Alle berichten van Mathijs

Staak voor meer loon!

Reinier Castelein is een beschaafde man. Gekleed in de krijtstreep van de bankier, de stropdas van de werkgever en met de haarstijl van de beurscommentator, is hij de antithese van de volksmennende vakbondsleider. Er staat geen megafoon in het kantoor van Castelein, er hangt geen vakbondspetje aan zijn kapstok. Zijn Vakbond De Unie is een beschaafde bond voor beschaafde mensen.

Schreeuwen op het Malieveld of tieren op de Dam, dat is niks voor mensen van De Unie. Opbouwend overleggen met werkgevers en constructief bijdragen aan een voor alle partijen voordelige cao, da’s meer hun stijl.

Vandaar dat voorzitter Castelein deze week met achteloos gemak het in eerdere eeuwen bevochten stakingsrecht bij het grof vuil zette. Staken levert niets op, vindt Castelein. ‘Als argumenten aan tafel niet helpen, dan helpt een polonaise op het Malieveld zeker niet’, stelde hij deze week.

De Unie heeft mijn sympathie. De vakbond hangt veel minder aan verworven rechten en verouderde arbeidsmarktinstituties dan andere bonden. Maar het stakingswapen vrijwillig aan de wilgen hangen, dat is mij iets te pacifistisch. Het mes moet wel op tafel blijven. Juist nu!

Nederland smacht naar een loongolf, of op z’n minst een loongolfje. Een inkomensstijging voor werknemers waardoor de koopkracht stijgt en de inflatie toeneemt, dat is wat de economie nodig heeft. Juist het middenkader waar De Unie voor zegt op te komen, kan een loonstijging gebruiken. Het gemiddelde cao-loon steeg de afgelopen vijf jaar met zo’n 6%. De inflatie bedroeg in die periode 10%, dus in reële termen daalden de cao-lonen. Misschien logisch, gezien de crisis, maar nu de economie herstelt is het tijd voor een inhaalslag.

Natuurlijk moet het loon niet omhoog bij ieder bedrijf en in elke sector. Maar bij bedrijven met fraaie winsten en een nette vermogenspositie zouden de vakbonden nu prima extra loon kunnen eisen. Niet bij KLM, wel bij Bol.com. Niet in de bouw, wel in de zakelijke dienstverlening. Niet in Assen, wel in Eindhoven.

Om zo’n bedrijfs- of sectorspecifieke looneis hard te maken, heeft de vakbond het ultieme dreigmiddel van een staking ongetwijfeld nodig. Belangrijk is dan wel dat de vakbonden ook echt strijden voor hoger loon per direct, en zich niet — zoals de afgelopen jaren — laten afleiden door deelbelangen en het verdedigen van oude rechten.

Dus ditmaal niet de loonruimte inruilen voor vage baangaranties, meer verlofdagen, reparatie van de ww, transitievergoedingen, stortingen in sectorale studiefondsen of extra pensioenfranje. Gewoon harde pegels op de bankrekening van werknemers, daar moet het om gaan. Vergeet die bij voorbaat verloren strijd tegen modernisering van de arbeidsmarkt, hou op met dat zinloze gevecht tegen de zzp-er en staak voor meer loon! Castelein, op naar het Malieveld!

(Deze column stond eerst hier, in het FD)

Syriza belooft gratis ouzo voor alle Grieken

Alexis Tsipras is een toffe peer. De leider van de coalitie van linkse partijen in Griekenland, die onder de naam Syriza meedoet aan de komende parlementsverkiezingen, is een gewone man, met een doodnormale politieke visie waar weinig extreems aan is.

Sommigen noemen hem uiterst links, anderen vinden hem een marxist, maar Tsipras is eigenlijk een gewone Griek die wil dat het beter gaat met zijn land en die het beste voor heeft met zijn landgenoten. Niets om bang voor te zijn.

Dat is in elk geval het beeld dat de leider van de potentiële winnaar van de Griekse verkiezingen van 25 januari – hij staat in de peilingen op een voorsprong van ruim 3 procent – de afgelopen weken heeft willen uitstralen. Hij noemt zijn partij ‘de stem van de redelijkheid’.

Onder zijn leiding zal Griekenland niet uit de euro of de Europese Unie stappen. Andere Europese landen hoeven niet bang te zijn voor hem. Hij is een degelijke politicus met een degelijk programma, die het beste voor zijn land wil. Dat mag toch?

Ik moet eerlijk zeggen: bijna was ik er ingetrapt. Syriza als het redelijke alternatief van Griekenland en Tsipras als de politicus die Europa een nieuwe weg uit de crisis kan leiden. Niet de weg van bezuinigingen en recessie, maar van stimulering en groei. Het klonk ook mij prachtig in de oren.

Maar toen las ik het programma van Syriza en nu weet ik beter. Tsipras heeft geen echte antwoorden voor de Griekse problemen. Zijn oplossingen zijn van bordkarton. Hij geeft geld uit dat er niet is en er ook niet zal komen.

