Polder kiest voor bizar HelloFresh-pensioen met kans op een lege maaltijdbox

Verderop mijn recensie van het conceptpensioenakkoord tussen werkgevers en vakbonden dat deze week uitlekte, maar eerst een ander onderwerp: hoe doen we de boodschappen voor de avondmaaltijd?

Er zijn twee opties: we kunnen gewoon naar de groentewinkel gaan, onze keuze maken en vervolgens met zelf meegebracht geld betalen. Maar we kunnen ook een abonnementje bij HelloFresh nemen of bij zo’n andere bezorger van maaltijdboxen, en ons zorgeloos de ingrediënten voor de maaltijd laten bezorgen. Dan moeten we wel iedere week een vast bedrag betalen, maar in ruil daarvoor krijgen we de harde belofte dat er iedere dag eten op tafel staat.

Tenminste, zo werkt dat nu met die maaltijdboxen. Stelt u zich eens voor dat werkgevers en werknemers de koppen bij elkaar steken en – na drie jaar onderhandelen – een ‘boodschappenakkoord’ sluiten. Daarin wordt geregeld dat de harde belofte van eten op tafel niet langer geldt. In plaats daarvan komt er een inspanningsverplichting van HelloFresh om u te voeden, mits er voldoende ingrediënten op voorraad zijn bij het bedrijf. Zo niet: dan heeft u pech. En honger.

Zou u zonder de harde belofte nog een abonnement willen op de maaltijdbox? Ik denk het niet. U loopt voortaan wel weer naar de groenteboer en rekent het bloemkooltje zelf af. Maar dan heeft u buiten de wetgever gerekend. Contributie betalen is inmiddels verplicht geworden. Iedereen die wil eten moet een abonnement bij HelloFresh of een van de andere dozenbezorgers afsluiten. Dat staat dan in de wet.

Onzin natuurlijk. Zo zal het nooit werken met maaltijdboxen. Maar zo is het straks wel geregeld met uw pensioen. Als werknemers en werkgevers hun zin krijgen wordt de harde belofte van een nominale pensioenuitkering vervangen door een zachte inspanningsverplichting van pensioenfondsen. U krijgt waarschijnlijk uw pensioen nog wel, maar alleen als er genoeg geld in kas zit. Zo niet: dan heeft u pech.

Nu was het altijd al de bedoeling van de pensioenhervorming om de harde beloftes uit het systeem te halen, want de toekomst is onzeker en harde beloftes blijken vaak schijnbeloftes. Maar het was tegelijkertijd de bedoeling om over te gaan naar persoonlijke pensioenpotten (collectief beheerd, uiteraard). Dergelijke potten zijn te vergelijken met bloemkool kopen bij de groenteboer: je weet wat je krijgt. Maar persoonlijke potten worden in het pensioenakkoord, dat deze week via de Telegraaf uitlekte, uitgesloten. Daarmee krijgen we dus een HelloFresh-zonder-beloften-pensioen. We moeten premie betalen, maar wat krijgen we daar eigenlijk voor terug? Geen belofte van een pensioenuitkering, maar ook geen eigen spaarpot. Waar sparen we dan eigenlijk voor? Ik zou het niet weten.

Toch staat het plan met instemming van de vakbonden in het conceptakkoord. Dat komt, denk ik, omdat de bonden hopen dat zonder de harde pensioenbelofte niet meer hoeft te worden gekort en wel weer kan worden geïndexeerd. Want zonder belofte kan de rekenrente omhoog, is het idee. Harde beloftes moet je echt kunnen waarmaken, dus de bijbehorende dekkingsgraad moet worden berekend met de risicovrije rente. Maar zachte beloftes zijn een gok, en daar hoort een hogere rente bij. Hogere rekenrente betekent een hogere dekkingsgraad, dus er is opeens geld genoeg voor indexatie!

Hiernaast heb ik deze gedachtegang schematisch proberen weer te geven. Door over te gaan op zachte beloftes, kunnen de harde beloftes aan huidige ouderen worden waargemaakt. Wie expliciet minder belooft, kan impliciet meer beloven. Welkom in het knotsgekke pensioendebat.

 

Vooral jongeren moeten zich zorgen maken over de situatie die dreigt te ontstaan. Want er komt door de handige truc met zachte beloften en hogere rekenrente natuurlijk geen cent extra in de pensioenfondsen. Wat wel gebeurt is dat het risico op een lege maaltijdbox, waar wel abonnementsgeld voor is betaald, wordt verschoven van oud naar jong.

