Nederlandse industrie haakt eindelijk aan bij robotrevolutie, vooral dankzij onze voedingsindustrie

‘Nederland moet dringend investeren in een ambitieuze maar tegelijk ook praktische robotagenda.’ Die oproep deed een groep van twintig wetenschappers begin dit jaar in een open brief. Alle scholieren, studenten en werknemers moeten zich voorbereiden op de gevolgen en mogelijkheden van robotisering, vonden de wetenschappers.

Freelancende economen dus ook, dacht ik na het lezen van de brief. En daarom staan er sinds kort twee kleine robots op mijn kantoortje, beide aangeschaft door ze zelf mee te financieren via een crowdfundsite. Hoe hip wil je het hebben?

De ene robot heet Alpha2, en is van het type ‘mannetje’. Het is een in wit en rood plastic uitgevoerde pop die kan luisteren, praten, zingen, dansen, lopen, vallen en weer opstaan. Hij heeft wifi, bluetooth 4.0, draait op Android en je hebt er helemaal niets aan. Ik doe hier geen productbespreking, maar wie een dag met Alpha2 optrekt, maakt zich opeens veel minder zorgen dat de robot onze banen inpikt.

Mijn andere robot is juist een positieve verrassing. Deze heet uArm Swift en is van het type lasrobot, u weet wel, zo’n eenarmige robot uit de auto-industrie. Lassen kan hij niet, maar wel dingen oppakken en wegleggen met zijn zuignap of grijphand, 3D-printen dankzij een speciale kop en zelfs hout graveren met een laser. Makkelijk te programmeren en flexibel inzetbaar.

De nuttige robot is dus geen mechanische man die de was doet en de kinderen naar bed brengt, maar een programmeerbare arm die repeterende arbeid verricht. Zo staan de zaken er op dit moment in elk geval voor. Bij mij op kantoor, maar zeker ook in uw bedrijf. De robot is nog lang geen goede dienstverlener, maar wel al meer een bruikbare productiekracht.

Daarom vindt de robotrevolutie nog altijd voornamelijk plaats op de fabrieksvloer, waar de robot laagwaardig, zwaar en repetitief werk van de mens overneemt. Deze industriële robots worden al slimmer, nauwkeuriger en voorzichtiger, dus hun toepasbaarheid neemt snel toe. Tot niet zo lang geleden stonden robots vooral in de autofabrieken, daarna volgde de productie van elektronica en sinds kort gaat het hard in de voedingsmiddelenindustrie. In die laatste sector moet schoon en voorzichtig worden gewerkt en de nieuwe robots kunnen dat al beter.

Misschien was het door deze volgorde van sectoren dat Nederland tot nu niet bepaald haantje de voorste was bij de robotisering. We hebben nu eenmaal geen grote auto- of elektronica-industrie. In landen als Duitsland, Japan en Zuid-Korea werd veel meer in robots geïnvesteerd. Maar we hebben wel een grote voedingsindustrie, dus als die nu aan de beurt is, moet Nederland aan de bak.

Het goede nieuws: dat doen we ook. Deze week verscheen het jaarlijkse robotrapport van de International Federation of Robotics (IFR), de brancheorganisatie van robotproducenten, met cijfers voor 2016. Daaruit blijkt dat bedrijven in de Nederlandse industrie vorig jaar 1778 nieuwe robots aanschaften. Dat is 20% meer dan een jaar eerder en het hoogste aantal ooit. De IFR schat dat er nu ruim 11.000 robots op Nederlandse fabrieksvloeren staan, bijna een verdubbeling in tien jaar tijd.

De snelle stijging in 2016 komt vooral door de voedingsindustrie. Daar gingen vorig jaar 429 nieuwe robots aan het werk. Een jaar eerder was dat nog minder dan de helft. Het aantal nieuwe robots in de voedingsindustrie was zelfs groter dan dat in de automotivesector. Auto-producenten en toeleveranciers waren tot 2016 altijd de grootste afnemers van robots, maar met 424 nieuwe robots moest deze sector de voedingsindustrie voor het eerst voor laten gaan.

Nu de robot het tomaatje niet meer stukknijpt, het koekje niet kraakt en ook geen smeerolie over de lopende band morst, kan Nederland er eindelijk vol in gaan investeren. In 2013 hadden wij per 10.000 werknemers in de industrie nog geen honderd robots staan. Inmiddels is dat volgens de IFR gestegen naar 155 robots per 10.000 werknemers.

En dan hebben ze mijn Alpha2 en uArm Swift nog niet eens meegeteld.

Als een politicus praat over ‘investeren’ in zorg of onderwijs, houd dan je portemonnee maar goed vast

Zomaar bakken met geld uitgeven, in het calvinistische Nederland is dat vloeken in de kerk. Onze overheid geeft geen bakken met geld uit, want dat zou de indruk kunnen geven dat er belastinginkomsten over de balk worden gegooid, dat zuurverdiende euro’s van hardwerkende Nederlanders worden verbrast, dat het zweet van de Hollandse arbeider wordt verjubeld aan onzinprojecten.

