De betaalhel

Bijna vier op de tien Nederlanders is het overzicht intussen kwijt. Ze weten niet meer wat ze betalen, wanneer ze betalen en waarom. Daardoor worstelen ze met het bijhouden van de financiële administratie en lopen ze de kans op boetes en schulden. Dat bleek deze week uit onderzoek van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting. Vooral Nederlanders jonger dan 35 jaar en mensen met weinig ‘digitale vaardigheden’ raken snel het overzicht op hun geld kwijt.

Zelf ben ik net iets ouder dan 35 en digitaal redelijk handig. Dus ik ben het overzicht niet kwijt. Maar wel mijn humeur. En ook mijn laatste restje welwillendheid om mee te denken met bedrijven en instellingen die geld van mij verwachten. Want incasseerders van Nederland, wat wilt u precies van ons? Waarom maakt u ons leven tot een hel van onmogelijke wachtwoorden, zogenaamd persoonlijke websites, dringende e-mails vol verdachte linkjes en maandelijkse oproepen vol valse lokkertjes om toch vooral automatisch te gaan betalen? Wij zijn uw hooggeëerde klant als we iets willen kopen, maar zodra het op betalen aankomt moeten we precies de pasjes doen van het dansje dat u heeft uitgedacht.

Vroeger, vertelt de 35-plusser, vroeger was het beter. Gedurende de maand vielen de acceptgirokaarten op de deurmat. Die legde je netjes op een stapel. Aan het eind van de maand controleerde en ondertekende je ze, deed ze in een (gratis) envelop in de bus en alles was voor mekaar. We hoefden toen geen zestiencijferige getallen over te typen, geen cijfers en letters te spelen met rekeningnummers, niet in te loggen op MijnAanbieder.nl of een andere persoonlijke website, en we waren ook niet bang dat we met een domme klik op de betaalknop in een e-mail al ons spaargeld naar een crimineel op Malta overmaakten.

Inmiddels is de wereld digitaal en zou betalen nog makkelijker moeten zijn. Maar mijn zorgverzekering, kabelboer, telefoonaanbieder, energiebedrijf, spaarhypotheker en creditkaartmaatschappij hebben allemaal hun eigen digitale betaalsystematiek. Mijn lijst met wachtwoorden wordt al langer, de alerts vullen mijn mailbox, en ik moet zo ongeveer iedere dag de een of andere ‘Mijn Omgeving’ checken om te zien of er niet iemand geld van mij verwacht.

Maar ik snap wel waarom het mij zo moeilijk wordt gemaakt om mijn rekeningen te betalen. De energiebedrijven, verzekeraars en telco’s willen mijn handtekening onder een machtiging. Ze willen zelf het geld van mijn rekening kunnen pakken.

Daar doe ik dus niet aan mee. De automatische incasso hoort wat mij betreft in het rijtje woekerpolis, overlijdensverzekering en aflossingsvrije hypotheek. Leuk voor de aanbieder, niet voor de klant. Wie overzicht en controle wil houden op zijn eigen geld, betaalt z’n rekeningen zelf. Een keer per maand, op een eenvoudige en gebruiksvriendelijke manier.

Bedrijven van Nederland, dat moet u toch kunnen organiseren?

Red de starter

Komt er dan geen einde aan het goede nieuws over de Nederlandse huizenmarkt? Ook in februari schoten de prijzen weer omhoog. De gemiddelde woning werd in een jaar tijd maar liefst 9,5% meer waard. Dat was de sterkste stijging sinds 2001. Sinds het dieptepunt in 2013 is de huizenprijs alweer 26% gestegen.

Iedereen blij, behalve de starter. Want voor wie toe is aan z’n eerste koopwoning is iedere prijsstijging slecht nieuws. Zeker in de grote steden, waar de prijzen nog veel sneller zijn gestegen, komen starters steeds moeilijker aan de bak. Probeer anno 2018 nog maar eens een betaalbare woning binnen de Amsterdamse ring te vinden.

Nu is dat probleem van alle tijden. Wie niets te verkopen heeft, staat op achterstand in een stijgende markt. Maar er zijn twee redenen waarom het nu erger is dan anders. Allereerst omdat starters onder de nieuwe, strengere regels voor hypotheekrenteaftrek vallen. Zij moeten daardoor in de praktijk voor een simpele, volledig aflossende hypotheek kiezen. Daarvan zijn de maandlasten hoger dan de spaarhypotheken die bestaande huiseigenaren vaak mogen meenemen als ze een nieuw huis kopen. Starters worden daardoor makkelijk overboden, en vissen steeds naast het net.

