Van Lotringen laat mij rare dingen beweren over de robot

Als ze je in de eerste alinea “gerenommeerde journalist en econoom” noemen, dan weet je het wel: je gaat er van langs krijgen. Je ziet het verkeerd, je hebt het mis, je zit er volkomen naast.

Cees van Lotringen (een buitengewoon bekwame journalist, schrijver en managing-director) pakt het ook zo aan in zijn artikel op FTM, vandaag.

Van Lotringen reageert op een stukje van mij in het Financieele Dagblad van afgelopen zaterdag over dienstverlenende robots. (zonder betaalmuur hier). En ik reageer daar graag weer op.

Want Van Lotringen heeft niets van mijn verhaal begrepen.

Ik loop zijn beweringen even door:

Van Lotringen schrijft: “Hij [dat ben ik dus] laat ons weten dat we ons geen zorgen hoeven te maken over de opmars van de robot; ze zullen onze banen niet inpikken”.

Vreemd, want ik schrijf dat helemaal nergens. Mijn stukje ging niet over de vraag of robots banen inpikken.

Misschien dat Van Lotringen doelt op de zin waarin ik de inleiding van een robotrapport citeer: “De dienstenrobot heeft nog nauwelijks intrede  gedaan in ons dagelijks leven. Een stofzuiger, een grasmaaier, wat speelgoed, maar dat is het dan ook wel.” Dat citaat slaat op robots in huis. Niet op robot als banendief in het bedrijfsleven, zoals ik in de tekst duidelijk aangeef.

De dienstverlenende robot is juist wel te vinden in het bedrijfsleven ( daar gaat de rest van mijn stukje van zaterdag dan ook over). Ik beschrijf wat de robot daar doet, hoeveel er van zijn en hoe snel die opmars van de dienstverlenende robot gaat.

Als iemand daar al iets over banendiefstal in wil lezen, dan moet het de constatering zijn dat ik vind dat het snel gaat met de opmars van de dienstenrobot op de werkvloer.

Dat is ook wat er uit het geciteerde rapport van de International Federation of Robotics (IFR) blijkt. De komende jaren komen er jaarlijks maar liefst 33.000 dienstenrobots bij, verwacht IFR.

Maar volgens Van Lotringen schijft de IFR dat er jaarlijks “niet meer dan 33.000” zullen worden verkocht. Alsof ze de boel proberen te verhullen en ons “in slaap willen wiegen”.

Van Lotringen noemt de IFR daarom een “vooringenomen”, “waarschijnlijk onbetrouwbare” en “discutabele” bron voor informatie over robots.

Dat zijn nogal wat beschuldiging. Ik lees nergens een bewijs dat IFR zijn cijfers verkeerd voorstelt of expres onjuist presenteert. Wat weet Van Lotringen over deze bron dat ik niet weet? Opvallend is dat het IFR het nergens in het rapport heeft over “niet meer dan 33.000”. Men laat juist met enige trots zien dat het snel gaat met de introductie van de dienstenrobot.

Zou van Lotringen het rapport zelf eigenlijk wel gelezen hebben? Het zou zomaar kunnen van niet, want het is nogal kostbaar. Je moet eerst 575 euro overmaken voordat je hun twee robotrapporten in de mailbox krijgt. Ik heb dat geld er – na enig aarzelen – voor over gehad, omdat ik denk dat we pas aan de discussie over banen-stelende-robots kunnen beginnen als we de feiten kennen. Hoeveel robots zijn er? Wat doen ze? In welke sectoren? Hoe snel is de groei?

Precies daarom schreef ik dat (eigenlijk nogal saaie) stukje in het FD, afgelopen zaterdag. Om de cijfers te presenteren. Eerder deed ik hetzelfde voor de robot in de industrie. Eerst de feiten, dan de analyse. En pas dan conclusies trekken.

Ik heb geen betere en completere data kunnen vinden dan die van IFR. Geloof me, anders had ik die 575 euro wel op zak gehouden. Maar hou me aanbevolen voor vergelijkbare gratis cijfers uit andere bronnen.

Nog wat korte opmerkingen over Van Lotringens artikel:

Hij schrijft: “De discussie gaat – of zou moeten gaan – over defensie, maar vooral over industriële robots, die wél een exponentiële groei laten zien.”

Okay, daar ging dit eerdere FD-artikel dus over. Enkele lezers wezen mij er terecht op dat de dienstenrobot minstens zo belangrijk was voor de vraag of robots banen pikken, want de dienstensector is nu nog erg arbeidsintensief. Vandaar mijn tweede artikel.

 “Japan slaat op dat terrein wereldwijd de trom. (…) Nu zet de robotrevolutie zich voort. In de VS, maar vooral ook in China.”

Hier grafieken met de feiten (ja, van de IFR). Japan is groot in robots, maar China nog niet. Europa blijft achter, behalve Duitsland. Zuid-Korea heeft relatief de meeste. China komt (afgezet tegen het aantal werknemers in de industrie) pas op plaats 28. Nog achter Nederland, waar het ook niet echt wil vlotten.

Over eerdere technologische ontwikkeling schrijft Van Lotringen: “Het heeft onze levensomstandigheden sinds de uitvinding van de stoommachine verbeterd en voor hogere welvaart gezorgd. Voor Bouman is dat historische gegeven aanleiding voor een stevig vooruitgangsgeloof.”

Weer weet ik blijkbaar het antwoord al: de robot is goed. Niet zo lang geleden schreef ik een column met precies die vraag: kunnen we afgaan op de gunstige uitkomsten van voorgaande technologische revoluties.

Mijn conclusie (of eigenlijk juist gebrek aan conclusie): “ Is Asscher de nieuwe woordvoerder van het Amsterdamse handzaaggilde? Of is de robot echt anders dan de molen, tractor of pc? Ik denk het eerste, maar weet het niet zeker. De komende maanden ga ik op zoek naar het antwoord. Ik zal af en toe, maar niet te vaak, verslag doen van die zoektocht.”

Ik weet het dus juist nog helemaal niet. Mijn dienstenrobot-artikel was onderdeel van de zoektocht, die nog lang niet klaar is.

