Ik geef een uitzwaaiparty voor onze topeconomie. Bedankt voor de mooie tijd en hopelijk tot ziens!

Het lijkt een eeuwigheid geleden, maar het was eind januari dat Klaas Knot de Nederlandse economie een 9 gaf. Natuurlijk, de president van de Nederlandsche Bank zag ook wel dat de huizenmarkt aan het scheefgroeien was. En we zouden best wat meer kunnen investeren in de kenniseconomie. Maar conjunctureel stond de economie er zeer goed voor. Vandaar die 9.

We zijn nu tien weken verder en niemand denkt er meer aan om de economie schoolcijfers te geven. Laat staan een ‘zeer goed’. Tevredenheid heeft plaatsgemaakt voor diepe onzekerheid. Hoe lang duurt de crisis? Hoe diep wordt de recessie? Komen we hier ooit weer bovenop? Wanhopige vragen waarop ook Knot geen antwoord weet. ‘We tasten in het duister’, vatte hij de situatie onlangs samen.

Het is de komende weken en maanden angstig wachten op de nieuwsberichten van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Elk maandbericht over de arbeidsmarkt en economische groei en iedere stemmingspeiling onder consumenten en producenten vertelt ons meer over de omvang van onze economische problemen.

Ik zal er met frisse tegenzin verslag van doen. Maar voordat we verdrinken in de nieuwe economische werkelijkheid, moeten we misschien eerst netjes afscheid nemen van die economie met een 9. Uit nostalgie, maar ook omdat we misschien dankzij onze prima uitgangspositie iets makkelijker door de crisis komen.

We klappen voor al het zorgpersoneel. En zwaaien naar de economie van rond de jaarwisseling. Op dat moment had Nederland bijna zes jaar van aaneengesloten economische groei achter de rug. Om precies te zijn: in het eerste kwartaal van 2014 was de economie voor het laatst gekrompen en tijdens de 23 kwartalen die daarop volgde was er telkens sprake van groei. Het was de op een na langste periode van aaneengesloten groei sinds we kwartaalcijfers bijhouden. Alleen in de jaren negentig van de vorige eeuw, tijdens de paarse kabinetten, duurde de hoogconjunctuur net iets langer.

Misschien voelde het niet voor iedereen als een uitzonderlijk gunstige periode, want ook tijdens hoogconjunctuur zijn er verliezers. Maar voor de economie als geheel was het een prima tijd, waar we straks met weemoed aan zullen terugdenken. Nederland werd rijker dan ooit tevoren, met een bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking van ruim 38 mille in 2019.

Nog meer dan in hoge inkomens, vertaalde de lange groeiperiode zich in hoge werkgelegenheid. Van alle 15- tot 75-jarigen in Nederland, was eind 2019 ruim 69% aan het werk. Zo hoog was de arbeidsparticipatie in ons land nog nooit. En vlak voordat de coronacrisis uitbrak, belandde het werkloosheidspercentrage onder de 3%. Dat was de laagste werkloosheid in bijna een halve eeuw. Zoveel mensen hadden werk dat Nederland zich bij gebrek aan echte problemen, druk ging maken over de vorm waarin al dat werk werd gedaan. Hadden we te veel flexwerk? Waren alle zzp’ers wel echte ondernemers? En moesten we niet juist minder uren werken? Zalig is het land dat ruzie kan maken over dat soort details.

De groei van de economie zorgde ook voor groei van de buffers. Bezittingen van pensioenfondsen gingen mee omhoog met de stijgende beurskoersen en particulieren stopten geld in de spaarpot of losten hypotheken af. Aan het begin van de coronacrisis was ons vermogen groter dan ooit. Ook de overheid kon flink sparen. In 2019 boekte men een enorm overschot op de begroting en liep de staatsschuld terug naar het laagste peil sinds 2007.

Buitenstaanders zagen misschien nog beter dan wij zelf hoe goed het hier ging. Op het concurrentielijstje van het World Economic Forum steeg Nederland naar de vierde plaats. In Europa werden we zelfs het land met de hoogste concurrentiekracht. Volgens de ranglijst voor innovatie was Nederland ook het op drie na beste land ter wereld.

Zo stonden we er voor, vlak voordat de coronacrisis begon. Een concurrerende economie met een extreem krappe arbeidsmarkt en grote financiële buffers. Nederland gaat de komende maanden veel van die glans verliezen. We zijn een fitte sportman die op hongerdieet moet. Dat wordt zwaar, maar we beginnen in elk geval aan de klus in puike conditie.

(FD)

De dood is procyclisch. Dus coronamaatregelen veroorzaken wel een recessie, maar geen recessiedoden

Armoede kan dodelijk zijn. Neem Somalië, het armste land ter wereld. Het bestaan is er keihard. De levensverwachting van een gemiddelde Somaliër is nog geen 60 jaar.

Nee, dan Nederland: een van de rijkste landen, volgens de website Gapminder.org (absoluut een bezoekje waard). Hier worden we bijna allemaal hoogbejaard. De gemiddelde levensverwachting is al bijna 82 jaar. In Singapore zijn ze nog rijker, en worden ze ook weer net wat ouder (85 jaar).

Hoe rijker, hoe ouder. Dat geldt niet alleen als je landen vergelijkt, maar ook in de tijd. In 1921 was ons inkomen tien keer zo laag als nu en werden we nauwelijks ouder dan de huidige Somaliër. Economie en levensverwachting gaan in vrijwel alle landen en gedurende vrijwel alle tijdvakken samen op.

