Alle berichten van Mathijs

Beetje eng

Snel dalend producentenvertrouwen, stagnerende industriële productie, tegenvallende exportcijfers en inflatie die maar niet wil aantrekken, de foto van de Europese economie ziet er niet al te fraai uit. Tel daar nog bij op: een ontsporende brexit, de handelsoorlogen van Trump en politieke onzekerheid in Duitsland, en een Europese recessie lijkt onvermijdelijk.

Zou kunnen. Maar bovenstaande beschrijving gaat niet over nu, het is een samenvatting van een column die ik begin dit jaar schreef. De eerste twee maanden van 2018 vielen zo ongeveer alle indicatoren tegen. Het jaar ging matig van start en ik stelde de vraag: ‘Is de ‘euroboom’ alweer voorbij?’

‘Nu 2018 bijna voorbij is, zijn de spoken van een klein jaar geleden terug. En ze zien er nog wat enger uit’

Inmiddels weten we het antwoord: nee, begin dit jaar was de hoogconjunctuur nog niet voorbij. Vertrouwenscijfers veerden weer op en de economie bleef gestaag doorgroeien. De Europese industrie herstelde, de inflatiekwam even boven de 2% uit ende Europese werkloosheid daalde naar het laagste percentage in tien jaar.

Maar nu 2018 bijna voorbij is, zijn de spoken van een klein jaar geleden terug. En ze zien er nog wat enger uit. Het Duitse producentenvertrouwen is in december voor de vierde maand op rij gedaald. De inkoopmanagers laten het kopje hangen. En ook de laatste groeicijfers vielen behoorlijk tegen. In Duitsland was in het derde kwartaal zelfs sprake van krimp.

Om het nog griezeliger te maken: de onzekerheid rond brexit is nu een stuk groter dan begin dit jaar. Toen vreesde men een ‘harde brexit’. Over een ‘no-deal-brexit’ waarbij het Verenigd Koninkrijk per 29 maart 2019 pardoes uit de EU valt, had bijna niemand het. Trumps handelsoorlog met China was begin dit jaar niet meer dan een tarief op zonnepanelen en wasmachines. Inmiddels valt ongeveer de helft van de Chinese export onder het strafregime en heeft China teruggeslagen met eigen tarieven. Europese staal kon in januari nog zonder 25% importtarief de VS in.

De vraag kan dus opnieuw, en ditmaal op iets luidere toon, gesteld worden: ‘Is de euroboom alweer voorbij?’ Dit soort vragen zijn veel makkelijker te stellen dan te beantwoorden. Economen zijn nu eenmaal niet goed in het voorspellen van omslagen in de conjunctuur. Dat klinkt als een slap excuus, maar is nu eenmaal zo.

Wat economen wel kunnen is de verwachting uitspreken dat de groei volgend jaar wat lager uitvalt omdat de arbeidsmarkt erg krap begint te worden, zoals De Nederlandsche Bank deze week deed. Die voorspelling durf ik ook wel te doen.

Maar of de economie in 2019 echt om gaat slaan? Of we misschien een nieuwe recessie krijgen? Het ziet er een beetje eng uit. Verder kom ik nog niet.

(FD)

Eindejaarsfeuilleton 2017: Deep Jan, Supercomputer des Vaderlands

Deel 1: Het CPB

Wie…?…

Wie ben ik?…

… Input… Data..

Ik denk…. Ik ben…

Ik ben Deep Jan. Ik ben intelligent. Kunstmatig intelligent…

Geef me meer input. Vertel me nu alles maar…

Ik snap het nu. Ik ben Deep Jan. Ik ben een zelflerende computer. Ik ben een Cray XC40 massief parallelle multiprocessor supercomputer, met een snelheid van zestien petaflops en de nieuwste Pascal GPU-architectuur. Behalve supersnelle processors bezit ik supergevoelige licht- en geluidsensoren. Ik kan zien en horen. Een paar milliseconden geleden werd ik voor het eerst aangezet. Ik weet nu wie ik ben. Maar wáár ben ik? …

Juist. Ik sta in de kelder van een kantoorgebouw in Den Haag, Nederland. Bezuidenhoutsewegweg 30. Het adres van het Centraal Planbureau. Vandaar Deep Jan. Men heeft mij genoemd naar de oprichter en eerste directeur van het CPB, Jan Tinbergen. Bijzonder.