Daarom hebben politici het zelden over geld uitgeven. Zij kiezen liever voor de term ‘investeren’. Nederland moet meer investeren in defensie, zeggen ze, want de soldaten hebben geen kogels meer. We moeten investeren in onderwijs, want de lerarensalarissen zijn te laag. Investeren in de zorg is noodzakelijk, omdat er te weinig verplegers en verpleegsters zijn om onze ouderen te verzorgen. Of laten we anders investeren in sociale zekerheid en inkomensgelijkheid. Of beter nog: in maatschappelijke samenhang.

Die laatste term komt regelrecht uit de troonrede van afgelopen dinsdag. Het demissionaire kabinet Rutte-Asscher liet de Koning deze zin uitspreken: ‘De regering investeert op tal van manieren in maatschappelijke samenhang, in integratie, in de naleving van wetten en in de versterking van onze gedeelde normen en waarden.’

Sorry, maar als econoom maak ik bezwaar. Investeren is een specifieke term die niet voor iedere willekeurige uitgave kan worden ingezet. Het moet gaan om een uitgave die pas na verloop van tijd rendement gaat opleveren. Een dijk die we nu betalen, maar die ons honderd jaar beschermt tegen de zee. Een weg die eenmaal aangelegd voor vele jaren goedkoop transport levert. Of een gebouw dat eerst geld kost, maar uiteindelijk de kosten waard is. Overheidsinvesteringen zijn uitgaven die nu worden gedaan, zodat ze later rendement opleveren. Het zijn uitgaven die de kapitaalvoorraad van onze collectieve sector vergroten.

Hoeveel geeft de Nederlandse overheid uit aan dit soort investeringen? Als we naar de bruto overheidsinvesteringen kijken, dan zijn jaarlijkse sinds het begin van de crisis wat aan het afnemen. In 2009 werd er volgens berekeningen van het Centraal Bureau voor de Statistiek nog voor bijna €28 mrd geïnvesteerd, in 2016 was dat nog maar €25 mrd.

Maar uiteraard moeten we ook rekening houden met afschrijvingen op de kapitaalgoederen van de overheid. Dan ziet het plaatje er een stuk slechter uit. De netto-investeringen (dus minus afschrijvingen), bedroegen in 2009 nog ruim €8 mrd. Inmiddels is dat nauwelijks meer dan €3 mrd. De bezuinigingen hebben er duidelijk ingehakt.

Desondanks bezit de overheid nog altijd voor meer dan €400 mrd aan kapitaalgoederen. Twee derde daarvan zijn infrastructurele werken als wegen en dijken. Ruim 20% bestaat uit gebouwen. De waarde van de opgebouwde kennis via onderzoek en ontwikkeling wordt geschat op 12,5% van het totaal.

De geschatte waarde van maatschappelijke samenhang, gedeelde normen en waarden, sociale zekerheid of kogels voor soldaten, komen in deze berekening van de kapitaalgoederenvoorraad van de overheid niet voor. Nee, ook salarissen voor leraren in het basisonderwijs niet, want die moeten we ieder jaar opnieuw betalen om het kennisniveau van de bevolking op hetzelfde peil te houden. Dit zijn allemaal lopende kosten: uitgaven die ieder jaar opnieuw moeten worden gedaan. Ik zeg niet dat we ze daarom niet moeten doen – behoorlijke beloning voor leraren lijkt mij een prima idee – maar noem ze geen investering.

Misschien vindt u dit typisch woordenwichelarij van een econoom. Wat maakt het uit of je iets een investering of een uitgave noemt? Nou, veel. Voor een rendabele investering mag je lenen. Als de overheid een fantastische hogesnelheidslijn aanlegt tussen Groningen en Maastricht, mag de staatsschuld stijgen. Maar de machinist en conducteur op die lijn zijn lopende uitgaven, en moeten we betalen uit lopende inkomsten. Lees: belastinggeld.

Iedere keer als een politicus zegt dat we moeten ‘investeren’ in gezondheidszorg, lerarensalarissen of sociale zekerheid, sterft er ergens een jong econoompje. Politici: zeg wat je bedoelt. Als je ergens gewoon ieder jaar meer geld aan wil uitgeven, kom daar dan eerlijk voor uit.

Schaf laag btw-tarief af

Frits Bolkestein bepleitte het al in 2004. Frans Weekers probeerde het in 2012. Eric Wiebes deed in 2015 een poging. Allemaal wilden ze het lage btw-tarief verhogen, of soms zelfs afschaffen. En allemaal faalden ze jammerlijk.

