Wat te doen met 20.000 miljoen?

Een snelle spoorlijn aanleggen naar Groningen. Doortrekken van de Noord-Zuidlijn naar Schiphol en ook de andere kant op naar Purmerend en Zaanstad. Opspuiten van een derde Maasvlakte en die dan vol duurzame energieprojecten zetten. Supersnel glasvezel naar ieder huis in Nederland. Warmteterugwinning via het riool. Een paar honderd dikke studiebeurzen voor de slimste AI-studenten uit Azië. Een megafabriek voor batterijen in de Flevopolder. Nee, twee megafabrieken. Gratis volwasseneneducatie.

Geld voor fotonica-onderzoekers, zoveel ze maar nodig hebben om hun licht-chips te vervolmaken. Grote vliegers die windenergie oogsten. Ontwikkeling van het allerbeste, hightech systeem voor rekeningrijden, met slimme prijzen die variëren naar plaats en tijd. Tienbaans snelwegen tussen iedere provinciestad. Echt goed peuteronderwijs. Kenniscentrum Elektrisch Vliegen op Schiphol-Zuid. Zorgen dat de oude huizen op veengrond niet meer verzakken. Een enorme Opac-waterbatterij in de Limburgse mergelgrond. Dat we in Nederland zelf genoeg mondkapjes kunnen maken.

Dijken verbreden tot minstens een kilometer, en daar dan huizen op bouwen. Schiphol op zee. Snelladers op het parkeerterrein van ieder winkelcentrum. Bouw van Europa’s grootste Crispr-Cas-onderzoekslab in de Seedvalley bij Enkhuizen. Natuurpark Het Groene Hart. De Fokker 70 weer in productie nemen. Blauwe energie. Een grote vaccinfabriek in Oss. Veel meer 3D-printers. E-health. Alles wat met zelfrijdende voertuigen te maken heeft.

‘Een enorme tulp die iedere paar uur op de Dam opkomt om de toeristen te vermaken’

Doorgaande wegen en parkeergarages onder de Amsterdamse grachten en de binnenstad verder autovrij. Een mini-kerncentrale voor Tata Steel. En ook een voor de chemische industrie in de Botlek. En een voor Chemelot. Overkappen van de snelwegen. Een Nederlandse missie naar de maan. En dan naar Mars. Kweekvleesfabrieken.

Een berg bij Lelystad bouwen van minstens twee kilometer hoog. Plan Lievense voor het Markermeer. Circulaire landbouw. Een enorme tulp die iedere paar uur op de Dam in Amsterdam opkomt om de toeristen te vermaken. Machines die CO2 uit de lucht halen. Bouw van Noordzeedijken tussen Normandië en Cornwall. Hyperloops. Robotisering van de kaasindustrie. Oopjen.

Eb en vloed terug in het IJsselmeer. De hele Belastingdienst op de blockchain. Pinda’s ontwikkelen waar niemand allergisch voor is. Basisinkomen. Dat iedere Nederlander eens per maand gebeld wordt door een empathische stem die iets aardig zegt. Een parabrella over heel Nederland tegen natuurrampen. Gratis bier. De staatsschuld met 20 miljard verlagen.

(FD)

Balanceren op het snijvlak van welvaart en welzijn; nergens gaat dat zo goed als in West-Europa

Zwitserland loopt uit. En Zweden en Denemarken zitten ons weer dichter op de hielen. Op het eerste gezicht lijkt de positie van Nederland als op-een-na beste economie van de wereld flink te worden bedreigd. Maar ondanks uitlopende Zwitsers en oprukkende Scandinaviërs slaagde Nederland er in om ook het eigen puntenaantal te verbeteren.

Dat blijkt uit de Lijst der Lijsten 2020, mijn jaarlijkse overzicht in deze krant van de beste economieën van de wereld. De methode is dezelfde als de afgelopen jaren. Ik zet vijf bekende internationale ranglijsten op een rij, en tel de score bij elkaar op voor elk land. Staat een land op de eerste plaats van de Global Competitiveness Index van het World Economic Forum (WEF), dan krijgt het één strafpunt. Nummer twee krijgt twee strafpunten, enzovoort.

Hetzelfde doe ik voor vier andere ranglijsten: de World Competitiveness Ranking van IMD, de Global Innovation Index, de Human Development Index en de Happiness-index van verschillende VN-organisaties. Deze ranglijsten bekijken elk op een eigen manier welke landen het best in staat zijn om economische groei, welvaart en welzijn te produceren. De optelsom van alle punten levert de score op in onze Lijst der Lijsten.