Waarom is dat relevant? Omdat de corona-uitbraak een wereldwijde recessie dreigt te veroorzaken. Of beter: niet de coronacrisis, maar de preventiemaatregelen van overheden leiden tot een ongekende dip in het bbp. Voor Nederland misschien wel van 7,7% dit jaar, zo schetste het Centraal Planbureau deze week in haar donkerste scenario.

We redden levens, maar vermoorden de economie. Is dat wel zinvol? Het is een vraag die velen stilletjes stellen en sommigen hardop. President Trump, bijvoorbeeld, roept dat het medicijn niet meer kwaad mag doen dan de ziekte. Met Pasen moet de het weer business as usual zijn, anders kost het de economie te veel geld.

In Nederland stellen we het wat minder cru, maar ook hier wordt de afruil tussen virusbestrijding en economische schade in de gaten gehouden. Bij het crisisteam van de overheid kijken ook economen mee. Het hoeft daarbij niet direct om een afruil tussen dodelijke slachtoffers en geld te gaan. Als economische neergang zelf ook voor slechtoffers zorgt, kun je (hoe morbide ook) sterftegetallen vergelijken.

Hoogleraar Besturen van Veiligheid Ira Helsloot schreef onlangs in de Volkskrant dat een coronarecessie ‘honderdduizenden Nederlanders gezonde levensjaren gaat kosten’. Helsloot schrijft: ‘Onze goedbedoelde maatregelen tasten óók mensenlevens aan.’

Krijgen we de doden die worden voorkomen door het overheidsbeleid straks terug door de onvermijdelijke recessie? De Gapminder-grafieken lijken dat te suggereren. Maar dat in rijke landen mensen langer leven, hoeft niet te betekenen dat een inkomensdip zorgt voor kortere levens.

De Amerikaanse econoom Chris Ruhm doet al jaren onderzoek naar de relatie tussen recessies en sterftecijfers. Met een verrassende conclusie: recessies zijn niet slecht, maar juist goed voor onze overlevingskans. Tijdens economische neergang gaat de mortaliteit niet omhoog, maar omlaag. Een recent overzichtsartikel in Nature kwam tot dezelfde contra-intuïtieve conclusie. De dood is procyclisch.

Ruhms onderzoek gaat over de VS. Voor Nederland is het nooit onderzocht. In elk geval kon ik het niet vinden, ook niet na navraag bij experts. In de grafiek daarom mijn eigen poging. Ik gebruik de gestandaardiseerde sterftecijfers sinds 1950. Dat zijn de cijfers geschoond voor de leeftijdsopbouw (vergrijzing) van de bevolking. De afgelopen zeventig jaar verbeterde de gezondheidszorg en verkeersveiligheid, dus het gestandaardiseerde sterftecijfer daalt van 13 sterfgevallen per duizend Nederlanders naar zes in 2018. De gemiddelde daling is iets meer dan 0,1 per jaar. Die trend haal ik er ook uit.

Wat overblijft is een lijn met het gestandaardiseerde, trendloze sterftecijfer. Gaat dat omhoog tijdens recessies? Bepaald niet. Ook in Nederland is de sterfte dan laag. Het getal loopt juist op tijdens de hoogconjunctuur van de jaren zestig en negentig. Alleen in de dotcomcrisis van 2001 bleef de sterfte relatief hoog. Net als in recessiejaar 2012, maar toen zorgde een koude winter en griepgolf voor relatief veel doden.

De corona-maatregelen zorgen voor een recessie en dat gaat veel ellende opleveren. Maar dat we coronadoden inruilen voor recessiedoden valt wat mij betreft niet hard te maken.

FD

Hoe diep wordt de recessie? Het is een logische vraag met een onmogelijk antwoord

De economie staat even op het tweede plan. Er zijn nu belangrijkere zaken dan werkgelegenheid en economische groei. Ter bestrijding van de virusuitbraak is de overheid bereid een flink deel van de economie stil te leggen. En hoewel het kabinet met een enorm hulpprogramma probeert de gevolgen voor bedrijven en werknemers te beperken, is duidelijk hoe de prioriteiten liggen: eerst de gezondheid, dan pas het geld.

Hoe zwaar zal de economie worden getroffen? Dat is buitengewoon moeilijk te zeggen. Niet alleen is er fundamentele onzekerheid over hoe ernstig en langdurig de coronacrisis zal zijn, we weten ook niet goed hoe deze specifieke schok de economie zal raken. Met het acuut stilleggen van een deel van de bedrijven hebben we nauwelijks ervaring.

Voor een historische parallel moet je misschien denken aan tijden van mobilisatie, wanneer een deel van de bevolking van het land en uit de fabriek wordt geplukt om naar het front te gaan. Dat zou je – net als nu – kunnen zien als een negatieve aanbodschok. Maar in oorlogstijd gaat die negatieve schok vaak gepaard met een positieve vraagschok.

Misschien biedt de sluiting van de Limburgse mijnen een historisch parallel. In de jaren na het besluit in 1965 werd een goed deel van de Zuid-Limburgse economie min of meer stilgelegd. De werkloosheid liep enorm op en het kostte de regio decennia om over de schok heen te komen.