Van Lotringen schrijft: “Journalisten moeten hun lezers zowel het halfvolle als het halflege glas laten zien. De wereld is niet of in elk geval niet meer simpelweg wit of zwart.”

Okay, maar ze moeten eerst hun feiten en cijfers op orde hebben.

Van Lotringen: “Natuurlijk bieden robots de markt kansen, maar niet voor iedereen – en zeker niet voor mensen die laaggeschoold zijn, routinewerk doen en te maken hebben met werkgevers die de verleiding moeilijk zullen kunnen weerstaan om hen te vervangen door robots die 24 uur per dag werken, nooit om loonsverhogingen vragen, niet vertegenwoordigd worden door vakbonden en ook niet staken, zoals minister Lodewijk Asscher van Sociale Zaken en Werkgelegenheid recent terecht waarschuwde.”

Prachtig. Ik schreef precies over dat onderwerp in maart van dit jaar al deze column  in het FD. Geen antwoorden, maar een soort proto-analyse van de problemen die de robot voor de inkomensverdeling en arbeidsmarkt kan geven. Mijn eerste babystapje op een lange zoektocht.

Als het gaat om de toekomstige rol van de robot (en natuurlijk alle andere vormen van arbeidvervangende automatisering, maar robot bekt zo lekker) heb ik nog nauwelijks antwoorden. En ik heb nooit beweerd dat ik die wel heb. Van Lotringen – bekwaam, gerenommeerd – heeft een vreemd stuk geschreven.

 

 

De dienstverlenende robot is een Europeaan

Al die uren die ik dacht te hebben verspild met het lezen van science fiction-boeken (liefst de oude klassiekers, toen er nog echt wetenschap in SF zat), blijken tot mijn verbazing een uiterst nuttige tijdbesteding te zijn geweest. Ik dacht dat het nerdy escapisme was, maar in werkelijkheid bereidde ik mij op diep-filosofische wijze voor op de toekomst.

Computers die zo slim zijn dat ze zelfbewustzijn ontwikkelen? Robots die de mensheid de oorlog verklaren? Het zijn geen griezelverhalen meer, maar serieuze toekomstscenario’s. Althans, volgens ’s werelds bekendste natuurkundige Stephen Hawking. De ontwikkeling van volledige kunstmatige intelligentie kan het einde van de menselijke soort inluiden, vertelde Hawking de BBC. Hij vreest dat zo’n zelfdenkende machine zichzelf continu zal herprogrammeren, en zo uiteindelijk de mens van de troon zal stoten. Eerder dit jaar verwoordde de briljante ondernemer Elon Musk (Paypal, Tesla, SpaceX) soortgelijke zorgen.

Vijand?
Wordt de robot onze vijand? Of kunnen we er een behulpzame, intelligente vriend van maken? Kennis over elkaar is het begin van iedere vriendschap, dus in deze rubriek vandaag een poging om meer over de robot te weten te komen. Twee maanden geleden besprak ik op deze plek de industriële robot. Dat is meestal een eenarmige specialist, die nagelvast aan de fabrieksvloer staat. Die hoeven we niet te vrezen. Als we al ergens bang voor moeten zijn dan is het voor de allround dienstenrobot.

De International Federation of Robotics (IFR) publiceerde onlangs het rapportService Robots 2014. In de inleiding lees ik de nuchtere constatering dat de dienstenrobot nog nauwelijks intrede heeft gedaan in ons dagelijks leven. Een stofzuiger, een grasmaaier, wat speelgoed, maar dat is het dan ook wel.

De dienstverlenende robot is vooral in de professionele omgeving te vinden. Daar is hij meestal het dienstbare manusje-van-alles die vervelende en gevaarlijke klusjes opknapt voor de mens. De robot is druk met brandstoftanks en pijpleidingen schoonmaken, het poetsen van de romp van schepen en vliegtuigen, riolen inspecteren, mijnen opruimen en kerncentrales onderhouden. Hij doet sjouwwerk in magazijnen, blust brandjes, melkt de koeien en opereert patiënten. En af en toe landt er eentje op een komeet.

Dienstenrobots
In 2013 werden er wereldwijd 21.000 van dergelijke dienstverlenende robots verkocht. Dat was 4% meer dan in 2012. Voor de komende jaren verwacht IFR een forse versnelling van die groei. Gemiddeld zullen er tussen 2014 en 2017 jaarlijks ruim 33.000 dienstenrobots worden verkocht.

Schermafbeelding 2014-12-12 om 19.56.54

Vooral op de boerderij blijkt de robot al een gewone verschijning. In 2013 werden er bijna 6.000 landbouwrobots verkocht. Een flink deel daarvan kwam ongetwijfeld van het Nederlandse Lely vandaan waar ze zowel melk- als voederrobots produceren, maar het rapport geeft helaas heen uitsplitsing naar landen. IFR verwacht dat tussen 2014 en 2016 nog eens een kleine 34.000 landbouwrobots over de toonbank gaan.

Schermafbeelding 2014-12-12 om 19.56.04

In andere sectoren is de robot nog een zeldzaamheid. Zo werden er vorig jaar aan de schoonmaaksector maar 323 robots verkocht. Naar de bouwsector gingen er 650 stuks en naar de medische sector 1200. In logistieke bedrijven reden in 2013 bijna 1900 nieuwe robots rond.

Naast de landbouw is defensie de andere grootverbruiker van dienstenrobots. Vorig jaar werden er 9500 militaire robots verkocht, grotendeels (vliegende) drones. Dat is ongetwijfeld het type robots waarvan Hawking en Musk nachtmerries krijgen. Gelukkig dan dat er tussen 2012 en 2013 sprake was van een afname van het aantal verkochte militaire robots met 8%. Voor de komende jaren verwacht IFR ook geen enorme toename.

Europa spreekt een behoorlijk woordje mee in deze sector. Bijna 60% van de professionele dienstenrobots wordt in dit werelddeel geproduceerd. Europa is goed in het bouwen van robots voor zowel landbouw als militaire toepassingen. Uit Amerika komen ook veel dienstenrobots, maar dat zijn vooral drones voor het leger. Opvallend genoeg spelen Aziatische landen nauwelijks een rol van betekenis.

