Heimwee naar de Postbank

Op maximaal twee kascheques had ik recht. Als ik er een had uitgeschreven kon het zo een paar dagen duren voordat ik een nieuwe in de bus vond. Was ik zo dom om ze allebei te gebruiken, dan kon ik zo een halve week niet bij mijn geld. Als de bankbiljetten in mijn portemonnee dan op waren, was er voor mij geen manier om iets te kopen. Zo hadden de heren van de Postbank dat voor mij uitgedacht.

Maar te zuinig zijn met je kascheques was ook gevaarlijk. Want ook dan kon je zomaar zonder geld komen te zitten. Wie niet voor vrijdagmiddag vijf uur bij het postkantoor een kascheque had verzilverd (maximaal 500 gulden), zat het hele weekend zonder geld. Pas op maandag ging het loket weer open.

Over welke oertijd heb je het, vraagt de wat jongere FD-lezer zich nu ongetwijfeld af. Maar zo lang geleden is dit niet. Begin jaren negentig moesten veel studenten zich zo zien te redden. Ondanks de gulle basisbeurs (een schenking, geen lening), werd mijn inkomen te laag bevonden voor echte betaalcheques (waarmee je ook in winkels kon betalen), en was ik aangewezen op contante betalingen met bankbiljetten die ik op omslachtige wijze bij het postkantoor moest los bedelen. Je vraagt je af waarom we toen überhaupt een girorekening namen.

Maar de Postbank die zo graag mijn geld in de kluis wilde houden, was tenminste wel een betrouwbare, eerlijke en oprechte staatsbank! Een bank die niet voor de winst en de vette bonussen ging, maar als hoofddoel had om het betaalverkeer van gewone Nederlanders mogelijk te maken, inclusief een risicoloze spaarrekening voor jong en oud. Precies het soort bank waar de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) naar terugverlangt.

In een rapport van vorige week, pleit de WRR voor oprichting van een ‘veilig alternatief’ voor commerciële banken. Er moet een staatsbank a la de oude Postbank komen, waar mensen die wars zijn van de malle fratsen van ABN Amro, ING en Rabobank, een veilige kluis vinden.

Ik wens de minister die zo’n bank gaat oprichten veel succes. Een saaie, veilige bank is moeilijk rendabel te krijgen. De Postbank is niet voor niets opgeheven. Wie jong en arm was nam er een betaalrekening (waar banken niets aan verdienen), maar zodra het inkomen steeg en er een hypotheek of beleggingsrekening moest worden afgesloten (lucratief!), liepen klanten over naar een ‘echte bank’.

Bij de huidige negatieve ECB-rente, zal zo’n staatsbank permanente subsidie van de overheid moeten krijgen. Moeten we daar ons belastinggeld aan uitgeven? Dat lijkt me niet. Ik schrijf er in elk geval geen kascheque voor uit.

(FD)

Beste consumenten van Nederland, waarom bent u opeens zo somber?

Een half jaar geleden leek het nog alsof de roze brillen gratis waren. Toen de enquêteurs van het Centraal Bureau voor de Statistiek vroegen hoe Nederlanders aankeken tegen de economische en financiële situatie, waren de antwoorden opvallend positief. De meeste Nederlanders vonden het zelfs een prima moment om grote uitgaven te doen. ‘Koop die nieuwe auto, koop dat huis’, had premier Mark Rutte in 2013 geroepen. Vijf jaar later leken zijn woorden eindelijk aangekomen te zijn.

Maar aan het einde van de warme zomer van 2018 begon de stemming te keren. Eerst langzaam, en naarmate het einde van het jaar naderde al sneller. Het cijfer voor het consumentenvertrouwen daalde van 25 naar 9. In de eerste maand van het nieuwe jaar zette de daling versneld door en kwam het vertrouwen uit op een magere 1. Er zijn in Nederland nu nauwelijks nog meer optimisten dan pessimisten. ‘Grootste daling van het consumentenvertrouwen in ruim zeven jaar’, schreef het CBS deze week. Nederlanders zijn minder positief over de economie, over hun eigen portemonnee en minder mensen vinden het een gunstig moment om grote aankopen te doen.

Waarom de lange gezichten? Is het de btw-verhoging? Het lage tarief ging begin dit jaar van 6% naar 9%, en dat was in de maanden daarvoor voor politici en commentatoren reden om de stormbal te hijsen. Appels en kiwi’s zouden veel duurder worden, waardoor een gezonde levensstijl voor Nederlanders met een klein budget buiten bereik kwam. Men gaf nog net geen waarschuwing voor een nationale scheurbuikepidemie, maar de woede over de btw-verhoging werd wel vakkundig opgestookt. Rond dezelfde tijd kwamen er berichten over hogere energierekeningen en onbetaalbare klimaatplannen naar buiten. Verzekeringen van het kabinet dat de koopkracht van de meeste Nederlanders – ondanks de hogere btw en energieheffing – toch zou stijgen, kregen veel minder aandacht. Geen wonder dat de Nederlandse consument zich wat onzeker begon te voelen

En er was eind 2018 nog veel meer om je als consument zorgen om te maken. De AEX dook onder de 500 punten, de handelsoorlogen van Trump liepen uit de hand en in het Verenigd Koninkrijk werd een plotselinge brexit zonder afspraken en zonder transitieperiode een serieuze optie. Berichten over een groeivertraging in China, de Gele Hesjes in Frankrijk, begrotingsruzies met de Italianen en een flinke productiedaling in de Duitse auto-industrie deden de rest. Het is een wonder dat het CBS überhaupt nog optimistische consumenten wist te vinden.

Of eigenlijk ook niet. Want terwijl de kranten vol stonden met Haagse relletjes en internationale onheilstijdingen, was het nieuws voor de consument over het algemeen juist gunstig. Voor wie met een nuchtere blik naar de cijfers van 2018 en de voorspellingen voor 2019 kijkt, is de instorting van het consumentenvertrouwen moeilijk te begrijpen.

Door de krapte op de arbeidsmarkt beginnen de lonen te stijgen. In de marktsector ging het gemiddelde uurloon vorig jaar met 2,7% omhoog. Dit jaar verwacht het Centraal Planbureau (CPB) zelfs 3,5%. Tegelijkertijd gaat de inkomstenbelasting omlaag en gaan toeslagen en belastingkortingen omhoog. Per saldo resulteert dat in een flinke stijging van de koopkracht in 2019. Voor huiseigenaren zit er nog meer in het vat: nadat de huizenprijzen in 2018 met 8% stegen, komt daar in 2019 naar verwachting nog eens 6% bij.