Zo lang hoeft het nu natuurlijk niet te duren, want wat de huidige crisis zo bijzonder maakt is dat die op een gegeven moment weer voorbij is. Juist daarom is het verstandig van de overheid om nu alles op alles te zetten om faillissementen en massaontslagen te voorkomen. Dan gaat het opkrabbelen straks hopelijk veel sneller.

Maar eerst komt dus de diepe val. Zelfs het Centraal Planbureau durft geen eenduidige voorspelling te doen van de diepte van de recessie. Aankomende donderdag komt men met een nieuwe raming, maar die zal drie verschillende scenario’s bevatten. Dat wordt vast een waaier aan mogelijke uitkomsten, variërend van teleurstellend tot uiterst beroerd.

Extra complicatie is dat een lockdown van bepaalde sectoren zich minder makkelijk laat modelleren dan bijvoorbeeld een oliecrisis of een dip in de wereldhandel. Want met alleen het schatten van het productieverlies in de direct getroffen sectoren ben je er niet.

Het optellen van de schade in bijvoorbeeld de luchtvaart, horeca, reisbranche, sport en recreatie lukt nog wel. Deze sectoren zijn samen goed voor ongeveer 3,5% van het bruto binnenlands product (bbp). Als de detailhandel komt stil te vallen kost dat nog eens 3,5%. Dan zitten we al op een terugval die het dubbele is van de krimp in de eerste drie maanden van 2009, het slechtste kwartaal tijdens de kredietcrisis.

Maar natuurlijk blijft de schade niet beperkt tot die sectoren. Andere bedrijfstakken worden indirect geraakt. Hoeveel precies? Daarvoor moet je naar de economische relaties tussen sectoren kijken. Wat neemt de luchtvaart af van andere sectoren? Hoeveel koopt de hotelbranche in en bij wie?

Ter illustratie van hoe ingewikkeld zo’n analyse is, heb ik hierboven een klein deel van de Nederlandse input/output-tabel weergegeven. U ziet de leveranties tussen (slechts) zes sectoren.

Als de luchtvaart stopt met vliegen staat voor de sector ‘reparatie en installatie van machines’ bijna een miljard euro omzet op het spel. Gaan de restaurants dicht, dan kost dat de voedingsmiddelenindustrie bijna anderhalf miljard. Die laatste sector schort dan wellicht ook een deel van de kleine €300 mln aan orders bij de machine-industrie op. Zo grijpt alles in elkaar. En ook onderling treffen de probleemsectoren elkaar. Hotelpersoneel pakt het vliegtuig niet meer, vliegmaatschappijen bestellen geen bereide maaltijden meer.

En zo voor alle ruim tachtig bedrijfstakken die in het complete plaatje zouden staan. Platleggen van een paar sectoren raakt op den duur de hele economie, dat is duidelijk. Hoeveel precies? Ik zou me niet aan een voorspelling durven wagen.

Wie serieus plastic verpakkingen en zwerfafval wil terugdringen, moet denken in dubbeltjes en kwartjes

De kracht van kleine bedragen kan enorm zijn. Geef iets wat altijd gratis was een klein prijsje en de consument reageert alsof het hele maandinkomen op het spel staat. Ingeslepen gewoontes veranderen op slag, en wat vroeger onpraktisch en onnodig leek, is plotseling een doodnormale zaak.

Zo nemen Nederlanders tegenwoordig weer allemaal een boodschappentas mee naar de winkel. Of ze stapelen hun aankopen zorgvuldig op, zodat ze zonder tas kunnen worden meegenomen. Zolang we maar niet een dubbeltje of kwartje hoeven neer te tellen voor het plastic tasje van de winkelier.

Op 1 januari 2016 ging de Regeling Beheer Verpakkingen in en kwam er een verbod op het verstrekken van gratis tassen (behalve voor losse voedingswaren). De winkelier zou er voortaan een klein bedrag voor moeten vragen. De richtprijs was 25 cent, maar minder mocht ook.

Afgelopen week verscheen een evaluatie van de maatregel. Conclusie: die is absurd effectief gebleken. Het minuscule prijsje heeft ons gedrag enorm bijgestuurd. In 2015 gebruikten we nog bijna drie miljard plastic tasjes. Dat is 170 stuks per persoon. Iedere Nederlander joeg er dus bijna om de dag een tas doorheen. Waarom ook niet, ze waren toch gratis en dus waardeloos.

In de jaren na het verbod op gratis tasjes is het gebruik spectaculair gedaald naar 600 miljoen stuks op jaarbasis. In 2018 deed de gemiddelde Nederlander maar liefst tien dagen met een tasje. Per persoon gebruikten we er dat jaar 35. Dat is een afname van 80%. Van dit succes had zelfs de grootste plastic-hater niet durven dromen.

Deze cijfers zijn verzameld door I&O Research en werden afgelopen week gepubliceerd. Overigens zijn de 600 miljoen uit 2018 en de drie miljard uit 2015 niet perfect vergelijkbaar. Het 2015-cijfer is een ruwe schatting, gebaseerd op verschillende onderzoeken van de Europese Commissie (2,8 miljard) en Milieu Centraal (4,4 miljard). De schatting van drie miljard zit daar zo ongeveer tussenin.