Schermafbeelding 2014-12-12 om 19.57.24

 

Verbod op bankbiljetten

Ongewone economische tijden vragen om ongewone oplossingen. Met de beleidsrente op nul en de inflatie daar nauwelijks boven, is het monetaire beleid van de Europese Centrale Bank vrijwel uitgewerkt. Maar in de strijd tegen deflatie en te hoge reële rente, is Mario Draghi bereid ver te gaan. Wij zullen doen wat nodig is, belooft de ECB-president. Het opkopen van grote hoeveelheden staatsobligaties, sluit Draghi daarom allerminst uit.

Of met zo’n opkoopprogramma de inflatie echt omhoog en de reële rente echt omlaag gaat, is overigens helemaal niet zeker. Maar volgens Draghi kun je onder de huidige omstandigheden beter te veel doen, dan te weinig.

Ferme taal. Maar erg fantasievol is zijn onconventionele beleid niet. Vorige week schreef ik al dat, als de ECB de bestedingen wil aanwakkeren, men beter oude auto’s kan opkopen dan staatsschuld. Deze week een aantal suggesties om de reële rente te verlagen.

De meest vergaande: schaf het bankbiljet af. Laat alle betalingen voortaan via elektronische weg verlopen en zorg zo dat alleen giraal geld nog waarde heeft. Momenteel voorkomt het bestaan van bankbiljetten dat de centrale bank de rente kan verlagen tot (ver) onder de nul. Als giraal sparen geld kost, zullen spaarders hun vermogen in bankbiljetten opnemen en onder het matras leggen. Het bankbiljet is een renteloos alternatief voor banktegoeden en dat maakt Draghi’s werk moeilijk.

Een verbod op betalen met het archaïsche papiergeld (waar hebben we dat nog voor nodig?) lost dat probleem in een keer op. Draghi hoeft dan niet te wachten tot inflatie zijn reële rente negatief maakt, maar kan daar zelf voor zorgen door de beleidsrente precies zo negatief te maken als hij nodig vindt.

Ja, dat klinkt behoorlijk geschift. Maar is het echt zoveel gekker dan het opkopen van enorme hoeveelheden Italiaanse staatsschuld? Kenneth Rogoff, voormalig hoofdeconoom van het IMF, noemde uitfaseren van papiergeld eerder dit jaar al het overwegen waard. (pdf)

Kunt u de knisperende bankbiljetten niet missen? Dan kan het ook op een andere manier. Laat iedereen die een bankbiljet bezit daar elk jaar een kleine belasting over betalen. Aanhouden van een € 100 biljet kost dan bijvoorbeeld € 2 per jaar. Dat levert in een keer 2% inflatie op, elk jaar weer. De inning van die belasting wordt natuurlijk lastig. Maar er is vast wel een onvervalsbare hologram-sticker te bedenken, die je moet kopen om je bankbiljet weer een jaar geldig te maken.

Of organiseer een bankbiljettenloterij. Ieder jaar wordt een deel van de bankbiljetten uitgeloot. Het unieke biljetnummer is een lotnummer! Winnende (of beter: verliezende) biljetten worden ongeldig als betaalmiddel. Dat levert gegarandeerde geldontwaarding op.

Het is inflatie zonder moeite, zonder opkoopprogramma en zonder ontploffende ECB-balans.

(eerst in FD)

 

 

Draghi koopt uw auto op

Vandaag gaan we Mario Draghi helpen. De president van de Europese Centrale Bank zoekt naar nieuwe manieren om de Europese economie uit het slop te trekken. De inflatieverwachting moet omhoog en de reële rente omlaag, vertelde Draghi afgelopen vrijdag op een congres in Frankfurt, zodat burgers en bedrijven meer geld uit gaan geven.

Maar hoe maak je mensen wijs dat de prijzen binnenkort flink gaan stijgen, als de inflatie nauwelijks boven de nul uitkomt? Dat lukt met een breed opkoopprogramma, denkt de ECB-president, met kwantitatieve verruiming. De ECB heeft al besloten om pandbrieven en Asset Backed Securities (ABS) te gaan opkopen. Maar mogelijk is dat niet genoeg. Draghi zei het niet letterlijk, maar de boodschap was duidelijk: de ECB maakt zich klaar voor het opkopen van staatsobligaties.

Helpt zo’n opkoopprogramma? Volgens Draghi wel, want het genereert direct lagere rente en meer aanbod van krediet. Europese bedrijven kunnen moeilijk lenen en moeten hoge rente betalen, opkopen van ABS kan daarom helpen. Het is een zwak argument. Bedrijven zijn misschien duur uit, maar dat geldt niet voor eurolanden. Spanje leent nu goedkoper dan de VS, Frankrijk betaalt minder rente dan het VK, Nederland is goedkoper uit dan Zweden. Verder verlagen van die rente is nergens goed voor.

Er is nog reden voor kwantitatieve verruiming, zegt Draghi. Opkopen van effecten doet de koersen van andere vermogenstitels stijgen, zoals aandelen en vastgoed. Het vermogen van beleggers neemt toe, waardoor hun leencapaciteit en hun uitgaven stijgen. Zo worden bestedingen gestimuleerd en de inflatieverwachting aangewakkerd.

Dat kan beter. Want beleggers zullen maar een klein deel van hun boekwinst uitgeven. Gewone burgers spenderen in de regel meer van onverwachte meevallers. Draghi’s eigen redenering volgend, zou hij daarom geen staatsschuld moeten opkopen, maar bezittingen van Jan en Jantien Modaal. Tweedehands auto’s bijvoorbeeld. Biedt € 5000 voor elke versleten Opel Kadett, € 10.000 voor iedere Toyota Aygo en € 20.000 voor elke opgevoerde VW Golf. Met zo’n Occassion Transaction Operation (OTO) maakt de ECB iedereen rijk en lopen de winkelstraten weer vol.

