’n motorzeis… die komt vast ook wel van pas.

U snapt het al. We kopen het huis voor vijfduizend euro meer dan gepland, en zijn de trotse eigenaar van drie stuks professioneel herriegereedschap.

Een paar maanden later vraag ik de lokale monteur om onze nieuw verworven schatten op te halen, aan een grondige inspectie te onderwerpen, en weer tiptop af te leveren. Dan zijn we helemaal klaar voor onze eerste plattelandszomer.

Het loopt anders. De reparateur nodigt mij na enige tijd beleefd uit in zijn werkplaats. Voorzichtig legt hij mij de situatie uit. De onderkant van de tractor is doorgeroest. “Nooit schoongemaakt, en oud gras geeft roest”, luidt de verklaring. Opknappen gaat 800 tot 1000 euro kosten. Je hoort in zijn stem dat het ding eigenlijk total loss is. De kettingzaag is oud en versleten, maar kan met wat kleine investeringen nog wel een of twee seizoenen mee. De motorzeis is voor 200 euro weer aan de praat te krijgen. “Maar ik kan het niet garanderen dat ‘ie dan weer start’.

Ik neem afscheid van mijn zitmaaiertje. Aan de revisie van kettingzaag en motorzeis geef ik uiteindelijk een klein fortuin uit. De zeis heeft nooit meer gelopen, maar onlangs is wel de eerste dode boom omgezaagd. Volgende winter stoken wij het duurste brandhout van Nederland.

 

14. Dubbele visgraat

Leveren parketleggers steeds slechter werk, of zijn de consumenten meer gaan zeuren? Die vraag is moeilijk te beantwoorden, maar feit is dat het aantal klachten bij de ‘Geschillencommissie Parket’ vorig jaar is gestegen. In 2008 kwamen er 96 brieven binnen van boze consumenten. In 2007 en 2006 waren dat er ‘slechts’ 72.

Wie de klachten leest durft nooit meer een parketvloer te kopen. De planken gaan kieren, er zijn lelijke kleurverschillen, rond convectorputten ontstaan ontsierende bobbels, en de nagels van de hond ruïneren het dure parket binnen een half jaar. De geschillencommissie beslist in meerderheid van de gevallen waarover ze uitspraak doet in het voordeel van de consument. Zelfs de hondenkrassen moeten door de leverancier worden ‘getrild en vervolgens in de basisolie gezet’, want de parketlegger heeft de consument onvoldoende gewezen op de gladheid van de vloer, zo oordeelt de commissie gul.

Ik heb ook een klacht over ons nieuwe parket. Niet vanwege krassen of kieren. De nieuwe vloer ligt er prachtig bij: vergrijsd eiken in dubbelgelegd visgraatpatroon. Geweldig duur, maar ook geweldig mooi. Onze nieuwe woonkamer, die eerst nog de uitstraling had van een betonnen garagebox, kan na een week passen, meten en lijmen door de vriendelijke parketlegger doorgaan voor een toonzaal van het Louvre. Alleen de Mona Lisa aan de muur ontbreekt nog.

Hebben we dan toch nog wat te klagen? Jazeker. De vloer is namelijk veel te mooi geworden. De rest van het huis heeft een geruststellend afgeleefde uitstraling. Het is een morsig allegaartje van kleuren, stijlen en slijtplekken. Hetzelfde geldt voor de bewoners die zich er dan ook helemaal thuis voelen. En dan is daar opeens die prachtige stijlkamer met helderwitte wanden en een vergrijsd visgraatparket. De kinderen durven er niet te rennen. We gaan automatisch fluisteren als we de nieuwe woonkamer betreden. Het glas rode wijn blijft voorzichtig achter in de keuken.

En alsof de vloer zelf nog niet duur genoeg was: we hebben opeens geen meubels meer om er in te zetten. Dat afgekloven bankstel mag de smetteloze woonkamer niet in. Onze tafel met viltstiftstrepen zou vreselijk misstaan. Zelfs de muziekinstallatie is niet welkom, want in het frontje van één van de boxen prikte ooit een driejarige met een balpen zijn leeftijd in gaatjes.

Wat heeft een imperfect huishouden aan een perfecte woonkamer? Helemaal niets. Er zit maar één ding op: een paar flinke beschadigingen om de perfectie te doorbreken. Heeft iemand voor ons misschien een grote hond met vlijmscherpe nagels te leen?