De Engelstalige samenvatting op www.syriza.net.gr somt de plannen van de partij helder op. Vooral als het gaat om geld uitgeven is het programma expliciet. Syriza zal, zodra het aan de macht is, direct stoppen met bezuinigen. Eerdere verlagingen van ambtenarensalarissen worden teruggedraaid. Het minimumloon gaat per direct omhoog van de huidige 540 euro naar het oude niveau van 751 euro. WW-uitkeringen gaan omhoog. De welvaartsstaat wordt opnieuw opgebouwd, belooft Syriza.

Arme Grieken krijgen gratis elektriciteit, voedsel en goedkope woningen. De industrie krijgt korting op de energierekening, in ruil voor meer werkgelegenheid. Belasting op stookolie en diesel gaat omlaag, net als de belastingen voor de middeninkomens en op huizenbezit. Private schulden worden gesaneerd en niemand wordt meer uit zijn huis gezet wegens wanbetaling.
Verder komt er investeringsbank van de overheid met een startkapitaal van 1 miljard euro en een banenplan van 3 miljard, waarmee Syriza 300.000 extra banen denkt te creëren. Werknemers ontslaan wordt moeilijker, mensen aannemen makkelijker en cao’s weer allesbepalend.

Alles bij elkaar gaan al deze plannen 11,4 miljard euro kosten, rekent Syriza voor. Dat is ruim 6 procent van het Griekse bruto binnenlands product. Ter vergelijking: de Nederlandse overheid zou 40 miljard extra moeten besteden om aan zo’n percentage te komen.

Waar haalt Tsipras zo’n enorm bedrag vandaan? Het antwoord: nergens! De dekking bestaat uit een handvol bij elkaar gefantaseerde meevallers. Puur wensdenken.

Zo denkt Syriza het nu eindelijk wel voor elkaar krijgen om corruptie en nepotisme bij de overheid terug te dringen. De partij belooft belastingontduiking en zwarte handel stevig aan te pakken. Ook bij het bestrijden van smokkel van sigaretten en brandstof doet Syriza wat alle voorgaande regeringen niet lukte. Dat plotselinge succes levert veel geld op. Op papier althans.

Verder rekent Syriza op nog eens 3 miljard euro uit Brusselse subsidiepotjes, ook al belooft de partij bestaande afspraken met Europa op te zeggen. Men rekent er op dat die harde opstelling door de rest van de EU wordt beloond met extra subsidie.

Wat er dan nog aan financiering nodig is, gaat Syriza lenen. Van wie, vraagt u zich misschien af, want de partij wil de huidige schuld niet terugbetalen. Wie wil er dan nog aan Griekenland lenen?

Andere Grieken in het buitenland, denkt Tsipras. Er komt een speciale ‘diaspora-obligatie’, waarmee succesvolle Griekse ondernemers in den vreemde hun zuurverdiende centen in de bodemloze put van hun vaderland kunnen storten. Ik ben benieuwd hoe populair die diaspora-obligatie gaat worden.

Syriza wil ook geld lenen via een ‘belastingobligatie’. Wat dit precies is, blijft onduidelijk, maar het lijkt erop dat de partij toekomstige belastinginkomsten als onderpand voor deze lening wil gebruiken. Dat lijkt me een schijnconstructie, want normale obligaties (die Syriza juist niet wil aflossen) zijn uiteindelijk ook niets anders dan een claim op toekomstige belastinginkomsten. Wie gaan deze fantasieobligaties van Syriza kopen? Niemand, denk ik.

Geld uitgeven en belastingen verlagen, daar is Syriza goed in, maar de plannen zijn ongedekt. Het is de politiek van gratis ouzo voor alle Grieken en we zien wel hoe we het betalen. Tsipras wijst niet de nieuwe weg die Griekenland moet inslaan, maar juist de doodlopende weg van weleer.

(Verscheen eerder op RTLNieuws.nl)

Ook in Nederland dalen de prijzen

Het was de laagste inflatie sinds 2009, maar in elk geval ging de Nederlandse consumentenprijsindex in december nog omhoog. Terwijl in het eurogebied als geheel het prijspeil daalde met 0,2% ten opzichte van een jaar eerder, meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) afgelopen woensdag nog een positieve inflatie van 0,7%.

Er is deflatie in Europa, maar in Nederland stijgt het prijspeil nog. Hard gaat het niet, maar wie bang is voor deflatie lijkt in Nederland veilig.

Schijn bedriegt
Maar schijn bedriegt. Net als in het eurogebied in z’n geheel, heerst ook in Nederland deflatie. Het prijspeil daalde in december met 0,1%. Het was de eerst negatieve inflatie sinds juli en augustus 2009, toen het Nederlandse prijspeil ook met een tiende procent afnam.

Het CBS zegt dat de prijzen stegen in december, maar tegelijkertijd daalden ze ook. Hoe is dat mogelijk? De reden is dat je de verandering van de consumentenprijzen op verschillende manieren kunt berekenen. De manier die het CBS gebruikt is net anders dan de officiële Europese methode die Eurostat en de ECB voorschrijft.