En begin dan ook meteen een grootschalig Longer term Unemployment Initiative (LUI); een grootschalige interventie op de Europese arbeidsmarkt, om de waarde van arbeid fors omhoog te krijgen. De ECB koopt in een keer het toekomstige levensloon van alle 18 mln Europese werklozen af. Zij beloven geen dag meer te werken, in ruil voor een basisinkomen van drie keer modaal. Gevolg: zowel bestedingen als inflatieverwachtingen nemen toe, want minder arbeidsaanbod betekent duurdere werknemers in de toekomst.

Denkt u dat ik gek ben geworden? Hou die gedachte vast, voor als Draghi binnenkort zijn opkoopprogramma voor staatsobligaties bekend maakt.

 

(verscheen ook in FD)

Bedrijven hebben bankkrediet nodig voor disruptieve innovatie

‘Nederlandse bedrijven moet afkicken van hun verslaving aan bankkrediet.Met die uitspraak verraste Boele Staal, de toenmalige voorzitter van de Vereniging van Banken, in 2012 de buitenwereld. Een barman die pleit voor geheelonthouding, dat valt natuurlijk op.

Staal vond dat bedrijven op zoek zouden moeten naar alternatieve financieringsbronnen. Vooral innovatieve projecten, die per definitie risicovol zijn, zouden in een wereld van strenge bankregels minder snel in aanmerking komen voor krediet, wist hij. Eigen geld of kapitaal van de investeerder, daar moest voortaan de innovatie van worden betaald.

De voorzitter zag het goed. Twee jaar later blijkt de kredietverlening van banken aan bedrijven flink gekrompen. Na een lange verslavingsperiode, waarin het uitstaande krediet steeg van € 196 mrd in 2003 naar € 341 mrd op de top in 2013, ging het cold turkey omlaag naar nu € 325 mrd. Dat is nog eens afkicken.

Schermafbeelding 2014-12-02 om 10.52.22
Helaas schiet het met die alternatieve financieringsbronnen, waar Staal zijn hoop op had gevestigd, nog niet echt op. Aan initiatieven geen gebrek. Met veel enthousiasme worden er nieuwe investeringsfondsen opgezet, kredietunies gesticht en crowdfundingsites gestart. De overheid kondigt wekelijks nieuwe garantieregelingen, subsidies en ‘venture initiatives’ aan. Allemaal buitengewoon sympathiek, maar de tientallen miljarden die nodig zijn om straks nieuwe groei te financieren, liggen nog lang niet op tafel.
Schermafbeelding 2014-12-02 om 10.52.33

Toch is vriend en vijand het er over eens dat afkicken van bankkrediet noodzakelijk is. Het Nederlandse bedrijfsleven heeft minder vreemd, en meer eigen vermogen nodig. Risicodragend vermogen, voor de nieuwe risicovolle, innovatieve investeringen waarmee we de groei weer op gang krijgen. En voor het geld moeten Nederlandse bedrijven niet naar de bank, maar naar de kapitaalmarkt, zo luidt de consensus op dit moment.

Voordat we de banken aan de kant schuiven, is het misschien slim naar de recente wetenschappelijke literatuur te kijken. Klopt het dat je een innovatief bedrijfsleven moet financieren buiten de bank om?

Deze week verscheen een uitgebreide literatuurstudie naar precies deze vraag. ‘Financing Innovation’, is de titel van de paper die Harvard-economen William Kerr en Ramana Nanda schreven. Hun verrassende hoofdconclusie luidt: voor de financiering van echte innovatie is vreemd vermogen, verstrekt voor banken, vaak beter dan eigen vermogen, opgehaald op de beurs.

Het gaat dan vooral om de aard van de innovatie. In perioden dat bankkrediet minder ruim wordt aangeboden, neemt niet zozeer het totale bedrag dat wordt uitgegeven aan innovatie af, maar de uitgaven aan experimentele, radicale en disruptieve innovatie. Bedrijven worden voorzichtiger en steken meer geld in innovatie die voortborduurt op eerdere uitvindingen.

Uit ander recent onderzoek, dat Kerr en Nanda noemen, blijkt dat juist innovatieve bedrijven goed bij de bank terechtkunnen, omdat zij hun patenten als onderpand kunnen gebruiken. Weer ander onderzoek laat zien dat ook start-ups, die nog geen onderpand hebben, profiteren van bankkrediet.

De beurs blijkt juist minder geschikt voor het financieren van radicale innovatie. Bij bedrijven die in de VS naar de beurs gaan, blijft het aantal nieuwe patenten weliswaar gelijk, maar de mate waarin die patenten echt vernieuwend zijn, daalt wel behoorlijk. Volgens de onderzoekers komt dat omdat beursgenoteerde bedrijven snel moeten presteren en het management op resultaten wordt afgerekend door de aandeelhouders. Voor risicovolle innovatie is dan minder animo. Het management wordt kortzichtiger na de beursgang, en volgt liever gebaande paden dan dat het nieuwe wegen inslaat.

De onderzoeken die de economen citeren hebben vooral betrekking op Amerikaanse bedrijven. Amerikaanse bedrijven zijn allerminst verslaafd aan bankkrediet, maar financiering via de kapitaalmarkt is in de VS veel gebruikelijker. Mogelijk zijn dus de conclusies niet een-op-een van toepassing op Nederland. Maar voordat we onze bankverslaving voor altijd afzweren, moeten we misschien toch even goed uitzoeken of we daarmee niet ons innovatievermogen schaden.

 

Het Abexperiment

Economen hebben geen laboratorium. Het effect van renteverlagingen, van extra overheidsuitgaven, van kwantitatieve verruiming — economen kunnen het slechts waarnemen in het veld. De ene helft van de economen zegt dat het werkt, de andere zegt van niet. Zonder gecontroleerd experiment blijven ze eeuwig ruziën.

Het was daarom buitengewoon vriendelijk van Shinzo Abe, dat hij vorig jaar besloot zijn hele land als laboratorium ter beschikking te stellen. Abe was net aangetreden als premier van Japan en besloot de adviezen van de ene helft van het economenvolkje tot in het extreme op te volgen.

