Sluiten vraag en aanbod op de arbeidsmarkt nog wel aan? Misschien meer dan we denken

Wat zijn de drie belangrijkste eisen die u stelt aan een potentiële werknemer?? Ik vroeg het een recruiter van een grote multinational en zijn antwoord verbaasde mij. Ik weet zijn top-3 niet eens meer precies. Iets met ‘persoonlijke motivatie’ op nummer een, ‘buitenlandse ervaringen’ op twee en ‘vrijwilligerswerk’ op drie.

Ik was verbaasd, want ik had gedacht dat ‘studierichting’ of ‘vakgebied’ in zijn top-3 zou. “En de volgende drie?”, vroeg ik daarom hoopvol. Het antwoord was weer onverwacht. Sport, studentenbaantjes en bestuursfuncties in verenigingen, zo zag ongeveer de top-3-tot-6 er uit. “Maar de studierichting dan? Iemands expertise!”, riep ik uit. De recruiter keek me met lege ogen aan. ‘Wat kan mij dat schelen’, wat zijn antwoord. ‘Het vak leren wij ze wel. Mij gaat het om wie ze zijn.’

Opleiding speelt blijkbaar geen rol in de 21ste eeuw. Het gaat om de persoonlijke ervaringen. Wat je moet kunnen om je vak uit te oefenen is van secundair belang. Voor een econoom is dat moeilijk te begrijpen. Vier of vijf jaar investeren in een studierichting en dan beoordeeld worden op je verenigingswerk? Idioot!

Gezond verstand

Gelukkig staat oud-staatssecretaris Martin van Rijn aan de kant staat van het gezond verstand. Hij presenteerde deze week zijn rapport over het hoger onderwijs en daarin gaat het gewoon weer over kennis en expertise. Van Rijn stelt dat er een mismatch is tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt. De economie vraagt om technici, maar universiteiten en hogescholen leveren vooral bedrijfskundigen en psychologen af. Technische universiteiten stellen studentenstops in, terwijl bij ‘vrijetijdswetenschappen’ de deur wijd open blijft staan. Er moet meer geld naar technische opleidingen en minder naar de pretstudies waar niemand op zit te wachten. Zo schreef Van Rijn het natuurlijk niet op, maar ik denk dat dit de lading dekt. Aan de toon van mijn samenvatting kunt u aflezen hoezeer ik dit advies toejuich.

Ik juich het toe, maar u waarschijnlijk ook. Dat maak ik in elk geval op uit de reacties die ik op mijn ‘Raderwerk’ van vorige week kreeg. Toen schreef ik het over de Nederlandse arbeidsmarkt en verwonderde mij over de 17.000 Nederlandse mannen met een vakopleiding die – blijkens de laatste cijfers – daaraan niet actief deelnamen. Ik vroeg de lezer om een verklaring van dit fenomeen. Er was een aantal huismannen die mij per mail vertelde over de arbeidsverdeling in de 21ste eeuw. Ik kreeg ook een reactie van een zelfbewuste inactieve man met een vakopleiding, die mij liet weten tegen de huidige arbeidsvoorwaarden niet te willen werken.

Maar de meest reacties gingen over de mismatch op de arbeidsmarkt. Het aanbod sluit simpelweg niet aan bij de vraag. We zoeken data-scientists en experts op gebied van machine learning en robotisering. Maar het aanbod bestaat uit gemankeerde bestuurskundigen en afgestudeerden Keltische talen. Er is een mismatch. Onze arbeidsmarkt werkt niet goed.

Ik snap het sentiment. Maar zijn er ook cijfers die het onderbouwen? Hoe groot is de mismatch op onze arbeidsmarkt? Toevallig kwamen daar deze week ook cijfers over uit. Het CBS berekende dat het werkloosheidspercentage momenteel 3.3% is. Tegelijkertijd bedraagt de vacaturegraad ook 3,3%. Er zijn nu evenveel vacatures als werklozen. De arbeidsmarkt is nog nooit zo krap geweest.

Harde cijfers

Kijk maar naar de grafiek: perioden van recessie en hoogconjunctuur volgden elkaar op, maar de combinatie van 3,3% vacatures en werkloosheid hadden we nog nooit. Volgens sommige economen geeft de verhouding tussen vacatures en werkloosheid goed aan hoe groot of klein de mismatch is. Hogere werkloosheid, bij dezelfde vacaturegraad (of andersom), duidt op een toenemende mismatch.

