De mensen zijn nu echt bijna op, dus de tijd van domme groei is voorbij

De ‘behoedzame raming’, herinnert u zich die nog? Dat waren de begrotingsprognoses die minister van Financiën Gerrit Zalm in de jaren rond de eeuwwisseling maakte. Hij ging daarbij niet uit van de voorspelde economische groei, maar van een percentage dat daar ruim onder lag. Dus niet 2,5% groei per jaar, maar slechts 2%. Dankzij het behoedzaam ramen ontstonden er meevallers in plaats van tegenvallers, waardoor Zalm bijna automatisch de populairste minister van Financiën sinds Piet Lieftinck werd.

De methodiek werd in 2008 door opvolger Wouter Bos afgeschaft. Maar ik moest er weer aan terugdenken toen ik deze week de nieuwe editie las van het Centraal Economisch Plan (CEP) van het Centraal Planbureau (CPB). (Waarschuwing: lees die laatste zin tien keer hardop en u wordt morgen wakker in de Sovjet-Unie van de jaren vijftig).

Daarin staat een nieuwe voorspelling voor de structurele (of potentiële) groei na 2021. Dat is de economische groei geschoond voor conjuncturele invloeden; zeg maar de natuurlijke kruissnelheid van de economie. Na 2021 komt die uit op slechts 1,2%, denkt het CPB. Dat is nog lager dan de toch al magere 1,5% voor de huidige periode.

Gerrit Zalm zou ervan in zijn karakteristieke lach geschoten zijn. Potentiële groei van 2% was in zijn tijd een uiterst voorzichtig uitgangspunt waarvoor hij over de knie ging bij de oppositie. Wat zal Wopke Hoekstra dan we niet voor de kiezen krijgen als hij beweert dat de groei (niet eens behoedzaam geraamd) straks nauwelijks boven de 1% uitkomt?

Helaas zal het Hoekstra weinig moeite kosten om te laten zien dat 1,2% potentiële groei een realistische voorspelling is. Nederland vergrijst en ontgroent en daardoor komen er niet genoeg nieuwe mensen op de arbeidsmarkt om serieus te blijven groeien. Ambitieuze ondernemers voelen de schaarste nu al aan den lijve en dat wordt de komende jaren alleen maar erger. In het verleden konden we dit onvermijdelijke gevolg van de vergrijzing nog een beetje verzachten. Nederland bleek telkens nieuwe bronnen van arbeidsaanbod te kunnen aanboren. In de tijd van Zalm kwam dat vooral doordat vrouwen gingen werken. Eind jaren tachtig van de vorige eeuw had Nederland zo ongeveer de laagste arbeidsdeelname van vrouwen in Europa. Begin deze eeuw zaten we in de top. Dankzij die inhaalslag was er tijdens de boomjaren van Zalm altijd voldoende personeel voorhanden.

In 2003 werd er een nieuwe bron van arbeidsaanbod aangeboord: de 50-plusser. VUT en prepensioen werden afgebouwd en wie werkend zijn pensioenleeftijd haalde was niet langer de loser van de tennisclub. Weer kreeg de beroepsbevolking een impuls en kon de economie blijven groeien. Maar inmiddels raakt de voorraad vrouwen en ouderen op. Anno 2019 heeft van alle vrouwen tussen 15 en 75 jaar ruim 63% betaald werk. Voor mannen en vrouwen tussen 55 en 65 jaar is dat zelfs bijna 67%. Daar zit niet veel rek meer in. Misschien dat een nationale aanval op deeltijdwerk nog wat soelaas biedt, maar de tijden van snelle groei lijken echt voorbij.

Tenzij we slimmer gaan werken. Hogere arbeidsparticipatie is niet de enige bron van groei. Stijgende productiviteit is minstens zo belangrijk. Meer maken met dezelfde hoeveelheid mensen, daar zal Nederland het van moeten hebben. Helaas stijgt de arbeidsproductiviteit ook allerminst uitbundig. Terwijl techno-optimisten ons toeroepen dat technologie razendsnel verandert en dat we midden in een nieuwe industriële revolutie zitten, zie je dat in de productiviteitscijfers niet terug. Iets meer dan een procent stijging per jaar, sneller gaat de toename niet.

Nederland heeft daarom een ouderwetse investeringsagenda nodig. Bedrijven moeten veel meer geld en ijver steken in nieuwe technologie. Misschien zijn daarvoor nieuwe subsidies en aftrekposten nodig, maar in elk geval gezonde concurrentie die ondernemers opzweept. Het onderwijs moet beter en toegankelijker, zeker voor volwassenen die willen om- of bijscholen. Al het economische beleid moet gericht zijn op dat ene doel: slim groeien dankzij hogere productiviteit.