De Japanse economie doet het al anderhalf decennium niet best. Sommige economen wijten dat aan de deflatie in het land, die maakt dat huishoudens te veel sparen en bedrijven te weinig investeren. Bovendien voorkomt het een vlotte sanering van Japanse schulden. Alleen met een combinatie van extra overheidsuitgaven en kwantitatieve verruiming middels een groot opkoopprogramma van de centrale bank, zou Japan de inflatie kunnen aanjagen en de economie weer aan de praat krijgen.

Abe ging met dit advies enthousiast aan de slag. Er kwam een groot stimuleringsprogramma en de Bank of Japan (BoJ) ging massaal staatsobligaties opkopen. Abenomics was geboren. Dat de Japanse staatsschuld daardoor oploopt tot 245% van het bbp en de balans van de BoJ in omvang verdubbelt, daar maakt Abe zich even geen zorgen om. Dat komt allemaal vanzelf weer goed als de groei terugkeert, had die ene helft van de economen hem uitgelegd.

Het Japanse experiment loopt nu zo’n anderhalf jaar en wat heeft Abenomics — of beter: ‘Abexperiment’ — tot nu toe opgeleverd? Van de afgelopen zes kwartalen waren er drie waarin de Japanse economie groeide, en drie met krimp. Dat is dezelfde score als Griekenland en Italië en slechter dan Frankrijk en Spanje. Met twee achtereenvolgende kwartalen met krimp is Japan deze zomer zelfs weer in een recessie beland. De inflatie is gestegen, maar dat lijkt de bestedingen niet aan te wakkeren. De koopkracht is door de inflatie uitgehold, dus consumenten blijven zuinig en bedrijven voorzichtig.

Japanse beleggers zijn wel tevreden, want zij zagen de beurskoersen bijna verdubbelen. En Japanse exporteurs juichen om de zwakke yen. Op de binnenlandse vraag heeft het beleid echter nog geen zichtbare invloed, en daar was het toch allemaal om te doen.

Maar Abe heeft begin dit jaar de btw verhoogd!, roept die ene helft van de economen. Daarmee heeft hij het experiment vervuild, want consumenten zijn door de hogere btw de winkel uitgejaagd. Een zwak excuus, want na anderhalf jaar extreem beleid zou de Japanse economie toch tegen een stootje moeten kunnen. Ik blijf het experiment met belangstelling volgen, maar ben stiekem blij dat het laboratorium niet in Nederland staat.

(verscheen eerder in FD)

De Kamer onderzoekt deflatiegevaar: aspirientjes mee!

(Deze column verscheen eerder hier)

De premies voor onze ziektekostenverzekering gaan volgend jaar weer flink omhoog. Verzekeraars Ohra en CZ gooien er zo’n 5% ­bovenop. Bij VGZ wordt de ­basisverzekering in 2015 zelfs ruim 12% duurder.

Geweldig toch, hoe onze verzekeraars zich inspannen om de Nederlandse economie een zetje in de goede richting te geven. Zorgpremies wegen voor anderhalf procent mee in het consumentenprijsindexcijfer. Dus een pakweg 7,5% hogere gemiddelde premie levert 0,1 procentpunt meer inflatie op. Bravo!

Daar kunnen de telecombedrijven een voorbeeld aan nemen. De continu dalende belkosten brengen Nederland aan de rand van de deflatie. Inmiddels bedraagt de inflatie hier nog maar 0,2%, net onder het gemiddelde in het eurogebied.

Schermafbeelding 2014-11-23 om 14.01.33

Ook de oliesjeiks zouden zich moeten schamen. Sinds de zomer is de olieprijs met 20% gedaald. Met iedere dollar die we minder betalen voor een vat ruwe olie tikt de inflatie verder omlaag. Nog even en we zitten met een ­dalend prijspeil. Leer maar vast met stokjes eten, want binnenkort zitten we in het ­Japanscenario.

Inflatie is goed, deflatie slecht, dat is het liedje dat de meeste economen en analisten dit jaar zingen. Was de wereld maar zo simpel. Of we slechter af zijn met deflatie dan met inflatie hangt van de omstandigheden af. Komt de deflatie door dalende kosten of te lage vraag? Gaan de lonen mee omlaag of stijgt de koopkracht als de prijzen dalen? Zijn hoge schulden een groter probleem dan lage vermogens? Kan de rente nog verder omlaag of is het nulpunt al bereikt? En reageren consumenten en investeerders wel op deflatie zoals de keynesiaanse modellen voorspellen?

De Tweede Kamer organiseert de komende week een hoorzitting over deflatie. Mijn advies voor de parlementariërs: aspirientjes mee, want je krijgt ­gegarandeerd hoofdpijn.

Om het nog wat ingewikkelder te maken: eigenlijk gaat het bij de deflatieproblemen niet om prijsdalingen nu, maar om de verwachting bij het publiek dat in de nabije toekomst de prijzen blijven dalen. Alleen dan is er de facto sprake van een hogere reële rente (dat is de marktrente minus de verwachte inflatie), en zullen consumenten meer sparen en bedrijven minder graag investeren, waardoor de vraag nog verder daalt en prijzen daadwerkelijk gaan dalen.

De verwachting van deflatie leidt tot deflatie. Daarom worden centrale bankiers zenuwachtig als de inflatieverwachtingen dalen.

Helaas is het nogal lastig om die verwachtingen te meten. Een manier is om het aan ‘kenners’ te vragen. De Europese Centrale Bank (ECB) doet dat regelmatig. Uit de laatste enquête blijkt dat professionele marktvorsers denken dat de prijzen in het eurogebied dit jaar slechts 0,5% stijgen en volgend jaar 1%. Dat is geen deflatie, maar ook niet de inflatie van net onder de 2% waar de ECB op mikt.

Maar weten de experts wel wat er onder het publiek leeft? Wat is de inflatieverwachting van de gewone man? Die is uiteindelijk van belang.