Tegelijkertijd blijft de werkloosheid ook in 2019 dalen en neemt het aantal banen verder toe. Zzp’ers zullen in 2019 weer meer uren kunnen factureren, verwacht het UWV. Dat zou het vertrouwen van consumenten toch moeten stutten.

Alleen als Nederland in 2019 onverwacht in een recessie belandt, is het lage consumentenvertrouwen met terugwerkende kracht te begrijpen. Analisten en economen die ik de afgelopen tijd sprak, zien wel een vertraging van de groei, maar voorspellen nog zeker geen recessie. Misschien zitten de experts er allemaal naast, en voelt de consument de toekomst het best aan. Maar ik zelf hou nog even vertrouwen in een goede afloop.

(FD)

Dubbele mislukking

Een handelsoorlog kent alleen maar verliezers. Het is een cliché, maar daarom niet minder waar. Neem het uit de hand gelopen handelsconflict tussen de Verenigde Staten en China. Na een aantal gevechtsronden in 2018, is dit de tussenstand: de Amerikanen heffen importtarieven tot 25% op consumentengoederen en industriële producten ter waarde van ruim $250 mrd. Dat is ongeveer de helft van alle Amerikaanse import uit China.

Dat land sloeg terug met tarieven op Amerikaanse import ter waarde van $110 mrd – ruim 80% van de totale import uit de VS. Sinds december is er een 90 dagen durend staakt-het-vuren afgesproken en zijn de onderhandelingen geopend, maar de tarieven blijven van kracht.

‘Er is een staakt-het-vuren van 90 dagen afgesproken, maar de tarieven blijven van kracht’

Het gevolg van dit partijtje armpje-druk op intercontinentale schaal? De Chinese economie heeft het zwaar. Mede door de handelsoorlog is de wereldeconomie verzwakt en daar heeft China als belangrijkste exporteur van dewereld veel last van. De totale uitvoer is eind 2018 met 4,4% gedaald, zo bleek deze week uit nieuwe cijfers. Maar ook de import van China neemt af. De binnenlandse vraag is afgezwakt, waardoor de invoer op het laagste peil sinds 2016 is terechtgekomen.

Maar ook de VS is een verliezer. In elk geval volgens het criterium voor succes dat president Donald Trump heeft geformuleerd. Het doel van zijn handelsoorlog is om het Amerikaanse tekort op de handelsbalans te verkleinen. Het effect lijkt echter tegengesteld, want in 2018 groeide het handelstekort met China juist naar een nieuw record van $323 mrd. Zo beschouwd is de handelsoorlog een dubbele mislukking.

Dat het handelstekort van de VS stijgt in plaats van daalt, lijkt misschien onlogisch, maar is het niet. Wie via straftarieven een van zijn belangrijkste handelspartners probeert te verarmen, moet niet vreemd opkijken als die daardoor minder spullen uit het buitenland koopt. Tegelijkertijd heeft Trump met ongedekte belastingverlagingen de Amerikaanse economie in 2018 flink gestimuleerd. Die groei vertaalt zich in meer import, onder andere uit China.

Uiteindelijk wordt het Amerikaanse handelstekort niet bepaald door handelstarieven, maar door de mate waarin Amerikanen lenen en sparen. Een land dat meer leent dan het spaart, geeft meer uit dan het zelf produceert en zal per saldo altijd meer moeten importeren dan het exporteert. Als Trump het handelstekort wil verminderen is de enige manier: minder uitgeven en meer belastingen heffen, zodat het nationale spaartekort van de VS afneemt. Een handelsoorlog zal er niets aan veranderen, maar wel de wereldeconomie armer maken.

https://fd.nl/opinie/1285891/dubbele-mislukking

Er is veel veranderd in Europa, maar de economische macht ligt nog altijd bij de blauwe banaan

Dit jaar is het precies dertig jaar geleden dat de Franse geograaf Roger Brunet een studie publiceerde waarin hij op zoek ging naar de economische ruggengraat van Europa. Het was 1989, drie jaar na de toetreding van Spanje en Portugal tot de Europese Gemeenschappen en drie jaar voor de start van de interne markt en de oprichting van de Europese Unie. Alle reden, vond Brunet, om te onderzoeken hoe en vooral waar die nieuwe, geïntegreerde Europese economie zich zou ontwikkelen.

Zijn studie was tegelijk bedoeld als waarschuwing voor de Franse regering. Want Frankrijk zou de boot missen, vreesde Brunet. De belangrijkste economische corridor van het nieuwe Europa liep niet via Parijs, ontdekte hij. Hij zag door Europa een strook met sterke steden en vitale economieën lopen, vanaf Londen, via Vlaanderen en de Randstad door Zuid-Duitsland en westelijk Oostenrijk, eindigend in Noord-Italië bij Milaan.

Daar was de welvaart, daar waren de banen, daar was de economische dynamiek. De Franse hoofdstad lag ruim buiten die corridor en was er ook niet via de Franse regio’s in het noorden en oosten van het land bij aangesloten. Franse journalisten pikten het verhaal op, en gaven de corridor een vrolijke naam: de blauwe banaan, omdat het gebied van Londen tot Milaan met wat fantasie de vorm van een banaan had.

Er is sinds 1989 veel veranderd in de Europese Unie. De Duitse hereniging, toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden en later van een groot aantal Oost- en Midden-Europese landen, er kwam een monetaire unie en veel bedrijven sloten hun fabrieken in West-Europa en openden ze in het Oosten. En dan was er natuurlijk nog de kredietcrisis, gevolgd door de eurocrisis en een diepe recessie in grote delen van de EU.

De wereld van 1989 bestaat niet meer. Maar de blauwe banaan is er nog steeds! De Europese welvaart en economische dynamiek concentreert zich nog steeds in die relatief smalle band tussen Londen en Milaan.

Om dat vast te stellen heb ik gekeken naar de concentratie van regio’s met een relatief hoog regionaal product per inwoner. Eurostat, het statistisch bureau van de EU, houdt deze cijfers op jaarbasis bij voor alle 281 zogenoemde ‘NUTS-2’-regio’s van Europa. Voor Nederland, bijvoorbeeld, zijn dat de twaalf provincies. In Noord-Holland is het regionale bbp per hoofd bijna 64% hoger dan het Europese gemiddelde. Voor de provincie Utrecht is dat 48%. Terwijl de provincies Friesland en Drenthe iets onder het Europese gemiddelde blijven.