Vier van de vijf ranglijsten werden dit jaar opnieuw bepaald. Alleen van de Human Development Index kwam er geen nieuwe. Denemarken schoot omhoog naar de tweede plaats op de World Competitiveness Ranking. De VS daalden juist van plaats drie naar tien. Het Verenigd Koninkrijk werd — ondanks brexit — iets gelukkiger en innovatiever. Zwitsers werden gelukkiger, Zweden concurrerender en Noren zakten verder weg op het innovatielijstje.

En Nederland? Wij staan er dit jaar weer iets beter op. Zowel WEF als IND zag onze concurrentiekracht toenemen. Op beide lijstjes klommen we naar plaats vier. Volgens onderzoekers van IMD is Nederland in 2020 zelfs het land met de beste ‘Economic Performance’. Op die deelindicator namen we de koppositie over van de Verenigde Staten.

Maar op de innovatieranglijst daalde we een plek, van vier naar vijf. En ook op de ranglijst voor geluk zakte Nederland iets, naar plaats zes. Dat levert ons land een totaalscore op van 29 en dat is toch weer iets beter dan de 32 van vorig jaar.

Nummer één Zwitserland loopt echter flink uit en komt uit op slechts veertien strafpunten. Vorig jaar was dat achttien. Het brons is voor Zweden, dat nog maar een enkel punt van Nederland verwijderd is. Denemarken (op vier) staat slechts twee strafpunten achter ons. Het gevecht om de tweede plaats is duidelijk ontbrand. Nederland zal er voor moeten strijden. Ik weet niet zeker of het Wopke-Wiebes-Fonds, de Baangerelateerde Investeringskorting of het extra geld voor omscholing die het kabinet op Prinsjesdag aankondigde, nog op tijd komen.

Extraatje dit jaar: ik heb ook eens in de lagere regionen van de Lijst der Lijsten rondgesnuffeld. Hoe doen de uitdagers van de oude westerse economieën het eigenlijk? Dat valt tegen. Om in de top 10 te komen, moet je de 59 strafpunten van het VK verbeteren. Daar blijft een land als China met maar liefst 238 stafpunten heel ver van verwijderd.

Vooral op het gebied van menselijke ontwikkeling en geluk scoort het land erg slecht. Rusland doet het over de hele linie beroerd en komt op 262 strafpunten. Dat is nog iets minder slecht dan Brazilië. En Turkije is niet erg concurrerend, niet erg innovatief, staat laag op de Human Development Index en scoort slecht als het gaat om geluk. Met een totaal van 310 strafpunten heeft het van de vier de langste weg te gaan naar de top-10.

Lezers vragen mij wel: ‘Wat is de waarde van deze optelsom?’ Een terechte vraag, want het simpelweg optellen van ranglijsten levert natuurlijk geen wetenschappelijke conclusies op. Maar zet wel de schijnwerper op een waarheid die we in de dagelijkse nieuwsstroom wel eens vergeten: de landen in onze hoek van de wereld hebben een buitengewone combinatie van economische groei en sociaal welzijn weten te bereiken. Het is een knappe balanceeract die Zwitserland, Nederland en de Scandinavische landen jaar in jaar uit weten vol te houden. Iets om trots op te zijn.

(FD)

NB: En de Belgen dan, is iedere jaar weer de vraag na publicatie van de ranglijst. Nou, België staat op 20. 

Niks neoliberalisme. Onze overheid bleef altijd groot en corona is geen reden voor nieuw elan

Eerst kwam Margret Thatcher. Daarna Ronald Reagan. En een decennium later werd Nederland een willige deelnemer aan het ‘neoliberale experiment’. De PvdA schudde z’n ideologische veren af. D66-er Hans Wijers gaf zijn baan als consultant op om ons de lessen van de markt te leren. En Frits Bolkestein gaf de teugels van de VVD een extra ruk naar rechts.

Zo vanaf halverwege de jaren negentig stond alles in het teken van marktwerking. De overheid trok zich terug uit de maatschappij. De welvaartsstaat werd afgebouwd, privatiseren was de norm en overheidsinterventies waren taboe. Nederlanders stonden er voortaan alleen voor. Milton Friedman lachte in zijn vuistje.

Zo. Dat waren twee mooi alinea’s met fake-history. Totale onzin dus, maar wel het verhaal dat veel mensen vertellen. Nederland als onderdeel van een soort neoliberale revolutie die de Nederlandse overheid naar de achtergrond drukte en de krachten van de markt alle ruimte gaf.

Sinds corona heeft dat verhaal een bijzondere epiloog gekregen. Want in Nederland vindt een plotselinge herwaardering van de overheid plaats. Links wist dat natuurlijk altijd al, maar nu zijn ook de middenpartijen bekeerd: de overheid heeft een belangrijke rol te spelen in de maatschappij, dus ook in de economie. Politici moeten de markt niet alleen bijsturen, maar dapper vooruit lopen en laten zien waar het heen moet met het land.

