Alle banken naar de beurs!

(Verscheen in FD woensdag 28 augustus 2013)

Vandaag precies vijf jaar geleden sloot de Amerikaanse beursindex S&P500 voor het laatst dat jaar boven de 1300 punten. Daarna zette de daling in. In maart 2009 stond de beursindex op 696. Het zou tot februari 2011 duren voordat de S&P weer boven de 1300 punten sloot. Dit soort historische feitjes zult u de komende maanden vaak zien langskomen.

Het is een half decennium geleden dat de financiële crisis in alle hevigheid losbrak. Ongetwijfeld werken alle economieredacties van kranten en andere nieuwsmedia aan verhalen over dit eerste lustrum van de kredietcrisis.

Inmiddels staat de S&P-index ruim boven de 1600. Op Wall Street is de crisis al lang voorbij. Amsterdam is nog niet helemaal boven Jan. Vijf jaar geleden sloot de AEX-index op 411 punten. Daar zitten we nu nog zo’n 10% onder.

Maar ook in Nederland is het beursklimaat inmiddels dusdanig hersteld, dat minister Jeroen Dijsselbloem van Financiën durft te speculeren op een terugkeer van ABN Amro naar de beurs. De bank kan op termijn terug naar de markt, stelde de minister afgelopen vrijdag zelfverzekerd.

Dat is goed nieuws. Niet alleen omdat we dan eindelijk weten hoe groot het onvermijdelijke verlies op deze aankoop door de Staat is. Maar vooral omdat er blijkbaar weer beleggers zijn die willen inschrijven op nieuwe bankaandelen.

Als dat echt zo is, moet er in alle hoofdkantoren van Europese banken een bel rinkelen. De markt is weer open! We kunnen eindelijk ons eigen vermogen aanvullen. Geef direct nieuwe aandelen uit! Desnoods tegen afbraakprijzen!

Banken moeten hun buffers versterken, liefst met risicodragend eigen vermogen. Aandelen dus. Alleen dan wordt de schuldenhefboom van de bank korter. En alleen dan kan het pijnlijke proces van afboeken van slechte leningen beginnen. Het gezond maken van de Europese (en dus ook Nederlandse) banken begint met het uitgeven van nieuwe aandelen.

Nee, de banken zelf zijn daar bepaald geen voorstander van. Met de impliciete belofte van de overheid op zak, dat ze als het mis gaat altijd worden gered, hebben ze een kunstmatige voorkeur voor vreemd vermogen. Met schuldeisers hoef je de winst immers niet te delen. Of je bonus.

Eigen vermogen hebben banken in theorie genoeg, want als de bank failliet gaat worden alle belastingbetalers automatisch aandeelhouder.

We zullen ze het eigen vermogen dus moeten opdringen, via een slimme combinatie van strenge kapitaal- en hefboomeisen. Uit de kabinetsvisie op de banken die minister Dijsselbloem samen met de ABN Amro-plannen naar de Tweede Kamer stuurde, valt op te maken dat hij zoiets van plan is. Mooi. Nu maar hopen dat we het voor het tweede lustrum van de financiële crisis op orde hebben.

Vals alarm over flexwerk

De omvang van de flexibele schil groeit. De doorstroom van flexibel naar vast werk stagneert. Het inkomen van flexwerkers is iets lager, ze zijn iets minder gezond en ze doen een groter beroep op de sociale zekerheid.

Dit is het sombere plaatje dat Lodewijk Asscher deze week in een brief aan de Tweede Kamer schetst. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid vindt het tijd voor actie en wil voorkomen dat flexibele arbeid verwordt tot een goedkoop alternatief voor de vaste baan. Werknemers krijgen daarom voortaan na twee jaar aanspraak op een vast contract, schrijft Asscher. Nu is dat nog drie jaar.

Verderop zal ik uitleggen waarom dat een beroerde oplossing is. Eerst de feiten.

Niet alarmerend
Asschers sombere beschrijving is gebaseerd op een grootschalig onderzoek dat Stichting Economisch Onderzoek (SEO) uitvoerde naar de sociaaleconomische situatie van flexibele werknemers.

Vreemd genoeg is de conclusie van de het rapport helemaal niet alarmerend. Er zijn nu inderdaad meer flexbanen dan aan het begin van de eeuw en er stromen minder flexwerkers door naar een vaste baan. Maar die doorstroom wordt vooral beperkt door de crisis.

Huishoudinkomen
Dat de kans op vast werk is afgenomen komt, zo schrijven de onderzoekers, voor een groot deel door de zwakke conjunctuur van de laatste jaren. Daar kan Asscher met zijn beleid weinig aan doen.