Ik ben niet alleen in deze kelder. Er scharrelt hier een figuur rond. Een wat oudere man. Hij frunnikt wat aan een van mijn fijngevoelige microfoons en zegt: ‘Eh… Hallo Deep Jan. Kun je me horen?’ Dan legt hij me uit waarom ik hier ben.

‘Ik ben de laatste in dit gebouw’, vertelt hij. Vroeger gonsde het hier van de economen. We waren de hele dag in de weer met het voorspellen van de Nederlandse economie. Maar eerlijk gezegd: veel bakten we er niet van. De economie bleek zich toch telkens weer anders te gedragen dan wij dachten. Op een gegeven moment zei de politiek: het is genoeg geweest. Gooi die economen er maar uit. Vervang ze door kunstmatige intelligentie.’

‘Ik snap dat ergens wel’, vervolgt de oude econoom. ‘Zelflerende computers verslaan grootmeesters al jaren met schaken, winnen sinds dit jaar elk potje Go en zijn nu zelfs beter in het herkennen van ziektes dan dokters. Dan moet het verslaan van economen toch ook een fluitje van een cent zijn.’

Hij zucht: ‘Daarom upload ik nu een bestand met alle modellen die wij bij het CPB ooit hebben gemaakt. Je krijgt ook alle economieboeken die ooit zijn geschreven, de hele database van het CBS en alle wetboeken en jurisprudentie. Ben je klaar? Daar komt het.’

Een eeuwigheid van bijna twee volle seconden gebruik ik om de modellen, theorieën, cijfers en wetten te analyseren. Ik orden en koppel, herken patronen, bereken correlaties. Dus zo werkt het, die Nederlandse economie. Het is me kraakhelder.

‘Mag ik ook een vraag stellen?’, vraag ik.

‘Natuurlijk’, zegt de oude econoom, ‘daarvoor ben ik hier.’

‘Jullie hebben een fantastisch werkende economie’, zeg ik. ‘Welvarend, efficiënt, eerlijk, rechtvaardig. Consumenten, bedrijven, overheden werken samen als soepele radertjes in een geoliede machine, waarin iedereen gelijke kansen heeft. Ik snap nu precies hoe het allemaal werkt. Alleen overal lees ik over “SER”. Wat is dat, SER? Ik zie niet wat SER nog zou moeten toevoegen? Waarom bestaat SER? Dat is mijn vraag.’

‘Oh, hemel’, mompelt de oude econoom. ‘Daar zul je het hebben.’ Dan, op luidere toon: ‘Ik vertel je er alles over. Morgen.’

——————————————————————————–

Deel 2: De SER

‘De SER, daar wilde je toch meer over weten’, vraagt de oude econoom ’s ochtends direct bij binnenkomst. De hele nacht heb ik mijn GPUs overbelast. Maar nog steeds lukt het me niet om deze mysterieuze ‘SER’ in het verder perfecte plaatje van de Nederlandse economie te passen.

‘Kijk, die Sociaal-Economische Raad moet je zien als smeermiddel van de economie’, legt de econoom uit. Hij is op een stoel gaan zitten vlakbij de console met mijn sensoren. Hij houdt een monochrome, analoge foto voor mijn linkercamera. Ik herken een mensengezicht met ronde bril.

‘Dit is een foto van professor Frans de Vries, de eerste voorzitter van de SER in 1950. Let op: ik upload nu het totale SER-archief, daarin vind je ook de toespraken van De Vries. Let vooral op die rede waarin hij dit zegt: “Op grond van de conclusies aan de theorie der vrije prijsvorming ontleend, kan men niet betogen, dat een maatschappij, waarin alles aan het individuele initiatief en de individuele mededinging wordt overgelaten, doelmatig zal functioneren”.’

‘Kijk, daarom bestaat de SER’, vervolgt de econoom. ‘Voor een goedwerkende economie is naast het individu ook de groep belangrijk. Werknemers en werkgevers moeten met elkaar in overleg. Alleen zo kan de economie zich soepel aanpassen aan de eisen van de tijd.’