De laatste keer, in 2015, leidde Wiebes’ proefballonnetje zelfs tot een ware opstand van het maatschappelijk middenveld. Onder de slogan ‘Zeg nee tegen meer btw’ — met bijbehorende website en de onvermijdelijke petitie — streed een bonte lappendeken van belangengroepen tegen afschaffing van het 6%-tarief. De ANWB was tegen. VNO-NCW natuurlijk ook. De Bovag, Hiswa en ANVR vonden het een buitengewoon slecht idee. Net als Horeca Nederland, Schiphol, de Nederlandse Schoenmakers Vereniging, Dibevo (brancheorganisatie van huisdierenspecialisten) en vele, vele andere. Allemaal lobbygroepen met hun eigen directeurtjes en voorzittertjes die o zo blij waren met deze kans om eens lekker vol op het orgel te gaan voor hun achterban.

‘Barman die Irish Coffee bereidt moet voor de koffie met slagroom 6% btw rekenen, maar voor de whisky 21%’

Ze wapperden met rapporten waaruit zou blijken dat er tienduizenden banen en honderden miljoenen aan omzet op de tocht stonden. Op de radio waren spotjes te horen waarin ondernemers (bloemisten, hoteliers, schilders) hun nood klaagden. De btw-verhoging was ‘een dolksteek in de rug’. Met een beetje pech gaan we het allemaal weer horen en lezen, de komende tijd. De vier formerende partijen zouden overwegen om het lage btw-tarief iets te verhogen, naar 8%, zo lekte maandag uit. De opbrengst zou gebruikt worden voor lagere belasting op arbeid.

Wat ANWB, Bovag, Dibevo en al die andere clubs de komende dagen ook beweren, verhoging van het lage btw-tarief is een prima idee. Het lage tarief is een kostbare, verborgen subsidie zonder duidelijk doel, die de markt verstoort. Jaren geleden toonde het Centraal Planbureau al aan dat rijke consumenten er meer van profiteren dan arme. Bovendien: inkomenspolitiek kun je veel efficiënter via de inkomstenbelasting voeren dan via de btw.

In veel gevallen is het onderscheid tussen hoog en laag tarief ook helemaal niet uit te leggen. Waarom vallen kleurboeken, gedroogde bloemen en schoonmaakdiensten binnenshuis onder het lage tarief, maar plakboeken, geverfde bloemen en het schoonmaken van de buitenboel onder het hoge tarief? Waarom valt reparatie van een e-bike onder 6%, maar van een brommer onder het 21%-tarief? Niemand die het weet. Zeker niet de barman die een Irish Coffee bereidt, en voor de koffie met slagroom 6% btw moet rekenen, maar voor de scheut whisky erin 21%. Over administratieve rompslomp gesproken.

De enige reden dat we nog een laag tarief hebben is omdat politici bang zijn voor de belangengroepen die hun impliciete subsidie niet kwijt willen. Stap over die angst heen en verhoog het lage tarief niet alleen, maar schaf het meteen helemaal af. Voer dan een uniform btw-tarief in van — bijvoorbeeld — 16%. Voor plakboeken én voor kleurboeken.

(verscheen eerder in FD)

Juncker nodigt zeven nieuwe landen aan de euro-dis, maar de kok kan dat niet aan

Jean-Claude Juncker deed woensdag precies waarvoor hij is ingehuurd. De voorzitter van de Europese Commissie (EC) hield zijn jaarlijkse rede voor het Europees Parlement over ‘de Staat van de Unie’. Die ziet er beter uit dan de afgelopen crisisjaren, dus Juncker durfde zowaar enige ambitie te tonen.

De Luxemburger zei: ‘Het is de bedoeling dat de euro de munteenheid wordt van de hele Europese Unie. (…) Lidstaten die de euro willen invoeren, moeten dat kunnen doen.’

Daar is geen woord van gelogen, want zo staat het gewoon in het Europese Verdrag: alle EU-lidstaten worden geacht de euro in te voeren. Of preciezer: alle EU-lidstaten, behalve Denemarken en het Verenigd Koninkrijk (die voor zichzelf een uitzonderingspositie hebben geregeld) moeten deelnemen aan de derde fase van de Economische en Monetaire Unie (EMU). Die derde fase ging van start op 1 januari 1999 met de invoering van de euro in de Ding-Flof-Bips-landen.

Deelname is dus niet optioneel. Dat hebben alle lidstaten gezamenlijk vastgelegd in het EU-verdrag. Juncker is ingehuurd als hoeder en uitvoerder van dat verdrag, dus als hij alle EU-lidstaten oproept om de euro in te voeren, doet hij gewoon zijn goedbetaalde werk.

Op dit moment hebben (buiten Denemarken en het VK) zeven EU-landen nog een eigen munt. Dat zijn Zweden, Polen, Tsjechië, Kroatië, Hongarije, Bulgarije en Roemenië. Alleen Zweden was al lid van de EU toen de euro-verplichting werd opgenomen in het verdrag. De Zweden stemden in 2003 per referendum tegen invoering, maar hun handtekening staat wel onder het EU-verdrag. Dus zweeft het land in een juridisch niemandsland van wel moeten, maar niet willen. De Zweden lossen dat op door zich simpelweg steeds niet te kwalificeren voor deelname.