Hoe dan ook, het effect van de maatregel is enorm. Je zou misschien verwachten dat daar een les uit getrokken wordt voor het bredere beleid om eenmalig gebruik van plastic terug te dringen. Als je met een paar centen al zoveel kunt bereiken, dan smaakt dat toch naar meer?

Niet dus. De Nederlandse bermen liggen nog steeds vol met plastic wegwerpflesjes, omdat de politiek maar niet de moed opbrengt om statiegeld voor kleine flesjes in te voeren. De verpakkingsindustrie belooft telkens om het zwerfvuil met andere middelen terug te dringen, maar uit cijfers van Rijkswaterstaat blijkt dat dit slechts tijdelijk heeft gewerkt. Na een daling in 2018, is de hoeveelheid zwerfafval in 2019 weer fors gestegen.

Als het de verpakkingsindustrie echt menens was, dan zou men zelf pleiten voor de meest effectieve methode om zwerfvuil te bestrijden: een klein bedrag aan statiegeld op ieder flesje (en blikje). Maar daar is men juist mordicus op tegen.

Toenmalig staatssecretaris Stientje van Veldhoven van Infrastructuur en Waterstaat, belast met onder meer milieu, kondigde vorig jaar aan om uiterlijk dit voorjaar een besluit te nemen over statiegeld op kleine flesjes (maar niet op blikjes). Of de kracht van kleine bedragen echt wordt ingezet is dus nog lang niet duidelijk.

Dat geldt ook voor het nieuwe plan van vijftien Europese landen en 66 multinationals om het gebruik van plastic voor verpakkingen terug te dringen en hergebruik te bevorderen. In principe is dit European Plastic Pact, dat vrijdag werd gepresenteerd, natuurlijk een prachtig initiatief. Dit soort zaken moet je op Europees niveau regelen. Maar in de tekst van het akkoord komt geen enkele keer het woord ‘price’tax’‘excise’ of levy’ voor. Er staat niets in over klein prijsjes die producenten of gebruikers van overbodig of moeilijk te recyclen plastic zouden moeten betalen. Er is alleen een vaag tekstje over “investigating the feasibility and scalability of refill, deposit & return model”.

Alsof er nog onderzoek nodig is. De kracht van kleine bedragen heeft zichzelf al vele malen bewezen. Ga zelf maar eens een uurtje zwerfafval rapen uit de berm. Wedden dat u geen enkele plastic literfles met tien cent statiegeld tegenkomt?

(FD)

ECB kan wél wat doen

Behoefte aan een klein lichtpuntje? Hier is er een: de virusuitbraak begint al meer op een symmetrische schok te lijken. Dat maakt het voor Europese beleidsmakers iets makkelijker om de economische gevolgen te bestrijden.

Tijdens de eurocrisis waren het juist de verschillen tussen landen die de problemen veroorzaakten – vooral die tussen het noorden en het zuiden. Daardoor was het voor de Europese Centrale Bank buitengewoon moeilijk om het juiste beleid te bepalen. Pas toen Mario Draghi besloot zich vooral te richten op de noden van het zuiden, werd de crisis bezworen.

‘De rente is negatief, het opkoopprogramma is uitgeput, dus de munitiekist van de ECB is leeg’

Dat moet nu beter kunnen. Symmetrische schokken opvangen, dat moet de ECB goed kunnen. Alle eurolanden zullen het er over eens zijn dat de centrale bank alles moet doen wat nodig is, want dit raakt ons allemaal.

Nu zult u misschien zeggen, in Frankfurt kunnen ze niets meer. De rente is negatief, het opkoopprogramma is uitgeput, dus de munitiekist is leeg. De ECB schiet op de coronacrisis met losse flodders.

Maar dat klopt niet helemaal. De ECB, of beter: het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB), dus inclusief de nationale centrale banken, kan nog wel degelijk wat doen. Namelijk: zorgen dat de lidstaten voldoende middelen hebben. Gezondheidszorg, steun voor bedrijven, ruime WW-regelingen, het gaat enorm veel geld kosten. Tel daarbij op dat door de onvermijdelijke recessie belastinginkomsten flink zullen dalen, en een nieuwe begrotingsnachtmerrie is geboren.

Het ESCB kan dat voorkomen, door obligaties op te kopen of, zoals oud-ECB’er Lex Hoogduin in NRC Handelsblad voorstelde, overheden te laten lenen bij hun nationale centrale bank. Dat laatste is pure monetaire financiering en verboden volgens het Europese Verdrag, maar nood breekt wet, stelt Hoogduin.

Als u dat te ver vindt gaan: De ECB heeft nog een instrument op de plank liggen: Outright Monetary Transactions (OMT). Bedacht tijdens de eurocrisis, maar nog nooit ingezet. De ECB koopt dan gericht staatsobligaties op van een bepaald land, in ruil voor afspraken over structurele economische hervorming. Die afspraken maakt een lidstaat met de Europese Commissie. Dus Europese politici kunnen gezamenlijk besluiten om die niet al te afschrikwekkend te maken.

Natuurlijk zal het ene land eerder OMT nodig hebben dan het andere. De uitgangsposities zijn verschillend en het virus treft niet elke economie even hard. Italië zal vast de eerste zijn die aanklopt. En daarna wellicht Spanje. Maar het virus doet niet aan nationaliteit, dus iedereen kan aan de beurt komen. Dat besef zet hopelijk aan tot meer saamhorigheid dan tijdens de eurocrisis.