(FD)

Potjesdenkers

Is het al binnen, het vakantiegeld? Bij mij niet, want ik ben zo’n armzalige zzp’er zonder vakantiegeld. Maar bij verreweg de meeste werkende Nederlanders is deze maand het bedrag op de bankrekening opeens flink omhoog geschoten.

Lekker natuurlijk. Maar zo’n bedrag ineens leidt ook tot keuzestress. Wat doen we dit jaar met het vakantiegeld? Sparen? Schulden aflossen? Eindelijk die nieuwe wasmachine kopen, of lekker duurzaam zo’n hybride warmtepomp installeren? Of gewoon doen waar het vakantiegeld voor bedoeld is: op vakantie gaan.

Dat laatste is de meest populaire uitgave. Uit onderzoek van Nibud in 2017 bleek dat 45% van de werknemers zijn vakantiegeld besteedt aan vakantie. Sparen en aflossen scoren lager, terwijl bij minder dan een op de vijf ondervraagden het extraatje in mei gewoon op de grote hoop gaat.

Wat doet u dit jaar? Volgt u de meerderheid en besteedt u uw vakantiegeld aan een vakantie? Dat is natuurlijk uw vrije keus. Maar misschien is het dan verstandig om te stoppen met actief beleggen. Want u bent waarschijnlijk een potjesdenker. U doet aan een vorm van ‘mental accounting’, waarbij u onbewust in uw hoofd deelrekeningen aanlegt met voor ieder type inkomsten en uitgaven een eigen potje.

Nee, daar is op zich niets mis mee. Onze oma’s hadden vroeger zo’n spaarblik van Brabantia met verschillende gleuven, waarin ze het rinkelende weekloon van opa verdeelden. Een paar munten gingen in de gleuf ‘kleding’. Een paar in ‘gas-licht’, in ‘huishoud-art’, in ‘verzekeringen’. En ook wat in de gleuf ‘vakantie’. Een prima systeem.

Maar volgens gedragseconoom Richard Thaler, die vorig jaar de Nobelprijs won, kan dit denken in geldpotjes ook gevaarlijk zijn. Dat iemand zijn vakantiegeld uitgeeft aan vakantie, terwijl het rationeler zou zijn om het totale jaarinkomen te beschouwen, en op basis daarvan te beslissen hoe duur de vakantie mag zijn, dat is natuurlijk niet echt schadelijk. Maar potjesdenkende beleggers kunnen wel dure fouten maken.

Bijvoorbeeld als we vasthouden aan een verliezend aandeel, omdat we het pas bij de aanschafkoers weer willen verkopen. Of als we veel meer risico’s nemen met geld dat met een eerdere gunstig uitgevallen belegging werd verdiend, want dat zit in het potje: ‘meevaller’ dus ‘doet minder pijn als we het weer verspelen op de beurs’. Of andersom, als we te weinig risico nemen met pensioenbeleggingen omdat we dat geld mentaal in het potje ‘mag ik niet mee gokken’ stoppen.

Ja, ik schrijf ‘we’, want ik ben ook een potjesdenker. We zijn het eigenlijk allemaal. Dus hier de gratis beleggingstip van de week: stop met actief beleggen, en ga over op een (saai) passief fonds. Dat is waarschijnlijk verstandig voor iedereen. Maar zeker voor alle Nederlanders die hun vakantiegeld gebruiken om op vakantie te gaan.

(FD)

Verboden woorden: kilometerprijs, spitsheffing, rekeningrijden, wegbeprijzing, congestiebelasting

Stil! Zeg het niet! Fluister niet eens de verboden worden van de Nederlandse mobiliteitsdiscussie. Zeg nooit ‘kilometerheffing’ of ‘rekeningrijden’. Vermijd iedere verwijzing naar enig mechanisme waarmee forenzen in de spits meer zouden moeten betalen dan automobilisten die op een rustiger moment de weg op gaan. Voor je het weet staat er in de krant dat iedereen ‘moet betalen om in de file te staan’. Of anders krijg je om je oren dat ‘er geen alternatieven zijn voor de auto, want de treinen zijn al overvol’.

Het zijn drogredeneringen. Dat weet iedere mobiliteitsexpert. Maar wie in Nederland spitsheffing zegt, of een van de vele synoniemen, is in de maatschappelijke discussie automatisch af. Vandaar dat de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (RLI) in zijn jongste rapport dit soort termen angstvallig vermijdt. “Van B naar Anders” luidt de titel van het rapport, waarin de opstellers op kundige wijze uiteenzetten dat meer asfalt niet de oplossing is. We moeten niet meer denken vanuit infrastructuur; er is een omslag nodig.

