Alle berichten van Mathijs

Toezichtwerking is mislukt

Hoeveel mislukkingen zijn er nog nodig voordat de politiek inziet dat het experiment is mislukt? Nu zelfs een van de belangrijkste politici van ‘s lands grootste partij is gesneuveld, is het tijd om de harde waarheid onder ogen te zien: toezichtwerking is een mislukking.

De val van VVD-coryfee Loek Hermans is geen incident. Hij hield toezicht op een grote thuiszorginstelling, maar kon niet voorkomen dat de megalomane directie miljoenen verkwanselde aan onzinprojecten en de stichting naar de afgrond leidde. Het is het zoveelste debacle in een lange rij van falend toezicht. Thuiszorginstellingen, ziekenhuizen, woningcorporaties en verzekeraars; het misplaatste geloof in toezichtwerking laat een spoor van vernielingen achter in Nederland.

Het is allemaal het gevolg van beslissingen in de jaren negentig van de vorige eeuw. Terwijl Ronald Reagan in de Verenigde Staten en Margaret Thatcher in het Verenigd Koninkrijk lieten zien hoe marktwerking kan zorgen voor welvaartsgroei, besloot de Nederlandse politiek juist precies de andere weg in te slaan: toezichtwerking werd heilig verklaard.

Neobureaucratische bestuurskundigen grepen de macht en toverden Nederland om in een budgetmaximaliserende stichting. Eigendom werd iets ondefinieerbaars, winst werd een zonde en de verantwoordelijkheid lag bij niemand meer. Geen probleem, vonden de technocraten, want er is toezicht. Sterke toezichthouders zullen zorgen dat alle stichtingen en publieke bedrijven netjes in de pas blijven lopen.

Maar dit beeld van de perfecte toezichthouder bestaat alleen in de onrealistische modellen van bestuurskundigen. Daar zijn toezichthouders altijd rationeel. Ze houden altijd het algemeen belang in de gaten en hebben hun bestuurders stevig in de greep. Op de gammele fundamenten van dit toezichtsprookje bouwden de neobureaucraten hun monsterlijke gebouw van commissarissen, raden van toezicht, adviescolleges, inspecties en een batterij aan nieuwe toezichtautoriteiten, elk met z’n eigen drieletterige afkorting. Kleine, overzichtelijke instellingen moesten fuseren tot gigantische too-big-to-fail stichtingen, zodat het toezicht professioneel kon worden opgezet.

In plaats van onze belangrijkste nutsinstellingen in handen te geven van mensen met ‘skin in the game’, die financieel pijn lijden bij mislukkingen en die hun eigen vermogen verbinden met het lot van de instelling, kozen de utopische toezichtdenkers voor het model van schaalvergroting, perverse prikkels en diffuus eigendom. Na iedere mislukking keren de toezichthouders hun directie een flinke oprotpremie uit — het is immers toch niet hun geld — en gaan op zoek naar de volgende groep falende bestuurders.

Het Nederlandse experiment met toezichtwerking is grandioos mislukt. Mijn voorstel: laten we het eens met echte marktwerking proberen.

 

Geef ons een coëfficiënt!

Een coëfficiënt is miljoenen waard. Misschien wel honderden miljoenen. Zonder coëfficiënt tel je niet mee en trekt geen politieke partij extra geld voor je uit.

Het moet dan natuurlijk wel een positieve coëfficiënt zijn, liefst groter dan één. Met een coëfficiënt van twee komen er zinnen in de krant als: Iedere euro aan extra uitgaven levert twee euro aan economische groei op. Fantastisch! De politiek komt het geld met kruiwagens tegelijk brengen.

Dat wil toch iedereen? Wetenschappers in elk geval wel. Daarom zijn zij ontevreden met de rekenmodellen van het Centraal Planbureau (CPB), want daarin ontbreekt een coëfficiënt voor het effect van publieke uitgaven aan wetenschappelijk onderzoek op de economische groei. Iedereen weet dat meer wetenschappelijke kennis goed is voor de economie, maar in de CPB-modellen is onderzoek en ontwikkeling (O&O) slechts een kostenpost.

Gevolg is dat politieke partijen niet kunnen scoren met extra geld voor wetenschap. Het levert ze in de doorrekening van het CPB geen extra groei of banen op, maar wel een hoger begrotingstekort. ‘Wetenschap is waardeloos’, schamperde toenmalig voorzitter Hans Clevers van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) in 2013. Er kwamen kamermoties en een speciaal KNAW-rapport waarin het CPB werd opgeroepen om “een diepgravende econometrische studie” naar de waarde van wetenschap uit te voeren. Oftewel: geef ons een coëfficiënt!