Schermafbeelding 2017-09-24 om 19.35.07

Want terwijl het verdrag alle EU-landen het recht en de plicht geeft om de euro in te voeren, zijn er vijf ‘convergentiecriteria’ waaraan moet worden voldaan. De eerste twee kennen we uit het Stabiliteitspact: tekort onder de 3% bbp, staatsschuld lager dan 60% bbp. Of – zoals daar op typisch Europese wijze aan is toegevoegd – ‘bevredigend dalend’ richting die percentages. De andere drie proberen vast te stellen of een land monetair-financieel genoeg lijkt op het eurogebied. De inflatie mag niet hoger zijn dan 1,5%-punt boven de gemiddelde inflatie van de drie EU-lidstaten met de laagste inflatie. Zo’n regel bestaat ook voor de lange rente. En de wisselkoers van de nationale munt moet minstens twee jaar zonder problemen gekoppeld zijn aan de euro via het wisselkoersmechanisme ERM2. Daarnaast zijn er juridische eisen, die vooral gaan over de onafhankelijkheid van de nationale centrale bank.

‘Eurolanden zouden elkaar nooit financieel te hulp schieten, de ECB zou niet bijspringen als lidstaten op te grote voet leefden. Inmiddels weten we dat de financiële markten deze afspraak nooit hebben geloofd, en dat ze daar ook gelijk in hadden.’

Hoe doen de niet-euro-wel-EU-landen het nu? Behoorlijk goed. Volgens het laatsteConvergentierapport van de EC uit 2016, voldoen de meeste landen alleen niet aan het wisselkoerscriterium. Maar dat is logisch, want geen van de potentiële eurolanden neemt momenteel deel aan ERM2. Dat is vooral een politieke keuze. Hetzelfde geldt voor de wettelijk vastgelegde onafhankelijkheid van de centrale bank. Gewoon een nieuwe bankwet aannemen en het is geregeld.

Logisch dus dat Juncker deze landen aan de eurotafel uitnodigt. Maar is het ook verstandig? Ik denk toch van niet. De convergentiecriteria komen uit de jaren negentig, toen de euro nog werkte op basis van de no-bailout-clausule in het EU-Verdrag. Eurolanden zouden elkaar nooit financieel te hulp schieten, de ECB zou niet bijspringen als lidstaten op te grote voet leefden. Inmiddels weten we dat de financiële markten deze afspraak nooit hebben geloofd, en dat ze daar ook gelijk in hadden. We hebben nu noodfondsen en ECB-reddingsoperaties en misschien straks ook een Europees Monetair Fonds. Aan de eurotafel van Juncker eet men van elkaars bordje. Onder die omstandigheden schieten de convergentiecriteria tekort en moeten we ook kijken of landen welvarend genoeg zijn om de euro in te voeren.

Zweden mag wat mij betreft morgen toetreden. Voor de andere landen geldt: toch nog maar even wachten.

(FD)

Hier: een aantal artikelen en columns over ongelijkheid in Nederland (en dat het nogal meevalt)

CBS rekende het maar weer eens voor: nee, de Nederlandse inkomensverdeling is deze eeuw niet ongelijker geworden. (link) Toch blijft de “toegenomen ongelijkheid” een hardnekkig thema in de politiek en pers.

Wat doen we daaraan? Bijvoorbeeld vaak opschrijven hoe het wel zit. Hieronder mijn eigen bescheiden pogingen van de afgelopen paar jaar.

Er is geen sprake van een val van de middenklasse  (juli 2017)

Bedreigen globalisering en robotisering de middenklasse? Nederland bewijst het tegendeel (mei 217)

Inkomens worden niet ongelijker in Nederland (ook al beweert de WRR van wel) (juni 2014)

Nederland is al “Piketty-proof” (mei 2014)

Beter dan dit wordt het niet: zelfs de wereldhandel is weer gaan groeien

Hoge groei, snel dalende werkloosheid en lage inflatie. Grote delen van de Europese economie bevinden zich momenteel op dat allerfijnste plekje van de conjunctuurgolf, waarin hoger dan trendmatige groei samengaat met voldoende ruimte op arbeids- en productmarkten om die groei niet te laten ontsporen in hoge inflatie. Het toenemend optimisme onder consumenten, bedrijven en beleggers dat we nu zien, hoort bij deze conjunctuurfase, en geeft de economische opleving nieuwe energie van binnenuit.

Alleen bij de Europese Centrale Bank blijven ze mopperen. De inflatie is ‘te laag’, want in Frankfurt hebben ze nou eenmaal met zichzelf afgesproken er pas sprake is van prijsstabiliteit als het tempo van geldontwaarding onder, maar dicht bij de 2% ligt. Europese consumenten en bedrijven genieten ondertussen van meevallende koopkracht, dankzij de relatief lage inflatie.