Ook daar wordt regelmatig onderzoek naar gedaan. Het CBS doet dat bijvoorbeeld ieder kwartaal. Van de ondervraagde Nederlanders verwacht 43% dat de inflatie de komende twaalf maanden hoger wordt dan of even hoog zal zijn als het afgelopen jaar. Prijzen blijven gelijk denkt 40%. Slechts 4% verwacht deflatie. Die percentages wijken nauwelijks af van de gemiddelde verwachtingen sinds 2003.Schermafbeelding 2014-11-23 om 14.01.56

In het eurogebied als geheel zijn de inflatieverwachtingen wel wat aan het afkoelen. Ruim 20% verwacht dat de inflatie het komende jaar nog verder gaat dalen. Drie jaar gelden was dat nog maar 10%. Aan de andere kant: ruim een derde verwacht gelijkblijvende inflatie en hetzelfde deel denkt dat de prijzen juist sneller gaan stijgen. De grote meerderheid verwacht dus geen deflatie.

Schermafbeelding 2014-11-23 om 14.01.17

Overigens is de gemiddelde burger allerminst een kenner van het prijspeil. Mensen overschatten de inflatie structureel, zo blijkt uit onderzoek. Ze hebben vaak geen idee van toekomstige prijsstijgingen, en baseren hun verwachtingen vooral op het recente verleden. Maar dat is geen probleem. Als consumenten en investeerders op basis van gevoel en onjuiste redeneringen inflatie verwachten, werkt dat net zo goed als tegengif voor langdurige deflatie.

Deflatie bezoekt de Tweede Kamer

De vaste commissie Financiën van de Tweede Kamer organiseerde afgelopen dinsdag (18-11) een rondetafelgesprek over het deflatiegevaar in de eurozone en Nederland.

In de eerste ronde spraken de Kamerleden met DNB-president Klaas Knot en CPB-directeur Laura van Geest. In de tweede ronde kwam een viertal economen aan het woord. Drie hoogleraren: Lex Hoogduin, Roel Beetsma en Sylvester Eijffinger, en één freelance journalist (ik, zei de gek).

Zoals dat gaat met dit soort bijeenkomsten, werd schriftelijke input op prijs gesteld. Ik stuurde een paar dagen voor het gesprek daarom onderstaand tekstje op:


Inbreng Mathijs Bouman, TK hoorzitting op 18 november 2014

Deflatie in zes misverstanden
Ik wil de problemen die langdurige deflatie met zich mee zou kunnen brengen, niet bagatelliseren. Maar grijp graag de gelegenheid aan om een aantal misverstanden uit de weg te werken.

Misverstand 1: Deflatie is de kwaal
Deflatie is in de eerste plaats een symptoom. Als tijdens een recessie en schuldencrisis de vraag naar goederen en diensten laag is, schiet productiecapaciteit over. Dat zet druk op prijzen en lonen. Daardoor daalt de inflatie, mogelijk zelfs tot onder de nul: deflatie.

Er is dus wel eens deflatie tijdens een recessie, maar daarmee is niet gezegd dat deflatie een recessie veroorzaakt of erger maakt.

Misverstand 2: Als prijzen dalen zullen consumenten hun bestedingen uitstellen
Maar leidt deflatie dan niet tot uitstel van bestedingen, omdat consumenten wachten tot producten goedkoper worden? Nee, dat is een versimpelde weergave van de (theoretische) relatie tussen daling van het algemeen prijspeil en de effectieve vraag.

Wat er werkelijk wordt bedoeld (en zelfs centrale bankiers formuleren dit helaas vaak slordig), is dat als het algemeen prijspeil daalt, de reële rente (dat is de marktrente minus inflatie) stijgt. Op zich zou een daling van de marktrente dit kunnen opvangen, maar als door de recessie en ruim monetair beleid de rente al (dicht bij) nul is, lukt dat niet meer. Dit is de beroemde keynesiaanse ‘liquiditeitenval’.

In dat geval zorgt deflatie (of lager dan verwachte inflatie, op zich is dat net zo schadelijk) mogelijk voor een reële rente waarbij consumenten teveel sparen en bedrijven te weinig investeren om iedereen aan een baan te helpen.

Dat is althans de theorie waarop de angst voor deflatie is gebaseerd. Dus niet: consumenten wachten op goedkopere producten. Maar wel: we kunnen de reële rente niet negatief genoeg maken. Dat betekent ook dat er nauwelijks verschil is tussen lage inflatie en milde deflatie. Er ligt geen magische grens bij 0% inflatie. Hoe hoog of laag is de reële rente, dat is de enige relevant vraag.

De te hoge reële rente zou volgens de (neo-)keynesiaanse gedachtegang zorgen voor langdurige, structurele onderbesteding. De economie is in een suboptimaal evenwicht terecht gekomen waar de vraag lager en werkloosheid hoger is dan in het optimum.

De oplossing is: hogere inflatie. Of preciezer: hogere verwachte inflatie. Als het burgers en bedrijven hogere inflatie verwachten, gaat de reële rente waarmee men rekent, direct omlaag. De reële rente van bijvoorbeeld een lening met een looptijd van tien jaar, is immers gelijk aan de nominale rente minus de gedurende die tien jaar verwachte inflatie. Het gaat er in deze theorie dus om de inflatieverwachtingen aan te wakkeren. Bijvoorbeeld met extra overheidsuitgaven die de onderbesteding verminderen. Of met onorthodox monetair beleid (extreem lage rente, opkoopprogramma’s, helikoptergeld etc.)

Of een lagere reële rente echt voor de verlossende extra bestedingen zou zorgen, is m.i. maar de vraag. Maar dit is in elk geval de achterliggende redenering van economen die vrezen voor een deflatiespiraal.

Misverstand 3: Schulden worden duurder, er zijn alleen verliezers
Als het algemene prijspeil langdurig daalt, worden zowel bezittingen als schulden ‘meer waard’. Als de deflatie onverwacht is, dus als er bij het aangaan van de schulden of opbouwen van vermogen geen rekening mee is gehouden, zullen schuldenaren een tegenvaller ervaren en vermogenden een meevaller. (In tijden van onverwacht hoge inflatie is dat andersom). Op zich levert dat op per saldo geen verandering op, want de tegenvaller van de een is gelijk aan de tegenvaller van de ander.

