Opgepoetst reliek

Goud. Blinkend, glimmend goud. Ook voor een rationele econoom is de blik op duizenden goudbaren, keurig opgestapeld in stalen rekken, opwindend.

Ik sta in de nieuwe kluis van de Nederlandsche Bank. Het goud en de bankbiljetten liggen niet meer in Amsterdam, maar in een nieuw, neo-brutalistisch gebouw op een legerbasis bij Zeist. Ik mag mee met een zeldzame persrondleiding.

In de oude kluis was ik al eens. Toen viel het goud me tegen. Het lag slordig opgestapeld en was een beetje stoffig en vuil. Mijn gevoel toen: waarom hebben we dit overbodige reliek uit een vergane monetaire tijd nog?

Na de verhuizing zijn de baren blinkend opgepoetst. ‘Gewoon, met wat doeken’, vertelt de kluisbewaarder, die zelf mee poetste. Leuke klus.

Het goud glimt weer. Dus nu krijg ik wel zo’n Dagobert-Duckgevoel. Wordt de goudvoorraad daarmee economisch relevant? Zeker niet. Mijn blingbling-enthousiasme bewijst juist dat goud slechts betovering is. Waard wat een gek ervoor geeft en bedoeld om ons een vals gevoel van zekerheid te geven. Maar dat is een gedachte die, staande in de kluis en omringd door edelmetaal, niet bij me opkomt.

FD