Een naïeve lezer zou kunnen denken dat na deze vaststelling een pleidooi volgt over rekeningrijden. Maar daar trapt de RLI niet in. Op de radio stelde voorzitter Jan Jaap de Graeff: ‘We kunnen gebruik maken van het prijsinstrument. Maar dat is niet hetzelfde als rekeningrijden.’

Ik hoorde hem dat op woensdagochtend zeggen, toen ik – onderweg naar Hilversum – aansloot in de file voor de Coentunnel. Negen uur later, in de file terug, was De Graeff weer op de radio. Inmiddels had een redacteur van De Telegraaf ontdekt dat er uit het rapport wel degelijk de geur van rekeningrijden opsteeg en ging de voorzitter in de verdediging: ‘Het woord rekeningrijden valt wel in De Telegraaf, maar niet in ons rapport’, zei hij. ‘Wat we zeggen is: op het moment dat het druk is betaal je meer, als het rustig is minder. Dat is niet hetzelfde als rekeningrijden. Dat is spelen met de prijs.’ De Graeff voegde daaraan toe: ‘Dat doe je in combinatie met het de reiziger makkelijker maken om zich op een andere manier te vervoeren.’

Kom op De Graeff, vertel het zoals het is! Rekeningrijden is de enige manier om het Nederlandse fileleed te bestrijden. En we hoeven absoluut niet te wachten totdat er meer treinen, meer bussen of meer carpoolers zijn. Een goed uitgevoerde, variabele spitsheffing zorgt dat net zoveel automobilisten op tijd op hun werk komen als nu, maar dan zonder file. Niemand hoeft dan uit de auto en in de trein. Dat klinkt misschien contra-intuïtief, maar is eigenlijk zo logisch als wat.

 

Kijk maar naar het voorbeeld in het schema hierboven. Links is de huidige situatie zonder spitstarief, rechts met een variabel tarief. We zien een snelweg met een flessenhals (de Coentunnel?). Door deze flessenhals passen maximaal drie auto’s per seconde. Als er meer verkeersaanbod is, ontstaat er een file. Wie er eenmaal door is, kan in een keer doorrijden naar kantoor. Er komen via deze weg dus drie automobilisten per seconde aan op hun werk. Het schaarse wegoppervlak in de flessenhals wordt verdeeld door middel van wachttijd: pas na een bepaalde periode van wachten in de file mag de automobilist erdoor.

Rechts de situatie na invoering van een optimale, variabele spitsheffing. Deze heffing wordt zo bepaald dat er in de spits per seconde drie auto’s aankomen bij de flessenhals. Er rijden dus precies drie auto’s per seconde door de flessenhals; net zoveel als zonder spitsheffing. Niemand hoeft met de trein of bus en de werktijden hoeven niet aangepast. Wat is dan wel het verschil? Dat forenzen niet meer betalen met tijd, maar met geld. Wie het spitstarief te hoog vindt blijft iets langer thuis, drinkt nog een kop koffie en vertrekt pas als de file voorbij is.

Geen files in de spits, net zoveel mensen op tijd op hun werk, geen extra treinen en meer mensen die rustig thuis een kopje koffie drinken. Dat is het afschuwelijke scenario waar niemand het in Nederland over durft te hebben.

(FD)

Tweede loopbaan

Wie kan tot z’n 67ste jaar op de steiger staan? Wie kan tot die leeftijd straten maken? Of patiënten uit bed tillen, muren stukadoren, vuilnisbakken sjouwen, branden blussen? Niemand natuurlijk. Dus waarom doen we dan net alsof iedereen in Nederland zomaar twee jaar langer door kan werken?

Het korte antwoord: dat doen we helemaal niet. Ik ken geen econoom die denkt dat stukadoors en stratenmakers zonder problemen kunnen doorwerken tot hun 67ste levensjaar. Maar ik ken ook geen econoom die het logisch vindt dat mensen dergelijk werk tot hun 65ste kunnen doen. Bij de oude AOW-leeftijd haalden mensen met zware beroepen ook zelden de eindstreep. Ze verdwenen voor de pensioenleeftijd vaak in WW, bijstand, arbeidsongeschiktheid of prepensioen. Of ze zochten en vonden halverwege hun werkzame leven ander, minder fysiek belastend werk dat ze wel tot het einde konden volhouden.