Het Planbureau heeft geluisterd en publiceerde een diepgravende econometrische studie naar de economische opbrengst van publieke uitgaven aan O&O. In wat bijna een parodie lijkt op wetenschappelijke zorgvuldigheid, analyseert het CPB de cijfers van 22 landen in alle jaren tussen 1963 en 2011, op basis van drie verschillende productiefuncties, inclusief een uitgebreide gevoeligheidsanalyse. Ondanks de wetenschappelijke ijver zal het resultaat Clevers niet bevallen. Veel geschatte coëfficiënten zijn niet positief en niet significant. Een procent meer overheidsuitgaven aan onderzoek leidt misschien tot 0,09% extra economische groei, maar misschien ook tot 0,29% lagere groei.

Met andere woorden: uit diepgravend onderzoek blijkt geen duidelijk verband tussen publieke O&O-uitgaven en bbp-groei. Daar moet de KNAW-voorzitter het mee doen.

Moet de overheid dan maar stoppen met het financieren van onderzoek? Natuurlijk niet. Er zijn legio goede redenen om wetenschappelijk onderzoek te financieren met publiek geld. Die zijn alleen niet met significante coëfficiënten te kwantificeren, dus is er in de beperkte werkelijkheid van het CPB-model geen plaats voor. Gelukkig hebben we voor kwalitatieve afwegingen een ander instrument: de politiek. Daar zal de KNAW zich met inhoudelijke argumenten moeten melden. Maar dat had zij natuurlijk beter meteen kunnen doen.

Pessimistische Nederlander hervindt zijn kooplust. Kunnen winkeliers al juichen?

Alleen in Zwitserland, Canada en de meeste Scandinavische landen zijn de inwoners nog net iets gelukkiger dan wij. Nederland staat volgens het ‘World Happiness Report’ van de Verenigde Naties op de zevende plaats op de ranglijst van geluk; net achter Finland en net voor Zweden. Nederlanders zijn gelukkig, maar dat laten we niet graag merken. Niet als we mopperen op Twitter of internetfora. Zeker niet tijdens inspraakavonden in gemeentezaaltjes.

50% meer inkomen, aanhoudend somber
En ook als de enquêteur van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) langskomt om ons te vragen naar ons vertrouwen in de economie, zetten Nederlanders graag hun bokkenpruik op. Het was niks, het is niks en het zal ook nooit wat worden. Het consumentenvertrouwen was gedurende de afgelopen dertig jaar dan ook gemiddeld negatief. Met een waarde van min zeven waren er in drie decennia gemiddeld een meer pessimisten dan optimisten.

Dat geldt ook voor de deelindicatoren waaruit de index van hetconsumentenvertrouwen is opgebouwd. Over het economische klimaat oordeelden we sinds 1986 flink negatief: deze deelindicator komt gemiddeld uit op min twintig. Over de eigen financiële situatie waren we iets minder somber, maar met een gemiddelde van min twee overheersten ook bij deze deelindicator de pessimisten. Het beschikbaar gezinsinkomen steeg sinds 1986 met meer dan 50%, maar echt tevreden daarover waren we blijkbaar niet.

 

Somberheid afgeschud
Ook de vraag: ‘Is het nu een goed moment voor grote aankopen’, werd vaker negatief dan positief beantwoord. Het is een wonder dat we onze huizen zo vol met bankstellen, stoomovens en platte televisies hebben gekregen. Dat moet tijdens die paar perioden van tijdelijk optimisme zijn gebeurd.

In zo’n periode zitten we nu weer. De consument heeft de somberheid afgeschud en laat zijn gelukkige natuur eindelijk weer de boventoon voeren. Het vertrouwen staat op het hoogste peil in meer dan acht jaar. Het CBS moet terug naar augustus 2007 om een hoger cijfer te vinden. Dat was de laatste maand dat Nederland de toen reeds oplaaiende brand op de financiële marken nog wist te negeren. In september zonk het besef in, dat er iets grondig mis was (al zou de echte omvang van de problemen pas een jaar later duidelijk worden, na de val van Lehman Brothers) en maakte de vertrouwensindex de tot dan toe grootste duikeling ooit.

Tijd voor een stoomoven
Acht jaar later zijn we die val eindelijk weer te boven. Zowel over de economie als geheel als over de eigen financiële situatie in de komende maanden zijn de pessimisten eindelijk niet meer in de meerderheid. Alleen terugkijkend, zijn Nederlanders nog in meerderheid ontevreden over hun financiën. De zogenoemde ‘koopbereidheid’ was sinds januari 2008 niet meer zo hoog, vooral omdat veel mensen het nu een gunstig moment vinden om grote aankopen te doen.

Dat is misschien wel het duidelijkste teken dat de bravoure terugkeert bij de Nederlandse consument. Ja, zegt men, het is een goede tijd voor grote uitgaven. Het versleten bankstel mag eindelijk worden vervangen, in plaats van de gammele magnetron komt een stoomoven en die dikke beeldbuis wordt een ultraplat scherm. Het geld brandt in de zak. De winkel lonkt.