Maar als verder oplopende schuldenlast voor problemen zorgt, waar de hogere (reële ) vermogens niet tegen opwegen, kan deflatie via deze weg per saldo slecht uitpakken voor de economie als geheel. Volgens veel economen zitten wij nu in deze situatie. Problematische schulden van burgers, bedrijven en overheden worden nog ondragelijker door de deflatie (of onverwacht lage inflatie).

Inflatie kan te hoge schuldenlast dragelijker maken, maar inflatie is hersenloze manier van herverdelen. Als we vinden dat de schulden nu te hoog zijn, dan kunnen we daar wat aan doen. Bijvoorbeeld door kwijtschelding door banken, milde regelingen voor eigenhuisbezitters met onderwaarde, overheidsgaranties of -subsidies voor schuldenaren en minder kostbaar (persoonlijk) faillissement. We hoeven niet op inflatie te wachten om iets aan de te hoge schuldenlast te doen.

Misverstand 4: Dalende prijzen zijn altijd een probleem
Nee, de goedkope olie is geen probleem. De inflatie gaat er nog verder door omlaag. Maar goedkope olie is op zichzelf een bestedingsimpuls voor de economie. De koopkracht stijgt, consumenten en bedrijven kunnen meer uitgeven. Er is geen enkele reden om goedkope olie te vrezen, ook al schiet de inflatie daardoor misschien onder de nul.

Hetzelfde geldt voor de goedkope tarwe en andere agrarische producten die de afgelopen tijd vanwege goede oogsten goedkoper werden. Als deflatie al een groot probleem wordt, dan alleen als de binnenlandse prijzen langdurig dalen en de lonen mee omlaag gaan.

Misverstand 5: In sommige Europese landen is het desastreuse effect van deflatie al zichtbaar
Er is deflatie in Spanje. Het prijspeil daalde in oktober voor de vierde maand op rij. In Griekenland is de prijsindex nog langer negatief. Maar de Spaanse economie groeide de afgelopen drie kwartalen telkens met een half procent. Die van Griekenland zelf nog harder. Het eurogebied – waar de inflatie positief was – bleef steken op minder dan de helft.

Voor Spanje en Griekenland is deflatie een gevolg van de noodzakelijke loonmatiging, die voor een beter concurrerend bedrijfsleven moet zorgen. Probleem, of oplossing?

Misverstand 6. We moeten ons nu buitengewoon veel zorgen maken over deflatie
Nee, wij niet. Of de reële rente nu veel te hoog is, is maar de vraag. Of lagere reële rente de bestedingen zou aanwakkeren eveneens. Schuldsanering kan op andere manieren dan via inflatie.

Maar de ECB moet zich wel zorgen maken. Zij voldoen duidelijk niet aan hun mandaat: inflatie onder, maar dichtbij de 2%. Voor de centrale bank is de lage inflatie een aanslag op de geloofwaardigheid – uiteindelijk de enige asset die de ECB bezit.

En nee, ik denk niet dat het willekeurig opkopen van staatsobligaties van eurolanden en het oppompen van de balans van de ECB, voor hogere inflatie zal zorgen. Ik zou niet weten waarom.


LINKS

Voor wie verder wil lezen: hieronder een paar linkjes naar columns die ik dit jaar over dit onderwerp schreef in het Financieele Dagblad:

Europa in de greep van slordig geformuleerde angst voor deflatie
http://mathijsbouman.nl/mathijsbouman.nl/?p=275

ECB vecht niet tegen deflatie, maar tegen hoge rente
http://mathijsbouman.nl/mathijsbouman.nl/?p=161

Hersenverweking
http://mathijsbouman.nl/mathijsbouman.nl/?p=294

Lees ook wat Chicago-econoom John Cochrane schrijft over deflatie:
http://online.wsj.com/articles/john-cochrane-whos-afraid-of-a-little-deflation-1415919082?mod=WSJ_hpp_sections_opinion

http://johnhcochrane.blogspot.nl/2014/07/deflation-skeptics.html


Hoe het Rondetafelgesprek zich voltrok? Er was een stream, en @huizenprijzen was zo vriendelijk grote delen online te zetten:

Knot en Van Geest:

Hoogduin en Bouman:

 

 

Sorry, beste ambtenaren…

Het zal een jaar of vier geleden zijn geweest dat ik een telefoontje kreeg van het ministerie van Economische Zaken. Men was bezig met een onderzoek naar de wensen en klachten van kleine ondernemers in Nederland. Of ik als zelfstandige-zonder-personeel mee wilde doen met deze inventarisatie.

VAR
Een paar weken later zat ik in Café Dauphine, te Amsterdam, tegenover twee jonge, enthousiaste ambtenaren. Wat kunnen we beter doen, vroegen zij gretig. Waar kunnen u als zzp’er mee helpen? Ik greep deze kans om te klagen met beide handen aan. Die jaarlijkse aanvraag voor de Verklaring Arbeidsrelatie (VAR), kon dat niet simpeler? Waarom werd ik, nadat ik enkele keren een dag te laat was met mijn btw, tot in lengte van dagen gestraft met een maandelijkse belastingaanslag? En kon er misschien iets worden gedaan aan de zeer beperkte aftrekmogelijkheden van de kosten die ik maakte voor mijn kantoor aan huis?

O, de gruwelijke naïviteit, de stompzinnige hooghartigheid. Sorry, ambtenaren. Duizend maal excuus voor deze domme, domme vragen. Ik wist vier jaar geleden niet wat ik deed. Ik liep met mijn hoofd hoog in de wolken en leefde in de sprookjesachtige veronderstelling dat de overheid blij met mij was, en met al die andere kleine zelfstandigen. Inmiddels sta ik met beide benen op de grond.

BGL
Daarom wil ik graag al mijn kritische vragen en opmerkingen terugnemen. Natuurlijk vul ik ieder jaar enthousiast mijn VAR in. Ik snap dat schijnzelfstandigen de pest van deze tijd zijn, dat nep-zzp’ers de sociale zekerheid kapot maken en de solidariteit in Nederland ondermijnen. Dus snap ik ook heel goed waarom de overheid mij telkens wil laten verklaren dat mijn opdrachtgever niet stiekem mijn werkgever is.