Nederlanders reageren hun angst af door flink te hamsteren. En dat is niet voor het eerst.

En toen waren opeens de wc-rollen op. Iemand had z’n winkelwagentje volgeladen met toiletpapier en zodra andere klanten dat zagen gooiden ze ook snel een paar pakken drielaagse zachtheid in hun karretje. Want je weet maar nooit en straks is het op.

Als het coronavirus voor buikloop zou zorgen, was het misschien nog te begrijpen. Maar nu moeten we de nationale run op wc-papier toch afdoen als een staaltje rationele hysterie. Rationeel omdat als iedereen rollen hamstert, je dat misschien beter zelf ook maar kunt doen. Hysterisch omdat tijdens een virusuitbraak een paar stukken handzeep en een maxipak papieren zakdoekjes veel meer waard is dan een schuur vol Page en Edet.

Ook in het buitenland zorgt de virusuitbraak voor een run op wc-rollen. In Australië zijn de tekorten zo groot dat een krant een speciale bijlage met acht blanco pagina’s toevoegde. De oplage steeg meteen met 17%. In Hongkong roofden gewapende overvallers voor $130 aan wc-rollen. En in Japan zorgde een gerucht dat wc-papier uit China komt, eind februari al voor lege schappen omdat mensen bang waren dat China niet meer zou kunnen leveren.

Voor Japan is dat niet voor het eerst. Tijdens de oliecrisis van 1973 was het wc-papier er ook al op. In die tijd waren Japanners net weer gewend geraakt aan overvloed, na de na-oorlogse decennia van tekorten. Angst voor nieuwe schaarste leidde tot een run op onder meer wc-papier. De Grote Pleepapierpaniek van 1973 was een feit.

Het bleek besmettelijk. Komiek Johnny Carson maakte dat jaar op de Amerikaanse tv een grapje over papiertekort, waarop miljoenen Amerikanen naar de winkel renden en alles leegkochten.

Nederlanders waren in 1973 natuurlijk veel te nuchter voor een run op wc-papier. Alhoewel, ook wij sloegen fanatiek aan het hamsteren. In het krantenarchief Delpher is er een flink aantal artikelen over te vinden. Behalve benzine (op zich logisch) hamsterden Nederlanders vooral vuilniszakken, wat tot tekorten leidde. Ook kocht men in grote hoeveelheden slaolie (want oliecrisis) in. In winkels van Albert Heijn en Simon de Wit hingen borden met ‘Doe gewoon, koop niet meer dan u gewend bent.’ Zeep, lucifers, kaarsen, koffie en thee, alles ging mee tijdens de hamsterwoede van 1973. Ruud Lubbers, minister van Economische Zaken in het kabinet Den Uyl, noemde het in Het Parool: ‘Holland op z’n smalst. Het is: lekker ikke en de rest kan stikke.’

Bij elkaar zouden er in dat jaar maar liefst 328 artikelen over hamsteren in de Nederlandse kranten verschijnen. En in 1974 nog eens 208. Alleen in 1950 werd er nog meer over dit onderwerp geschreven. In dat jaar werd de oorlogsrantsoenering van producten opgeheven. In plaats van distributie en bonnen, mochten vraag en aanbod weer het werk doen. Maar op hamsterende handelaren werd flink gelet. Wie probeerde van tekorten te profiteren werd berecht en beboet, en die zaken belandden in de krant.

Een hamsterpiek was er ook in 1956 toen de Suez-crisis en de opstand in Hongarije de vrees voor een nieuwe oorlog aanwakkerden. Meteen sloegen Nederlanders weer aan het hamsteren. Zes jaar later was er weer veel aandacht voor het onderwerp, maar nu omdat er een nieuwe ‘Hamsterwet’ werd aangenomen die de minister van Economische Zaken de macht gaf om in te grijpen. Die wet geldt overigens nog steeds, dus als Eric Wiebes wil, kan hij zo een einde maken aan het rollentekort. Ik zou zeggen: waar wacht hij op?

Andere momenten waarop de kranten volgens het Delpher-archief (dat loopt tot 1995) veel hamsterverhalen brachten, waren tijdens de tweede oliecrisis, in 1979, en vlak voor het invoeren van de ‘medicijnknaak’ in 1983. Toen sloegen Nederlanders extra pillen in. En datzelfde jaar riep de ANWB op tot het ‘hamsteren van strippenkaarten’. Ook na de val van de Muur ging het veel over hamsteren. Maar dan door inwoners van de voormalige communistische landen. Die zagen de prijzen voor het eerst stijgen en sloegen massaal in.

Kunnen we nog wat leren van deze korte geschiedenis van het hamsteren? Jazeker. Ook in tijden van coronavirus moeten we luisteren naar de oproep van Albert en Simon uit 1973: ‘Doe gewoon, koop niet meer dan u gewend bent!’

Piketty-poen

Het is 1991. Ik ben net 25 jaar oud geworden en ontmoet Thomas Piketty, de Franse ster-econoom en schrijver van enorm dikke boeken over ongelijkheid. ‘Prends!’, zegt hij en drukt me een grote envelop in de handen. Daarin vind ik een stapel €200-biljetten. Minstens zeshonderd stuks.

Ho, wacht even. Hier gaat van alles mis. In 1991 bestonden er nog geen eurobiljetten. En Piketty was in dat jaar een 20-jarige promovendus aan de prestigieuze École Normale Supérieure in Parijs. Hij reisde in 1991 wel naar het buitenland, maar ging naar Moskou, niet naar Amsterdam.

