Een effectieve CO2-heffing moet niet plat zijn, maar slim

Wat is er mis met belastingvrije voeten en heffingskortingen? Niets lijkt me. Zo’n gedeeltelijke vrijstelling van belastingen is vaak een prima idee. We hebben een arbeidskorting bij de inkomstenbelasting, voor MKB-ers is er de winstvrijstelling en zzp-ers krijgen zelfstandigenaftrek. Erfgenamen betalen over het eerste deel van hun erfenis meestal geen belasting. In ons belastingstelsel wemelt het van dit soort kortingen.

Zeker bij belastingen waarvan het doel niet zo zeer is om geld op te halen, maar om gedrag te veranderen, is een heffingsvrije voet logisch. Beïnvloeding gaat meestal over het gedrag aan de marge. We willen dat mensen korter douchen, niet dat ze nooit meer douchen. De thermostaat moet een graadje omlaag, maar de kachel hoeft niet helemaal uit. Vandaar dat de eerste €257 euro van de energieheffing automatisch wordt kwijtgescholden. Zo beïnvloed je wel het gedrag aan de marge, zonder onnodige schade voor de koopkracht

Overigens is dat een principe waar de overheid vaak de hand mee licht. Zo heeft de belasting op leidingwater geen vrijstelling aan de onderkant, maar juist aan de bovenkant. Over het watergebruik boven 330 kuub hoeft de langdouchende zwembadeigenaar dus juist niets te betalen. Ook het feit dat het kabinet de belastingvermindering op de energieheffing verlaagde van €308 naar de eerdergenoemde €257, is in tegenspraak met de logica. Ik ken in elk geval geen econoom die er de logica van in ziet.

Dus misschien is het principe in Den Haag nog niet helemaal overgekomen. Daarom nogmaals: gedragsverandering doe je via marginale tarieven, dus door de prijs van de laatste (wel of niet) gekochte eenheid te verhogen. Daarbij kun je via heffingskortingen en andere vrijstellingen zorgen dat de gemiddelde prijs niet te veel stijgt.

Ik vat het speciaal voor Jesse Klaver van GroenLinks en Lodewijk Asscher van de PvdA graag nog een keer samen: het gaat om de marginale prijs, niet om de gemiddelde prijs! Juist deze twee politici maken zich hard voor een ‘platte’ CO2-belasting, die grote vervuilers in de industrie vanaf de eerste ton CO2-uitstoot zouden moeten betalen. Ze willen dus een hoge gemiddelde prijs voor CO2, terwijl een hoge marginale prijs veel meer effect heeft.

De afgelopen maanden heb ik op deze plaats met enthousiasme geschreven over invoering van een CO2-heffing. Dat is volgens mij een efficiënte vorm van klimaatbeleid. Maar ik schreef ook: het gaat bij deze invoering om de detail. De heffingsvrije voet is zo’n belangrijk detail, en het is bijzonder jammer dat er nu een politiek punt van wordt gemaakt.

Wie een platte CO2-heffing invoert, moet kiezen uit twee kwaden. Maak de heffing hoog (bijvoorbeeld €50 per ton CO2) en het gedragseffect (aan de marge) zal groot zijn. Dat wil zeggen: veel CO2-reductie. Maar het negatieve economische effect (via de hoge gemiddelde heffing) ook. De kans dat bedrijven of bedrijvigheid naar het buitenland verplaatst is aanzienlijk, met medeneming van CO2-uitstoot en banen. Een lage, platte heffing dan, van bijvoorbeeld €10? Dan is het economische effect ongetwijfeld gering. Maar er is ook geen grote prikkel voor CO2-reductie.

De oplossing voor dit dilemma is simpel: maak een hoog marginaal tarief, bij een laag gemiddeld tarief. Geef een grote financiële prikkel om uitstoot te reduceren, maar zorg via een forse vrijstelling dat het gemiddelde tarief niet te hoog wordt. De belastingvrije grens kan het beste gelegd worden bij het uitstootniveau van de schoonst mogelijke technologie, zodat bedrijven die meer vervuilen dan strikt noodzakelijk voor de productie, dat het hardst voelen. Of misschien nog beter: zorg dat de grens ieder jaar wat daalt, zodat er ook een continue prikkel voor het ontwikkelen van nog schonere technologie ontstaat.

Wie echt wil dat de industrie de uitstoot verminderd, gaat dus voor een hoge CO2-heffing met een op de schoonste technologie gebaseerde heffingsvrije voet die in de tijd stapsgewijs afneemt. Wie liever pleit voor een hoge, platte heffing wil niet zo efficiënt mogelijk de klimaatdoelen halen, maar is simpelweg uit op het straffen van de industrie. De emotie regeert dan, in plaats van de ratio.

