Gefeliciteerd verkiezings­winnaars, en succes met de recessie-economie

Na de verkiezingen volgt de fase van coalitievorming en gaat de politiek zich even vooral met zichzelf bezighouden. De dagen van intensief contact met de buitenwereld zijn voorbij, die van stille strategie en introspectie zijn begonnen. Zo hoort dat ook. Maar er komt een moment dat er echt over inhoud moet worden gesproken. Over gewenste beleidsmaatregelen en de geldbedragen die daarbij horen.

Vooral over die bedragen moet ditmaal nog veel duidelijk worden, zeker als de coalitie over rechts gaat. PVV, NSC en BBB schuiven aan tafel zonder doorrekening van hun programma’s en zelfs ook zonder eigen schattingen van de financiële consequenties van hun plannen. Die ontbraken in de verkiezingsprogramma’s.

Dat gebeurt eigenlijk nooit. Het enige precedent is de LPF, die in 2002 bij de coalitiebesprekingen aanschoof (en uiteindelijk zou meeregeren) zonder doorgerekend verkiezingsprogramma.

Als de VVD haar nieuwgekozen isolement volhoudt en de drie andere rechtse partijen gaan onderhandelen over een minderheidskabinet, zal geen daarvan een overzicht van de kosten en baten van de eigen voorstellen op tafel kunnen leggen. Een unicum.

Er is nog een complicerende factor voor de onderhandelende partijen: de begroting is uit balans en er komen tegenvallers aan. Volgens topambtenaren van de Studiegroep Begrotingsruimte komt de schatkist de komende kabinetsperiode jaarlijks €17 mrd te kort. Het gat op de begroting kan de onderhandelingen verzuren, want er is tijdens de verkiezingen vooral veel extra geld beloofd. Dat is er eigenlijk niet.

En het komt er ook niet snel, want de Nederlandse economie is in een recessie beland. Het is een bijzondere recessie: bijzonder lang, bijzonder ondiep en met een bijzonder laag blijvende werkloosheid.

Is het dan wel een echte recessie? Voor wie de simpele definitie van een ‘technische recessie’ gebruikt wel. Twee kwartalen met negatieve groei van het bruto binnenlands product (bbp) zijn daarvoor voldoende. Nederland beleefde in de herfst al het derde krimpkwartaal op rij, dus ja: we zitten in een technische recessie.

Zo’n reeks van drie opvolgende kwartalen met krimp is uitzonderlijk. Sinds de jaren 90 van de vorige eeuw kwam het slechts één keer eerder voor. Tijdens de kredietcrisis kromp de economie ook drie kwartalen op rij. Begin 2009 zelfs met 3,6% op kwartaalbasis. Dat was de grootste gemeten krimp tot dan toe.

Een paar jaar later, toen de eurocrisis uitbrak, ging het bbp ook langdurig omlaag. Maar op twee krimpkwartalen volgde toen telkens weer een kwartaal zonder krimp. Puur toeval natuurlijk, maar er werd geen nieuw record gezet.

In het eerste coronajaar werd het negatieve record van de kredietcrisis wel overtroffen. In de lente van 2020 kromp het bbp met 4,3%. In de zomer ging de economie weer open en werd een flink deel van de neergang goedgemaakt. Ook daarna bleef de economie — ondanks lockdowns en avondklokken —groeien. Daar kwam met de energiecrisis van 2022 een einde aan. Overheidssteun en het prijsplafond stutten de economie eerst nog, maar vanaf begin 2023 is de economie ieder kwartaal gekrompen.

Je hoeft geen doemdenker te zijn om te verwachten dat ook het vierde kwartaal de krimp nog niet is omgeslagen in groei. De meeste indicatoren zitten nog in het rood en de renteverhogingen van de Europese Centrale Bank werken nog steeds door in de reële economie. Met een vierde krimpkwartaal zou er een nieuw Nederlands record worden gezet: nog nooit duurde een recessie zo lang.

Gelukkig is de recessie ook ondiep. Vergeleken met 2009 en 2020 is de krimp gering. Omdat de krappe arbeidsmarkt voorkomt dat de werkloosheid snel stijgt, komt er geen vliegwieleffect op gang, van al verder dalende consumptie en steeds lagere productie. Met dank aan de massaal pensionerende babyboomers. Er zullen economen zijn die dit daarom geen echte recessie vinden. Daarvoor moet de werkloosheid serieus oplopen. Zij spreken liever van stagnatie of stilstand.

Hoe je het ook noemt: krimp zal tegenvallers opleveren en dat maakt coalitievorming moeilijk. Onderhandelen over de verdeling van overvloed is makkelijk, samen bepalen wat er allemaal niet meer kan een stuk lastiger. Zeker als partijen eigenlijk nog geen idee hebben van wat hun voorstellen gaan kosten.

FD