De zaagrobot

(Deze column verscheen eerder hier, in het Financeele Dagblad)

Cornelis Corneliszoon van Uitgeest is in 1593 een “schamel huysman”. Hij heeft, schrijft hij zelf in dat jaar, “groote moeyten, costen ende arbeyt” in een uitvinding gestoken, die de Nederlandse republiek schatrijk zal maken. Cornelis is de bedenker van de houtzaagmolen.

In 1594 bouwt hij een werkende zaagmolen, die hij twee jaar later doorverkoopt aan een Zaandammer. In Amsterdam is de nieuwe technologie niet welkom. Het Amsterdamse handzagersgilde vreest baanverlies, want de molen zaagt dertig keer sneller dan een mens. Het gilde krijgt het stadsbestuur zover de zaagmolen te verbieden. Nog tot in 1627 zou in Amsterdam alleen met de hand gezaagd mogen worden.

Voorbeelden
In Zaandam is dan al een bloeiende houtzaagindustrie ontstaan. Honderden molens produceren de planken die nodig zijn voor de snel groeiende VOC-vloot. De uitvinding van de zaagmolen kwam precies op tijd, schrijft Stichting Cornelis Corneliszoon van Uitgeest in een recente publicatie. Voor een groot VOC-schip waren zo’n 3000 tot planken verzaagde eikenstammen nodig. Zonder zaagmolen was de 17de eeuw niet zo goud geweest. De Amsterdamse handzagers gingen wat anders doen. In de razendsnel groeiende Amsterdamse economie (bedankt, Cornelis) was werk genoeg.

De geschiedenis is vol van dit soort voorbeelden. De tractor maakte de boerenknechten werkloos. Maar zorgde ook voor goedkoper voedsel, meer koopkracht, meer vraag naar industriële producten en nieuwe werkgelegenheid voor de boerenknechten in de fabriek. Kinderen hoefden niet meer direct van de lagere school het land op, konden langer leren en kregen daardoor beter betaalde banen.

Robot
De computer maakte een eind aan administratief werk. Kantoortuinen vol typistes en cijferaars verdwenen. Maar de werkloosheid is sinds de introductie van de pc niet structureel gestegen. In 2008, vlak voor het uitbreken van de kredietcrisis, zocht 3,1% van de Nederlandse beroepsbevolking werk; even veel als eind jaren zeventig. Arbeidsbesparende technologie leidt niet tot meer werkloosheid, wel tot meer welvaart.

Maar volgens minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken is het deze keer mogelijk anders. Hij vreest de robot. Afgelopen maandag zei Asscher dat het niet ondenkbaar is dat robots zullen leiden tot ‘technologische werkloosheid’. Alleen de rijken profiteren. Angstaanjagend, vindt Asscher.

Zoektocht
Is Asscher de nieuwe woordvoerder van het Amsterdamse handzaaggilde? Of is de robot echt anders dan de molen, tractor of pc? Ik denk het eerste, maar weet het niet zeker.

De komende maanden ga ik op zoek naar het antwoord. Ik zal af en toe, maar niet te vaak, verslag doen van die zoektocht. U kunt helpen: bent u uw baan verloren door een robot? Heeft u uw baan te danken aan een robot? Heeft u werkgelegenheid geschapen dankzij de robot? Mail me: mathijs.bouman@fd.nl.

Lage euro, lage rente en goedkope olie kunnen Nederlandse economie extra vaart geven

(Verscheen eerder hier)

De daling van de euro zette de afgelopen dagen stevig door. Met een koers van $ 1,27 staat de wisselkoers van de Europese munt nu op het laagste peil sinds november 2012. [Inmiddels verder omlaag naar $1,25, MB]

Andermaal was het Mario Draghi die voor de depreciatie zorgde.  “De ECB staat klaar om nieuwe onconventionele instrumenten in te zetten”, zei de ECB-president in een interview met een Litouwse krant. Wat die nieuwe instrumenten precies kunnen zijn, daar ging Draghi niet op in. Maar nadat de ECB de afgelopen maanden de rente had verlaagd, een nieuw leenprogramma voor Europese banken had uitgerold en een opkoopprogramma voor ‘asset backed securities’ en pandbrieven had aangekondigd, bleef er eigenlijk nog maar één onconventioneel instrument over: het opkopen van staatsobligaties.

Lijdzaam toezien

Of het daar in Europa echt van gaat komen, is maar de vraag. Draghi zou recht tegen de noordelijke minderheid in de bestuursraad van de ECB ingaan. De Duitse en Nederlandse centrale bankiers zijn mordicus tegen het opkopen van staatsobligaties. Maar door de optie alleen maar te noemen, bereikte Draghi al zijn doel: verzwakking van de euro.

Lange tijd moest de ECB-president lijdzaam toezien hoe het opkoopprogramma van de Amerikaanse Fed de dollar verzwakte. De Amerikaanse economie groeide de afgelopen tijd stevig, terwijl die van Europa bleef kwakkelen, maar toch werd de euro steeds duurder ten opzichte van de dollar. Deze appreciatie had niets te maken met economische fundamentals en alles met het extreem ruime monetaire beleid van de Fed. In de valuta-oorlog won de Fed alle slagen.