Natuurlijk, op lange termijn ontspoort deze conjuncturele opleving wel weer. Of dat via hoge inflatie en hard ingrijpen van de centrale bank gaat, of nieuwe zeepbellen op financiële markten knappen en een nieuwe recessie veroorzaken, of dat een mislukte brexit de Europese economie afremt? Wie zal het zeggen. Maar op korte termijn zit even alles mee.

Zware tijd, lage groei

Alles? Was er niet dat probleem van stagnerende wereldhandel? In oktober vorig jaar waarschuwde ik op deze plaats nog: ‘Voor groei is aantrekkende wereldhandel nodig, en daar zit nou net de klad in’. Terwijl overal ter wereld de economische groei aantrok, stagneerde de wereldhandel juist in 2016. Na decennia van globalisering ging de stemming in de wereld weer richting protectionisme. Daarnaast leken de jaren van outsourcing voorbij. Het spreiden van de productieketen over steeds meer landen had z’n hoogtepunt bereikt en de groei van handel in halffabrikaten daarmee ook. Dat waren in elk geval de oorzaken van de trage wereldhandelgroei die economen van de Oeso vorig jaar noemden.

Bij Wereldhandelsorganisatie (WTO) maken ze zich nog altijd zorgen over de stagnerende handel. Directeur-generaal Roberto Azevêdo gaf vrijdag een speech ter gelegenheid van de start van zijn tweede ambtsperiode. Zijn eerste, sombere woorden: ‘Er bestaat geen twijfel over dat dit een zware tijd is voor internationale handel. Groei van de wereldhandel is al lange tijd laag’.

Zware tijd, lage groei. Dat klinkt niet best. Maar Azevêdo zei ook: ‘We beginnen iets te zien van positieve tekenen’.

Prognose verhoogd

Dat lijkt me nogal genuanceerd uitgedrukt. Wie naar de cijfers kijkt, ziet dat van het gevaar uit 2016 van langdurige stagnatie van de wereldhandel, weinig meer over is. Ons eigen Centraal Planbureau is de meest betrouwbare bron voor deze cijfers. Zijn internationaal gebruikte indicator voor de wereldhandel laat al sinds begin van dit jaar een flinke groei zien.

Wereldhandelsgroei is een nogal volatiel cijfer, dat op maandbasis flink kan fluctueren, dus in onderstaande grafiek heb ik het voortschrijdend gemiddelde over zes maanden genomen, zodat het trendmatige beeld duidelijk wordt.

Schermafbeelding 2017-09-10 om 22.34.12

In de grafiek is goed te zien dat de groei er het afgelopen jaar weer flink in zit. De dip van 2016 lijkt dus niet meer te zijn geweest dan dat: een dip in de wereldhandel waaruit niet automatisch volgt dat de trends van vrijhandel en outsourcing voorbij zijn.

Vooral de handel van en naar Europa doet het opvallend goed. In het eurogebied groeide zowel de export als de import in de eerste zes maanden van 2017 bovengemiddeld hard. Na jaren van crisis is het eurogebied niet langer de rem, maar de motor van de wereldeconomie.

En Nederland? Ook bij ons groeit de handel sneller dan gedacht. Onze exporteurs doen het zelfs bovengemiddeld goed. Dat geldt vooral voor de doorvoerhandel, maar ook voor export van in Nederland geproduceerde goederen, zo rekende economen van ING onlangs uit.

Het Centraal Planbureau voorspelde in maart van dit jaar nog dat de voor Nederland relevante handel in 2017 met 3% zou toenemen. Inmiddels is die prognose verhoogd naar 4,3%. Geniet ervan, veel beter dan dit wordt het niet.

Asschers bungy jump

Eerst een dramatische sprong, dan een ijzingwekkende val in de peilloze diepte. Alles in je schreeuwt het uit. Deze val overleef je niet. Maar dan voel je het elastiek aan je voeten trekken. Je stopt met vallen en wordt weer omhooggetrokken. Al sneller, tot een nieuw hoogtepunt. Heel even hang je stil, hoog in de lucht. De zwaartekracht verslagen. Een kort, euforisch gevoel van gewichtsloosheid, van controle en macht. Tot je weer begint te vallen…

Zo’n moment van euforische gewichtsloosheid beleeft de PvdA deze dagen. Eerst was er de vrije val van de verkiezingen. De ijzingwekkende daling van 38 naar 9 zetels voelde als het einde van de partij. Maar daarna veerde de PvdA weer op.

Hoe langer de formatie van een nieuw kabinet duurde, hoe meer het zelfvertrouwen steeg. Het zittende kabinet mag dan demissionair zijn, het is nog steeds de baas in het land.

Als partijleider Lodewijk Asscher nu om zich heen kijkt, telt hij nog gewoon zes PvdA-ministers in de ministerraad. Dat geeft een euforisch gevoel van controle en macht. De macht om eigen agendapunten door te drukken. Beleid waarmee je kunt werken aan je populariteit.