Kijken, niet kopen
Maar voordat winkeliers massaal nieuwe voorraden inslaan, een waarschuwing: wat de blije Nederlander zegt, is niet altijd wat hij doet. De daadwerkelijke consumptie gaat weliswaar op en neer met het aantal consumenten dat het een goed moment voor grote uitgaven vindt, maar de correlatie is allerminst perfect.

Er zijn perioden dat men massaal zegt dat het moment rijp is voor grote aankopen, zoals rond de eeuwwisseling, terwijl de consumptie van duurzame goederen juist stagneerde. Omgekeerd vonden consumenten het tussen 2003 en 2006 juist een heel slecht moment om dure spullen te kopen, zonder dat dit de duurzame consumptie enorm raakte. En toen men in 2007 eindelijk de kooplust hervond, leidde dat niet tot grote consumptiegroei.

Rare jongens, die Nederlanders: gelukkige pessimisten die hun kooplust vergeten zodra ze over de drempel van de winkel stappen. Je zou er als winkelier behoorlijk ongelukkig van kunnen worden.

(eerder hier)

Duurzaam ABP

Hij ligt voorop in de race, en niet een beetje ook. De ‘Shell Solar Speeder’ is dit jaar verreweg de snelste wagen in de ‘World Solar Challenge’, de wedstrijd voor zonnewagens tussen Darwin in het noorden van Australië en Adelaide in het zuiden. Op het dak van de aerodynamische raceauto liggen revolutionaire zonnecellen afkomstig uit het wereldvermaarde Laboratorium voor Nieuwe Energie van Shell in de Groningse Energy Valley. Ze zijn efficiënter, dunner en ook nog eens goedkoper te produceren dan de cellen van de concurrentie.

Een uniek internationaal team van studenten en onderzoekers van de Shell Solar Academy in Den Haag — het nieuwe paradepaardje van het bedrijf — heeft de nieuwe zonnecellen gebruikt voor het bouwen van de Speeder. Het ding racet door het Australische continent en laat de wagen van het Nederlandse Nuon Solar Team (van de TU Delft) en die van Solar Team Twente (TU Twente) ver achter zich. Ook concurrenten uit Japan en de Verenigde Staten zijn geen partij.

Onzin natuurlijk. Er rijdt geen Shell Solar Speeder richting Adelaide. Er staat geen Solar Academy in Den Haag. En van de Energy Valley (een stichting die bedrijvigheid in schone energie in Noord-Nederland promoot) maakt Shell geen onderdeel uit.

Want voor Shell moet energie door een pijpleiding kunnen, anders is het bedrijf niet geïnteresseerd. Olie en gas, daar doet Shell in. Zonne-energie, dat mogen andere bedrijven doen. Toch vindt Shell zelf dat het wel degelijk een bijdrage levert aan het bestrijden van CO2-uitstoot en het tegengaan van klimaatverandering. Om van kolen en olie af te komen, moet de wereld eerst over op aardgas. Dat levert een geweldige CO2-reductie op. Shell investeert in gas, dus Shell is duurzaam bezig.

De grootste belegger van Nederland kan zich helemaal vinden in die redenering. Pensioenfonds ABP gaat samen met belegger APG voortaan duurzaam beleggen. De portefeuille moet vergroenen, maakte het ABP vorig week bekend. Op zich een prima idee. Maar toen ik ABP-directeur Corien Wortmann vroeg of dat betekende dat Royal Dutch Shell voortaan taboe zou zijn, antwoordde ze dat Shell in gas investeert dus onderdeel is van de energietransitie. Daar kan ABP in blijven investeren.

Zelfs als het klopt dat de weg naar CO2-neutrale energie via aardgas loopt, dan nog kan Shell alleen maar onderdeel van de transitie zijn als het ook grootschalig investeert in kennis en ontwikkeling van duurzame alternatieven. Niet om binnen een paar jaar alle olie- en gaskranen dicht te kunnen draaien; dat is onrealistisch. Maar wel om dat zo snel mogelijk te kunnen doen. Zonder die visie is Shells gasverhaal niet meer dan een smoesje, en past het bedrijf niet in ABP’s duurzame portefeuille.

(FD)

Ondanks hardnekkige werkloosheid is de opkomst van de oudere werknemer een succesverhaal

Al drie maanden daalt de werkloosheid niet meer. Het Nederlandse werkloosheidspercentage blijft hardnekkig hangen op 6,8% In september ging het aantal mensen dat zoekt naar werk zelfs met drieduizend omhoog. ‘Daling werkloosheid stokt’, schreef het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) deze week. De media maakte daarvan: ‘Herstel op arbeidsmarkt stokt’. Voer voor pessimisten.

Kleine baantjes
Het CBS zelf deed aan het somberen niet mee. De oplopende werkloosheid komt doordat meer jongeren een kleine baantje zoeken, legde men uit. Het aantal mensen op zoek naar een baan van meer dan 12 uur per week daalde juist naar het laagste peil sinds januari 2013.