(FD)

Geef jongeren stemrecht

Ruim 26.000 Nederlanders mogen morgen geen stem uitbrengen voor Provinciale Staten. De provincies waarin zij wonen, Friesland en Zeeland, hadden graag een stempas gestuurd, maar de minister van Binnenlandse Zaken, Kajsa Ollongren, zei nee tegen dat verzoek.

Van hun stem is voor de samenleving geen positief gevolg te verwachten, oordeelde de minister eind vorig jaar. De reden: de 26.000 zijn te jong. Ze zijn zestien en zeventien jaar oud en hebben om dat simpele feit geen stemrecht. Voor heel Nederland gaat het om ruim 400.000 jongeren.

Is dat jammer? Ja, dat denk ik wel. De stemgerechtigde leeftijd moet wat mij betreft met twee jaar omlaag. Niet alleen omdat zestienjarigen ook al mogen werken en scooter rijden, zoals sommige jongerenpartijen betogen. (Ze mogen trouwens nog veel meer).  Maar om het evenwicht tussen jong en oud in onze samenleving een klein beetje te herstellen. Want jongeren zijn zwaar in de minderheid en hun stem wordt daardoor al minder gehoord.

‘Voor de verworven rechten van ouderen wordt veel harder gevochten dan voor kansen voor jongeren’

Volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek is ruim de helft van de stemgerechtigden bij deze verkiezingen boven de vijftig jaar. Een kwart is 65-plusser. Slechts 18% van de potentiële kiezers is onder de dertig. De komende jaren zullen de verhoudingen nog schever worden. Grijs is machtiger dan groen en dat heeft directe politieke gevolgen. Ons parlement begint nu al meer op de FNV te lijken. Voor de verworven rechten van ouderen wordt veel harder gevochten dan voor eerlijke kansen voor jongeren.

De ‘vervakbondisering’ van de politiek heeft zelfs GroenLinks in de greep. Nota bene samen met 50Plus deed de partij een voorstel om pensioenfondsen twee jaar extra de tijd te geven om hun zaakjes weer op orde te krijgen. De vijf jaar die daar wettelijk voor staat, is blijkbaar niet voldoende.

In ruil daarvoor hoeven de pensioenfondsen niets te doen. Modernisering van het stelsel is niet nodig. En ook de vakbonden hoeven hun strijd om voor de huidige ouderen de pensioenleeftijd op 66 jaar te houden niet op te geven.

Het uitstel is een cadeautje waarvoor jongeren potentieel opdraaien. De Raad van State veegde daarom deze week de vloer aan met het voorstel. Uitstel is niet verantwoord, vindt de Raad, die verder fijntjes opmerkt dat er voor een houdbaar pensioenstelsel ‘maatregelen nodig zijn die nog veel ingrijpender zijn dan de maatregelen waarvan nu uitstel wordt voorgesteld.’

Maar de Raad van State kan slechts adviseren. Zonder de electorale macht van het getal zullen jongeren in ons vergrijzende land telkens het onderspit delven. Geef ze gewoon een stempas. Waar zijn we bang voor?

(FD)

May verprutst brexit

Volhardend is ze. Na iedere politieke nederlaag gaat ze telkens weer stoïcijns door op de ingeslagen weg. Theresa May heeft misschien nog niet de oplossing voor brexit gevonden, haar onverstoorbaarheid en ijver verdienen in elk geval respect, toch?

Dit soort vriendelijke teksten kom ik al vaker tegen. Maar kom op zeg, respect voor May? Dat is wel het laatste waar de blunderende Britse premier aanspraak op kan maken. Ik ga hier niet beweren de finesses van de Britse politiek te doorgronden, maar als econoom heb ik de brexitperikelen de afgelopen jaren wel intensief en met groeiende verontrusting gevolgd. Je hoeft geen politicoloog te zijn om te zien dat May er een enorme puinhoop van heeft gemaakt.

‘Politiek en bevolking zijn tot op het bot verdeeld. Het VK koerst af op een brexit zonder deal’

Met nog maar enkele dagen te gaan tot de afgesproken (en inmiddels twee weken uitgestelde) brexitdatum, is er in het Verenigd Koninkrijk nog niet het begin van een idee over hoe het vertrek uit de Europese Unie er uit moet zien. Laatstaan over wat er daarna moet komen. Politiek en bevolking zijn tot op het bot verdeeld. Het VK koerst af op een brexit zonder deal, waarvan ook een land als Nederland buitengewoon veel schade zal ondervinden.

Ja, dat is allemaal voor een groot deel de schuld van May. Want zij was het die na de referendumuitslag besloot om voor een harde brexit te gaan. Zij kleurde de ‘rode lijnen’ die de uittredingsonderhandelingen zo moeilijk maakten: geen deelname aan interne markt of douane-unie, geen vrij verkeer van personen en geen rol voor Europese rechters. Hiermee was de kans op een zachte brexit verkeken. Tegelijkertijd vond ook May dat de grens tussen de EU en Noord-Ierland open moest blijven. Een harde brexit met een open Ierse grens, dat valt simpelweg niet te combineren. Wie het onmogelijke eist en daar vervolgens tegen beter weten in aan blijft vasthouden, is niet onverstoorbaar of volhardend, maar gewoon koppig en hardleers.