(FD)

Naschrift: Het paste niet in de krant, maar er is nog een vierde optie: eentje die rekening houdt met onzekerheid over vaststellen van de ‘schoonste technologie’: een afnemende hoge heffing met vrije voet: 

 

Lagere AOW-leeftijd in ruil voor pensioenhervorming? Dat is een prijs die we niet kunnen betalen

Verkiezingen achter de rug, het politieke handwerk kan weer beginnen. Voor minister Wouter Koolmees van Sociale Zaken betekent dat: met de pet in de hand langs bij de linkse oppositie, om te vragen wat ze nodig hebben om zijn pensioenhervorming te steunen. Koolmees sprak deze week met Lodewijk Asscher van de PvdA en gaat binnenkort om de tafel met Jesse Klaver van Groen Links.

Begin van de week sprak de minister ook weer even met de vakbonden, die vorig jaar boos opstapten uit het pensioenberaad. Maar die ontmoeting moesten we zeker niet zien als een hervatting van dat overleg. De vakbonden willen de AOW-leeftijd voor langere tijd op 66 jaar houden en een regeling voor mensen met zware beroepen zodat die nog eerder kunnen stoppen. Die eisen zijn hetzelfde als vorig jaar.

Het bijzondere van deze eisen is dat ze in principe niets met de voorgestelde pensioenhervorming te maken hebben. De AOW-leeftijd staat los van de modernisering van het pensioencontract waar polder en politiek nu al zo veel jaar over praten. Die modernisering gaat over afschaffing van de doorsnee-systematiek, het wel of niet creëren van persoonlijke (doch collectief belegde) pensioenpotjes en de mate waarin pensioentoezeggingen harde beloftes zijn waar deelnemers rechten aan kunnen ontlenen. Over die onderwerpen kun je in principe prima een deal sluiten, zonder ook maar een woord te wijden aan de AOW-leeftijd. Maar de vakbonden hebben de discussie over de AOW-leeftijd kunstmatig gekoppeld aan de pensioenhervorming. Met enige overdrijving: men houdt het pensioen in gijzeling en laat het pas vrij als er losgeld in de vorm van lagere AOW-leeftijd is betaald.

Wat te doen? Moet Koolmees dan maar toegeven? Hij de pensioenhervorming, de vakbond en de linkse partijen de lagere AOW-leeftijd? Gewoon even van Hollands handjeklap en het moeilijkste dossier van de overlegpolder kan eindelijk dicht. Koolmees zou een electorale dubbelslag slaan, want dankzij de pensioenhervorming hoeft er waarschijnlijk minder te worden gekort op de pensioenen, terwijl werkende ouderen profiteren van de lagere AOW-leeftijd. Het zou zelfs een aardige geste richting het Forum voor Democratie kunnen zijn. Deze nieuwkomer in de Eerste Kamer pleit ook voor een vroege AOW. ‘AOW vaststellen op 66 jaar’, luidt punt 3 van het hoofdstuk ‘Ouderen en Pensioenen’, van het programma van de partij.

Maar helaas voor de minister zal hij de deal niet kunnen maken. Fixeren van de AOW-leeftijd is een te hoge prijs om te betalen voor de pensioenhervorming. Misschien niet dit of volgend jaar, maar over tien of twintig jaar krijgt Nederland enorm veel spijt van zo’n ruil.

Want de verhoging van de pensioenleeftijd is geen hobby van rechtse politici die oudere werknemers willen pesten, maar een pure economische noodzaak. Vergrijzing en ontgroening bedreigen onze welvaart en trekken de verhouding werkenden/gepensioneerden uit het lood. Bedrijven en overheden merken nu al hoeveel problemen trage groei van de beroepsbevolking geeft. Zonder verhoging van de AOW-leeftijd zal de potentiële beroepsbevolking de komende decennia zelfs gaan dalen.

De bevolking tussen 20 en 66 jaar daalt de komende decennia van 10,3 miljoen nu, naar 9,8 miljoen over twintig jaar. Hoe Nederland om moet gaan met een half miljoen minder mensen in de werkzame leeftijd, kwam ik in geen enkel verkiezingsprogramma of vakbondspamflet tegen. Misschien de AOW-leeftijd dan toch wat laten oplopen met de levensverwachting, maar half zo snel als het kabinet wil? Daar lijkt de vakbond ook wel mee in te kunnen stemmen, mits die leeftijd eerst tot 2025 gefixeerd wordt op 66 jaar. Maar ook dan daalt de beroepsbevolking. Over twintig jaar komen we 300.000 mensen te kort.

Zo gek is de huidige oploop van de AOW-leeftijd dus niet. Alleen door snel naar 67 jaar te gaan en daarna gelijke tred te houden met de stijgende levensverwachting, blijft de potentiële beroepsbevolking op of boven het huidige peil. De vergrijzing stelt de economie al voor genoeg problemen. Opzettelijk verlagen van de beroepsbevolking hoeft daar niet nog bij.