Het is dus niet de verhoging van de AOW-leeftijd die het onmogelijk maakt voor mensen in zware beroepen om in hun vak de eindstreep te halen,  want dat lukte toch al niet. Wat de verhoging doet is de schijn wegnemen dat zware beroepen een carrière voor het leven zijn. Bij een AOW-leeftijd van 67 jaar hoeft niemand meer te verwachten dat hij of zij een fysiek zwaar vak tot aan het pensioen kan volhouden. We nemen voor altijd afscheid van het idee dat je een bepaald beroep je hele leven kan doen.

Wat komt daarvoor in de plaats? In de ideale wereld: een fijnmazig systeem dat ervoor zorgt dat mensen met een zwaar beroep halverwege hun loopbaan – zeg ergens tussen het 40ste en 45ste levensjaar – worden doorgeleid naar een ander, minder belastende carrière. Daarvoor is een arbeidsmarkt nodig die switchen van baan beloont in plaats van bestraft.

Werkgevers moeten de prikkel voelen om personeel klaar te stomen voor een tweede carrière en werknemers moeten vrij kunnen beschikken over hun eigen scholingsbudget. We hebben eenvoudig overdraagbare pensioenen nodig, baanonafhankelijke transitievergoedingen en de mogelijkheid van demotie.

En iedere jongere die start in een zwaar beroep moet vanaf de eerste dag gevraagd worden: wat ga je doen als je veertig bent? Zowel werkgever als werknemer moeten deze vraag elk jaar aan elkaar stellen en actie ondernemen om een tweede loopbaan mogelijk te maken.

Of we kunnen natuurlijk besluiten dat verhoging van de AOW-leeftijd gewoon een slecht idee is en de maatregel proberen terug te draaien. Dat deed PvdA-leider Lodewijk Asscher, toen hij vorige week verklaarde spijt te hebben van de snelle verhoging waar hij als minister nog zijn handtekening onder zette. Hij kreeg bijval van links, maar ook van rechts. Want op papier de AOW-leeftijd verhogen is makkelijk, de bijbehorende hervorming van de arbeidsmarkt doorvoeren is vooral heel vervelend. Pas nu zal blijken of Nederland echt durft te veranderen.

(FD)

Italië gaat studeren op het Griekse plan van Varoufakis: een nieuwe, eigen munt naast de euro

Nog geen halfjaar was hij minister van financiën van Griekenland; van eind januari tot begin juli 2015. Maar in die tijd bedacht econoom Yanis Varoufakis meer radicale plannetjes dan elke andere minister tijdens een hele loopbaan. Het opmerkelijkste idee hield Varoufakis lang geheim. Dat was zijn ‘plan B’, waarover hij pas na zijn gedwongen aftreden zou vertellen.

Wat hield plan B in? Het was de introductie van een tweede valuta, buiten de Europese Centrale Bank (ECB) om. Salaris van ambtenaren zou deels worden betaald met zelf gedrukt waardepapier, kortlopende overheidsschuld, gekoppeld aan de euro. Dit papier zou dan kunnen fungeren als een betaalmiddel naast de euro. Mocht Griekenland uit de euro stappen, of eruit worden gezet, dan was het nieuwe betaalmiddel de facto de nieuwe drachme.

Slim bedacht, maar ook nogal riskant. Berichten dat Griekenland zich actief voorbereidde op een ‘grexit’ zouden in 2015 het vuur op de financiële markten verder hebben opgestookt. Bovendien zouden de Duitsers gedacht kunnen hebben: ga dan maar! Uiteindelijk durfde de Griekse premier Tsipras de confrontatie met Europa toch niet aan en hij stuurde Varoufakis de laan uit. Met hem verdween plan B.

Maar misschien toch niet helemaal. Want anno 2018 lijken de Italianen wel wat te voelen voor hun eigen plan B. De coalitiebesprekingen tussen Lega en de Vijfsterrenbeweging zijn deze week echt begonnen en volgens de Italiaanse pers is er nu al overeenstemming om serieus te gaan studeren op plan B: een eigen munt, op basis van overheidsschuld, die parallel aan de euro kan circuleren.

Bot

De werknaam van de nieuwe munt luidt: minibot. De uitgang ‘bot’ komt van de afkorting voor Italiaans schatkistpapier: Buoni Ordinari del Tesoro. Een minibot is dus een piepklein stukje staatsschuld, bijvoorbeeld ter waarde van een euro, dat kan dienen als een tweede binnenlands betaalmiddel. De Italiaanse overheid kan zo de onafhankelijke en min of meer buitenlandse ECB omzeilen. Italië krijgt weer controle over een eigen geldpers. Men kan weer geld uitgeven, de economie gaat weer draaien en de bijkans eeuwigdurende Italiaanse crisis is voorbij.