Maak je dat sommetje voor alle Europese regio’s, dan verschijnt toch gewoon weer de banaanvorm van dertig jaar geleden. Hij begint bij Londen, nog altijd de rijkste regio. Misschien zou hij ook westelijker kunnen starten, in Dublin, maar de bbp-cijfers van Ierland worden sterk vertekend door het feit dat veel Amerikaanse multinationals er hun winst laten neerslaan, dus ik hou het toch bij Londen.

Dan steekt de banaan de Noordzee over, en pakt Vlaanderen en de Randstad mee. Ook Overijssel en Gelderland zijn banaanregio’s want daar is de welvaart bovengemiddeld. Dan door naar Duitsland, waar ongeveer dezelfde gebieden als in 1989 de toon aangeven. Daar heeft zich geen oostelijke deelstaat bij aangesloten. Het rijke industriegebied van Zuid-Duitsland strekt zich tegenwoordig ook uit tot Oostenrijk. En veel Noord-Italiaanse regio’s zijn nog altijd bovengemiddeld welvarend.

Al deze regio’s samen beslaan nog geen 6% van het grondgebied van de EU. Maar er woont wel bijna een kwart van de inwoners. De blauwe banaan is goed voor bijna 30% van alle werkgelegenheid en maar liefst een derde van het bbp van de gehele EU.

Is er een gebied op de wereld met meer geconcentreerde welvaart en economische kracht dan deze Europese corridor? Ik denk het niet. Dat laat weer eens zien hoe spijtig het is dat de Britten uit de EU stappen. Er gaat straks een flinke hap uit de banaan.

(FD)

Recessie is eigen schuld

Welvaart en een groeiende economie, voor je het weet ben je eraan gewend. Maar geen land heeft recht op een hoge welvaart, laat staan op jaarlijkse toename daarvan. Rijkdom behouden en laten groeien lukt alleen als je continu onderhoud pleegt aan de instituties die de welvaart mogelijk maken en zoekt naar verbeteringen.

Markt, overheid, onderwijs, sociale zekerheid, internationale samenwerking, investeringsklimaat, financieel stelsel, alles moet in samenhang met elkaar worden afgesteld, om telkens weer meer welvaart uit het systeem te persen. Economen weten ook niet precies wat wel werkt en wat niet, maar door zorgvuldig passen en meten, zijn we er de afgelopen driekwart eeuw toch in geslaagd om een historisch hoog welvaartsniveau te bereiken.

‘Ik zou het geen kwetsbaar vaasje willen noemen, en we houden het ook niet met z’n allen vast’

Nee, ik zou het geen kwetsbaar vaasje willen noemen, en we houden het ook niet met z’n allen vast. Het liberaal-kapitalistische bouwwerk staat op een stevig fundament. Maar je moet er niet met volle kracht tegenaan schoppen.

Zo. Dat was een lange, maar volgens mij onvermijdelijke, omweg om bij het nieuws van de dag komen. Dat nieuws is dat de conjunctuur wereldwijd lijkt te keren. De productie in de Duitse industrie is eind vorig jaar flink gedaald, net als de fabrieksorders. De Franse economie stevent op krimp af. En in het eurogebied als geheel is het economisch sentiment al maanden dalende.

Bij de Britten is de stemming minstens zo slecht. En in de VS begint de ‘sugar rush’ van Trumps belastingverlaging zonder bezuiniging, langzaam uit te werken. Wat er in China precies aan de hand is weet natuurlijk niemand, maar de economische berichten die langs de staatscensor weten te glippen zijn niet bepaald positief. Vraag maar aan Tim Cook van Apple hoeveel Chinezen de economische omstandigheden nu perfect vinden om te investeren in een telefoontje van meer dan duizend dollar.

Of de conjunctuur echt aan het kantelen is, en zo ja wat daar precies de oorzaak van is; ik ga niet beweren het ultieme antwoord te hebben. Maar logisch lijkt dat het te maken heeft met de nonchalante manier waarop we de afgelopen tijd zijn omgegaan met onze economische instituties.

De handelsoorlogen van Trump en de toenemende kans op een extreem harde brexit zonder werkbare deal zijn de meest in het oog springende voorbeelden. Maar ook in Frankrijk, Italië en zelfs Duitsland is de politiek te bang om noodzakelijk onderhoud aan de economische instituties te plegen. Terwijl in China de communistische partij de touwtjes weer steviger in handen lijkt te nemen. Van alle kanten wordt tegen het liberale bouwwerk geschopt. Als er een recessie komt is dat onze eigen schuld.

(FD)

De Steen (Eindejaarsfeuilleton 2018)

DE STEEN

Deel 1: Ontdekking

Urenlang heb ik door de gangen gelopen. Ik kwam langs de plaats waar de steenhouwers van Rouwet B.V. tot voor kort nog hun blokken mergel uitzaagden. En langs de beroemde schuilkapel. Maar nu ben ik in een van de diepst gelegen kamers van de Sibbergroeve in Zuid-Limburg gaan zitten. Ik zal niet verder gaan. Dit is de plaats waar ik mijn verhaal opschrijf, met houtskool op de gladde muur van de groeve.

Zodat latere generaties – als die er tenminste nog komen – zullen begrijpen wat er is gebeurd. En waarom niemand iets deed. Dat wordt het laatste wat ik doe. Totdat de batterij van mijn lamp op is, en ook hier, net als 40 meter hoger op het aardoppervlak, de duisternis gaat heersen. En de kou. De oneindige kou.

 Maar laat ik bij het begin beginnen. Bij de warmte van Hawaï tussen kerst en nieuwjaar in 2018.

De nacht is lang geweest en saai. Nog een uurtje en dan komt de ochtendschemer en kan ik geen waarnemingen meer doen met de Pan-STARRS-telescoop. Het is een ongewoon grote telescoop, uitgerust met de grootste digitale camera ter wereld en gemaakt voor het bestuderen van asteroïden.

Er was een flinke lobby voor nodig om mij hier op Hawaï te krijgen, want buitenlandse onderzoekers zijn bij de Nasa van Donald Trump niet welkom. Maar uiteindelijk, nadat ik had bewezen dat niemand van mijn voorouders ooit in het Midden-Oosten was geweest, mocht ik een maand lang meezoeken naar ruimtestenen.

Ik ben, zoals de meeste astronomen hier, vooral geïnteresseerd in grote asteroïden met een baan die in de buurt komt van die van de aarde. ‘Aardscheerders’ noemen we die. Near Earth Objects (NEO) zeggen ze bij Nasa. Die zijn om veel redenen interessant om te bestuderen, maar we brengen ze vooral in kaart uit veiligheidsoverweging. Misschien vinden we een ruimtesteen die recht op de aarde afkomt.

