ECB vecht niet tegen deflatie, maar tegen de hoge rente

(Verschenen in het Financieele Dagblad op 7 juni 2014)

Deflatie is een groot gevaar, want als de prijzen dalen, stellen consumenten hun bestedingen uit.

U hebt deze zin de afgelopen week weer vaak gelezen. Elke keer als ik ’m zie, trek ik uit pure wanhoop een paar haren uit mijn hoofd. Aan mijn foto ziet u hoe erg het intussen is.

Klopt het dan niet, van dat uitstellen? Nee, het klopt niet. Niemand stelt aankopen uit omdat het algemeen prijspeil – want daar hebben we het over bij deflatie – daalt. Dat heeft namelijk geen enkele zin. Denk maar mee: ik koop vandaag geen slaboontjes, want morgen zijn ze goedkoper. Morgen koop ik ze weer niet, want overmorgen gaat de prijs nog verder omlaag. Ik koop dus nooit meer slaboontjes. En omdat mijn hele boodschappenmandje elke dag goedkoper wordt, koop ik nooit meer iets.

Wie eeuwig speculeert op prijsdalingen, sterft van de honger.

Uitstellen van bestedingen is alleen een rationele strategie als de consument weet wanneer de prijsdalingen stoppen. Morgen eten we slaboontjes, want morgen zijn ze in de aanbieding. Maar bij echte deflatie weet niemand wanneer de prijsdalingen stoppen. Uitstel van bestedingen, vanuit een speculatieve motivatie, is daarom niet te verwachten.

Wat is dan het probleem van deflatie? Een dalend prijspeil kan ervoor zorgen dat de reële rente te hoog is. De reële rente is de marktrente minus de (verwachte) inflatie. Het is de prijs van geld nu, ten opzichte van geld straks. Wie zijn geld spaart, kan straks meer kopen als de marktrente hoger is dan de inflatie, maar minder kopen als de inflatie hoger is dan de marktrente.

Een centrale bank die de economie wil stimuleren, verlaagt de officiële rente, in de verwachting dat banken die verlaging doorberekenen aan klanten, zodat de reële rente daalt en bedrijven en consumenten minder sparen en meer lenen. De Europese Centrale Bank (ECB) heeft de officiële rentetarieven afgelopen donderdag tot het absolute nulpunt verlaagd. De rente waartegen banken bij de ECB lenen, staat nauwelijks boven de nul, de rente waartegen ze bij de ECB sparen, zit er nu zelfs iets onder. Lager gaat eigenlijk niet.

Schermafbeelding 2014-06-13 om 18.06.27

Bij een ECB-rente van bijna nul en een Europese inflatie van 0,5% is de reële rente licht negatief. Is dat laag genoeg om investeerders aan te moedigen? Sommige economen vinden van niet. De reële rente zou nog lager moeten en omdat de ECB-rente al op nul staat, moet de ECB de inflatie opdrijven, bijvoorbeeld door massaal staatsobligaties op te kopen, zodat er (misschien) meer euro’s in omloop komen en (misschien) de inflatie stijgt. Kwantitatieve verruiming, net zoals de Amerikaanse Fed doet.

Maar de ECB luistert niet. Men kiest voor een andere weg. Want de ECB-rente mag dan zowat op nul staan, de marktrente doet dat nog lang niet. Vooral kleinere Europese bedrijven betalen nog altijd forse rentes. Voor kleine leningen (tot een kwart miljoen euro) aan Europese bedrijven rekenen de banken gemiddeld ruim 4,5% rente. In veel Zuid-Europese landen ligt dat percentage zelfs nog een stuk hoger. De reële rente is hoog, niet zozeer omdat de inflatie laag is, maar vooral omdat de banken de lage ECB-rente nauwelijks doorberekenen. Bovendien hebben de banken de eisen die ze aan bedrijven stellen, voordat die überhaupt in aanmerking komen voor een lening, flink aangescherpt.