Meer inflatie

Maar nu het opkoopprogramma van de Fed vrijwel ten einde is, ruikt Draghi zijn kans. Telkens als hij nieuw onconventioneel beleid aankondigt of zelfs maar suggereert, daalt de euro. Zo’n lage euro is precies wat Europa nodig heeft. Het maakt Europese export goedkoper en import duurder. Dat laatste drijft de momenteel veel te lage inflatie op.

Ook de Nederlandse economie kan profiteren van een goedkopere euro. Uit modelsimulaties van het Centraal Planbureau (CPB) blijkt dat een 5% lagere eurokoers de economie ruim een half procentpunt extra groei kan opleveren. In het jaar na de depreciatie loopt dat zelfs op naar een kleine anderhalf procentpunt.

Meevaller

In de Macro Economische Verkenningen (MEV), die op Prinsjesdag verscheen, gaat het CPB ervan uit dat de eurokoers volgend jaar op $ 1,35 zal liggen. Dat is 5% boven de huidige koers. Het CPB is daarmee behoorlijk conservatief. Als Draghi de euro omlaag blijft praten, zit er een flinke potentiële meevaller voor de Nederlandse economie in.

 Schermafbeelding 2014-10-06 om 09.43.57

Overigens moet de Fed dan niet al te hard op de rem trappen. Als het Amerikaanse monetaire beleid echt snel wordt verkrapt, is het effect van de lage euro op de Nederlandse economie een stuk kleiner, zo blijkt uit de modelsimulaties. Maar tot nu toe lijkt het er niet op dat Fed-president Janet Yellen van plan is de monetaire teugels extra krachtig aan te halen.

Lange rente

Het Planbureau maakt in de laatste MEV nog enkele conservatieve veronderstellingen. Zo gaat men ervan uit dat de lange rente volgend jaar 1,8% bedraagt. De huidige 10-jaarsrente staat maar net boven de 1%. Als die rente in 2015 zo laag blijft, zou de economische groei — alweer op basis van modelsimulaties door het CPB zelf — wel eens pakweg een kwart procentpunt hoger kunnen uitvallen. Dat zou dan vooral door een extra investeringsgroei, van misschien wel 2,5%, komen.

Schermafbeelding 2014-10-06 om 09.44.04

Ook de olieprijs wordt in de MEV behoorlijk hoog ingeschat. Het CPB verwacht dat een vat Brentolie volgend jaar gemiddeld $ 107 kost. Op dit moment betaal je voor een vat ruwe Noordzee-olie slechts $ 97. Dat voordeel van $ 10 zou de economische groei in 2015 met 0,2 procentpunt kunnen aanwakkeren.

Schermafbeelding 2014-10-06 om 09.44.13

Het is allemaal geen exacte wetenschap, maar opgeteld zou de Nederlandse economie in 2015 een kleine procent extra kunnen groeien, als de dollar, rente en olieprijs op het huidige niveau blijven. We krijgen dan niet de geraamde 1,25%, maar meer dan 2% groei.

Niet gek

Wat is er mis bij de Staatsloterij? De toezichthouder voor de sector, de Kansspelautoriteit, gaat onderzoek doen bij het in 1992 verzelfstandigde gokbedrijf. Is er gesjoemeld bij de trekkingen door Intralot, het Griekse bedrijf dat de systemen van de Staatsloterij beheert? Oud-medewerkers vrezen van wel, schreef de Volkskrant afgelopen weekend.

De Stichting Loterijverlies (ja, die bestaat) eist dat de trekking direct wordt gestaakt. Het risico dat veel deelnemers benadeeld worden veel te groot, vindt men. Dat is een grappige opmerking. Benadelen van deelnemers is immers precies het doel van de Staatsloterij. Of beter: van iedere loterij — ook als er geen schimmige Griek aan de lottomolen draait. Het uitgekeerde bedrag ligt altijd flink onder het ingelegde bedrag, zodat de deelnemers er gemiddeld bij inschieten. Je wordt bij voorbaat benadeeld.

Afgerond nul kans
Toch doen miljoenen Nederlanders elke maand weer mee, in de hoop op een miljoenenprijs. Maar de kans op een hoofdprijs in de Staatsloterij is nul. Niet precies nul, maar afgerond nul. Net zo nul als al die andere kansen die we dagelijks afronden op nul. De kans dat er een piano op ons hoofd valt terwijl we de hond uitlaten, de kans dat we toevallig Koningin Maxima tegen het lijf lopen en dat ze een gezellig gesprek met ons aanknoopt of de kans dat we bij het bollenplanten in de tuin op een Keltische goudschat stuiten. Het kan in theorie, maar in de praktijk gebeurt het alleen bij een ander. De kans is afgerond nul.