De mensen zijn nu echt bijna op, dus de tijd van domme groei is voorbij

De ‘behoedzame raming’, herinnert u zich die nog? Dat waren de begrotingsprognoses die minister van Financiën Gerrit Zalm in de jaren rond de eeuwwisseling maakte. Hij ging daarbij niet uit van de voorspelde economische groei, maar van een percentage dat daar ruim onder lag. Dus niet 2,5% groei per jaar, maar slechts 2%. Dankzij het behoedzaam ramen ontstonden er meevallers in plaats van tegenvallers, waardoor Zalm bijna automatisch de populairste minister van Financiën sinds Piet Lieftinck werd.

De methodiek werd in 2008 door opvolger Wouter Bos afgeschaft. Maar ik moest er weer aan terugdenken toen ik deze week de nieuwe editie las van het Centraal Economisch Plan (CEP) van het Centraal Planbureau (CPB). (Waarschuwing: lees die laatste zin tien keer hardop en u wordt morgen wakker in de Sovjet-Unie van de jaren vijftig).

Daarin staat een nieuwe voorspelling voor de structurele (of potentiële) groei na 2021. Dat is de economische groei geschoond voor conjuncturele invloeden; zeg maar de natuurlijke kruissnelheid van de economie. Na 2021 komt die uit op slechts 1,2%, denkt het CPB. Dat is nog lager dan de toch al magere 1,5% voor de huidige periode.

Gerrit Zalm zou ervan in zijn karakteristieke lach geschoten zijn. Potentiële groei van 2% was in zijn tijd een uiterst voorzichtig uitgangspunt waarvoor hij over de knie ging bij de oppositie. Wat zal Wopke Hoekstra dan we niet voor de kiezen krijgen als hij beweert dat de groei (niet eens behoedzaam geraamd) straks nauwelijks boven de 1% uitkomt?

Helaas zal het Hoekstra weinig moeite kosten om te laten zien dat 1,2% potentiële groei een realistische voorspelling is. Nederland vergrijst en ontgroent en daardoor komen er niet genoeg nieuwe mensen op de arbeidsmarkt om serieus te blijven groeien. Ambitieuze ondernemers voelen de schaarste nu al aan den lijve en dat wordt de komende jaren alleen maar erger. In het verleden konden we dit onvermijdelijke gevolg van de vergrijzing nog een beetje verzachten. Nederland bleek telkens nieuwe bronnen van arbeidsaanbod te kunnen aanboren. In de tijd van Zalm kwam dat vooral doordat vrouwen gingen werken. Eind jaren tachtig van de vorige eeuw had Nederland zo ongeveer de laagste arbeidsdeelname van vrouwen in Europa. Begin deze eeuw zaten we in de top. Dankzij die inhaalslag was er tijdens de boomjaren van Zalm altijd voldoende personeel voorhanden.

In 2003 werd er een nieuwe bron van arbeidsaanbod aangeboord: de 50-plusser. VUT en prepensioen werden afgebouwd en wie werkend zijn pensioenleeftijd haalde was niet langer de loser van de tennisclub. Weer kreeg de beroepsbevolking een impuls en kon de economie blijven groeien. Maar inmiddels raakt de voorraad vrouwen en ouderen op. Anno 2019 heeft van alle vrouwen tussen 15 en 75 jaar ruim 63% betaald werk. Voor mannen en vrouwen tussen 55 en 65 jaar is dat zelfs bijna 67%. Daar zit niet veel rek meer in. Misschien dat een nationale aanval op deeltijdwerk nog wat soelaas biedt, maar de tijden van snelle groei lijken echt voorbij.

Tenzij we slimmer gaan werken. Hogere arbeidsparticipatie is niet de enige bron van groei. Stijgende productiviteit is minstens zo belangrijk. Meer maken met dezelfde hoeveelheid mensen, daar zal Nederland het van moeten hebben. Helaas stijgt de arbeidsproductiviteit ook allerminst uitbundig. Terwijl techno-optimisten ons toeroepen dat technologie razendsnel verandert en dat we midden in een nieuwe industriële revolutie zitten, zie je dat in de productiviteitscijfers niet terug. Iets meer dan een procent stijging per jaar, sneller gaat de toename niet.

Nederland heeft daarom een ouderwetse investeringsagenda nodig. Bedrijven moeten veel meer geld en ijver steken in nieuwe technologie. Misschien zijn daarvoor nieuwe subsidies en aftrekposten nodig, maar in elk geval gezonde concurrentie die ondernemers opzweept. Het onderwijs moet beter en toegankelijker, zeker voor volwassenen die willen om- of bijscholen. Al het economische beleid moet gericht zijn op dat ene doel: slim groeien dankzij hogere productiviteit.

(FD)

Geef jongeren stemrecht

Ruim 26.000 Nederlanders mogen morgen geen stem uitbrengen voor Provinciale Staten. De provincies waarin zij wonen, Friesland en Zeeland, hadden graag een stempas gestuurd, maar de minister van Binnenlandse Zaken, Kajsa Ollongren, zei nee tegen dat verzoek.

