Wie nu pleit voor vroegpensioen houdt (klein)kinderen juist langer werkloos

Het is recessietijd en de werkloosheid loopt op. Dus daar is ie weer: de oproep om vroegpensioen mogelijk te maken zodat ouderen plaats kunnen maken voor jongeren. Ik dacht dat na de ervaringen van de afgelopen vijftien jaar deze reflex wel uit het DNA was geëvolueerd. Maar niet dus.

Ditmaal was het FNV-voorzitter Han Busker die de eeuwige pavlovreactie mocht verwoorden. In deze krant pleitte hij voor ‘arrangementen waardoor oudere werknemers eerder kunnen stoppen met werken’. Want het coronasteunpakket moet worden ingezet om ‘vroegpensioen zonder boete mogelijk te maken. De arbeidsmarkt is totaal veranderd.’

Dat laatste is natuurlijk zo. In januari hadden we het nog over de extreme krapte op de arbeidsmarkt. Het aantal vacatures was voor het eerst hoger geworden dan het aantal werklozen. Vooral in ICT, bouw en horeca waren de tekorten ongekend hoog. Vier maanden later is dat helemaal anders.

Vacatures worden ingetrokken en de verborgen werkloosheid bedraagt misschien al meer dan 10%. We zien het niet omdat veel werknemers dankzij de NOW-regeling hun baan houden. Maar de nieuwe arbeidsmarktindicator van het Centraal Planbureau – die naar gewerkte uren kijkt – laat zien dat de inactiviteit ook in Nederland enorm is toegenomen.

Vooral jongeren zijn zonder werk komen te zitten. Zij hebben vaak een flexcontract en worden in deze coronarecessie als eerste aan de kant te gezet. Alleen al in het eerst kwartaal van dit jaar, met slechts een paar weken coronacrisis, daalde de werkgelegenheid voor flexwerkers met meer dan 3%. Het aantal vaste banen steeg nog licht in dat kwartaal.

Maar betekent dat ook dat als ouderen vroegtijdig plaatsmaken deze jongeren sneller weer aan het werk komen? Het is een even logische als onjuiste gedachte. Met vervroegde uittreding (VUT) of prepensioen help je de jonge werklozen niet. Integendeel. De economie wordt er door afgeremd en het herstel van de werkgelegenheid vertraagt.

Hoe weten economen dat zo zeker? Dat heeft drie redenen. Allereerst is het een misverstand om te denken dat er een vaste hoeveelheid banen is in de economie die verdeeld moeten worden onder alle werkzoekenden. Het aantal banen staat niet vast, maar is afhankelijk van de vitaliteit en dynamiek van de economie. Als iedereen morgen ontslag neemt om werklozen een kans te geven, zal de economie instorten en is er voor niemand meer een baan. Of positiever geformuleerd: we hebben de oudere werknemers hard nodig om de economische groei te creëren die hun (klein)kinderen werk geeft.

Het was de katholieke vakbondsbestuurder Toon Riemen die in 1975 het plan ‘Jong voor oud’ lanceerde. De VUT zou zorgen voor meer werk voor jongeren, omdat ouderen plaatsmaakten. Minister Jaap Boersma (ARP) zag dat wel zitten en begon met experimenteren. Vanaf 1980 werd de VUT (later: prepensioen) een structurele regeling die pas begin deze eeuw werd afgebouwd. De feitelijke pensioenleeftijd daalde daardoor snel. In 2004 was die gemiddeld onder de 61 jaar uitgekomen.

Hielp dat de jongeren? Welnee. Onderzoekers hebben geen bewijs gevonden dat jongeren door VUT en prepensioen een grotere kans kregen op werk. Integendeel: in de jaren tachtig en negentig was de jeugdwerkloosheid juist bijzonder hardnekkig.

En toen VUT en prepensioen werden afgeschaft in 2004 schoot toen de werkloosheid onder jongeren omhoog? Zeker niet. De feitelijke pensioenleeftijd is sindsdien sterk gestegen naar 65 jaar in 2018. En het aantal actieve, werkende 55-plussers steeg van 42% in 2003 naar maar liefst 71% begin dit jaar. Maar de werkloosheid onder 35-minners ging in diezelfde periode niet omhoog, maar omlaag. Was vlak voor de afschaffing nog 6,3% van de mensen tussen 15 en 35 jaar werkloos, inmiddels is dat slechts 4,8%.