Een tweede oorzaak ligt in de lage rente. Die is op zich natuurlijk gunstig voor huizenkopers, dus ook voor starters. Maar tegelijkertijd zorgt de lage rente ervoor dat starters de strijd aan moeten met mensen die willen beleggen in woningen, of bijvoorbeeld op zoek zijn naar een huis voor hun studeerde kind. Dit soort kopers krijgen geen hypotheekrenteaftrek, want die geldt alleen voor de eerste woning. Deze rentesubsidie door de overheid gaf mensen die een huis willen kopen om er zelf in te wonen altijd een voorsprong op beleggers.

Maar bij de huidige lage hypotheekrente is de aftrek laag. Bovendien is het overheidsbeleid om die aftrek langzaam in te perken. De natuurlijke voorsprong van gewone huizenkopers op beleggers is daardoor gering. Dat zie je terug in de cijfers. In Amsterdam werd vorig jaar één op de vier huizen zonder hypotheek verkocht, zo bleek uit onderzoek van het Kadaster. Van de huizenkopers die al één of meerdere huizen bezitten, koopt maar liefst 61% zonder hypotheek.

Starters staan dus op achterstand ten opzichte van doorstromers, en zijn hun natuurlijke voorsprong kwijt ten opzichte van beleggers. Ik doe het als econoom niet graag, maar een pleidooi voor een interventie door de overheid lijkt me nu toch op z’n plaats. Maak het beleggers moeilijk door een hoger tarief voor de overdrachtsbelasting in te voeren voor wie al een huis bezit. Kom met voordelige startersleningen, vooral in de grote steden. Of verzin een andere manier om de nieuwkomers op de huizenmarkt een opkontje te geven. Het is tijd voor overheidsingrijpen!

 

(FD)

BABYMOORD

Ik had maar een paar dingen in m’n mandje, dus ik mocht bij de servicebalie afrekenen. Terwijl mijn boodschappen gescand werden, viel mijn blik op de wand vol met pakjes sigaretten. Niet de vrolijk gekeurde pakjes van heel vroeger, toen ik ook een paar jaar dacht dat roken stoer was, maar enge pakjes met plaatjes van rottende monden, etterende abcessen en troebele pupillen. Ik zag zelfs foto’s van dode baby’s.

Ik dacht: als het zulk gevaarlijk spul is, waarom verkoopt deze winkel het dan? Bankiers die een woekerpolis verkopen worden tot in het derde geslacht achtervolgd door ‘klantbelang’ schreeuwende toezichthouders. Maar de super mag gewoon pakjes babymoord verkopen. Waarom eigenlijk?

Ik geef het toe, het is geen bijster originele gedachte. Begin 2016 vroeg de artsenorganisatie KNMG al om een verbod op sigarettenverkoop in supermarkten, en in tankstations, boekwinkels en drogisterijen. Rokers zouden dan alleen nog in gespecialiseerde tabakswinkels terecht kunnen.

Zo ver wilde de politiek niet gaan, maar het vorige kabinet beloofde wel een uitstalverbod: vanaf 2020 moeten er dichte deuren voor het sigarettenrek. In sommige supers is dat al het geval.

Maar uit het zicht is natuurlijk heel wat anders dan niet meer verkopen. Moeten de grote supermarkten, vanwege het maatschappelijk belang, eigenlijk niet uit eigen beweging stoppen met sigarettenverkoop? Om eerlijk te zijn: ik twijfel. Voor je het weet verkopen ze ook geen vette chips, zoute drop of vers gebrouwen India Pale Ale meer. Daar kun je – als je de inname maar flink ver opvoert – immers ook dood aan gaan. De consument mag uiteindelijk toch zelf kiezen hoe ongezond hij of zij wil leven?

Maar toen wees de Rotterdamse gedragseconoom Robert Dur mij op een recent artikel van Nobelprijswinnaar Oliver Hart (Harvard) en Luigi Zingales (Chicago). Zij zetten vraagtekens bij de vijftig jaar oude stelling van Milton Friedman, dat bedrijven moeten gaan voor winstmaximalisatie, ook als daarmee publieke belangen in de wielen worden gereden. Voor die publieke belangen kan de overheid zorgen en ethiek is iets voor individuen, stelde Friedman. De maatschappij is beter af als bedrijven doen wat hun aandeelhouders willen, en dat is geld verdienen.

Hart en Zingales zijn het eens met de stelling dat een bedrijf in het belang van aandeelhouders moeten handelen, maar denken dat die meer wil van het leven dan alleen maar geld. Een aandeelhouder is een mens, met eigen ethiek en maatschappelijke voorkeuren. Als aandeelhouders van de supermarkt een voorkeur hebben voor levende, in plaats van dode baby’s, is stoppen met sigarettenverkoop dus geboden. Bedrijven zouden niet moeten streven naar maximale winst, maar naar maximale aandeelhouderswelvaart.

