Hier: een aantal artikelen en columns over ongelijkheid in Nederland (en dat het nogal meevalt)

CBS rekende het maar weer eens voor: nee, de Nederlandse inkomensverdeling is deze eeuw niet ongelijker geworden. (link) Toch blijft de “toegenomen ongelijkheid” een hardnekkig thema in de politiek en pers.

Wat doen we daaraan? Bijvoorbeeld vaak opschrijven hoe het wel zit. Hieronder mijn eigen bescheiden pogingen van de afgelopen paar jaar.

Er is geen sprake van een val van de middenklasse  (juli 2017)

Bedreigen globalisering en robotisering de middenklasse? Nederland bewijst het tegendeel (mei 217)

Inkomens worden niet ongelijker in Nederland (ook al beweert de WRR van wel) (juni 2014)

Nederland is al “Piketty-proof” (mei 2014)

Beter dan dit wordt het niet: zelfs de wereldhandel is weer gaan groeien

Hoge groei, snel dalende werkloosheid en lage inflatie. Grote delen van de Europese economie bevinden zich momenteel op dat allerfijnste plekje van de conjunctuurgolf, waarin hoger dan trendmatige groei samengaat met voldoende ruimte op arbeids- en productmarkten om die groei niet te laten ontsporen in hoge inflatie. Het toenemend optimisme onder consumenten, bedrijven en beleggers dat we nu zien, hoort bij deze conjunctuurfase, en geeft de economische opleving nieuwe energie van binnenuit.

Alleen bij de Europese Centrale Bank blijven ze mopperen. De inflatie is ‘te laag’, want in Frankfurt hebben ze nou eenmaal met zichzelf afgesproken er pas sprake is van prijsstabiliteit als het tempo van geldontwaarding onder, maar dicht bij de 2% ligt. Europese consumenten en bedrijven genieten ondertussen van meevallende koopkracht, dankzij de relatief lage inflatie.

Natuurlijk, op lange termijn ontspoort deze conjuncturele opleving wel weer. Of dat via hoge inflatie en hard ingrijpen van de centrale bank gaat, of nieuwe zeepbellen op financiële markten knappen en een nieuwe recessie veroorzaken, of dat een mislukte brexit de Europese economie afremt? Wie zal het zeggen. Maar op korte termijn zit even alles mee.

Zware tijd, lage groei

Alles? Was er niet dat probleem van stagnerende wereldhandel? In oktober vorig jaar waarschuwde ik op deze plaats nog: ‘Voor groei is aantrekkende wereldhandel nodig, en daar zit nou net de klad in’. Terwijl overal ter wereld de economische groei aantrok, stagneerde de wereldhandel juist in 2016. Na decennia van globalisering ging de stemming in de wereld weer richting protectionisme. Daarnaast leken de jaren van outsourcing voorbij. Het spreiden van de productieketen over steeds meer landen had z’n hoogtepunt bereikt en de groei van handel in halffabrikaten daarmee ook. Dat waren in elk geval de oorzaken van de trage wereldhandelgroei die economen van de Oeso vorig jaar noemden.

Bij Wereldhandelsorganisatie (WTO) maken ze zich nog altijd zorgen over de stagnerende handel. Directeur-generaal Roberto Azevêdo gaf vrijdag een speech ter gelegenheid van de start van zijn tweede ambtsperiode. Zijn eerste, sombere woorden: ‘Er bestaat geen twijfel over dat dit een zware tijd is voor internationale handel. Groei van de wereldhandel is al lange tijd laag’.

Zware tijd, lage groei. Dat klinkt niet best. Maar Azevêdo zei ook: ‘We beginnen iets te zien van positieve tekenen’.

Prognose verhoogd

Dat lijkt me nogal genuanceerd uitgedrukt. Wie naar de cijfers kijkt, ziet dat van het gevaar uit 2016 van langdurige stagnatie van de wereldhandel, weinig meer over is. Ons eigen Centraal Planbureau is de meest betrouwbare bron voor deze cijfers. Zijn internationaal gebruikte indicator voor de wereldhandel laat al sinds begin van dit jaar een flinke groei zien.