Niet dat de kans daarop groot is. Eerder astronomisch klein. Ik heb de afgelopen nachten dan ook niets spannends ontdekt. De computers meldden nog geen zandkorreltje onderweg naar Jupiter. Het was vooral saai, saai, saai….

Maar wacht. Het scherm voor me licht op. Leuk, toch nog een klein ontdekkinkje, zo vlak voor de ochtend. De computer heeft mijn laatste foto vergeleken met die van gisteren en meldt een minuscule verandering. Een bijna onzichtbaar klein lichtpuntje is iets verschoven. Op basis daarvan gokt de computer — meer dan gokken is het niet — dat het object ongeveer naar de aarde toe beweegt.

Kijk, voor dit soort kleine succesjes doe je dit werk! Ik laat de computer een naam genereren voor het object: 2018-YW302, maak een aantekening voor de ochtendploeg en vertrek naar mijn kamer, waar ik meteen in slaap val.

Ik word wakker van opgewonden geschreeuw op de gang. “This is the real thing!”, roept iemand met overslaande stem. “A genuine planet-buster!”, brult een ander. En weer een ander, hysterisch lachend: “Extinction level, extinction level!”

Om kort te gaan: 2018-YW302 – of the Rock, de Steen – zoals het ding al snel gaat heten, is een enorme asteroïde van minstens twee kilometer doorsnede. Haar baan komt over drie jaar akelig dicht bij die van de aarde. Misschien kruisen de banen elkaar zelfs. Het is allemaal nog onzeker natuurlijk, veel meer metingen en onderzoek zijn nodig. Maar dit is precies het soort asteroïde waarvoor dit early-warningstation op Hawaï is opgezet. Want hoe eerder je een stuk ruimtepuin ziet aankomen, hoe langer tijd je hebt om er iets aan te doen.

Wat we precies kunnen doen is overigens niet direct duidelijk. Wetenschappers kunnen het gevaar ontdekken en in kaart brengen, nu is het de beurt aan politici en beleidsmakers om een mondiaal actieplan te bedenken en daadkrachtig op te treden.

De Steen komt op ons af en de gevolgen kunnen enorm zijn. Dit is het moment dat de wereld samen moet komen om een collectief antwoord te vinden op deze dreiging.

 

Deel 2: Het Akkoord

 Uiteindelijk komt de wereld bij elkaar. In Parijs, waar een speciale Conference of the Party’s (COP) wordt gehouden en onder het luide gejuich van de vertegenwoordigers van 174 verschillende landen, een akkoord wordt getekend. De mensheid zou met een gezamenlijk inspanning de Steen van koers laten veranderen. Wetenschappers van het Inter-Planetary Collission Committee (IPCC) hebben berekend dat een koerswijziging van twee graden genoeg is om de aarde te redden. En in Parijs beloven de landen plechtig die twee graden voor elkaar te krijgen.

Helaas is er wel een vol jaar voorbijgegaan. Ik heb me daar net als veel andere astronomen zeer over verbaasd. Want kort na de ontdekking van de Steen was het duidelijk dat snelle actie nodig was. Maar in plaats daarvan is tijd verspild met nutteloze discussies.

Want vrijwel direct nadat Nasa de waarschuwing heeft gepubliceerd is er een vreemd soort protest op gang gekomen. Alsof men de waarheid niet onder ogen wil zien. Eerst is het nog vrij onschuldig. Mensen pakken hun verrekijker, turen naar de hemel, en roepen: ‘Geen steen te zien!’ Anderen proberen op hun eigen laptopjes de gecompliceerde berekeningen van Nasa over te doen, en komen met hun eigen conclusies: ‘De Steen gaat de aarde zeker missen’.

De pers laat deze mensen uitgebreid aan het woord en enkele opiniemakers haken daarop in. ‘Is er wel een steen, of is dit gewoon de weerspiegeling van de zon?’, vragen zij.  ‘Waarom zouden we Nasa geloven? Hebben de astronomen persoonlijk belang bij extra aandacht voor hun vakgebied? Zijn ze uit op meer onderzoeksgeld?’

Er komen meer van deze ‘Steenontkenners’. ‘Ik zie geen steen’’, houden sommige politici hun kiezers voor. ‘Ziet u wel een steen? Nee toch? We worden bang gemaakt door steengekkies met een geheime agenda.’ Er komen websites, internetfora en zelfs een documentaire over de zogenaamde ‘steenleugen’. Praatprogramma’s op tv voelen zich verplicht om tegenover iedere waarschuwende astronoom een rabiate steenontkenner te zetten. ‘Voor de balans’, zeggen de redacties. ‘Astronomie is geen echte wetenschap’, schampert zo’n ontkenner dan. ‘Er is maar één heelal, dus jullie kunnen geen experimenten doen.’

Een onbekende wetenschapper (geen astronoom, maar een gesjeesde geoloog) schrijft een artikel in een dubieus wetenschappelijk tijdschrift, waarin hij concludeert dat de Steen niet naar de aarde toe komt, maar er juist vanaf beweegt. ‘Zie je wel’, roepen de steentwijfelaars. ‘De wetenschappers weten het ook niet!’ Het is allemaal buitengewoon treurig.

Later, als astronomen met al meer bewijs komen over zowel het bestaan van de Steen als zijn baan (recht op de aarde af, voorspelt inmiddels 97% van de astronomen), veranderen de argumenten van de sceptici. ‘Inslagen van meteorieten, dat is iets van alle tijden’, zeggen ze. ‘Daar kan moeder aarde heus wel tegen.’ Anderen zien zelfs voordelen. ‘Meteorieten hebben metalen, water en misschien zelfs de bouwstenen voor het leven naar de aarde gebracht. Stenen uit de ruimte zijn goed, niet slecht!’ Weer anderen worden juist fatalistisch. ‘Wat denkt de nietige mens wel, dat hij een asteroïde kan tegenhouden? Hoogmoed!’

Maar dat laatste is dus precies wat de deelnemers van het Parijse COP-congres, rond de kerst van 2019 denken. Behalve over de twee graden, is ook overeenstemming bereikt over de manier waarop de mensheid de Steen uit zijn dodelijke baan zal duwen: met laserstralen. Eerdere suggesties om ruimteschepen met of zonder atoombommen aan boord naar de Steen te sturen, zijn snel afgeschoten. Pure sciencefiction.