Het ABP kondigde onlangs aan niet meer te beleggen in tabaksfabrikanten. Ik vraag me af: zou het pensioenfonds nog wel supermarkten in portefeuille hebben?

(FD)

Economie van het eurogebied getroffen door winterdipje. Of is er meer aan de hand?

Slecht nieuws over de economie van de eurozone. Het nieuwe jaar is heel matig begonnen. Eind vorig jaar zongen economen en analisten nog de lof van het sterke economische herstel, inmiddels klinkt hun liedje een stuk valser. Zo ongeveer al het economische nieuws van de afgelopen weken viel tegen. Is de veelgeprezen ‘euroboom’ al weer voorbij?

Wie naar de productie in de bouw kijkt, zal denken van wel. In januari van dit jaar werd er in het eurogebied ruim 2% minder gebouwd dan een maand eerder. Deze forse daling volgde op vijf maanden van continue stijgende bouwproductie en kwam voor analisten als een verrassing.

Hetzelfde geldt voor de recentste cijfers over de Europese industrie. In januari dook de industriële productie opeens omlaag, met meer dan 1%. De industrie was in 2017 juist met een opvallend sterke opmars bezig. Ook de export van het eurogebied naar de rest van de wereld – die in de laatste maanden van 2017 juist enorm was toegenomen – kromp in januari van dit jaar.

Op zichzelf zijn deze tegenvallende cijfers nog geen reden voor paniek. Dit soort macro-economische reeksen vertoont wel vaker fluctuaties. Zolang ondernemers maar optimistisch blijven en de orderboeken goed gevuld, is er weinig aan de hand. Maar ook de stemming lijkt de afgelopen maanden om te slaan.

Deze week publiceerde de Europese Commissie haar maandelijkse ‘Economic Sentiment’-peiling, waarmee het vertrouwen onder Europese producenten wordt gepeild. Het cijfer bleek in februari flink gedaald. In januari was dat ook al het geval. Europese ondernemers zien de toekomst nog wel zonnig in, maar zijn minder optimistisch dan enkele maanden geleden.

Onder Duitse producenten is deze stemmingsomslag nog duidelijker te zien. De beroemde IFO-index, waarmee het Duitse oordeel over de huidige en toekomstige omstandigheden wordt gemeten, ging tussen januari en maart flink onderuit. De IFO-index staat historisch gezien nog altijd hoog, maar komt nu al twee maanden op rij lager uit dan verwacht. Vooral het oordeel over de toekomstige ontwikkelingen loopt snel achteruit.

Het Duitse producentenvertrouwen geeft vaak de toon aan voor de vertrouwensindices in andere Europese landen. In Nederland boekt het producentenvertrouwen nog altijd record na record. Donderdag zal het Centraal Bureau voor de Statistiek de resultaten voor de maand maart publiceren. Gezien de Duitse cijfers gok ik dat we ditmaal geen nieuw vertrouwensrecord gaan neerzetten.

Is er nog meer slecht nieuws? Jazeker. Terwijl de ECB hoopt op hogere inflatie, lijkt het tempo van de geldontwaarding in het eurogebied juist af te nemen. In februari kwam de inflatie uit op 1,1%. Dalende inflatie is geen teken van krachtig herstel. Integendeel.

Ook de inkoopmanagersindex voor het eurogebied beweegt zich niet de goede kant op. De cijfers van vrijdag geven aan dat zowel in de industrie als de dienstensector het tempo van de economische expansie aan het afnemen is. De samengestelde inkoopmanagersindex kwam afgelopen maand uit op 55,3. Dat ligt nog boven de 50 punten, wat duidt op groei van de productie, maar het cijfer is op het laagste peil in veertien maanden uitgekomen.

Moeten we ons dan maar weer voorbereiden op een nieuwe recessie? Nee, dat is nog lang niet nodig. Het is heel goed mogelijk dat de matige cijfers een tijdelijk fenomeen zijn: een winterdipje van de economie, waarbij ondernemers tijdelijk kopschuw werden gemaakt door angst voor de brexit, voor een handelsoorlog met de VS en voor een politieke patstelling in Duitsland.

Inmiddels is er een akkoord over de brexit-transitie met de Britten, lijkt Trump zijn pijlen vooral op China en niet op Europa te richten en is Merkel gewoon van start gegaan met haar zoveelste kabinet. De groei in het eurogebied kan weer gewoon doorzetten. Veel analisten vinden dat het meest waarschijnlijke scenario.