Schermafbeelding 2015-01-18 om 14.18.59

Normaal gesproken maakt dat methodologische verschil niet zoveel uit. Maar nu de inflatie zich dicht bij de nul procent bevindt, kan het net het verschil tussen inflatie en deflatie uitmaken. Bovendien zorgt de andere methodiek op dit moment voor bovengemiddeld grote verschillen in de inflatieschatting.

Welke methode geeft het meest correcte beeld van de werkelijke inflatie in Nederland? Ik heb mijn keuze gemaakt: de Europese definitie komt dichter bij de waarheid. Dat betekent dus dat wat mij betreft het prijspeil in december is gedaald. Er is deflatie in Nederland.

 Kunstmatig

Ik kies niet voor het nationale CBS-cijfer omdat een flink deel van die prijsindex wordt bepaald door een kunstmatig berekende, niet in de werkelijke economie gevoelde prijs: de toegerekende huur van de eigen woning. Dit is een schatting van de kosten die huiseigenaren maken als ze hun huis ‘verwonen’. De aankoop van een huis zelf wordt door het CBS (terecht) niet gezien als consumptie maar als een investering. Die aankoopprijs zit daarom niet in de consumentenprijsindex.

Maar het gebruiken (consumeren) van de eigen woning na aanschaf, is wel consumptie. Welke prijs hoort bij die woonconsumptie? Het CBS veronderstelt dat de prijs van het consumeren van een eigen huis, gelijk is aan de huur die iemand betaalt voor een soortgelijk huis. Als de huur van een bepaald huis met 5% stijgt, neemt de geschatte prijs van het wonen in het koophuis van de buren ook met 5% toe. Bij de Europese methodiek wordt het eigen huis genegeerd.

Winkelmandje
De toegerekende huur is een belangrijke component in het winkelmandje dat het CBS gebruikt voor het berekenen van de inflatie. Met een gewicht van 11% is het na de bestedingen aan voeding, de belangrijkste component. Niemand betaalt of voelt een stijging van de toegerekende huur echt, maar meer dan een tiende van het inflatiecijfer wordt er door bepaald. Ter vergelijking: een stijging van de energieprijzen telt maar half zo zwaar mee.

Schermafbeelding 2015-01-18 om 14.19.11

De huren stijgen de afgelopen tijd flink. In 2014 gingen de huren gemiddeld met 4,5% omhoog. Koopwoningen stegen vorig jaar ook iets in prijs, maar bleven met een toename van 1,8% ver achter bij de huren. De kostprijs van een nieuwbouwwoning — toch ook een aardige indicator van wat een huis de burger kost — ging zelfs licht omlaag. In de jaren voor 2014 gingen de huren telkens omhoog, terwijl de huizenprijs en de kostprijs van nieuwbouw daalden.

Deze huurstijging heeft geen enkel effect op de koopkracht van Nederlanders in een koopwoning. Het is op theoretische gronden vast te verdedigen dat het CBS een schatting probeert te maken van de prijs van wonen in een eigen huis, maar nu de huren al lange tijd veel harder stijgen dan de prijs van een koopwoning, pakt het in de praktijk ongelukkig uit.

Schermafbeelding 2015-01-18 om 14.19.19

 

 

Ramkoers

Aan de linkerkant ziet u Angela Merkel in haar Audi A8. Aan de rechterkant Alexis Tsipras van de Griekse Syriza-partij in een oud bestelbusje. Er tussen een rechte weg zonder verkeer. Het is donker, maar zowel de Duitse als de Griek laat de koplampen uit. De motoren janken, vonken springen uit de uitlaten. Dan laten ze de koppeling los en daveren de weg op. Recht op elkaar af, snel accelererend, op weg naar een onvermijdelijke frontale botsing.

Welkom in Euroland. Zo doen wij dat hier. In plaats van overleggen, belangen uitruilen, of zoeken naar gemeenschappelijke winst spelen wij de ‘chicken game’. Twee auto’s rijden met volle vaart op elkaar af en degene die het eerste uitwijkt, is de ‘chicken’, de lafbek.

Nieuwe verkiezingen in Griekenland: uitdager Tsipras dreigt bij winst de afspraken die Griekenland maakte met Europa en het Internationaal Monetair Fonds aan de kant te schuiven. De gevolgen voor de euro, voor andere zwakke eurolanden, voor het reddingsplan van de Europese Centrale Bank? Gewoon negeren. Tsipras knijpt de ogen dicht en drukt het gaspedaal in. Op ramkoers met de Duitsers.

Merkel hoort in de verte de motor van zijn busje brullen. Onze afspraken negeren? Dan donder ik Griekenland gewoon de euro uit. Het maakt niet uit wat de gevolgen zijn voor de euro of voor andere eurolanden. Ogen dicht en gassen! Ik wijk niet uit. Die Griek zal heus wel op tijd de berm in sturen.

Voor de omstanders is het een uiterst spannend spel. Te spannend eigenlijk, want iedereen kan zich voorstellen wat er gebeurt als geen van beiden uitwijkt. Dan knallen de wagens frontaal op elkaar en zijn beide bestuurders morsdood.

Alleen de speltheoreticus in het publiek ziet het machtsvertoon rustig aan. Hij kent de uitkomst van het spel, want de ‘chicken game’ is door hem en zijn collega’s tot in detail ontleed.