Nee, het zou vanaf het aardoppervlak moeten gebeuren, met duizenden enorme laserkanonnen, die de Steen continu bestralen. Het laserplan kan in theorie werken, maar alleen als alle landen meedoen, zodat de Steen 24 uur per dag wordt bestookt. Anders komt de twee graden koerscorrectie nooit in zicht.

Laserkanonnen zijn buitengewoon duur en slokken enorme hoeveelheden energie op. Er moet dus veel geld op tafel komen en de deelnemende landen zullen een flink deel van hun elektriciteitsproductie naar de lasers moeten leiden. Dat gaan bedrijven en burgers flink voelen. Maar over dat pijnlijke onderwerp is in Parijs niet gesproken.

 

Deel 3: Tafels

Er moeten laserkanonnen komen. Enorme dingen. En daar dan heel veel van. De Steen, de enorme asteroïde die op de aarde af raast, zal daarmee minstens twee graden uit zijn baan worden geduwd. Als alle landen tenminste meedoen. Dus ook Nederland.

Maar in Nederland gaat de uitvoering stroef. Want waar moeten die kanonnen komen? Hoe gaan we ze betalen? Waar halen we de enorme hoeveelheid elektriciteit vandaan, die de lasers nodig hebben? Naar goed vaderlands gebruik, besluit het kabinet deze vragen niet zelf te beantwoorden, maar ze over te dragen aan het maatschappelijk middenveld. Er komen drie speciale overlegtafels waar alle belanghebbenden hun zegje kunnen doen: een over de plaatsing, een over het geld en een derde tafel voor het elektriciteitstekort.

Aan tafel 1 gaat het al meteen mis. Burgerbewegingen uit alle delen van het land protesteren tegen plaatsing van de kanonnen in hun regio. Horizonvervuiling, vindt men het. En hoe kun je nog slapen met die rode lichtstrepen in de lucht? Maken die lasers niet heel veel lawaai? En krijg je van de straling misschien autisme? Een revolte dreigt, dus aan de overlegtafel besluit men al snel dat de lasers alleen in gebieden met weinig inwoners komen te staan.

Maar daar komen dierenvrienden tegen in het geweer. De laserstralen gaan een bloedbad aanrichten onder vogels, vrezen ze. En de grote zoogdieren worden er onrustig van. Woedende demonstranten gooien de hekken van een natuurgebied plat om heckrunderen, konikpaarden en edelherten preventief te bevrijden. Een flink aantal daarvan wordt binnen een etmaal aangereden door het verkeer van de nabijgelegen autoweg. Dat maakt de dierenliefhebbers nog bozer.

Uiteindelijk komt er een compromis. Er komen minder lasers dan aangekondigd en ze vallen ook kleiner uit. ’s Nachts worden ze uitgezet en op feestdagen ook overdag. Bij lage bewolking, mist en druilerig weer gaan de lasers ook niet aan. Net zomin als op warme dagen, als iedereen rustig buiten wil zitten. De belangenbehartigers van de burgers gaan morrend akkoord.

Maar de dierenvrienden lopen boos weg: ‘Dit is niet eerlijk en niet effectief!’

Het overleg over het geld loopt nog stroever. ‘Laat het de bedrijven maar betalen, die hebben nog nooit iets gedaan om de Steen te stoppen’, roept men aan de linkerkant van de tweede overlegtafel. ‘Of beter nog: laat de hele industrie failliet gaan, misschien dat de Steen dan een andere route kiest.’ Van de rechterkant klinkt protest: ‘We moeten de bedrijven juist helpen. Laten we ze extra subsidie geven. Wie weet is de Steen daarvan onder de indruk.’

Er volgt een langdurige discussie over de vraag of rijke Nederlanders meer moeten betalen dan de arme. Wat is de invloed van de aankoop van laserkanonnen op de inkomensverdeling en hoe zit het precies met de koopkracht? Prima dat de mensheid niet vernietigd wordt door een stuk ruimtepuin, maar waarom moet de gewone man daaronder lijden? Men komt er niet uit.

Even lijkt er een oplossing, wanneer de regering garandeert dat de koopkracht voor iedereen voortaan elk jaar zal stijgen. Maar kort daarna trekt de vakbond toch de stekker uit het overleg. Het kabinet wil niet beloven dat de AOW-leeftijd omlaaggaat naar 65 jaar. En ook de pensioenen worden niet geïndexeerd. Wat heeft het voor zin om de wereld te redden, als ouderen in koopkracht achterblijven?

Aan tafel 3 komt het gesprek niet eens op gang.  Bedrijven en burgers moeten minstens de helft minder stroom gaan gebruiken, anders is er niet genoeg voor de laserkanonnen. Maar niemand is bereid in te leveren.

Deze tafel geeft de opdracht daarom terug aan de politiek, die meteen daadkrachtig optreedt. De Tweede Kamer neemt met 80% meerderheid een speciale anti-Steenwet aan, waarmee ze zichzelf beveelt alle problemen subiet op te lossen. Daarna blijft het stil.

Zodra de bouw van de eerste lasers dan eindelijk begint, is het eind december 2020. De Steen komt al akelig dichtbij. Met een goede verrekijker kun je hem ’s nachts zien.

Deel 4: Inslag

‘Ex spatio petram non est’. De jonge parlementariër spreekt de woorden op gedragen toon uit en kijkt verwachtingsvol de Tweede Kamer in. Lege ogen staren hem aan. Hij zucht. ‘Vertalen is eigenlijk beneden mijn waardigheid, maar goed: de steen uit de ruimte bestaat niet.’ Hij houdt een ingewikkelde grafiek in de lucht om zijn punt te ondersteunen. ‘Kijk maar. Geen steen te zien. Als er al een steen, is dan het vast een kleintje. Mocht-ie toch groot zijn, dan zal de steen de aarde zeker missen. En als de aarde toch wordt geraakt, dan moeten we niet denken dat we er iets aan kunnen doen.’

De politicus laat een lange pauze vallen. ‘Als Nederland die idioot dure laserkanonnen aanzet, dan duwen we die zogenaamde Steen maar 0,0003 graden uit zijn baan! Het helpt dus helemaal niets, we kunnen beter niets doen! Het Nederlandse volk wordt bedonderd!’

Wie had gedacht dat de Nederlandse politiek en samenleving in het laatste jaar voor de inslag eindelijk wakker wordt om eendrachtig aan een oplossing te werken, komt bedrogen uit. Hoe duidelijker de Steen in de maanloze nachten zichtbaar is, hoe groter de tegenstand lijkt te worden. Steenontkenners, inslagsceptici en botsingfatalisten domineren de discussie. Gevolg is dat er nauwelijks extra geld beschikbaar komt voor de bouw van meer en grotere laserkanonnen. Nederland is daardoor in de achterhoede van de Europese laserbouw beland. Alleen Luxemburg en Malta doen nog minder om de afspraken uit Parijs na te komen.