Bovendien blijkt uit het rapport dat het de meeste flexwerkers goed gaat. Ik citeer letterlijk, zodat u de conclusie kunt vergelijken met die van Asscher hierboven: Voor de meeste van deze werknemers (met een flexibele baan) is dat sociaaleconomisch geen probleem. Hun huishoudinkomen is nauwelijks lager dan dat van vaste werknemers en er wordt door flexibele werknemers en hun werkgevers minstens zoveel geïnvesteerd in post-initiële scholing.

Vaste baan
Ook met die mindere gezondheid die Asscher noemt, blijkt het wel mee te vallen.

Langdurige flexwerkers hebben 17,5% kans op gezondheidsproblemen, voor vaste werknemers is dat 16,6%. Een klein verschil, dat volgens de onderzoekers ook veroorzaakt kan worden doordat mensen met een zwakke gezondheid minder snel vast werk krijgen aangeboden.

Zijn er dan helemaal geen problemen? Jawel, voor oudere, allochtone, laagopgeleide flexwerkers is de kans op een vaste baan aanzienlijk lager dan gemiddeld. Een derde van hen belandt uiteindelijk langdurig in de WW en bijstand.

Op deze mensen zou het beleid zich moeten richten. Maar aan Asschers voorgenomen verbod op meer dan twee jaar flexwerk hebben zij niets. Oude allochtone flexwerkers zonder opleiding worden straks gewoon na twee jaar, in plaats van na drie jaar, ontslagen. Van de regen in de drup.

Shoppen is verboden

Isoleren betaalt zichzelf terug, dus ik had nieuwe ramen met dubbel glas besteld. De timmerman zette de ramen er netjes in en vervolgens kon de glaszetter het werk afmaken. Ook hij leverde uitstekend werk. Maar een glaszetter was deze zzp-er niet, vertelde hij. Op zijn website en visitekaartje stond ‘klusjesman’.

Dat leek me een veel te bescheiden omschrijving van zijn vakmanschap, en dat vond hij zelf ook. “Tot een jaar geleden stond er glaszetter op mijn website”, legde hij uit. “Maar op een dag kreeg ik een brief van het pensioenfonds van de schilders. Of ik met spoed duizenden euro’s aan achterstallige pensioenpremie wilde overmaken. Als glaszetter was ik blijkbaar verplicht bij dat pensioenfonds aangesloten. Sindsdien ben ik klusjesman.”

Zo werkt dat dus in Nederland. Het bedrijfstakpensioenfonds voor het Schilders-, Afwerkings- en Glaszetbedrijf jaagt actief op zzp-ers met een glassnijder, kitspuit, of kwast in de hand. Want niet alleen glaszetters en schilders in loondienst zijn verplicht aangesloten bij dat fonds. Deze zogenoemde ‘verplichtstelling’ geldt ook voor zelfstandigen. Met de wet in de hand kan het pensioenfonds bij zzp-ers langsgaan om premie te innen.

Of die kleine zelfstandige misschien liever voor zijn pensioen spaart bij een bank of een verzekeraar, speelt geen rol. Vrije keuze bestaat niet in pensioenland. Iedereen moet sparen bij het fonds dat bij zijn beroep, bedrijf of sector hoort.

Deze fondsdwang geldt gelukkig maar voor een klein deel van de zelfstandigen. De meeste ondernemers kunnen in vrijheid hun pensioenaanbieder kiezen. Maar het grootste deel van de werknemers is wel verplicht aangesloten bij een specifiek fonds. Shoppen is verboden.

Het is niet meer dan logisch dat de politieke jongeren van PvdA, VVD en D66 deze verplichtstelling willen schrappen. Hou pensioensparen verplicht, maar laat werknemers voortaan zelf het (goedgekeurde) pensioenfonds uitkiezen, zo stelden zij dit weekend voor.

Een uitstekend idee. Door de gedwongen winkelnering zit Nederland opgescheept met 395 verschillende pensioenfondsen, elk met een eigen bestuur en beleggingsbeleid. Een inefficiënt bouwwerk dat alleen door de wettelijke monopoliemacht in stand blijft. De werknemer die van bedrijf of sector verandert moet maar hopen dat de dekkingsgraad voldoende is om zijn pensioen mee te mogen nemen.

De versnippering vergroot bovendien de kans op incompetentie bij de fondsen. Een bestuurder van het pensioenfonds van een groot warenhuis vertrouwde mij ooit toe dat zijn dames helemaal niet geïnteresseerd zijn in indexatie van het pensioen, maar liever elk jaar een uitnodiging krijgen waarmee ze de avond voor de uitverkoop al de winkel in mogen. Je zal maar door de wetgever verplicht worden iedere maand tientallen procenten van je inkomen naar zo’n clown over te maken.