Hogere salarissen voor onderwijzers bijvoorbeeld. Wie kan daar nou tegen zijn?

Demissionair of niet, Asscher wil dat het kabinet dat regelt in de nieuwe begroting voor 2018. Straks, als er een nieuw kabinet is, stort de PvdA weer omlaag, naar het niveau van een relatief kleine oppositiepartij. Maar nu is er dat euforische moment van gewichtsloosheid, precies tussen de eerste en tweede val in.

Van een afstand ziet het er nogal geforceerd uit. Beslissingen over nieuwe uitgaven — aan lerarensalarissen, maar misschien juist aan andere urgente zaken — zouden door het volgende kabinet moeten worden genomen.

De formatietafel is de plek waar Asscher zijn pleidooi voor meer geld voor leraren zou moeten houden. Maar juist daar wil hij niet gezien worden, want — zo hield hij alle informateurs de afgelopen maanden voor — de dramatische verkiezingsnederlaag van de PvdA maakte deelname aan een nieuw kabinet onlogisch.

Dat is een redelijk standpunt. Maar niet als je tegelijkertijd op basis van de verkiezingsuitslag van 2012 geld voor nieuw beleid in de beleidsarme begroting voor 2018 probeert te smokkelen. Wie mee wil beslissen over de bestemming van de meevallers dient zich te melden bij Gerrit Zalm, met het verzoek om aan te mogen schuiven aan de formatietafel. Op basis van de laatste verkiezingsuitslag moeten daar uitgaven voor de komende vier jaar worden uitonderhandeld. Zo werkt dat in een democratie.

Nee, het gaat me er niet om of de leraren wel of niet extra geld moeten krijgen. Het gaat me om wie daarover mag beslissen: partijen met een stevig kiezersmandaat onder de voeten, of een partij in vrije val.

Inhoudsloos geneuzel over huiswerk

Na de deals over regenbooggezinnen en het verplichte Wilhelmus, is er alweer nieuws uit de formatie uitgelekt. Het nieuwe kabinet wil de fidgetspinner verbieden. U weet wel, die dodelijk irritante draaischijf met kogellagers waar alle schoolkinderen met adhd, add, odd, mcdd, of een andere concentratiestoornis — met andere woorden: alle Nederlandse schoolkinderen — de ganse dag aan lopen te draaien.

De onrust in de klaslokalen wordt te dol, hebben de formerende partijen onder leiding van flipperkam­pioen Gerrit Zalm besloten, dus de fidgetspinner gaat in de ban. Zo kwam mij althans uit totaal onbetrouwbare bron ter ore.

Fijn voor al die leraren die in het nieuwe jaar niet tegen al die friemelmolentjes hoeven aan te kijken, maar vette pech voor de ondernemers die net een paar container spinners hadden besteld. Wat doe je als tijdens de formatie nieuwe wetgeving over jouw markt wordt bedacht?

Je gaat lobbyen. Je huurt adviseurs in die in Den Haag gaan uitleggen hoe geweldig je spinner de concentratie van kinderen verhoogt. Je bestelt een rapport bij een onderzoeksbureau dat deze conclusie ondersteunt.

En je zoekt je netwerk af of je ergens nog iemand kent die een connectie heeft met een Kamerlid van de ChristenUnie of D66, die heel misschien je zorgen kan doorgeven.

’s Nachts lig je uren wakker en als je eindelijk in slaap valt, droom je dat je wordt uitgenodigd door Gerrit Zalm, om namens de figdet-spinner-sector aan te schuiven bij de formatie. Je stapt de formatieruimte binnen en wordt welwillend toegeknikt door  Rutte,  Buma,  Pechtold en  Segers. Je hoort de stem van Zalm: ‘Voordat we iets besluiten willen we graag horen wat uw sector er van vindt. Wat is uw advies? Zeg het maar, en dan nemen we het woord voor woord over in het regeerakkoord.’

Het lijkt een mooie droom, een gouden mogelijkheid om daadwerkelijk mee te schijven aan het beleid en je markt te vormen zoals je denkt dat het beste is voor je achterban. Maar het blijkt een nachtmerrie. Want zodra je je mond opendoet om eens en voor altijd de politiek je wil op te leggen, hoor je jezelf dit zeggen: “We weten het nog niet. Geef ons meer tijd. We moeten eerst ons huiswerk doen!’

Je schrikt wakker. Wat een afschuwelijke droom! De gouden kans op een perfecte lobby verspeeld door inhoudsloos geneuzel over ‘huiswerk doen’.

Wat een sof! Het is alsof werkgevers en werknemers de unieke kans krijgen om tijdens de formatie met weldoordachte plannen voor de arbeidsmarkt en het pensioenstelsel te komen, en dat de bestuurders van VNO-NCW, FNV en CNV dan niet verder komen dan: ‘We gaan kijken of we iets goeds kunnen doen voor het nieuwe kabinet. We hebben elkaar wat huiswerk meegegeven.’ Onvoorstelbaar, natuurlijk.