Ouderen hoeven zich niet op te offeren voor jongeren. Juist als ze blijven werken en met hun kennis en ervaring bijdragen aan een groeiende economie creëren ze de omstandigheden waarin jongeren een baan kunnen vinden. De verhouding flex en vast zou daarbij natuurlijk wel wat eerlijker over de generaties verdeeld kunnen worden. Daar zou de FNV zich eens druk om moeten maken.

(FD)

De Corona-kater

Er is brand bij de buren, dus we moeten midden in de nacht het huis uit. Daar sta je dan, op blote voeten, in een haastig aangetrokken joggingbroek. ‘Mogen we wat belangrijke papieren ophalen?’, vraag ik. ‘Of op z’n minst de fotoboeken? En waar is de kat?’ Maar de agent laat zich niet vermurwen. Het is te gevaarlijk. We moeten op afstand aan de overkant van de weg blijven staan.

Intussen is de brandweer begonnen met blussen. Er slaan al grote vlammen uit de ramen van de buren en we voelen de hitte op ons gezicht. Ik word nu toch een beetje zenuwachtig. ‘Gaat ons huis er ook aan? Waarom houdt de brandweer mijn huis niet nat?’ Even later zie ik dat een van de brandslangen op ons dak wordt gericht. De pannen rammelen. ‘De zolder wordt vast nat’, denk ik. ‘Maar dat is van later zorg.’

Er komt een tweede brandweerwagen de straat in. En dan nog een derde uit een kazerne in een dorp verderop. Een gordijn van water, rook en stoom onttrekt beide huizen aan het zicht. Blinde paniek slaat toe. Hoe loopt dit af?

‘Er is maar één huis uitgebrand, en dat was toch al heel oud, de brandweer had nooit hoeven komen’

Dat weten een paar oude mannetjes uit de buurt me wel te vertellen. Want inmiddels zijn er kijkers op de brand afgekomen. ‘Het is een gewone brand, niks bijzonders’, relativeert de een. ‘Welnee, die vonken waaien veel verder dan je denkt’, brengt de ander er tegenin. Er is een oud mannetje dat het onzin vindt dat we uit ons huis moeten en onze slaap missen. ‘Deze oplossing is erger dan de kwaal’, zegt hij. Ze vinden dat de brandweer te veel naar links of juist te veel naar rechts spuit, dat de agenten veel te streng of juist te laks zijn en dat de brand op de buurt-app moet, of dat die app nu juist nutteloos is.

Eenstemmigheid is er pas de volgende dag, als de brand bij de buren na vele uren spuiten eindelijk geblust is. De brandweerlieden zijn uitgeput en zwartgeblakerd weggereden. Ons huis werd gespaard. ‘Eigenlijk was het een brandje van niks’, concluderen de mannetjes. ‘Er is maar één huis uitgebrand, en dat was toch al heel oud. De rest van de straat heeft nooit in de fik gestaan. We hadden net zo goed thuis kunnen blijven en de brandweer had nooit hoeven komen’.

Ik voel wel met ze mee, want mijn waterschade is enorm. Dit gaat maanden duren om op te ruimen. Wat een puinhoop heeft de brandweer ervan gemaakt! Ik ben de hele nacht op geweest, voor niks eigenlijk. Kijk daar komt een agent met onze kater aanlopen. Zelfs die heeft het gewoon overleefd. Waar kan ik een schadevergoeding indienen?

FD

Bange mensen ondernemen niets

Het virus is al maanden onder ons, maar nog altijd zijn er veel essentiële zaken niet bekend. Hoe dodelijk het is, waarom de een doodziek wordt en de ander niet, de rol van asymptomatische infecties, het effect van weer en seizoen, het zijn vragen waarop (maar ik ben natuurlijk geen expert) nog geen helder antwoord is. Ondertussen moeten politici reageren op de medische noodtoestand. Dat is buitengewoon lastig.