Ik denk er nu ook zo over. Maar ik ga de indicatoren de komende weken extra goed in de gaten houden, want stiekem maak ik me toch een beetje zorgen.

FD

U denkt misschien dat de gemeente te veel belasting heft, maar het is juist veel te weinig

Er kwam meer in dan er uitging en dat was voor het eerst deze eeuw. Vanaf 2000 waren de jaarlijkse uitgaven van de Nederlandse gemeenten per saldo telkens groter geweest dan de inkomsten. Maar in 2016 – het meest recente jaar waarvoor het CBS complete gegevens heeft – stonden de gemeenten weer in het groen. Er stroomde dat jaar ruim €53,8 miljard de gemeentekassen in, terwijl er €53,6 miljard werd uitgegeven; een overschot van zo’n €200 miljoen. Voor 2017 zal dat overschot waarschijnlijk nog hoger zijn. Ter vergelijking: in 2009 bedroeg het gezamenlijke tekort nog bijna €5 miljard.

Overigens gelden deze bedragen alleen als je de gemeentebegrotingen op kasbasis berekent. In de praktijk geldt voor de gemeenten een baten-lastenstelsel, waardoor investeringen in bijvoorbeeld riolen of wegen over meerdere jaren mogen worden uitgesmeerd. Dat is boekhoudtechnisch natuurlijk de juiste manier. Maar om bijvoorbeeld het EMU-saldo (de optelsom van de tekorten en overschotten van de Rijksoverheid en alle lagere overheden) te kunnen rapporteren, berekent men ook de gemeentebegroting op kasbasis. En die begroting belandde in 2016 voor het eerst weer in het groen. Er kwam meer in dan er uitging.

Hoogste tijd voor een gemeentelijke belastingverlaging, zult u misschien denken. En komende woensdag gaat u in het stemhokje op zoek naar de Lokale Partij voor Belastingverlaging. Dan komt u bedrogen uit, want hoewel er veel wordt gemopperd over rioolheffing en onroerendezaakbelasting (ozb), heeft de gemeente over de inkomstenkant van de begroting maar bar weinig te zeggen. Verreweg het grootste deel van de inkomsten bestaat uit overdrachten van het Rijk.

Slechts 11% van de gemeente-inkomsten kwam in 2016 uit belastingen. Maar liefst 69% kwam van het Rijk, meestal via het Gemeentefonds. Nog eens 13% haalden de gemeentes binnen via directe verkopen (vooral van bouwgrond) en 8% betrof zaken als pacht, huur en rente.

De afgelopen jaren is de bekostiging door het Rijk flink toegenomen. Dat komt door de decentralisatie: het Rijk heeft taken overgedragen aan de gemeente, en met die taken kwam een financieringsstroom. Ten opzichte van begin deze eeuw is het aandeel van de Rijksoverdrachten daardoor met 10 procentpunten toegenomen. Tegelijkertijd daalde het aandeel eigen belastinginkomsten juist met 3 procentpunten, van 16% naar 13%. Er is bijna geen ander land in Europa waar de gemeente zo weinig te zeggen heeft over de eigen inkomsten.

De Nederlandse gemeentebestuurder heeft aan de uitgavenkant dus veel meer verantwoordelijkheden gekregen, maar verloor aan de inkomstenkant juist aan autonomie.

Wethouders en gemeenteraad zijn volgens de Rijksoverheid verstandig genoeg om decentrale beslissingen over bijstand, thuiszorg en jeugdhulpverlening te nemen, maar tegelijkertijd te dom om na te denken over de financiering van de gemeentelijke uitgaven.

Het gevolg is dat we woensdag geen hele, maar een halve verkiezing hebben. Daar sta je dan, met het rode potlood in de hand: je mag stemmen over de uitgaven, maar nauwelijks over de inkomsten. Wie betaalt, bepaalt en dat is bij de gemeente dus niet de burger, maar het Rijk.

Bovendien: bij democratische beslissingen is het van belang dat kiezers en gekozenen goed inzicht hebben in zowel de baten als de kosten van beleid. Het zwembad kan open blijven, de thuiszorg kan luxer, maar dan gaan ook de belastingen omhoog. Beide kanten van die medaille zijn van belang.

Moet de woz dan nog verder omhoog, zodat de eigen belastinginkomsten stijgen? Nee, dat is geen goed idee, want de woz belast alleen woningeigenaren. Gemeenten zouden een nieuw belastinginstrument moeten krijgen. Bijvoorbeeld een ingezetenenbelasting, een vast bedrag dat iedere volwassen inwoner moet betalen. Op zo’n nieuwe belasting wordt al jaren gestudeerd, maar geen politicus durft ‘m in te voeren.