Maar wat had May anders moeten doen? Ze had de uiterst nipte overwinning van ‘Leave’ niet moeten interpreteren als een mandaat voor een harde brexit, maar juist voor een uiterst zachte variant. Als de bevolking zo verdeeld is, moet een politicus op zoek naar de middenweg. Dus wel uit de EU, maar met zo min mogelijk schade voor de relatie met de unie. Ze was dan uitgekomen op een soort Noorwegen-variant, waar de gemiddelde Brit uiteindelijk prima mee had kunnen leven. En de EU ook.

Maar May nam een andere afslag. Ze sloot haar oren voor het redelijke midden, en ging in zee met de fanatiekste brexiteers. Misschien dat juist die haar de komende dagen als premier zullen wippen. Ik zal er geen traan om laten.

(FD)

Verstandige CO₂-heffing: geen speciaal Tata-tarief, maar korting voor de beste bedrijven

‘Willen jullie een CO₂-heffing? Dan krijgen jullie een CO₂-heffing.’ Laat het maar aan onze premier over om daags voor de verkiezingen met een kiezersvriendelijk stuntje te komen. Uit de doorrekening van het Klimaatakkoord kwam dat de Nederlandse industrie het reductiedoel niet zou halen omdat de bedachte bonus-malusregeling onvoldoende afdwingbaar was. Dan maar toch die CO₂-heffing, dacht het Kabinet, en Rutte mocht deze draai afgelopen woensdag toelichten.

Het wordt niet zomaar een CO₂-belasting, maar een ‘verstandige heffing’. Om Rutte precies te citeren: ‘De heffing moet verstandig zijn, hij moet de tonnages halen en hij moet geen banen wegjagen.’ Dus dat u niet denkt dat Rutte met een domme belasting gaat komen waarmee de reductiedoelen niet gehaald worden, terwijl de getroffen bedrijven massaal ons land verlaten. Het Kabinet wil blijkbaar precies de gouden snede van het klimaatbeleid vinden, het evenwichtspunt waarbij de zware industrie zich wel gedwongen voelt om de CO₂-uitstoot flink te verminderen, zonder dat het toegeeft aan de prikkel om de productie naar een land zonder nationale CO₂-heffing over te hevelen.

Ik ga nu alvast voorspellen: die perfecte balans gaan we in Nederland niet vinden. Een CO₂-heffing die bedrijven geen pijn doet, leidt niet tot serieuze emissiereductie en wie de CO₂-doelen wil halen moet een heffing invoeren waar de industrie echt last van heeft. Er worden in de economie geen gratis lunches uitgedeeld, en dat geldt zeker voor milieu- en klimaatbeleid.

Toch verwacht ik dat het Kabinet een serieuze poging gaat wagen om een CO₂-heffing te bedenken die toch zowel kool als geit spaart. Een heffing die bijt bij bedrijven die de mogelijkheid hebben om de uitstoot te verminderen, en die tegelijkertijd te dragen is voor bedrijven die deze mogelijkheden niet hebben.

Oud-Shell-topman (en sindsdien tot het groene geloof bekeerde) Jeroen van der Veer deed donderdag bij Nieuwsuur al een voorzetje voor zo’n kool-en-geit-heffing. Volgens hem moet deze gedifferentieerd worden per sector, waarbij met name de staalindustrie en de petrochemie in een lager tarief moeten vallen.

Van der Veer krijgt impliciete bijval. Samen met de brief aan de Kamer waarin het Kabinet zijn plannen voor een CO₂-heffing aankondigde, werd een onderzoek meegestuurd van de consultants van PwC naar de effecten van een nationale CO₂-heffing. Daarin wordt becijferd dat de heffing voor sommige bedrijven snel te veel kan zijn. Voor Tata Steel in IJmuiden bijvoorbeeld, zou een belasting van meer dan €33 per megaton CO₂ het bedrijfsresultaat van Tata volledig doen wegsmelten (zie de grafiek hieronder). En dan moeten de geldschieters en de belastingdienst nog betaald worden.

Voor een bedrijf als Tata is het bovendien moeilijk om meteen tot actie over te gaan. Tata hoort in zijn sector naar eigen zeggen tot de meest ‘schone’ bedrijven, dus behalve als men kiest voor massale CO₂-afvang en -opslag (waar het kabinet woensdag ook beperkingen voor opperde), moet Tata wachten tot oude installaties zijn afgeschreven en nieuwe technologie volwassen is. Daar kan zo een aantal jaren overheen gaan en gedurende die tijd moet men de heffing natuurlijk wel betalen. Het idee achter het afgeschoten bonus-malussysteem was juist dat bedrijven met goede reductieplannen, geen heffing (of boete) hoefden te betalen.