Schermafbeelding 2014-06-13 om 18.05.14

Schermafbeelding 2014-06-13 om 18.19.14

Logisch daarom, dat de ECB donderdag aankondigde vooral iets aan de beschikbaarheid van mkb-krediet te willen doen. Banken mogen goedkoop en lang geld lenen bij de ECB, mits ze dat uitzetten bij bedrijven. Of het gaat helpen weten we niet, want de ECB heeft zoiets nog niet eerder geprobeerd. Maar het klinkt in elk geval een stuk verstandiger dan in het wilde weg staatsobligaties opkopen, in de vage hoop dat daardoor de inflatie stijgt.

Laatste kans voor Eerste Kamer om domste wet van dit kabinet tegen te houden

Typisch Nederlandse consensuspolitiek: een maatregel waar niemand meer blij mee is, kachelt toch gewoon het wetgevingsproces door. Argumenten tellen niet, alleen de politieke werkelijkheid van oude afspraken.

Zo kan het gebeuren dat de Eerste Kamer komende donderdag gaat instemmen met de Wet Werk en Zekerheid, van minister van Sociale Zaken Lodewijk Asscher. Behalve moderniseren van de ontslagbescherming — arbeidsjuristen lopen zich al warm om van gaten in dit deel van de wet te profiteren — moet de wet de rechtspositie van flexwerkers verbeteren. Dat is een fraai streven. Maar Asscher wil dat doel op een buitengewone manier bereiken: door flexwerkers nog meer op te jagen. Nu mogen werkgevers en werknemers in drie jaar tijd drie keer een tijdelijk dienstverband afspreken. Daarna moet er een vaste baan worden aangeboden, of moet de werknemer minstens drie maanden uit dienst. Ketenbepaling, heet die regel in jargon.

Als de wet wordt aangenomen mogen de tijdelijke contracten nog maar twee jaar achtereen worden aangeboden. Bovendien gaat de afkoelperiode omhoog van drie naar zes maanden. Flexwerkers komen dus eerder op straat te staan en moeten vaker op zoek naar een nieuwe werkgever. Ze zullen vaker en daardoor per saldo langer werkloos zijn. Hun toch al onzekere arbeidsleven wordt weer wat ongewisser.

Zo’n maatregel verkopen als ‘verbetering van de rechtspositie van flexwerkers’ is een wrange grap. De regeringsadviseurs konden er dan ook niet om lachen. De Raad van State vreest dat de maatregel contraproductief zal werken en dat zowel de werkzekerheid van flexwerkers als de bereidheid van werkgevers om in hun scholing te investeren zal afnemen.

De economen, arbeidsmarktspecialisten en flexwerkers die ik het afgelopen jaar sprak, delen die vrees. Ik ben niemand tegengekomen die het aanscherpen van de ketenbepaling een goed idee vindt, en niemand die gelooft dat flexwerkers op deze manier meer kans krijgen op een vaste baan.

Zelfs bij de regeringspartijen is er weinig enthousiasme. Als ik VVD’ers en PvdA’ers vraag de logica van deze maatregel uit te leggen, komen ze niet verder dan: ‘Als het niet werkt, draaien we het gewoon weer terug.’ Noem dat maar regeren.

De nieuwe wet komt uit het begin van de huidige kabinetsperio- de, toen Rutte en Asscher hun meerderheden niet zochten bij de oppositiepartijen, maar buiten Den Haag. Een sociaal akkoord met de vakbonden moest het kabinetsbeleid genoeg vaart en massa geven om wetten door de Eerste Kamer te krijgen. De FNV was op dat moment in een machtsstrijd verwikkeld, en interim-voorzitter Ton Heerts had een succesje nodig. Flexwerkertje pesten bleek de oplossing voor deze opstapeling van politieke problemen.

Vooral jongeren zijn de dupe; flexwerkers zijn vaak jonger dan 35 jaar. Flexibele ouderen zijn meestal zzp’er. Ook zijn werknemers met een lage opleiding iets vaker flexwerker dan werknemers met een universitaire of hbo-opleiding. Die groep opjagen is allesbehalve sociaal.Schermafbeelding 2015-05-08 om 21.32.56

 

Schermafbeelding 2015-05-08 om 21.33.45

Sputtert de Eerste Kamer niet tegen? Jawel, een beetje. Met name de VVD-senatoren stelden scherpe vragen over de nieuwe ketenbepaling. Is er wel bewijs dat het de flexwerker helpt, vroegen zij. De minister stuurde de senatoren met een kluitje in het riet. Uit een uitgebreide overzichtsstudie van de Oeso, schreef hij, zou blijken dat het verkleinen van het gat tussen flex en vast leidt tot meer vaste contracten.