Het CBS legde niet uit waarom meer jongeren een klein baantje zoeken. Misschien is het omdat vanaf dit studiejaar de beurs een lening is geworden. Wat je als student zelf verdient, hoef je niet te lenen. Vergeleken met vorig jaar september is het aantal jongeren (tussen 15 en 25 jaar oud) dat werkt of wil werken met 34.000 toegenomen.

Het aantal ‘oudere’ werklozen (boven de 45) lag in september ook iets hoger dan een maand eerder. Wederom zijn de kleine baantjes de oorzaak. Het aantal 45-plussers dat een baan van meer dan 12 uur per week zocht, daalde juist ten opzichte van augustus.

 Taai probleem
Toch wordt met name de werkloosheid onder ouderen als een groot probleem gezien. ‘Oudere werklozen blijken maar met veel pijn en moeite een nieuwe baan te vinden’, schreef de website MeJudice.nl deze week bij een enquête onder economen naar het arbeidsmarktbeleid voor 50-plussers. Ruim 63% van de ondervraagde economen denkt dat het kabinet er niet slaagt die werkloosheid te verminderen. Minister Lodewijk Asscher noemde het deze week dan ook een ‘taai probleem’.

En dat is het. Wie in Nederland op latere leeftijd werkloos wordt, heeft veel minder kans op het vinden van een nieuwe baan dan andere leeftijdsgroepen. De dynamiek, de instroom en uitstroom, is in dat segment van de arbeidsmarkt veel lager. In de economenenquête wordt een flink aantal mogelijke oplossingen aangedragen, zoals demotie, opleidingen en ander ontslagrecht.

Het hele verhaal
Alle ongetwijfeld nuttig, maar ik laat ze hier even links liggen. Want minstens zo belangrijk is het beeld van de hoge en hardnekkige werkloosheid onder ouderen te nuanceren. Niet om het werkloosheidsprobleem zelf te bagatelliseren, maar om het hele verhaal te vertellen.

Allereerst: de werkloosheid onder ouderen is inderdaad hoog. Van alle Nederlanders tussen 55 en 65 jaar (ik laat de jonkies van 45 en 50 in het vervolg buiten beschouwing), was halverwege 2015 zo’n 8,5% werkloos. Dat is ruim meer dan de 6,7% onder 55-minners. Maar in de recessiejaren 2012 en 2013 was de werkloosheid onder ouderen juist lager dan onder jongeren. Pas in hersteljaar 2014 draaide het beeld: de werkloosheid onder jongeren daalde, die onder ouderen steeg door. Niet onlogisch, want jongeren vliegen er vaak als eerste uit, maar krijgen ook als eerste weer werk. Mogelijk is de oplopende werkloosheid onder ouderen daarom niet meer dan een na-ijleffect en zet de daling voor deze groep wat later in het herstel pas in.

Revolutionaire ontwikkeling
Bovendien is er ook goed nieuws over de arbeidsmarkt voor ouderen. Het aantal 55-plussers met een baan stijgt snel. In 2005 werkten er 860.000. Vijf jaar later was dat al 1,16 miljoen. En ondanks de crisis liep het aantal werkende 55-plussers verder op naar 1,35 miljoen in 2015. Tegelijkertijd nam het aantal ‘inactieven’ (geen werk en ook niet op zoek) 55-plussers af van ruim een miljoen (2005) naar iets meer dan 700.000 (2015).

Schermafbeelding 2017-02-10 om 08.31.46

Het is een revolutionaire ontwikkeling. Tien jaar geleden was de meerderheid van de 55-plussers inactief op de arbeidsmarkt. Nu is dat minder dan een derde. Een groter deel van deze actieve ouderen is nu werkloos, maar de toename van het aantal werkende ouderen was vele malen groter.

Voor 55-plussers zonder werk is het een schrale troost. Maar de snelle opkomst van de oudere werknemer, na de afschaffing van de VUT en het prepensioen is een regelrecht succesverhaal.

 

UPDATE (2021)
Inmiddels ziet het plaatje er nog gunstiger uit (ondanks de corona-recessie):

Ambitieus klimaatbeleid en economische groei gaan wel degelijk samen

Het is spitsuur voor speechschrijvers. Ze hebben nog maar een week of zeven om hun meest bevlogen en doorvoelde teksten te produceren. Eind november begint de grote klimaatconferentie in Parijs, waar de ministers van milieu van alle VN-lidstaten de speech van hun leven willen geven. ‘Wij zijn de eerste generatie die het klimaatprobleem onderkent en de laatste generatie die er nog wat aan kan doen’, zullen de ministers elkaar vertellen. ‘De wereld moet nu in actie komen.’

We hebben ze eerder gehoord, die mooie woorden, tijdens eerdere klimaattoppen. Maar de daden bleven meestal uit. Want een ambitieus klimaatbeleid kan geld en banen kosten. Zelfs de meest bevlogen politicus heeft moeite om economische groei tijdens zijn regeerperiode in te ruilen voor minder opwarming van de aarde, ver na zijn aftreden. Democratie en de lange termijn gaan nu eenmaal moeilijk samen.