Een echte botsing is vrijwel uitgesloten. De kosten van een frontale botsing zijn voor iedere speler immers veel groter dan de winst van als laatste wegsturen. Het spel verliezen valt altijd te prefereren boven een botsing. Dus zal altijd een van de bestuurders wegsturen. Misschien doen ze het wel allebei tegelijk.

Maar tot dat moment ziet het spel er gruwelijk serieus uit. Zolang niemand zijn verlies neemt, lijkt een botsing onafwendbaar. Duitsland en Griekenland op ramkoers, schrijven de kranten. Crisis! De euro gaat er aan!

Uiteindelijk, op het laatst mogelijke moment, binden de Grieken in en schuiven de Duitsers aan aan de onderhandelingstafel. Waarom doen ze dat niet meteen?, vraagt u misschien. Dan hoeven wij niet steeds in de rats te zitten.

Hoe naïef. Geen Europese politicus wil voor laffe eurofiel worden uitgemaakt. Eerst een bijna-ongeluk, dan pas het onvermijdelijke compromis.

 

(ook hier)

Rutte-Asscher levert Nederland extra leger van 1,2 miljoen werknemers

(Verscheen eerder in het FD)

De kerstcrisis werd bezworen. Het kabinet Rutte-Asscher blijft nog even zitten. Maar veel slagkracht valt van de verkruimelende coalitie niet meer te verwachten, lees ik in de politieke commentaren. Gelukkig dan maar dat het belangrijkste werk al is gedaan.

De ongeschreven missie van dit kabinet was: Nederland vergrijzingsproof maken. Daarvoor moest de pensioenleeftijd omhoog, het pensioenstelsel op z’n kop en de hypotheekrenteaftrek omlaag. De arbeidsmarkt moest worden hervormd en het zorgstelsel versoberd. Van die twee laatste is weinig terecht gekomen. Echte hervorming van de arbeidsmarkt was na het tekenen van het Sociaal Akkoord niet meer mogelijk. En de nieuwe zorgwet bleef dus steken in de Eerste Kamer.

Maar op de eerste drie dossiers werden wel grote stappen gezet. Je zou het na de sombere commentaren van deze week niet snel denken, maar als het gaat om hervormen en toekomstbestendig maken van de economie, heeft het huidige kabinet de beste prestatie van deze eeuw geleverd. Het moet maar eens gezegd.

We gaan langer werken en minder hypotheekrente aftrekken, daardoor is de houdbaarheid van de overheidsfinanciën sterk verbeterd. Volgens de sommetjes die het Centraal Planbureau hier over maakt, stevenen we daardoor voor het eerst deze eeuw niet meer af op een exploderende staatsschuld.

Het beste nieuws is dat de forse daling van de beroepsbevolking, die eerder nog werd gevreesd, door de verhoging van de AOW-leeftijd uit de prognoses is verdwenen.

Afgelopen woensdag presenteerde het Centraal Bureau voor de Statistiek een nieuwe bevolkingsprognoses. Daaruit blijkt dat als we de AOW-leeftijd op 65 jaar hadden gelaten, de potentiële beroepsbevolking tussen 2010 en 2040 met 770.000 personen zou zijn afgenomen. Daarna zou het aantal Nederlanders in de werkzame leeftijd van 20 tot 65 jaar weer iets zijn toegenomen, maar in 2060 was de beroepsbevolking nog altijd 570.000 lager geweest dan in 2010.

Die krimpende beroepsbevolking had een groeiende groep inactieve Nederlanders moeten onderhouden en verzorgen. Het was een schrale boel geworden in ons land. Gelukkig kwam dit kabinet met de ‘Wet versnelde verhoging AOW-leeftijd’. De AOW-leeftijd gaat de komende jaren stapsgewijs omhoog. Vorig jaar, dit jaar en volgend jaar, gaat de AOW-leeftijd telkens met een maand omhoog. Van 2016 tot en met 2018 komen er ieder jaar drie maanden bij. Daarna gaat het met stappen van vier maanden omhoog, tot in 2021 de pensioenleeftijd van 67 jaar is bereikt. In de jaren daarna stijgt de AOW-leeftijd mee met de levensverwachting, in stapjes van minimaal drie maanden.

Uitgaande van de laatste prognoses van de levensverwachting, bereikt de pensioenleeftijd de 68 jaar in 2030, de 69 jaar in 2039 en de 70 jaar in 2047. In 2060 krijgen we pas op de leeftijd van 71 jaar en zes maanden AOW.

Schermafbeelding 2015-01-05 om 16.45.42

Dankzij de stijgende pensioenleeftijd komt de Nederlandse beroepsbevolking de komende vijftig jaar niet onder het aantal van 2010 te liggen. In 2040 levert het de maatregel ruim 800.000 extra (potentiële) werknemers op. In 2060 zal dat aantal oplopen naar meer dan 1,2 miljoen.

Schermafbeelding 2015-01-05 om 16.46.16

De toekomst is onzeker, dus het CBS geeft bij de getallen ook kans intervallen. Minimaal stijgt de beroepsbevolking in 2060 dankzij de hogere pensioenleeftijd met een half miljoen, maximaal met anderhalf miljoen.