Zo is het ook met de Staatsloterij. Altijd wint iemand de hoofdprijs, maar u zult dat nooit zijn. Afgerond nooit. Wel is zeker dat de verwachte opbrengst van deelname negatief is. Kans maal opbrengst minus kosten is kleiner dan nul. Maar geen deelnemer die dat uitrekent, want voor kansrekenen is de mens niet in de wieg gelegd.

We kunnen niet rekenen
De loterijen kennen ons gebrek aan rekenkracht en gooien folders in de bus met foto’s van Audi’s en mega-Jackpotten van €21 mln. Hoe dikker de prijs, hoe meer deelnemers, ongeacht de minuscule kans (afgerond nul) op winst. We kunnen niet rekenen, en via de Staatsloterij heft de overheid belasting over onze dyscalculie. Uit Amerikaanse onderzoek blijkt dat arme mensen vaker deelnemen aan een loterij dan rijke, dus deze belasting pakt ook nog eens denivellerend uit.

Maar het geeft toch ook plezier, deelname aan de loterij? Een lot koop je om even te kunnen hopen op een leven als miljonair. Als dat zo was, hoefde er maar één trekking per jaar te zijn. Of één trekking per leven; dan kon iedereen z’n hele leven hopen. Nee, de loterij verkoopt geen hoop, maar een leugen. De leugen dat we de wetten van de kansrekening kunnen afkopen voor de prijs van een lot.

Het schandaaltje bij de Staatsloterij is een prima moment voor een collectief voornemen: wij kopen geen loten meer. Nooit meer. Wij zijn namelijk niet gek.

(Deze column verscheen eerder hier in het FD) 

Nieuwe cijfers veranderen het verhaal van de Nederlandse kopersstaking

Zo weinig nieuws als in de Miljoenennota stond dit jaar, zoveel zat in de begeleidende Macro Economische Verkenningen (MEV) van het Centraal Planbureau. Dat nieuws kwam niet regelrecht uit de koker van het CPB zelf, maar was het gevolg van een grote verbouwing bij het Centraal Bureau voor de Statistiek. Sinds dit jaar wordt het bruto binnenlands product op een andere manier berekend. Een betere manier, meent het CBS zelf, met nieuwe bronnen en volgens nieuwe internationale afspraken.

Deze revisie van de nationale rekeningen, zoals de operatie heet, heeft grote gevolgen voor de belangrijkste kerncijfers van de Nederlandse economie. Zo blijkt het bbp zo’n 7% hoger te zijn dan het CBS eerder dacht. Daardoor is onze staatsschuld als percentage van dat bbp ook direct stuk draaglijker.

De revisie verandert ook het economische verhaal van de afgelopen crisisjaren. Daarom was de MEV van deze week – de eerste geschreven op basis van de nieuwe CBS-cijfers – zo interessant.

Eerder schreef het FD over de investeringen, die volgens de nieuwe cijfers veel minder zijn afgenomen dan eerder gedacht. De griezelige trend van steeds minder investeringen en daardoor steeds minder potentiële economische groei is in de nieuwe cijfers niet meer zichtbaar. Weer een zorg minder.

Zuinig

Er is nog een verhaal dat we moeten herschrijven: dat van het gedaalde beschikbare inkomen. Volgens de oude cijfers is er tussen 2008 en 2014 sprake van een daling van het totale beschikbare inkomen uit arbeid, met ruim 7%. Geen wonder dat de consument zo zuinig aan deed, geen wonder dat de consumptie jaar op jaar bleef krimpen en het stil werd in de winkelstraten.

Maar in de nieuwe MEV ziet het beeld er een stuk gunstiger uit. Het totale beschikbaar inkomen uit arbeid is tijdens de crisisjaren zelfs gestegen en zal in 2015 bijna 4,5% boven het niveau van 2008 uitkomen. Dat komt vooral door een grotere stijging in 2009. In dat jaar schafte toenmalig minister van Financiën Wouter Bos het werknemersdeel van de WW-premie af, in de hoop zo de economie te stimuleren. Volgens de oude methode steeg het beschikbaar arbeidsinkomen in 2009 met 4,4%. Na de revisie is dat bijna twee keer zoveel.

Schermafbeelding 2014-09-28 om 10.26.42

Dalende huizenprijzen

Dat betekent echter niet dat de consumptie zich de afgelopen jaren ook gunstiger heeft ontwikkeld. De oude en nieuwe consumptiecijfers verschillen marginaal. Waarom was de consument zo zuinig, als het beschikbaar inkomen zich gunstiger ontwikkelde dan gedacht? Het antwoord luidt: door de dalende huizenprijzen.

Voor dat antwoord moest het CPB eerst het economische model Saffier opstarten. De gegevens over inkomen, huizenprijzen en vermogen (bijvoorbeeld aandelen en spaargeld) werden door dat model gehaald, zodat de invloed van iedere factor op de consumptie kon worden bepaald. Uit deze exercitie blijkt dat de ontwikkeling van het beschikbaar inkomen tussen 2008 en 2015 een positief effect op de consumptie had en zal hebben. Alleen in 2013 drukte deze factor de consumptie.

