Eindejaarsfeuilleton 2016: Storm in de Pensioenstraat

schermafbeelding-2017-01-04-om-20-20-19

Deel 1: De Voorzitter

‘Niets aan de hand, niets aan de hand’. Nauwelijks hoorbaar door de gierende storm prevelt de Voorzitter zijn bezwering terwijl hij tastend langs de trapleuning zijn weg naar de zolder zoekt. De pannen rammelen op het dak. Sommige dakpannen zijn verschoven, waardoor er een flink gat is ontstaan. De regen gutst er in grote stralen door naar binnen. Het water verzamelt zich op de houten zoldervloer en zoekt zich door het gestuukte plafond een weg naar beneden; naar de kantoren en werkruimten op lager gelegen verdiepingen.

‘Niets aan de hand. Dit gaat weer voorbij. Deze storm is de laatste. Vanaf morgen schijnt de zon weer’. Prevelend zoekt de Voorzitter zich verder een weg naar de bovenste verdieping van het oude kantoorgebouw. De carbidlamp in zijn hand geeft niet meer dan een flauw schijnsel, net genoeg om zijn kromme schaduw op de gebladderde muur te projecteren.

Hij steekt zijn hoofd door het zolderluik en overziet de ravage. Grote gaten in het pannendak, regenwater dat naar binnen stroomt, een huilende wind die aan de panlatten rukt, het gebint dat zich krakend verzet tegen de natuurkrachten. Het oude kantoorgebouw lijdt, spijkers piepen in de gordingen, korbelen kermen, windveren en waterborden klepperen in de wind.

‘Niets aan de hand’, mompelt de voorzitter. ‘Ik zei het toch. Niets aan de hand.’ Hij laat het zolderluik weer vallen, daalt moeizaam de trap af en verschanst zich in zijn kantoor. De haard brandt, de oorfauteuil zit net zo zacht als op andere avonden. Alles komt goed, er is niets aan de hand.

Het gebouw zal ook deze storm doorstaan, weet de Voorzitter. Hij houdt er immers al zo lang kantoor. Minstens een halve eeuw. Al vijftig jaar staat er op die koperen naamplaat naast de deur: ‘Pensioenfonds der Knopentellers’. Eerst werkte hij er als eenvoudige klerk, maar gedurende de jaren klom hij gestaag op in de rangen van het pensioenfonds. Nu is hij al weer twee decennia Voorzitter van het PdK.

Het is een vergrijsd fonds, met veel gepensioneerden en weinig actieve premiebetalers. Het tellen van knopen is geen populaire bezigheid meer. Vroeger deed bijna iedereen het: voordat men een belangrijk besluit nam, of een allesbeslissende uitspraak deed, telde men eerst zijn knopen. Maar de tijden zijn veranderd. Nu is het eerst roepen, dan pas nadenken. Voor het tellen der knopen neemt niemand meer de tijd. De Voorzitter zucht.

Gelukkig is de kas vol, bij het PdK. Er is veel gespaard, en met een beetje slim beleggen, met iets meer risico op de beurs, moet het beloofde pensioen voor alle deelnemers te betalen zijn, denkt de Voorzitter. Of in elk geval bijna. De fundamenten van het fonds zijn sterk. Net zo sterk als de fundamenten van het kantoorgebouw van het PdK.

Deel 2: De fundering

De storm beukt tegen dak en gevel, planken kraken en boven vliegt weer een hele rij pannen kletterend van het dak. Maar de funderingspalen zijn sterk genoeg. Vast en zeker. Er is niets aan de hand.

De volgende ochtend waait het nog steeds, maar de bulderende storm is even wat minder. Tijd om de schade op te nemen, denkt de Voorzitter van het PdK. Weer de krakende trap omhoog, het zolderluik open en dan de vliering op. Hij ziet plassen water op de vloer en donkere wolken door de gaten in het pannendak.

Zeker weer twintig kapot gevallen. Vroeger had hij altijd een stapeltje pannen in reserve. maar die zijn al jaren op. Om het technisch te zeggen: de dakbedekkingsgraad is erg laag. Maar de Voorzitter weet hiervoor een oplossing die hij al vaak toepaste. Hij verlegt de pannen zodat de meest essentiële delen van het kantoorgebouw goede dekking hebben. Zijn eigen kantoor, uiteraard. Maar ook de werkplekken van de meest ervaren medewerkers van het PdK. De oude rotten in het vak moeten het droog houden. Van jongere werknemers kan een forse dosis solidariteit worden verwacht. Als zij onverhoopt nat regenen hebben ze nog ruim de tijd – een hele carrière – om weer op te drogen.