Maar in Nederland is daar niets van te zien. Sinds 2003 gingen we door twee recessies en twee perioden van hoogconjunctuur. Maar de verhouding tussen vacatures en werkloosheid verslechterde niet structureel. Het voelt alsof de Nederlandse arbeidsmarkt minder goed werkt en alsof vraag minder goed aansluit op het aanbod, maar de harde cijfers laten zien dat het eigenlijk prima gaat. De recruiter had misschien toch gelijk.

(FD)

Een beetje ‘nexit’ bestaat niet

Moet Nederland in de Europese Unie blijven of eruit stappen? Dat lijkt me de eerste vraag die een politicus beantwoordt als hij besluit mee te doen aan de Europese verkiezingen. Ga ik naar Brussel om de EU te verbeteren, of om er zo snel mogelijk mee te stoppen? Het is de existentiële vraag waar al je standpunten over Europees beleid uiteindelijk een afgeleide van zijn.

Maar Derk Jan Eppink, lijsttrekker van Forum voor Democratie, heeft moeite met de beantwoording. Voorheen was zijn partij onomwonden voorstander van ‘nexit’, maar na wat intern geruzie is dat standpunt van de website geschrapt. Het Forum is nu vooral voor een referendum over de EU, zodat de burger zelf kan beslissen. Toen de PVV onlangs een nexit-motie indiende, stemde de voltallige Tweede Kamerfractie van FvD tegen de motie.

Eppink, die al meer jaren in het vervloekte Brussel werkt dan Geert Wilders zijn bankje in het Nederlandse ‘nepparlement’ warm houdt, krijgt het nexit-woord dan ook niet over zijn lippen. Wat zijn partij precies wil met het Nederlandse EU-lidmaatschap? Eerst maar een referendum, daarna zien we wel.

‘Het Forum wil ‘stoppen met de eenheidsmunt’. Maar uit de euro betekent uit de Europese Unie’

Toch is zijn partij hier eigenlijk heel duidelijk over. Wie de standpunten van FvD leest kan niet anders concluderen dan dat de partij wil dat Nederland de EU verlaat. De partij van Eppink wil uit de monetaire unie en uit de douane-unie en beide standpunten zijn niet te rijmen met EU-lidmaatschap.

Het Forum wil ‘stoppen met de eenheidsmunt’, zo staat er op de website. Maar uit de euro betekent uit de EU. Want volgens het EU-Verdrag zijn lidstaten verplicht om de euro in te voeren. Alleen voor de Britten en de Denen geldt een uitzondering. Wil Nederland ook zo’n uitzondering krijgen, dan vergt dat minimaal een verdragswijziging waar alle andere lidstaten mee moeten instemmen.

De partij wil ook ‘Nederland bevrijden uit de douane-unie’, zodat we weer de vrijheid hebben om ‘zelfstandig handelsakkoorden te sluiten met de rest van de wereld’. De Europese douane-unie vormt zo ongeveer de basis van de EU. Deze afspraken over interne en externe invoertarieven stammen uit 1968 en waren een essentieel onderdeel van het EEG-Verdrag. (Overigens is het juist die oude EEG waar FvD, inclusief Eppink, zo naar terugverlangt). Het idee dat Nederland uit de douane-unie zou kunnen treden, zonder direct het lidmaatschap van de EU op te geven, is absurd. Juridisch is het een onlosmakelijk verbonden met het ander.

Het FvD wil dus uit de EU. Een stem op Eppink is een stem voor nexit. Of hij dat nou zelf toegeeft of niet.

Deze column verscheen op 14 mei in FD

Sterke provincies profiteren van de zwakkere: hoogste tijd voor ouderwets regiobeleid

Investeer een miljoen in Drenthe, en in Overijssel vieren ze feest. Doe hetzelfde in Overijssel en in Noord-Brabant gaat de kurk van de fles. Extra investeringen in Noord-Brabant zorgen voor een feeststemming in Zuid-Holland. Onze provincies zijn geen gesloten economieën, dus als de een meer uitgeeft, profiteren de andere daar ook van.

Dat is natuurlijk geen verrassende vaststelling; de Nederlandse productieketens houden zich niet aan provinciegrenzen. Toch besloten onderzoekers van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) de economische samenhang tussen de provincies nauwkeurig in kaart te brengen. Dat deden ze met een goede reden. Daarover later meer, eerst de resultaten van het onderzoek.

Het bestedingseffect van een investeringsimpuls in een gemiddelde provincie slaat voor bijna driekwart neer in die provincie zelf neer. Gemiddeld 17% van de extra productie komt in andere provincies terecht. De rest van de bestedingen (zo’n 9%) gaat via import naar het buitenland. In een aantal provincies is de ‘weglek’ wat groter. Flevoland houdt maar 68% van een investering in de eigen regio binnenboord. Voor Drenthe is dat percentage vrijwel hetzelfde: 67%. Logischerwijs zijn het vooral de wat kleinere provincies waar relatief veel van de extra bestedingen buiten de provinciegrenzen belanden.