Van hun stem is voor de samenleving geen positief gevolg te verwachten, oordeelde de minister eind vorig jaar. De reden: de 26.000 zijn te jong. Ze zijn zestien en zeventien jaar oud en hebben om dat simpele feit geen stemrecht. Voor heel Nederland gaat het om ruim 400.000 jongeren.

Is dat jammer? Ja, dat denk ik wel. De stemgerechtigde leeftijd moet wat mij betreft met twee jaar omlaag. Niet alleen omdat zestienjarigen ook al mogen werken en scooter rijden, zoals sommige jongerenpartijen betogen. (Ze mogen trouwens nog veel meer).  Maar om het evenwicht tussen jong en oud in onze samenleving een klein beetje te herstellen. Want jongeren zijn zwaar in de minderheid en hun stem wordt daardoor al minder gehoord.

‘Voor de verworven rechten van ouderen wordt veel harder gevochten dan voor kansen voor jongeren’

Volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek is ruim de helft van de stemgerechtigden bij deze verkiezingen boven de vijftig jaar. Een kwart is 65-plusser. Slechts 18% van de potentiële kiezers is onder de dertig. De komende jaren zullen de verhoudingen nog schever worden. Grijs is machtiger dan groen en dat heeft directe politieke gevolgen. Ons parlement begint nu al meer op de FNV te lijken. Voor de verworven rechten van ouderen wordt veel harder gevochten dan voor eerlijke kansen voor jongeren.

De ‘vervakbondisering’ van de politiek heeft zelfs GroenLinks in de greep. Nota bene samen met 50Plus deed de partij een voorstel om pensioenfondsen twee jaar extra de tijd te geven om hun zaakjes weer op orde te krijgen. De vijf jaar die daar wettelijk voor staat, is blijkbaar niet voldoende.

In ruil daarvoor hoeven de pensioenfondsen niets te doen. Modernisering van het stelsel is niet nodig. En ook de vakbonden hoeven hun strijd om voor de huidige ouderen de pensioenleeftijd op 66 jaar te houden niet op te geven.

Het uitstel is een cadeautje waarvoor jongeren potentieel opdraaien. De Raad van State veegde daarom deze week de vloer aan met het voorstel. Uitstel is niet verantwoord, vindt de Raad, die verder fijntjes opmerkt dat er voor een houdbaar pensioenstelsel ‘maatregelen nodig zijn die nog veel ingrijpender zijn dan de maatregelen waarvan nu uitstel wordt voorgesteld.’

Maar de Raad van State kan slechts adviseren. Zonder de electorale macht van het getal zullen jongeren in ons vergrijzende land telkens het onderspit delven. Geef ze gewoon een stempas. Waar zijn we bang voor?

(FD)

May verprutst brexit

Volhardend is ze. Na iedere politieke nederlaag gaat ze telkens weer stoïcijns door op de ingeslagen weg. Theresa May heeft misschien nog niet de oplossing voor brexit gevonden, haar onverstoorbaarheid en ijver verdienen in elk geval respect, toch?

Dit soort vriendelijke teksten kom ik al vaker tegen. Maar kom op zeg, respect voor May? Dat is wel het laatste waar de blunderende Britse premier aanspraak op kan maken. Ik ga hier niet beweren de finesses van de Britse politiek te doorgronden, maar als econoom heb ik de brexitperikelen de afgelopen jaren wel intensief en met groeiende verontrusting gevolgd. Je hoeft geen politicoloog te zijn om te zien dat May er een enorme puinhoop van heeft gemaakt.

‘Politiek en bevolking zijn tot op het bot verdeeld. Het VK koerst af op een brexit zonder deal’

Met nog maar enkele dagen te gaan tot de afgesproken (en inmiddels twee weken uitgestelde) brexitdatum, is er in het Verenigd Koninkrijk nog niet het begin van een idee over hoe het vertrek uit de Europese Unie er uit moet zien. Laat staan over wat er daarna moet komen. Politiek en bevolking zijn tot op het bot verdeeld. Het VK koerst af op een brexit zonder deal, waarvan ook een land als Nederland buitengewoon veel schade zal ondervinden.

Ja, dat is allemaal voor een groot deel de schuld van May. Want zij was het die na de referendumuitslag besloot om voor een harde brexit te gaan. Zij kleurde de ‘rode lijnen’ die de uittredingsonderhandelingen zo moeilijk maakten: geen deelname aan interne markt of douane-unie, geen vrij verkeer van personen en geen rol voor Europese rechters. Hiermee was de kans op een zachte brexit verkeken. Tegelijkertijd vond ook May dat de grens tussen de EU en Noord-Ierland open moest blijven. Een harde brexit met een open Ierse grens, dat valt simpelweg niet te combineren. Wie het onmogelijke eist en daar vervolgens tegen beter weten in aan blijft vasthouden, is niet onverstoorbaar of volhardend, maar gewoon koppig en hardleers.