Wereldhandelsgroei is een nogal volatiel cijfer, dat op maandbasis flink kan fluctueren, dus in onderstaande grafiek heb ik het voortschrijdend gemiddelde over zes maanden genomen, zodat het trendmatige beeld duidelijk wordt.

Schermafbeelding 2017-09-10 om 22.34.12

In de grafiek is goed te zien dat de groei er het afgelopen jaar weer flink in zit. De dip van 2016 lijkt dus niet meer te zijn geweest dan dat: een dip in de wereldhandel waaruit niet automatisch volgt dat de trends van vrijhandel en outsourcing voorbij zijn.

Vooral de handel van en naar Europa doet het opvallend goed. In het eurogebied groeide zowel de export als de import in de eerste zes maanden van 2017 bovengemiddeld hard. Na jaren van crisis is het eurogebied niet langer de rem, maar de motor van de wereldeconomie.

En Nederland? Ook bij ons groeit de handel sneller dan gedacht. Onze exporteurs doen het zelfs bovengemiddeld goed. Dat geldt vooral voor de doorvoerhandel, maar ook voor export van in Nederland geproduceerde goederen, zo rekende economen van ING onlangs uit.

Het Centraal Planbureau voorspelde in maart van dit jaar nog dat de voor Nederland relevante handel in 2017 met 3% zou toenemen. Inmiddels is die prognose verhoogd naar 4,3%. Geniet ervan, veel beter dan dit wordt het niet.

Asschers bungy jump

Eerst een dramatische sprong, dan een ijzingwekkende val in de peilloze diepte. Alles in je schreeuwt het uit. Deze val overleef je niet. Maar dan voel je het elastiek aan je voeten trekken. Je stopt met vallen en wordt weer omhooggetrokken. Al sneller, tot een nieuw hoogtepunt. Heel even hang je stil, hoog in de lucht. De zwaartekracht verslagen. Een kort, euforisch gevoel van gewichtsloosheid, van controle en macht. Tot je weer begint te vallen…

Zo’n moment van euforische gewichtsloosheid beleeft de PvdA deze dagen. Eerst was er de vrije val van de verkiezingen. De ijzingwekkende daling van 38 naar 9 zetels voelde als het einde van de partij. Maar daarna veerde de PvdA weer op.

Hoe langer de formatie van een nieuw kabinet duurde, hoe meer het zelfvertrouwen steeg. Het zittende kabinet mag dan demissionair zijn, het is nog steeds de baas in het land.

Als partijleider Lodewijk Asscher nu om zich heen kijkt, telt hij nog gewoon zes PvdA-ministers in de ministerraad. Dat geeft een euforisch gevoel van controle en macht. De macht om eigen agendapunten door te drukken. Beleid waarmee je kunt werken aan je populariteit.

Hogere salarissen voor onderwijzers bijvoorbeeld. Wie kan daar nou tegen zijn?

Demissionair of niet, Asscher wil dat het kabinet dat regelt in de nieuwe begroting voor 2018. Straks, als er een nieuw kabinet is, stort de PvdA weer omlaag, naar het niveau van een relatief kleine oppositiepartij. Maar nu is er dat euforische moment van gewichtsloosheid, precies tussen de eerste en tweede val in.

Van een afstand ziet het er nogal geforceerd uit. Beslissingen over nieuwe uitgaven — aan lerarensalarissen, maar misschien juist aan andere urgente zaken — zouden door het volgende kabinet moeten worden genomen.

De formatietafel is de plek waar Asscher zijn pleidooi voor meer geld voor leraren zou moeten houden. Maar juist daar wil hij niet gezien worden, want — zo hield hij alle informateurs de afgelopen maanden voor — de dramatische verkiezingsnederlaag van de PvdA maakte deelname aan een nieuw kabinet onlogisch.

Dat is een redelijk standpunt. Maar niet als je tegelijkertijd op basis van de verkiezingsuitslag van 2012 geld voor nieuw beleid in de beleidsarme begroting voor 2018 probeert te smokkelen. Wie mee wil beslissen over de bestemming van de meevallers dient zich te melden bij Gerrit Zalm, met het verzoek om aan te mogen schuiven aan de formatietafel. Op basis van de laatste verkiezingsuitslag moeten daar uitgaven voor de komende vier jaar worden uitonderhandeld. Zo werkt dat in een democratie.