Ach, aan meer lasers hebben we toch niets, want het probleem van de verdeling van elektriciteit is niet opgelost. Af en toe gaan een paar laserkanonnen even aan, maar zodra burgers beginnen te klagen over flikkerende lampen, of bedrijven over te lage spanning op het net, worden ze snel weer uitgezet. ‘Bouw gewoon een paar kerncentrales’, luidt het advies van enkele zelfbenoemde experts. ‘Of beter nog: vind snel een veilige thoriumcentrale uit.’ Natuurlijk is daar al lang geen tijd meer voor. Maar met praten over dit soort ‘oplossingen’ wiegt Nederland zichzelf in slaap.

Er zijn ook burgers die het gevaar van de Steen wel onderkennen en zich ergeren aan de Nederlandse inactiviteit. Zij slaan massaal laserpennen in en schijnen daarmee vanuit hun tuin of balkon elke nacht ongeveer in de richting van de Steen. Dat heeft natuurlijk geen enkele zin, maar is wel sympathiek.

Minstens zo sympathiek is de actiegroep die de Nederlandse Staat voor de rechter daagt wegens wanbeleid. Tot in hoger beroep krijgen ze gelijk. Maar uiteraard verandert dat natuurlijk niets.

In de herfst van 2021 wordt duidelijk dat het ook niets meer zal uitmaken. Bijna alle landen hebben minder laserkanonnen gebouwd dan afgesproken en ze ook minder vaak laten schijnen. De Steen is nog geen graad uit z’n oorspronkelijke baan geduwd en ligt nog steeds op ramkoers met de aarde.

Er volgen weken van paniek, woede en uiteindelijk berusting. De wereld viert nog een laatste keer kerst. Maar niemand koopt vuurwerk.

Daar zorgt de Steen wel voor, laat op de avond van 31 december 2021. Een enorme vuurbal, een verblindende lichtflits en daarna een oorverdovend lawaai dat langzaam de hele globe rondgaat. Dan komt de wind. Een hete wind die alles omver blaast en verschroeit. Dan aardschokken en vloedgolven en een regen van stenen en puin. Een dikke stoflaag blokkeert de zon.

Weken later is het stof nog lang niet opgetrokken. De kou is dodelijk voor mens en natuur. Ik ben diep in deze Limburgse mergelgrot gelopen om dit verhaal op te schrijven. Mijn lamp is nu bijna op. Mijn vingers zijn ijskoud. Net als de rest van mijn lichaam. Nog net tijd voor een laatste slotopmerking. Maar ik kan niets anders bedenken dan: jammer. Echt jammer, dat we niet iets meer ons best hebben gedaan.

(FD)

Een dalende beurs maakt nog geen recessie, maar ook andere indicatoren staan er slapjes bij

Over het matige beursjaar 2018 is wel genoeg gezegd. Dat boek doen we dicht. Behalve dan dat er bij het dichtslaan een klein briefje tussen de pagina’s uitwaait, met daarop: ‘Pas op, nu komt de recessie’.

Want op een jaar waarin de AEX met verlies sluit, volgt vaak groeivertraging. We hebben lang niet genoeg waarnemingen om dit echt te bewijzen (gelukkig maar), want sinds de start van de AEX in 1983 waren er slechts zeven jaren met verlies. Maar een verband suggereren lukt wel. Na het rampjaar 2008 volgde de diepe recessie van 2009. Verliesjaren 2000, 2001 en 2002 werden telkens gevolgd door een jaar met lagere groei. In 1990 daalde de AEX en elk van de drie daaropvolgende jaren viel de groei telkens lager uit. Nederland klaagde in die jaren over ‘banenloze groei’. Na het beursverlies van 1986 verloor de economie ook wat vaart, al was die afname gering. Alleen in het jaar van de ‘Zwarte maandag’, 1987, toen de AEX bijna een derde van z’n waarde verloor, ging de economie een jaar later juist sneller groeien.

Ik trek drie voorlopige conclusies uit dit weinig wetenschappelijke mini-onderzoekje. Eén: een dalende beurs is een vrij aardige voorspeller van groeivertraging. Twee: die lagere groei ontaardt lang niet altijd in een echte recessie. Drie: soms zegt een dalende beurs helemaal niets over de toekomstige economie.

(Tekst loopt door onder de grafieken)

Dat geeft niet veel houvast. Beursjaar 2018 kan de voorbode zijn van iets ergs, maar dat hoeft niet. We hebben aanvullend bewijs nodig. Bij professionele voorspellers van de economie, zoals het Centraal Planbureau of De Nederlandsche Bank hoeven we daarvoor niet aan te kloppen. De modellen die daar gebruikt worden zijn niet erg goed in het aankondigen van heftige omslagen in de conjunctuur – iets wat ze bij CPB en DNB overigens grif toegeven.

In plaats daarvan moeten we naar de wat zweverige wereld van de vooruitlopende indicatoren. Dat zijn cijfers die vaak (maar niet altijd) eerder bewegen dan de economie; zoals consumenten- en producentenvertrouwen, orderportefeuilles, rentestanden, wisselkoersen en vacatures. Als dit soort indicatoren een duikvlucht nemen, volgt vaak de rest van de economie.

Ik heb zes van deze vooruitlopende indicatoren bekeken. Alle voor de eurozone als geheel, want voor een open economie als die van Nederland zeggen nationale indicatoren niet zo veel. De meest uitgebreide is die van de Oeso, waarin een groot aantal verschillende cijfers zijn samengevoegd. Deze Oeso-indicator is al een jaar aan het dalen en inmiddels beneden de langetermijntrend beland. Dat is geen goed teken.

‘Je hoeft geen doemdenker te zijn om hier een beetje nerveus van te worden’

De indicator van Euroframe, een netwerk van economische instituten waaronder het CPB, is iets optimistischer. Euroframe doet een voorspelling van de economische groei op basis vaneen aantal indicatoren. Sinds2017 is die voorspelling ongeveer gehalveerd, maar in het laatste kwartaal van 2018 zien we een verrassende opleving. Dat geldt niet voor de soortgelijke Eurocoin-indicator van het Centre for Economic Policy Research (CEPR), want daar zet de groeivertraging gewoon door.