Maar wat had May anders moeten doen? Ze had de uiterst nipte overwinning van ‘Leave’ niet moeten interpreteren als een mandaat voor een harde brexit, maar juist voor een uiterst zachte variant. Als de bevolking zo verdeeld is, moet een politicus op zoek naar de middenweg. Dus wel uit de EU, maar met zo min mogelijk schade voor de relatie met de unie. Ze was dan uitgekomen op een soort Noorwegen-variant, waar de gemiddelde Brit uiteindelijk prima mee had kunnen leven. En de EU ook.

Maar May nam een andere afslag. Ze sloot haar oren voor het redelijke midden, en ging in zee met de fanatiekste brexiteers. Misschien dat juist die haar de komende dagen als premier zullen wippen. Ik zal er geen traan om laten.

(FD)

Geef jongeren stemrecht

Ruim 26.000 Nederlanders mogen morgen geen stem uitbrengen voor Provinciale Staten. De provincies waarin zij wonen, Friesland en Zeeland, hadden graag een stempas gestuurd, maar de minister van Binnenlandse Zaken, Kajsa Ollongren, zei nee tegen dat verzoek.

Van hun stem is voor de samenleving geen positief gevolg te verwachten, oordeelde de minister eind vorig jaar. De reden: de 26.000 zijn te jong. Ze zijn zestien en zeventien jaar oud en hebben om dat simpele feit geen stemrecht. Voor heel Nederland gaat het om ruim 400.000 jongeren.

Is dat jammer? Ja, dat denk ik wel. De stemgerechtigde leeftijd moet wat mij betreft met twee jaar omlaag. Niet omdat zestienjarigen ‘ook al mogen werken en scooter rijden’, zoals sommige jongerenpartijen betogen. Maar om het evenwicht tussen jong en oud in onze samenleving een klein beetje te herstellen. Want jongeren zijn zwaar in de minderheid en hun stem wordt daardoor al minder gehoord.

‘Voor de verworven rechten van ouderen wordt veel harder gevochten dan voor kansen voor jongeren’

Volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek is ruim de helft van de stemgerechtigden bij deze verkiezingen boven de vijftig jaar. Een kwart is 65-plusser. Slechts 18% van de potentiële kiezers is onder de dertig. De komende jaren zullen de verhoudingen nog schever worden. Grijs is machtiger dan groen en dat heeft directe politieke gevolgen. Ons parlement begint nu al meer op de FNV te lijken. Voor de verworven rechten van ouderen wordt veel harder gevochten dan voor eerlijke kansen voor jongeren.

De ‘vervakbondisering’ van de politiek heeft zelfs GroenLinks in de greep. Nota bene samen met 50Plus deed de partij een voorstel om pensioenfondsen twee jaar extra de tijd te geven om hun zaakjes weer op orde te krijgen. De vijf jaar die daar wettelijk voor staat, is blijkbaar niet voldoende.

In ruil daarvoor hoeven de pensioenfondsen niets te doen. Modernisering van het stelsel is niet nodig. En ook de vakbonden hoeven hun strijd om voor de huidige ouderen de pensioenleeftijd op 66 jaar te houden niet op te geven.

Het uitstel is een cadeautje waarvoor jongeren potentieel opdraaien. De Raad van State veegde daarom deze week de vloer aan met het voorstel. Uitstel is niet verantwoord, vindt de Raad, die verder fijntjes opmerkt dat er voor een houdbaar pensioenstelsel ‘maatregelen nodig zijn die nog veel ingrijpender zijn dan de maatregelen waarvan nu uitstel wordt voorgesteld.’

Maar de Raad van State kan slechts adviseren. Zonder de electorale macht van het getal zullen jongeren in ons vergrijzende land telkens het onderspit delven. Geef ze gewoon een stempas. Waar zijn we bang voor?

(FD)

Verstandige CO₂-heffing: geen speciaal Tata-tarief, maar korting voor de beste bedrijven

‘Willen jullie een CO₂-heffing? Dan krijgen jullie een CO₂-heffing.’ Laat het maar aan onze premier over om daags voor de verkiezingen met een kiezersvriendelijk stuntje te komen. Uit de doorrekening van het Klimaatakkoord kwam dat de Nederlandse industrie het reductiedoel niet zou halen omdat de bedachte bonus-malusregeling onvoldoende afdwingbaar was. Dan maar toch die CO₂-heffing, dacht het Kabinet, en Rutte mocht deze draai afgelopen woensdag toelichten.