Volgens een analyse in de Volkskrant gaan zo ongeveer alle partijen in hun verkiezingsprogramma’s de rol van de staat als sterke dirigent weer in het zonnetje zetten. De markt heeft afgedaan, de overheid is helemaal terug al ultieme beterweter.

Premier Mark Rutte zei het al deze zomer: ‘Nederland is in de kern diep socialistisch’. Hijs de rode vlaggen maar, zing uit volle borst de Internationale, en laat het ‘Reedlijk willen’ ongeremd over ‘d’aarde stromen’. Want de Nederlandse flirt met het neoliberalisme is voorbij.

Wat een grap! Nederland heeft nooit een date gehad met het neoliberalisme (wat dat ook precies is). We zagen haar lopen aan de andere kant van de straat en floten misschien even tussen onze tanden. Maar toen ze opkeek sloeg Nederland verlegen de ogen neer en liep snel door. De nieuwe eeuw was nog niet begonnen of Bolkestein klaagde al over de ‘poolwind tegen de liberalisering’ in Den Haag. De overheid bleef in Nederland altijd dominant.

Bewijs? Kwantificering is moeilijk bij zo’n filosofisch onderwerp. Maar laten we eens naar de meest voor de hand liggende indicatoren kijken. Bijvoorbeeld het deel van het bruto binnenland product (bbp) dat de staat direct bestiert. In 1995 bedroegen de uitgaven van de overheid aan menskracht en materiële aankopen (dus exclusief uitkeringen en rentebetalingen) ruim 26% van het bbp. Dat percentage daalde iets rond de eeuwwisseling, steeg weer na de recessies van 2003 en 2009 en stond anno 2019 op 27,7. De overheid geeft meer uit dan voor de ‘neoliberale revolutie’. Hetzelfde geldt voor het aantal ambtenaren. Als de overheid terugtreedt, dan doet ze dat met steeds meer mensen. Het aantal banen bij het openbaar bestuur en overheidsdiensten ligt nu een stuk hoger dan in 1995. Dat is nog exclusief onderwijs en zorg, want daar steeg de werkgelegenheid in de afgelopen kwart eeuw nog veel sneller.

Maar bemoeit de overheid zich sinds de neoliberale revolutie dan wel minder met wat de burger mag en niet mag? Weer mis. Het aantal wetten die in werking zijn is sinds vorige eeuw alleen maar gestegen, van 1.100 begin jaren tachtig tot bijna het dubbele nu. De overheid is nooit teruggetreden in Nederland, maar heeft zijn invloed op de maatschappij alleen maar vergroot.

Neoliberalisme in Nederland is een grap. En rechtse partijen die de overheid nog belangrijker willen maken al helemaal. De overheid van de belastingdienst en de toeslagen, van het stikstofdossier en de files op alle snelwegen. De overheid die geen corona-app kan ontwikkelen zonder Google en Apple en ieder ict-project laat ontsporen. En de overheid van de coronateststraten die dicht zijn buiten kantooruren. Gaat die de economie weer sturen? Ik hoop het niet!

(FD)

Magisch denken bij de Fed

Op de afbakbroodjes staat: tien minuten in de oven op 180 graden. Maar u heeft ze op 250 graden zwart-krokant gebakken. Geen probleem: leg ze gewoon nog een paar minuten in de koelkast. Dat is gemiddeld correct. Eet smakelijk!

Voor zeven uur ’s avonds mag je nog maar 100 kilometer per uur op de snelweg. Jammer, want u heeft zo’n dure sportwagen gekocht. Geen probleem: op oneven dagen rijdt u daarin 150 op de linkerbaan en op even dagen pakt u het boodschappenautootje en sukkelt met 50 over de rechterbaan.

Als u uw pillen vergeet, neemt u gewoon de volgende dag een dubbele dosis. Als het water in de lente over de dijk loopt, bidt u voor een zomer met extreme droogte. En op een dag werkt u bij de Amerikaanse centrale bank. U bedenkt een nieuwe monetaire strategie. Is de inflatie een periode lager geweest dan de doelstelling van 2%? Dan mag de inflatie in de volgende periode juist te hoog zijn.

‘Missers uit het verleden worden ‘goed gemaakt’ in de toekomst’

Een grap? Nee, dat laatste is echt waar. Fed-voorzitter Jerome Powell bracht de nieuwe strategie vorige week naar buiten. Hij richt zich voortaan op de gemiddelde inflatie gedurende de economische cyclus. Lage inflatie op het ene moment wordt voortaan gecompenseerd door hoge inflatie later.

De Fed gaat dus in zekere zin niet meer op de inflatie maar op het prijspeil sturen. Daarmee komt er een vreemd soort geheugen in het beleid. Missers uit het verleden worden ‘goed gemaakt’ in de toekomst.