 

15. Doorzichtig bos

Hoeveel bomen heb je nodig voor een bos? Vijftig? Honderd? Duizend? De kenners zijn er niet uit. Volgens de dikke Van Dale is een bos een “een met opgaande bomen beplante uitgestrektheid grond”.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek telt als bos iedere terrein dat “zodanig begroeid is met bomen, dat de kruinen een min of meer gesloten geheel vormen”.

Internet encyclopedie Wikipedia is preciezer. Je kunt pas officieel van een bos spreken “als minstens 64 procent van de lucht bedekt is met boomtoppen”.

Maar de Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw is het duidelijkst. De Haagse regels schrijven voor dat ieder perceel met meer dan vijftig bomen per hectare een bos is. Ook als het om een kerstbomenkwekerij gaat.

Volgens de meeste van deze definities zijn wij de trotse bezitter van een bos. Niet een bos waar je uren in kan dwalen, maar een klein bos, achter in de tuin. Er staan zeker meer dan zeventig elzen, wilgen, essen en iepen in. Als je in het midden gaat staan en je kijkt omhoog, zie je veel bladeren en weinig lucht. Zeker minder dan 36 procent, dus technisch gesproken is het een bos.

Dat vond de verkopende makelaar ook. ‘Denk je eens in, je eigen bos! Het kan!’ De kinderen zagen direct de potentie van het miniwoud. Klimmen, hutten, verstoppertje spelen, het is allemaal zoveel leuker in een bos. En hun ouders konden de romantiek van zo’n lommerrijke,  groene kathedraal ook wel zien. Bovendien vormde het bos de perfecte visuele afscheiding van de tuin met de oprukkende agrarische industrie even verderop.

Het was hartje zomer toen we het huis plus bos kochten. We verhuisden aan het begin van de winter. Dat was even schrikken. Ons bos was weg. Er stond slechts een handvol kale staken met hier en daar een armzalig takje. Je keek er dwars doorheen, recht op de enorme loodsen van de achterburen. De winterwind stond strak over het weiland, woei moeiteloos langs de stammen, en beukte ongehinderd op de achtergevel van het huis. We hadden een tweedimensionaal Poetemkin-bos gekocht. Een nepbos, niets meer dan een dun rijtje miezerige bomen.

De schrik duurde enkele maanden. In april kwamen de eerste blaadjes aan de bomen. En in mei hadden we opeens weer een dik, ondoordringbaar oerwoud. Er is een open plek waar de buizerd zijn prooi opvreet. De specht roffelt er op een dode boom. Het is er koel en geheimzinnig. Zeventig bomen zijn ruim voldoende voor een bos. Een zomerbos, om precies te zijn.

 

16. Hulp-econoom

 Er zijn artsen die verjaardagsfeestjes mijden als de pest. Want daar is altijd wel een kind met een vreemd hoestje, een tante met een steenpuist of een hypochondrisch neefje met een suizend oor die de kans op een gratis consult met beide handen aangrijpt.

Binnenhuisarchitecten en stylisten zullen hetzelfde probleem hebben. Een gezellige bijeenkomst in een mooie huiskamer ontaardt in druk geschuif met meubelstukken of een vermoeiend gesprek met de vrouw des huizes over de stelling dat “muisgrijs toch echt het nieuwe wit is”. Overigens, als u een zo’n stilist bent, dan nodig ik u graag uit op mijn volgende verjaardagsfeest, want de wanhoop over de inrichting van onze nieuwe woonkamer – op de plinten na af – neemt hier met de dag toe. Maar dat terzijde.

Ook voor economen is niet ieder feestje een feest. Vooral niet als er mensen met een verhuiswens aanwezig zijn. Nog voor de taart is aangesneden fluisteren zij de econoom van achteren in het oor: “wat gaat de hypotheekrente doen?” Een ander schuift naar het puntje van zijn stoel en lispelt met een samenzweerderig toontje: “Die huizenprijs, die gaat toch nog verder zakken?”. En bij het afscheid schiet er nog snel een iemand op hem af –  waarschijnlijk een ongelukkige met een beleggingshypotheek –  die wil weten “wanneer de AEX-index weer boven de 500 punten komt.”

Natuurlijk, ik praat graag over economie, en de vragenstellers hebben een oprechte honger naar kennis. Maar ik kan ze niet helpen. Ik weet niet wat de hypotheekrente gaat doen, ik weet niet of de koersen gaan stijgen en ik weet ook niet of de huizenprijs nog verder daalt. Sterker: ik weet dat ik het helemaal niet kàn weten.