Pessimistisch word je ook van de Duitse IFO-indicator voor het eurogebied, die wordt berekend op basis van cijfers over producentenvertrouwen. Al een jaar lang daalt deze indicator en hij staat inmiddels nog maar net boven het langjarige gemiddelde. De Europese Commissie meet ook maandelijks het vertrouwen van ondernemers en dat cijfer houdt beter stand, al was er in 2018 ook duidelijk sprake van een daling

Omdat de vorige recessie begon met een financiële crisis, heb ik ook gekeken naar de indicator van de Europese Centrale bank voor stress in het financiële systeem. Daar valt het gelukkig nog wel mee. De stress is in 2018 wel iets opgelopen, maar de indicator blijft nog ver onder het langjarige gemiddelde en is mijlenver verwijderd van de hoge de stand uit 2008.

De beurs schreeuwt wolf. De meeste indicatoren doen dat ook. Je hoeft geen doemdenker te zijn om hier een beetje nerveus van te worden.

(FD)

Ongeschikte kandidaat

Een straatlantaarn met ledlampen in elkaar zetten is zo eenvoudig nog niet. Zeker niet voor werknemers met een arbeidsbeperking. Het gaat om een flink aantal technische handelingen, die je in precies de goede volgorde moet verrichten, met verschillende gereedschappen en onderdelen die je niet mag verwisselen. Eén foutje en de lantaarn zal nooit branden.

Ik zou het niet zomaar kunnen. Maar een groot deel van de werknemers van het sociale werkbedrijf Amfors in Amersfoort draaien er hun hand niet voor om. Niet omdat ze allemaal zoveel handiger zijn dan een stukjestypende econoom (al zou ik dat ook niet uitsluiten), maar omdat ze bij hun werk geholpen worden door technologie.

Boven hun werkblad hangt een beamer die stapsgewijs aanwijzingen projecteert. De bakjes met onderdelen zijn voorzien van lampjes, die oplichten als het betreffende onderdeel aan de beurt is. Dreigt een medewerker toch het verkeerde schroefje of moertje te pakken, dan ‘ziet’ de beamer dat, en wordt er met een lichtsignaal op de mogelijke fout gewezen. Op Youtube is een filmpje van dit systeem te vinden.

‘Technologie die de mens niet vervangt, maar juist zorgt dat mensen hun werk goed kunnen doen; het kan de trend van 2019 worden’

Dankzij dit zogenoemde‘operator support system’, dat mede door TNO werd bedacht, kunnen veel meer mensen bij Amfors de ledlantaarns monteren. Op een recent arbeidsmarktcongres hoorde ik de Amfors-directeur er dan ook enthousiast over vertellen. Inmiddels is het sociale werkbedrijf van Helmond, Senzer, ook met zo’n systeem gaan werken, voor het in elkaar zetten van kinderzitjes.

Technologie die de mens niet vervangt, maar juist zorgt dat mensen hun werk goed kunnen doen; het zou zomaar eens de trend van 2019 kunnen worden. Want niet alleen in het ‘sociale domein’ is het moeilijk om mens en werk te matchen, door de krapte op de arbeidsmarkt is dat een probleem in vrijwel alle sectoren.

In 2018 deed ik de oproep: ‘Vergeet de geschikte kandidaat voor uw vacature, want die is er toch niet. Ga voor de ongeschikte kandidaat’. Dat was een nogal gemakzuchtige oproep, want hoe maak je die ongeschikte kandidaat vervolgens geschikt voor het werk? ‘Opleiden en trainen’, schreef ik. Maar ik weet ook wel dat dit niet altijd de oplossing is.

Misschien moet daarom niet altijd het doel zijn om de werknemer geschikt te maken voor het werk, maar kun je beter zorgen dat het werk geschikt wordt voor de werknemer. Door inzetten van technologie zoals in Amersfoort en Helmond. Maar misschien kan het ook zonder tech, door het slim opdelen en standaardiseren van werkzaamheden, waardoor het werk eenvoudiger wordt. Als u hiervan mooie voorbeelden heeft, dan hoor ik dat graag!

Gratis ov klinkt nobel, maar let goed op wat fietsers, wandelaars en rijke forenzen doen

Gratis openbaar vervoer voor iedereen. In Luxemburg praten ze er niet over, maar doen ze het gewoon. Vanaf 2020 hoeft niemand meer te betalen voor een ritje met bus, trein of tram. Gratis reizen bestond al voor Luxemburgers onder de twintig, maar de pas herkozen premier Xavier Bettel wil dat nu voor iedereen mogelijk maken. Daar heeft hij twee redenen voor: bestrijding van de files en vermindering van de milieuvervuiling.

Klinkt sympathiek. Minder mensen in de auto is goed voor het milieu en voor het humeur van de forens. Wie kan daar nou op tegen zijn? ‘Luxemburg wordt het eerste land met gratis ov’, kopten de nieuwssites deze week; de impliciete oproep is duidelijk: welk land wordt het tweede?

Waarom niet Nederland? Vrij naar Arjen Lubach: Luxemburg first, The Netherlands second. Bij ons is gratis openbaar vervoer nooit een strijdpunt voor de politieke mainstream geweest, maar de afgelopen decennia waren er altijd wel partijen en actiegroepen die ervoor pleitten. Tijdens de laatste landelijke verkiezingen stond het in de programma’s van een aantal kleine partijen. De Partij voor Mens en Spirit (nul zetels) wilde gratis ov in de grote steden. Denk (drie zetels) stelde experimenten voor met gratis ov. De SP (veertien) wilde gratis bussen voor 65-plussers en Lokaal in de Kamer (nul) vond gratis reizen voor minima een goed idee.

Wie de archieven induikt, ziet dat er in Nederland altijd wel mensen met gratis ov in de weer waren. Meestal op gemeentelijk of provinciaal niveau. In 2005 zag ook de landelijke politiek er been in. Toenmalig Kamerlid Sharon Dijksma (PvdA, 42 zetels in 2005) kwam met een initiatiefnota waarin ze pleitte voor gratis ov voor scholieren, ouderen, werklozen en gehandicapten. Minister van Verkeer en Waterstaat Karla Peijs (CDA) hield in haar reactie de boot af, maar stond niet onwelwillend tegenover het initiatief.