Ik heb het onderzoek er maar bij gepakt. Het gaat over vermindering van de bescherming van werknemers met een vaste baan. Minder ontslagbescherming zorgt voor meer vaste banen, stellen de onderzoekers. Uit niets blijkt dat als je de flexwerker maar genoeg opjaagt, door hem te dwingen vaker van werkgever te wisselen, hij sneller een vaste baan vindt.

Senatoren: u weet wat u te doen staat, aanstaande donderdag.

 

Schermafbeelding 2015-05-08 om 21.35.05

 

(Deze column verscheen eerder hier)

Geen weeksalaris?

Geen weeksalaris

Gefopt! De euro heeft u helemaal geen weeksalaris op geleverd. Het Centraal Planbureau had dat weliswaar in 2011 in een boek over de eurocrisis, opgeschreven. Maar dat was blijkbaar een leugentje om bestwil. Oud-CPB-directeur Coen Teulings gaf het afgelopen weekend in de Telegraaf ruiterlijk toe. Als journalist Martin Visser hem voorlegt dat het CPB wel erg z’n best moest doen om op een weeksalaris uit te komen, antwoordt Teulings: “Dat weeksalaris is eerder naar boven afgerond dan naar beneden, bedoelt u te zeggen. Hahaha, dat heeft u goed gezegd.”

Een rel was geboren. CDA-kamerlid Eddy van Heijum riep: “Een blamage”. Mark Harbers van de VVD vond het “beschamend”.

Nu was ik toevallig zelf zijdelings betrokken bij het tot stand komen van het CPB-boek Europa in Crisis, dat was bedoeld voor een groter publiek dan de gebruikelijke lezers van CPB-rapporten.  Ik controleerde als een soort stijlpolitie alle hoofdstukken op leesbaarheid en gaf redactioneel advies. Daarom was ik verbaasd over de uitspraak van Teulings. Dat het CPB de baten van de euro naar boven zou hebben afgerond, is moeilijk voor te stellen. Het CPB heeft die baten namelijk helemaal niet zelf onderzocht.

Het weeksalaris komt uit een Brits onderzoek uit 2008. Zes onderzoekers van het National Institute of Economic and Social Research deden een behoorlijk uitgebreid statistisch onderzoek naar de invloed van de monetaire unie op de economische groei van noordelijke Europese landen, waaronder Nederland. Zij komen uit op een (statistisch significant) positief effect van de euro op economische groei, van 2,1%.

Nederland moet ruim 7,6 dagen werken om 2,1% van het bruto binnenlands product te verdienen. Het CPB rond dat in het boek naar beneden af – nee, dus niet naar boven – om op een weeksalaris te komen.

Natuurlijk kun je er aan twijfelen of deze conclusies op basis van een enkel onderzoek wel te trekken is. En of de baten van euro wel überhaupt wel in geld uit te drukken zijn. Je moet dit soort onderzoeken altijd met een flinke korrel zout nemen. Dat is dan ook precies wat het CPB-boek doet. “Het precieze effect van de EMU op de groei is lastig vast te stellen”, schrijft het Planbureau. En: “ De winst van de invoering van de euro is minder duidelijk dan die van de interne markt.”

Het hoofdstuk waar nu de heibel over is ontstaan is allesbehalve een lofrede op de voordelen van de euro. Integendeel, er wordt zelfs hardop getwijfeld of het voor sommige landen wel zo’n goed idee is geweest om de eigen munt op te geven. Tegelijkertijd is het boek wel zeer stellig over ene ander actueel onderwerp: voor landen die de euro hebben ingevoerd, zijn de kosten van uit de monetaire unie stappen zeer groot. Veel meer dan een weeksalaris.

Verscheen eerder in het FD

 

Naschrift:

Een andere bron die expliciet wordt genoemd in Europa in Crisis is het rapport Study on the Impact of the European Trade and Foreign Direct Investment dat econoom Richard Baldwin in 2008 schreef.  Baldwin rekent voor dat door de euro de handel tussen eurolanden met ongeveer 5% is toegenomen.