Precies hetzelfde geldt voor de economische noodtoestand. De economie zit in een diepe recessie, maar wat is daarvan de oorzaak? Het simpele antwoord: de lockdown, natuurlijk. Wie een deel van de economie uitzet en een flink deel van de rest opzadelt met omzetvernietigende regels, moet niet verrast zijn als de economie krimpt. Bij die analyse past een duidelijk herstelbeleid: hef de lockdown op zodra het kan, versoepel de regels, laat consumenten weer besteden en bedrijven weer produceren.

Maar er is ook een alternatieve analyse, met tegengesteld beleidsadvies: de recessie komt niet door de lockdown, maar door de virusuitbraak zelf. Angst voor de coviduitbraak maakte bedrijven terughoudend en consumenten kopschuw. Het vertrouwen stortte in, de toekomst leek extreem onzeker en de economie belandde in een vrije val. Doodsbange mensen winkelen niet en ondernemen niet.

Intuïtief dacht ik dat de eerste verklaring sterker was dan de tweede. De lockdown is zo’n ongekend ingrijpende gebeurtenis, dat de extreme economische gevolgen er logisch bij passen. Maar nu de cijfers binnen druppelen, lijkt de tweede verklaring al waarschijnlijker. In veel landen begon de recessie al voordat de lockdown werd afgekondigd. En de economische schade in landen met strenge of milde lockdown-regels lijkt verdacht veel op elkaar. Amerikaanse staten met of zonder lockdown zien de economie ongeveer net zo hard krimpen. Gezondheidseconoom Xander Koolman zette deze gegevens deze week op een rij en concludeert: ‘Het is het virus, niet de lockdown‘.

Die stelligheid gaat me een beetje ver. Maar het is wat mij betreft genoeg om te twijfelen aan de stelling dat we de lockdown snel moeten opheffen om de economie te redden. Misschien is een zeer behoedzame heropening wel beter voor de economie, omdat opflakkering van het virus het vertrouwen schaadt en de angst voedt.

Net als naar de eigenschappen van het virus, moet er snel intensief onderzoek worden gedaan naar de oorzaken van de recessie. Dit zou je eigenlijk moeten weten voordat er een exit-strategie wordt geformuleerd. Economen, aan de slag!

(FD)

De Europese Unie is al lang een transferunie en dat is maar goed ook

Na twee perioden van ongekend hevige regenval steeg het water in de rivieren tot een niveau dat in geen vijfhonderd jaar was gezien. Eerst trad de Donau buiten haar oevers en stonden huizen blank in Oostenrijk. Later steeg het water in de Elbe en ontstonden er grote problemen in Tsjechië en de Duitse deelstaat Saksen.

Maar liefst 110 mensen verloren hun leven tijdens de Europese watersnood van augustus 2002. De materiële schade beliep €15 mrd, waarvan slechts een klein deel door verzekeringen werd gedekt.

Herinnert u zich deze ramp niet meer? Nou, ik ook niet. Maar ik kwam de ‘Central European Flooding’ van 2002 tegen op een lijst met uitgaven van het EU Solidarity Fund. Dat jaar keerde dat fonds bijna €150 mln aan Oostenrijk uit. De Tsjechen kregen €129 mln en de uitkering voor Duitsland bedroeg zelfs €444 mln om iets van de schade te dekken.

Nog nooit van dat Solidariteitsfonds van de Europese Unie gehoord? Dan zijn u en ik weer net zo onwetend. Sinds 2002 bestaat er dus zo’n Europese pot geld waarmee de EU steun geeft aan lidstaten die door natuurgeweld zijn getroffen. Per jaar kan er maximaal €800 mln worden uitgekeerd. Dat is geen enorm bedrag, maar genoeg om bijvoorbeeld Zweden te helpen na storm Gudrun in 2005, Roemenië na de droogte van 2012 en Portugal na de bosbranden van 2017. De meeste EU-lidstaten deden de afgelopen jaren een beroep op het Solidariteitsfonds. Alleen België, Denemarken, Finland, Luxemburg en — jawel — Nederland komen op de lijst niet voor.

Zomaar een vraag: toen Zweden in 2017 €82 mln ontving, heeft onze premier Mark Rutte toen een brief gestuurd met de vraag waarom de Zweden zelf dat geld niet konden ophoesten? En na de Grote Vloed van 2002, heeft zijn voorganger Jan Peter Balkenende toen in Brussel op hoge poten een onderzoek naar de overheidsuitgaven van Duitsland en Oostenrijk geëist?