Want wie zegt dat hij de rente of de beurskoersen kan voorspellen, doet net alsof hij het beter weet dan de duizenden professionals op de kapitaalmarkt. Die illusie heb ik niet. En ook de huizenprijs blijkt keer op keer zeer onvoorspelbaar. In 2001 vonden we de huizen ook al overgewaardeerd, maar de prijsstijging zette nog zeven jaar door.

Een huis kopen is al ingewikkeld genoeg. Volgens mij moet je tijdens dat proces niet ook nog proberen de kapitaalmarkt te verslaan of het beste instapmoment op de beurs te bepalen. Koop een huis omdat je er graag in wil wonen, omdat je het kunt betalen,  ook als je inkomsten een keer  tegenvallen,  en ga nooit beleggen met geleend geld.

Daarom heb voor ons nieuwe huis de saaiste spaarhypotheek genomen die ik kon vinden. Het is geen tophypotheek, van de aflossingen wordt geen cent belegd en de rente staat voor twintig jaar vast. Ik ben een binnenhuisarchitect met alleen Ikea-meubels. Een stilist in een volstrekt lege kamer. En ik voel me er prima bij.

 

17. Verplichte tocht

Als het buiten stormt, waait het binnen. Het is niet veel, maar je voelt het wel. De wind waait onder de voordeur door en langs de kieren van de schuiframen. Ook onder de plinten van het oude voorhuis komt soms net teveel frisse lucht binnen. Zelfs door het uitgesleten sleutelgat van de achterdeur briest een venijnig windje naar binnen. Natuurlijk, we vechten er tegen met tochtstip en kitspuit als wapens. Aardgas is duur en hier vlak achter de IJsselmeerdijk maken we ons bovengemiddeld zorgen over het broeikasprobleem en de bijbehorende stijging van de zeespiegel.

Maar we hebben nu eenmaal een oud huis gekocht, dus in de oorlog tegen de tocht zullen we nooit de beslissende slag winnen. Kit het ene kiertje dicht, en verderop vindt de wind een nieuw gat in de verdediging.

De ambtenaren van de gemeente voeren ondertussen een heel ander gevecht. Zij strijden juist voor meer tocht in ons huis. Het waait er nog lang niet genoeg. Of in elk geval hebben we het tegendeel niet met harde cijfers aangetoond.

En dat terwijl de bouwkundige op de bouwtekening nog zo fraai had aangegeven hoe na de verbouwing de luchtstromen voor een optimale ventilatie zouden zorgen. Een briesje hier via de ventilator in de badkamer, een fris windje daar naar de speciale roosters boven de deuren van de nieuwe aanbouw.

Het is voor de gemeente niet genoeg. Bij lange na niet. We hebben verzuimd om de ‘Bouwbesluitberekening’ bij de aanvraag te voegen, en zonder dat kan er geen vergunning worden gegeven, waarschuwden de ambtenaren. Wat is precies de capaciteit van de spuiventilatie in de nieuwe slaapkamer? En hoeveel bedraagt de doorspuibaarheid van de badkamer? Toch wel de minimaal de vereiste Qv van 20,70 dm2 per seconde? Voldoen we eigenlijk wel aan de NEN 8087-normen?

U begrijpt het al. We schuiven maar weer een paar honderd euro naar de bouwkundige die vervolgens alle theoretische luchtstromen in het verbouwde huis tot twee cijfers achter de komma doorrekent en daarvan een zeven pagina’s tellend rapport opstelt. Als we een paar ‘Ducomax Corto Ventilatieroosters’ aanschaffen en een pijpventilatie van ‘rond 180’ toepassen, voldoen we ruim aan de eisen, zo blijkt.

De bouwkundige neemt ook nog even de berekeningen van de ‘equivalente daglichttoetreding’ mee. Dat is een andere eis uit het Bouwbesluit. De vergunning kan pas worden verstrekt als de overheid zeker weet dat er in ons toekomstige keuken minimaal 0,50 m2 daglichtoppervlakte is. Koken bij kunstlicht is in Nederland blijkbaar verboden. Gelukkig blijken we ruim boven de wettelijke norm te blijven.

De gemeente is helemaal tevreden met ons lichte en winderige huis, en verstrekt zonder verdere problemen de bouwvergunning. Maar als het gaat stormen kit ik deze winter onze Ducomax Corto Ventilatorroosters potdicht.