Uit Europa in Crisis (p79):
“Baldwin had zijn resultaten niet uitgesplitst naar de individuele eurolanden, maar als de vijf procent ook voor Nederland geldt, komt dat overeen met ongeveer één weekloon bovenop de dertiende maand uit het vorige hoofdstuk [baten van de EU, MB]. Dat voordeel komt elk jaar weer terug. ”

(overige literatuurverwijzingen hier) 

 

Schermafbeelding 2014-05-13 om 10.12.32

Telegraaf shopt selectief in EU-rapport

“Europeanen hebben weinig vertrouwen in EU”, schrijft de Telegraaf vandaag (13-5). Dat zou blijken uit de laatste Eurobarometer, het periodieke onderzoek van de Europese Commissie naar de stemming onder Europese burgers (pdf).

Het artikel gaat verder: “Bijna twee derde van de Europeanen heeft het gevoel dat zijn of haar stem niet gehoord wordt in Brussel.”

Maar klopt het ook? Nou nee, niet precies. In de Eurobarometer werd de volgende vraag voorgelegd aan duizenden EU-burgers: “I would like to ask you a question about how much trust you have in certain institutions. For each of the following institutions, please tell me if you tend to trust it or tend not to trust it”. Dan volgden vijf verschillende politieke instituties: de Europese Unie, de nationale regering, het nationale parlement, politieke partijen en lokale overheid. Hier de uitslag, gerangschikt naar afnemend vertrouwen:

Schermafbeelding 2014-05-13 om 10.22.52

U ziet het. Na lokale overheid hebben de burgers het meest vertrouwen in de Europese instelling. Of beter: ze staan er het minst wantrouwend tegenover. Burgers wantrouwen alle politieke lagen, maar in de nationale politiek hebben Europeanen minder vertrouwen dan in de EU.

Dat was een leuke kop geweest: “Europeanen hebben meer vertrouwen in EU dan in nationale politiek”. Maar blijkbaar niet voor de Telegraaf.

 

Nederland is al Piketty-proof

De dood is een fantastische belastinggrondslag. Belast arbeid, en mensen gaan minder werken. Belast de dood en mensen gaan nog steeds dood. Daarom is erfbelasting een prima idee. Zo’n ‘sterftax’ leidt niet tot verandering van gedrag en is daarmee, in economentaal, efficiënt. Hoe duurder de dood, des te goedkoper kan het leven zijn.

Nederland kent een relatief hoge erfbelasting. In Europa pikken alleen de Spaanse en Belgische belastingdienst gemiddeld een groter deel van de erfenis in, zo blijkt uit onderzoek van accountantsclub AGN. Het levert onze overheid een bescheiden, maar vrij stabiele inkomstenstroom op van pakweg anderhalf miljard per jaar.

 

Schermafbeelding 2014-10-25 om 12.09.51

Erfbelasting mag dan efficiënt zijn, vermogende Nederlanders vinden deze belasting vooral oneerlijk. Dubbele belasting, klaagt men, want er is al inkomstenbelasting betaald. De VVD had het afschaffen van erfbelasting tot voor kort dan ook hoog op de agenda staan.

Maar tegenstanders van erfbelasting hebben sinds kort de wind tegen. De Franse econoom Thomas Piketty schreef een dik boek over ongelijkheid en vermogen, dat de afgelopen weken uitgroeide tot een wereldwijde hit. De rijken worden steeds rijker, beweert Piketty. In de 21ste eeuw krijgen we weer te maken met renteniersfamilies waarvan de kinderen generatie na generatie rijker zijn dan hun ouders. Alleen met vermogens- en erfbelasting valt de ongelijkheid binnen de perken te houden. Capital in the Twenty-first Century heet Piketty’s boek. (Koop dit boek niet! Leen het, steel het desnoods, want het succes dreigt de auteur zelf smerig rijk te maken. Dat moeten we niet willen.)

Het boek is prachtig in z’n historische beschrijving, maar nogal suggestief in z’n voorspellingen. Gaan we echt terug naar de rijke renteniers uit de boeken van Jane Austen, zoals Piketty beweert? Ik heb m’n twijfels. Zeker voor Nederland, want wij belasten erfenissen behoorlijk zwaar.