Nee, het gaat me er niet om of de leraren wel of niet extra geld moeten krijgen. Het gaat me om wie daarover mag beslissen: partijen met een stevig kiezersmandaat onder de voeten, of een partij in vrije val.

Inhoudsloos geneuzel over huiswerk

Na de deals over regenbooggezinnen en het verplichte Wilhelmus, is er alweer nieuws uit de formatie uitgelekt. Het nieuwe kabinet wil de fidgetspinner verbieden. U weet wel, die dodelijk irritante draaischijf met kogellagers waar alle schoolkinderen met adhd, add, odd, mcdd, of een andere concentratiestoornis — met andere woorden: alle Nederlandse schoolkinderen — de ganse dag aan lopen te draaien.

De onrust in de klaslokalen wordt te dol, hebben de formerende partijen onder leiding van flipperkam­pioen Gerrit Zalm besloten, dus de fidgetspinner gaat in de ban. Zo kwam mij althans uit totaal onbetrouwbare bron ter ore.

Fijn voor al die leraren die in het nieuwe jaar niet tegen al die friemelmolentjes hoeven aan te kijken, maar vette pech voor de ondernemers die net een paar container spinners hadden besteld. Wat doe je als tijdens de formatie nieuwe wetgeving over jouw markt wordt bedacht?

Je gaat lobbyen. Je huurt adviseurs in die in Den Haag gaan uitleggen hoe geweldig je spinner de concentratie van kinderen verhoogt. Je bestelt een rapport bij een onderzoeksbureau dat deze conclusie ondersteunt.

En je zoekt je netwerk af of je ergens nog iemand kent die een connectie heeft met een Kamerlid van de ChristenUnie of D66, die heel misschien je zorgen kan doorgeven.

’s Nachts lig je uren wakker en als je eindelijk in slaap valt, droom je dat je wordt uitgenodigd door Gerrit Zalm, om namens de figdet-spinner-sector aan te schuiven bij de formatie. Je stapt de formatieruimte binnen en wordt welwillend toegeknikt door  Rutte,  Buma,  Pechtold en  Segers. Je hoort de stem van Zalm: ‘Voordat we iets besluiten willen we graag horen wat uw sector er van vindt. Wat is uw advies? Zeg het maar, en dan nemen we het woord voor woord over in het regeerakkoord.’

Het lijkt een mooie droom, een gouden mogelijkheid om daadwerkelijk mee te schijven aan het beleid en je markt te vormen zoals je denkt dat het beste is voor je achterban. Maar het blijkt een nachtmerrie. Want zodra je je mond opendoet om eens en voor altijd de politiek je wil op te leggen, hoor je jezelf dit zeggen: “We weten het nog niet. Geef ons meer tijd. We moeten eerst ons huiswerk doen!’

Je schrikt wakker. Wat een afschuwelijke droom! De gouden kans op een perfecte lobby verspeeld door inhoudsloos geneuzel over ‘huiswerk doen’.

Wat een sof! Het is alsof werkgevers en werknemers de unieke kans krijgen om tijdens de formatie met weldoordachte plannen voor de arbeidsmarkt en het pensioenstelsel te komen, en dat de bestuurders van VNO-NCW, FNV en CNV dan niet verder komen dan: ‘We gaan kijken of we iets goeds kunnen doen voor het nieuwe kabinet. We hebben elkaar wat huiswerk meegegeven.’ Onvoorstelbaar, natuurlijk.

(FD)

Onvrede van de burger is een conjunctuurverschijnsel

Het is al weer ruim 23 weken geleden dat Nederland naar de stembus ging, en nog steeds is er geen nieuw kabinet. Formeren is nu eenmaal lastig als het politieke landschap zo versnipperd is.

Over de oorzaken van de versnippering is het afgelopen jaar veel gezegd en geschreven. Meestal komt ‘De Onvrede’ van de boze burger als verklaring uit de bus. Met de onvrede kwamen de nieuwe partijtjes en proteststemmen, en verdween de wil bij politici om compromissen te zoeken.