 

 

Absurde ratrace om creatieveling

Rotterdam is deze week erg blij met zichzelf. “Rotterdam is de stad van de onbegrensde mogelijkheden”, vertellen de wethouders vol zelfvertrouwen. En: “De stad heeft een belangrijke troef in handen om ook in de toekomst succesvol te zijn.” Gaat het over de haven, de containerterminals of een van de andere logistieke hoogstandjes van Rotterdam? Welnee, logistiek is zo 2007. De toekomst is niet aan havenslaven. De toekomst is aan de creatieve industrie.

Maar liefst 60 miljoen euro trekt Rotterdam er voor uit om het de creatievelingen naar de zin te maken. Er komen subsidies voor werkruimtes, kredieten, bankgaranties en gratis adviseurs. En niet te vergeten: een heel miljoen voor de promotiecampagne ‘Creativity Starts Here’ die binnen- en buitenland duidelijk moet maken dat je als architect, reclamemaker of vormgever in Rotterdam moet zijn.
Het is allemaal de schuld van de Amerikaanse econoom Richard Florida. In 2002 verscheen zijn boek ‘The rise of the creative class’, waarin hij stelt dat steden zullen transformeren van laatindustriële getto’s in postmoderne creatieve broedplaatsen. De stad die het best in staat is om creatief talent aan zich te binden, wordt het rijkst, hipst en schoonst. Steden die niet meedoen, krijgen de vuile industrie, de files en de werkloosheid.

Het boek werd een enorme hit en de strijd om de creatieveling was geopend. Ook in Nederland, want Rotterdam is niet de enige stad met de ambitie om de creatieve metropool van Nederland te worden. Integendeel. Amsterdam legt de creatieve industrie al een paar jaar in de watten. Er is in de hoofdstad een ‘Creative Industry Bank’, een ‘Bureau Broedplaatsen Amsterdam’, het ‘Regionaal Expertisecentrum Creative Cities’, een ‘Talentenfabriek’ voor startende creatievelingen en nog veel meer moois. Ook de grootse campagne “Amsterdam Topstad”, waarmee de hoofdstad het vestigingsklimaat wil verbeteren ‘zet sterk in op creativiteit’. Amsterdam moet een ‘ontmoetingsplaats zijn voor talentvolle, creatieve mensen.’

Amsterdam en Rotterdam gaan de concurrentie aan met Eindhoven. Want die stad heeft een ‘Snelgeldfonds’ voor vormgevers, een adviescentrum voor starters (‘The Hub’) en binnenkort een ‘Design Factory’. Enschede heeft intussen ook een gesubsidieerde broedplaats voor creatief talent opgezet, Zaanstad is gul met subsidies aan creatieve starters. Leeuwarden heeft het creatieve project ‘Twinspiration’ en zelfs de provincie Limburg wil ‘de creatieve sector nadrukkelijk op de kaart zetten’ via de ‘Versnellingsagenda Limburg op weg naar 2012’.

Er is een absurde ratrace aan het ontstaan. Iedere stad vecht met subsidies, kredieten en gratis werkruimtes om de kleine groep talentvolle creatieven. Uiteindelijk profiteren alleen de mislukte vormgevers, talentloze programmeurs en ideeënloze reclamemakers. Ze hadden al lang failliet moeten zijn, maar kunnen dankzij het uitgebreide subsidiecircus nog jaren mee en pikken met een beetje pech de klandizie van echt creatieve bedrijven. Binnen een paar jaar veranderen de broedplaatsen in schimmelplekken waar mislukte,
met subsidies levend gehouden creatieve bedrijven hun tijd uitzitten.

In plaats van subsidiëren van creatieve ondernemers zouden de steden – samen met het Rijk – moeten inzetten op onderwijs. Leidt mensen zo goed op dat ze hun creatieve talent ten volle kunnen benutten en stuur ze dan de markt op om eerlijk met elkaar te concurreren. Dat is een bewezen recept. Maar voor ambtenaren en wethouders levert zo’n aanpak natuurlijk veel minder werk en – nog belangrijker – exposure op.

Lagere belasting voor vrouwen

Vrouwen zouden minder belasting moeten betalen dan mannen. Dat vindt Harvard-econoom Alberto Alesini. Vrouwen gaan dan meer uren werken, terwijl mannen vaker zullen stofzuigen.

Naamloos1

Nederlandse vrouwen halen maar zelden de top. Het aandeel van vrouwelijke topmanagers bij grote Nederlandse bedrijven blijft al jaren steken onder de vijf procent. In veel andere Europese landen is dat het dubbele.