Schermafbeelding 2014-10-25 om 09.49.28

De tarieven lopen op met de omvang van de erfenis en met de graad van verwantschap. De Belastingdienst heeft een handig rekentooltje online staan. Daarin vulde ik een erfenis van € 5 mln in, voor verschillende types begunstigden. Weduwen en weduwnaars betalen het minst: € 863.000, of 17,3%. Kinderen moeten iets meer afrekenen (€ 984.000, 19,7%).

Schermafbeelding 2014-10-25 om 09.52.12

Is dat genoeg om de groei van vermogens te stoppen? Een rekenvoorbeeld: we nemen een familie die begint met € 10 mln op de bank. Iedere generatie krijgt precies twee kinderen, en die kinderen overleven hun ouders telkens dertig jaar. Ik maak nog een paar veronderstellingen: uit het vermogen wordt niet geconsumeerd en de familieleden trouwen straatarme echtgenoten.

De eerste twee kinderen erven ieder de helft van het startkapitaal, dus € 5 mln. Examenvraag: hoe hoog moet de erfbelasting zijn om te zorgen dat de kinderen van de volgende generaties ook telkens € 5 mln erven van hun ouders?

Volgens Piketty ligt het rendement  op kapitaal de komende eeuw (na aftrek van inflatie) op zo’n 4,3%. Dat lijkt me best veel, maar laten we hier van dat percentage uit gaan. Het familiekapitaal wordt belegd in ‘Piketty-bonds’ en rendeert per generatie dertig jaar lang met 4,3% per jaar.

Daar gaat in Nederland 1,2%-punt als vermogensrendementsheffing vanaf. Blijft over een nettorendement van 3,1%. Bij dit rendement heeft een familielid dat € 5 mln erft, na dertig jaar € 12 mln. Om dat te verminderen tot € 10 mln, zodat de kinderen ieder weer € 5 mln krijgen, moet de erfenisbelasting 20% bedragen. Dat is het antwoord: bij een erfbelasting van 20% groeit het vermogen per kind niet. Zonder die belasting gaat het vermogen per kind in drie generaties richting € 40 mln (zie grafiek).

Schermafbeelding 2014-10-25 om 09.48.08

Kinderen betalen bij de huidige Nederlandse tarieven 19,7% over een erfenis van € 5 mln. Dat is vrijwel in de roos. Bravo! Nederland is ‘Piketty-proof’.

Hartelijk dank aan de dolle mina’s op de arbeidsmarkt

De Nederlandse arbeidsmarkt kampt met een nieuw probleem: het aantal ontmoedigden neemt snel toe.

De werkloosheid blijft al een maand of negen min of meer gelijk, maar dat komt alleen doordat werklozen zich gedesillusioneerd afwenden van de arbeidsmarkt. Ze hebben de moed opgegeven en zijn gestopt met solliciteren.

Volgens de definitie van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) ben je werkzoekende als je de afgelopen vier weken actief hebt gezocht naar een baan. Ontmoedigde werklozen tellen niet mee in het officiële werkloosheidscijfer.

Dat klinkt niet best. Goed nieuws over niet langer oplopende werkloosheid blijkt in werkelijkheid slecht nieuws over gedesillusioneerde Nederlanders die zelfs te moedeloos zijn om een sollicitatiebrief te schrijven. De beroepsbevolking (werkenden plus werkzoekenden) krimpt en dat is uiterst beroerd.

Gelukkig dan maar dat die laatste zin onwaar is. Als je tenminste je vizier net even anders afstelt. Tussen haakjes, dat is precies wat ik in deze nieuwe rubriek wil doen: vanuit een net even andere hoek naar de economische actualiteit kijken.

Gedurende de crisis is de Nederlandse beroepsbevolking niet gekrompen, maar juist gegroeid. Vergeleken met begin 2008 zijn er nu 118.000 mensen meer actief op de arbeidsmarkt. Er zijn per saldo dus meer ‘bemoedigden’ dan ontmoedigden.