Is dat zinvol? Nee, eigenlijk niet. Althans niet op puur inhoudelijke gronden. Er is geen ‘juist prijspeil’ waar een centrale bank op kan mikken. Economische theorie zegt daar in elk geval niets over. Wel over de verandering van het prijspeil (de inflatie), die moet niet te hoog zijn, en liever ook niet negatief, maar niet over het niveau. Compenseren van te hoge of te lage inflatie met te lage of te hoge inflatie, heeft geen enkele zin. Je kunt er de economische schade uit de voorgaande periode niet mee herstellen.

Waarom doet de Fed het dan? Als een signaal, zegt men, om de inflatieverwachtingen te beïnvloeden. Als burgers en bedrijven geloven dat er na een periode van te lage inflatie juist te hoge inflatie zal komen, gaan ze hun prijzen en lonen alvast verhogen en is het makkelijker om die te lage inflatie te bestrijden.

Het is daarmee een magische strategie, die pas werkt als het publiek gelooft dat de Fed echt zo dom is om de onzinnige compensatie toe te passen. Verwachtingen sturen door te beloven dom beleid uit te voeren, ik vind het geen erg sterke strategie.

(FD)

Knevelbelasting

Pas toen zijn vrouw de koffers van zolder haalde en haar kleding ging inpakken, snapte de man dat hij in actie moest komen. Ze was al langer ontevreden. Vooral over hem natuurlijk, en de onhandige wijze waarop hij zijn liefde voor haar beleed. Maar ook over de plek waar ze woonden: ver weg van haar eigen werk en familie. De verhuizing waar ze op had aangedrongen was er nooit van gekomen en zijn liefdesbetuigingen waren inmiddels gereduceerd tot een sneu cadeautje op Moederdag en een slap gedicht met Sinterklaas.

Nu leek ze dus echt werk te maken van haar vertrek. Wat te doen? De eerste impuls was: maak het haar aantrekkelijk om te blijven. Doe weer eens een beetje je best, ga samen leuke dingen doen, verras haar met een mooie reis. De relatie moet vernieuwd worden en dat mag best wat moeite kosten. Een bevriende relatietherapeut had hem dat jaren geleden al eens uitgelegd. Maar nu pas was het kwartje gevallen.

‘In de ochtendkrant legde de GroenLinks-leider uit wat je moet doen als iemand je wil verlaten’

Alhoewel… Misschien kon het ook op een andere manier. Want waarom zou je tijd en geld moeten steken in een relatie, als een van de twee samenstellende delen zich zo egoïstisch gedraagt? Was er niet een goedkopere en minder tijdrovende manier om haar te overtuigen om de koffers weer uit te pakken? Hij brak er zijn hoofd over, maar kon niets bedenken.

Het was Jesse Klaver die voor de doorbraak zorgde. In de ochtendkrant legde de GroenLinks-leider uit wat je moet doen als iemand je wil verlaten: leg gewoon een enorme boete op! Wil Unilever weg uit Nederland? Bedenk dan met terugwerkende kracht een nieuwe belasting waarmee je het bedrijf met een kostenpost van miljarden euro’s opzadelt. Nee, redelijk is dat dan niet. Het getuigt van bestuurlijke willekeur en misschien is het zelfs wel onwettig. Maar wat kan het schelen als het resultaat is dat het bedrijf uiteindelijk niet kan vertrekken?

Zo’n knevelbelasting voorkomt dat je tijd en geld moet steken in een gunstig vestigingsklimaat. Je hoeft opeens niet meer na te denken over wat Nederland een vruchtbare bodem maakt voor ambitieuze ondernemers en bedrijven. De lasten voor bedrijven kunnen kosteloos omhoog, regels kunnen strenger, multinationals mag je openbaar afschilderen als het schuim der aarde, want als ze weg willen blijkt de deur dicht.

Niks ‘je best doen’ of ‘samen leuke reisjes maken’. De man stuurde een tikkie naar zijn vrouw met een vertrekboete van een paar ton en draaide vervolgens alle deuren op slot. Mooi, dacht hij, dat is ook weer opgelost.

(FD)

Het jaar van de kreeft

Kreeft Premium Foto

Zoekt u lichtpuntjes in de duisternis? Hier is er eentje: de kreeft wordt binnenkort goedkoper! Mits de betrokken Europese politici en instellingen akkoord gaan, hoeven Europeanen straks geen importheffing meer te betalen voor zowel levende als bereide kreeften uit de Verenigde Staten.

Nee, mij kan dat ook niet direct veel schelen. Een levende kreeft in het kokende water gooien kan mijn zwakke zieltje niet aan. En ook in het restaurant zou ik liever losgeld betalen voor die droevig kijkende wezens met dichtgeplakte scharen in het aquarium, dan stevig geld geven voor hun dood. Doe mij dan toch maar een laf pannetje mosselen, die hebben tenminste geen oogjes.