En die onvrede, waar komt die dan vandaan? Daarover verschillen de meningen nogal. Bij de een komt het door massa-immigratie, een ander ziet vooral de ‘islamisering’ als reden. Inkomensongelijkheid is ook een populaire oorzaak van de onvrede. Of anders: globalisering en vrijhandel. De macht van Brussel, de wegzakkende middenklasse, de doorgeschoten flexibilisering van de arbeidsmarkt; iedere zelfbenoemde expert berijdt enthousiast zijn eigen stokpaardje.

Simpelere reden

Maar misschien is de verklaring voor de onvrede veel simpeler: we komen net uit een zware recessie. Nederland werd jarenlang verrast met slecht economisch nieuws en tegenvallers. Pogingen om optimistisch naar de toekomst te kijken werden telkens door de economische werkelijkheid de grond in geboord. Zo zette het idee dat het niets is en nooit meer wat wordt, zich vast in onze hersens.

Daar heb je de econoom op z’n economische stokpaardje, zult u misschien denken. Maar ik kan mijn stelling onderbouwen met cijfers. Dankzij de maandelijkse enquête van het Centraal Bureau voor de Statistiek hebben we harde informatie over hoop en teleurstelling bij Nederlandse consumenten.

Toekomst en verleden

De enquête dient om het consumentenvertrouwen te meten, en bestaat uit een handvol vragen die sinds begin 1986 iedere maand worden gesteld. Vier daarvan gaan over toekomstverwachtingen en wat daarvan is uitgekomen. Het CBS vraagt bijvoorbeeld: ‘Wat verwacht u van de algemene economische situatie in Nederland over de komende 12maanden.’ Alle negatieve antwoorden worden afgetrokken van de positieve antwoorden, en van dat saldo maakt het CBS een index die tussen -100 (iedereen negatief) en +100 (iedereen positief) kan liggen.

Het CBS vraagt ook naar het verleden: ‘Wat vindt u van de algemene economische situatie over de afgelopen 12 maanden.’ Ook die antwoorden worden gesaldeerd en in een index omgezet. Dankzij deze vragen weten we dus hoe somber of zonnig Nederland de economische toekomst inziet, maar ook hoe men een jaar later op diezelfde periode terugkijkt.

Schermafbeelding 2017-09-02 om 17.01.00

In de grafiek heb ik de voorspelling afgetrokken van de realisatie. Als dat een positief getal oplevert, dan vond men de werkelijke economische situatie beter dan men tevoren had gedacht. Een meevaller dus. Een negatieve uitkomst duidt op een teleurstelling.

Het beeld in de grafiek is duidelijk: Voor de eeuwwisseling wisselden meevallers en teleurstellingen elkaar aardig af. De economie deed het soms beter dan verwacht, soms slechter. Maar na 2001 komt de klad er in: tegenvallers gaan overheersen. Eerst door de gevolgen van de dotcom-crisis, de aanslagen van 9/11 en de onzekerheid rond de inval in Irak. Na 2008 door de kredietcrisis, eurocrisis en de dubbele recessie. We zien lange perioden van teleurstelling, met af en toe een kort piekje met meevallers.

Weer een vrolijk volkje

Dat beeld wordt nog extremer als we kijken naar het oordeel van huishoudens over hun eigen financiële situatie, waar het CBS ook vragen over stelt. Onze verwachtingen voor de komende 12 maanden zijn vaak optimistischer dan ons oordeel over de afgelopen 12 maanden. Ook voor de eeuwwisseling zijn er meer teleurstellingen dan meevallers, maar vooral na 2000 wordt het beeld erg somber. Keer op keer komen hoopvolle verwachtingen over de financiële situatie niet uit. Optimisme blijkt telkens ongegrond. We zijn zo’n vijftien jaar lang murw gebeukt door tegenvallers.

It’s the economy stupid, gaat ook nu weer op. Mijn stelling: de onvrede komt vooral door de tegenvallende economie. Dat zou eigenlijk goed zijn. Want nu de economie eindelijk weer boven verwachting presteert, en teleurstellingen veranderen in meevallers, zijn we zo weer een vrolijk volkje.