Ik vul desnoods vier keer per jaar lachend zo’n VAR-aanvraag in, als ik maar niet gedwongen wordt om die duizend keer onhandigere en tijdrovendere ‘Beschikking Geen Loonheffingen’ (BGL) aan te vragen. Zo’n BGL zou ik voor elke opdracht en elke opdrachtgever opnieuw moeten aanvragen. Ik zou dat samen met mijn opdrachtgever moeten doen, die bovendien verantwoordelijk wordt voor de juistheid van de antwoorden. Ik spring met plezier door ieder hoepeltje die de overheid mij voor houdt, maar hoef ik dan s.v.p. niet samen met zakelijke relaties keer op keer vast te stellen wie nu precies een gezagsrelatie heeft met wie?

Jacht
En dat van die btw bedoelde ik ook niet zo. Desnoods betaal ik mijn omzetbelasting op weekbasis. Maar mogen wij zzp’ers dan onze zelfstandigenaftrek behouden? En dat kantoor aan huis kunnen we prima uit de nettowinst betalen. Maar hoeven wij dan niet verplicht mee te doen aan een collectieve pensioenregeling en arbeidsongeschiktheidsverzekering?

Ik beloof nooit meer te zeuren, als de overheid de jacht op de zzp’er staakt.

Waarom bleef de Europese economie achter, terwijl die van de VS herstelde?

Is Wolfgang Schäuble eindelijk om? De bezuinigingskoning van Europa trekt de beurs en gaat extra investeren in infrastructuur, onderwijs en energie. Tien miljard euro wil de Duitse minister van Financiën daarvoor de komende drie jaar uittrekken. Dat komt neer op een karige €3,3 mrd per jaar. Jaarlijks geeft de Duitse overheid pakweg €1.250 mrd uit, dus de investeringsimpuls van Schäuble bedraagt niet meer dan een kwart procent van de begroting. Bovendien begint de Duitser pas in 2016 met zijn bestedingsimpulsje. In 2015 zullen de kwakkelende Duitse en Europese economie er nog niets van merken.

Cheques uitschrijven zal Europa niet helpen, zei Schäuble nog geen maand geleden, nadat het IMF de groeiverwachtingen voor het eurogebied flink had verlaagd en IMF-directeur Christine Lagarde Duitsland opriep om met extra overheidsuitgaven de economie aan te zwengelen. Dat hij nu toch tien miljard uittrekt voor nieuwe uitgaven, is als een knieval voor het IMF uit te leggen. Maar dan alleen een puur symbolische knieval.

Laatste zetje
Misschien kreeg Schäuble het laatste zetje voor zijn symbolische gebaar wel van de Europese Commissie (EC). Afgelopen dinsdag maakte die nieuwe prognoses voor de Europese economie bekend en het beeld was niet fraai. De economie van het eurogebied groeit in 2015 slechts met 1,1%. In het voorjaar ging de EC nog uit van 1,7%. Belangrijke oorzaak van deze terugval is de groeivertraging in Duitsland. Ging de EC eerder nog uit van 2% groei in 2015, de raming voor Duitsland is nu verlaagd naar eveneens 1,1%. Een regelrechte recessie verwachten de economen in Brussel niet, maar veel meer dan aarzelende herstel zit er voor volgend jaar niet in.

Dat is natuurlijk niets nieuws. Sinds de kredietcrisis van 2008 en 2009 heeft de Europese economie keer op keer teleur gesteld. Vergeleken met de Verenigde Staten was het herstel in het eurogebied uitermate bescheiden. In het rapport dat de EC dinsdag publiceerde, wordt dat verschil tussen beide economische blokken verder geanalyseerd, en dat levert inzichten op die Schäuble wat gerust zullen stellen.

FDgraphic

Eurogebied
Gerekend vanaf het derde kwartaal van 2009 — het moment waarop volgens de Commissie de acute kredietcrisis voorbij was — is de Amerikaanse economie met 11,4% gegroeid. In dezelfde periode nam het bruto binnenlands product (bbp) van het eurogebied slechts met 3,5% toe. Waar werd dat verschil door veroorzaakt?

Niet door de uitgaven van de overheid. Die namen in de VS af met 0,7%, terwijl er in het eurogebied nog sprake was van een kleine toename van 0,2%. Een opvallende uitkomst die het standaardverhaal van de kapot bezuinigde Europese en grandioos gestimuleerde Amerikaanse economie, op z’n minst nuanceert.

De echte oorzaak van het groeiverschil zit in de binnenlandse bestedingen van de private sector. In de VS steeg de consumptie na het derde kwartaal van 2009 met 7,7%. In het eurogebied was dat percentage precies 0,0. Amerikaanse bedrijven investeerden 3,3% meer, Europese bedrijven 0,8% minder. Alleen de netto export (dat is export minus import) droeg in het eurogebied bij aan de groei.

Nulgroei consumptie
Hoge particuliere schulden, onzekerheid over de afloop van de eurocrisis en de oplopende werkloosheid noemt de EC als de belangrijkste redenen voor de nulgroei van de consumptie. Investeringen werden ook geremd door onzekerheid over de eurocrisis en te veel vreemd vermogen bij veel bedrijven, maar ook de zuinige Europese banken speelde een belangrijke rol. Dat Europese bedrijven vooral lenen bij de bank, terwijl die in de VS hun geld voor nieuwe investeringen aantrekken op de kapitaalmarkt, gaf het eurogebied tijdens de bankencrisis een extra nadeel, meent de Commissie.

Schuldigen wijst de EC in het rapport niet aan. Maar er is weinig fantasie voor nodig dat een veel sneller en doortastender optreden van de Europese politiek tijdens de eurocrisis veel onzekerheid had kunnen voorkomen. Snellere herkapitalisatie van de banken en schuldsanering van burgers had het herstel ook kunnen versnellen.

En extra uitgaven door de Duitse overheid? Het had ongetwijfeld geholpen. Maar dat de zuinige Schäuble het zeer trage herstel van het eurogebied heeft veroorzaakt, is op basis van de cijfers niet hard te maken.