Toch lijkt het me onwenselijk om de CO₂-heffing te differentiëren per bedrijf of sector. Juist de vieste sectoren worden dan gespaard. Dat is precies hoe het de afgelopen kwart eeuw is gegaan: iedereen betaalde een energieheffing, maar juist de grootverbruikers kregen een enorme korting op hun rekening. De bedrijven die de meeste tonnen CO₂ uitstoten, zullen ditmaal ook de grootste bijdrage aan de reductie moeten doen.

Het Kabinet kan wel op een andere manier rekening houden met bedrijven als Tata-steel. Leg de gehele zware industrie een uniforme heffing op, maar geef daarop een korting als een bedrijf kan aantonen tot de 10% energie-efficiëntste van zijn sector te behoren. De bewijslast ligt (anders dan bij de bonus-malus) bij het bedrijf zelf. Maar wie echt kan aantonen bij de top te bekoren, krijgt bijvoorbeeld half tarief. Klinkt verstandig toch, meneer Rutte?

Chinese handelsrecessie raakt Nederland van vele kanten

De Nederlandse economie vertraagt en dat is nou een keertje niet onze eigen schuld. Consumenten blijven dapper geld uitgeven en bedrijven schroeven hun investeringen niet opeens terug. Misschien zou alleen de overheid wat op kunnen schieten met de beloofde extra uitgaven. Maar gezien de krapte op de arbeidsmarkt is het te begrijpen dat het kabinet niet opeens duizenden extra militairen, onderwijzers en verpleegkundigen tevoorschijn kan toveren.

Dat drukt de economische groei een beetje, zo meldde het Centraal Planbureau (CPB) afgelopen dinsdag. Die groei komt dit jaar niet uit op de eerder voorspelde 2,2% maar blijft steken op 1,5%. De schuld daarvan ligt vooral bij het buitenland. De wereldhandel groeit dit jaar met een trage 1,8%, verwacht het CPB. In december vorig jaar was die raming nog bijna twee keer zo hoog. Gevolg is dat de Nederlandse export niet met 3,6% (decemberraming) maar slechts met 1,1% toeneemt. Het slechte economische nieuws komt dit jaar dus vooral van over de grens.

Wat gaat er mis in de wereldeconomie? Het rijtje is bekend: de onzekerheid rond de brexit, de handelsoorlogen van Trump en de terugval van de Chinese economie. Over die eerste twee wordt u ongeveer op dagbasis bijgepraat, de derde factor is een stuk mysterieuzer. Want niemand in het Westen weet precies hoe goed of slecht het met de Chinese economie gaat.

De groei valt lichtjes tegen, klinkt het uit officiële kanalen: in plaats van 6,5% groei, wordt het misschien ‘slechts’ 6%, maar de centrale bank staat klaar om met nieuwe kredieten de economie te ondersteunen. Tegelijkertijd geven de handelscijfers een veel dramatischer beeld. In februari daalde de import van China met 5,2%. Dat duidt op een sterke afname van de binnenlandse vraag. De reden voor die daling is te vinden in de exportcijfers van februari: de Chinese uitvoer kelderde met bijna 21%. Trumps handelsoorlog maakt China arm.

Deze Chinese ‘handelsrecessie’ heeft flinke gevolgen voor Nederland. Op zich is onze uitvoer naar China niet buitengewoon belangrijk. Wij exporteren vooral naar Europese landen en de Verenigde Staten. China komt pas op de achtste plaats, nog achter Polen. Maar omdat China voor bijvoorbeeld Duitse bedrijven wel een belangrijke markt is, raakt de vertraging in China ons toch.

Juist omdat de Chinese economie zo groot is en bijna elk land in de wereld een handelsrelatie heeft met het land, kan een Chinese handelsrecessie lang rond blijven zingen in de wereldeconomie. Economen van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) brachten dit in 2016 al nauwkeurig in kaart (pdf). Een (toen nog hypothetische) daling in de Chinese invoer, trekt als een schokgolf de hele wereld over, concludeerden zij, en raakt ook landen die zelf weinig handel drijven met China. Het duurt wel een jaar of vier voordat dat effect is uitgewerkt.

In eerste instantie gaat het om het directe effect op de handelspartners zelf. Om Nederland als voorbeeld te nemen: als China minder in het buitenland koopt, geldt dat ook voor kaas en tulpen. Vervolgens komt het tweede ronde-effect: Duitsland exporteert minder auto’s naar China, de Duitse economie valt terug en de Nederlandse export naar Duitsland krijgt een tik.