Maar misschien hoeft klimaatbeleid economische groei niet te remmen. Kunnen we economische groei en CO2-uitstoot ontkoppelen? Milieu-economen doen al een tijd onderzoek naar deze vraag. Een aantal onderzoeken vindt aanwijzingen dat landen kunnen groeien zonder extra uitstoot. Maar andere bevestigen toch vooral het idee dat naarmate de economie groeit, er meer broeikasgas de lucht in gaat.

Het Duitse onderzoeksinstituut DIW deed vorige maand een poging om het antwoord op de ontkoppelingsvraag te geven. De uitkomst stemt optimistisch. Op basis van de recentste cijfers concluderen de vijf onderzoekers dat ontkoppelen mogelijk is. Economische groei en klimaatbeleid kunnen samengaan.

Het onderzoeksrapport maakt een onderscheid tussen sterke en zwakke ontkoppeling. Sterke ontkoppeling betekent dat de uitstoot van broeikasgassen in absolute termen afneemt, terwijl de economie groeit. Zwakke ontkoppeling betekent dat de uitstoot wel toeneemt, maar minder snel dan de economie groeit. De intensiteit van vervuiling daalt, de absolute uitstoot niet.

Voor de wereld als geheel was er de afgelopen tien jaar sprake van zwakke ontkoppeling. Dat is te zien in de eerste grafiek hiernaast. De blauwe lijn heeft een stijgend verloop, wat aangeeft dat de CO2-emissie tussen 2004 en 2014 is toegenomen. Alleen in recessiejaar 2009 was even sprake van een daling. Vanaf dat jaar gaat de lijn echter wel steeds iets vlakker lopen: de emissies stijgen minder hard dan het bruto binnenland product (bbp). De intensiteit van vervuiling daalt.Schermafbeelding 2015-10-18 om 23.05.37Dat is het beeld voor de wereld als geheel. In rijke landen daalde de CO2-uitstoot in absolute termen wel. De oranje lijn in de grafiek geeft de uitstoot en economische groei in de dertig Oeso-landen weer. De lijn daalt. Terwijl de Oeso-economie sinds 2004 met zo’n 15% groeide, namen de CO2-emissies met pakweg 7% af. Dat is een sterke ontkoppeling.

Ook Nederland ontkoppelde. Het DIW-onderzoek gaat niet afzonderlijk op Nederland in, maar volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek groeide het Nederlandse bbp sinds 2004 met 9% terwijl de CO2-uitstoot met 15% afnam.

Een deel van die uitstoot is ongetwijfeld slechts verplaatst naar opkomende economieën, samen met de verplaatsing van industriële productie. Maar dat is niet het hele verhaal. Want juist China, het land waar veel productie heen ging, blijkt de laatste jaren in staat tot zwakke ontkoppeling: de CO2-intensiteit daalt (zie de tweede grafiek). Daar is in bijvoorbeeld India geen sprake van. De stijgende lijn voor dat land buigt (nog) niet af.

China investeert de laatste jaren veel in duurzame energie. Volgens de DIW-onderzoekers — die hun conclusies niet alleen op de hier getoonde grafieken, maar vooral op degelijke regressieanalyse baseren — is sterke ontkoppeling in China op korte termijn mogelijk. Investeringen in duurzame energie zijn niet alleen een kostenpost, maar zorgen op zichzelf ook voor economische groei, zo blijkt uit het onderzoek. Groei en CO2-reductie kunnen daarom hand in hand gaan. Duitsland is daarvan een goed voorbeeld.

De ministers kunnen over zeven weken in Parijs volstaan met een speech van drie woorden: ‘Sterke ontkoppeling kan.’ En dan snel aan het werk om die ­mogelijkheid waar te maken.

 

 

(ook in FD)

China leidt de nieuwe robotrevolutie, Nederland doet nauwelijks mee

In 2018 staan in China meer robots dan in heel Europa. Dat is de verwachting van de International Federation of Robotics (IFR), de branchevereniging van robotproducenten in Frankfurt. Over drie jaar ‘werken’ er in de Chinese industrie mogelijk meer dan 614.000 robots. Dat betekent dat het aantal robots in China de komende jaren meer dan verdrievoudigt.

In de Europese industrie stijgt het aantal industriële robots ook, maar in een veel lager tempo, van 411.000 in 2014 naar 519.000 in 2018. Dat is een toename van slechts 26%. Ergens rond 2016 haalt de Chinese robot in aantal zijn Europese concurrent in vliegende vaart in.

De-industrialisatie van Japan
Ook de Verenigde Staten en Japan, twee landen waar in 2014 meer robotten aan het werk waren dan in China, zijn tegen die tijd ruim ingehaald. Door de stijgende welvaart en lonen in de ‘fabriek van de wereld’ wordt de industrie er in razend tempo geautomatiseerd. Als de robot banen in de industrie vernietigt, dan waarschijnlijk eerder in China dan in de oude economieën.