Het wordt niet zomaar een CO₂-belasting, maar een ‘verstandige heffing’. Om Rutte precies te citeren: ‘De heffing moet verstandig zijn, hij moet de tonnages halen en hij moet geen banen wegjagen.’ Dus dat u niet denkt dat Rutte met een domme belasting gaat komen waarmee de reductiedoelen niet gehaald worden, terwijl de getroffen bedrijven massaal ons land verlaten. Het Kabinet wil blijkbaar precies de gouden snede van het klimaatbeleid vinden, het evenwichtspunt waarbij de zware industrie zich wel gedwongen voelt om de CO₂-uitstoot flink te verminderen, zonder dat het toegeeft aan de prikkel om de productie naar een land zonder nationale CO₂-heffing over te hevelen.

Ik ga nu alvast voorspellen: die perfecte balans gaan we in Nederland niet vinden. Een CO₂-heffing die bedrijven geen pijn doet, leidt niet tot serieuze emissiereductie en wie de CO₂-doelen wil halen moet een heffing invoeren waar de industrie echt last van heeft. Er worden in de economie geen gratis lunches uitgedeeld, en dat geldt zeker voor milieu- en klimaatbeleid.

Toch verwacht ik dat het Kabinet een serieuze poging gaat wagen om een CO₂-heffing te bedenken die toch zowel kool als geit spaart. Een heffing die bijt bij bedrijven die de mogelijkheid hebben om de uitstoot te verminderen, en die tegelijkertijd te dragen is voor bedrijven die deze mogelijkheden niet hebben.

Oud-Shell-topman (en sindsdien tot het groene geloof bekeerde) Jeroen van der Veer deed donderdag bij Nieuwsuur al een voorzetje voor zo’n kool-en-geit-heffing. Volgens hem moet deze gedifferentieerd worden per sector, waarbij met name de staalindustrie en de petrochemie in een lager tarief moeten vallen.

Van der Veer krijgt impliciete bijval. Samen met de brief aan de Kamer waarin het Kabinet zijn plannen voor een CO₂-heffing aankondigde, werd een onderzoek meegestuurd van de consultants van PwC naar de effecten van een nationale CO₂-heffing. Daarin wordt becijferd dat de heffing voor sommige bedrijven snel te veel kan zijn. Voor Tata Steel in IJmuiden bijvoorbeeld, zou een belasting van meer dan €33 per megaton CO₂ het bedrijfsresultaat van Tata volledig doen wegsmelten (zie de grafiek hieronder). En dan moeten de geldschieters en de belastingdienst nog betaald worden.

Voor een bedrijf als Tata is het bovendien moeilijk om meteen tot actie over te gaan. Tata hoort in zijn sector naar eigen zeggen tot de meest ‘schone’ bedrijven, dus behalve als men kiest voor massale CO₂-afvang en -opslag (waar het kabinet woensdag ook beperkingen voor opperde), moet Tata wachten tot oude installaties zijn afgeschreven en nieuwe technologie volwassen is. Daar kan zo een aantal jaren overheen gaan en gedurende die tijd moet men de heffing natuurlijk wel betalen. Het idee achter het afgeschoten bonus-malussysteem was juist dat bedrijven met goede reductieplannen, geen heffing (of boete) hoefden te betalen.

Toch lijkt het me onwenselijk om de CO₂-heffing te differentiëren per bedrijf of sector. Juist de vieste sectoren worden dan gespaard. Dat is precies hoe het de afgelopen kwart eeuw is gegaan: iedereen betaalde een energieheffing, maar juist de grootverbruikers kregen een enorme korting op hun rekening. De bedrijven die de meeste tonnen CO₂ uitstoten, zullen ditmaal ook de grootste bijdrage aan de reductie moeten doen.

Het Kabinet kan wel op een andere manier rekening houden met bedrijven als Tata-steel. Leg de gehele zware industrie een uniforme heffing op, maar geef daarop een korting als een bedrijf kan aantonen tot de 10% energie-efficiëntste van zijn sector te behoren. De bewijslast ligt (anders dan bij de bonus-malus) bij het bedrijf zelf. Maar wie echt kan aantonen bij de top te bekoren, krijgt bijvoorbeeld half tarief. Klinkt verstandig toch, meneer Rutte?

Chinese handelsrecessie raakt Nederland van vele kanten

De Nederlandse economie vertraagt en dat is nou een keertje niet onze eigen schuld. Consumenten blijven dapper geld uitgeven en bedrijven schroeven hun investeringen niet opeens terug. Misschien zou alleen de overheid wat op kunnen schieten met de beloofde extra uitgaven. Maar gezien de krapte op de arbeidsmarkt is het te begrijpen dat het kabinet niet opeens duizenden extra militairen, onderwijzers en verpleegkundigen tevoorschijn kan toveren.