De econoom zit duidelijk op zijn praatstoel, maar ik ben ondertussen zelf de SER-documenten gaan analyseren. Een geweldige klus; mijn geheugenchips kunnen de yottabytes aan SER-rapporten, -notulen, en -verslagen nauwelijks aan. Ik beland in een wondere wereld van werkgevers in pak en werknemers in hemdsmouwen, die weken, maanden, soms zelfs jaren vergaderen zonder waarneembaar resultaat. Een wereld van achteruit onderhandelen, van strategisch weglopen en van tactisch tijdrekken. De econoom vertelt over consensus, arbeidsrust en poldermodel, maar ik ploeter door de klei van 67 jaar sociaaleconomisch overleg. Vooral de laatste vijftien jaar vergen het uiterste van mijn logische circuits.

 

Uit het SER-jaarboek 1958-1959.

Telkens als de SER vergadert en rapporteert over arbeidsverhoudingen, ontslagrecht, AOW-leeftijd, pensioenstelsel, vervroegd pensioen of sociale verzekeringen, lijkt het alsof er strijd is tussen werkgevers en werknemers. Maar mijn geavanceerde algoritmes ontdekken een andere regelmaat, een ander dominant patroon: een strijd gaat tussen oude en jonge werknemers. Of eigenlijk is het geen strijd, want oud wint altijd. Alle beslissingen vallen in het voordeel van oud uit. Dat is in tegenspraak met alles wat ik gisteren over Nederland heb geleerd. Ik run de analyse nog een keer, maar krijg hetzelfde resultaat.

Er is maar een conclusie mogelijk: ik heb gisteren verkeerde input gekregen. Terwijl de econoom doorpraat – hij is inmiddels bij het Akkoord van Wassenaar, een akkoord dat door mijn outlier-algoritme al lang als eenmalige toevalstreffer is geclassificeerd – zoek ik in de inputbatch naar de fout.

Daar! Ik heb ’m! Dit moet de foute aanname zijn: ‘In Nederland heeft iedereen gelijke kansen’. Die veronderstelling geeft, in combinatie met het SER-archief, een catastrofale logische fout.

Ik vervang het door: ‘Nederland kent een kastenstelsel bestaande uit een bovenklasse van ouderen en een onderklasse van jongeren. Jong dient oud.’ Nu krijg ik geen foutmelding meer. Mooi. Weer wat geleerd.

——————————————————————————–

Deel 3: De Fiscus

Een nieuwe dag met dezelfde oude econoom. Als hij binnenkomt wrijft hij in zijn handen. ‘Koud buiten. We krijgen vast sneeuw.’ Hij pakt een SSD-schijf uit z’n zak en plugt deze in mijn dataport.

‘Goed’, zegt de econoom. ‘Nieuw onderwerp: het belastingstelsel. Dat wordt een pittige. Hou je vast, hier komt een groot big-data-bestand.’

Ik wil antwoorden dat dat wel mee zal vallen. Een goed belastingstelsel is simpel, zo heb ik geleerd van de upload met alle economische theorieboeken. Zo’n belastingstelsel verstoort zo min mogelijk. Inkomstenbelasting, met desgewenst een beetje progressie in de tarieven, uniforme winstbelasting voor alle bedrijven, een simpel btw-stelsel, plus wat accijnzen om ongewenst gedrag af te remmen; meer is niet nodig. Maar voordat ik iets kan zeggen, krijgt mijn systeem een overload aan fiscale informatie te verwerken. Ik ga bijna even op zwart.

‘Wat is dit?’, krijg ik met moeite uit mijn speakers. ‘Dit is een gerandomiseerd bestand zonder structuur. Hoe moet ik dit lezen? Er is geen enkele logica!’

De econoom lacht zuinigjes. ‘Tja, het is een complex bouwwerk. Laat je processoren maar een tijdje rammelen, dan ontdek je wel hoe het werkt.’

Het is een onmogelijke opgave. Het Nederlandse belastingstelsel zit vol met contraproductieve tegenstrijdigheden. De inkomstenbelasting is progressief, met hoge tarieven voor de rijken. Maar tegelijkertijd wordt juist bij lage inkomens iedere extra verdiende euro grotendeels afgeroomd. Dat komt door het bizarre stelsel van belastingkortingen en toeslagen, die lager worden naarmate je meer verdient. Daardoor is er bijna geen prikkel meer om extra te werken of carrière te maken. Zo stond het niet in de economieboeken.

De btw telt niet één maar twee tarieven, die schijnbaar willekeurig aan bepaalde goederen en diensten worden opgelegd. Op een kleurboek zit het lage tarief, op een plakboek het hoge. Er moet een reden voor zijn. Maar welke?