Natuurlijk niet. In tijden van nood staan we in Europa schouder aan schouder. We helpen de buren als er een overstroming is of een grote brand. Daarom kon reikwijdte van het Solidariteitsfonds eerder dit jaar dan ook geruisloos worden uitgebreid: het is nu niet alleen meer voor natuurrampen maar ook voor gezondheidscrises als de corona-uitbraak.

Geld voor lidstaten in nood is dus helemaal niets nieuws in de EU. En dat hoeft niet per se om rampen of ziektes te gaan. Voor niet-Eurolanden bestaat er bijvoorbeeld al achttien jaar de Balance of Payments Assistence Facility met een collectieve pot geld van maar liefst €50 mrd waar landen in betalingsbalanscrisis uit kunnen putten. Hongarije, Letland en Roemenië maakten er al gebruik van.

Tijdens de eurocrisis van 2011 en 2012 bleken de lidstaten bereid om massaal geld op tafel te leggen voor landen in schuldencrisis. De tijdelijke fondsen EFSM (van de Europese Commissie) en EFSF (van de lidstaten) werden opgevolgd door het Europese Stabiliteitsmechanisme (ESM), het noodfonds van €500 miljard. Ja, beste lezers: de EU is een transferunie en is dat eigenlijk altijd al geweest. Niet alleen via de noodfondsen, maar natuurlijk ook via het vrije verkeer van goederen en diensten, van arbeid en kapitaal. Toen grenzen verdwenen, werd de welvaart gedeeld. Landen als Nederland en Duitsland zijn overigens de grootste ‘netto profiteur’ van deze economische transfers.

De watersnood van 2020 heet corona en de financiële gevolgen meten we niet in de honderden miljoenen, maar in de honderden miljarden. Logisch dat de oude noodfondsen deze crisis niet aankunnen. Nieuw geld zou kunnen komen van het recent gelanceerde plan van Angela Merkel en Emmanuel Macron. Zij willen de Europese Commissie €500 mrd laten lenen voor een Europees herstelfonds. Landen die uit dit nieuwe fonds putten, hoeven het geld niet terug te betalen, en uiteindelijk zullen de financiële middelen door alle EU-landen worden opgebracht.

‘Transferunie!’ roepen de tegenstanders boos. En ook het Nederlandse kabinet reageerde uiterst zuinig op het plan. Landen in nood moeten we helpen, maar niet als het geld kost. Tenzij het om overstromingen in Duitsland en Oostenrijk gaat, natuurlijk. De Europese transfers mogen wel van zuid naar noord lopen, maar liever niet andersom.

Betuttelgeld

Beste Nederlandse werknemer, waarom laat u zich behandelen als een klein kind dat niet zelfstandig om kan gaan met geld? Zelf bent u blijkbaar niet in staat om iedere maand een klein deel van het inkomen op een spaarrekening te zetten, zodat er in de zomer genoeg geld is voor een mooie reis of een rustgevende campingvakantie.

‘Neem werknemers serieus en schaf het vakantiegeld af in ruil voor een evenredig hoger maandloon’

Nee, de werkgever moet een geheim spaarpotje beheren met daarin uw geld, en u vervolgens ieder jaar in de meimaand verrassen met een vakantie-uitkering. ‘Moet je nou kijken, er staat zomaar een extra bedrag op de bankrekening!’, roept u dan verbaasd. ‘Kinderen, we kunnen toch op vakantie, want die aardige baas heeft ons daar zomaar geld voor gegeven.’

Toen ik vroeger Monopoly speelde, schoof ik altijd een paar biljetten met hoge waarde onder het spelbord, in de hoop dat ik dat geld min of meer zou vergeten. Als ik dan later in het spel bijna failliet was (mijn broer speelde meestal slimmer dan ik), dan herinnerde ik mij opeens die biljetten, keek hoopvol onder het bord en was weer even gered. Vergeten geld terugvinden maakt je zo blij als een kind. Zo werkt het met vakantiegeld ook ongeveer.