(FD)

Onvrede van de burger is een conjunctuurverschijnsel

Het is al weer ruim 23 weken geleden dat Nederland naar de stembus ging, en nog steeds is er geen nieuw kabinet. Formeren is nu eenmaal lastig als het politieke landschap zo versnipperd is.

Over de oorzaken van de versnippering is het afgelopen jaar veel gezegd en geschreven. Meestal komt ‘De Onvrede’ van de boze burger als verklaring uit de bus. Met de onvrede kwamen de nieuwe partijtjes en proteststemmen, en verdween de wil bij politici om compromissen te zoeken.

En die onvrede, waar komt die dan vandaan? Daarover verschillen de meningen nogal. Bij de een komt het door massa-immigratie, een ander ziet vooral de ‘islamisering’ als reden. Inkomensongelijkheid is ook een populaire oorzaak van de onvrede. Of anders: globalisering en vrijhandel. De macht van Brussel, de wegzakkende middenklasse, de doorgeschoten flexibilisering van de arbeidsmarkt; iedere zelfbenoemde expert berijdt enthousiast zijn eigen stokpaardje.

Simpelere reden

Maar misschien is de verklaring voor de onvrede veel simpeler: we komen net uit een zware recessie. Nederland werd jarenlang verrast met slecht economisch nieuws en tegenvallers. Pogingen om optimistisch naar de toekomst te kijken werden telkens door de economische werkelijkheid de grond in geboord. Zo zette het idee dat het niets is en nooit meer wat wordt, zich vast in onze hersens.

Daar heb je de econoom op z’n economische stokpaardje, zult u misschien denken. Maar ik kan mijn stelling onderbouwen met cijfers. Dankzij de maandelijkse enquête van het Centraal Bureau voor de Statistiek hebben we harde informatie over hoop en teleurstelling bij Nederlandse consumenten.

Toekomst en verleden

De enquête dient om het consumentenvertrouwen te meten, en bestaat uit een handvol vragen die sinds begin 1986 iedere maand worden gesteld. Vier daarvan gaan over toekomstverwachtingen en wat daarvan is uitgekomen. Het CBS vraagt bijvoorbeeld: ‘Wat verwacht u van de algemene economische situatie in Nederland over de komende 12maanden.’ Alle negatieve antwoorden worden afgetrokken van de positieve antwoorden, en van dat saldo maakt het CBS een index die tussen -100 (iedereen negatief) en +100 (iedereen positief) kan liggen.

Het CBS vraagt ook naar het verleden: ‘Wat vindt u van de algemene economische situatie over de afgelopen 12 maanden.’ Ook die antwoorden worden gesaldeerd en in een index omgezet. Dankzij deze vragen weten we dus hoe somber of zonnig Nederland de economische toekomst inziet, maar ook hoe men een jaar later op diezelfde periode terugkijkt.

Schermafbeelding 2017-09-02 om 17.01.00

In de grafiek heb ik de voorspelling afgetrokken van de realisatie. Als dat een positief getal oplevert, dan vond men de werkelijke economische situatie beter dan men tevoren had gedacht. Een meevaller dus. Een negatieve uitkomst duidt op een teleurstelling.

Het beeld in de grafiek is duidelijk: Voor de eeuwwisseling wisselden meevallers en teleurstellingen elkaar aardig af. De economie deed het soms beter dan verwacht, soms slechter. Maar na 2001 komt de klad er in: tegenvallers gaan overheersen. Eerst door de gevolgen van de dotcom-crisis, de aanslagen van 9/11 en de onzekerheid rond de inval in Irak. Na 2008 door de kredietcrisis, eurocrisis en de dubbele recessie. We zien lange perioden van teleurstelling, met af en toe een kort piekje met meevallers.

Weer een vrolijk volkje

Dat beeld wordt nog extremer als we kijken naar het oordeel van huishoudens over hun eigen financiële situatie, waar het CBS ook vragen over stelt. Onze verwachtingen voor de komende 12 maanden zijn vaak optimistischer dan ons oordeel over de afgelopen 12 maanden. Ook voor de eeuwwisseling zijn er meer teleurstellingen dan meevallers, maar vooral na 2000 wordt het beeld erg somber. Keer op keer komen hoopvolle verwachtingen over de financiële situatie niet uit. Optimisme blijkt telkens ongegrond. We zijn zo’n vijftien jaar lang murw gebeukt door tegenvallers.

It’s the economy stupid, gaat ook nu weer op. Mijn stelling: de onvrede komt vooral door de tegenvallende economie. Dat zou eigenlijk goed zijn. Want nu de economie eindelijk weer boven verwachting presteert, en teleurstellingen veranderen in meevallers, zijn we zo weer een vrolijk volkje.