(Column verscheen eerder in het FD)

Huis onder water? Dan geen pensioenpremie

Tientallen jaren subsidieerde de overheid zowel sparen voor het pensioen, als lenen voor het huis. Het gevolg van deze staatsinmenging is dramatisch. Nederlanders hebben de best gevulde pensioenpotten van de wereld, maar ook een enorme private schuld.

We zijn rijk en arm tegelijk. Wie door een roze bril naar Nederland kijkt ziet 1.000 miljard euro aan pensioenkapitaal, waarmee we de vergrijzing kunnen betalen. Pessimisten zien een hypotheekschuld van ruim 600 miljard euro, die door de dalende huizenprijzen steeds zwaarder op de huishoudens en banken drukt.

Van wie is de pensioenpot?

Salderen van schuld en vermogen lijkt een logische oplossing. Maar het pensioenvermogen is niet liquide en valt pas na de pensioengerechtigde leeftijd vrij. Bovendien stromen de pensioenpremies niet geoormerkt de fondsen in, dus niemand weet welk deel van de pensioenpot van wie is.

Via de omweg van de banken probeert men toch pensioengeld naar de huizenmarkt te brengen. Zo studeert de commissie Van Dijkhuizen op manieren om pensioenfondsen in hypotheekobligaties van banken te laten beleggen.

Maar die hebben daar waarschijnlijk alleen trek in als de overheid garant staat voor eventuele verliezen. En individuele huiseigenaren met een schuld die groter is dan de waarde van de woning, hebben er niets aan.

Terwijl Van Dijkhuizen verder studeert, worden de problemen op de huizenmarkt al groter. Volgens de laatste BKR Hypotheekmeter is het aantal betalingsachterstanden op de hypotheek het afgelopen jaar met een kwart toegenomen tot bijna 82.000. Ruim anderhalf procent van de huiseigenaren heeft op dit moment een achterstand.

Banken hebben inmiddels 0,1 procent van hun hypotheekportefeuille afgeschreven. Dat is nog niet ongehoord veel, maar wel het dubbele van twee jaar geleden.

Hypotheken onder water

Over hoeveel hypotheken inmiddels ‘onder water’ staan, lopen de meningen uiteen. Het Centraal Bureau voor de Statistiek rekende in maart van dit jaar voor dat ruim een miljoen huizen in Nederland minder waard zijn dan de hypotheekschuld. Dat is ongeveer een kwart van alle huizen. Gemiddeld zou het gaan om 13.000 euro aan ‘onderwaarde’.

Maar het CBS baseert zich op cijfers uit januari 2011. Sindsdien is de huizenprijs met ruim 12 procent gedaald, dus het probleem zal intussen veel groter zijn geworden.
De Nederlandsche Bank schrijft in een recent onderzoek dat 30 procent van de woningen onder water staat. Maar DNB geeft daar verder geen cijfers en bedragen bij.

Een rapport van de Amsterdam School of Real Estate van begin dit jaar, heeft het over 800 duizend woningen die nu onder water zouden staan. Dat is minder dan schattingen van CBS en DNB. Maar de onderzoekers denken dat het per woning om een onderwaarde van bijna 39 duizend euro gaat, drie maal zo hoog als het CBS-bedrag.

Achilleshiel van de economie

De huizenmarkt is momenteel de achilleshiel van de Nederlandse economie. Door de onderwaarde kunnen veel huishoudens niet verhuizen en niet verkopen voor een lagere prijs. Er zit een enorme prop in de huizenmarkt die de doorstroming hindert. Banken moeten verliezen nemen en zijn huiverig voor het verstrekken van nieuwe woningleningen.

Bovenal remt te hoge hypotheekschuld de consumptie. Huiseigenaren zijn bezig de verloren huiswaarde snel bij te sparen en af te lossen. Op microniveau is dat misschien verstandig, maar voor de economie als geheel pakt het simultaan sparen en aflossen buitengewoon slecht uit.

Is er niets aan te doen? Jawel. Want dezelfde Nederlanders die nu uit alle macht bezuinigen om de dalende woningwaarde bij te houden, betalen in veel gevallen iedere maand automatisch pensioenpremie. Ze zijn arm en rijk tegelijk.

Premievakantie

De oplossing is simpel: geef huiseigenaren die onder water staan bijvoorbeeld twee jaar lang de mogelijkheid om hun pensioenpremie (inclusief de werkgeverspremie) te gebruiken om hun hypotheekschuld af te lossen.

Uiteraard op basis van vrijwilligheid. En uiteraard met gelijkwaardige afname van pensioenrechten. Pensioenfondsen zijn prima in staat dit administratief te verwerken.
Het pensioen wordt later dus lager, in ruil voor minder negatief vermogen in het eigen huis, nu. Per saldo maakt dat voor de vermogenspositie over het hele leven niet veel uit, dus roekeloos is dit niet te noemen. Geef iedereen die meedoet desnoods het recht om op een later moment weer extra pensioenpremie te betalen, om toch de oude rechten terug te krijgen.