Zo. De dakpannen zijn herschikt. Alles is weer in orde. De Voorzitter puft een momentje uit en kijkt, het hoofd door een gat in het dak gestoken, naar de daken om zich heen. Overal verschoven dakpannen en gapende gaten. Relatief staat zijn kantoor er eigenlijk nog netjes bij, mijmert hij tevreden. Kijk daar, verderop, dat enorme kantoorpand van het Algemeen Beheerfonds der Pennenlikkers (ABP) met niet alleen gaten in het dak – de bedekkingsgraad is echt lachwekkend laag – maar ook in de muren. Een wonder dat het nog overeind staat. Verderop staan de kleinere pandjes van het Fonds der Metaalbewerkers, dat van de Barbieren, van de Scribenten en alle andere beroepsgroepen. Ieder netjes in z’n eigen pandje. Aan het eind van de straat ziet hij het onttakelde dak van het reusachtige gebouw van het Pensioenfonds voor Nachtzusters en Hoofdmeesters.

Het leek ooit zo’n goed idee: we zetten alle kantoorpanden van alle fondsen in dezelfde straat bij elkaar. Ieder op z’n eigen kavel, duidelijk omschreven en ingetekend. Ieder fonds z’n eigen gebouw; op een gegeven moment werd dat zelfs verplicht gesteld. Het was een prachtig gezicht, al die trotse gebouwen bij elkaar. Zonder twijfel de beste straat van de wereld, zeiden buitenlandse bezoekers bewonderend.

En eigenlijk is het dat nog steeds, denkt de Voorzitter. Ach, er zitten wat gaatjes in de daken, en de gebouwen zijn een beetje scheef gezakt. Maar omdat ze tegen elkaar aan kunnen leunen, blijft de straat als geheel zeer solide.

Er zijn mensen die beweren dat er al direct bij de bouw fouten zijn gemaakt. Buitenstaanders zonder verstand van zaken fluisteren dat er te korte palen zijn gebruikt voor de fundering. Kamergeleerden zijn het. Dilettanten die met hun theoretische rekensommetjes over paallengte en draagvermogen onrust zaaien onder de gebruikers van de panden.

De onrust hierover is inmiddels zo groot dat hij met de andere voorzitters een symposium gaat organiseren over dit zogenaamde funderingsprobleem. Morgen vindt dat plaats, hier ten kantore van het Pensioenfonds der Knopentellers. Als het niet te hard regent moet het net kunnen.

Deel 3: Het symposium

Een congres over funderingen. Niet van een enkel gebouw, maar van een hele straat. Een straat vol pensioenkantoren. In de grote hal op de onderste verdieping van het Pensioenfonds der Knopentellers (PdK) komt vandaag iedereen bijeen, om te praten over het probleem van de te korte funderingspalen onder de panden. ‘Of beter: het non-probleem’, denkt de Voorzitter van het PdK.

Hij staat in de deuropening en heet zijn collega’s welkom. De grote voordeur gaat al een tijd niet meer dicht. Sinds de Grote Verzakking van 2008 past het ding niet meer in z’n sponning. Maar dat geeft niet. Pensioenfondsen als het PdK willen graag open en transparant zijn. Een dichte deur past daar niet bij.

Als iedereen binnen is, gaat het symposium van start. Of eigenlijk nog niet. Het leek de organisatoren leuk om te beginnen met een stukje vermaak. Voor de vrolijkheid hebben ze een piepjonge ingenieur uitgenodigd, die funderingskunde studeert aan de Universiteit van Chicago. Dat wordt lachen! De jongeman vertelt een onbegrijpelijk verhaal vol cijfers en formules over te korte palen en te weinig dakpandekking. Hij zegt dat de hele straat op instorten staat. Renoveren heeft geen zin meer, alleen slopen en opnieuw beginnen. Het is allemaal bijzonder komisch!

‘Zo,’ zegt de Voorzitter als de knul het podium heeft verlaten, ‘dan kan het symposium nu echt beginnen.’

De eerste serieuze spreker komt van het Fundatie Negatie Verbond (FNV). Zonder veel omhaal van woorden stelt de spreker dat er niets mis is met de funderingspalen. Ze waren vroeger lang genoeg, dus nu ook. Waarschijnlijk kunnen ze zelfs wel wat korter. Het hout van de reststukken zouden de pensioenfondsen dan kunnen gebruiken voor leuke uitbouwtjes: torentjes, dakkapellen, misschien zo’n hippe hottub voor in de tuin. De aanwezigen klappen luid.

Vervolgens spreekt een emeritus hoogleraar. Hij deed vroeger alleen onderzoek naar schoorstenen, maar sinds z’n pensionering zijn funderingspalen zijn hobby. De palen zijn niet te kort, zegt ook hij. ‘De rekenmethode van Bouw- en Woningtoezicht deugt van geen kant. Zij willen dat we de daadwerkelijke paallengtes gebruiken voor de berekeningen! Terwijl je veel beter de historische bouwtekeningen als uitgangspunt kunt nemen. In deze stad is vroeger altijd met lange palen gebouwd. Dus waarom zou dat nu opeens anders zijn?’