Japan doet juist een stapje terug. In dit robotland bij uitstek neemt het aantal robots in de industrie al een paar jaar af en die trend zet volgens de IFR de komende jaren door. In 2018 daalt het aantal robots er naar een kleine 292.000, zo’n 4.000 minder dan in 2014. De de-industrialisatie van Japan zet dus door.

Technologische werkloosheid
Al deze cijfers en ramingen komen uit een nieuw rapport over robots, dat de IFR donderdag publiceerde. Het rapport verschijnt jaarlijks en is de enige gedetailleerde bron van gegevens over aantallen robots in verschillende landen en sectoren. Behalve de prognose dat China de komende jaren de robotrevolutie leidt, bieden de cijfers nog meer interessante inzichten.

Interessant omdat de robotisering van de industrie langzamerhand macro-economische proporties begint aan te nemen. De robot wordt een serieuze productiefactor, die kan zorgen voor economische groei in tijden van vergrijzing. Daarnaast speelt de robot een steeds grotere rol in discussies over de toekomst van de arbeidsmarkt. Robotisering kan zorgen voor technologische werkloosheid, waarschuwde minister Lodewijk Asscher vorig jaar. Alle reden dus om de opkomst van de robot scherp in de gaten te houden.

Azië
Vorig jaar ging die opkomst opvallend snel. Het aantal verkochte industriële robots (dat zijn robots die bijvoorbeeld lassen, snijden, verven, inpakken en materialen tillen of verplaatsen) kwam wereldwijd uit op ruim 229.000 stuks. Dat was 29% meer dan een jaar eerder en het hoogste aantal aller tijden. Na de grote dip tijdens de mondiale recessie van 2009, toen er slechts 60.000 robots werden verkocht, zijn de robotverkopen snel gestegen, met deze extra spurt in 2014.

De meeste daarvan gingen richting Azië. Inmiddels staan er van de 1,4 miljoen industriële robots die wereldwijd aan het werk zijn, ruim meer dan de helft in Aziatische landen. Van de in totaal iets meer dan 411.000 robots in Europa staan de meeste in Duitsland. Frankrijk en Italië doen ook aardig mee.

Schermafbeelding 2015-10-15 om 22.20.54

Nederland blijft achter
En Nederland? Bij ons staan nauwelijks robots opgesteld. Slechts 2% van de Europese robots staat bij een Nederlands bedrijf. Met slechts 8470 industriële robots tellen we nauwelijks mee. In China komt dat aantal er de komende jaren maandelijks bij.

Al zijn de absolute aantallen bescheiden, ook in Nederland was er in 2014 sprake van een groeispurtje: er werden vorig jaar 1234 nieuwe robots geïnstalleerd, bijna 40% meer dan in 2013. Het aantal robots per tienduizend werknemers in de Nederlandse industrie komt daarmee op 107 stuks. Dat is meer dan de 95 van 2013, maar Nederland blijft achter bij bijvoorbeeld België en Denemarken, en heel ver achter bij industrielanden als Duitsland en Zuid-Korea.

Asschers angstbeeld
Dat komt deels omdat wij behalve Nedcar geen echte auto-industrie kennen. In die sector zijn robots traditioneel oververtegenwoordigd. Maar volgens het IFR-rapport rukt de robot nu ook duidelijk op in de andere delen van de industrie. In Duitsland is inmiddels sprake van wat het rapport noemt een ‘gediversifieerde inzet van robots in de gehele industrie.’

Nederland lijkt echt achter te lopen. Gaan we de kans missen op de nieuwe groei die de robotisering belooft. Ik vrees het. Dat we dan ook Asschers angstbeeld van technologische werkloosheid mislopen, vind ik maar een schrale troost.

Dansen met ambtenaren

Een overheidsrapport lezen is meestal geen pretje. Het jargon, de dubbelhartigheid, de enerzijds-anderzijds-schrijfstijl, het ontwijken van de echte antwoorden — ik voel woede, onmacht, walging. Na iedere paragraaf wordt de neiging groter om mijn oogballen uit mijn schedel te trekken en tegen de muur te pletten.

Maar soms doe ik een dansje. Ik neem het rapport in mijn armen en wals door de kamer. Tadadadada, tam tam, tam tam. Lachend en zingend van plezier. Ze snappen het! En ze schrijven het ook echt op.

Afgelopen weekend walste ik met het mooiste meisje uit de klas: het Eindrapport IBO Zelfstandigen Zonder Personeel. Maandenlang had ze hard-to-get gespeeld. We hadden eigenlijk al een afspraakje in 2014. Maar de ambtenaren die het Interdepartementale Beleidsonderzoek (IBO) uitvoerden, bleven maar knutselen aan haar dansjurkje. Pas in april was het klaar. Vervolgens nam het kabinet ruim de tijd voor een reactie. De datum van het bal werd steeds uitgesteld. Tot afgelopen vrijdag, toen de debutante naar buiten trad.