Klopt. Ik liet me even meeslepen door het voorstel dat de Franse econoom in zijn nieuwe boek Kapitaal en ideologie doet. Op pagina 1046 pleit hij voor: ‘een systeem waardoor elke jongvolwassene, bijvoorbeeld op zijn vijfentwintigste, een schenking ontvangt, gefinancierd via een progressieve vermogensbelasting’. Later rekent hij voor dat zo’n schenking in West-Europa €120.000 zal bedragen.

Wat een idee! Piketty-poen voor iedere 25-jarige, gefinancierd met een flinke belasting op het vermogen van je ouders en grootouders! Zo krijg je de ongelijkheid er wel onder.

‘Wat ik echt wilde? Een grote zeilboot kopen. Zo’n traditionele platbodem’

Maar wat doet zo’n schenking met een jonge man of vrouw die net aan het begin van de carrière staat? Wat had het met mij gedaan? Ik had in 1991 natuurlijk geen gele €200-biljetten gekregen, maar groene briefjes van 1000 gulden. Hoeveel? €120.000 maal 2,20371 maakt ƒ264.445. Maar sinds 1991 is geld 43% minder waard geworden, dus mijn envelop had pakweg 150 duizendjes bevat.

Ik weet precies wat de 25-jarige Mathijs met dat bedrag had gedaan. In 1991 was ik net afgestudeerd en voelde ik de ‘banenloze groei’ aan den lijve. Samen met driehonderd andere macro-economen solliciteerde ik op de eerste passende functie die we in maanden in de Intermediair hadden zien staan: junior beleidsmedewerker bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Ik was heel bang dat ik die baan per ongeluk zou krijgen…

Wat ik echt wilde? Een grote zeilboot kopen. Zo’n traditionele platbodem, en dan geld verdienen in de chartervaart. Het was een vlucht het water op. Met anderhalve ton had ik zo’n schip kunnen kopen. Maar Piketty zat in Moskou, dus ik bleef blut. Uiteindelijk ontsnapte ik aan het ministerie en mocht ik promotieonderzoek doen aan de (iets minder prestigieuze) Universiteit van Amsterdam. Het zou een uitstekende keuze blijken.

Piketty-poen had mijn leven behoorlijk op de kop gezet. Ik had volgens mij de verkeerde keuze gemaakt. Ben ik een uitzondering? Hoe zit dat bij u?

(FD)

Zonneweide of thoriumcentrale?

Bent u actief op sociale media? Dan heb ik een aardig sociaal experiment voor u. Schrijf eens een berichtje waarin u heel terloops iets positiefs zegt over wind- of zonne-energie. Zoiets als: ‘Tjonge wat waait het weer hard, ik durf te wedden dat windmolens nu veel stroom leveren.’ Of probeer het met: ‘Ik fietste laatst langs zo’n weiland vol zonnepanelen. Eigenlijk best een mooi gezicht als je bedenkt dat daar schone stroom wordt opgewekt.’ Plaats het bericht en pak de stopwatch erbij.

Nu is het een kwestie van nauwkeurig timen van de reacties. Hoelang duurt het voordat iemand begint over kernenergie? Wanneer valt voor het eerst de term ‘thoriumcentrale’? Hoe snel gaat het over het totaal tekortschieten van ons elektriciteitsnet? Mijn record is twintig seconden. Vooral de voorvechters van kernenergie lijken met hun vingers boven de toetsen klaar te zitten om op ieder berichtje over hernieuwbare energiebronnen te reageren met een gepassioneerd pleidooi voor het splitsen van het atoom.

Dag mag natuurlijk, het internet is een vrijplaats. Maar het is toch jammer dat elke uitwisseling van gedachten over wind en zon zo snel ontaardt in een ruzie over de alternatieven. Alsof we de luxe hebben om nu al te kiezen voor het ene of het andere alternatief voor fossiele brandstof. Je kunt toch wel voor kernenergie zijn, maar ook voor wind op zee, of zon op land?

Iets soortgelijks gebeurt als je een berichtje schrijft over elektrisch rijden. Bijvoorbeeld: ‘Ritje gemaakt in m’n nieuwe elektrische auto. Nu weer aan de oplader #makkelijk’. Binnen mum van tijd gaat het niet meer over je auto, want iemand heeft boos gereageerd dat waterstof de toekomst is en batterijen ‘zeer vervuilend’ zijn. Alsof de wereld nu al de keuze moet maken of we allemaal in een Tesla gaan rijden of een waterstofeconomie gaan opbouwen. Het kan toch allebei? Sterker: het moet allebei. Voor de ene toepassing is een batterij het best, voor de andere lijkt waterstof (in de toekomst) logischer als energiedrager.

De energietransitie is nog maar nauwelijks begonnen. Niemand weet hoe de mogelijkheden en prijzen van alternatieve energiebronnen en -dragers zich in de toekomst zullen ontwikkelen. Dit is de tijd van experimenteren en leren. Of in economentaal: de optiewaarde van kiezen voor één technologie is nu erg hoog. Dus milieubeweging: gooi niet bij voorbaat de deur dicht voor kernenergie, CO2-opslag en andere technologische oplossingen. En zelfbenoemde realisten: geef toe dat er voor zon en wind ook een belangrijke rol is, en zet niet alles in op een thoriumcentrale die misschien wel nooit komt.