Ach, er zijn vast mensen die het een heerlijk en avontuurlijk hapje vinden. Dus voor die smulpapen: gefeliciteerd met deze meevaller. En voor de rest van ons eigenlijk ook. Want afschaffing van de kreeftentaks biedt een sprankje hoop voor iedereen die vrije handel een warm hart toedraagt. De maatregel is onderdeel van een piepklein maar toch historisch akkoord tussen de VS en de EU. Voor het eerst in vele jaren lijkt het weer mogelijk om op basis van rationele argumenten zaken te doen met de Amerikanen.

Natuurlijk, de idiote strafheffingen op Europees staal en aluminium staan nog recht overeind. Met een beetje pech begint Donald Trump voor de verkiezingen weer te oreren over hoe gemeen de EU is en dat er een importheffing op Duitse en Franse auto’s moet komen. En in het heetst van de verkiezingsstrijd komen de Democraten mogelijk ook weer met plannen om de Amerikaanse grenzen te sluiten voor buitenlandse concurrenten. Vrijhandel heeft nog maar weinig openlijke voorstanders in the land of the free.

‘Zo blijkt protectionisme toch niet altijd de winnende verkiezingsstrategie’

Het historische kreeftenakkoord laat zien dat pragmatisme en gezond verstand toch niet helemaal verdwenen zijn. De kreeftenvangers in het noord-oosten van de VS zijn een interessante kiezersgroep en de concurrentie met de Canadese kreeft is moordend. Canada sloot eerder een omvangrijk handelsakkoord met de EU, waar de Amerikanen nu blijkbaar toch een beetje jaloers op zijn. Zo blijkt protectionisme toch niet altijd de winnende verkiezingsstrategie.

In ruil voor de deal verlagen de Amerikanen hun importtarieven op een aantal Europese goederen, zoals kristallen glazen en sigarettenvloeistof. Niet bepaald wereldschokkend, in totaal gaat het maar om een paar honderd miljoen euro aan handel.

Je moet een rasoptimist zijn om hier het definitieve afscheid van protectionisme en economisch nationalisme in te zien. Nou, dan ben ik dat maar. Ik hoef geen kreeft, maar dit akkoord smaakt wel naar meer.

(FD)

Houston, we have a problem: juist een lakse lockdown zorgt voor grote economische schade

De Texaanse lockdown was van korte duur. Nadat de Republikeinse gouverneur Greg Abbott de deuren van de Texaanse horeca op 1 april had gesloten, mochten restaurants op 30 april alweer heropenen.

Kort daarna nam het aantal besmettingen weer snel toe, tot zelfs meer dan 5000 nieuwe gevallen per dag. Daarom gingen vorige week de restaurants in Houston en andere grote steden opnieuw (deels) op slot. Texas heeft duidelijk misgegokt. Daar kunnen wij van leren, want de uitzonderlijk korte lockdown en de vroege heropening maken van de Amerikaanse staat een interessant natuurlijk experiment.

De reserveringsite Opentable.com verzamelt gegevens over het aantal restaurantreserveringen voor en na het begin van de corona-uitbraak. De grafiek voor Texas laat een aantal patronen zien. Allereerst: het aantal reserveringen stortte eerder in dan de lockdown officieel van start ging. Al voor 1 april hadden veel consumenten de lust om uit eten te gaan al verloren en waren restaurants al op eigen initiatief of op dat van de lokale overheid dicht gegaan. Toen de lockdown voor heel Texas werd afgekondigd, had dat geen duidelijke invloed meer op het aantal reserveringen. Ten tweede: nadat de economie weer openging nam het aantal reserveringen maar zeer aarzelend toe. Alleen op 21 juni werd er weer bijna net zoveel gereserveerd als een jaar eerder. Maar dit jaar viel Vaderdag op die datum, dus die vergelijking is niet eerlijk. Tenslotte valt ook op dat het aantal reserveringen recent alweer flink begon te dalen, nog voordat de gouverneur tot nieuwe maatregelen besloot.

De reserveringen lijken dus niet direct samen te hangen met de overheidsmaatregelen. Waarmee dan wel? Ik denk dat het onderste deel van de grafiek het antwoord geeft: angst voor het virus. De toename van het aantal besmettingen in maart en de snelle stijging in juni maakten klanten kopschuw. Het virus jaagt mensen de horeca uit, de lockdown bestendigt en versterkt dat vervolgens.