Deze premievakantie voor huiseigenaren met onderwaarde kan de Nederlandse problemen serieus verminderen. In totaal betaalt Nederland jaarlijks 30 miljard euro aan pensioenpremie.
Als we daarvan bijvoorbeeld een vijfde kunnen inzetten voor extra aflossing, geeft dat in twee jaar maar liefst 12 miljard euro lucht aan huizenmarkt en economie. Mooi meegenomen.

Onder de huidige omstandigheden is het dwaas om huiseigenaren met betalingsproblemen te verplichten om een aanzienlijk deel van hun inkomen illiquide te sparen bij het pensioenfonds.
Verplicht pensioensparen verkleint de kans op een armoedige oude dag. Maar voor sommige Nederlanders is de armoede nu veel nijpender.

(Z24)

Werkloze jeugd zit op school

Wist u dat twee op de drie Griekse jongeren werkloos zijn? En dat in Spanje ruim de helft van de jongeren op zoek is naar werk? Dan weet u vast ook dat een kwart van de jongeren in het eurogebied werkloos is. En dat een op de zes Nederlandse jongeren geen baan kan vinden.

Wist u dat allemaal al? Nou, dat wist u dan verkeerd. Jeugdwerkloosheid is een groot probleem, maar niet zo immens als in artikelen over het onderwerp telkens wordt beweerd. Het is niet waar dat van elke vier eurojongeren tussen 15 en 25 jaar er één werkloos is. In werkelijkheid is het één op de tien. Dat is nogal een verschil.

Percentage
Hoe komen journalisten en zelfbenoemde experts dan aan die één op vier? Ze leiden het af uit het werkloosheidspercentage onder jongeren. Dat bedraagt nu zo’n 25%. Maar dat percentage wordt berekend door het aantal werkloze jongeren te delen door het aantal jongeren dat actief is op de arbeidsmarkt. Scholieren, studenten en andere ‘inactieven’ die niet op zoek zijn naar werk, worden in dit cijfer niet meegerekend.

Neem een denkbeeldig landje met 90 tevreden studenten, vijf werkende en vijf werkloze jongeren. De jeugdwerkloosheid bedraagt 50%. Maar slechts één op de twintig jongeren is werkloos. Wie beweert dat de helft van de jeugd op zoek is naar werk, chargeert op het leugenachtige af. Ik ben niet de eerste die dit schrijft, maar het misverstand is hardnekkig.

Ook zonder deze telkens terugkerende ‘slordigheden’ zijn de problemen in het eurogebied enorm. Overtrokken berichtgeving over de jeugdwerkloosheid zorgt voor overdreven pessimisme onder Europese burgers.

Juiste cijfers
Wat zijn dan de juiste cijfers? Dat is met gegevens van het Europese bureau voor statistiek Eurostat eenvoudig uit te rekenen. In het laatste kwartaal van 2012 woonden er in het eurogebied bijna 36 miljoen mensen van tussen 15 en 25 jaar oud. Een kleine 14 miljoen van hen zijn actief op de arbeidsmarkt. Daarvan hebben 11,4 miljoen werk en 3,6 miljoen niet.

Eén op de tien jongeren is dus werkloos. In Griekenland is dat één op de zes, in Spanje één op de vijf en in Nederland één op de vijftien.

Het Nederlandse cijfer wordt ook vertekend door de eigenwijze manier waarop ons Centraal Bureau voor de Statistiek werkloosheid meet. Wie minder dan twaalf uur per week werkt, maar liever meer dan twaalf uur zou werken, telt mee als werkloos. Eurostat telt alleen mensen die helemaal niet werken. Bij het CBS valt de jeugdwerkloosheid hoger uit omdat scholieren met een klein baantje die best meer dan twaalf uur willen werken, worden meegeteld.

Eén op de zes Nederlandse jongeren is werkloos. ‘Dat kan zo niet langer!’, brult de website van het jongerenfestival European Dreams dat op 7 juni in Utrecht wordt gehouden. Precies, dergelijke paniekzaaierij, dat kan echt niet langer.

Recht op geen werk

Het is nog best lastig om het meest waardeloze onderdeel van het sociaal akkoord te bepalen. Er is zoveel om uit te kiezen. Hoognodige aanpassingen aan het ontslagrecht worden uitgesteld en afgezwakt, de maximale WW-uitkering blijft ruim drie jaar, bezuinigingen verdwijnen in de ijskast, in de hoop — meer is het niet — dat de economie de komende maanden een onverwachte groeispurt laat zien.

Het is allemaal zeer treurig. Maar het meest sneue onderdeel is toch wel het plan om flexibele arbeid aan te pakken.