Schermafbeelding 2014-09-28 om 10.27.03

Herstel

De dalende huizenprijzen hebben de consumptie juist in alle jaren sinds 2010 gedrukt. Aan de verzilvering van overwaarde, via nieuwe en hogere hypotheken, kwam een einde. Het aangename idee van eeuwig stijgende woningwaarde, werd vervangen door de angst dat het eigen huis onder water zou komen te staan.

Schermafbeelding 2014-09-28 om 10.26.50

De invloed van huizenprijzen op consumptie werkt met enige vertraging. Pas na pakweg anderhalf jaar, denkt het CPB, zie je dalende woningwaarde terug in de consumptie. Hetzelfde geldt voor herstel op de woningmarkt. Vandaar dat – de recente stabilisatie van huizenprijzen ten spijt – het CPB ook dit en volgend jaar nog een negatief effect op de consumptie verwacht.

Het eigen huis is dus de grote boosdoener. De winkelstraten zijn leeg en verlaten omdat woningen minder waard werden. Wat Nederlanders voor de crisis extra uitgaven, omdat in ieder huis een eigen pinautomaat leek te zitten, moesten ze na 2009, toen bleek dat huizenprijzen ook omlaag konden, extra bezuinigen. Dat is het verhaal van de kopersstaking van de afgelopen jaren. Althans, tot de volgende revisie bij het CBS.

 

Zijn bier

Net als u vind ik het eigenlijk hartstikke mooi. Met een nuffig gebaar wees Charlene de Carvalho-Heineken de grote buitenlandse opkoper SABMiller de deur. Wij zijn van uw poenerige overnamepogingen niet gediend, was zo ongeveer haar antwoord. Het ‘erfgoed’ en de ‘identiteit’ van Heineken als zelfstandige onderneming moet worden behouden. Ook al kost het de familie — en alle andere aandeelhouders — mogelijk miljarden euro’s aan cash, ons erfgoed is veilig.

Overal in Nederland proosten blije bierdrinkers opgelucht op de gezondheid van Charlene. Heineken blijft ons bier. De gloed van chauvinistische trots verwarmt ons van binnen. Dat blussen we af met nog een rondje. En barman, doe er maar zo’n schaaltje borrelnootjes bij! Maar alleen als ze van het oer-Hollandse Duyvis uit Zaandam zijn.

Erfgoed

Duyvis. Alweer een jaar of acht in handen van het Amerikaanse Pepsico. Dat bedrijf kocht het van Douwe Egberts, dat op zijn beurt was overgenomen door het Amerikaanse Sara Lee. Inmiddels is het oer-Hollandse kopje koffie van DE van Benckiser uit Duitsland. En het traditionele plakje Peijnenburg-koek dat we daar graag bij eten, is van het Belgische Lotus Bakeries.

Want erfgoed verkopen doen we al jaren. Niets is Hollandser dan een boterham met hagelslag. Maar met elk pakje dat we leegschudden gaat de omzet omhoog bij moederbedrijf Heinz uit Pennsylvania. Generaties Nederlandse kinderen groeiden op met de vissticks van Iglo dat al weer acht jaar eigendom is van het Britse investeringsfonds Permira. De boerderijdrop van Venco is Zweeds (Cloetta), de muntdrop van Klene Italiaans (Perfetti Van Melle).

‘Een Hollandser merk is er haast niet’, beweert koekenbakker Verkade op de eigen website. Maar de meisjes van Verkade bakken al bijna een kwart eeuw voor het Britse United Biscuits. Kelloggs heeft trouwens trek in United Biscuits. De uitvinder van cornflakes zou nadenken over een bod, zo meldde Reuters deze zomer. Dan wordt Verkade Amerikaans.

Freddy Heineken

Het kan me niet schelen. Ik knabbel op de Hollandse borrelnootjes en zuig op een Nederlands muntdropje, ook al staat het hoofdkantoor van het moederbedrijf in een ver land.

Maar bij Heineken voelt dat toch anders. Heineken smaakt beter in Nederlandse handen. Merkwaardig is dat. Of eigenlijk niet. Want het merk is onlosmakelijk verbonden met Freddy Heineken, de man die het bedrijf weer onder familie-bewind bracht en die met zijn bluf, originaliteit en vooral zakelijk inzicht een bierimperium bouwde.

Dat verhaal verdient een mooier vervolg dan een overname door SABMiller en een toekomst als premium brand van een buitenlandse multinational. In principe ben ik tegen beschermingsconstructies en voor vrij verkeer van kapitaal, maar voor Freddy Heineken — en voor zijn erfgenamen — maak ik graag een uitzondering.

Wie gokt op inhaalgroei na een financiële crisis, rekent zich rijk

Eigenlijk had u jaarlijks ruim € 4000 meer moeten verdienen. Maandelijks zou er nu zo’n € 350 extra moeten binnenkomen. Met alle Nederlanders bij elkaar horen we anno 2014 jaarlijks pakweg € 68 mrd extra te produceren. We hebben recht op een 10% grotere economie.