Het zijn de economisch sterke regio’s die juist profiteren. Noord- en Zuid-Holland en Noord-Brabant komen uit de bus als duidelijke winnaars. Van investeringen in Groningen en Friesland profiteert Noord-Holland het meest, terwijl Zuid-Holland de grootste ontvanger is van extra uitgaven in Noord-Brabant en Flevoland. Noord-Brabant zelf is de grootste winnaar bij maar liefst zeven provincies en kunnen we dus uitroepen tot Kampioen Meeliften. Dat komt vooral door de grote Brabantse bouwsector, schrijven de onderzoekers, maar verderop in het rapport laten ze ook zien dat Noord-Brabant via de indrukwekkende techsector bestedingen uit andere provincies aantrekt.

Dit is belangrijke nieuwe kennis. Het PBL laat zien dat sterke regio’s meer profiteren van zwakkere regio’s dan andersom. Van extra geld voor Zeeland of Limburg komt een flink deel in Noord-Brabant terecht, maar als Brabanders investeren sijpelt er maar weinig door naar de Zeeuwse en Limburgse economie. Daarmee ontkrachten de onderzoekers het optimistische idee dat als we maar flink investeren in de Nederlandse topregio’s als Amsterdam, de Rotterdamse haven en de regio Eindhoven, zwakkere regio’s worden meegesleept in de vaart der volkeren. Die hypothese was ooit een van de redenen om te stoppen met het (niet al te succesvolle) Nederlandse regiobeleid. In plaats daarvan kwam ‘Pieken in de Delta’ en het ‘Topsectorenbeleid’, waarmee juist alle geld en energie op de winnaars werd gezet.

Afgaande op het PBL-rapport wordt het tijd dat de pendule weer terugzwaait, want het beleid maakt de ongelijkheid tussen regio’s groter. Het centrum groeit, de periferie blijft achter. Misschien moet er toch weer gerichter regiobeleid worden gevoerd. Nederland is meer dan een paar grote steden met wat prut ertussen, schreef ik op deze plaats al eens. Die prut verdient in elk geval ook de aandacht van Den Haag.

Recent internationaal onderzoek komt tot een soortgelijke conclusie. Volgens de gerenommeerde geograaf Andrés Rodríguez-Pose van de London School of Economics zorgt de wereldwijde trend van urbanisatie en agglomeratie voor vergeten regio’s waar de economische omstandigheden verslechteren en de inwoners minder kansen hebben. De opkomst van populistische partijen zou mede te wijten zijn aan deze regionale ongelijkheid. Rodríguez-Pose noemt dat ‘De wraak van de plaatsen die er niet toe doen’ en pleit voor beleid gericht op de ontwikkeling van achterblijvende regio’s.

Het Nederlandse beleid richt zich nog altijd vooral op de winnaars. In de Ruimtelijk Economische Ontwikkelstrategie (REOS)  van dit kabinet, gaat het over ‘internationaal concurrerende toplocaties’, ‘aantrekken van toptalent’ en ‘versterken van connectiviteit van toplocaties’. Misschien moet er daarnaast ook meer aandacht komen voor ‘floplocaties’, voor regio’s die nietautomatisch profiteren van trends als urbanisatie, globalisering en digitalisering. Niet per se om de populisten de pas af te snijden, maar omdat minder regionale ongelijkheid ons land gewoon wat prettiger maakt.

(FD)

Niet naïef maar hypocriet

Wopke Hoekstra hield een lezing in Berlijn. Het ging over Europa en het was een prima verhaal. De minister van Financiën vertelde over zijn liefde voor Europa en verklaarde zichzelf tot ‘geharnast voorstander van de Europese Unie, en van meer Europese samenwerking’. Dat is prettig om te horen in de week nadat zijn eigen CDA enthousiast meestemde met een motie, waarin het idee van een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa bij het vuilnis werd gezet.

Maar ik heb ook een puntje van kritiek. Hoekstra bevestigde in zijn speech de mythe dat de EU op het wereldtoneel tekortschiet, omdat Europeanen zo naïef zijn. Volgens de minister is het belangrijk dat Europa ‘de ontwapenende naïviteit van vandaag de dag’ verlaat.