Als de professor klaar is en onder luid applaus het podium verlaat, gaat er een siddering door het gebouw. De storm is weer in volle hevigheid opgestoken en inmiddels hagelt het. Door de trillingen zakt de linkerkant van het gebouw in een keer zo’n 30 centimeter verder weg. ‘Zie je wel’, schreeuwt de professor over het gekreun van de plafondbalken heen. ‘Dit kan het gebouw dus prima hebben.’

Het symposium wordt afgesloten door een oude boekhouder die vertelt over een betere rekenmethode om paallengte te bepalen. De Ultieme Fundatie Rekening, of UFR, heet die methode, waarbij wordt uitgegaan van fictieve paallengtes. Echt heel verantwoord, legt hij uit.

Maar de aanwezigen luisteren al niet meer. De voorzitters van de pensioenfondsen gaan op een holletje terug naar hun scheefgezakte kantoorpanden. Het weer wordt slechter en ze maken zich stiekem toch zorgen. Een klein beetje.

Deel 4: Het rapport

“Er is niets aan de hand. Ik zei het toch?” De Voorzitter van het Pensioenfonds der Knopentellers wist het altijd al, maar nu heeft hij het zwart op wit. De Solitair Epibrerende Raad (SER), het gezelschap van experts, dat onafgebroken adviseert over ditjes en datjes en van alles en nog wat, heeft een rapport geschreven waarin geen ruimte is voor twijfel.

Natuurlijk, hier en daar kunnen de gebouwen van de pensioenfondsen wel een likje verf gebruiken, leest de Voorzitter. En misschien kan er een extra spijkertje in. Maar we moeten vooral niet doen alsof de boel op instorten staat. De eerste regel van het rapport laat aan duidelijkheid niets te wensen over: De Nederlandse pensioengebouwen behoren tot de beste van de wereld. “En zo is het”, mompelt de Voorzitter instemmend.

Toch had hij de afgelopen nacht een enkel moment van twijfel gevoeld. De hagelstorm van gisteren was overgegaan in een Siberische sneeuwstorm. De sneeuw woei door het inmiddels dakpanloze dak, en drukte zwaar op de zoldervloer. Rond drie uur was de kritische massa bereikt en stortte de vloer met donderend geraas omlaag. Even later verloor ook de ondergelegen verdieping de strijd met de zwaartekracht. Zijn bureau, de archiefkasten, zijn fijne oorfauteuil, alles was in totale wanorde op de marmeren tegels van de begane grond beland – inclusief een meter sneeuw.

Direct daarna ging het gebouw zelf schuiven. Door de schok van de vallende verdiepingen gleed het pand van de fundering af en maakte dertig graden slagzij, Toen de Voorzitter geschrokken door de gebroken ramen naar buiten keek, zag hij dat andere pensioengebouwen het minstens zo zwaar hadden. Het krakkemikkige pandje van het Pensioenfonds der Scribenten was simpelweg omgevallen, dat van het Pillendraaiersfonds miste zowel dak als voorgevel. En waar ooit het enorme gebouw van het Algemeen Beheerfonds der Pennenlikkers had gestaan, zag hij nu alleen nog maar een enorme hoop sneeuw met hier en daar een uitstekende balk.

Toen kwam dat moment van twijfel. Was er misschien toch iets structureel mis met de pensioengebouwen? Maar gelukkig: even later brak de grijze ochtend aan en arriveerde de postbode. De man vocht zich dapper een weg door het metershoge puin in de straat om het rapport te bezorgen, dat de Voorzitter nu met zoveel instemming leest.

Behalve een likje verf en een extra spijkertje, pleit het rapport ook voor een ‘collectieve buffer’: een soort PUR-schuim dat in enorme hoeveelheid in alle stegen en spouwen moet worden gespoten, zodat de gebouwen elkaar nog steviger overeind zullen houden. Daarnaast stelt de Raad zogenaamde ‘solidariteitskringen’ voor. Het idee is om de dakpannen niet meer terug te leggen, maar een enorm grote paraplu te maken, die dan door een grote kring van jonge medewerkers over de daken kan worden gehouden.

Slim, denkt de Voorzitter. Jongeren zijn sterk.

Terwijl hij die gedachte formuleert, glijdt het gebouw nog twintig graden schever. De marmeren vloer zakt in en een zijmuur valt naar binnen. Grote bakstenen dalen op de Voorzitter neer. Nog net tijd voor één gedachte: “Niets aan de hand”, denkt hij. “Alles komt goed.”

 

 

(Feuilletons eerdere jaren: 20152014, 2013, 2012 en 2011