Dat is natuurlijk geen volwassen manier om je financiën te plannen. Toen het vakantiegeld werd bedacht — kleine bedragen sinds begin vorige eeuw, grotere bedragen na de Tweede Wereldoorlog — was er misschien nog een reden voor werkgevers om paternalistisch te zijn. De onopgeleide arbeider verdiende een (korte) vakantie en de baas legde daar geld voor opzij.

Maar voor dat soort betutteling is in deze tijd geen goede reden meer. Van burgers wordt verwacht dat ze zelfstandig nadenken en zelf hun geldzaken regelen. Neem werknemers serieus en schaf het vakantiegeld af in ruil voor een evenredig hoger maandloon.

De huidige coronacrisis is een goed moment om afscheid te nemen van deze oubollige traditie. Veel bedrijven zitten in liquiditeitsproblemen en kunnen de vakantie-uitkering er nu eigenlijk niet bij hebben.

Laten we daarom afspreken dat er in mei slechts een twaalfde deel van dit bedrag hoeft worden uitgekeerd. De rest volgt dan in de volgende elf maanden. Om de schok voor werknemers zonder eigen spaargeld niet te groot te maken, zou de overheid in dit eerste jaar nog een soort overgangsregeling kunnen maken, waardoor mensen die het geld echt nodig hebben dat kunnen lenen.

Wel gewoon binnen een jaar terugbetalen, uiteraard, vanuit het hogere maandloon. Want Nederlandse werknemers kun je serieus nemen en hoef je niet te betuttelen.

FD

Verstoorde productieketens zijn geen reden om alles weer zelf te maken. Integendeel

Weg met de internationale productieketen! Dat was zo ongeveer de boodschap van Donald Trump in een interview op Fox. Of om de Amerikaanse president precies te citeren: ‘These stupid supply chains are all over the world and one little piece of the world goes bad and the whole thing is messed up.’ Trump concludeerde: ‘We shouldn’t have supply chains, we should have them all in the United States.’

We kunnen er om lachen, maar de president lijkt met deze warrige woorden intuïtief weer aardig de tijdgeest aan te voelen. De corona-crisis heeft de zwakte van het internationale productiesysteem blootgelegd. De waardeketen is storingsgevoelig en moet robuuster worden.

Trump kiest (weer intuïtief) als oplossing voor een soort hernationalisatie van de hele keten. Dat lijkt me niet de meest verstandige reflex. Daarover later meer.

De mondiale productieketen is een belangrijk element van de algemene trend van globalisering, die begon zo begin jaren negentig, na de val van de Muur. Er kwamen landen bij met opgeleide bevolking en lage lonen, grenzen werden minder belangrijk, handelstarieven en andere belemmeringen werden afgebouwd.

Na de toetreding van China tot de Wereldhandelsorganisatie in 2001 schakelde globalisering door naar een hogere versnelling. De ICT-revolutie zorgde ervoor dat bedrijven eenvoudig en goedkoop konden communiceren met vestigingen en toeleveranciers in andere landen. Volgens het laatste Global Value Chain Development Report, bestaat inmiddels tweederde van de internationale handel uit goederen- en dienstenstromen binnen de productieketen. Het ‘ouderwetse’ flesje wijn uit Frankrijk en kaasje uit Italië komen natuurlijk ook nog de grens over, maar het grootste deel van de internationale handel bestaat uit grondstoffen, onderdelen en halffabricaten.

Neem de elektrische fiets hieronder. Het is een model die de Amerikaanse fietsenmaker Pedego in z’n Vietnamese fabriek maakt. Of beter: z’n assemblagehal, want de onderdelen komen van andere producenten overal ter wereld. De productieketen van deze fiets strekt zich uit van Duitsland en Italië tot Taiwan en Japan, zo blijkt uit een analyse van de Wereldbank. En onderdelen van die Duitse en Japanse onderdelen zijn ongetwijfeld ook weer in andere landen geproduceerd.

Ieder onderdeel wordt gemaakt op de plaats waar dat het best en goedkoopst kan gebeuren. En omdat de handelsbelemmering gering zijn, kan de productieketen zich op de meest efficiënte manier over de wereld ontvouwen. Het nadeel is: als een land niet meer kan leveren, stokt de productie in de hele keten. Het systeem is efficiënt, maar niet per se robuust. Vandaar dat Trump liever alles weer in eigen land maakt. De fiets wordt dan duurder en waarschijnlijk ook slechter. Maar je bent in elk geval zeker dat je hem kunt produceren.