(klik op afbeelding voor groter)

Maar daarmee zijn we er nog niet. Naar een armer Duitsland kan ook China minder exporteren. Daardoor valt de groei in China nog verder terug en daalt de Chinese import nog meer. Dit derde ronde-effect raakt ook weer Nederland en onze handelspartners. En zo gaat het maar door. Normaal gesproken doven dit soort effecten snel uit, maar door de omvang en internationale vervlechting van China kan er ook nog wel een vierde en vijfde ronde gespeeld worden. Zo heeft een kleine vertraging in China grote mondiale gevolgen.

Mede op basis van dit IMF-onderzoek, verwacht het CPB dat als de binnenlandse vraag in China met bijvoorbeeld 4% daalt, de Nederlandse economie in 2019 en 2020 cumulatief ruim een procent minder groeit. De Chinese handelsrecessie is als een stuiterbal in een porseleinkast. Alle bordjes gaan er uiteindelijk aan, ook die van Nederland.

(FD)

Grote dag voor de koopkrachtcrisis

Lange tijd werden de waarschuwingen van wetenschappers in de wind geslagen. ‘Er is een enorme koopkrachtcrisis’, zeiden zij keer op keer. ‘De kans dat dit mis gaat is zeer groot. De mensheid moet nu iets doen om de koopkracht voor alle volgende generaties te redden’.

Maar de politici deden niets. Sommigen bleven de crisis zelfs ontkennen. ‘Er is geen koopkrachtprobleem, de wetenschappers liegen’, beweerden zij. Maar uiteindelijk was het wetenschappelijke bewijs zo onontkoombaar, dat de politiek wel in actie moest.

‘Na maanden van overleg kwam men dan toch tot een concept-koopkrachtakkoord’

Er kwamen speciale koopkrachttafels waar het maatschappelijke middenveld in debat ging. Daar ging het soms hard aan toe, maar na maanden overleg kwam men toch tot een concept-koopkrachtakkoord. En hoewel enkele actiegroepen boos wegliepen, legde de meerderheid van de onderhandelaars het akkoord met enige trots voor aan het kabinet.

Daarna was het de beurt aan de planbureaus om de koopkrachtplannen door te rekenen. Leverde het akkoord wel de noodzakelijke koopkrachtverbetering? Waren de maatregelen effectief? En hoeveel gingen alle plannen precies kosten? De rekenmeesters van de overheid gingen er mee aan de slag. Wekenlang draaiden de computermodellen overuren, want er moesten minstens 600 verschillende koopkrachtmaatregelen worden doorgerekend. Men werkte extra hard om te zorgen dat de doorrekening nog voor de Provinciale Statenverkiezingen gereed zou zijn.

Vandaag is de grote dag waarop de uitkomsten van die berekeningen naar buiten komen. Eindelijk krijgen we antwoorden op vragen als: hoe pakken de maatregelen uit voor werkende tweeverdieners met anderhalf keer modaal inkomen? En wat gebeurt er met de koopkracht van ouderen met een klein pensioen? Wat doet de afwenteling van belastingmaatregelen door bedrijven met het beschikbare inkomen van een mediaan huishouden met een oude dieselauto en een tochtige woning? Dat zijn de vragen waar het Nederlandse volk nu eindelijk antwoord op wil krijgen!

Helaas vrees ik dat journalisten en politici zich weer laten afleiden door de waan van de dag, en op irrelevante onderdelen van de doorrekening zullen focussen. Wat het koopkrachtpakket met het klimaat doet, bijvoorbeeld. Of hoeveel CO2-reductie het akkoord gaat opleveren. Met een beetje pech gaat het toch weer vooral over tientallen procentjes meer duurzame energie, een paar meter minder zeespiegelstijging en enkele graden minder opwarming van de aarde. Totaal irrelevant natuurlijk, zolang alleenstaanden in de inkomensgroep 21-40%, met twee kinderen en een huurhuis, er niet met 100% zekerheid op vooruit gaan.

FD

Praten over kernenergie

Er waren twee oliecrises voor nodig, in 1973 en in 1979, maar toen kreeg Nederland zijn discussie over kernenergie. Niet zomaar een discussie, maar een Brede Maatschappelijke Discussie (BMD), die zich zou uitstrekken van 1981 tot diep in 1983. Tijdens bijna 1900 bijeenkomsten in rokerige gemeente-, dorps- en buurthuizen sprak bezorgd en politiek betrokken Nederland met elkaar over de toekomst van de vaderlandse energievoorziening.

De BMD werd georganiseerd door een onafhankelijke stuurgroep, ingesteld door het tweede kabinet-Van Agt (1981-1982, bestaande uit CDA, PvdA en D66). Er was een informatiefase, een discussiefase, er waren hoorzittingen, tussenrapportages en een eindrapport. Maar alles bleef bij het oude: Borssele en Dodewaard bleven open en er kwamen geen nieuwe kerncentrales bij.