Schermafbeelding 2015-01-05 om 16.45.53

Natuurlijk, er moet dan wel werk zijn voor al die 65-plussers. Daarom is de overheid met verhogen van de pensioen- en AOW-leeftijd niet klaar. De arbeidsmarkt moet beter gaan werken, zodat oudere werknemers er beter op terecht kunnen. Dat betekent wederom dat er taboes moeten worden doorbroken. Het taboe op demotie bijvoorbeeld. Aan het eind van de carrière kunnen dan zowel de werklast als de loonkosten wat gaan dalen. Mogelijk maken van demotie is het logische vervolg van de verhoging van de pensioenleeftijd.

Daarnaast moeten werknemers meer mogelijkheden en prikkels krijgen om gedurende hun carrière kennis en vaardigheden op peil te houden. Zonder levenslang leren leidt verhoging van de pensioenleeftijd vooral tot hogere werkloosheid onder ouderen.

Dat lijkt me een mooie beleidsagenda voor Rutte en Asscher, nu ze toch nog even blijven zitten.

 

Geef ministers opslag

Het jaar van Piketty wordt in Nederland afgesloten met een toepasselijk staaltje van nivellering. De Wet Normering Bezoldiging Topfunctionarissen werd dinsdag door de Eerste Kamer aangenomen. Met ingang van 1 januari 2015 mogen werknemers bij de semi-overheid niet meer verdienen dan een minister.

Minister Ronald Plasterk van Binnenlandse Zaken kan eindelijk een succesje claimen. Zijn superprovincie kwam er niet, maar aan het zakkenvullen op kosten van de belastingbetaler heeft hij toch mooi een einde gemaakt.

Vanaf volgend jaar zullen topbestuurders in publieke functies niet meer dan de € 178.000 van een ministersalaris verdienen, schreven veel kranten en nieuwssites. Hola, hoor ik u denken, verdient een minister € 178.000? Nou nee, het echte salaris ligt een stuk lager, op € 144.000 per jaar. Alleen door daar de onkostenvergoeding en het werkgeversdeel van de pensioenbijdrage bij op te tellen, kom je op € 178.000.

Een minister verdient dus bruto € 144.000 per jaar. Na belasting blijft daar zo’n € 77.000 van over. Per maand krijgt een minister zo’n € 6500 op z’n bankrekening gestort.

Nee, dat is helemaal niet weinig. Een minister is niet zielig. Maar het is ook niet veel. Tien jaar geleden schreef de Commissie Dijkstal een rapport over de hoogte van salarissen bij de overheid. Daarin werd een vergelijking gemaakt met andere landen. Een Nederlandse minister verdient minder dan zijn collega’s uit Duitsland, Frankrijk en België. Zelfs in het egalitaire Zweden en Denemarken neemt een minister meer mee naar huis.

In 1970 verdiende een minister € 49.455 per jaar. Om de stijging van het algemeen prijspeil bij te houden, zou dat salaris nu € 216.000 moeten bedragen. Dat is € 72.000, of precies 50%, meer dan het werkelijke salaris. Ook ten opzichte van de lonen in de marktsector is het inkomen van de minister fors achtergebleven. Maar jezelf opslag geven is politieke zelfmoord, weten de ministers. Dus ze laten het maar zo.

Nee, ik vind ze nog steeds niet zielig. Het ministerschap is al lang geen levensvullende baan meer, maar eerder een tijdelijk corvee voor bestuurders die aan carrièreplanning doen. Een paar jaar leven van € 144.000, daar wordt niemand slechter van.

Maar nu Plasterk het ludiek lage ministerssalaris verheft tot norm voor de hele (semi)publieke sector, wordt het wel een probleem. Wie weinig betaalt, krijgt ook weinig kwaliteit. Wie denkt dat ziekenhuizen, musea en wetenschapsinstellingen voor minder salaris net zo veel kwaliteit kunnen inkopen, houdt zichzelf voor de gek.

De wet is aangenomen. Daar valt niets meer aan te doen. Dan moet het ministersalaris maar omhoog, om te beginnen met 30%, zoals de Commissie Dijkstal in 2004 al voorstelde. Dat is politieke harakiri, maar Plasterk heeft het er zelf naar gemaakt.

 (deze column verscheen eerder in het FD)

2014 lijkt doodnormaal beursjaar te worden

Met de AEX op 424 punten (23-12, 10:15 uur), staat de index ruim 5% hoger dan de slotstand van vorig jaar.

We hebben nog een paar handelsdagen te gaan, maar als de jaarwinst onder 10% blijft (en boven de 0), schaart 2014 zich bij de doodnormale beursjaren. Een leuk winstje, maar niet meer dan dat.

Sinds de AEX in 1983 van start ging waren er nog zeven van dergelijke jaren. Zestien maal was de jaarwinst (exclusief dividend) hoger dan 10%. Acht maal eindigde de AEX op verlies.