Ik denk dat dit niet de juiste reactie is. Natuurlijk zijn er producten die je om strategische redenen weer in eigen land of regio wil produceren. Medische beschermingsmiddelen en medicijnen bijvoorbeeld. Maar over het algemeen geldt dat alles in eigen land produceren, de keten juist zwakker maakt. Amerikanen produceren hun eigen vlees, maar nu slachterijen wegens corona stilliggen, zijn er direct tekorten. Om de keten robuust te maken moet je juist niet alle eieren in een mandje leggen. Dus niet alles in China of Vietnam produceren, maar ook niet alles in eigen land.

Diversificatie zou daarom een betere reactie zijn. Maak de productieketen robuust door vitale onderdelen bij meerdere toeleveranciers in verschillende regio’s te bestellen. Dat betekent meer globalisering, niet minder. Een van die regio’s kan prima het eigen land zijn. In Nederland bijvoorbeeld kunnen we kijken of dankzij 3D-printing en robotisering een deel van de uitbesteedde productie kan worden teruggehaald. Maar afhankelijk worden van lokale productie is niet verstandig.

Naast de geografische diversificatie zouden er in de keten ook meer buffers kunnen worden aangelegd. Van just-in-time naar just-in-case, zou een consultant zeggen, met toch weer strategische voorraden halffabricaat bij iedere schakel in de keten, voor je-weet-maar-nooit.

Dat is minder efficiënt. En het legt een groter beslag op het werkkapitaal. Wellicht leidt het daarom tot minder schakels, wat ook weer efficiëntie kost. Producten worden duurder en mogelijk krijgt de consument minder keuze. Allemaal niet leuk natuurlijk, maar een robuuster productieketen mag wat kosten.

(FD)

(Naschrijft: Fiets met riemaandrijving heeft natuurlijk geen pignon, maar een naafversnelling. Mijn vertaalfout)

NOW is verleden tijd

Na de lockdown komt de recessie. Dat is geen voorspelling maar een zekerheid. Hoe diep die recessie wordt en hoe langdurig, weten we nog niet. Maar na 23 kwartalen van ononderbroken groei (sinds 2014), zitten we weer in een periode van krimp.

Wat moet de overheid ook alweer doen in tijden van recessie? Die kennis is misschien wat weggezakt. Moeten we faillissementen verbieden? Is massale staatsteun voor alle verlieslijdende bedrijven het antwoord? Moeten er baangaranties worden geëist en extra hoge ontslagkosten worden opgelegd? Allemaal niet, natuurlijk. De gevolgen van een recessie zijn niet te voorkomen, ze kunnen hoogstens worden verzacht.

De overheid kan tijdens een recessie een beetje tegen de wind in hangen. Zorg voor inkomensondersteuning voor mensen die hun baan verliezen, help werklozen bij het vinden van een nieuw werk via een transparante banenmarkt en flinke opleidingsbudgetten. Geef garanties voor bedrijven in problemen zodat ze kunnen blijven lenen en investeren. Ga niet meteen bezuinigen, maar laat het begrotingstekort oplopen.

Een recessie is een periode van verandering, waarin bedrijven verdwijnen, sectoren worden opgeschud en carrières een onverwachte wending nemen. De overheid moet die veranderingen niet proberen te stoppen, maar mag ze wel begeleiden.

Daarom zal het beleid tijdens de recessie heel anders moeten zijn dan tijdens de lockdown. Toen de economie gedeeltelijk stil werd gelegd, was juist alles er op gericht om verandering tegen te gaan. Faillissementen en massaontslag moesten worden voorkomen, zodat de economie met de minst mogelijke schade door de stilteperiode kon worden geloosd. Na de lockdown zouden we dan gewoon weer aan de slag kunnen gaan. Vooral de NOW-regeling was daarop gericht: werknemers zonder werk, konden toch hun baan behouden. De zaak werd gefixeerd.

Het lijkt erop dat dit een verstandige strategie is geweest. Nu de coronamaatregelen worden versoepeld, blijken veel bedrijven weer op te kunnen starten. Winkels gaan weer open en de kappers ontvangen weer klanten.