Want terwijl de meeste eurolanden de crisisjaren inmiddels achter zich hebben gelaten, zitten de Italianen nog vol in crisismodus. Italië is Griekenland in slow motion. Het bruto binnenlands product (bbp) ligt nog altijd onder het niveau van 2008. Het eurogebied als geheel zit daar alweer ruim 8% boven. De Italiaanse werkloosheid daalt wel iets, maar ook dat gaat veel langzamer dan in de rest van het eurogebied. En de enorme Italiaanse staatsschuld (ruim 130% bbp) wil ook maar niet dalen. Alleen de lange rente is de afgelopen jaren netjes omlaag gegaan, en ligt nu zo rond de 2%. Maar dat is niet aan de Italiaanse politiek te danken, maar aan de Italiaanse president van de ECB.

Is plan B een goed idee voor dit land? Nou, ik zou er nog een nachtje over slapen. Allereerst is er in Italië geen gebrek aan geld als betaalmiddel. De euro vervult die rol prima, en – anders dan bij de Grieken in 2015 – is er geen acuut gevaar dat de ECB de Italiaanse banken verbiedt euro’s te produceren.

In principe zou de minibot wel kunnen zorgen voor een verbetering van de concurrentiepositie, als Italiaanse lonen deels in de nieuwe munt worden uitbetaald. Maar dan moet de minibot wel worden losgekoppeld van de euro en dat is levensgevaarlijk.

Want wat zullen Italiaanse spaarders en buitenlandse obligatiehouders denken als er in Italië een tweede munt, los van de euro, wordt gebruikt? Toch zeker dat er een gerede kans is dat ze hun geld uiteindelijk niet in euro’s, maar in minibots terugkrijgen. Invoeren van de minibot is zoveel als op de financiële markten schreeuwen: misschien stappen we wel uit de euro! De eurocrisis is dan meteen weer helemaal terug, inclusief stijgende rentes en besmettingsgevaar. Zelfs Varoufakis begreep dat je dit soort radicale plannen geheim moet houden.

(FD)

Jan Tinbergen en de klimaattafels

Onze eerste econoom was meteen ook de beste. Jan Tinbergen (1903-1994) leerde de wereld rekenen met macro-economische modellen, stond aan de basis van de econometrie, stichtte het Centraal Planbureau en won in 1969 de allereerste Nobelprijs voor de Economie. Knappe poldereconoom die hem dat nog nadoet.

Behalve een Nobelprijs kreeg Tinbergen ook z’n eigen economische wet: de Tinbergenregel. Die regel stelt: wie economisch beleid wil voeren heeft net zo veel beleidsinstrumenten als doelstellingen nodig. Of anders geformuleerd: wie minder instrumenten heeft dan doelstellingen, zal moeten kiezen welk doel het belangrijkste is. De Tinbergenregel laat bijvoorbeeld zien dat de centrale bank (met alleen het monetaire instrument) niet tegelijkertijd lage inflatie en hoge economische groei kan nastreven. Voor lage inflatie is hoge rente nodig, maar voor hoge groei juist lage rente. Twee doelstellingen nastreven met slechts één instrument zal nooit lukken.

Het is een briljante theorie. Maar misschien heeft Nederland wel te veel geluisterd naar Tinbergen. We zien nu overal een tekort aan instrumenten, ook waar er een overschot is. Dat is in elk geval de enige manier waarop ik de discussie over klimaatbeleid begrijp.

Nederland heeft in Parijs afgesproken om de opwarming van de aarde onder de twee graden te houden. Op dit moment wordt aan zogenaamde ‘klimaattafels’ gebrainstormd over het beleid dat bij die belofte hoort. Iedereen van het gas, de zee vol windmolens, het land vol zonnepanelen, alle huizen geïsoleerd en ieder een elektrische auto.

Maar wie moet dat gaan betalen? De lage inkomens natuurlijk! Arme huishoudens wonen in oude huizen, rijden in oude autootjes en kunnen nu de energiebelasting al niet betalen. Rijk Nederland laat gewoon de spouwmuur vol purren, koopt een Tesla en is in een keer Parijs-proof.