De eerste pasjes gaan nog stroef. Maar vanaf pagina 72 begint het rapport te swingen. De ambtenaren zeggen waar het op staat. Ze tekenen een horizontale lijn op het papier, en schrijven links ‘zelfstandige’ en rechts ‘werknemer’. Links is er geen sociale bescherming, rechts juist wel. Dit is de traditionele verdeling van de arbeidsmarkt: Je bent of een zelfvoorzienende ondernemer, of een onmondige werknemer. Andere smaken zijn er niet.

Maar dan trekken de ambtenaren nog een lijn, van boven naar onder: een nieuwe dimensie. Bovenaan zetten ze: ‘zelfredzaam’, onderaan: ‘afhankelijk’. Dan schrijven ze: ‘Er zijn ook afhankelijke zelfstandigen (met te weinig bescherming) en er zijn ook zelfredzame werknemers (met te veel bescherming)’.

Schermafbeelding 2015-10-15 om 22.15.24

De dans begint. Want dit is waar het om gaat: het relevante onderscheid is niet dat tussen werknemer en ondernemer, maar dat tussen afhankelijk en zelfredzaam.

Sociale bescherming moet er zijn voor wie het nodig heeft, en voor anderen niet. Op dat principe moet het sociale stelsel voor de eenentwintigste eeuw worden gebouwd. Het onderscheid werknemer-ondernemer is passé.

VVD en PvdA durven deze nieuwe dimensie niet in te gaan. Beide partijen houden vast aan hun eendimensionale, horizontale wereldbeeld. De VVD is er voor de ondernemer, de PvdA voor de werknemer. Voor de verticale werkelijkheid van hulpeloze ondernemers of zelfredzame werknemers is in dat wereldbeeld geen plaats.

Daarom doet dit kabinet niets. De muziek blijft uit, alle dansers staan beteuterd aan de kant.

We moeten nog even geduld hebben. De volgende formatie moet een dansfeest worden, op een dansvloer met twee dimensies.

(Zie FD)

 

Lees ook:
Onzelfstandig
Iedereen een vaste baan
Versoepeling ontslagrecht, en wel daarom

 

 

 

Liever een crisis

Wolfgang Munchau, Duitser in Britse dienst en oprichter van de gezaghebbende economische betaalsite Eurointelligence.com maakte dinsdagochtend het nieuws bekend: ‘Vanaf nu behandelen wij VW als een macro-verhaal — schade en economische impact zijn waarschijnlijk erg groot.’

Wie denkt dat het bedrog van Volkswagen vooral een probleem is voor VW-rijders, inwoners van Wolfsburg, beleggers in Volkswagen en (bovenal) astmatische stadsbewoners, vergist zich. De ontmaskering van de producent van ‘schone diesels’ heeft inmiddels macro-economische proporties aangenomen. Dit raakt ons allemaal, vreest Munchau.

Nu zal ik de laatste zijn om te beweren dat ‘dieselgate’ een klein incident is. Goede kans dat de ontdekking het VW-bedrog, een Lehman-moment voor de autosector is. Net zoals de val van Lehman Brothers in 2008 de hele bankensector ontmaskerde, kan het demasqué van de schone diesel van VW voor een revolutie in de autosector en het toezicht daarop leiden.

Maar is het daarmee ook een macro-economisch verhaal? Er komt geen nieuwe recessie omdat VW en mogelijk ook Mercedes, BMW en — wie weet — Peugeot, een paar zware kwartalen tegemoet gaan. De ECB hoeft bij de toelichting van het volgende rentebesluit geen woord aan Volkswagen te wijden. De inflatie gaat er niet door stijgen of dalen, de Europese werkloosheid schiet niet opeens omhoog en de olieprijs zal er niet door veranderen.

Waarom maakt Munchau er dan toch een macro-economisch drama van? Ik vrees dat het een gevolg is van de crisisverslaving waaraan veel economen en analisten lijden. Na zeven crisisjaren lijkt het leven zonder enorme, allesomvattende gebeurtenissen zinloos. Daarom wordt iedere kwestie direct een macro-economische context geplaatst. Volkswagen, vluchtelingen, de groeistuipen van China, de verkiezingen in Catalonië, het is pas een verhaal als we er de voorbode van een nieuwe recessie of financiële crisis in kunnen zien. Analisten en economen zijn ambulancejagers die in de slipstream van slecht nieuws op jacht zijn naar het nieuwe grote ongeluk.

Is dat erg? Ik denk het wel, want ondertussen gaat het met de Europese economie verrassend goed. De groei trekt aan en de werkloosheid daalt. Consumenten waren sinds 2011 niet zo optimistisch als nu. Het producentenvertrouwen steeg in september, tegen de verwachtingen in. De inkoopmanagers verwachten groei. Zelfs Frankrijk en Italië doen mee.