Maar nu komt de recessie, en is ander beleid nodig. We gaan van ‘mitigation’ naar ‘containment’, zou het RIVM zeggen. Het gaat niet meer simpelweg om voorkomen van ontslag maar om het verzachten van de gevolgen en helpen bij vinden van nieuw werk. Dit soort recessiebeleid gaat gepaard met harde keuzes, en is dus automatisch omstreden en politiek. Dat het tijdens het uitdenken van het volgende crisispakket al meteen begint te rommelen in Den Haag, is daarom logisch.

FD

Brussel kan het: de ergste recessie sinds de jaren dertig voorspellen en toch nog optimistisch zijn

Coronamens geeft toch geld uit

Of hij het druk had, vroeg ik de man die onze container vol bouwafval kwam ophalen. Want wij economen grijpen elke kans voor een klein marktonderzoekje.

‘Belachelijk druk!’, antwoordde hij, terwijl hij met kettingen de stalen container vastmaakte. ‘Ik rijd de hele dag op en af naar particulieren om hun bakkies op te halen. Dit heb ik nog nooit meegemaakt.’

Waarmee hij in een keer twee vermoedens bevestigde. Ten eerste: er valt in de crisis voor sommigen toch prima geld te verdienen. Daarover later meer. En ten tweede: ik ben buitengewoon onorigineel. Mijn authentieke reactie op de lockdown verschilt in niets van de rest van Nederland.

Toen ik pakken risottorijst wilde hamsteren bleek de complete voorraad al dagen uitverkocht. Toen ik mijn skeelers uit het vet haalde om na jaren weer een flink rondje te rolschaatsen, bleek de weg vergeven van de oudere jongeren op schoenwieltjes. Toen ik een oximeter bestelde, omdat ik had gehoord dat de zuurstofgraad meer zegt over coronabesmetting dan temperatuur, bleken de goedkope modellen al lang uitverkocht. En toen ik dacht: laat ik eens rotzooi naar de gemeentewerf brengen, bleek de rij met aanhangwagentjes vol groenafval, sloophout en zolderopruiming daar langer dan de Coentunnel-file op maandagochtend.

Dus dacht ik origineel te zijn en liet een afvalcontainer bezorgen voor mijn drie kuub halfvergane ellende. Weer mis. Alle opruimerige huisvaders huren nu zo’n afvalbak en ik mag blij zijn dat men tijd vond om die van mij op te halen.

Ieder mens is uniek, maar als groep blijken we griezelig voorspelbaar. Handige ondernemers hebben dat al eerder begrepen dan ik. Bouwmarkten namen maatregelen, maar bleven open, omdat iedereen nu juist die keukendeur gaat schilderen en eindelijk de plintjes wil monteren. De omzet van doe-het-zelfwinkels was in maart een kwart hoger dan vorig jaar.

Slimme campingondernemers herkennen smetvrees als het nieuwe verdienmodel en leveren tentplaatsen met aparte toilet-doucheruimtes. Sterrenrestaurants ontdekken het plastic bakje en bezorgen hun hapjes voortaan aan huis. Organisatoren van evenementen zien webinars als hun redding. Terwijl andere ondernemers snappen dat de nieuwe coronamens wel naar de film wil, maar niet vlak naast een onbekende met een loopneus wil zitten.

Dus beleeft de drive-inbioscoop binnenkort z’n Nederlandse revival. Mits de overheid zich net zo flexibel betoont als de ondernemers. Veiligheidsregio Drenthe noemt de drive-inbioscoop een samenkomst, en die zijn verboden. Zo wordt het nooit wat.

FD

Stop het gemopper, ondernemers die nu steun aanvragen zijn niet onverstandig geweest

De lockdown kent verschillende emotionele fasen. Eerst was er angst, daarna kwam apathie, toen berusting. Inmiddels zitten we in de volgende fase: de mopperfase. Alles had beter gemoeten. Het gaat te langzaam. Dit is toch niet vol te houden? En natuurlijk: waarom moet dit allemaal zoveel geld kosten?