(FD)

Virusuitbraak zorgt voor een aanbodschok en daar kan de overheid niet veel aan doen

Niet brexit, niet Trumps handelsoorlogen en zelfs niet de recessie in de Duitse industrie slaagden er de afgelopen jaren in om aandelenbeurzen langdurig van slag te brengen. Er was wel eens een paniekaanval of koersdipje, maar dat bleek telkens van korte duur. Verliezen werden snel goedgemaakt en de koersen pakten hun opwaartse trend weer gewoon op. Optimisten kregen telkens gelijk, pessimisten boekten flinke verliezen.

Is het deze keer anders? Angst voor de economische gevolgen van de virusuitbraak veroorzaakte deze week grote verliezen op de beurzen. Koersen doken sneller en dieper omlaag dan tijdens eerdere ‘correcties’. Misschien dat het weer een briljant koopmomentje blijkt te zijn voor de optimisten, maar afgaande op de commentaren lijkt er ditmaal toch meer aan de hand. Het coronavirus wordt door beleggers een stuk serieuzer genomen dan een onwillige Boris Johnson of oorlogstaal tweetende Donald Trump.

Geef ze eens ongelijk. Want hoezeer politici zich soms ook misdragen, als de economische gevolgen van hun strapatsen duidelijk worden, kunnen ze de keuze maken om normaal te gaan doen. Dan tekent de Britse premier toch gewoon een brexitakkoord waar hij eerder mordicus op tegen was. En dan bedenkt de Amerikaanse president dat de verkiezingen er aankomen, dus neemt hij genoegen met een vrij inhoudsloos handelsakkoordje met China. Beleggers weten dat, dus laten zich niet gek maken.

Een virus is in die zin veel onredelijker dan een politicus en trekt zich niets aan van economie of beurs. Beleggers die gokken op een goede afloop doen dus precies dat: gokken.

Maar er is nog een reden voor beleggers om de virusuitbraak serieuzer te nemen dan de andere economische verstoringen van de afgelopen jaren: het raakt in eerste instantie vooral de aanbodkant van de economie. Zieke mensen kunnen niet werken, dus het virus zorgt voor een afname van het arbeidsaanbod. Nu gaat het op dit moment gelukkig nog niet om hele grote aantallen zieken, maar ook de quarantainemaatregelen zorgen dat mensen niet bij hun werk kunnen komen. Nog belangrijker zijn de preventiemaatregelen, zoals het sluiten van scholen, waardoor ouders thuis moeten blijven bij hun kinderen. In China zijn veel fabrieken weer open, maar draaien op halve kracht vanwege een gebrek aan personeel.

Ook bedrijven zonder zieke of afwezige werknemers kunnen met aanbodproblemen te maken krijgen, als hun toeleveranciers productieproblemen ondervinden. Op die manier raken hele productieketens verstoord. Vooral in de techsector leidt dat tot problemen. Brancheclub FME opende eerder een meldpunt voor bedrijven en riep de overheid op om deeltijd-WW mogelijk te maken, waarvan inmiddels tientallen bedrijven gebruik maken.

Het virus veroorzaakt dus in de eerste plaats een aanbodschok. Dat maakt het voor de overheid moeilijk om te reageren. Bij een vraagschok is het medicijn duidelijk: de centrale bank verruimt het monetaire beleid (bijvoorbeeld met een renteverlaging) en de regering geeft wat meer uit of komt met subsidies en lastenverlichting. Zo wordt de vraag weer aangezwengeld.

Maar bij een aanbodschok heeft dat weinig zin. Lagere rente en meer overheidsuitgaven maken de tekorten eerder groter dan kleiner. Die tekorten kunnen in principe leiden tot hogere prijzen en zo tot inflatie. Dan zou de centrale bank de teugels juist moeten aantrekken.

Geen wonder dat beleggers het niet vertrouwen. Juist de monetaire autoriteiten redden de beurs de afgelopen jaren keer op keer met nog ruimer geldbeleid. Centrale banken plakten pleisters op de zere knie van iedere gevallen belegger. Met een snoepje voor de pijn. Ook nu hopen ze op een renteverlaging van de Fed en de ECB, maar bij een aanbodschok past dat eigenlijk niet.

Gelukkig voor de beleggers (maar niet voor de rest van ons) zal een flinke virusuitbraak ook zorgen voor een vraagschok. Toerisme stagneert, evenementen worden afgeblazen en niemand gaat meer funshoppen. Daarnaast veroorzaakt de aanbodschok zelf ook vraaguitval, als mensen werkloos worden en winsten wegsmelten. Zo’n vraagschok drukt de inflatie juist. Met een beetje mazzel ziet de centrale bank daar genoeg aanleiding in om de geldkraan toch open te zetten. Overheden kunnen uitrukken met extra uitgaven om de vraagschok te dempen. In Azië gebeurt dat al, met vele miljarden tegelijk.

Wordt het toch weer feest op de beurs.