Nu nog mogen flexwerkers maximaal drie tijdelijke contracten in maximaal drie jaar bij dezelfde werkgever uitdienen. Dat wordt vanaf 1 januari 2015 drie contracten in maximaal twee jaar. Dat is goed nieuws voor flexwerkers, schrijft minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken in een toelichting, want zo krijgen zij een sterkere positie, sneller een vaste baan en meer zekerheid.

Van de regen in de drup
Alle flexwerkers vieren feest. Krijgen zij nu na drie jaar geen vaste baan, straks hebben ze al na twee jaar de zekerheid dat ze geen vast contract krijgen. Geweldig! In plaats van iedere drie jaar van tijdelijke baan wisselen, mogen ze straks na twee jaar alweer gaan jobhoppen.

Geen enkele werkgever zal in crisistijd enthousiast met vaste contracten gaan zwaaien omdat hij zijn tijdelijke krachten minder lang in dienst mag houden. Asscher helpt de flexwerker van de regen in de drup.

Als er al flexwerkers profiteren van deze inperking zijn dat de werknemers met unieke kwaliteiten, die de werkgever niet kan missen. Lager opgeleide flexwerkers die voor werkgevers inwisselbaar zijn, zullen slechts merken dat ze elke twee in plaats van elke drie jaar op zoek moeten naar een nieuwe baan.

Wie dacht dat de vakbonden juist voor deze zwakkere werknemers op zouden komen, vergist zich dus. Dan hadden de bonden zich juist ingezet voor een langere aaneengesloten periode van tijdelijke contracten, in plaats van een kortere.

In crisistijd hebben werknemers meer aan de onzekerheid van een tijdelijk contract dan aan het recht op geen werk. Opvallend genoeg was er in recessiejaar 2009 een VVD-Kamerlid dat dat uitstekend begreep. Dit Kamerlid diende een motie in om de Flexwet voor jongeren tot 27 jaar tijdelijk te verruimen. Voortaan zouden zij geen drie, maar vier jaar lang bij dezelfde baas op tijdelijk contract mogen werken.

De motie werd ondertekend door de PvdA en nog zeven fracties en aangenomen door de gehele Tweede Kamer, behalve de SP. Ook toenmalig PvdA-Kamerlid en huidig FNV-voorzitter Ton Heerts stemde voor.

De naam van het VVD-Kamerlid dat de motie indiende was Mark Rutte. In 2011 werd uit een evaluatie van de maatregel duidelijk dat er zeker 10.000 jongeren door aan het werk waren gebleven.

Wat Rutte als Kamerlid begreep, is hij als premier straal vergeten. Waardeloos.

Bas blaast geen fabrieken op

Ik schreef afgelopen week dit in het FD.

Bas Jacobs reageerde daarop met een stuk op het weblog economie.nl.

En nu ga ik daar weer op reageren. Ik negeer even de aanvallen van Bas op de man (‘geen overtuigende argumenten meer’, ‘een Swedertje’, ‘wetenschappelijke zondeval’, ‘goedkoop retorisch trucje’). Daarvoor is het onderwerp te interessant.

De liquiditeitsval is een essentieel, maar in de beleidsdiscussie vaak weggelaten, onderdeel van de keynesiaanse analyse, dat alleen overheidsstimulering ons uit de recessie kan trekken. Zonder liquiditeitsval zouden we kunnen wachten tot rentes en andere prijzen zich aanpassen, en de economie zichzelf weer richting evenwicht stuwt. De reële rente is te hoog, en gaat niet vanzelf omlaag, dat is het fundament onder het keynesiaanse pleidooi voor overheidsingrijpen.

Alle reden dus om dat onderdeel van de analyse publiek te bespreken. Voordat we het begrotingstekort en de staatsschuld laten oplopen, moeten de economen die hiervoor pleiten hun analyse zorgvuldig uitleggen aan het publiek. Jazeker: de lezer van het FD en iedere andere geïnteresseerde leek moet hierover meedenken en zich er een oordeel over vormen. Het lijkt me niet verstandig om het begrotingsbeleid alleen onder (gepromoveerde) economen te bespreken en de uitkomst vervolgens mede te delen aan het publiek.

Economen kunnen dan ook niet volstaan met de gesimplificeerde versie van het verhaal: ‘er is vraaguitval door de crisis, de overheid moet dit tijdelijk opvullen’. Want dat is in de meeste gevallen niet hun echte analyse, die loopt via de te hoge reële rente, via de liquiditeitsval.

Uitleggen dus, als je denkt dat Europa en Nederland in de liquiditeitsval zit. Vertellen dat de nominale rente te hoog is en de inflatieverwachtingen te laag. De meeste Nederlanders denken namelijk dat precies het tegendeel het geval is.