In die laatste categorie scoorde ik recent twee artikelen in deze krant. Allereerst was er het opiniestuk van de Utrechtse hoogleraar Erik Stam. Hij stelt dat de crisis bewijst dat Nederlanders veel te weinig spaarpotjes hebben. ‘Als iedereen, werkenden en bedrijven, meer aan financiële weerbaarheid had gedaan, dan hadden we nu geen honderdduizenden aanvragen gehad voor de NOW- en de Tozo-regeling.’ Zzp’ers krijgen nog een extra sneer na: ‘Voor zelfstandigen is de les dat in plaats van twee keer op wintersport te gaan, beter een voldoende financiële buffer kan worden opgebouwd.’

Stam kreeg bijval van onze eigen Ed Groot, die mijmert over dat we vroeger allemaal zo spaarzaam waren, terwijl bedrijven nu al ‘na enkele weken gemiste omzet aan de staatsruif hangen’.

Ik schoot er pardoes van in mijn eigen mopperfase. Want hoe komen de heren hierbij? Het gebruik van NOW en Tozo bewijst allerminst dat we te weinig buffers hebben. Beide regelingen houden expliciet juist géén rekening met bestaande buffers. NOW is voor bedrijven met grote omzetdaling. Zij krijgen naar rato van die daling een deel van de loonkosten vergoed.

Dit geldt voor zowel liquide als illiquide bedrijven. Nergens wordt gesproken van ‘eerst je eigen buffers opmaken’. Dat is volkomen logisch, want NOW dient om ontslag op bedrijfseconomische gronden (omzetdaling) te voorkomen en ook bij zo’n ontslagaanvraag wordt ook niet gekeken naar liquiditeit. Aan het gebruik van NOW kun je dus niet aflezen of er te weinig buffers zijn.

Hetzelfde geldt voor Tozo, de bijstandsregeling voor zelfstandigen. Die regeling is juist bedacht om aan de standaardvermogenstoets te ontkomen. Zelfstandigen hoeven niet hun pensioenpotje aan te spreken of hun auto te verkopen. Ze mogen liquide de crisis in en er ook liquide uitkomen. Zzp’ers met buffers komen ook gewoon in aanmerking voor Tozo.

Dan het verwijt dat ondernemers te weinig sparen; ook dat heeft volgens mij geen grond. De afgelopen twintig jaar verbaasden economen zich er juist over dat bedrijven zo weinig investeren en zoveel cash op de balans hielden.

De Nederlandsche Bank (DNB) deed vorig jaar onderzoek naar dit spaaroverschot. Uit de cijfers blijkt dat vooral het mkb flink heeft gespaard. Er wordt een beetje geïnvesteerd — de kapitaalgoederenvoorraad groeit nog wel — maar in ieder jaar sinds het begin van deze eeuw spaarden mkb’ers gezamenlijk meer dan ze leenden. Daardoor liepen de buffers flink op. Als percentage van het bbp was er sprake van een bijna verdubbeling van de liquide middelen.

Samen met het grootbedrijf is het mkb de afgelopen jaren goed geweest voor maar liefst 80% van het gehele Nederlandse spaaroverschot, schrijft DNB. De onderzoekers komen zelfs met beleidsadvies over we hoe we deze buffers kunnen afremmen.

En zzp’ers? Dat zijn toch wel kortzichtige opportunisten die liever twee keer gaan skiën dan netjes sparen? De cijfers vertellen weer een heel ander verhaal. De mediane zzp’er heeft meer financieel vermogen dan een werknemer en ook flink meer geld in onroerend goed en bedrijfsvermogen. De solvabiliteit van de gemiddelde zzp’er ligt hoger dan die van mkb en het grootbedrijf en is de afgelopen jaren sneller toegenomen. Maar liefst 40% van de zzp’ers kan het zonder inkomen zelfs meer dan een jaar uithouden.

Er zijn natuurlijk ook zzp’ers die het hoofd maar net boven water hielden en geen ruimte hadden om te sparen. Eén op de vijf zelfstandig ondernemers heeft nog geen drie maanden buffer. Uiteraard zijn dat juist niet de zzp’ers die twee keer op wintersport gaan.

Resumerend: NOW en Tozo zeggen expres niets over de buffers, mkb-ondernemers spaarden eerder te veel dan te weinig en skiënde zzp’ers hebben hun zaakjes keurig voor elkaar. We sluiten de mopperfase af en zetten de volgende stap in de emotionele lockdown-verwerking!

FD

 

journalist en econoom