Zo’n nieuwe belasting per inwoner zou wel denivellerend uitpakken. Maar de Rijksoverheid kan dat eenvoudig repareren door met de uitgespaarde storting in het gemeentefonds de lasten voor lage inkomens te verlagen. Ik stem voor!

(FD)

Chicken tax

Met de Marshall-hulp kwamen de kippen. Amerikaanse kippen. Goedkope kippen. In de Verenigde Staten hadden boeren de kostprijs van de hen en het haantje zo ver omlaag weten te krijgen dat kippenvlees niet langer een luxeproduct was, maar betaalbaar voor iedereen. En in de jaren vijftig van de vorige eeuw overspoelden die Amerikaanse kippen de Europese markt.

Vooral Franse en Duitse boeren schreeuwden moord en brand en de politiek luisterde. In 1962 voerde de — toenmalige — EEG een importtarief in voor kippenvlees. Dat was het startschot van een kleine handelsoorlog, want de Amerikaanse president Lyndon Johnson sloeg terug met een importtarief van 25% op onder andere aardappelzetmeel, sterke drank en light trucks, busjes en pickup-trucks.

‘In 1962 voerde de — toenmalige — EEG een importtarief in voor kippenvlees. Dat was het startschot van een kleine handelsoorlog’

De kippenoorlog zou in de jaren erna overwaaien, en Europees aardappelzetmeel kon de VS weer in. Maar de 25% chicken tax op trucks geldt nog altijd. Wie het idee oppert dat het na een halve eeuw misschien tijd is om de strafmaatregel terug te draaien, vindt de grote Amerikaanse autobedrijven tegenover zich. Die hebben de binnenlandse markt voor grote SUV’s en pickups stevig in handen en zien buitenlandse concurrentie niet zitten.

Ondertussen zijn Japanse autobedrijven hun wagens maar in de VS zelf gaan produceren, om het tarief te ontwijken. En nota bene het Amerikaanse Ford bouwt een busje in Turkije, maar exporteert ze met banken en stoeltjes erin gemonteerd naar de VS (zodat ze niet onder de Chicken Tax vallen). Aangekomen in de VS gaan de zitplaatsen er weer uit en worden ze als transportbusje verkocht.

Op Amerikaanse autowebsites zijn foto’s te zien van enorme — en buitengewoon lelijke, maar wat weet ik er van — pickups van onder andere Mercedes en Volkswagen, onder het kopje ‘5 Amazing Trucks the US Can’t Have Because of the Chicken Tax’. Het is voor de Amerikanen kijken, niet kopen.

Als Donald Trump twittert dat de Europese Unie de VS ‘heel slecht behandelt’ met ‘afschuwelijke tarieven en handelsbelemmeringen’ op Amerikaanse producten, dan kan de EU dus met recht ‘chicken tax’ terugroepen.

‘De importheffing laat zien hoe lang de gevolgen van een handelsoorlog kunnen voortduren. Het is veel makkelijker om importtarief in te voeren, dan het af te schaffen’

De importheffing laat zien hoe lang de gevolgen van een handelsoorlog kunnen voortduren. Het is veel makkelijker om importtarief in te voeren, dan het af te schaffen. De gevestigde belangen zullen hard strijden voor het behoud van hun concurrentievoordeel, terwijl de mensen die potentieel baat hebben bij afschaffen ervan, zich niet laten horen.

Op de paar pickupfanatici na die zwijmelen bij de foto van een verboden Mercedes, weten consumenten meestal niet wat ze missen op de markt. Dus een lobby voor vrije import van monsterachtige wagens zal nooit zo sterk zijn als die van binnenlandse producenten.

Dat is de les van de kippenoorlog van 1962. Nu nog iemand in het Witte Huis die ernaar wil luisteren.

(FD)

Natte haartjes

Ik hoorde het op de radio, vorige week, uitgesproken met een snik in de stem: ‘Dan zat ik in m’n pyjamaatje, met natte, gekamde haartjes…’ Het gesprek ging over het overlijden van Mies Bouwman. De spreker herinnerde zich de lopende band en het iconische ‘licht-uit-spot-aan’, en voelde meteen weer de plakkende haartjes op z’n hoofd. En hij proefde de smaak van warme chocolademelk. Want toen was geluk heel gewoon.

Niets voelt zo sterk als nostalgie. Maar het is een bedrieglijke emotie. De genoeglijke wereld waar we zo naar verlangen heeft nooit echt bestaan. Ons onbetrouwbare geheugen dist ons verhaaltjes op over een vroegere tijd die in het echt net zo bleek en alledaags was als die van nu. De altijd nuchtere Mies Bouwman zou vast de eerste zijn geweest om dat te beamen.