Schermafbeelding 2014-12-23 om 10.24.49(klik op plaatje voor vergroting) 

Dalende werkloosheid is de meevaller van deze crisis

(Eerder hier verschenen)

Ze hebben zich duidelijk ingehouden, bij het Centraal Planbureau (CPB). Volgend jaar groeit de Nederlandse economie een kwart procentpuntje meer dan eerder werd gedacht. Het wordt in 2015 geen 1¼%, maar 1½%, zo bleek deze week.

De goedkope euro en de lagere olieprijs geven de economie een zetje in de rug. Of misschien wordt het wel een flinke zet, want het CPB heeft de meevallers niet bepaald overdreven zwaar mee laten wegen. Op basis van eerdere modelsimulaties, zou de dalende euro alleen al voor een extra impuls van een kwart procent of meer kunnen zorgen. Hetzelfde geldt voor de goedkope olie. Alles bij elkaar had de groeiraming voor volgend jaar zomaar richting de 2% kunnen zijn gegaan. Maar het gezonde economische verstand van het Planbureau liet zo’n euforische raming blijkbaar niet toe. Een zuinig kwartje erbij, meer zat er niet in.

Opwaartse revisie
In december 2013 verwachte het CPB niet meer dan half procent groei in 2015. Begin dit jaar ging de prognose omhoog naar 1¼, om deze week te eindigen op 1½%. Misschien is het patroon van opwaartse revisie van de 2015-raming wel de duidelijkste indicatie dat het weer wat beter gaat met de Nederlandse economie.

Zo voorzichtig als het Planbureau de groei opwaarts bijstelde, zo onstuimig paste men de werkloosheidsraming aan. In september ging het CPB nog uit van 605.000 werklozen medio 2015. Nu ligt die prognose 35.000 lager, op 570.000 werklozen.

Toegenomen bereidheid te werken
De werkloosheid daalt een stuk sneller dan het CPB eerder verwachtte. Dat is de grote meevaller van deze crisis. Normaal gesproken is er na een recessie minstens twee jaar van serieuze economische groei nodig, voordat de werkloosheid gaat dalen. Zo was dat in elk geval tijdens alle recessies sinds 1970. Ditmaal is er bij de eerste tekenen van herstel al direct sprake van dalende werkloosheid. Dat is goed nieuws.

Er valt nog meer goeds te vertellen over de arbeidsmarkt. Dat de werkloosheid de afgelopen jaren is gestegen – want dat is natuurlijk onmiskenbaar het geval geweest – komt niet alleen doordat veel mensen hun baan verloren. Een andere oorzaak is dat een steeds groter deel van de Nederlanders wíl werken. De toegenomen bereidheid en wens om deel te nemen aan het arbeidsproces, was de afgelopen zes crisisjaren goed voor de helft van de toename van de werkloosheid.

Nieuwe instromers
Dat vraagt wat extra uitleg. Eerst enkele begrippen: de verhouding tussen het aantal mensen dat werkt en het aantal mensen dat in theorie zou kunnen werken (alle Nederlanders tussen 15 en 65 jaar), noemen we de netto arbeidsparticipatie. Dat cijfer staat momenteel op 66%. Dat wil zeggen dat van alle Nederlanders tussen 15 en 65 jaar, 66% wel, en 34% niet werkt. In 2008 was de netto arbeidsparticipatie nog boven ruim 68%. De afname van de netto arbeidsparticipatie geeft aan er dat gedurende de crisis veel werkgelegenheid verloren ging.

Schermafbeelding 2014-12-19 om 20.59.01

Maar de bruto arbeidsparticipatie is gedurende de crisis juist gestegen. Dit percentage meet het aantal mensen dat werkt of wil werken (de werkenden plus de werklozen), ten opzichte van alle Nederlanders tussen 15 en 65 jaar. In 2008 stond de brute arbeidsparticipatie op 70,5%. Inmiddels is het bijna 72%. Een groter deel van de bevolking wil dus werken. Door de recessie vinden deze nieuwe instromers niet allemaal een baan, en mede daardoor liep de werkloosheid op.

Schermafbeelding 2014-12-19 om 20.59.09

Andere definitie
Hoe hoog was de werkloosheid geweest als de bruto arbeidsparticipatie niet was gestegen? Dat valt met behulp van cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) te berekenen. Het CBS hanteert een iets andere definitie van werkloosheid dan het CPB. Volgens die definitie telt Nederland nu 627.000 werklozen. Dat is 311.000 meer dan in 2008. Als de bruto arbeidsparticipatie sinds 2008 ongewijzigd was gebleven, bedroeg de werkloosheid nu 478.000. Dat is bijna 150.000 minder dan het werkelijke getal.

Schermafbeelding 2014-12-19 om 20.59.16

De helft van de werkloosheidsstijging tijdens de crisis komt dus door baanverlies, de andere helft doordat meer Nederlanders willen werken.

Kamp kiest het nieuwe Google

U wist het misschien niet, maar u bent een venture capitalist. U weet wel, zo’n snelle durfinvesteerder die speurt naar de Google’s, Facebooks en ASML’s van de toekomst. U verstrekt risicodragend kapitaal en stuwt zo de groei van de Nederlandse economie.