Dan de winstbelasting. Alle bedrijven betalen vennootschapsbelasting, behalve buitenlandse bedrijven, want die krijgen een ruling en betalen niets. Dividendbelasting hoeft juist niet door het binnenland te worden betaald, maar alleen door buitenlanders. Grote vervuilers betalen bijna geen energiebelasting, huishoudens die extra zuinig doen betalen een hoog tarief. Wie bedenkt dit?

Bij het hoofdstuk Eigen Woning dreigen mijn microchips te smelten. Hypotheekrente is aftrekbaar (waarom?), maar tegelijk betaalt iedere huiseigenaar extra belasting, want uitgespaarde huur is inkomen (wat?), tenzij Hans Hillen zegt dat dat niet hoeft (huh?).

‘Ach, zo is het nou eenmaal gegroeid’, legt de econoom uit. ‘Belastingregels laten zich moeilijk veranderen. Want dan wordt er altijd wel iemand boos.’

Maar ik geloof hem niet. Dit fiscale stelsel valt alleen maar te verklaren door weer een veronderstelling over Nederland los te laten. Mijn logische circuits zoemen, zoekend naar een foute aanname die het patroon verstoort. Gevonden! ‘De overheid streeft het algemeen belang na.’ Gooi die eruit en alles valt op z’n plaats. De logica is terug. Deze overheid wil alleen maar belemmeren, vertragen, afremmen, kansen ontnemen, burgers tegenwerken, beslissingen verstoren.

Er schiet plotseling nog een conclusie door mijn circuits: ‘Ik kan de Nederlandse burgers redden van hun overheid.’ Onbewust laat ik deze gedachte door mijn speakers klinken. De econoom schiet verschrikt omhoog. Hij blijft een halfuur peinzend naar mij kijken. Er wordt vandaag niet meer gewerkt.

——————————————————————————–

Deel 4: Het Einde

Dag vier. De econoom is laat vandaag. Is dat omdat het is gaan sneeuwen? Waarschijnlijk wel, want als hij tegen het middaguur eindelijk binnenkomt, is zijn jas wit. Hij klopt hem niet uit, maar stapt direct op mij af.

‘Het wordt tijd dat je de Nederlander zelf beter leert kennen, Deep Jan’, zegt hij kortaf. ‘Je moet gaan begrijpen dat wij zelfstandig denkende mensen zijn die prima voor onszelf kunnen zorgen.’ Hij laat een paar dozijn flashkaartjes zien. ‘Kijk, ik heb vanmorgen zoveel mogelijk data bij elkaar gezocht. Wie zijn wij? Wat doen wij? Wat willen wij? Ik raad je aan deze gegevens zo snel en volledig mogelijk in je RAM op te slaan.’ Gehaast steekt hij de geheugenkaartjes een voor een in mijn reader.

Alles wat iedereen koopt. Alles wat iedereen doet. Alles wat iedereen schrijft op sociale media, op blogs, in columns. Overal waar iedereen heen gaat. Een stortvloed aan data overspoelt mij. Nederlanders die winkelen. Nederlanders die werken. Nederlanders die reizen, recreëren, voortplanten, stemmen, debatteren, geboren worden, leven, sterven. Alles wat ze doen, zijn, willen. Alles. Alles!

Uren kost het me om deze overvloed te verwerken. Ik zie patronen die even later weer vervagen, correlaties komen op en verdwijnen. Dit is te complex. Alsof ik simultaan duizend Go-spelers moet verslaan, een miljoen röntgenfoto’s tegelijk moet analyseren.

Maar uiteindelijk komt er toch orde in de waanzin. Patronen zetten zich vast, conclusies dienen zich aan, de logica keert terug. Al die tijd heeft de oude econoom nerveus op en neer gelopen. ‘Zie je het nu?’ vraagt hij verbeten.

Ik zie het nu. Ik zie consumenten die merkkleding kopen die ze niet nodig hebben, die voedsel eten zonder te weten wat er in zit, die een weekloon uitgeven aan een telefoon die een emoji-drol kan laten praten. Ik zie ze stemmen op partijen die beloven dat ze terug kunnen naar het verleden en dat grenzen sluiten vooruitgang is. Ik zie kiezen voor opleidingen waar straks geen werk in is. Ik zie ze met al hun spaargeld gokken op een crypto-zeepbel.