‘Vind je dat er in Nederland een nieuwe kerncentrale moet komen? Bouw die dan!’

Historicus Guido de Hengel schreef in 2007 in het Historisch Nieuwsblad een reconstructie van deze oefening in burgerparticipatie, inclusief de inbreng van basisschool De Vijverberg in Enschede en nudistenvereniging De Vrije Vogels uit Den Helder. Hij schrijft: ‘Energie, te belangrijk om aan deskundigen over te laten, prijkte triomfantelijk op de voorpagina van het tussenrapport, maar in werkelijkheid ontbrak het de meeste Nederlanders aan zinnige ideeën over de energiehuishouding.’

We zijn inmiddels een kwart eeuw verder en bijna alles is hetzelfde gebleven. Dodewaard is dicht, maar centrale Borssele kreeg in 2003 uitstel van sluiting en draait nog steeds. Ook het gesprek over kernenergie wordt nog net zo amateuristisch gevoerd als in de jaren tachtig. Nudistenvereniging Lubach op Zondag uit Hilversum gaat de strijd aan met basisschool Jesse Klaver uit Den Haag. Zelfbenoemde ‘ecomodernisten’ kruisen de degens met de milieubeweging die kernenergie onveilig en niet-duurzaam noemt. We zijn niets opgeschoten.

Terwijl het toch zo simpel is: stop met praten en doe iets! Laat niet de mond, maar de portemonnee spreken. Vind je dat er in Nederland een nieuwe kerncentrale moet komen? Bouw die dan! Vraag een vergunning aan bij de overheid en ga aan de slag. Er is geen verbod op kernenergie, dus iedereen die genoeg geld heeft om een centrale te bouwen, inclusief een verzekering voor de risico’s en een financiële reserve voor de uiteindelijke sloop ervan en eeuwenlange opslag en bewaking van het kernafval, kan het gewoon proberen.

Start een crowdfund-actie, verkoop obligaties of neem een energiebedrijf over. Met een paar miljard ben je er al. Na een kwart eeuw praten is het tijd voor een keuze: nu investeren of voor altijd zwijgen.

FD

Duitse dipjes beginnen al meer te lijken op een nare recessie in de industrie

De Nederlandse economie houdt de pas er lekker in. Eind 2018 trok de groei weer flink aan. Er zijn meer banen dan ooit, de consumptie stijgt, bedrijven investeren, en in zowel de bouw als de industrie groeit de omzet. Het is al met al een fraai plaatje.

Maar pas op: zoom niet te ver uit en draai de camera vooral niet te ver naar het oosten, want daar ziet het er heel anders uit. De Duitse economie groeit al twee kwartalen niet meer. Vooral de industrie heeft het zwaar. Ondernemers in die voor Duitsland uiterst belangrijke sector, laten het kopje collectief hangen.

Het ondernemersvertrouwen in de industrie is in februari weer gedaald, al voor de zesde maand op rij. Vooral over de nabije toekomst zijn de ondernemers veel negatiever geworden. De maandelijkse enquête onder inkoopmanagers in de industrie geeft hetzelfde beeld. Die index daalde in februari verder naar 47,6 en staat daarmee voor de tweede maand op rij onder de 50, wat duidt op verdere krimp in de sector.

Alsof 2018 niet al beroerd genoeg was voor de Duitse industrie. Het jaar begon slecht, er was een kleine opleving in het voorjaar, maar uiteindelijk belande de industriële productie in een duikvlucht. Dat was allemaal vrij onverwacht, dus analisten en commentatoren haasten zich om uit te leggen dat het telkens maar om tijdelijke dipjes ging. Het koude winterweer, onhandig vallende feestdagen, productieproblemen in de auto-industrie waar men zich aan moest passen aan de nieuwe emissie-eisen: smoesjes te over.

Maar nu de malaise al een jaar aanhoudt en de verwachtingen in de sector alleen maar slechter worden, komt men met smoesjes niet meer weg. Dit is geen tijdelijk dipje meer, maar begint al meer te lijken op een serieuze terugval die de hele Duitse economie kan meetrekken en dan uiteindelijk ook de Nederlandse groei zal raken.

Waarom doet de Duitse industrie het zo slecht? Ik denk dat er niet één antwoord op die vraag is, maar dat vele factoren een rol spelen. Vooral de belangrijke auto-industrie lijkt in een soort perfecte storm terecht gekomen, waarbij de wind van alle kanten komt.