 

(FD)

Aflossen is een deugd, maar te veel aflossen maakt woningbezitters juist kwetsbaar

Te weinig sparen, maar toch te veel vermogen opbouwen. Dat klinkt paradoxaal, maar uit een nieuwe studie van het Centraal Planbureau blijkt dat de gemiddelde huiseigenaar het toch voor elkaar krijgt. Die ziet gedurende zijn of haar leven het totale vermogen tot enorme hoogte stijgen, maar heeft tegelijkertijd in een groot deel van dat leven te weinig financiële middelen om bestand te zijn tegen plotselinge schokken in het inkomen. De Nederlandse woningbezitter is rijk en arm tegelijk.

Het CPB trekt geen beleidsconclusies uit deze vaststelling, daar wil men een apart rapport aan wijden. Maar volgens mij is het niet moeilijk om te zien wat er fout gaat en wat de politiek daar aan kan doen: we sparen te veel in bakstenen, dus de regels over aflossen van de hypotheek moeten soepeler. Weg met de pure annuïteitenhypotheek die in dertig jaar volledig aflost. De aflossingsvrije hypotheek verdient herwaardering.

Ik weet het, dat klinkt als een nogal gevaarlijke conclusie. De kredietcrisis heeft ons geleerd wat de gevaren van te hoge particuliere schulden zijn. Toen de huizenprijzen omlaag schoten stond een goed deel van de Nederlandse woningen onder water en zaten vele duizenden gezinnen gevangen in hun huis. Logisch dat de overheid besloot om aflossen tot nieuwe deugd te verheffen. Voortaan zouden nieuwkomers op de woningmarkt alleen nog maar in aanmerking komen voor hypotheekrenteaftrek als ze een volledig aflossende hypotheek namen.

Maar dit beleid – hoe goed de bedoelingen ook waren – blijkt behoorlijke nadelen te hebben. Starters op de woningmarkt kregen er bijvoorbeeld een enorm concurrentienadeel door. Terwijl bestaande huiseigenaren dankzij de extreem lage rente hun maandelijkse woonlasten flink zagen dalen, waren de starters maandelijks juist een veel groter deel van hun inkomen kwijt. Uit cijfers van dataverzamelaar Calcasa blijkt dat een gemiddelde huiseigenaar met een aflossingsvrije hypotheek nu nog geen 15% van het inkomen kwijt is aan hypotheeklasten. Dat percentage is de afgelopen tien jaar flink gedaald. Woningbezitters met een annuïteitenhypotheek zijn ruim 30% van het inkomen kwijt. En dat percentage steeg de afgelopen jaren juist, vanwege de oplopende huizenprijzen.

Maar wie aflost bouwt tenminste wel vermogen op, hoor ik u denken. En dat is natuurlijk zo. Rentebetalingen ben je kwijt, aflossingen zijn beleggingen in (je eigen) vastgoed. Wie aflost op z’n hypotheek bouwt vermogen op, dus is minder kwetsbaar voor crisis en recessie. Wat kan daar mis mee zijn?

Het nieuwe CPB-rapport geeft antwoord op die vraag. Met behulp van het Inkomenspanelonderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek, waarin de inkomensgegevens van vele duizenden Nederlanders worden bijgehouden, berekende men welk risico werknemers gedurende hun leven lopen op grote inkomensschokken. Zelfstandigen werden buiten beschouwing gelaten. Vervolgens vroeg men: welk ‘optimale vermogen’ heeft een gemiddeld Nederlands huishouden nodig om zo’n schok comfortabel uit te rijden. Met andere woorden: hoe hoog moeten de buffers zijn gedurende het leven om te zorgen dat je bij een wisselend inkomen toch een constant consumptiepatroon kunt handhaven.

Uit het onderzoek blijkt dat huishoudens gemiddeld voldoende vermogen opbouwen. Maar met de mate van liquiditeit van dat vermogen is wel iets mis. Een groot deel van het vermogen van woningbezitters zit vast in het eigen huis. Deze bakstenen zijn niet aan te spreken als het inkomen vanwege bijvoorbeeld werkloosheid of ziekte terugvalt. Dan moet het liquide spaargeld worden aangesproken, en daarvan heeft men gemiddeld juist te weinig.

Neem een gemiddelde woningbezitter van vijftig jaar. Die zou optimaal een vermogen van ruim €56.000 moeten hebben opgebouwd. In werkelijkheid is dat meer: €95.000. Maar het grootste deel daarvan zit in het huis. De liquide middelen bedragen slechts €17.500. Niet genoeg om de inkomensrisico’s te dekken. Nederlanders zijn dus rijk genoeg, maar hebben een te groot deel van die rijkdom belegd in de eigen woning. Aflossen maakt de financiële situatie niet veiliger, maar juist riskanter.

Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat we allemaal moeten stoppen met aflossen. Maar wel dat het doel van een volledig afgeloste hypotheek in dertig jaar voor veel mensen overdreven is. Aflossen mag, maar hou ook genoeg geld over om inkomensrisico’s af te dekken.

(FD)

NB: De grafiek moet niet gelezen worden als financieel advies. Het gaat om gemiddelden (of beter: medianen). Of zoals het CPB zelf schrijft:  “Het optimale vermogenspad dat we presenteren is niet bedoeld als normatieve aanbeveling; het is geen advies aan individuele huishoudens. Ons resultaat hangt af van aannames omtrent voorkeuren, parameters en de gemaakte modelkeuzes. De werkelijk optimale vermogens zijn onzeker en zal voor elk huishouden anders zijn. In de notitie laten we gevoeligheidsanalyses zien voor andere aannames en parameterwaarden.”

journalist en econoom