Wist u niet dat u dat deed? Dat kan kloppen, want de dagelijkse leiding van uw investeringsfonds is in handen van minister Kamp van Economische Zaken. Via zijn Dutch Venture Initiative (DVI) steekt u € 150 mln aan belastinggeld in innovatieve bedrijven in Nederland. Het DVI is een antwoord van Kamp op het gebrek aan risicokapitaal uit private bronnen. Sinds de kredietcrisis is het financieren van bedrijven blijkbaar een overheidstaak geworden.

Dat is wel even slikken voor een econoom. Een overheid die goede van slechte bedrijven kan onderscheiden, die de toekomstige successen kan voorspellen en blijkbaar weet welke kant het opgaat met de technologie, daar geloofden we toch niet meer in?

Voor een innovatieve economie heb je juist geen actief kiezende overheid nodig, vonden economen altijd. De overheid moet zorgen voor goede scholing, een degelijk wetenschapsbeleid en voor een betrouwbaar rechtssysteem dat eigendomsrechten garandeert. Na het scheppen van die randvoorwaarden moeten de ministers en ambtenaren een stap terug doen en met de armen over elkaar bewonderend kijken hoe de innovatiemachine van het vrije kapitalisme aan het werk gaat. Uitvinders bedenken fantastische producten, durfkapitalisten steken er risicodragend kapitaal in, consumenten kiezen precies wat ze willen en nodig hebben. De economie groeit en de welvaart stijgt, juist omdat de overheid zich er niet mee bemoeit.

Opgeleid in de jaren negentig, ben ik ook van die school. In het verleden verdiende ik een leuke journalistieke boterham met het schrijven van stukjes over onzinnige subsidies en misplaatst technologiebeleid. Nu hadden de meeste van de subsidies die het ministerie van EZ aan het bedrijfsleven uitdeelde, ook nauwelijks een betere wetenschappelijke onderbouwing dan homeopathie of bach-druppels, dus ik sta daar nog achter. Maar sinds de crisis waait de wind toch duidelijk uit een andere hoek.

Vorig jaar jaar verscheen The Entrepreneurial State van de Italiaanse econome Mariana Mazzucato. Het boek won in 2014 de Statesman Prize voor het beste politiek-economisch boek, en versloeg het tevens genomineerde Capital van Thomas Piketty. Volgens Mazzucato moet de overheid niet langer aan de zijlijn staan, maar de aanvoerder worden van het innovatieteam en innovatie financieren en initiëren.

Ik heb haar boek met rode oortjes gelezen. Maar moet er nog wel aan wennen. De overheid, die nog geen ICT-project met succes kan afronden, weet die echt beter welke technologie gaat winnen en welk innovatief bedrijf de nieuwe Google wordt? Ik houd mijn hart vast.

(column verscheen eerder in FD)

 

Van Lotringen laat mij rare dingen beweren over de robot

Als ze je in de eerste alinea “gerenommeerde journalist en econoom” noemen, dan weet je het wel: je gaat er van langs krijgen. Je ziet het verkeerd, je hebt het mis, je zit er volkomen naast.

Cees van Lotringen (een buitengewoon bekwame journalist, schrijver en managing-director) pakt het ook zo aan in zijn artikel op FTM, vandaag.

Van Lotringen reageert op een stukje van mij in het Financieele Dagblad van afgelopen zaterdag over dienstverlenende robots. (zonder betaalmuur hier). En ik reageer daar graag weer op.

Want Van Lotringen heeft niets van mijn verhaal begrepen.

Ik loop zijn beweringen even door:

Van Lotringen schrijft: “Hij [dat ben ik dus] laat ons weten dat we ons geen zorgen hoeven te maken over de opmars van de robot; ze zullen onze banen niet inpikken”.

Vreemd, want ik schrijf dat helemaal nergens. Mijn stukje ging niet over de vraag of robots banen inpikken.

Misschien dat Van Lotringen doelt op de zin waarin ik de inleiding van een robotrapport citeer: “De dienstenrobot heeft nog nauwelijks intrede  gedaan in ons dagelijks leven. Een stofzuiger, een grasmaaier, wat speelgoed, maar dat is het dan ook wel.” Dat citaat slaat op robots in huis. Niet op robot als banendief in het bedrijfsleven, zoals ik in de tekst duidelijk aangeef.

De dienstverlenende robot is juist wel te vinden in het bedrijfsleven ( daar gaat de rest van mijn stukje van zaterdag dan ook over). Ik beschrijf wat de robot daar doet, hoeveel er van zijn en hoe snel die opmars van de dienstverlenende robot gaat.

Als iemand daar al iets over banendiefstal in wil lezen, dan moet het de constatering zijn dat ik vind dat het snel gaat met de opmars van de dienstenrobot op de werkvloer.

Dat is ook wat er uit het geciteerde rapport van de International Federation of Robotics (IFR) blijkt. De komende jaren komen er jaarlijks maar liefst 33.000 dienstenrobots bij, verwacht IFR.

Maar volgens Van Lotringen schijft de IFR dat er jaarlijks “niet meer dan 33.000” zullen worden verkocht. Alsof ze de boel proberen te verhullen en ons “in slaap willen wiegen”.