Dit is natuurlijk maar een hypothese, maar er verschijnt steeds meer economisch onderzoek waarin die volgorde van gebeurtenissen wordt onderschreven. Meest recent is de working paper (dus nog niet peer-reviewed) van de voormalig hoofdeconoom van Obama, Austan Goolsbee. Samen met een collega van de Universiteit van Chicago verzamelde hij telefoongegevens waarmee hij de bezoeken van miljoenen consumenten aan winkels in gebieden met verschillende lockdown-regimes kon analyseren. Gingen mensen minder vaak winkelen vanwege de lockdown, of omdat ze niet meer durfden? Goolsbee concludeert dat terwijl het aantal winkelbezoeken met 60% daalde, slechts 7%-punt daarvan direct gevolg is van de beleidsmaatregelen. De rest kwam door persoonlijke voorkeuren, ongetwijfeld gedreven door de angst voor besmetting.

Dit is een belangrijke conclusie. Allereerst omdat het ons iets leert over het herstel van de economie. De laatste weken vallen de meeste economische indicatoren telkens mee. Het gaat sneller beter dan gedacht. Als niet de lockdown maar angst voor het virus zorgde voor de recessie, is dat goed te begrijpen: het aantal besmettingen daalde al ruim voordat de maatregelen werden versoepeld.

Maar de resultaten van Goolsbee bevatten ook een waarschuwing: als de economische krimp vooral komt door virusvrees, zorgt een te vroege heropening van de economie voor een nog diepere recessie. Er is dan geen afruil tussen virusbestrijding en economisch herstel. Ze zijn juist complementair.

Dat is belangrijk om te weten, mocht er in Nederland een tweede golf van besmettingen komen. Beleidsmakers die het dan niet aandurven om de economie opnieuw in het slot te gooien, doen de economie mogelijk juist veel pijn. Natuurlijk kan zo’n nieuwe lockdown nog een stuk ‘intelligenter’ dan in dit voorjaar. Er is meer bekend over het virus en men zal veel gerichter te werk kunnen gaan, zowel regionaal als sectoraal.

Maar het idee dat we moeten kiezen tussen gezondheid en economie, en dat strenge regels ondernemers onredelijk hard treffen, kan langzamerhand wel van tafel.

FD

Opluchting

Dit is de tijd van de meevallers. Na de val in maart en april van zo ongeveer elke macro-economische indicator, gaan de cijfers nu juist harder omhoog dan verwacht. Nee, dat is nog geen bewijs van V-vormig herstel. Maar na maanden van onmachtig staren naar dalende curves, geeft het toch een gevoel van opluchting.

Op maandag telde het RIVM voor het eerst in maanden geen enkele coronadode en het CBS meldde een stijging van het consumentenvertrouwen. Er is vast geen directe correlatie, maar het geeft wel aan dat de verbetering van de gezondheidssituatie en die van de economie hand in hand gaan.

De vraag is of dat zo blijft. Want zelfs als een tweede coronagolf uitblijft, is er flinke kans op een tweede recessiegolf. Die komt dan niet uit Nederland zelf, maar uit het buitenland. Op mondiale schaal is de virusuitbraak nog lang niet onder controle. Integendeel: het aantal nieuwe besmettingen was de afgelopen tien dagen hoger dan ooit. Landen als Brazilië en India zitten nog in het opgaande deel van de curve, terwijl de lijnen in bijvoorbeeld de Verenigde Staten en Mexico op een hoog niveau zijn blijven hangen.

Voor de wereld als geheel is er dus nog allerminst sprake van opluchting. Dus zit ook de mondiale economie nog middenin de coronacrisis. Nederland zal daar als open economie (ja, een cliché, maar daarom niet minder waar) zeker de pijn van voelen.

‘Nederland stemt tegen zo ongeveer elk vrijhandelsverdrag, gevoed door de complete misvatting dat corona bewijst dat we alles weer lokaal moeten produceren’

Vooral omdat het met die wereldhandel toch al niet zo lekker ging. Volgens cijfers van het Centraal Planbureau is deze groeimotor al twee jaar aan het pruttelen. Het totaal van import en export in de wereld is in deze periode zelfs licht gedaald. Donald Trumps handelsoorlogen, ruzie binnen de Wereldhandelsorganisatie en de angst voor een harde brexit hebben de sfeer op de wereldmarkt behoorlijk verpest.

De coronacrisis zet nog eens een versnelling op dat proces. Niet alleen omdat veel grenzen preventief dicht gingen, maar ook omdat de recessie politici aanzet tot nieuw protectionisme. Trump fantaseert alweer over heffingen op Europese auto’s. De EU studeert op manieren om de Chinezen buiten de deur te houden en eigen ‘kampioenen’ te creëren. In het Verenigd Koninkrijk sturen de hardste brexiteers toch weer aan op ‘no-deal’. En in Nederland stemt het parlement tegen zo ongeveer elk vrijhandelsverdrag dat wordt voorgelegd. Dat alles wordt gevoed door de complete misvatting dat corona op een of andere manier bewijst dat we alles weer lokaal moeten produceren.