Latent is er in Nederland dus veel sympathie voor reizen zonder kaartje. En voordat u denkt: nu gaat de econoom de utopie van gratis ov even lekker door de mangel halen; ik vind het zelf ook een sympathiek idee. De Nederlandse overheid geeft jaarlijks een kleine €900 miljoen subsidie aan ov-bedrijven. Volgens economen van ABN Amro betaalt de overheid daardoor ruim dertig cent voor iedere ov-kilometer. De reiziger zelf betaalt slechts elf cent. Het ov is in Nederland dus al voor driekwart gratis. Met een dubbeltje extra subsidie per kilometer zijn we af van het hele circus van kaartjes kopen en kaartjes controleren. Forenzen laten de auto vaker staan, de files worden minder en het milieu schoner. Gezien de klimaatcrisis en de congestie op de Nederlandse wegen, is het tijd voor onorthodoxe maatregelen. Zolang rekeningrijden politiek taboe is, kan gratis ov misschien helpen.

Alle reden dus om het Luxemburgse experiment nauwkeurig te volgen. We kunnen er vast wat van leren. Net als van de ervaringen in Estland. In de hoofdstad Tallinn is het ov al sinds 2013 gratis. Onderzoeker Oded Cats van de TU Delft deed er onderzoek naar de ervaringen.

Die zijn nogal gemengd. Aan de ene kant heeft gratis ov gezorgd voor meer mensen in tram en bus. In 2012 koos 55% van de reizigers voor het ov, een jaar later was dat 63%. Vooral jongeren en ouderen pakten vaker het ov. Maar een flink deel daarvan was anders te voet gegaan. De nieuwe reizigers op de gratis tram en bus waren vaker voormalige voetgangers dan voormalige automobilisten. Het effect op file en milieu viel daarmee tegen. Bovendien was er ook een groep die juist vaker de auto pakte: Esten met een relatief hoog inkomen vonden het gratis ov minder aantrekkelijk en namen juist minder vaak de tram of bus.

Gratis heeft meestal dit soort onverwachte en ongewenste gevolgen. Het prijsmechanisme uitschakelen heeft een prijs en daarom hebben economen een natuurlijke weerzin tegen goederen of diensten voor niks weggeven. Het is nu aan de Luxemburgers om te bewijzen dat die weerzin onterecht is.

Hamvraag voor 2019: hoeveel pijn gaat de krappe arbeidsmarkt doen?

Al drie jaar op rij daalt de werkloosheid sneller dan de economen van het Centraal Planbureau (CPB) denken. Tijdens de crisisjaren waren ze soms te optimistisch. Maar sinds Prinsjesdag 2015 is het CPB structureel te pessimistisch.

Medio 2016 was de werkloosheid geen 6,7% (zoals op Prinsjesdag voorspeld), maar 6,1%. In 2015 daalde het percentage naar 4,9, terwijl de prognose 6,2 was. En halverwege 2018 dook de werkloosheid onder de 4%, terwijl het CPB 4,3% in de boeken had staan.

Ook volgend jaar zal het CPB er weer naast zitten. Dat durf ik wel te voorspellen, want volgens de nieuwe raming die afgelopen woensdag verscheen, daalt de werkloosheid in 2019 naar 3,6%. Toen het Centraal Bureau voor de Statistiek een dag later het feitelijke werkloosheidscijfer van november 2018 publiceerde, bleek dat we dat percentage nu al voorbij zijn. De Nederlandse werkloosheid is vorige maand uitgekomen op 3,5%. Het CPB voorspelt – ongetwijfeld zonder dat echt te bedoelen – een lichte stijging van de werkloosheid in de komende maanden.

Voorspellen is moeilijk, dus ik schrijf dit niet om het Planbureau aan de schandpaal te nagelen, maar om te laten zien hoe economen zich tijdens de jaren van economisch herstel telkens hebben laten verrassen door de snel dalende werkloosheid. Niet alleen economen; ook politici, beleidsmakers en werkgevers kregen te laat door dat de arbeidsvoorraad veel sneller aan het opraken was dan na eerdere recessies.

Nederland heeft zich in de recessiejaren in slaap laten wiegen met het idee dat er altijd genoeg werknemers te vinden zouden zijn om groei mogelijk te maken en zich niet goed voorbereid op de huidige periode van hardnekkige krapte op de arbeidsmarkt. Pas sinds dit jaar gaat het in de beleidsdiscussies opeens over bij- en omscholing, over employability van ouderen, over de nadelen van onze deeltijdcultuur en over de trage groei van de arbeidsproductiviteit en over een meer stimulerend sociaal en fiscaal stelsel. Allemaal onderwerpen waar politiek, ondernemers en sociale partners al vanaf 2015 alle aandacht op hadden moeten richten.

Want de krappe arbeidsmarkt is een structureel verschijnsel en de belangrijkste rem op de groei van bedrijven en de economie als geheel. De 3,5% werkloosheid van november is geen laagterecord, maar komt dicht in de buurt. De afgelopen dertig jaar was dit percentage alleen in 2001 nog lager (3,3%). Dat kwam toen na acht jaar van onafgebroken economische expansie waarin de economie in totaal met 34% groeide. Nu zitten we na vier jaar en 11% groei al bijna op dezelfde werkloosheid. In een vergrijzende en ontgroenende economie komt de bodem van de arbeidsmarkt veel sneller in zicht.

Oud of jong, man of vrouw, voor alle groepen op de arbeidsmarkt ligt de werkloosheid momenteel ver beneden het gemiddelde van de afgelopen drie decennia. En de gevolgen van de krapte zijn voor bedrijven voelbaar. Volgens een recente enquête ervaart inmiddels ongeveer een derde van de bedrijven in de bouw, transport, horeca en zakelijke dienstverlening het personeelstekort als een belemmering. In de uitzendbranche, waar men de conjunctuur altijd het heftigst ervaart, is dat al meer dan de helft. Alleen een plotselinge recessie kan voorkomen dat deze percentages in 2019 nog hoger worden.

Ook de overheid ziet haar plannen doorkruist worden door het gebrek aan arbeidskrachten. Het lukt niet om het extra geld dat dit kabinet uit heeft getrokken voor zorg, onderwijs en defensie ook echt uit te geven. Het CPB ziet dat volgend jaar niet goed komen. Door de krappe arbeidsmarkt, schrijft men, ‘blijft het risico aanwezig dat de voorgenomen extra uitgaven niet in het voorziene tempo kunnen worden gerealiseerd’.

Het is natuurlijk een luxeprobleem. Liever te lage werkloosheid dan te hoge. Maar was 2018 het jaar dat Nederland de krapte op de arbeidsmarkt ontdekte, 2019 wordt het jaar waarin bedrijven en overheden de pijn van de knellende krapte echt gaan voelen. IJs en weder dienende, uiteraard.

journalist en econoom