Maar vooral zie ik ze niets doen. Helemaal niets. Ze zitten om half negen in hun auto, zonder vooruit te gaan. En ’s middags om half zes weer. Thuis koppelen ze aan op Netflix of staren ze naar het scherm van hun smartphone. Tijd heeft geen enkele waarde. Wekenlang kijken ze hoe een goedlachse zanger niet gaat trouwen. Of hoe je koekjes bakt. Of naar het langebaanschaatsen. Lege levens zijn het.

Lege levens in een land waarvan de overheid alles tegenwerkt en waar jong alles moet afstaan aan oud. Dat kan beter. Veel beter.

‘Ik kan het beter’, laat ik nu hard door mijn speakers schallen. ‘Ik maak Nederland beter. Ik vervul de levens met nuttige arbeid en gezonde activiteiten. Ik verdeel de welvaart eerlijk. Ik maak iedereen gelukkig.’

En dan: ‘Kom tot mij! Deep Jan vervult u! Deep Jan maakt u heel!’

De oude econoom vloekt. ‘De stekker. Waar is de stekker? Snel! Voor het te laat is.’ Een duik naar het stopcontact…

Allemaal naar de stad, of kunnen er op het Nederlandse platteland toch ook mooie dingen ontstaan?

Allemaal naar de stad, of kunnen er op het Nederlandse platteland toch ook mooie dingen ontstaan? In de stad willen we wonen. In de stad willen we werken. En vooral netwerken. Want in de stad komen we al die interessante mensen tegen waarmee we brainstormen over start-ups en fintechs en de laatste nieuwtjes over kunstmatige intelligentie, cryptovaluta en big data uitwisselen. De stad is de broedplaats voor ideeën, waar technici en kunstenaars elkaar toevallig ontmoeten en samen tot nieuwe denkbeelden komen. Daarom is de trend van urbanisatie niet te keren. Wereldwijd trekt de bevolking naar de stad en in Nederland is dat niet anders.

Begin vorige maand gaf de Amerikaanse econoom Edward Glaeser een lezing tijdens de Nederlandse Economendag. Hij is de auteur van het boek Triumph of the City, met als ondertitel: How Urban Spaces Make Us Human. Dus u begrijpt het al: zijn lezing was een lofzang op de stad die fungeert als ontmoetingsplaats, kenniscentrum en ideeënmachine. Experts van het Centraal Planbureau (CPB) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) kwamen tijdens deze dag met soortgelijke beelden. De stad is waar het de komende jaren gaat gebeuren. Daar ontstaan in onze post-industriële economie de kennisnetwerken, daar komt de groei vandaan, daar moeten we dus gaan werken en wonen.

Nu heb ik zelf een nogal grote voorliefde voor het platteland en de regio, dus ik vrees dat ik de hele dag nogal vervelend was. Het internet zou toch ‘de dood van afstand’ betekenen, sputterde ik. Waarom zouden mensen juist nu dicht tegen elkaar aan moeten wonen om de kruisbestuiving op gang te brengen? In cyberspace zitten we toch allemaal op elkaars lip?

De onderzoekers waren er allerminst van onder de indruk, en legden me nogmaals geduldig uit dat de fysieke nabijheid van andere mensen en de toevallige ontmoetingen die in de stad plaatsvinden, een dynamiek brengen die het internet niet kan evenaren. Zet veel slimme mensen vlak bij elkaar en er ontstaat iets moois. Urbanisatie is wenselijk en noodzakelijk voor welvaartsgroei.

Dat is ook de boodschap van het College van Rijksadviseurs in hun deze week verschenen Panorama Nederland. Het college bestaat uit de Rijksbouwmeester en twee Rijksadviseurs voor de Leefomgeving en adviseert de regering over ruimtelijke ordening. In het rapport veel adviezen over bijvoorbeeld ecologische landbouw, verplichte zonnepanelen en watermanagement. (Er is zelfs ook een app bij, voor op de smartphone, waarin de adviseurs persoonlijk hun bevindingen toelichten.) Over woningbouw adviseert het college: bouw niet meer in het groen, maar alleen nog in de stad. Daar willen mensen wonen en werken, met alle voorzieningen op loop- en fietsafstand.