FD

NB: Lezersbrief hier (ieder zn eigen stokpaardje…)

De vorige keer dat werkloosheid onder 5% dook, stond de arbeidsmarkt er minder goed voor dan nu

Goed nieuws over de arbeidsmarkt wordt vaak met scepsis ontvangen. Nu de werkloosheid voor het eerst in zes jaar weer onder de 5% van de beroepsbevolking is gedoken, zoals het CBS onlangs meldde, zijn veel reacties argwanend. Zijn het wel ‘echte banen’? Meten we werkloosheid misschien helemaal verkeerd? Zijn er in werkelijkheid niet veel meer mensen werkloos? En als de werkloosheid al daalt, gaat het dan niet veel te langzaam?

Om met die laatste vraag te beginnen: nee, de werkloosheid daalt juist opvallend snel. Het percentage werkzoekenden is na de laatste recessie eerder en sneller gaan dalen dan tijdens eerdere perioden van herstel. Het afgelopen jaar ging het werkloosheidspercentage omlaag van 6% naar 4,9%. De afgelopen halve eeuw ging dat slechts een keer nog sneller: tijdens de hoogconjunctuur van 1998. Dus nee, langzaam gaat het niet.

Maar geeft die snel dalende werkloosheid dan wel een goed beeld van de gezondheid van de arbeidsmarkt? Er wordt zoveel niet meegenomen in het cijfer. Mensen die wel willen werken, maar niet actief zoeken, bijvoorbeeld. Mensen die zich teleurgesteld hebben teruggetrokken van de arbeidsmarkt. Gaat het wel zo goed als het werkloosheidscijfer suggereert?

De netto arbeidsparticipatie
Laten we voor een antwoord op die vraag eens naar een andere arbeidsmarktindicator kijken. Niet naar het percentage werklozen maar naar het percentage werkenden. Deze zogenoemde netto arbeidsparticipatie geeft een veel bredere blik op het arbeidsmarktherstel, want het laat zien welk deel van de bevolking tussen 15 en 75 jaar daadwerkelijk werk heeft.

Voor Nederland staat de netto arbeidsparticipatie momenteel (juni 2017) op 66,6%, zo blijkt uit cijfers van het CBS. Dat betekent dat van alle inwoners tussen 15 en 75 jaar twee derde werkt. De rest is met pensioen, zit op school, is huisvrouw of -man, arbeidsongeschikt, werkloos, rentenier of om een andere reden niet actief.

Dit percentage van 66,6 is redelijk hoog. De gemiddelde arbeidsparticipatie sinds 2003 ligt er met 65,8% onder. Maar begin 2009, toen de crisis net begon, stond het hoger.

Misschien is het beste moment om dit percentage tegen af te zetten juni 2006, precies elf jaar geleden. Ook toen dook het werkloosheidspercentage voor het eerst sinds tijden weer onder de 5. De arbeidsparticipatie lag echter een stuk lager: op 64,8%, een verschil van 1,8 procentpunt. In dat opzicht staat de arbeidsmarkt er nu beter voor dan in 2006: de werkloosheid is net zo hoog, maar een groter deel van de mensen werkt. Met andere woorden: het aantal mensen dat niet wil of kan werken ligt nu beduidend lager.

Een reden hiervoor is de toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen. Crisis of geen crisis, de opmars van de werkende vrouw is doorgegaan. In 2006 werkte 57,6% van de vrouwen tussen 15 en 75 jaar. Nu is dat 61,8%, een toename met 4,2 procentpunt. In dezelfde periode daalde de arbeidsparticipatie van mannen licht, met 0,7 procentpunt. Mannen werken nog wel vaker dan vrouwen, maar de voorsprong slinkt snel.

Participatie oudere mannen omhoog
Maar dat geldt niet voor alle mannen. De participatie van oudere mannen (tussen 45 en 75 jaar) schoot de afgelopen jaren omhoog. Ondanks alle verhalen over ouderen die nooit meer aan de bak komen, steeg hun arbeidsparticipatie met maar liefst 4,5 procentpunt. Het gaat hier waarschijnlijk vooral om werknemers die – anders dan de vorige generatie – niet met VUT of prepensioen gingen, dus hun baan gewoon hielden.

Bij de vrouwen ging de participatie onder alle leeftijdsgroepen omhoog, maar ook hier het hardst bij vrouwen van 45-plus. Van hen werkte in 2006 slechts 41%. Sinds dit jaar is dat meer dan de helft.