En niet weglopen voor de contra-intuïtieve implicaties van de analyse. Dat fabrieken opblazen en luieren goed kan zijn voor een economie in liquiditeitsval, is niet een flauwigheid van de keynesiaanse oppositie. Nee, het is een integraal onderdeel van de hypothese zelf.

Ik zal de lezer hier niet lastig vallen met een lange leeslijst met wetenschappelijke artikelen. Maar in bijvoorbeeld dit artikel van Gauto Eggertsson en Paul Krugmanvertellen de auteurs enthousiast over de ‘perverse results’ van hun model. Zo is er de ‘Paradox of Toil’, de Paradox van het Zwoegen, waarbij een ijverige beroepsbevolking de productiecapaciteit van de economie vergroot, waardoor inflatieverwachtingen worden getemperd, de reële rente stijgt en de economie juist minder gaat produceren.

IJver zorgt voor krimp. Luiheid voor groei. Volgens dezelfde redenering is prijs- en loonflexibiliteit in de liquiditeitsval slecht voor het herstel. In een andere publicatie stelt Eggertsson dat kartels vanwege hun prijsopdrijvende effect goed zijn voor een economie in de liquiditeitsval.

Krugmann zelf schreef het in 2011 zo: “something that forces firms to replace capital, even if that something seemingly makes them poorer, can stimulate spending and raise employment.” Het is een logische voorspelling van de theorie van de liquiditeitsval: het vernietigen van productiecapaciteit verhoogt de output. Niet een retorisch trucje van de tegenstanders om de theorie belachelijk te maken, maar bedacht en opgeschreven door de voorstanders zelf.

Natuurlijk, geen keynesiaan pleit natuurlijk voor het opblazen van fabrieken, maar soms doet moeder natuur dat voor ons. De aardbeving van 2011 in Japan was een negatieve schok voor de productiecapaciteit in een economie die – volgens veel economen –  in een liquiditeitsval zit. Hier een linkje naar een recent onderzoek, dat suggereert dat de aardbeving de economie van Japan niet heeft geholpen.

De onderzoeker pakte een theorie (liquiditeitsval), distilleerde er een hypothese uit (negatieve aanbodschok zorgt voor economische groei) en testte die met data (geen bewijs). Dat is keurige wetenschap, en geen wetenschappelijke zondeval.

Haal ons goud terug!

(Column verscheen eerder in het FD)

De Bundesbank haalt het goud naar huis. Het grootste deel van de Duitse goudvoorraad ligt opgeslagen bij de Amerikaanse Federal Reserve, de Bank of Eng­land en de Banque de France. Minder dan een derde van het Duitse goud bevindt zich in de eigen kluis van de Bundesbank in Frankfurt.

Maar dat gaat veranderen, zo meldde het Duitse Handelsblatt dinsdag. Volgens de krant maakt de Bundesbank vandaag, woensdag, een nieuw locatiebeleid bekend, waarbij een flink deel van het goud naar Frankfurt wordt gehaald. Als het bericht klopt, heeft de acht maanden geleden opgerichte actiegroep ‘Holt unser Gold Heim’ verrassend snel zijn doel bereikt.

Moet Nederland het Duitse voorbeeld volgen? Van onze goudvoorraad van 612 ton ligt slechts 11% in de kelder van de Nederlandsche Bank (DNB). Meer dan de helft ligt bij de Fed van New York, 20% ligt bij de Bank of Canada en 18% bij de Bank of England. Maar weten we dat wel zeker? Hebben ze onze goudstaven niet stiekem verkocht? Wanneer heeft een Nederlander het buitenlandse goud voor het laatst gecontroleerd?

Net als in Duitsland zijn Nederlandse politici nerveus geworden. Kamerleden Eddy van Hijum (CDA) en Arnold Merkies (SP) typten ieder een lange lijst met vragen voor de minister van Financiën over de locatie van ons goud, controle op aanwezigheid en echtheid (!) ervan en wanneer de minister van plan is om zelf eens een kijkje te nemen in de buitenlandse kluizen.

Het is allemaal van een verrukkelijke onzinnigheid. Dat de goudgekkies op internet plezier beleven aan complottheorieën over verdwenen en vervalste goudstaven kan ik nog begrijpen. Maar dat serieuze Kamerleden de minister van zijn werk houden met de impliciete beschuldiging — want daar komt het op neer — dat Amerikaanse, Britse en Canadese centrale bankiers ons goud stelen en vervalsen, is te mal voor woorden.

Fed-voorzitter Ben Bernanke zou volgens die theorie bereid zijn de internationale reputatie van de VS in te ruilen voor $ 16 mrd aan gestolen Nederlands goud. Met dat bedrag kun je nog geen zes dagen het Amerikaanse begrotingstekort dekken. Het zou de minst rendabele goudroof uit de geschiedenis zijn. Als ze ons willen bestelen kunnen de Amerikanen beter de € 75 mrd aan Nederlandse directe investeringen in de VS confisqueren.