De energietransitie leidt tot nieuwe armoede en nieuwe inkomensongelijkheid, vrezen zowel columnisten op rechts (zie René Cuperus deze week in de Volkskrant, waar hij klimaat de ‘nieuwe klassenstrijd’ noemt), als ngo’s op links (zie Milieudefensie, die actief ijvert voor klimaatbeleid dat de lage inkomens spaart). Alsof de Nederlandse overheid maar één instrument heeft waarmee zowel de inkomensongelijkheid als de klimaatverandering bestreden moet worden. Alsof de Tinbergenregel hier bindend zou zijn.

Het tegendeel is waar: we kunnen in Nederland hard klimaatbeleid voeren én tegelijkertijd een eerlijke inkomensverdeling nastreven. Er zijn instrumenten genoeg — subsidies, uitkeringen, toeslagen — om de inkomensverdeling te kiezen die men wenst, ook als het klimaatbeleid arm meer treft dan rijk.

Los aan de klimaattafels het klimaatprobleem op. En daarna met andere instrumenten de eventueel ontstane inkomensongelijkheid. Ook Tinbergen zou dat een goed idee vinden.

(FD)

Het belangrijke debat over de EU-begroting wordt niet gediend met spookbeelden over een enorme stijging van de kosten

Driehonderd miljard euro. Dat is een stapel euromunten van de aarde tot de maan, en weer bijna terug. Kortom: buitengewoon veel geld. Geld dat de Europese Commissie er graag bij zou krijgen. De EU krimpt, na het vertrek van de Britten in 2019. Maar de meerjarige begroting voor de periode 2021 tot 2027 die de Commissie woensdag voorstelde, groeit juist enorm.

Tenminste, zo kwam het Multiannual Financial Framework (MFF), zoals de meerjarige begroting officieel heet, in het nieuws. Driehonderd miljard willen ze erbij in Brussel, schreven kranten en nieuwssites. En Nederland pikt dat natuurlijk niet. ‘Onacceptabel’ noemde ons kabinet het commissievoorstel.

Maar in de MFF zelf komt het bedrag van €300 mrd helemaal niet voor. Zoals het FD deze week netjes uitlegde, gaat de huidige MFF uit van €1087 mrd (totaal tussen 2014 en 2020), terwijl de nieuwe MFF €1279 mrd bedraagt. Dat is een toename van nog geen €200 mrd.

Dat is een stapel euro’s van hier tot de maan en een beetje. Nog altijd enorm veel. Totdat je bedenkt dat een euro in 2018 meer waard is dan een euro in 2027. Omdat de EU werkt met meerjarige begrotingen, heeft het weinig zin uitgaven in absolute (euro)waarden te vergelijken. Met dit soort termijnen moet je rekening houden met de tussentijdse geldontwaarding.

Vandaar dat de Europese Commissie behalve de begroting in euro’s, ook de bedragen gecorrigeerd voor inflatie, vermeldt. Dan blijft er weinig over van het idee van een snel stijgende begroting. Zelf schrijft de commissie: ‘Rekening houdend met de inflatie, is [de MFF 2021-2027] vergelijkbaar met de omvang van de huidige begroting 2014-2020.’

Klopt die bewering? Ja, eigenlijk wel. In de grafiek hiernaast heb ik de jaarlijkse begroting van de EU weergegeven. Voor de jaren tot 2018 komen deze bedragen uit de feitelijk vastgestelde begroting, voor latere jaren uit de oude en nieuwe meerjarenraming. Zonder inflatiecorrectie is er sprake van een duidelijke stijging. In 2014 gaf de EU €142,7 mrd uit, in 2027 zal dat naar verwachting €195,9 mrd zijn. Een toename van ruim 37%. Maar rekenend met een jaarlijkse inflatie van 2%, zoals de Commissie in de MFF’s doet, is de stijging slechts 8%. Uitgedrukt in het prijspeil van 2011 (het basisjaar dat in de huidige MFF wordt gebruikt), gaan de kosten van de EU van €132 mrd in 2014 naar €143 mrd in 2027.

Vergelijken we de huidige zevenjaarsperiode met die van 2021 tot en met 2027, dan groeit de begroting (uitgedrukt in prijzen van 2011) in totaal met €21 mrd. Toch net wat minder dan de €300 mrd waar iedereen zich zo over opwond.