Wie zijn deze verse arbeidskrachten die zich — crisis of geen crisis — meldden op de arbeidsmarkt? Eén ding weten we zeker over deze groep: het gaat hier om vrouwen. Want terwijl het aantal mannen dat werkt of werk zoekt met 66.000 daalde, nam het aantal vrouwen op de arbeidsmarkt sinds 2008 met 185.000 toe.

Schermafbeelding 2014-12-13 om 11.52.21

Een opzienbarend gevolg van deze toestroom van vrouwen op de arbeidsmarkt is dat de werkgelegenheid onder vrouwen gedurende de crisisjaren is gestegen. Er werken nu 23.000 vrouwen méér dan begin 2008. De werkgelegenheid onder mannen daalde in de crisis met 273.000. Mannen van Nederland: vergeet de Pool, vergeet de robot, het was uw eigen vrouw die uw baan inpikte!

De opkomst van de vrouw op de arbeidsmarkt is natuurlijk al veel langer bezig. De brutoarbeidsparticipatie — dat is het aantal vrouwen dat werkt of wil werken ten opzichte van het totaal aantal vrouwen tussen 15 en 65 jaar oud — stijgt al veel langer. In 1996 was minder dan 50% van de vrouwen actief op de arbeidsmarkt. Inmiddels is dat bijna 65%.

Schermafbeelding 2014-12-13 om 11.52.47

Die toename komt slechts ten dele doordat vrouwen die eerst niet wilden werken, toch op zoek zijn gegaan naar werk. Belangrijker is dat generaties vrouwen met een lage arbeidsparticipatie, met het verstrijken van de tijd, worden vervangen door generaties met een grotere wens om te werken. De emancipatiegolf van decennia geleden rolt langzaam maar zeker door de arbeidsmarkt heen.

Daarom steeg vooral onder vrouwen van middelbare leeftijd de participatie gedurende de crisis. In 2008 was 52% van de vrouwelijke 45-plussers actief op de arbeidsmarkt. Nu is dat bijna 62%. Een generatie met lage participatiegraad ging met pensioen en werd opgevolgd door een cohort van veel actievere 45-plussers.

De laatste paar maanden zien we dat, ondanks de emancipatiegolf, de participatiegraad van vrouwen wat daalt. Ook onder vrouwen stijgt de werkloosheid snel. Het zijn hopelijk de laatste stuiptrekkingen van de crisis. Daarna, als de economie weer stevig gaat groeien, wordt die groei mede mogelijk gemaakt door de structureel stijgende participatie van vrouwen. De dolle mina’s uit 1970 worden hartelijk bedankt!

(verscheen eerder hier)

Met zes ondernemers met lef in DWDD

De afgelopen twee seizoenen nam ik succesvolle ondernemers mee naar de tafel van Matthijs van Nieuwkerk. In de hoop dat iets van het optimisme, lef en vooral plezier zou overslaan op het somberende Nederland.

We begonnen met de West-Fries Jan Willem Breukink van Incotec, die tomatenzaadjes maakt die duurder zijn dan goud en eindigden met de Afrikaanse stoffen van Vlisco uit Helmond

Daartussen Rinze van der Schuit, die de sterkste en slimste kabels ter wereld maakt, de camera’s van Orlaco, de fiets van Van Moof en de transportschepen van Dockwise. zes bijzondere ondernemers met bijzondere verhalen.

Voor wie ze gemist heeft of nog eens terug wil kijken, hier de fragmenten:

Incotec

Orlaco

Van Moof

Dockwise

Fibremax

Vlisco

Hoe rijk zijn onze provincies?

Als de provincie Zuid-Holland een land was, dan stond het op plaats 58 van rijkste landen ter wereld. Net onder Vietnam, net boven Hongarije.

Het ‘bruto provincaal product’ (bpp) van Zuid-Holland is drie keer zo groot als dat van Guatamala, vijf keer dat van Jordanië en tien keer dat van Jamaica.

Zo valt in elk geval de vergelijking uit, afgaande op de meest recente provinciale cijfers (uit 2011, te vinden in deze CBS-publicatie), omgerekend naar dollars (wisselkoers: $1,35), en vergeleken met deze IMF-lijst met bbp-cijfers van landen.

Zoek bij elke Nederlandse provincie het dichtsbijzijnde land, en je krijgt dit kaartje (klik voor groot):

Als provincies landen waren

Het idee voor zo’n kaartje komt van deze Amerikaanse variant.