De Chinese economie groeit minder glorieus dan in eerder jaren en dat is de belangrijkste markt voor Duitsland, buiten de EU. De Chinese autoverkopen dalen al sinds halverwege vorig jaar. Afgelopen januari lagen de verkopen weer 18% lager dan een jaar eerder. Dat doet pijn in Wolfsburg en München. Europa kwam met nieuwe emissie-eisen, terwijl de autofabrikanten nog de wonden van het dieselschandaal likken. De markt vraagt om elektrische auto’s, maar de Duitse fabrikanten lopen achter op hun niet-Europese concurrenten. En vanuit de Verenigde Staten klinken de handelsdreigementen weer harder. Bij een importtarief van 25% halveert de Duitse export van auto’s naar de VS, rekenden economen afgelopen week voor. Geen wonder dat de stemming zo slecht is.

Toch zijn er nog steeds Duitsland-watchers die lichtpuntjes zien. Uit de laatste cijfers zou blijken dat de voorraden onverkochte auto’s wat afnemen. Misschien is het ergste achter de rug. Consumenten zijn intussen geld blijven uitgeven en de investeringen van bedrijven trekken weer wat aan. ‘Over een paar maanden laat de Duitse economie vast weer de ware kleuren zien’, schreef een analist van ING hoopvol.

Hoop doet leven. Maar ik lees dit soort ‘binnenkort gaat het weer beter’-teksten nu al meer dan een jaar. Misschien is de tijd van hoopvol afwachten wel voorbij, en is de Duitse overheid aan de beurt om de economie weer wat vaart te geven. Het Duitse overschot op de begroting is vorig jaar opgelopen tot een absurd record van €58 miljard. De overheid haalt veel meer belasting op dan nodig is voor de uitgaven, en smoort zo de economische groei.

U weet het, ik ben geen gepassioneerde keynesiaan, maar Duitsland heeft geld zat voor een lekkere bestedingsimpuls. Verlaag de belastingen en investeer eens wat meer in infrastructuur. Zo’n duwtje in de goede richting kan de economie nu prima gebruiken.

Verplaats Schiphol niet naar zee, maar bouw Vliegveld Europa ergens links van Lille

Het kan in theorie wel, maar het is te duur, niet goed voor de natuur en er zijn op die plek al windmolenparken gepland. Minister Cora van Nieuwenhuizen van Infrastructuur en Waterstaat was snel klaar met het opnieuw populaire idee van een luchthaven op de Noordzee. Op verzoek van de Tweede Kamer liet zij een quickscan uitvoeren naar de haalbaarheid van Schiphol op zee, op basis van oude onderzoeken en een aantal gesprekken met experts. De conclusie heb ik samengevat in de eerste zin van deze alinea.

Terwijl het op papier toch zo’n aardige oplossing lijkt. Schiphol is vol, maar de Noordzee is leeg. Tussen de golven wonen geen lastige burgers die klagen over geluidsoverlast en luchtvervuiling. Bovendien kan het huidige Schipholterrein na de verplaatsing worden omgetoverd in een nieuwe woon- en werkstad aan de rand van Amsterdam. Met de opbrengst van de bouwgrond kan een deel van de aanleg van het eiland worden gefinancierd.

Maar dat is volgens de quickscan allemaal veel te optimistisch gedacht. De bezwaren zijn vooral van technische, planologische en economische aard. Ik zal ze hier niet in detail bespreken want ik wil het graag hebben over een andere reden om Schiphol niet te verplaatsen: we moeten vliegen niet faciliteren, maar juist tegenwerken. Vervoer per vliegtuig kost schofterig veel brandstof en zorgt voor asociaal veel CO2-uitstoot. Voor langere afstanden is er nauwelijks een alternatief, maar korte reizen moeten we gewoon niet meer met het vliegtuig doen, maar met de trein. Zeker al die tussenlandingen in Europa, om het vliegtuig vol te krijgen, zijn niet meer van deze tijd.

Schiphol moet dus niet naar zee, Schiphol moet een treinstation worden. Het wordt een van de eindstations van een aan te leggen Europees netwerk van hogesnelheidstreinen dat intercontinentale reizigers van en naar een nieuw vliegveld in Noordwest-Frankrijk brengt. Want dat lijkt me de beste plek om samen met de Fransen, Duitsers, Belgen en – oké ze mogen meedoen – Britten, het nieuwe Europese mega-vliegveld voor intercontinentaal luchtverkeer te bouwen.

Ergens links van Lille en rechts van Calais, daar waar de akkerlanden doorlopen tot de horizon en de bevolkingsdichtheid gering is, daar bouwen we het nieuwe Aéroport d’Europe met minstens zes start- en landingsbanen en een enorm HSL-station dat de as vormt van een wiel met spaken naar de grote steden in Noordwest-Europa.

(klik op afbeelding voor groot)

Aéroport d’Europe vervangt straks een flink aantal van de grootste vliegvelden van Europa. De drie drukste luchthavens, Heathrow, Charles de Gaulle en Schiphol kunnen dicht. Nummer vier, Frankfurt Airport, ligt dichtbij genoeg om te sluiten, net als Flughafen Zürich (14). Uiteraard geldt dit ook voor Gatwick (9) en Orly (12). Het wat kleinere Brussels Airport (24) kan ook dicht.