Een vaak genoemde oorzaak hiervoor is dat Nederlandse vrouwen meestal in deeltijd werken. Carrière maken vanuit een baan van drie dagen is moeilijk. Voltijds werkende mannen halen je snel in.

Volgens Europese cijfers werken Nederlandse vrouwen gemiddeld 26 uur per week. Dat is de kortste werkweek van alle 27 EU-lidstaten. Nederlandse vrouwen werken gemiddeld twaalf uur minder dan Nederlandse mannen. En ook dat ´gender-gat’ is nergens in Europa groter. Willen we meer vrouwen aan de top krijgen, dan zal het verschil in werkweek omlaag moeten. De overheid realiseert zich dat ook, en probeert met onder meer goedkopere crèches en meer buitenschoolse opvang vrouwen te stimuleren meer uren te werken.

Goed bedoeld, maar het probleem zit dieper. Want ook Nederlandse vrouwen zonder kinderen werken in meerderheid in deeltijd. Wie daar echt iets aan wil doen moet aan de belastingtarieven sleutelen. Vrouwen zouden minder loonbelasting moeten betalen dan mannen.

Dat is in elk geval de stelling van professor Alberto Alesini van Harvard University. Samen met twee collega’s deed hij een theoretisch onderzoek naar de invloed van belastingen op de werkbeslissing van vrouwen.

Vrouwen laten zich bij hun keuze voor deeltijdwerk meer leiden door belastingtarieven dan mannen. Tenminste, zolang mannen de hoofdkostwinner van het gezin zijn. In principe zorgen hogere belastingen er voor dat zowel mannen als vrouwen minder willen werken. Ze houden immers minder netto-inkomen over voor ieder gewerkt uur. Maar voor een kostwinner speelt daarnaast mee dat om de vaste lasten te kunnen betalen, hij bij een lager nettoloon juist meer zou moeten werken.

Uit onderzoek weten economen dat die twee tegengestelde effecten van belastingverhoging elkaar bij mannen (kostwinners) min of meer in evenwicht houden. Hogere of lagere belasting heeft daardoor vrijwel geen effect op het aantal door mannen gewerkte uren.

Voor vrouwen ligt dat anders. Als ze geen kostwinner zijn, zijn de vaste lasten van het gezin al betaald. Hogere belasting vertaalt zich dan simpelweg in minder uren werken. Met andere woorden: loonbelasting werkt voor vrouwen veel meer verstorend dan voor mannen.

Alesini trekt uit deze wetenschap de logische conclusie: belastingtarieven voor vrouwen moeten lager zijn dan die voor mannen. Dat stimuleert het arbeidsaanbod van vrouwen zonder dat het arbeidsaanbod van mannen er door wordt afgeremd.

Aan deze belastingdiscriminatie zit volgens de Harvard-econoom nog een groot voordeel. Als vrouwen per gewerkt uur meer geld mee naar huis nemen, versterkt dat hun onderhandelingspositie in het huishouden. Ze zullen daardoor kans zien om meer huishoudelijke en opvoedkundige taken aan de man over te dragen. Als vrouwen minder belasting betalen gaan mannen dus vaker stofzuigen.

LINKS VOOR FIN-EC JOURNALISTEN

(T.b.v. Summer School  12-6-2017)

STATISTIEKEN

Nederland:
CBS: Statline (alle cijfers van het CBS)

CPB: Lange reeksen macrocijfers
CPB: Overheidsfinanciën (sinds 1814)
CPB: Wereldhandel (unieke indicator)

DNB: Monetare en financiele statistieken

Behr: Beurs Amsterdam 

IEX: One Market Monitor  (real-time beurs A’dam)

 

Internationaal
Eurostat: Complete database

ECB: Statistical Data Warehouse

OECD: Complete database, Overzichtelijker
OECD: Statlink (http://dx.doi…. onder iedere  grafiek) Schermafbeelding 2015-08-24 om 11.34.20

Schermafbeelding 2015-08-24 om 11.37.15

IMF: World Economic Outlook
I
MF: Principal Global Indicators

BIS: International Banking Statistics

FRED: Amerikaanse en internationale data en grafieken

Investing.com: Financiële markten (bv: Griekenland)
Investing.com: Agenda met updates

Econoday: Macro-agenda

Markit: Inkoopmanagers-indices (PMI’s)

 

ECONOMEN ONDERZOEKEN