De krimp van de arbeidsparticipatie zit geconcentreerd bij de groep mannen tussen 25 en 45 jaar – traditioneel de groep met het hoogste percentage. Deze groep zit nu nog altijd 3,3 procentpunt onder het niveau van 2006.

Conclusie: de snel dalende werkloosheid is geen vals signaal, ook de arbeidsparticipatie laat sterk herstel zien. Alleen mannen tussen 25 en 45 jaar blijven wat achter. Kom op mannen!

(FD)

Is de WRR goed bezig?

Kijk, dat is nou aardig van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR): met een enkel rapport leveren ze de wetenschappelijke onderbouwing voor twee journalistieke ervaringsregels. Wij journalisten dachten al dat het zo zat, maar dankzij de WRR weten we het nu zeker.

De eerste regel staat bekend als ‘Betteridge’s law of headlines’, en luidt: het antwoord op een titel met een vraagteken is altijd ontkennend. Als krant kopt: ‘Is het ultieme kankermedicijn gevonden?’, dan is het antwoord zeker nee. Anders had men wel geschreven: ‘Het ultieme kankermedicijn is gevonden!’ Vragende titels worden ook vaak gebruikt bij alarmistische verhalen waarvan de onderbouwing rammelt. ‘Zijn alle buitenlanders crimineel?’, ‘Ga je dood van blowen?’. Het antwoord is telkens nee, maar de toon is toch maar mooi gezet.

De val van de middenklasse? luidt de titel-met-vraagteken van het WRR-rapport dat vorige week verscheen. De Wet van Betteridge gaat weer op, want het antwoord is inderdaad ontkennend. Er is geen sprake van een val van de middenklasse, concluderen de onderzoekers. Als groep hield onze middenklasse (inkomens tussen 60% en 200% van het mediane inkomen) juist opvallend goed stand. Het middensegment wordt niet uitgehold, weet sociale daling te voorkomen en de koopkracht staat niet onder druk.

Voor het FD was dit het belangrijkste nieuws. ‘Middenklasse zit helemaal niet in het nauw’, opende deze krant. Maar andere media sloegen alarm. ‘Middenklasse in zwaar weer’ (Volkskrant), ‘Onzekerheid en druk op middenklasse groeit’ (NOS). Waar komen die alarmverhalen vandaan? Ook uit het WRR-rapport. Zo blijkt dat tegenwoordig vaak twee inkomens nodig zijn om tot de middenklasse te behoren. Vroeger was een kostwinner genoeg.

Maar dat komt vooral door de gekozen definitie van ‘middeninkomens’. Die is relatief ten opzichte van het mediane huishoudinkomen. Als er meer tweeverdieners zijn, stijgt het mediane inkomen en val je als eenverdiener automatisch eerder uit de bandbreedte. Dit bewijst allerminst dat de middenklasse al harder moet ploeteren. Het kan net zo goed vrije keuze zijn. Emancipatie van de vrouw, om maar wat te noemen.

Toch heeft de WRR het zelf ook over ‘kwetsbaarheid van de middengroepen’, over ‘gevoelens van onzekerheid’. De Raad roept de overheid zelfs op om onzekerheden te verminderen. Waar komt die oproep vandaan? Uit het laatste hoofdstuk van het rapport. Daarin staat het verslag van gesprekken met 46 Nederlanders met een middeninkomen. Die klagen hardop over werkdruk, helpen op school, verplichte mantelzorg voor ‘opoe’ en uiteraard over de politiek die niet luistert. ‘We worden genaaid’.

Daarmee bewijst de WRR een andere journalistieke regel. De ‘Wet van de vox-pop’. Deze luidt: Als je je verhaal niet kunt onderbouwen met feiten, ga dan de straat op om bij willekeurige voorbijgangers bevestigende meningen op te halen. Werkt altijd.

Overheidsbalans: lagere gasbaten maken Nederland in een klap 60 miljard armer

Schermafbeelding 2017-07-23 om 23.19.29

Schermafbeelding 2017-07-23 om 23.08.42

Het was de nachtmerrie van Wim Duisenberg. En van zijn opvolger Fons van der Stee. Onno Ruding lag er ’s nachts wakker van en Wim Kok had er akelige dromen over. Gerrit Zalm werd zwetend wakker en Hans Hoogervorst kon er niet van inslapen.