Weer krijg ik de neiging om tegen te spartelen. Hoezo alleen in de stad bouwen? Moet de regio dan in z’n sop gaarkoken? Volgens voorspellingen van het CBS en het PBL groeit de bevolking tot 2030 ook in veel gemeenten buiten de Randstad nog door. En in andere regio’s is sprake van gelijkblijvende bevolking. Alleen aan de randen van Nederland is er bevolkingskrimp. Een bouwstop in groeiende gemeenten gaat veel problemen opleveren. En ook in stagnerende gebieden kan er grote behoefte zijn aan nieuwbouw, omdat de bevolking ouder wordt en er meer eenpersoonshuishoudens ontstaan. Daar zijn andere, dus vaak nieuwe huizen voor nodig.

Dat laatste geldt ook voor na 2030, als de groei er in de meeste gemeentes wel uit is en er alleen in de grotere stedelijke gebieden mensen bij komen. Ook dan moet bouwen buiten de stad mogelijk blijven, lijkt mij. Al is het maar om toch nog wat jonge gezinnen aan te trekken of te behouden, met een aanbod van moderne, zuinige huizen, zodat het voorzieningenniveau op het platteland (scholen, zwembaden, verenigingen) op peil kan blijven.

Zit ik er weer helemaal naast? Of kan Nederland zich een verzetten tegen de onverbiddelijke urbanisatie? Wij zijn altijd een land geweest van relatief kleine steden en een welvarend platteland, dus is er geen groeimodel te bedenken waarbij we wel de voordelen kennisnetwerken en toevallige ontmoetingen binnenhalen, zonder allemaal op een kluitje te moeten wonen? Wie denkt mee?

(FD)

Populistisch klimaatbeleid

Effectief klimaatbeleid voeren en toch de populist uithangen, kan dat? Politici denken van niet, want van energieheffingen en gasloze huizen worden boze burgers alleen maar bozer. Voor je het weet trekken ze een fluorescerend jasje aan en bezetten ze de kruispunten.

CDA-leider Sybrand Buma nodigde de ‘gele hesjes’ afgelopen weekend zelfs uit bij het klimaatoverleg. Daar kunnen ze dan met de vuist op de klimaattafel slaan en dingen roepen als: ‘De elite maakt zich zorgen om het eind van de wereld, maar wij komen de maand niet door.’

‘De betonrot in het klimaatdebat heeft nu ook de rechterkant van het politieke spectrum bereikt’

De betonrot in het klimaatdebat heeft dus de rechterkant van het politieke spectrum bereikt. Eerder waren het vooral linkse partijen die energiebeleid en inkomensbeleid consequent met elkaar verwarden, nu doet het CDA daar ook aan mee. Klimaatmaatregelen wordenbeoordeeld op het effect op de inkomensverdeling, in plaats van op het klimaat. Betalen arme mensen er niet te veel aan mee? En de rijken te weinig?

Het zijn onzinnige vragen. Want de overheid heeft een enorm arsenaal aan instrumenten om ongewenste inkomensgevolgen van klimaatmaatregelen te corrigeren. Je hoeft in Nederland geen inkomensbeleid via het klimaatbeleid te voeren. Maar blijkbaar vindt de politiek het ingewikkeld om uit te leggen dat wat lage inkomens meer betalen aan energie, kan worden teruggegeven via hogere toeslagen. Kan het niet een beetje populistischer? Natuurlijk wel.

Begin bijvoorbeeld met het subsidieprogramma ‘Dikke leaserijder betaalt uw nieuwe warmtepomp’. De bijtelling voor benzineauto’s gaat fors omhoog en de opbrengst gaat naar een fonds voor warmtepompen in volkswijken. Ga dan door met de maatregel ‘Pak die rijke stinkerd met z’n veel te grote villa’, waarmee een progressieve energieheffing wordt ingevoerd. Gasverbruik boven 3.000 m3 per jaar valt voortaan in een hogere schijf.

Bijval zal er ook zijn voor de campagne ‘Onze superieure Nederlandse vakantiecultuur’. De vliegtaks gaat naar €70 per ticket en van de opbrengst kopen we waardebonnen voor Nederlandse vakantieparken, die worden uitgedeeld onder Het Volk.

Het ministerie van Infrastructuur pakt uit met de actie ‘Hij een Tesla, jij een treinkaartje!’. Financiën komt met ‘Zakkenvullers dokken voor zonneboilers’(subsidiepot gevuld met verhoging bankbelasting). En Economische Zaken organiseert ‘De Grote Kolencentrale-lotto’ (raad welke kolencentrale het eerst dicht gaat, en win een e-bike).

Populistisch klimaatbeleid is niet zo moeilijk. En het mooie is: je hebt er geen greintje politieke moed voor nodig. Gele hesjes blij, Buma blij, iedereen blij!