Voor Frankrijk vond ik deze.

 

Wie heeft de economie kapot bezuinigd? (Hint: het was niet de overheid)

Wat? Hoezo ‘Het was niet de overheid?’. Het waren natuurlijk wel de Europese overheden die de Europese economie kapotbezuinigden. Het was hun oliedomme fixatie op begrotingstekorten en staatsschuld die het eurogebied in een twee jaar durende recessie stortte.

Lees het maar in Amerikaanse boeken als How austerity is killing Europe en Austerity: The History of a Dangerous Idea. Zonder bezuinigingen en lastenverzwaringen was de eurocrisis nooit zo diep geweest en stond Europa er nu al weer net zo goed voor als de VS.

Bedrijven en huizenkopers

Het is langzamerhand een algemeen aanvaard uitgangspunt: de overheid kneep de vraag af, de overheid bezuinigde de Europese economie kapot.

Dus niet. Het was niet de overheid. Het waren de Europese bedrijven en huizenkopers. Omdat zij na 2008 niet meer investeerden, kromp de economie van het eurogebied zo snel. Dat zeg ík niet, dat zegt de Europese Centrale Bank (ECB).

In de donderdag verschenen Monthly Bulletin van de ECB (pdf) staat een korte analyse van de rol van investeringen in de afgelopen conjunctuurcyclus. Sinds 2008 zijn de totale investeringen met 15 procent gedaald. De ECB schrijft: “Deze daling verklaart het grootste deel van de scherpe afname van het bruto binnenlands product van de eurozone.”

In onderstaande grafiek, afkomstig uit de ECB-publicatie, is dat goed te zien. De donkerblauwe staafjes geven het effect van de investeringen op de economische groei (krimp) weer. In alle kwartalen sinds 2008 hebben de investeringen verreweg de grootste negatieve invloed op de economische groei.

Schermafbeelding 2014-04-21 om 14.49.09

Overheidsconsumptie (de lichtblauwe, gearceerde balkjes) draagt juist in ieder kwartaal bij aan de groei. Netto export stuwt de groei sinds 2011. Terwijl de consumptie van huishoudens de groei een beetje heeft gedrukt.

Huizen, scholen en snelwegen

Maar let op: niet alleen Europese bedrijven dragen schuld aan de dalende investeringen in bovenstaande grafiek. Ook huishoudens en de overheid investeren. Huishoudens wanneer ze een huis kopen, overheden als ze scholen bouwen of snelwegen aanleggen.

Het is belangrijk te kijken naar de samenstelling van de investeringen. De ECB maakte daarvoor deze grafiek:

Schermafbeelding 2014-04-21 om 14.49.38

De donkerblauwe staafjes geven de afname van de bedrijfsinvesteringen weer. Die afname is goed voor ongeveer de helft van de daling van de totale investeringen. Iets minder dan de helft komt voor rekening van huizenkopers (lichtblauw en gearceerd).

Ook de overheid investeerde minder (rode staafjes), maar dat was maar een klein deel van de totale afname.

Overigens hadden bedrijven een goede reden om weinig te investeren. Sinds het uitbreken van de kredietcrisis in 2008 was de vraag naar producten gering en stonden er veel machines stil. Een fabrikant met overcapaciteit gaat niet snel investeren.

En ook de huizenkopers hadden in veel landen alle reden om stil te zitten. Dalende huizenprijzen, overschotten aan bestaande woningen en onzekere inkomens stimuleren de nieuwbouwplannen van burgers niet.

Had de overheid dan niet in moeten springen om de wegvallende vraag van bedrijven en burgers over te nemen? Met een tijdelijke bestedingsimpuls en tijdelijke lastenverlichting hadden Europese overheden de bestedingen kunnen opdrijven, zodat bedrijven de noodzaak tot investeren weer voelden en baanzekere huizenkopers de markt weer op durfden.

Keynesiaans experiment

Natuurlijk, zo’n keynesiaans experiment hadden we in Europa kunnen uitvoeren. Waarschijnlijk had dat op korte termijn ook nog geholpen ook, hoewel landen in Zuid-Europa zo’n vraagimpuls waarschijnlijk niet hadden kunnen financieren.