Maar ach, zwelgen in nostalgie doet toch niemand kwaad? Dat klopt. Totdat het natte-haartjes-chocomel-gevoel een dominante politieke stroming wordt. Of een economische theorie. Dan krijg je Donald Trump die belooft om Amerika weer net zo great te maken als vroeger. Vroeger, toen de VS nog een enorme staalindustrie had waar hardwerkende huisvaders hun eerlijke boterham verdienden. Terug naar die tijd! Weg met het buitenlandse staal, een importtarief nu! En misschien ook een tarief op Europese auto’s, zodat alle Amerikanen weer in een Amerikaan rijden. Net zoals vroeger. De grenzen moeten dicht, want uit het buitenland komt verandering.

‘U weet wel, toen de schilderkunst nog figuratief was en de muziek nog prettig in het gehoor lag’

Ook in Europa is nostalgie als politiek-economische stroming sterk in opkomst. De Britse brexit is in feite een groot nostalgieproject. Zoals een enthousiaste brexiteer deze week twitterde: ‘We will get our country back; the country we remember as children.’ Het Franse Front National is zo ongeveer gebouwd op de zoektocht naar het Frankrijk zoals het ooit (maar eigenlijk nooit) was. Terwijl het Duitse Alternative für Deutschland (AfD) terugverlangt naar de tijd dat op school nog de klassieke Pruisische deugden van rechtlijnigheid, eerlijkheid, discipline, stiptheid, ijver en plichtsbesef werden onderwezen. En de grenzen moeten dicht natuurlijk, want nieuwkomers zorgen voor ‘instorting van het onderwijssysteem’.

Ook de Nederlandse vertegenwoordigers van de politieke nostalgia-trend willen de grenzen sluiten. PVV-leider Geert Wilders herinnerde zich het Nederland van vroeger als ‘Het mooiste land ter wereld, met eigen grenzen en eigen cultuur’. Desgevraagd legde hij uit dat hij met dit mooiste land het Nederland van voor 1850 bedoelde. Forum voor Democratie oprichter Thierry Baudet noemt 1850 ook als het jaartal waar Nederland weer naartoe zou moeten. U weet wel, toen de schilderkunst nog figuratief was en de muziek nog prettig in het gehoor lag.

Dus uit de Europese Unie, en weg met de euro. Want in 1850 hadden we die nog niet. En dan met natte haartjes stil genieten van de economische chaos die vervolgens ontstaat.

(FD)

Maak huis kopen duurder

Geen dividendbelasting voor buitenlandse beleggers, geen raadgevend referendum voor boze burgers en op termijn geen Wet Hillen voor huiseigenaren zonder hypotheek. In de eerste paar maanden laat het nieuwe kabinet duidelijk een voorkeur voor impopulaire maatregelen zien. Dapper of dom? Ik ben er nog niet uit.

Mocht men in Den Haag op zoek zijn naar nog zo’n impopulaire stunt, dan heb ik een suggestie: verhoog de overdrachtsbelasting op woningen. Zet het tarief bijvoorbeeld weer terug op 6% van het aankoopbedrag.

Dat was het percentage dat nieuwe huiseigenaren tot 2011 standaard moesten aftikken bij de fiscus. In juni van dat jaar besloot Rutte I (u weet wel, dat kabinet met gedoogsteun van de PVV) om de overdrachtsbelasting te verlagen naar 2%. Het was een tijdelijke maatregel, bedoeld om leven in de ingestorte huizenmarkt te blazen. De memorie van toelichting bij het besluit spreekt over een haperende huizenmarkt, laag vertrouwen en weinig transacties. De tariefsverlaging moest de woningmarkt een ‘krachtige impuls’ geven.

Een jaar later werd de maatregel permanent, toen na de val van Rutte I het Kunduz-akkoord werd gesloten. VVD, CDA, D66 en de ChristenUnie (precies de partijen die later Rutte III zouden vormen), aangevuld met GroenLinks, kwamen een crisisbegroting overeen waarin de permanente verlaging van de overdrachtsbelasting werd gefinancierd met afschaffing van de onbelaste reiskostenvergoeding.

‘Zo wordt de belasting een instrument om de immer hysterische huizenmarkt wat te stabiliseren’

Die laatste maatregel werd door het volgende kabinet (Rutte II) weer snel teruggedraaid. Maar de overdrachtsbelasting staat nog steeds op het crisisniveau van 2%. Inmiddels is van laag vertrouwen op de huizenmarkt al lang geen sprake meer. Prijzen stijgen met bijna 9% op jaarbasis. Dat is de snelste stijging in zestien jaar. En het aantal transacties boekt record na record. In veel regio’s en vooral in de grote steden is sprake van een oververhitte markt.