‘Waren Europese politici maar wat naïever, dan gunden ze elkaar vaker een succesje’

Dit hoor je tegenwoordig vaak. Europa is een naïef werelddeel, dat denkt dat men zich elders in de wereld netjes aan de regels houdt en dat landen als China en Rusland het uiteindelijk wel goed bedoelen. We kopen Russisch gas, delen onze kennis met Chinese studenten en bedrijven, bepleiten vrijhandel en internationale samenwerking, maar hebben niet door dat andere landen daar misbruik van maken.

Het is een gevaarlijke mythe. Dat de EU op het wereldtoneel geen vuist maakt komt niet omdat onze politici naïef zijn, maar juist omdat ze opportunistisch en cynisch zijn. Je hoeft aan Europeanen echt niet uit te leggen dat de wereld een gevaarlijke plek is en dat het buitenland soms van kwade zin is. Dat hebben we na millennia van Europese machtspolitiek wel geleerd. Europese politici zijn juist te cynisch over de bedoelingen van andere lidstaten en vrezen bij iedere poging tot samenwerking meer te moeten inleveren dan de ander.

Om een vuist te maken tegen Rusland, om de technologierace te winnen van China en de handelsoorlog van het Amerika van Donald Trump, moeten Europese politici geen afscheid nemen van hun naïviteit, maar van hun hypocrisie. Willen we Europese techreuzen? Dan moet er nationaal geld naar Europese investeringen in nieuwe technologie, ook als bijvoorbeeld Nederland meer moet bijdragen dan het zelf direct terugkrijgt. Willen we een munt die kan concurreren met de dollar? Dan heeft de euro een stevigere basis nodig, bijvoorbeeld van een effectieve eurobegroting waaraan alle lidstaten meebetalen en een bankenunie met een collectieve depositogarantie.

Waren Europese politici maar wat naïever, dan gunden ze elkaar vaker een succesje en beoordeelden ze beleidsvoorstellen minder vaak op de gevolgen voor eigen land. Zolang het cynisme en de hypocrisie in Europa de boventoon voeren, zal de EU de tweede viool blijven spelen.

(FD)

Zijn er teveel elektrische auto’s in Nederland?

Je bent politicus en je wil wat. Anders had je wel een ander vak gekozen. Je hebt een duidelijk doel voor ogen. Maar daarmee ben je er niet, je hebt ook middelen nodig, beleid om je doel te bereiken. En als je een serieuze politicus wil je ook een analyse van de resultaten: brengt het beleid het doel dichterbij?

Dat is de heilige drie-eenheid van de serieuze politiek: doel, beleid en evaluatie. Een voorbeeld: de politiek wil autovervoer vergroenen. Het doel is twee miljoen elektrische auto’s in 2030. Daarvoor worden belastinginstrumenten ingezet: vrijstelling van wegenbelasting en bpm en een lage bijtelling.

Kort na de start doe je een tussentijdse beleidsevaluatie. Wat blijkt? De belastingmaatregelen zijn iets effectiever dan gedacht. Hoewel het aantal volledig elektrische auto’s van 45.000 begin 2019 nog verwaarloosbaar is, gaat het net een beetje beter dan verwacht. Blijkbaar reageren burgers iets enthousiaster op de belastingprikkel. Het doel van twee miljoen is nog mijlenver uit zicht, maar dit is toch wel een hoopvol begin.

‘Ondertussen geeft de overheid miljarden uit aan belastingsubsidies met doel noch evaluatie’

Maar dan komt de kritiek. Dit is geldverspilling, roept men. Er worden iets meer elektrische auto’s verkocht dan verwacht. Daardoor is er iets meer derving van belastinginkomsten. Verspilling! Weggegooid geld! Wie stopt deze gekte? Niet dat deze critici (nota bene uit je eigen coalitie) de doelstelling van twee miljoen auto’s in 2030 bestrijden, maar de curve naar die doelstelling toe loopt in de eerste jaren niet vlak genoeg. Op weg naar de twee miljoen hadden er anno 2019 minder dan 45.000 elektrische auto’s moeten rondrijden. Dat was op de een of andere manier goedkoper en dus beter geweest.

De elektrische auto is zo het slachtoffer van keurige politiek. Het doel is zo duidelijk en de tussentijdse evaluatie zo consequent, dat er altijd wel een gaatje in te schieten valt.

Ondertussen geeft de overheid miljarden uit aan belastingsubsidies met doel noch evaluatie. Meer dan twee miljard gaat jaarlijks op aan accijnsvrij vliegen. Niemand kent het doel van deze maatregel (goedkoper naar Benidorm?). Er gaat een half miljard naar lage belasting voor boeken en tijdschriften. Lezen we daardoor meer? Niemand die het weet. Hypotheekrenteaftek kost jaarlijks €14 miljard, maar het doel van deze kostenpost is al decennia geleden vergeten. Nog veel meer geven we ieder jaar uit aan subsidie op pensioensparen. Waarom precies? Is dat geld wel goed besteed?