Zo wordt de recessie alleen maar dieper en langer. Ik ben pas echt opgelucht als de wereldhandel weer structureel gaat groeien.

(FD)

Geef papa geen verlof, maar geef hem vrijheid (uit 2017)

Tien dagen betaald verlof voor alle kersverse vaders in Europa. De Europese Commissie wil zich sinds kort graag profileren als een hoeder van de rechten van werknemers, en kwam woensdag met dit plan.

De Europese regelingen voor vaderschapsverlof lopen nu nog ver uiteen. Nederland is nogal karig met twee dagen betaald verlof voor nieuwe vaders, in Frankrijk is dat elf dagen, in Finland zelfs 54 dagen. Brussel wil dat met een minimum van 10 dagen glad trekken.

Moet de Europese Commissie zich wel dit onderwerp bemoeien? Nee, natuurlijk niet! Het gaat lijnrecht in tegen het subsidiariteitsprincipe. Hoeveel tijd vaders krijgen om “hun baby te leren kennen”, is een vraag die lidstaten prima zelf kunnen beantwoorden.

Maar het Brusselse voorstel biedt toch een mooie kans. Een kans voor Nederland om eens stevig te snoeien in de jungle van de verlofdagen, werkgevers te ontlasten en tegelijkertijd de Nederlandse werknemers meer vrijheid te geven.

Want meer vrije dagen voor jonge vaders is een prima idee, maar waarom moet dat per se via een verlofregeling? Waarom moeten werkgevers via loondoorbetaling opdraaien voor de kinderwens van hun werknemers? Waarom kan een vader die zijn baby wil leren kennen daar niet gewoon vakantiedagen voor opnemen? Je kind leren kennen zou iedere vader minstens zo belangrijk moeten vinden als een week strandbakken in Benidorm.

Vergeet daarom dat uitgebreide en kostbare vaderschapsverlof. Geef in plaats daarvan iedere werknemer het recht om na de bevalling van zijn (of haar) partner een flinke hoeveelheid vakantiedagen op te nemen.

Nu nog kan de werkgever volgens de cao vakantiedagen weigeren, als het bedrijfsbelang dat vereist. Verander die gunst in een recht en elke jonge ouder kan voortaan op eigen initiatief, maar ook op eigen kosten, langdurig vaderschapsverlof opnemen.

Zo’n nieuw recht op vakantie tijdens bijzondere perioden in het leven zou ook veel andere verlofregelingen kunnen vervangen. Blader eens in een cao en je valt achterover van de absurde hoeveelheid speciale verlofregelingen die Nederland kent.

Nederlandse werknemers hebben naast zwangerschaps- en vaderschapsverlof vaak ook recht op verhuisverlof, adoptieverlof, pleegzorgverlof, ouderschapsverlof, kortdurend zorgverlof en calamiteitenverlof of rouwverlof na overlijden van de partner, kind, grootouder, zus, broer, zwager, schoonzus of kleinkind.

Wie gaat trouwen krijgt huwelijksverlof. Maar ook als kinderen, broers, zussen, kleinkinderen of grootouders gaan trouwen heb je recht op door de werkgever doorbetaald verlof. Er is vakbondsverlof voor actieve leden van de vakbond, prepensioneringsverlof om vast aan het leven na het pensioen te wennen en zelfs een speciaal verlof als je partner binnenkort met pensioen gaat.

Ondertrouwverlof, generatieverlof, vrijwilligersverlof, vitaliteitsverlof; de Nederlandse verlofdeken is een patchwork van oneindig veel lapjes.

Niet iedere werknemer heeft recht op ieder soort verlof, want verschillen tussen cao’s zijn groot. De ene sector is kwistig met doorbetaald verlof, de andere juist karig. Ook dat is een reden om eens flink in de regelingen te snoeien, want waarom zou de ene werknemer meer speciale vrije dagen nodig hebben dan de andere?

Schaf daarom alle verlofdagen af en verhoog tegelijk het aantal vakantiedagen van alle werknemers, zodat het gemiddeld aantal dagen doorbetaalde afwezigheid in Nederland gelijk blijft. Geef vervolgens iedere werknemer het recht op vakantie bij geboorte, huwelijk, rouw, vakbondsactiviteiten en desnoods ook maar bij een aanstaande pensionering.

Iedereen is vrij om te doen wat hij of zij wil, iedereen mag zelf besluiten om wel of niet te werken rond levensbepalende gebeurtenissen en dat allemaal zonder dat de werkgever op nieuwe kosten wordt gejaagd.