Dat klinkt goed. Maar slaat het ook ergens op? Taco van Hoek vindt van wel. Van Hoek is directeur van het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) en publiceerde afgelopen maandag zijn boek De Risicomijdende ­Samenleving.

Volgens Van Hoek heeft het Centraal Planbureau (CPB) tijdens de afgelopen crisisjaren zonder goed onderbouwde ­redenen zo’n 10% van het bruto binnenlands product (bbp) van Nederland achter de horizon laten verdwijnen.

Potentiële groei
Dat deed het CPB door na het uitbreken van de kredietcrisis in 2008 de potentiële groei van de Nederlandse economie lager in te schatten. Potentiële groei is het hypothetische groeipercentage waarmee de Nederlandse economie onder normale omstandigheden — dus zonder crisis en recessie — zou kunnen groeien, door toename van de beroepsbevolking en de ­arbeidsproductiviteit.

In 2009 voorzag het CPB dat de potentiële groei door de crisis lager uit zou vallen. We zouden de verloren groei van recessiejaar 2009 daardoor niet snel inhalen, maar elk volgend jaar op een wat lager dan eerder verwacht bbp uitkomen.

Inhaalgroei
Van Hoek, die tot zijn aanstelling bij het EIB in 2006 onderdirecteur was bij het CPB, verbaast zich over deze prognose. Waarom zou Nederland de in 2009 opgelopen achterstand niet inlopen? Hij denkt dat er wel degelijk sprake kan zijn van inhaalgroei en dat daardoor de economische groei in de jaren na de crisis juist hoger zal uitvallen.

Als het CPB dat in 2009 zo had geraamd, had de overheid veel minder hoeven te bezuinigen, is de stelling van Van Hoek. We hebben ons onnodig veel ellende op de hals gehaald. In plaats van de broekriem aan te halen, hadden we beter rustig kunnen wachten tot de economie weer terug was op het oude groeipad.

Het gaat om enorme bedragen. Van Hoek rekent voor dat we onder normale omstandigheden tussen 2006 en 2015 een jaarlijkse groei van 1,75% zouden hebben gehad. Dat is 17,5% over die hele periode. In werkelijkheid was de groei slechts 7,5%. We komen dus 10% te kort. Het bbp bedraagt dit jaar € 630 mrd (gemeten in prijzen van 2010), uitgaande van Van Hoeks percentages, had dat eigenlijk € 698 mrd moeten zijn.

Schermafbeelding 2014-09-21 om 11.58.21

Maar kun je na een financiële crisis wel rekenen op inhaalgroei, zoals Van Hoek vrij achteloos veronderstelt? Over die vraag breken CPB-economen zich al sinds 2009 het hoofd.

Zweden en Finland
In het boek De Grote Recessie dat het Planbureau dat jaar liet verschijnen, staat een heel hoofdstuk over de kans op inhaalgroei. Het CPB vergelijkt Finland en Zweden in de jaren negentig van de vorige eeuw, toen beide landen een financiële crisis met bijbehorende recessie meemaakten. Zweden haalde de achterstand binnen een paar jaar in. Finland kwam nooit meer op het oude trendmatige groeipad terug.

Krijgt Nederland Zweedse inhaalgroei of Finse achterstand? De wedstrijd is nog onbeslist, schrijft het CPB in 2009. Maar een Fins verlies van 5% tot 10% van het bbp is zeker mogelijk.

In 2014 verschijnt weer een CPB-boek: Roads to Recovery. De economen zijn dan stelliger. De crisis heeft de verdiencapaciteit aangetast. Door de hoge werkloosheid hebben veel Nederlanders geen kans gehad werkervaring op te doen. Investeringen in machines, opleidingen en R&D werden geremd door strengere banken en door onzekerheid over financiële stabiliteit en toekomstige vraag. Daardoor heeft de arbeidsproductiviteit zich veel minder gunstig ontwikkeld dan zonder crisis het geval was geweest. In de marktsector lag de arbeidsproductiviteit eind 2013 maar liefst 10% onder de trend van voor de crisis.

Dat haal je niet zomaar in. Van Hoeks inhaalgroei is gebaseerd op misplaatst optimisme over de veerkracht van de economie. De financiële crisis heeft onze productiecapaciteit wel degelijk geraakt. Het CPB was in 2009 niet pessimistisch, maar realistisch.

(FD)

Onze AAA terug!

Aan: Dhr. Moritz Krämer, Standard & Poors

Geachte heer Krämer,

Het is nu ruim negen maanden geleden dat u de AAA-status van Nederland afpakte. Als kredietbeoordelaar van Standard & Poors, vond u AA+ meer bij ons passen. De elite van tripple-A-landen was voor Nederland te hoog gegrepen. U gaf voor deze downgrade een aantal argumenten. Graag loop ik deze met u langs.