Maar wat de grafieken van de ECB duidelijk laten zien is dat de oorsprong van de Europese recessie niet ligt bij de kapotbezuinigende overheid, maar bij de private sector die de hand stijf op de knip hield.  De overheid had misschien meer kunnen en moeten doen om de recessie te dempen, en heeft met de lastenverzwaringen de stemming onder bedrijven en burgers nog extra gedrukt, maar was niet de eerste oorzaak.

En hoe zat dat dan in Nederland? Niet veel anders dan in Europa als geheel. In de laatste Macro Economische Verkenningen van het CPB staat deze grafiek:

Schermafbeelding 2014-04-21 om 15.51.00

Robotson Crusoe

De robot komt en pikt al onze banen in. De middenklasse verarmt. Volgens hoogleraar Sylvester Eijffinger krijgen we binnenkort muiterij. Maar ik snap het niet. Stijgende productiviteit was toch juist de motor van welvaartsgroei?

Als ik het niet snap, breng ik graag een bezoek aan het eiland van Robinson Crusoe. Robinson heeft een hengel en vangt dagelijks vier vissen. Zijn vriend Vrijdag kan goed kokosnoten plukken en haalt er iedere dag vier naar beneden. ’s Avonds ruilen ze twee kokosnoten voor twee vissen. Het is nauwelijks genoeg om de honger te stillen, maar ze overleven.

Ruilverhouding
Op een dag vindt Vrijdag een kist op het strand. ‘Kokosnootplukrobot’, staat erop. ‘Plukt twintig stuks per dag’, staat eronder. Hij zet de robot onder een klapperboom en even later vallen de vruchten naar beneden. ’s Avonds stelt hij aan Robinson voor om voortaan drie kokosnoten voor drie vissen te ruilen.

Maar Robinson is niet gek, hij ziet dat Vrijdag twintig noten heeft en eist acht noten voor drie vissen. Dat wordt de nieuwe ruilverhouding. Vrijdag is nu rijker dan Robinson, en knabbelt dagelijks twaalf noten en drie vissen weg. Maar ook Robinsons buik is beter gevuld, met een vis minder, maar zes noten er- bij. (Tussenconclusie: een robot maakt iedereen rijker.)

‘Visvangrobot’
Maar dan vindt Vrijdag weer een kist. ‘Visvangrobot’ leest hij op de kist. ‘Vangt twintig vissen per dag.’ Die avond is het feest in Vrijdags hut. Een eenpersoons feest met meer vis en kokosnoten dan hij op kan. Robinson zit verderop met zijn armzalige vier visjes. Vrijdag wilde vandaag niet ruilen. En morgen weer niet.

Later merkt Robinson dat vier vissen vangen ook niet meer lukt. Vrijdags robot vist de zee leeg. Hij lijdt honger. (Tussenconclusie: als de robot schaarste opheft, zijn robotlozen de pineut.)

Massagerobot
Om de honger te vergeten neemt Robinson een hobby: schelpenkettingen maken. Vrijdag ziet de kettingen en ruilt ze graag voor wat vissen en noten. Voor een lekkere nekmassage wil hij trouwens ook wel betalen. (Tussenconclusie: met hogere welvaart komen nieuwe behoeftes, er is altijd schaarste dus altijd werk.)

Maar Robinson ziet de bui al hangen. Volgende week spoelt er vast een massagerobot aan. Tijd voor maatregelen. Hij pakt zijn geweer en loopt naar Vrijdags hut. ‘Ik voer een nivellerende belasting in’, zegt hij. ‘Jij wordt solidair.’ Vrijdag belooft hem dagelijks een basisinkomen van drie kokosnoten en drie vissen te schenken. Iedereen is beter af. (Tussenconclusie: dankzij herverdeling door de overheid profiteert iedereen van de robot).

Toch eindigt het verhaal slecht voor Robinson. Vrijdag ontdekt een ander eiland: het Kaaimaneiland. Daar brengt hij zijn voorraad noten en gedroogde vis heen, buiten bereik van Robinson. Eindconclusie: robots zijn fijn voor iedereen, maar alleen als we belastingparadijzen sluiten.