Ons nieuwe Vliegveld Europa ligt hemelsbreed precies 188 kilometer van Gare du Nord in Parijs. Een beetje strak aangelegde HSL moet die afstand binnen drie kwartier kunnen afleggen. De taxi van Charles de Gaulle naar Parijs doet er vaak langer over. Naar Victoria Station in Londen is maar een paar kilometer verder, al zal de route via de Kanaaltunnel wellicht iets meer tijd kosten. Bij Brussel-Centraal ben je per snelle trein misschien zelfs al in een half uur.

Amsterdam CS ligt met 275 kilometer iets verder weg en over het Nederlandse HSL-spoor wordt wat minder snel gereden. Een reistijd van pakweg anderhalf uur zou toch moeten kunnen. Het Hauptbahnhof van Frankfurt (463 kilometer hemelsbreed) en Zürich (582 kilometer) liggen nog wat verder. Maar dan kan de HSL tenminste ook echt vaart maken.

Ach, zult u denken, wat weet een econoom nou van luchtvaart en planologie? En daar heeft u natuurlijk een punt. Ongetwijfeld denk ik er veel te makkelijk over en zie ik allerlei praktische bewaren over het hoofd. Maar misschien kan de minister er een quickscan op loslaten? Gewoon wat onderzoekjes bij elkaar vegen en praten met een handvol experts, dat moet toch kunnen? Alvast bedankt voor de moeite.

(FD)

Brexit ontkennen is zinloos

‘Ach, uiteindelijk blijven de Britten toch in de Europese Unie’. Ik hoorde het eind juni 2016 meerdere mensen zeggen. En ik moet eerlijk toegeven: ik dacht in de eerste dagen na de uitslag van het brexitreferendum soms hetzelfde. De uitslag was zo onverwacht dat mijn hersenen automatisch in de ontkenningsmodus schoten. De Britten uit de Europese Unie? Het zal gewoon niet gebeuren.

Ruim tweeënhalf jaar later hangt dat gevoel nog steeds in de lucht. Ik hoor minstens een paar keer maand iemand beweren dat brexit niet doorgaat. Soms als een verveelde verzuchting: ‘Maak je niet zo druk, ze blijven gewoon’. Soms op een samenzweerderig toontje: ‘De elite laat brexit nooit doorgaan’. Maar meestal toch als een hoopvolle gedachte: ‘Ik denk dat ze op het laatste moment bij zinnen komen en brexit afblazen’. Die laatste variant bestaat ook in afgezwakte vorm: ‘Brexit wordt uitgesteld, en dan weer uitgesteld, tot sint-juttemis’. De referendumuitslag is dan een soort chronische ziekte geworden, die het Britse EU-lidmaatschap wel verzwakt, maar uiteindelijk nooit echt doodt.

‘Logisch dat je brein zoekt naar een oplossing en suggereert dat brexit niet doorgaat’

Ik voel sympathie voor iedereen die ook nu nog deze hoopvolle ontkenningsstrategieën hanteert. Dagelijks stromen de berichten binnen over de catastrofale gevolgen van brexit voor het Verenigd Koninkrijk (VK). Nieuws over vertrekkende bedrijven en banken, over autofabrieken die dicht gaan, over mogelijke tekorten aan voedsel en medicijnen en hoe de Britse overheid probeert de ernstigste gevolgen daarvan te voorkomen en zelfs over puissant rijke brexiteers als James Dyson en Jim Ratcliffe die voor hun bedrijf een veilig heenkomen zoeken in respectievelijk Singapore en Monaco. Hoe kun je zo’n stroom aan slecht nieuws rijmen met een Britse regering die stug volhoudt dat een vertrek per 29 maart aanstaande de enige verstandige koers voor het VK is? Logisch dat je brein zoekt naar een oplossing voor deze bizarre paradox en gaat suggereren dat brexit gewoon helemaal niet doorgaat.

Maar het is een kortzichtige strategie. Want ook al schreeuwt alles in je dat de Britten zichzelf niet vrijwillig in de voet gaan schieten, de kogel zit al in de kamer en het wapen gaat eind maart automatisch af. Hoe groter de chaos in het VK, hoe kleiner de kans dat het verstand ter elfder ure zegeviert. De conservatieve partij van premier May is in verschillende facties uiteengevallen. En ook Labour desintegreert. Maandag stapten er zeven parlementariërs uit de partij van Jeremy Corbyn. Niemand heeft nog het gezag om een harde brexit te voorkomen. De Britten uit de EU? Het gaat gewoon gebeuren.

 

FD

journalist en econoom