Dat drukt de economische groei een beetje, zo meldde het Centraal Planbureau (CPB) afgelopen dinsdag. Die groei komt dit jaar niet uit op de eerder voorspelde 2,2% maar blijft steken op 1,5%. De schuld daarvan ligt vooral bij het buitenland. De wereldhandel groeit dit jaar met een trage 1,8%, verwacht het CPB. In december vorig jaar was die raming nog bijna twee keer zo hoog. Gevolg is dat de Nederlandse export niet met 3,6% (decemberraming) maar slechts met 1,1% toeneemt. Het slechte economische nieuws komt dit jaar dus vooral van over de grens.

Wat gaat er mis in de wereldeconomie? Het rijtje is bekend: de onzekerheid rond de brexit, de handelsoorlogen van Trump en de terugval van de Chinese economie. Over die eerste twee wordt u ongeveer op dagbasis bijgepraat, de derde factor is een stuk mysterieuzer. Want niemand in het Westen weet precies hoe goed of slecht het met de Chinese economie gaat.

De groei valt lichtjes tegen, klinkt het uit officiële kanalen: in plaats van 6,5% groei, wordt het misschien ‘slechts’ 6%, maar de centrale bank staat klaar om met nieuwe kredieten de economie te ondersteunen. Tegelijkertijd geven de handelscijfers een veel dramatischer beeld. In februari daalde de import van China met 5,2%. Dat duidt op een sterke afname van de binnenlandse vraag. De reden voor die daling is te vinden in de exportcijfers van februari: de Chinese uitvoer kelderde met bijna 21%. Trumps handelsoorlog maakt China arm.

Deze Chinese ‘handelsrecessie’ heeft flinke gevolgen voor Nederland. Op zich is onze uitvoer naar China niet buitengewoon belangrijk. Wij exporteren vooral naar Europese landen en de Verenigde Staten. China komt pas op de achtste plaats, nog achter Polen. Maar omdat China voor bijvoorbeeld Duitse bedrijven wel een belangrijke markt is, raakt de vertraging in China ons toch.

Juist omdat de Chinese economie zo groot is en bijna elk land in de wereld een handelsrelatie heeft met het land, kan een Chinese handelsrecessie lang rond blijven zingen in de wereldeconomie. Economen van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) brachten dit in 2016 al nauwkeurig in kaart (pdf). Een (toen nog hypothetische) daling in de Chinese invoer, trekt als een schokgolf de hele wereld over, concludeerden zij, en raakt ook landen die zelf weinig handel drijven met China. Het duurt wel een jaar of vier voordat dat effect is uitgewerkt.

In eerste instantie gaat het om het directe effect op de handelspartners zelf. Om Nederland als voorbeeld te nemen: als China minder in het buitenland koopt, geldt dat ook voor kaas en tulpen. Vervolgens komt het tweede ronde-effect: Duitsland exporteert minder auto’s naar China, de Duitse economie valt terug en de Nederlandse export naar Duitsland krijgt een tik.

(klik op afbeelding voor groter)

Maar daarmee zijn we er nog niet. Naar een armer Duitsland kan ook China minder exporteren. Daardoor valt de groei in China nog verder terug en daalt de Chinese import nog meer. Dit derde ronde-effect raakt ook weer Nederland en onze handelspartners. En zo gaat het maar door. Normaal gesproken doven dit soort effecten snel uit, maar door de omvang en internationale vervlechting van China kan er ook nog wel een vierde en vijfde ronde gespeeld worden. Zo heeft een kleine vertraging in China grote mondiale gevolgen.

Mede op basis van dit IMF-onderzoek, verwacht het CPB dat als de binnenlandse vraag in China met bijvoorbeeld 4% daalt, de Nederlandse economie in 2019 en 2020 cumulatief ruim een procent minder groeit. De Chinese handelsrecessie is als een stuiterbal in een porseleinkast. Alle bordjes gaan er uiteindelijk aan, ook die van Nederland.

(FD)

Grote dag voor de koopkrachtcrisis

Lange tijd werden de waarschuwingen van wetenschappers in de wind geslagen. ‘Er is een enorme koopkrachtcrisis’, zeiden zij keer op keer. ‘De kans dat dit mis gaat is zeer groot. De mensheid moet nu iets doen om de koopkracht voor alle volgende generaties te redden’.

Maar de politici deden niets. Sommigen bleven de crisis zelfs ontkennen. ‘Er is geen koopkrachtprobleem, de wetenschappers liegen’, beweerden zij. Maar uiteindelijk was het wetenschappelijke bewijs zo onontkoombaar, dat de politiek wel in actie moest.

‘Na maanden van overleg kwam men dan toch tot een concept-koopkrachtakkoord’

Er kwamen speciale koopkrachttafels waar het maatschappelijke middenveld in debat ging. Daar ging het soms hard aan toe, maar na maanden overleg kwam men toch tot een concept-koopkrachtakkoord. En hoewel enkele actiegroepen boos wegliepen, legde de meerderheid van de onderhandelaars het akkoord met enige trots voor aan het kabinet.