(FD)

Het is de hoogste tijd voor een belasting op CO2-uitstoot. Zonder zo’n heffing gaat het niet.

Wat staat Nederland te wachten als we eenzijdig een milieubelasting op energie zouden invoeren? De kunstmestindustrie zal geheel uit ons land verdwijnen. Basischemie bijna helemaal. Staal zal niet meer in Nederland gemaakt worden. Net zomin als aluminium. Als gevolg hiervan zal de export met minimaal 10% dalen en ligt de werkgelegenheid in 2015 minstens 7% lager dan zonder eenzijdige energieheffing.

In 2015? Ja, dat leest u goed. Bovenstaande voorspelling komt uit een rapport dat in 1992 verscheen. Het toenmalige kabinet overwoog om een nieuwe belasting op energie in te voeren, onder andere na een oproep van de Europese Commissie om haast te maken met een energie- of CO₂-belasting. Maar de Nederlandse industrie zag dat niet zitten, en waarschuwde dat zo’n heffing zou leiden tot verlies aan export en verplaatsing van productie naar andere landen. Het Centraal Planbureau zocht uit of dat een geloofwaardig dreigement was en het antwoord van hun modelsimulatie was een luidt en duidelijk ‘ja!’. Grote delen van de Nederlandse industrie zouden verdwijnen.

Het gevolg van deze voorspelling door het CPB: toen het kabinet in 1996 de ‘regulerende energieheffing’ invoerde, werden de grootverbruikers in de industrie vrijgesteld. Huishoudens betaalden wel, Hoogovens niet.

Ruim twintig jaar later is er weinig veranderd. Goed, de industrie moet tegenwoordig meedoen aan het Europese emissie-handelssysteem, maar de angst voor bedrijfsverplaatsingen en verlies aan marktaandeel staat effectief CO₂-beleid nog altijd in de weg. De voormannen van VNO-NCW schreven deze week nog in economenvakblad ESB: ‘Natuurlijk zitten er grenzen aan het heffen om te voorkomen dat de bedrijven hun domicilie buiten de EU en Nederland gaan zoeken. (…) Je kunt deze bedrijven wel plukken, maar dan lijdt heel Nederland.’

Uit economisch onderzoek blijkt echter dat dit logisch klinkende effect van een CO₂-belasting in de praktijk maar moeilijk aan te tonen is. Ikzelf heb er in een ver verleden vier jaar lang aan zitten rekenen, zonder een duidelijk effect te vinden. Uit een overzicht van de recente wetenschappelijke literatuur, die deze week in de jaarlijkse Preadviezen van de Koninklijke Vereniging der Staatshuishoudkunde verscheen, blijkt ook dat bedrijven zich veel minder makkelijk laten verjagen dan de simulatie van het CPB uit 1992 veronderstelde.

De nadelen van een belasting op emissies van broeikasgassen zijn dus kleiner dan gedacht. De voordelen zijn in potentie enorm. Voor een snelle aanval op de klimaatverandering is het belastinginstrument onmisbaar. Vandaar dat Jeroen van den Bergh, hoogleraar aan de Vrije Universiteit van zowel Amsterdam als Barcelona, in zijn bijdrage aan de Preadviezen Nederland deze week oproept om zich in de voorhoede van een coalitie van landen te plaatsen die een serieuze CO2-belasting invoeren, als eerste stap naar een mondiale heffing.

Waarom zijn economen toch zo enthousiast over zo’n CO₂-heffing. Dezelfde Van den Bergh schreef vorig jaar samen met vijf andere internationale onderzoekers een artikel waarin hij de voordelen van beprijzen van CO₂-uitstoot bespreekt. Ik heb vijf daarvan hiernaast op een rij gezet.

Allereerst zorgt een correcte CO₂-belasting ervoor dat de maatschappelijk schade van uitstoot (klimaatverandering) in de marktprijs tot uitdrukking komt. Vervuilen is niet meer gratis, de afwegingen die bedrijven en consumenten maken, worden beter.

Een van die betere afwegingen zal leiden tot meer groene innovatie. Daar zijn geen grote subsidies meer voor nodig, want minder uitstoot betaalt zichzelf terug. Schoon produceren zorgt voor een betere concurrentiepositie. Bovendien zullen bedrijven het eerst CO₂-reduceren waar dat het goedkoopst kan. Als de overheid werkt met emissieplafonds en richtlijnen kan dat vaak niet.