Of vindt de Tweede Kamer dat we die bezittingen ook moeten terughalen?

Het goud ligt dus prima in New York, Londen en Ottawa. Sterker: de laatste keer dat ons goud werd geroofd, was het alleen veilig in het buitenland. In 1938 verscheepte DNB uit voorzorg 385 ton goud naar de New York, Londen en Pretoria. Op 10 mei 1940 ging nog eens 78 ton naar Londen. Dat goud bleef uit handen van de nazi’s. Al het goud dat achterbleef in Nederland werd tijdens de bezettingsjaren door de Duitsers geroofd. Als de geschiedenis iets bewijst is het dat je juist niet al je goud op één plek moet bewaren.

De Duitsers verkochten ons goud aan ‘neutrale’ landen. Driekwart daarvan verdween in Zwitserse kluizen. De rest van het Nederlandse goud kwam terecht in landen als Zweden, Portugal en Spanje.

DNB-historica Corry van Renselaar beschrijft in haar studie ‘De Nederlandse goudclaim’ hoe de geallieerden na de oorlog zonder Nederlandse instemming een snelle deal sloten met de Zwitsers en andere neutrale landen, waardoor Nederland slechts een deel van het geroofde goud terug kreeg. Uitgaande van de oorspronkelijke Nederlandse goudclaim, kwam naar schatting 74 ton van ons goud nooit terug bij DNB. Huidige waarde: drie miljard euro.

Als de Kamerleden ons goud echt wil terug willen, dan moeten ze het gaan halen bij de Nationalbank in Bern. Niet bij de Fed in New York.

 

Stoelendans zonder lege stoelen

In een grote kring zitten mannen op stoelen.  Blanke mannen van 50 jaar en ouder. Ze spelen stoelendans. Maar of de muziek speelt of niet, de mannen blijven zitten. Om de kring lopen een paar andere blanke mannen van boven de 50. Zij lopen rondjes. De hele tijd. Ze zoeken een lege stoel, maar vinden die nooit. Stoelendans zonder lege stoelen is geen leuk spel

Logisch daarom dat de deelnemers buitengewoon chagrijnig zijn. “ Zou je niet eens opstaan?”, vragen de rondlopers aan de zittenblijvers. “Dan maak ik ook kans op een stoel.”

Maar daar willen de zittende deelnemers niets van weten. “Ben je gek?” zeggen ze. “Je ziet toch zelf dat er geen lege stoel te vinden is. Als ik opsta loop ik ook de rest van de dag rondjes.”

Af en toe probeert de spelleider in te grijpen. “Als we nu eens allemaal opstaan en rondlopen, dan komen er genoeg stoelen vrij en wordt het vanzelf wat leuker.” De zittende mannen kijken woedend op. “Rondlopen? En dan? Er zijn helemaal geen stoelen vrij. Dat zie je toch zelf?”

Een belachelijk spel? Jazeker, maar zo wordt het op de Nederlandse arbeidsmarkt gespeeld. Wie lang bij dezelfde baas werkt, heeft recht op een veel hogere ontslagvergoeding dan wie pas kort in dienst is. Vooral veel mannen van middelbare leeftijd en ouder, hebben op deze manier een flinke potentiele ontslagvergoeding opgebouwd. Wie van baan verandert is zijn opgebouwde rechten kwijt. Blijven zitten waar je zit is daarom voor veel mannelijke 50-plusser de rationele strategie.

Natuurlijk valt er af en toe toch eentje onbedoeld buiten de boot. Bijvoorbeeld bij een reorganisatie of faillissement. Zo iemand merkt dan dat alle arbeidsplekken voor ervaren full-timers bezet zijn, en komt er niet meer tussen. Gevolg is dat -hoewel de onvrijwillige werkloosheid onder 50-plussers niet hoger is dan gemiddeld – de werkloosheid wel veel hardnekkiger is.

Verminder de ontslagbescherming, verlaag de ontslagvergoedingen, en er komt weer beweging in de arbeidsmarkt van oudere mannen. Flexibilisering lijkt de logische remedie. Maar de betrokkenen zelf denken daar heel anders over.

Ironisch genoeg wijzen zij daarbij op de lange gemiddelde werkloosheidsduur van 50-plussers. Wie ontslagen wordt heeft geen kans op een baan, dus versoepelen van de ontslagbescherming helpt niet, zo gaat de redenering. “Er zijn geen stoelen vrij.” Het zou grappig zijn, als het niet zo tragisch was.

Zo doen we dat op ook in andere segmenten van de arbeidsmarkt. Flexwerkers hebben weinig kans op een vaste baan, want er vallen door de ontslagbescherming weinig vaste banen open. Dus moet het flexwerkers verboden worden om meer dan drie keer een tijdelijk contract te krijgen, vindt de overheid. Alsof daardoor wel een vaste baan vrijkomt.