Er blijven twee vragen over. Ten eerste, hoezo rekenen met 2% inflatie? De inflatie ligt al jaren onder dat percentage. Dat is natuurlijk zo, maar je moet als opsteller van de begroting toch wat? Nu is de inflatie minder dan 2%, maar wie zegt dat dat tot 2027 het geval is? De ECB mikt op een inflatie van dichtbij de 2%, dus het zou vreemd zijn als een andere Europese instelling daar opeens een andere mening over zou hebben. Bovendien: naast de MFF stellen de EU-landen ook ieder jaar de feitelijke begroting vast. Als de inflatie structureel lager uitvalt, kan daar dus voor worden gecorrigeerd.

Tweede vraag: als er na de brexit nog maar 27 EU-lidstaten over zijn, waarom krimpt de EU-begroting dan niet? Dat is een terechte vraag. Ook al blijft de begroting (zonder inflatie) ongeveer gelijk, er zijn straks minder EU-burgers om de last te dragen. Per persoon zullen de EU-uitgaven stijgen van €272 in 2018 naar €313 in 2019, na de brexit.

Daar kun je voor zijn (‘De EU moet z’n grenzen bewaken en klimaatbeleid voeren, dat mag wat kosten’), of tegen (‘Haal het geld daarvoor maar weg bij de boeren en de arme regio’s’), en dus een vruchtbare discussie over voeren. Angstbeelden over een enorme stijging van het budget, die eigenlijk een inflatiecorrectie is, verstoren zo’n discussie.

(FD)

Trumps hobbymesje

Ruzie maken over internationale handel is van alle tijden. Protectionisme is voor alle politici een oerreflex, dus alleen met internationale afspraken en onafhankelijke instituties die toezien op de nakoming daarvan, lukt het om de wereldhandel een beetje vrij te houden.

Het is daarom bijzonder pijnlijk om te zien hoe Donald Trump die afspraken en instituties de vernieling in helpt. Meestal gebruikt hij daarvoor zijn favoriete gereedschap: de botte bijl. Dan dreigt hij de handelspartners met importtarieven op staal en aluminium, geheel buiten de rechtsorde van de Wereldhandelsorganisatie (World Trade Organisation, WTO) om. Zo hoopt hij ze tot handelsconcessies te dwingen.

Sinds deze week proberen Trump en zijn adviseurs de Europese Unie zover te krijgen om zichzelf een ‘vrijwillig’ quotum voor staalexport op te leggen. Dat dit soort quota niet in overeenstemming zijn met de WTO-regels, maakt blijkbaar niet uit. Europa verzet zich met recht tegen deze aanval op vrijhandel.

Soms laat Trump de botte bijlstaan, en pakt hij een vlijmscherp hobbymesje. ‘Dood door duizend sneden’, noemde men in China de martelmethode waarbij een veroordeelde langzaam in stukjes werd gesneden. Dat is wat de Amerikanen momenteel doen bij het belangrijkste rechtsorgaan van de WTO, de Appellate Body. Dit is een panel van zeven juristen uit verschillende werelddelen, dat uitspraken doet in handelsgeschillen.

Tenminste, er zouden zeven juristen in moeten zitten. In werkelijkheid zijn het er maar vier, want de VS houdt benoemingen van nieuwe leden tegen. De juristen hebben een zittingstermijn van vier jaar, die in het verleden vrijwel altijd nog een keer werd verlengd. Maar de Amerikanen werken daar niet meer aan mee. Het Koreaanse, Mexicaanse en Belgische lid van het panel zijn inmiddels vertrokken en hun opvolging wordt door de VS consequent opgehouden.

Op 1 oktober van dit jaar eindigt de eerste termijn van Shree Baboo Chekitan Servansing, het Mauritiaanse lid van het panel. Als hij geen verlenging of opvolging krijgt, bestaat het rechtsorgaan nog maar uit drie leden. Dat is het absolute minimum, want volgens de WTO-regels moet ieder handelsdispuut door minstens drie juristen worden beoordeeld. De werklast zal voor deze overgebleven drie overweldigend zijn. En pikant: naast de Indiër Ujal Singh Bhatia bestaat de Appellate Body dan uit een Chinese (Hong Zhao) en een Amerikaan (James Bacchus). Bij ongewijzigd Amerikaans beleid is in 2020 alleen nog de Chinese jurist over. De WTO zal dan uiteraard al lang geen uitspraken meer kunnen doen.

Zo laat Trump het internationale handelssysteem doodbloeden. Met agressieve retoriek die landen moet dwingen tot handelsbelemmeringen en met stiekeme sabotage van het rechtssysteem van de WTO. De Europese Unie moet geen haarbreed toegeven en pal voor het mondiale handelssysteem gaan staan.