Het zijn belangrijke vragen. Zodra Den Haag klaar is met analyseren van de net een tikkeltje te succesvolle stimulering van elektrisch rijden, gaat men het ongetwijfeld grondig uitzoeken.

(FD)

Slechts een keer eerder groeide de Nederlandse economie zo lang achtereen

In het eerste kwartaal van 2019 groeide de Nederlandse economie met 0,5% (ten opzichte van het vorige kwartaal). Dat is het 20ste positieve kwartaalcijfer achter elkaar. De laatste keer dat het bbp daalde was vijf jaar geleden, in het eerste kwartaal van 2014.

Daarmee klimt de huidige expansie van de derde naar de tweede plaats. Alleen in de jaren negentig (u weet wel, tijdens die ‘puinhopen van acht jaar paar’) was er een langere periode van aaneengesloten kwartalen met groei. Toen duurde het maar liefst 32 kwartalen.

Overigens groeide onze economie in die 20 kwartalen niet extreem uitbundig. Er kwam in totaal iets meer dan 12% bij. Dat is minder dan tijdens de kortere periodes van expansie in het verleden.

(Kwartaalcijfers voor het Nederlandse bbp zijn er vanaf 1960. Bronnen voor bovenstaande grafiek zijn OECD en CBS)

Staan er echt een miljoen mensen aan de kant, klaar om Poolse vakkenvullers te vervangen?

De Nederlandse arbeidsmarkt kon toch nog krapper. In maart daalde de werkloosheid naar een zelden vertoonde 3,3%. De vijver staat bijna droog en dat is lastig vissen voor bedrijven met vacatures.

Toch hoor je van zowel links als rechts dat de arbeidsmarkt helemaal niet zo krap is. Op links wijst men graag op de grote groepen die langs de zijlijn staan. In werkelijkheid zou het om een miljoen mensen gaan, die van werk worden uitgesloten. De arbeidsmarkt is niet krap, als we iedereen maar een eerlijke kans zouden geven.

Ook op rechts ziet men nog ruimte. De officiële werkloosheid mag dan laag zijn, er zijn zat mensen die niet van de bank af komen. “Labbekakken”, noemde VNO-NCW-voorzitter Hans de Boer ze een paar jaar geleden al. VVD-Kamerlid Dennis Wiersma ziet voor deze groep een toekomst als vakkenvuller weggelegd. Berichten dat supermarkten Poolse arbeidsmigranten inzetten, kwalificeerde hij deze week als ‘bizar’. Nederlandse werklozen zouden de vakken moeten vullen, op straffe van een korting op de uitkering.

Zowel links als rechts ziet dus grote, nog niet aangeboorde arbeidsreserves. Ook de cijfers van het CBS zelf lijken daarop te wijzen. Het onbenut arbeidspotentieel, zoals de statistici dat ieder kwartaal berekenen, bedroeg eind 2018 inderdaad meer dan een miljoen personen. Waaruit bestaat die groep? Allereerst gaat het om de werklozen zelf, eind 2018 waren dat er 323.000 (in maart is dat aantal verder gedaald naar 307.000). Maar dat zijn alleen de mensen die echt gezocht hebben naar werk en direct beschikbaar zijn.

Er zijn ook mensen die wel willen werken, maar niet hebben gezocht. En er is een groep die wel heeft gezocht, maar niet direct kan beginnen. Inclusief die groepen zijn er maar liefst 676.000 mensen ‘werkloos’. Verder telt Nederland 363.000 deeltijders die graag meer uren zouden werken. Deze mensen zijn niet werkloos, maar wel werkzoekend. In totaal komt de teller dan uit op ruim een miljoen min of meer werklozen/werkzoekenden.

Kun je uit dit aantal afleiden dat de arbeidsmarkt ruim is? Dat denk ik niet. Een miljoen lijkt veel, maar vijf jaar gelden bedroeg het onbenut arbeidspotentieel nog ruim 1,8 miljoen. Het aantal ontevreden deeltijders liep snel terug en ook de groep van mensen die willen werken maar niet zoeken, daalde flink. In de recessie raakte een deel van deze mensen ontmoedigd, omdat solliciteren toch geen zin had, maar het afgelopen jaar hervonden velen weer hun moed.