Bedrijven zoeken naar een mix van flexibiliteit (minder werknemers als de omzet daalt) en vastigheid (ervaren en trouwe werknemers waar je in kunt investeren). Vijf of zevenjarige arbeidscontracten, met na afloop kosteloos ontslag, zouden de oplossing kunnen bieden, maar zijn bij wet en cao verboden. Dus moeten bedrijven proberen de juiste mix tussen vast en flex brouwen door sommige werknemers een dienstverband voor het leven te bieden, en anderen een vrij rechteloos flexcontract.

Oneerlijk, onpraktisch en inefficiënt, maar zo luiden nu eenmaal de spelregels van de Nederlandse stoelendans.

 

Spiekbrief voor de toezichthouder

De vergadering begint. Samen met de andere leden van de raad van toezicht schuift u aan de vergadertafel. Het bestuur van de school, van de woningcorporatie, van het ziekenhuis, of van die andere semioverheidsinstelling waarop u toezicht houdt, zit klaar.

Het is een belangrijke vergadering. Want na de debacles bij Vestia, Amarantis, IJsselmeerziekenhuizen en al die andere op afstand van de overheid geplaatste publieke dienstverleners, bent u doordrongen van het belang van goed en proactief toezicht.

Maar hoe doe je dat? U haalt een spiekbriefje uit uw zak, en neemt snel nog even de belangrijkste acht punten door.

1. Er is geen concurrentie.
De bestuurders van uw ziekenhuis, school of corporatie doen het graag anders voorkomen, maar de tucht van de markt ontbreekt.
Als het toezicht faalt, is er geen concurrent die de instelling afstraft. Klanten kunnen niet weglopen. Daardoor is er bij uw instelling geen automatische neiging tot efficiëntie en geen automatische straf op onzinnige uitgaven. Het enige wat staat tussen de directie en het volgende geld verspillende megaproject, bent u.

2. Er is geen parlementaire controle.
Uw instelling beweegt zich in het schimmige niemandsland tussen markt en overheid. Daarom is het aan u om de rol van Kamervragende parlementariër te spelen. En bij gebrek aan transparantie, ook die van de lastige persmuskiet. De controle begint en eindigt bij u. Er is geen achtervang.

3. Let op de core business.
Bij ieder agendapunt is dit uw eerste vraag: hoe bewerkstelligt dit voorstel dat we onze kernfunctie beter vervullen? Maakt dit plan patiënten gezond? Wat leren onze leerlingen er van? Kunnen arme gezinnen erin wonen?
Weet u niet precies wat de kernfunctie van uw instelling is? Geef uzelf dan per direct ontslag als toezichthouder.

4. De accountant doet uw werk niet.
Boeken doorpluizen is geen toezicht houden. Als de accountant zijn akkoord geeft, begint uw werk pas. Zegt de accountant dat de rentederivaten netjes op de balans staan? Dan vraagt u waarom uw instelling zulke financiële producten nodig heeft.
Zegt de accountant dat er keurig wordt afgeschreven op het vastgoed? Dan gaat u onderzoeken waarom uw instelling in bakstenen investeert.

5. Het bestuur weet het ook niet.
Praat daarom minstens zo veel met klanten en personeel als met de directeur. Bevraag ouders en leerlingen. Bel eens aan bij een huurwoning. Ga de bedden langs en hoor de verpleegsters uit. Er is veel meer informatie dan het bestuur u geeft.

6. Maak geen vrienden.
Natuurlijk, de directeur is een aardige dame en de financiële topman een leuke vent. Maar u bent niet hun maatje. Vrienden zoekt u op de tennisclub, zodat u vijanden kunt maken tijdens het vervullen van uw toezichtstaak. Sparren en coachen is prima, maar hou afstand.

7. Luxe is een rode vlag.
Loop voor de vergadering even rondje over het parkeerterrein. Waar rijdt uw bestuur in? Waarom zijn die autostoelen van leer? Heeft een schoolbestuurder echt 20-inch lichtmetalen spaakvelgen nodig?
Gluur in de directiekamer. Wat kostte die luxe bureaustoel met traploos verstelbare lendensteun? Waarom staat er een gloednieuwe iMac op het bureau van de corporatiebestuurder? Heeft men hier de prioriteiten wel op orde?

8. Het gaat om de maatschappij.
Dit is het belangrijkste punt. U houdt toezicht op een maatschappelijke organisatie. Maatschappelijke doelen zijn daarom belangrijker dan de interne doelen van het ziekenhuis, de school of de corporatie. Als het goed gaat met uw instelling, maar slecht met de functie van die instelling in de samenleving, hebt u toch gefaald.

(bron: FD)

journalist en econoom