S&P maakte zich eind 2013 vooral zorgen over de groeiperspectieven van de Nederlandse economie. Die zouden een stuk slechter zijn dan van andere AAA-landen. Dat beeld klopte misschien in 2013. Maar inmiddels is de economie weer gaan groeien. De afgelopen vier kwartalen bedroeg de groei 0,9%. Dat is bijna net zoveel als triple-A-land Zwitserland en flink meer dan de nulgroei van Denemarken en Finland (beide AAA).

Met een groei van 0,5% in het laatste kwartaal, zou Nederland zelfs in de top-3 van Europese AAA-landen hebben gestaan. Alleen Noorwegen en het VK deden het beter.

U zag eind 2013 een economie zonder binnenlandse vraag. Nederlandse bedrijven investeerden steeds minder en Nederlandse consumenten hielden een koopstaking. Vooral over die consumenten was u pessimistisch. Zij zouden in 2014 hun huis nog verder in waarde zien dalen en de werkloosheid zien oplopen tot maar liefst 8%. Logisch dat u voorspelde dat de consumptie in 2014 en 2015 verder zou dalen.

Maar vier maanden na het verschijnen van uw rapport begon de consumptie weer te groeien. De huizenprijzen stegen sinds november 2013 met 2,5%. De werkloosheid daalt al drie maanden op rij en zal – zoals het er nu uitziet – de 8% nooit halen. Bedrijven hebben in acht van de afgelopen negen maanden meer geïnvesteerd. Het herstel gaat langzaam, maar sneller dan S&P vorig jaar voorzag.

Verder maakte u zich zorgen over de stabiliteit van de Nederlandse politiek. Er was in 2013 weliswaar een begrotingsakkoord gesloten tussen het kabinet en een deel van de oppositie, maar, zo schreef u, als er nieuwe bezuinigingen nodig zouden zijn, zou het al moeilijker worden om daar steun voor te krijgen. Pas in 2015 zou het begrotingstekort weer op of onder de 3% uitkomen, dacht u, dus de begrotingsruimte was uiterst beperkt.

Het goede nieuws is dat het begrotingstekort op het moment van uw downgrade al onder de 3% zat. Ook in 2014 zitten we er ruim onder. Over nieuwe bezuinigingen wordt in Den Haag niet meer gesproken Er is juist weer wat geld te verdelen. Geen wonder dat het overleg tussen kabinet en oppositie soepel verloopt.

Goed beschouwt was u in november 2013 op alle punten te pessimistisch. Vandaar mijn verzoek via deze weg.: meneer Krämer, mogen we onze AAA terug? We missen ‘m zo.

(FD)

Japan-scenario? Misschien zit Europa wel in een Amerika-scenario

Is Europa het nieuwe Japan? Voor een groeiend aantal economen is dat al lang geen vraag meer. Ja, het eurogebied is in het gevreesde ‘Japans deflatiescenario’ terechtgekomen. Dit decennium is verloren, en het volgende misschien ook wel. Dan weet u vast waar u aan toe bent.

Er valt heel wat te zeggen over de vraag of de vergelijking van Europa met Japan wel zo’n gelukkige is. Zelf denk ik dat er meer verschillen dan overeenkomsten zijn, tussen de twee economieën. Maar die discussie laat ik hier rusten, want ik laat liever een andere vergelijking zien: die van het eurogebied met de Verenigde Staten.

Dat lijkt bij voorbaat een verloren zaak. Want het is toch algemeen bekend dat de Amerikaanse economie — zes jaar na het uitbreken van de kredietcrisis — er onvergelijkelijk veel beter voor staat dan die van Europa? In de VS daalt de werkloosheid en is de stemming onder consumenten en ondernemers opperbest. Het bruto binnenlands product groeit en is al weer flink hoger dan voor de crisis. Onvergelijkelijk.

Maar dat is geen eerlijke vergelijking. Voor de Amerikanen is het nu zes jaar na het uitbreken van de crisis, en zo’n vijf jaar na het oplossen er van. In het voorjaar van 2009 waren de Amerikaanse banken gered en was de acute crisis voorbij. De economie kon langzaam beginnen met het verteren van de gevolgen ervan. In het eurogebied moest op dat moment de echte crisis nog beginnen. De eurocrisis, die het voortbestaan van het gehele Europese financiële stelsel bedreigde, werd pas in de zomer van 2012 beteugeld. In Europa is het niet vijf, maar twee jaar na de crisis.

Hoe zag de Amerikaanse economie eruit, twee jaar na de kredietcrisis? Dat was begin 2011 en het beeld was niet al te fraai. Na een periode van herstel kromp de economie in het eerste kwartaal van 2011 opeens weer. Het bbp daalde met bijna 0,4%. De ramingen voor de groei in de rest van het jaar werden in allerijl naar beneden geschroefd.