FD

NB: Lezersbrief hier (ieder zn eigen stokpaardje…)

De vorige keer dat werkloosheid onder 5% dook, stond de arbeidsmarkt er minder goed voor dan nu

Goed nieuws over de arbeidsmarkt wordt vaak met scepsis ontvangen. Nu de werkloosheid voor het eerst in zes jaar weer onder de 5% van de beroepsbevolking is gedoken, zoals het CBS onlangs meldde, zijn veel reacties argwanend. Zijn het wel ‘echte banen’? Meten we werkloosheid misschien helemaal verkeerd? Zijn er in werkelijkheid niet veel meer mensen werkloos? En als de werkloosheid al daalt, gaat het dan niet veel te langzaam?

Om met die laatste vraag te beginnen: nee, de werkloosheid daalt juist opvallend snel. Het percentage werkzoekenden is na de laatste recessie eerder en sneller gaan dalen dan tijdens eerdere perioden van herstel. Het afgelopen jaar ging het werkloosheidspercentage omlaag van 6% naar 4,9%. De afgelopen halve eeuw ging dat slechts een keer nog sneller: tijdens de hoogconjunctuur van 1998. Dus nee, langzaam gaat het niet.

Maar geeft die snel dalende werkloosheid dan wel een goed beeld van de gezondheid van de arbeidsmarkt? Er wordt zoveel niet meegenomen in het cijfer. Mensen die wel willen werken, maar niet actief zoeken, bijvoorbeeld. Mensen die zich teleurgesteld hebben teruggetrokken van de arbeidsmarkt. Gaat het wel zo goed als het werkloosheidscijfer suggereert?

De netto arbeidsparticipatie
Laten we voor een antwoord op die vraag eens naar een andere arbeidsmarktindicator kijken. Niet naar het percentage werklozen maar naar het percentage werkenden. Deze zogenoemde netto arbeidsparticipatie geeft een veel bredere blik op het arbeidsmarktherstel, want het laat zien welk deel van de bevolking tussen 15 en 75 jaar daadwerkelijk werk heeft.

Voor Nederland staat de netto arbeidsparticipatie momenteel (juni 2017) op 66,6%, zo blijkt uit cijfers van het CBS. Dat betekent dat van alle inwoners tussen 15 en 75 jaar twee derde werkt. De rest is met pensioen, zit op school, is huisvrouw of -man, arbeidsongeschikt, werkloos, rentenier of om een andere reden niet actief.

Dit percentage van 66,6 is redelijk hoog. De gemiddelde arbeidsparticipatie sinds 2003 ligt er met 65,8% onder. Maar begin 2009, toen de crisis net begon, stond het hoger.

Misschien is het beste moment om dit percentage tegen af te zetten juni 2006, precies elf jaar geleden. Ook toen dook het werkloosheidspercentage voor het eerst sinds tijden weer onder de 5. De arbeidsparticipatie lag echter een stuk lager: op 64,8%, een verschil van 1,8 procentpunt. In dat opzicht staat de arbeidsmarkt er nu beter voor dan in 2006: de werkloosheid is net zo hoog, maar een groter deel van de mensen werkt. Met andere woorden: het aantal mensen dat niet wil of kan werken ligt nu beduidend lager.

Een reden hiervoor is de toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen. Crisis of geen crisis, de opmars van de werkende vrouw is doorgegaan. In 2006 werkte 57,6% van de vrouwen tussen 15 en 75 jaar. Nu is dat 61,8%, een toename met 4,2 procentpunt. In dezelfde periode daalde de arbeidsparticipatie van mannen licht, met 0,7 procentpunt. Mannen werken nog wel vaker dan vrouwen, maar de voorsprong slinkt snel.

Participatie oudere mannen omhoog
Maar dat geldt niet voor alle mannen. De participatie van oudere mannen (tussen 45 en 75 jaar) schoot de afgelopen jaren omhoog. Ondanks alle verhalen over ouderen die nooit meer aan de bak komen, steeg hun arbeidsparticipatie met maar liefst 4,5 procentpunt. Het gaat hier waarschijnlijk vooral om werknemers die – anders dan de vorige generatie – niet met VUT of prepensioen gingen, dus hun baan gewoon hielden.

Bij de vrouwen ging de participatie onder alle leeftijdsgroepen omhoog, maar ook hier het hardst bij vrouwen van 45-plus. Van hen werkte in 2006 slechts 41%. Sinds dit jaar is dat meer dan de helft.

De krimp van de arbeidsparticipatie zit geconcentreerd bij de groep mannen tussen 25 en 45 jaar – traditioneel de groep met het hoogste percentage. Deze groep zit nu nog altijd 3,3 procentpunt onder het niveau van 2006.

Conclusie: de snel dalende werkloosheid is geen vals signaal, ook de arbeidsparticipatie laat sterk herstel zien. Alleen mannen tussen 25 en 45 jaar blijven wat achter. Kom op mannen!

(FD)

journalist en econoom