(RTLZ)

Beloofd is beloofd: ooit gaan we korten, maar nooit volgend jaar

Ik neem u mee naar het jaar 2035. De wereld is totaal veranderd. De Noordzee staat vol met windmolens en in Zeeland is net de derde kerncentrale opgestart. Boerenerven zijn veranderd in kleine woonwijkjes, landbouwgebied werd stikstof-negatieve natuur en op de Life Science Campus in Oss maken biotechbedrijven sneller nieuwe vaccins dan virussen kunnen evolueren.

Alles is anders. Bijna alles, want de pensioenproblemen zijn hetzelfde. Jarenlang kwamen beleggingsresultaten niet boven het afgesproken ‘prognoserendement’. Dat was pure pech, zeiden de fondsbesturen, dus ze putten telkens geld uit de speciaal voor dit soort pechgevallen ingestelde ‘solidariteitsreserve’. Maar de pech bleef aanhouden. Of was het prognoserendement waarmee men rekende misschien te optimistisch geweest? De reserve zou gevuld worden door ‘geluksgeneraties’, maar tot nu toe bleek dat iedereen een pechvogel was.

Toen de buffer leeg was, moest er gekort worden. En flink ook. Zo had de pensioensector dat in 2020 plechtig beloofd. Dat was het jaar waarin het pensioenakkoord uit 2019 eindelijk was uitgewerkt. Een aantal boze FNV-leden had die uitwerking nog een tijdje proberen tegen te houden. Tijdens wat later de ‘Klucht van Breukelen’ zou gaan heten, wisten zij een stemming over het akkoord te saboteren door niet in te loggen bij het stemsysteem. Maar twee weken later ging de vakbond toch akkoord.

Dat pensioenakkoord van 2019 waar het akkoord van 2020 op voortborduurde, was weer de opvolger van een eerder akkoord uit 2014. Ja, het waren de jaren van de repeterende pensioenakkoorden. Werkgevers, werknemers en de overheid waren permanent in onderhandeling, omdat de afspraken telkens werden ingehaald door slecht economisch nieuws.

Al deze akkoorden hadden eigenlijk maar één doel: het voorkomen van kortingen op de uitkeringen van de gepensioneerden van dat moment. In 2014 had men nog het idee dat kortingen konden worden voorkomen door de pijn uit te smeren. ‘We nemen voortaan tien jaar om pech op de financiële markten weer in te lopen’, zei men. En met die bezwering werden pensioenkortingen vrijwel voorkomen. Maar ook in de jaren erna wilde het geluk maar niet komen. De rente werd steeds lager, zodat de toekomstige pensioenuitkeringen al zwaarder op de fondsen drukten. Er moest toch weer worden gekort.

Gelukgeneraties

In 2019 volgde de tweede list. Men bedacht een ander pensioenstelsel, waarin voor jongeren meer beleggingsrisico’s werden genomen dan voor ouderen. Zo kwam er virtueel meer geld in kas en hoefde er (waarschijnlijk) niet gekort te worden. Er bleef zelfs ruimte over voor het deels terugdraaien van de verhoging van de AOW-leeftijd.

Maar niet echt natuurlijk. Toen begin 2020 de coronacrisis uitbrak, bleken de dekkingsgraden toch weer te laag. Er was meer nodig: een nieuw stelsel zonder pensioenbeloften, dus ook zonder dekkingsgraden en rekenrentes. Voortaan zou de pensioenuitkering meebewegen met het beleggingsresultaat. Korten zou vanaf 2026 niet meer de uitzondering, maar de norm worden.

O ja, en men bedacht die solidariteitsreserve waarmee gelukgeneraties konden betalen voor pechgeneraties. Door te beloven in de toekomst rücksichtslos te korten als de regels dat voorschreven, hoefden de regels in 2020 en 2021 niet gevolgd te worden en konden kortingen wederom uitblijven. Een briljante oplossing!

Maar wel een oplossing die korten in de toekomst veel waarschijnlijker maakte. En in 2035 is die toekomst aangebroken. De rendementen vielen toch weer tegen, de buffer is leeg, dus de automatische kortingen zijn een feit.

Maar wacht eens even… Is de solidariteitsreserve wel echt leeg? Wie heeft eigenlijk bedacht dat zo’n buffer niet negatief mag zijn? In 2020 leek dat de onderhandelaars een goed idee en de toezichthouder had er ook op aangedrongen. Maar na zoveel jaren pech moet er toch binnenkort weer een gelukgeneratie geboren worden die wel hoge rendementen behaalt? Als we de buffer negatief laten worden, kunnen wat van die toekomstige rendementen nu al uitkeren. We lenen van de kinderen, maar die vinden dat vast niet erg.

En als het over tien jaar allemaal toch weer verkeerd uitpakt? Dan gaan we echt korten op de uitkeringen. Keihard korten, rücksichtslos. Beloofd!

journalist en econoom