Schermafbeelding 2014-09-13 om 21.27.59

Schermafbeelding 2014-09-13 om 21.28.08

Ook de afname van de werkloosheid stagneerde in 2011. Gedurende de eerste negen maanden van dat jaar bleef de werkloosheid hardnekkig rond 9% hangen. De gemiddelde werkloosheidsduur steeg zelfs, van 35 weken in januari naar 40 weken halverwege het jaar. Het vertrouwen van consumenten had er flink onder te lijden. Begin 2011 piekte het vertrouwen nog op 77 punten. Aan het eind van de zomer stond het op een magere 55 punten. Dat was het laagste niveau sinds november 2008.

Ook inkopers in de industrie en dienstensector verloren hun optimisme. De gecombineerde inkoopmanagersindex — een redelijk betrouwbare indicator voor de stand van de conjunctuur — begon 2011 op een stand van 59, maar daalde in de loop van het jaar naar 52. Twee jaar na het bezweren van de kredietcrisis was de Amerikaanse economie behoorlijk zwakjes en was er angst voor een nieuwe recessie. Het bbp lag in het eerste kwartaal van 2011 nog altijd 0,7% onder het niveau van voor de crisis. De Federal Reserve was maar vast begonnen met een nieuw opkoopprogramma (QE2) in de hoop dat daarmee de economie zou worden aangezwengeld.

Vervang in bovenstaande alinea’s VS door Europa en 2011 voor 2014, en je hebt een aardig overzicht van de economische stand van zaken hier en nu. Twee jaar na het einde van de eurocrisis is de Europese groei stilgevallen, neemt de werkloosheid nauwelijks af, is het consumentenvertrouwen laag, daalde de inkoopmanagersindex naar 52 en is de centrale bank begonnen aan een wanhoopsoffensief. Het Europese bbp ligt nog altijd 0,6% onder het niveau van voor de crisis.

Er is geen ontkomen aan: we zitten in een Amerika-scenario. Dat is een prima scenario, overigens. Want aan het eind van 2011 groeide de Amerikaanse economie al weer met meer dan een procent op kwartaalbasis. Het bbp was hoger dan ooit, de recessie was echt voorbij.

Hersenverweking

(Verscheen eerder hier)

Opnieuw een ‘doet ie het of doet ie het niet’-moment voor Mario Draghi. Gaat de ECB-president donderdag een nieuw opkoopprogramma aankondigen? Krijgen we kwantitatieve verruiming (QE) in het eurogebied?

 In de aanloop naar donderdag worden de geesten rijp gemaakt voor drastische monetaire maatregelen. Voormalige ECB-bestuurder Lorenzo Bini Smaghi schreef een stuk op de website van de Financial Times, onder de titel ‘Why the opponents of QE have failed to make their case”. Daarin noemt de Italiaan alle argumenten van de tegenstanders van QE, en verklaart ze stuk voor stuk ongeldig.

Dat hij zichzelf daarbij meermaals tegenspreekt (QE zorgt bij het ene punt niet voor inflatie, bij het andere juist wel) doet er niet toe. Sterker: het draagt juist mooi bij aan de hersenverweking van de lezer. Hoe vaker je schrijft dat het eurogebied een opkoopprogramma nodig heeft, omdat we anders in een neerwaartse spiraal van deflatie, vraaguitval en recessie terechtkomen, hoe meer dat als een feit gaat klinken. De murw gebeukte lezer gaat het mee prevelen: deflatie… vraaguitval… recessie.

Vooral Britse en Amerikaanse media zijn al geruime tijd bezig met het herprogrammeren van de Europese lezer. Hoe dat werkt? Afgelopen dinsdag publiceerde Eurostat nieuwe cijfers over de producentenprijzen in het eurogebied. In juli waren de prijzen die fabrikanten elkaar onderling berekenen gedaald met 0,1%.

Hoewel het hier niet om consumentenprijzen gaat, maakte de Wall Street Journal er toch een angstverhaal van. Het eurogebied kan niet ontsnappen aan een al langer wordende periode van erg lage inflatie, schreef de krant zorgelijk.

Pas aan het eind van het artikel ging de krant in op de oorzaak van de (licht) dalende producentenprijzen: energie was goedkoper. Dat was de enige sector waar in juni de prijzen daalden. Zonder energie bleven de prijzen stabiel, voor de vijfde maand op rij. Zijn lagere energieprijzen een probleem? Natuurlijk niet. Hoe goedkoper olie, gas en elektriciteit, hoe lager de kosten voor bedrijven, hoe hoger de winst. Moet de ECB de olieprijs stimuleren met een opkoopprogramma? Dat is net zo onzinnig als het klinkt.

 Ook de lage inflatie voor consumenten komt voor een belangrijk deel door de gedaalde energieprijzen. Zonder die daling was de Europese inflatie in augustus geen 0,3% maar 0,6% geweest. En zonder de tevens gedaalde voedselprijzen bedroeg de inflatie 0,9%. In de arbeidsintensieve dienstensector stegen de prijzen met 1,2%. Geloof me, echte deflatie ziet er anders uit.