(klik voor groter)

Toch blijven er nog zo’n 150.000 mensen zonder werk die zeggen niet ontmoedigd te zijn, maar toch niet zoeken. Zijn dat De Boers labbekakken? Misschien deels wel: bijna de helft van die groep is jonger dan 25 jaar. Maar er zijn ook 25.000 65-plussers die zeggen dat ze best willen werken, zonder te zoeken. Daar lijkt juist een te groot arbeidsethos het probleem. Er zal ook een deel zijn die best wil werken, maar het gewoon niet hoeft, bijvoorbeeld omdat de partner genoeg verdient.

Tenslotte telt Nederland 131.000 mensen die wel zoeken naar werk, maar niet direct beschikbaar zijn. Dit zijn bijvoorbeeld studenten die alvast solliciteren, of mensen die nog ziek zijn maar zich voorbereiden op terugkeer op de arbeidsmarkt. Maar liefst een kwart bestaat uit vrouwen onder de 35 jaar, waarvan een deel mogelijk begonnen is met zoeken om, zodra de kinderen naar school gaan, weer betaald werk te hebben.

De miljoen werkzoekenden is dus een buitengewoon diverse groep. De een wil niet werken terwijl dat wel zou moeten, de ander wil dat wel terwijl het niet hoeft. Er zijn mensen die werken en toch ook werk zoeken, en mensen die niet werken en daar (soms terecht) ook niet actief naar op zoek zijn. De grootste gemene deler van al deze verschillende mensen levert niet het bewijs dat veel mensen worden uitgesloten, en ook niet dat er nog overal potentiële vakkenvullers verstopt zitten.

(FD)

Dijkhoffs klimaatbeleid

De VVD van Klaas Dijkhoff denkt aan uw kinderen en kleinkinderen. Zij mogen geen problemen krijgen met de verslechtering van klimaat en milieu, zo valt te lezen in het ‘discussiestuk’ dat de fractieleider afgelopen weekend publiceerde. ‘Liberalisme dat werkt voor mensen’, luidt de titel van de tekst waarmee Dijkhoff vooral afstand lijkt te nemen van het beeld dat de VVD er vooral is voor de multinationals.

Op de laatste pagina ontvouwt Dijkhoff zijn visie op wat misschien wel de grootste beleidsuitdaging van onze tijd is: de aanpak van het klimaatprobleem. Het goede nieuws is dat de VVD zich niet laat besmetten door de wetenschapsontkenning van populisten. Het klimaatprobleem is echt en noopt tot actie, weet Dijkhoff. Hij schrijft: ‘We pakken het probleem aan.’

‘Geef schadelijk gedrag een prijs en de maatschappij draait bij, zonder plicht of straf’

Handen uit de mouwen, dus. Niet zeuren, maar poetsen. Maar hoe de VVD die aanpak precies voor zich ziet, daarover zwijgt het stuk. Dijkhoff schrijft vooral op wat klimaatbeleid niet moet zijn. Het moet niet leiden tot verboden en plichten. De vrijheid van de burger mag niet worden ingeperkt. Wie in een brandstofauto met 130 over de snelweg wil vroemen, moet daar voor kunnen kiezen. Net als Nederlanders die lang willen douchen, elke dag gehaktballen willen eten en veel willen vliegen, dat zonder schuldgevoel moeten kunnen doen.

In principe heeft Dijkhoff gelijk. Klimaatbeleid kan prima zonder dwingende voorschriften en beklemmende regels. We hoeven geen vrijheden af te pakken om het klimaat te redden. Voor de noodzakelijke gedragsverandering zijn niet per se nieuwe dogma’s en leefregels nodig.

Economen weten dat al eeuwen. Wie gedrag wil veranderen, moet niet de dominee sturen, maar de koopman. Geef schadelijk gedrag een prijs en de maatschappij draait bij, zonder plicht of straf. Liberaal klimaatbeleid gaat via de portemonnee. Iedereen blijft vrij om te doen en laten wat hij of zij wil, mits daar een prijs voor wordt betaald waar milieu- en klimaatschade in is verdisconteerd. Een schuldgevoel is daar niet bij nodig.

Kiest Dijkhoff voor dit liberale klimaatbeleid? Helaas niet. Hij pleit niet voor regulerende belastingen, want we mogen ‘mensen niet op kosten jagen’. In plaats daarvan moet ‘technologie’ het klimaatprobleem oplossen, schrijft hij. Maar dit soort technische oplossingen komen niet vanzelf. Juist om te zorgen dat bedrijven en burgers investeren in schone technologie, heb je regulerende belastingen nodig.

Dijkhoff moet kiezen: regulerende belastingen of regels en wetten. Hopen op schone technologie die als manna uit de hemel komt vallen, is geen klimaatbeleid.