Nee, dat betekent niet automatisch dat de huizenmarkt een zeepbel is, maar wel dat veel van de argumenten uit 2011 voor het 2%-tarief nu niet meer gelden. Verhoging terug naar 6% zou nu juist de broodnodige verkoeling geven. Zo wordt de belasting een instrument om de immer hysterische huizenmarkt wat te stabiliseren. Omhoog in goede tijden, omlaag als het slecht gaat.

Ja, er zijn nadelen aan dit idee. Mensen die voor werk moeten verhuizen op extra kosten jagen, leidt tot hogere werkloosheid en lagere groei. Misschien moeten we daarom maar beginnen met hogere overdrachtsbelasting alleen voor tweede woningen. Wie een huis koopt als belegging is dan duurder uit dan wie er zelf in gaat wonen. Rabobank-econoom Menno Middeldorp pleitte daar vorig jaar al voor.

Maar op die manier uitgevoerd zal de maatregel veel minder impopulair zijn bij de bevolking. Dus dan is het misschien toch niets voor dit kabinet.

(FD)

Als Rutte de volgende eurocrisis wil voorkomen, moet hij juist pleiten voor een groter EU-budget

Geen cent erbij? Zo ver wilde Mark Rutte donderdag niet gaan. Maar de premier beloofde wel ‘vreselijk zijn best te gaan doen’ in Brussel, om te voorkomen dat Nederland meer moet afdragen aan de Europese Unie. De brexit slaat een miljardengat in de EU-begroting. Bijpassen of bezuinigen, dat is de vraag die de komende tijd beantwoord moet worden. De inzet van nettobetaler Nederland is duidelijk: verlaag de uitgaven maar.

Rutte sluit hiermee naadloos aan bij het algemene gevoel in Nederland over de EU-begroting: hoe kleiner hoe beter, want Brussel is een spilzuchtige, bureaucratische machine. De redenering is bekend. Maar ik waag me graag aan een andere redenering; een groter Europees budget is goed voor Nederland, want het maakt de kans op een nieuwe eurocrisis kleiner. Bovendien doet het dat op een manier die de strenge Nederlandse politici moet aanspreken, want een groter budget voor Brussel kan de belofte dat eurolanden elkaar niet te hulp schieten in crisistijd, weer geloofwaardig maken. En dat laatste is precies wat ons nieuwe kabinet volgens het regeerakkoord wil bereiken.

Voordat ik deze redenering verder uitleg – bedacht door economen van het IMF – eerst een korte opfrisronde over het structurele probleem van onze monetaire unie. De conjunctuur in eurolanden loopt niet synchroon. Als het ene land het moeilijk heeft en hoopt dat de Europese Centrale Bank (ECB) de rente verlaagt, heeft het andere land juist een rentestijging nodig. De ECB moet daar ergens tussenin zitten, waardoor het recessieland wordt afgeremd en de snelle groeier juist verder gestimuleerd. De hoop was dat de conjunctuur van de eurolanden naar elkaar toe zou groeien, maar daar is – mede door de crisis – nog niet veel van terechtgekomen.

Er zijn geavanceerde statistische technieken waarmee dit gebrek aan convergentie kan worden aangetoond. (Zoek op de ECB-site naar ‘dispersion’). Maar je kunt het ook aan simpele indicatoren zien, bijvoorbeeld aan het verschil in economische groei tussen de eurolanden met de hoogste en laagste groei. Als de conjuncturen naar elkaar toe zouden bewegen, zou dat verschil al kleiner worden. In de grafiek is te zien dat dit de afgelopen achttien jaar niet het geval is geweest. Zelfs tussen de twee grootste economieën, Duitsland en Frankrijk, zit meestal een flink groeiverschil, dat gedurende de tijd niet zichtbaar afneemt.

Nu hoeft dat geen onoverkomelijk probleem te zijn. In de Verenigde Staten kan de conjunctuur ook per staat flink verschillen. Maar in het ‘dollargebied’ is er een federale begroting die de pijn verlicht, bijvoorbeeld via de werkloosheidsregeling. In het eurogebied ontbreekt zo’n federale geldstroom. Het gevolg zagen we tijdens de eurocrisis: de recessielanden kregen geen automatische steun, kwamen al verder in de begrotingsproblemen, en moesten uiteindelijk met ad-hocreddingsplannen van de economische dood gered worden.