Stijging van de rente lijkt onvermijdelijk. Maar daarom zal het nog niet gebeuren

“Moet ik bitcoins kopen?” Begin dit jaar werd me dat nog ongeveer dagelijks gevraagd. Maar de laatste tijd hoor ik het nooit meer. Er is nu een nieuwe vraag populair: “Wanneer gaat de rente weer stijgen”. Huizenkopers vragen het, beleggers willen het weten, net als gepensioneerden die hopen op indexatie en studenten met een oplopende studieschuld.

Mijn (slappe) antwoord is dat ik het niet weet. Wie een ‘rentevisie’ heeft, denkt het beter te weten dan de markt en ik geloof niet dat ik de duizenden superslimme, professionele obligatiebeleggers die overal ter wereld continu proberen om vraag en aanbod van lang geld te matchen, structureel te slim af kan zijn.

Maar nu de Amerikaanse tienjaarsrente weer boven de 3% staat, terwijl die van Nederland nog onder de 0,8% blijft, begint het ook bij mij te kriebelen. Zo’n groot verschil in risicovrij rendement tussen de VS en Nederland lijkt onhoudbaar. De rentes in Europa zullen toch wel snel die van de VS achternagaan? Zodra de ECB stopt met opkopen, zodra de krapte op de arbeidsmarkt zich vertaalt in hogere lonen, zodra de stijgende olieprijs zorgt voor hogere inflatie, zodra de binnenlandse bestedingen in Europa verder aantrekken, zodra…

Voor je het weet heb je toch zomaar een rentevisie. Daar is een medicijn tegen: kijken naar de meerjarige rentegrafiek (zie hiernaast). Twintig jaar geleden stond de Nederlandse tienjaarsrente nog op bijna 6%. Daarna begon de grote daling. In 2007 – vlak voor het uitbreken van de kredietcrisis – was er al ruim anderhalf procentpunt af gegaan. Weer tien jaar later stond de rente bijna op nul. Een deel van deze daling komt door de afgenomen inflatie. De reële rente daalde dus minder snel, maar ging toch nog van 3,4% in 1997 naar min 0,3% nu.

Schermafbeelding 2018-05-08 om 10.24.51

Op veel momenten tijdens deze gestage daling dachten economen, beleggers en andere betweters dat de rente nu toch echt het dieptepunt had bereikt en dat een stijging onvermijdelijk was. Telkens zaten zij ernaast.

Een mogelijke verklaring daarvoor is dat de lange rente om structurele redenen zo laag is. Dus niet vanwege conjunctuur, ruim monetair beleid, bezuinigingen door overheden of crisisangst, maar omdat bij de huidige stand van economische ontwikkeling en demografie gewoon een lage rente hoort. De wereld vergrijst en ontgroend, dus iedereen spaart en niemand investeert. Mede daardoor zou de structurele economische groei wel eens op een lager peil zijn komen te liggen. Natuurlijk, de Hannover Messe stond afgelopen week weer vol met producenten van robots en 3D-printers die hogere productiviteit en lagere kosten beloven. Maar in de economische statistieken is van deze ‘vierde industriële revolutie’ nog weinig te zien. De groei van de arbeidsproductiviteit ligt juist op een opvallend laag peil.

In Nederland bijvoorbeeld, steeg de arbeidsproductiviteit de afgelopen tien jaar gemiddeld met slechts 0,7%. In de tien jaar daarvoor was dat nog 1,9%. De lange rente is uiteindelijk niets anders dan het (risicoloze) rendement op kapitaal. Als nieuwe technologie niet leidt tot grote productiviteitsstijging, is een laag rendement op kapitaal het logische gevolg. Wie denkt dat de rente weer snel zal stijgen, gelooft dus eigenlijk in het evangelie van de vierde industriële revolutie.

Misschien zit de relatie tussen rente en productiviteit nog wat ingewikkelder in elkaar. Deze week publiceerden twee economen van De Nederlandsche Bank een artikel op de website VoxEU.org over het mogelijke effect van de lage rente op de productiviteit. Door de lage rente, stellen zij, kunnen slecht presterende bedrijven ten onrechte overleven en blijven zwakke banken overeind. Dat drukt het structurele groeivermogen van een land. Ze testten deze hypothese voor zeven landen en vonden er inderdaad aanwijzingen voor.

Lage groei van de productiviteit kan dus zowel oorzaak als gevolg van lage rente zijn. Lage groei leidt tot lage rente, en die lage rente zorgt weer voor lage groei. Wie durft er nu nog te gokken op een snelle stijging van de rente?

(FD)