Van Lotringen noemt de IFR daarom een “vooringenomen”, “waarschijnlijk onbetrouwbare” en “discutabele” bron voor informatie over robots.

Dat zijn nogal wat beschuldiging. Ik lees nergens een bewijs dat IFR zijn cijfers verkeerd voorstelt of expres onjuist presenteert. Wat weet Van Lotringen over deze bron dat ik niet weet? Opvallend is dat het IFR het nergens in het rapport heeft over “niet meer dan 33.000”. Men laat juist met enige trots zien dat het snel gaat met de introductie van de dienstenrobot.

Zou van Lotringen het rapport zelf eigenlijk wel gelezen hebben? Het zou zomaar kunnen van niet, want het is nogal kostbaar. Je moet eerst 575 euro overmaken voordat je hun twee robotrapporten in de mailbox krijgt. Ik heb dat geld er – na enig aarzelen – voor over gehad, omdat ik denk dat we pas aan de discussie over banen-stelende-robots kunnen beginnen als we de feiten kennen. Hoeveel robots zijn er? Wat doen ze? In welke sectoren? Hoe snel is de groei?

Precies daarom schreef ik dat (eigenlijk nogal saaie) stukje in het FD, afgelopen zaterdag. Om de cijfers te presenteren. Eerder deed ik hetzelfde voor de robot in de industrie. Eerst de feiten, dan de analyse. En pas dan conclusies trekken.

Ik heb geen betere en completere data kunnen vinden dan die van IFR. Geloof me, anders had ik die 575 euro wel op zak gehouden. Maar hou me aanbevolen voor vergelijkbare gratis cijfers uit andere bronnen.

Nog wat korte opmerkingen over Van Lotringens artikel:

Hij schrijft: “De discussie gaat – of zou moeten gaan – over defensie, maar vooral over industriële robots, die wél een exponentiële groei laten zien.”

Okay, daar ging dit eerdere FD-artikel dus over. Enkele lezers wezen mij er terecht op dat de dienstenrobot minstens zo belangrijk was voor de vraag of robots banen pikken, want de dienstensector is nu nog erg arbeidsintensief. Vandaar mijn tweede artikel.

 “Japan slaat op dat terrein wereldwijd de trom. (…) Nu zet de robotrevolutie zich voort. In de VS, maar vooral ook in China.”

Hier grafieken met de feiten (ja, van de IFR). Japan is groot in robots, maar China nog niet. Europa blijft achter, behalve Duitsland. Zuid-Korea heeft relatief de meeste. China komt (afgezet tegen het aantal werknemers in de industrie) pas op plaats 28. Nog achter Nederland, waar het ook niet echt wil vlotten.

Over eerdere technologische ontwikkeling schrijft Van Lotringen: “Het heeft onze levensomstandigheden sinds de uitvinding van de stoommachine verbeterd en voor hogere welvaart gezorgd. Voor Bouman is dat historische gegeven aanleiding voor een stevig vooruitgangsgeloof.”

Weer weet ik blijkbaar het antwoord al: de robot is goed. Niet zo lang geleden schreef ik een column met precies die vraag: kunnen we afgaan op de gunstige uitkomsten van voorgaande technologische revoluties.

Mijn conclusie (of eigenlijk juist gebrek aan conclusie): “ Is Asscher de nieuwe woordvoerder van het Amsterdamse handzaaggilde? Of is de robot echt anders dan de molen, tractor of pc? Ik denk het eerste, maar weet het niet zeker. De komende maanden ga ik op zoek naar het antwoord. Ik zal af en toe, maar niet te vaak, verslag doen van die zoektocht.”

Ik weet het dus juist nog helemaal niet. Mijn dienstenrobot-artikel was onderdeel van de zoektocht, die nog lang niet klaar is.

Van Lotringen schrijft: “Journalisten moeten hun lezers zowel het halfvolle als het halflege glas laten zien. De wereld is niet of in elk geval niet meer simpelweg wit of zwart.”

Okay, maar ze moeten eerst hun feiten en cijfers op orde hebben.

Van Lotringen: “Natuurlijk bieden robots de markt kansen, maar niet voor iedereen – en zeker niet voor mensen die laaggeschoold zijn, routinewerk doen en te maken hebben met werkgevers die de verleiding moeilijk zullen kunnen weerstaan om hen te vervangen door robots die 24 uur per dag werken, nooit om loonsverhogingen vragen, niet vertegenwoordigd worden door vakbonden en ook niet staken, zoals minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid recent terecht waarschuwde.”

Prachtig. Ik schreef precies over dat onderwerp in maart van dit jaar al deze column  in het FD. Geen antwoorden, maar een soort proto-analyse van de problemen die de robot voor de inkomensverdeling en arbeidsmarkt kan geven. Mijn eerste babystapje op een lange zoektocht.

Als het gaat om de toekomstige rol van de robot (en natuurlijk alle andere vormen van arbeidvervangende automatisering, maar robot bekt zo lekker) heb ik nog nauwelijks antwoorden. En ik heb nooit beweerd dat ik die wel heb. Van Lotringen – bekwaam, gerenommeerd – heeft een vreemd stuk geschreven.