Dat laatste hadden we bij de start van de euro nog zo afgesproken niet te doen. Eurolanden zouden elkaar niet redden. Maar internationale geldschieters geloofden de afspraak niet, en leenden geld uit aan landen zoals Portugal en Spanje, tegen veel te lage rente. Als het misging, zou dat zulke heftige gevolgen hebben, dat de rijke eurolanden zich verplicht zouden voelen bij te springen, ook al mocht dat officieel niet. Precies dat gebeurde, tot chagrijn van velen in noord-Europa.

Het Nederlandse kabinet wil nu dat dit verbod op het redden van elkaar toch weer geloofwaardig wordt, zodat geldschieters wel twee keer nadenken voordat ze tegen lage rente aan landen met grote schulden lenen. Maar, zo legt de hoofdeconoom van het IMF, Maurice Obstfelt, in een recent artikel uit, dat lukt alleen als Europa zorgt dat de gevolgen van niet-redden minder extreem zijn. Anders zal het verbod toch weer niet geloofwaardig zijn. Hoe doen we dat? Door iets meer geld uit te trekken voor het gladstrijken van conjuncturele verschillen, stelt Obstfelt. Alleen als er een beetje geld op tafel ligt waarmee landen in recessie automatisch geholpen worden, is de belofte om elkaar niet te redden (met veel grotere bedragen) geloofwaardig.

(FD)

Pensioen zonder belofte

Je aan een belofte houden, door de belofte te breken. Dat klinkt onmogelijk, maar in het spiegelpaleis van het Nederlandse pensioen kan alles.

Voormalig ABP-bestuurders Jelle Mensonides en Jean Frijns schreven op Mejudice een artikel waarin ze dit keurig aantonen. Pensioenfondsen kunnen zich aan hun beloftes houden, stellen de oudgedienden op de debatwebsite, juist door zich er niet aan te houden.

Om deze paradox te ontrafelen volgt hier eerst (sorry) een superkort college pensioenbeloftes. Pensioenfondsen hebben hun deelnemers jarenlang een bepaald nominaal pensioen beloofd; een pensioen in euro’s, dus zonder inflatiecorrectie. Dit is een harde belofte. Om zeker te zijn dat een fonds dat ook kan waarmaken, zou de premie van werknemers eigenlijk risicoloos moeten worden belegd, bijvoorbeeld in veilige staatsobligaties. Want gokken met geld dat je later zeker moet uitkeren, dat kan natuurlijk niet.

Maar behalve die harde belofte van een nominaal pensioen, formuleerden de meeste fondsen ook een ambitie om voor inflatie te corrigeren. Hiervoor wordt echter geen extra premie geïnd. Nee, om deze zogenoemde indexatie te kunnen betalen zijn fondsen toch wat risicovoller gaan beleggen, in de hoop op meer rendement.

De toezichthouder vindt dat op zich prima, mits het fonds de harde belofte maar garandeert. Want als een fonds na zeven vette jaren op de beurs te enthousiast gaat indexeren, zou er tijdens de zeven magere jaren wel eens te weinig in kas kunnen zitten voor de nominale toezegging.

Vandaar dat als wordt gekeken of een fonds genoeg geld heeft, de toezichthouder met de risicovrije rente rekent, en niet met het werkelijke rendement. Pas als er volgens deze berekening voldoende in kas zit, mag een fonds beginnen met indexeren. Komt uit deze berekening dat er zelfs niet genoeg is voor de harde belofte, dan kan een fonds verplicht worden om te korten, zowel op de huidige (nominale) uitkering van gepensioneerden als op de toekomstige pensioenen van werkenden.

Op die laatste bepaling bouwen Mensonides en Frijns hun paradox. Er kan in het uiterste geval wel degelijk gekort worden op het nominale pensioen, redeneren ze. Het is de facto dus geen harde belofte. En dan is het ook niet nodig om te rekenen met de risicovrije rente, maar kan een hogere rekenrente worden gebruikt. Zo is er op papier meer geld in kas, hoeft er nu niet te worden gekort en kan er wel worden geïndexeerd. Door in theorie te korten, hoeft dat in de praktijk juist niet!

Het is een knap staaltje redeneerkunst. Maar met retorica komt er natuurlijk geen cent extra in de pensioenpotten. Een hogere rekenrente betekent: nu geld uitkeren in de hoop op rendement later. Als ik een jonge, premiebetalende werknemer was, zou ik me zorgen maken.

(FD)

Naschrift:

ESB-hoofdredacteur Jasper Lukkezen schreef dit stuk als reactie.

En 50Plus vond – uiteraard – dat ik er helemaal niets van snapte.
Wat dan weer tot dit getwitter leidde.