Volgens een nieuw rapport van de Oeso zijn vooral de prijzen van tarwe, maïs en oliehoudende zaden flink gedaald. De oorzaak: recordoogsten eerder dit jaar. Voedselprijzen blijven ook het komende jaar dalen, zegt de Oeso. Wat een feest, denkt de consument. Wat een ramp, tobben de verweekte hersenen van de krantenlezer.

Europa in de greep van slordig geformuleerde angst voor deflatie

De prijzen in het eurogebied stijgen nauwelijks meer. In augustus bedroeg de inflatie 0,3%. Dat is het laagste percentage sinds 2009, toen er een paar maanden lang sprake was van regelrechte deflatie.

Krijgen we nu weer deflatie? Als de olieprijs verder daalt en de  Russische sancties zorgen voor lagere voedselprijzen, is dat goed mogelijk. De deflatie van 2009 was overigens zonder consequenties. Ondanks vijf maanden van dalende prijzen, herstelde de Europese economie stevig.

Toch is deflatie een groot gevaar, want, zo leggen experts keer op keer uit, als prijzen dalen stellen consumenten en bedrijven hun bestedingen uit. Van Lanschot-econoom Luc Albers gebruikte afgelopen week deze woorden op de Belgische tv. Het Centraal Planbureau schreef ze onlangs op in een publicatie. En zelfs ECB-president Mario Draghi maakte zich schuldig aan dit slordige taalgebruik.

Want dat is het: slordig. Wie beweert dat deflatie een probleem is omdat mensen hun bestedingen uitstellen, vertelt slechts het halve verhaal. Want wanneer stel je bestedingen uit? Als door te wachten met uitgeven, de koopkracht van je geld stijgt.

Maar dat is eigenlijk de normale situatie. We noemen dat ‘sparen’ en ‘rente ontvangen’ .  Wie zijn 100 euro niet meteen uitgeeft, maar tegen 4% rente spaart, kan over een jaar voor 104 euro boodschappen doen. Wachten loont, in de normale wereld. En in zo’n normale wereld is er ook inflatie. Laten we zeggen dat die 1,5% bedraagt. De koopkracht van 100 euro daalt daardoor met anderhalve euro. Per saldo levert uitstellen van besteden (sparen) 2,50 euro extra koopkracht op. De reële rente (dat is rente minus inflatie) is 2,5%.

Nu naar de abnormale wereld van deflatie: stel dat het prijspeil daalt met 1,5%. De centrale bank verlaagt de rente naar 1%; er is toch geen inflatiegevaar. De reële rente bedraagt dan ook 2,5%. De beloning op wachten is net zo hoog als in de ‘normale wereld’.

Dat bestedingen uitstellen lucratief is, is dus niet bijzonder. Het is de natuurlijke gang van zaken in een normaal werkende economie. Waarom is er dan toch zoveel angst voor deflatie? De reden is dat de centrale bank de rente niet of nauwelijks onder de nul procent kan krijgen. Dat is fysiek onmogelijk, omdat bij een negatieve spaarrente spaarders hun geld in bankbiljetten opnemen en onder hun hoofdkussen leggen. Dan krijgen ze in elk geval nog nul procent.

Als de beleidsrente niet lager kan zijn dan nul en er is sprake van deflatie, dan is de reële rente positief. Als een economie dan ook nog eens in een recessie zit, is dat volgens sommige economen een groot probleem. Volgens hen is een fiks negatieve reële rente (dus een boete op sparen) de enige manier om de economie weer aan de praat te krijgen. Deflatie maakt dat onmogelijk.

Dat is de theorie waarop de angst voor deflatie is gebaseerd. Dus niet: consumenten wachten op goedkopere producten. Maar wel: we kunnen de reële rente niet negatief genoeg maken. Dat betekent ook dat er nauwelijks verschil is tussen lage inflatie en milde deflatie. Er ligt geen magische grens bij 0% inflatie. Hoe hoog of laag is de reële rente, dat is de enige relevant vraag.

Het antwoord? Behoorlijk laag. Neem Nederland: met een 10-jaars rente van slechts 1% en een inflatie van 0,6%, bedraagt de reële rente 0,4%. Dat is iets meer dan de -0,5% (negatief!) van de afgelopen twee jaar. Maar afgezien van die twee jaar, staat de reële rente op het laagste niveau sinds 1977. De recessie van de jaren tachtig kwamen we door met een reële rente van 6 tot 7%.

Schermafbeelding 2014-09-06 om 20.43.55

Spanje zit al een tijdje in de ‘deflatiespiraal’, maar groeit harder dan Frankrijk en Finland, waar de prijzen bovengemiddeld snel stijgen. De Portugese economie groeit met 0,8 procent terwijl de prijzen dalen. Oostenrijk groeit net zo hard, bij een inflatie van 1,7%.

Zorgen over de Europese economie zijn terecht. Maar het bewijs dat lage inflatie en te hoge reële rente het Europese hoofdprobleem is nog lang niet geleverd.

journalist en econoom