Maar de analisten somberen liever over de aanhoudende deflatie in Spanje, die consumenten theoretisch aanzet tot sparen. Dat de Spaanse winkelverkopen al twaalf maanden op rij stijgen, wordt genegeerd. Want met goed nieuws valt niet te scoren.

Ontslag van de ceo helpt meestal niks

Topman Martin Winterkorn probeerde de dans eerst nog met een nederig excuus te ontspringen. De 68-jarige professor doctor ingenieur zat recht voor de camera en betuigde zijn diepe spijt over de bedrieglijke praktijken van Volkswagen. Het filmpje deed denken aan de excuusvideo die Rabobank-topman Piet Moerland tijdens de Libor-affaire de wereld instuurde. Onhandig, pijnlijk en bovenal nutteloos.

Want net als bij Moerland was er voor Winterkorn geen houden meer aan. Vijf dagen na het uitbreken van ‘Dieselgate’ stuurden de commissarissen hem naar huis.

Radicale omslag
Het zal ongetwijfeld niet bij dit ene ontslag blijven. Zo’n groot schandaal tast uiteindelijk de geloofwaardigheid van iedereen in de top aan. Er zal een roep komen om cultuurverandering bij VW, een radicale omslag in het denken en een nieuwe bedrijfsstrategie. Dat proces kan niet geloofwaardig worden geleid door de oude leiders.

Maar op korte termijn is het wegsturen van Winterkorn vooral crisismanagement. Er is bij de commissarissen altijd de hoop dat met het offeren van de hoogste baas, de storm zal gaan liggen en de beurskoers uit de vrije val komt.

Ontslag
Hoe realistisch is die hoop? Is ontslag van de ceo goed voor een bedrijf? Er is niet veel, maar wel wat serieus onderzoek gedaan naar die vraag. De voorlopige conclusie luidt dat ontslaan van de topman niets helpt.

Voordat ik dat onderzoek bespreek, eerst de harde cijfers. PWC publiceert ieder jaar een onderzoek naar vertrekkende ceo’s van de 2500 grootste beursgenoteerde bedrijven ter wereld. Dit onderzoek startte in 2000, dus inmiddels is er een database met vijftien jaar aan informatie opgebouwd.

Schermafbeelding 2015-10-04 om 12.03.20

Zittingsperiode
Daaruit blijkt dat in West-Europa en Noord-Amerika jaarlijks gemiddeld 13,5% van de ceo’s het bedrijf verlaat. De gemiddelde zittingsperiode is dus ongeveer zeven à acht jaar. De meeste ceo’s die hun post verlaten, doen dat vrijwillig. Daarnaast stapt jaarlijks gemiddeld bijna 7% van de ceo’s van grote West-Europese bedrijven op volgens planning. Ze gaan met pensioen of vinden in goed overleg een andere baan. In de Verenigde Staten en Canada is dat zelfs 7,6%.

Pakweg 2,5% van de ceo’s moet jaarlijks het veld ruimen vanwege een fusie of overname. En ruim 4% (West-Europa) en 3% (Noord-Amerika) van de ceo’s wordt jaarlijks met harde hand het bedrijf uitgewerkt. Het opvallende is dat dit percentage in Europa hoger is dan in Amerika. De afrekencultuur zou in de Nieuwe Wereld groter zijn dan in de Oude. Maar in werkelijkheid lijkt het dus eerder andersom.

Helpt het ook? Volgens onderzoek van Margarethe Wiersema, hoogleraar aan de University of California, gaat een bedrijf in elk geval niet beter presteren na het wegsturen van de ceo.

Operationele winst
Op basis van een onderzoek naar ontslagen bij 500 grote Amerikaanse bedrijven stelt zij dat bij bedrijven die de ceo ontslaan, de operationele winst in de twee volgende jaren niet verbetert. Niet ten opzichte van de eerdere prestaties onder de oude ceo, en ook niet ten opzichte van andere bedrijven in de sector.

Ze doen het zelfs slechter vergeleken met bedrijven die een geplande en vrijwillige overgang naar een nieuwe ceo doormaken. Wiersema concludeert: ‘Ik heb geen enkele maatstaf kunnen vinden die aangeeft dat ontslag van de ceo een positief effect heeft op de prestaties van het bedrijf.’

Traumatisch
Ontslag van de topman is een traumatische ervaring voor een bedrijf, stelt Wiersema. Commissarissen reageren vaak te impulsief op de externe druk van beleggers en analisten, waardoor ontslag en opvolging slecht worden gemanaged. De wens om de buitenwereld tevreden te stellen regeert, en men kiest vaak voor een ongeschikte maar bekende buitenstaander in plaats van een opvolger van binnen het bedrijf.

Die laatste fout lijkt Volkswagen niet te maken. Winterkorn is opgevolgd door insider Matthias Müller de huidige baas van dochterbedrijf Porsche. Dat is goed voor de continuïteit van het bedrijf, zou Wiersema zeggen. Maar misschien is het niet continuïteit, maar juist disruptie dat Volkswagen nu nodig heeft.