(FD)

Trumps handelsbeleid doet niet alleen het buitenland, maar ook de Amerikanen pijn

Het gaat niet goed met de wereldhandel. Volgens nieuwe cijfers van het Centraal Planbureau daalde het volume van de internationale handel in februari met 1,7%. Het totaal van import en export in de wereld ligt nu onder dat van een jaar geleden. Volgens persbureau Bloomberg is de daling van de afgelopen maanden zelfs de scherpste in tien jaar tijd.

Aan potentiële verklaringen geen gebrek. De Chinese economie had het de afgelopen maanden moeilijk, de Europese industrie viel terug, de angst voor de brexit verlamde ondernemers en de handelsoorlogen die Donald Trump in 2018 ontketende, hakken er flink in. Deze factoren spelen vast allemaal een rol, maar als ik moest kiezen wat de belangrijkste verklaring is, dan koos ik voor de laatste.

De importtarieven op staal en aluminium uit onder meer China en de EU, de nieuwe heffingen op ongeveer de helft van het Chinese exportpakket naar de VS, maar ook de tarieven op Amerikaanse producten die deze landen als reactie op Trumps protectionisme invoerden, hebben onmiskenbaar effect gehad op de wereldhandel. Tel daarbij op de bijna continue stroom aan dreigementen van Trump over nieuwe handelsbelemmeringen, bijvoorbeeld voor Europese auto’s, en het lijkt een wonder dat de wereldhandel niet verder is ingestort.

Juist omdat we een lange periode van steeds lagere handelsbarrières achter de rug hebben, doen de nieuwe belemmeringen zo’n pijn. Toenemende vrijhandel maakte het voor bedrijven mogelijk om productieketens internationaal te organiseren. Onderdelen van het productie- en assemblageproces werden gevestigd op plaatsen met de beste prijs-kwaliteit verhouding. De nieuwe tariefmuren die nu weer oprijzen, doorsnijden die productieketens en dwingen bedrijven tot een fundamentele heroverweging van de manier waarop ze produceren. Juist in een wereld van vrijhandel doen importtarieven veel pijn.

Volgens de Amerikaanse regering is de pijn gerechtvaardigd. Amerikaanse werknemers in kwetsbare, industriële sectoren moeten worden beschermd. U weet het: America first en de rest kan niet schelen. Maar ook dat blijkt een drogredenering. Nieuw onderzoek laat zien dat Amerikaanse burgers helemaal niet profiteren van Trumps handelsoorlogen.

Die oorlogen woeden inmiddels lang genoeg om voldoende data te genereren voor serieus onderzoek. Drie Amerikaanse economen van Columbia University, Princeton en de Federal Reserve Bank of New York, trekken in een recent onderzoek de eerste conclusies. Zij kijken naar het effect van de importtarieven uit 2018 op prijzen van halffabrikaten en eindproducten, de variëteit in het productaanbod en het effect daarvan op de koopkracht van Amerikaanse burgers.

Volgens hun berekeningen zorgde het beleid van Trump voor een ruim een verdubbeling van het gemiddelde Amerikaanse importtarief tot ruim 3%. Dat leverde de Amerikaanse overheid miljarden op aan extra belastinginkomsten. In de eerste elf maanden van 2018 telde dat in totaal op tot ruim $12 miljard. Kassa voor Trump!

Maar de importtarieven blijken geheel te zijn doorberekend in de prijzen die Amerikaanse bedrijven en consumenten betalen. Bovendien moesten die vaak op zoek naar duurdere of kwalitatief mindere binnenlandse alternatieven. Die binnenlandse producenten konden, afgeschermd van buitenlandse concurrentie, de prijzen verder opvoeren, terwijl de afbraak van productieketens zorgde voor hogere productiekosten. In totaal, zo schatten de onderzoekers, liepen de kosten tussen januari en november 2018 op tot ruim $19 miljard. Per saldo kostte Trumps handelsbeleid de VS in die periode dus $7 miljard. In november ging het alleen al om bijna anderhalf miljard economisch verlies.

Zelfs als Trumps maatregelen ervoor zorgen dat alle 35.400 banen die de afgelopen tien jaar verloren gingen in de Amerikaanse staal- en aluminiumindustrie, zouden terugkeren, dan bedragen de jaarlijkse kosten per baan bijna $200.000. Dat is, zo schrijven de onderzoekers vier keer het gemiddelde loon van zo’n werknemer.

Met andere woorden: zelfs uitgaande van de meest gunstige uitkomst blijkt de handelsoorlog van Trump een uiterst kostbare manier om industriële banen terug te krijgen.