Daarna was het de beurt aan de planbureaus om de koopkrachtplannen door te rekenen. Leverde het akkoord wel de noodzakelijke koopkrachtverbetering? Waren de maatregelen effectief? En hoeveel gingen alle plannen precies kosten? De rekenmeesters van de overheid gingen er mee aan de slag. Wekenlang draaiden de computermodellen overuren, want er moesten minstens 600 verschillende koopkrachtmaatregelen worden doorgerekend. Men werkte extra hard om te zorgen dat de doorrekening nog voor de Provinciale Statenverkiezingen gereed zou zijn.

Vandaag is de grote dag waarop de uitkomsten van die berekeningen naar buiten komen. Eindelijk krijgen we antwoorden op vragen als: hoe pakken de maatregelen uit voor werkende tweeverdieners met anderhalf keer modaal inkomen? En wat gebeurt er met de koopkracht van ouderen met een klein pensioen? Wat doet de afwenteling van belastingmaatregelen door bedrijven met het beschikbare inkomen van een mediaan huishouden met een oude dieselauto en een tochtige woning? Dat zijn de vragen waar het Nederlandse volk nu eindelijk antwoord op wil krijgen!

Helaas vrees ik dat journalisten en politici zich weer laten afleiden door de waan van de dag, en op irrelevante onderdelen van de doorrekening zullen focussen. Wat het koopkrachtpakket met het klimaat doet, bijvoorbeeld. Of hoeveel CO2-reductie het akkoord gaat opleveren. Met een beetje pech gaat het toch weer vooral over tientallen procentjes meer duurzame energie, een paar meter minder zeespiegelstijging en enkele graden minder opwarming van de aarde. Totaal irrelevant natuurlijk, zolang alleenstaanden in de inkomensgroep 21-40%, met twee kinderen en een huurhuis, er niet met 100% zekerheid op vooruit gaan.

FD

Praten over kernenergie

Er waren twee oliecrises voor nodig, in 1973 en in 1979, maar toen kreeg Nederland zijn discussie over kernenergie. Niet zomaar een discussie, maar een Brede Maatschappelijke Discussie (BMD), die zich zou uitstrekken van 1981 tot diep in 1983. Tijdens bijna 1900 bijeenkomsten in rokerige gemeente-, dorps- en buurthuizen sprak bezorgd en politiek betrokken Nederland met elkaar over de toekomst van de vaderlandse energievoorziening.

De BMD werd georganiseerd door een onafhankelijke stuurgroep, ingesteld door het tweede kabinet-Van Agt (1981-1982, bestaande uit CDA, PvdA en D66). Er was een informatiefase, een discussiefase, er waren hoorzittingen, tussenrapportages en een eindrapport. Maar alles bleef bij het oude: Borssele en Dodewaard bleven open en er kwamen geen nieuwe kerncentrales bij.

‘Vind je dat er in Nederland een nieuwe kerncentrale moet komen? Bouw die dan!’

Historicus Guido de Hengel schreef in 2007 in het Historisch Nieuwsblad een reconstructie van deze oefening in burgerparticipatie, inclusief de inbreng van basisschool De Vijverberg in Enschede en nudistenvereniging De Vrije Vogels uit Den Helder. Hij schrijft: ‘Energie, te belangrijk om aan deskundigen over te laten, prijkte triomfantelijk op de voorpagina van het tussenrapport, maar in werkelijkheid ontbrak het de meeste Nederlanders aan zinnige ideeën over de energiehuishouding.’

We zijn inmiddels een kwart eeuw verder en bijna alles is hetzelfde gebleven. Dodewaard is dicht, maar centrale Borssele kreeg in 2003 uitstel van sluiting en draait nog steeds. Ook het gesprek over kernenergie wordt nog net zo amateuristisch gevoerd als in de jaren tachtig. Nudistenvereniging Lubach op Zondag uit Hilversum gaat de strijd aan met basisschool Jesse Klaver uit Den Haag. Zelfbenoemde ‘ecomodernisten’ kruisen de degens met de milieubeweging die kernenergie onveilig en niet-duurzaam noemt. We zijn niets opgeschoten.

Terwijl het toch zo simpel is: stop met praten en doe iets! Laat niet de mond, maar de portemonnee spreken. Vind je dat er in Nederland een nieuwe kerncentrale moet komen? Bouw die dan! Vraag een vergunning aan bij de overheid en ga aan de slag. Er is geen verbod op kernenergie, dus iedereen die genoeg geld heeft om een centrale te bouwen, inclusief een verzekering voor de risico’s en een financiële reserve voor de uiteindelijke sloop ervan en eeuwenlange opslag en bewaking van het kernafval, kan het gewoon proberen.

Start een crowdfund-actie, verkoop obligaties of neem een energiebedrijf over. Met een paar miljard ben je er al. Na een kwart eeuw praten is het tijd voor een keuze: nu investeren of voor altijd zwijgen.

FD

journalist en econoom