Wouter Bos en Jan Kees de Jager worden nu nog steeds regelmatig gillend wakker. Het idee dat de gaskraan in Groningen misschien ooit dicht zou moeten hield generaties ministers van Financiën uit de slaap. De gasopbrengsten vormden decennialang de basis van de Nederlandse Rijksbegroting.

En Jeroen Dijsselbloem, de huidige (demissionaire) minister van Financiën? Die draait zich nog eens lekker om. Ja, de gaskraan ging de afgelopen jaren dicht . En ja, dat kostte de overheid miljarden. Maar nee, echt wakker lag Dijsselbloem daar niet van.

De Nederlandse begroting bleek de afgelopen jaren verrassend goed bestand tegen tegenvallers uit Slochteren. Ondanks wegvallende gasbaten, sloeg het begrotingstekort om in een overschot. Dankzij de snel herstellende economie waren de tegenvallende gasinkomsten makkelijk weg te strepen tegen de constante stroom aan meevallers.

Maar het gasbesluit van het kabinet drukt natuurlijk niet alleen op de huidige begroting. Ook volgende kabinetten krijgen er mee te maken. We pompen de komende jaren veel minder op en dat raakt de cashflow van alle opvolgers van Dijsselbloem.

Om te weten hoe hard die klap in totaal aankomt, zou je eigenlijk de huidige contante waarde van alle toekomstige gasbaten moeten berekenen, en die moeten vergelijken met de tijd dat de gaskraan nog wijd openstond. En dat is precies wat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft gedaan.

De berekening is onderdeel van de jaarlijkse opstelling van de Overheidsbalans. Dit is een overzicht van alle bezittingen en schulden van de Nederlandse overheden. Tot een paar jaar geleden stelde het ministerie van Financiën deze balans op, maar sinds 2014 is het CBS verantwoordelijk.

Aan de bezittingenkant van de overheidsbalans staan zaken als gebouwen (€84 mrd, infrastructurele werken (€268 mrd), grond (€35 mrd) en staatsdeelnemingen (bijna €100 mrd). In totaal staan de overheidsbezittingen voor een kleine €728 mrd in de boeken.

Daartegenover staan de schulden, ter waarde van €529 mrd. Het boekhoudkundige verschil tussen bezittingen en schulden is het eigen vermogen van de overheid. Dat bedraagt volgens het CBS nu ruim €198 mrd. De overheid bezit dus een kleine €200 mrd meer dan zij aan schulden uit heeft staan.

Dat klinkt veel, maar het is beduidend minder dan een aantal jaar geleden. In 2008 stond het overheidsvermogen nog op €463 mrd, ruim het dubbele. Daarna ging het snel bergaf. Eerst vooral door een stijging van de staatsschuld (bijvoorbeeld omdat waardeloze banken moesten worden opgekocht) en vanaf 2013 met name door afname van de bezittingen; vooral van de waardering van de potentiële gasbaten.

In 2012 stonden de gasreserves (inclusief olie, maar de bulk is gas) nog voor €175 mrd op de balans. Een jaar later was dat nog maar €154 mrd. In 2015 was er nog iets meer dan €100 mrd van over. Op de laatste overheidsbalans staan onze gas- en oliereserves nog maar voor een schamele €41 mrd in de boeken.

Dat is een boekverlies van circa €60 mrd in een jaar tijd. Het CBS verklaart dit verlies als volgt: ‘Doordat de komende jaren minder gas wordt opgepompt, worden de baten over een langere periode uitgesmeerd. De reserves zijn daardoor minder waard.’ Het gas zit nog wel in de grond, maar omdat het er langzamer uitkomt is het (bij de door het CBS gehanteerde discontovoet van 4%) minder waard.

Ten slotte een poging om de €60 mrd in perspectief te plaatsen. Het is ruim zestig keer de maximale schatting van de schade aan Groningse huizen. Het is twee keer de totale WOZ-waarde van alle woningen in het Groningse aardbevingsgebied samen.

Nee, ik zeg daarmee niet dat we maar moeten blijven pompen. Ik suggereer alleen dat Dijsselbloem zich daar best een paar nachtjes het hoofd over mag breken.