FD

Groei in Europa vertraagt, maar onze economie doet het lang niet zo slecht als analisten denken

Europa schiet zichzelf weer eens in de voet. Niet een keer, maar met minstens drie kogels. Zo luidde (enigszins gechargeerd) het oordeel van het Internationaal Monetair Fonds deze week. De wereldeconomie vertraagt, schrijft het IMF in de halfjaarlijkse World Economic Outlook, en vooral in Europa valt de groei tegen.

In oktober vorig jaar verwachtte men nog dat de economie van het eurogebied dit jaar met 1,9% zou groeien. Nu is die prognose verlaagd naar 1,3%. De raming voor de Duitse economie is meer dan gehalveerd, naar 0,8%. Die voor Italië werd zelfs gedecimeerd en blijft met 0,1% ternauwernood uit de rode cijfers. Nederland doet het dan nog relatief aardig, met een verwachte groei van 1,8%. Maar ook die raming ligt flink onder de 2,6% van een half jaar geleden.

De problemen zijn voor een flink deel ‘made in Europe’. De onzekerheid rond de brexit maakt Europese investeerders kopschuw. De Duitse auto-industrie heeft moeite zich aan te passen aan de nieuwe emissie-eisen en aan de noodzakelijke maar kostbare overgang naar elektrische auto’s. En de nieuwe Italiaanse regering bracht nieuwe onrust met zich mee, die leidde tot hogere rentes en lagere investeringen. Drie schoten in eigen voet, afgevuurd door drie verschillende landen. Nog een wonder dat de Europese economie überhaupt groeit dit jaar.

‘Japanse toestanden’

Alsof de duvel er mee speelt: telkens als de Europese economie een beetje op stoom komt, springt er ergens een ventiel open, en daalt de druk weer bijna tot recessieniveau. Conjuncturele tegenvallers rijgen zich in Europa aaneen tot een ketting van structureel onderpresteren. Vroeger noemden economen dat ‘euroscleurosis’. Tegenwoordig spreekt men liever van ‘Japanse toestanden’.

Die laatste vergelijking dook de afgelopen week dan ook weer veelvuldig op. Zeker toen bleek dat de Europese Centrale Bank allerminst van plan is de monetaire teugels aan te halen en juist op zoek is naar manieren om de economie van het eurogebied verder te stimuleren. Net als Japan lijkt Europa vast komen te zitten in een economisch moeras van lage rente, lage inflatie en lage groei. Dat de Franse centralebankpresident François Villeroy het donderdag nodig vond om in het openbaar te ontkennen dat de Europese economie lijkt op die van Japan, is een teken aan de wand.

Maar misschien heeft de Fransman wel een punt. Met name Angelsaksische analisten hebben er een handje van om bij iedere zuchtje Europese tegenwind direct de Japan-vergelijking uit de kast te halen. De Amerikaanse en Britse economie staan in hun analyses standaard aan de vooravond van een gezonde expansie, terwijl die van Europa en Japan steevast op de rand van terminale stagnatie staan. Maar volgens cijfers uit hetzelfde IMF-rapport blijkt dat het recente verleden en de nabije toekomst er toch anders uit zien.

Groei in de VS

Dat de Amerikaanse economie vrij structureel harder groeit dan die van de eurolanden, komt niet zozeer door de economie zelf, maar door de groeiende bevolking. Het aantal inwoners stijgt in de VS meer dan in de Europa. Het IMF corrigeert daarvoor door de groei van het bruto binnenlands product (bbp) per hoofd van de bevolking te berekenen.*  Dan blijkt dat sinds het einde van de eurocrisis in 2013, de groei in het eurogebied bijna net zo groot is geweest als in de VS. Inclusief de IMF-raming voor 2019 en 2020, bedraagt de groei per hoofd in de VS cumulatief 11,7%. Het eurogebied blijft daar met 11,4% maar net achter.

De Britse economie doet het tot 2016 iets beter dan die van de eurolanden. Maar na de referendumuitslag is de groei per hoofd van de bevolking beduidend lager. In totaal bedraagt die groei in de periode 2013-2020 naar verwachting slechts 8,3%. Japan blijft zelfs daarbij achter, met 7,7% economische groei per hoofd.

Voor echte Japanse toestanden moeten we dus nog altijd vooral in Japan zijn, al doen de Britten een aardige imitatiepoging. Het eurogebied, ondanks alle problemen en tegenvallers, houdt de VS keurig bij. Het zijn Amerikaanse toestanden in Europa!

*) Vergelijking o.b.v. koopkrachtpariteit-wisselkoersen

(FD)

journalist en econoom