(eerder in FD)

Nieuwe WW-verzekering is je reinste polder-kolder

e bent de trotse eigenaar van een leuk huisje, niet groot of luxe, maar je woont er lekker. De herbouwwaarde van je pandje bedraagt een ton en dat is dan ook het bedrag waarvoor je een brandverzekering hebt afgesloten.

Op den duur wordt het huis toch wat te klein. Een handige aannemer zet er voor een halve ton een fraaie aanbouw achter. Heerlijk, die extra ruimte. Maar je moet nu wel even de verzekeraar bellen om het bedrag op te hogen.

Maar dat doe je niet. In plaats van je bestaande verzekering verhogen, doe je iets heel anders: je begint met een paar vrienden een geheel nieuwe brandverzekeringsmaatschappij! Stichting Private Aanvullende Brandverzekering, noemen jullie de nieuwe verzekeraar, afgekort SPABV. Deze verzekeraar levert niets anders dan speciale aanvullende brandverzekeringen voor aanbouwtjes aan bestaande woningen.

Totale onzin? Uiteraard. De SPABV dient geen enkel doel. Waarom zou je een nieuwe verzekeraar oprichten als je ook gewoon de dekking van de oude verzekering kunt verhogen?

Daarom is het zo verbijsterend dat werkgevers en werknemers, onder aansporing van minister van Sociale Zaken Lodewijk Asscher, deze week opgetogen meldden precies zo’n speciale verzekeraar te hebben opgericht. De Stichting Private Aanvullende WW en WGA (afgekort: SPAWW), is net zo onzinnig als de denkbeeldige SPABV.

De  SPAWW is een speciale stichting die verantwoordelijk wordt voor de aanvullende (na-wettelijke) werkloosheidsuitkering waarover werkgevers en werknemers deze week een principeakkoord sloten. Deze aanvullende WW moet de versobering van de WW uit 2016 repareren. Vóór 2016 bouwden werknemers iedere gewerkt jaar een maand WW-recht op, met een maximum van 38 maanden. Na de versobering zou die opbouw na tien werkjaren nog maar half zo snel zijn, en bovendien worden afgetopt op 24 maanden.

De vakbonden waren tijdens het sociaal overleg in crisisjaar 2013 knarsetandend akkoord gegaan met deze versobering, maar hadden nog wel de toezegging afgedwongen dat, zodra het weer goed ging met de economie, de WW zou worden gerepareerd. Okay, maar wel op kosten van de werknemers, hadden de werkgevers toegevoegd.

Blijkbaar gaat het anno 2017 goed genoeg met de economie om die belofte in te lossen. De meest logische manier zou zijn om de bestaande WW-regeling gewoon weer uit te breiden naar maximaal 38 maanden en de opbouw weer te versnellen.

Maar logica is tijdens polderoverleg helaas zelden de winnaar. In plaats van reparatie van de oude WW, komt er een nieuwe werkloosheidsverzekering naast, een private, aanvullende WW, via de SPAWW. We hebben straks voor werknemers twee verzekeringen tegen inkomstenderving na ontslag, die tegelijk en naast elkaar dekking gaan bieden.

Daarvoor zijn dan natuurlijk ook twee uitvoeringsorganisaties nodig. De oude WW wordt uitgevoerd door het UWV, de nieuwe WW door loonstrookjesverwerker Raet. Twee regelingen, twee verzekeringen, twee uitvoerders, allemaal voor het verzekeren van één risico.

Waarom moet het zo omslachtig? Omdat dit VVD-PvdA kabinet nooit overeenstemming zal bereiken over het terugdraaien van de versobering van de WW. En omdat de premie voor de oude WW alleen wordt opgebracht door werkgevers, terwijl de nieuwe juist door werknemers moest worden betaald.

Economen weten dat dit laatste uiteindelijk niets uitmaakt. Via loononderhandelingen worden dergelijke premies afgewenteld op werkgevers en werknemers (afhankelijk van hun onderhandelingsmacht). Bij wie de premie wordt geïnd, en wie de premie uiteindelijk opbrengt, dat zijn twee losstaande vragen.

Maar aan economen was natuurlijk weer niets gevraagd. Nederland gaat het voortaan proberen met twee verschillende WW-verzekeringen. De polderkolder won het weer eens van de logica.

journalist en econoom