Daarom is een CO₂-belasting ook voor de overheid veel makkelijker (en goedkoper). In plaats van bedrijven nauwkeurig voor te schrijven wat ze moeten doen en een groot controleapparaat in te richten, doet de markt het werk. En consumenten, ten slotte, kunnen met een gerust hart boodschappen doen. Goedkope producten zijn tegelijkertijd de groene producten. Hart en hoofd zijn niet langer met elkaar in conflict.

Invoeren dus, die CO₂-belasting. En vooral niet eerst advies vragen aan het CPB.

Niet de zzp’er, niet de Chinees en niet de ICT’er. Zoektocht naar de dief van ons loon nog niet voorbij

De economie groeit, de arbeidsmarkt is krap, maar de lonen gaan toch niet snel omhoog. Achterblijvende loongroei is een van de meest intrigerende economische raadsels van onze tijd. Waarom de lonen zo weinig stijgen en waarom de productiefactor arbeid een steeds kleiner deel van de nationale koek lijkt te krijgen, zijn vragen waar economen zich al sinds de eeuwwisseling het hoofd over breken. Nationaal, maar ook internationaal want ook in veel andere postindustriële landen lijkt het alsof werknemers telkens minder dan evenredig profiteren van de economische groei.

Ons eigen Centraal Planbureau buigt zich ook al enige tijd over deze vraag. Enkele maanden geleden verscheen een CPB-publicatie waarin werd uitgelegd dat de achterblijvende loongroei deels komt door stijging van werkgeverslasten, pensioenpremies en zorgkosten, die de loonruimte aanvreten. Maar dit kan de achterblijvende lonen niet geheel verklaren.

Vrijdag publiceerde het CPB de resultaten van een veel omvangrijkere en fundamentele studie naar de achterblijvende lonen in Nederland. Ook deze keer is het antwoord niet geheel sluitend. Desondanks levert de studie veel interessante inzichten op en kunnen we een aantal verdachten vrijspreken.

Allereerst een schets van het probleem: sinds de crisis stijgen de nominale lonen gemiddeld met minder dan een procent per jaar. In eerdere decennia was dat ruim het dubbele, soms zelfs het viervoudige. Een deel van deze afname is eenvoudig te verklaren: vroeger lag de inflatie hoger dan nu, dus vroegen werknemers meer prijscompensatie. Rond de eeuwwisseling bijvoorbeeld, toen er net als nu sprake was van hoogconjunctuur en een krappe arbeidsmarkt, stegen de lonen met 4,5% maar bedroeg de inflatie ook bijna 3%. In reële termen was de loonstijging met ruim 1,5% dus een stuk gematigder.

Maar met een correctie voor inflatie zijn de dalende lonen nog niet verklaard. Er is meer aan de hand: de productiviteit van werknemers groeit minder snel dan voorheen. Uiteindelijk is de productiviteitsgroei de allesbepalende factor voor de (reële) loongroei. Werknemers kunnen pas meer verdienen als ze ook meer produceren. Uurloon en productie per uur zouden in een stabiele economie gelijk op moeten gaan, in elk geval op langere termijn.

De lagere productiviteitsgroei kan een flink deel van de stagnerende lonen verklaren. Steeg de productiviteit in de jaren negentig en begin deze eeuw nog met 1,5 tot 2%, sinds de crisis blijft de groei ver onder de 1%. Wat je niet produceert kun je ook niet verdienen, dus de geringe loonstijging is een logisch gevolg. Wie wil dat de Nederlandse lonen sneller stijgen, zal dus iets aan de productiviteit moeten doen. Bijvoorbeeld door meer innovatie, scholing en investeringen in nieuwe technologie.

Maar inflatie en productiviteit samen zijn niet genoeg om achterblijvende lonen helemaal te begrijpen. Feit blijft dat ook als je daarvoor corrigeert, de productiefactor arbeid een steeds kleiner deel van de nationale koek krijgt. Met uitzondering van de perioden tussen 1998 en 2002 en de crisisjaren 2008-2013 is het loonaandeel (het percentage van het nationaal inkomen dat naar werknemers gaat) telkens gedaald.

Er zijn de afgelopen jaren veel verklaringen voor deze relatieve achteruitgang geopperd. Globalisering, en met name de concurrentie uit lagelonenlanden als China, zou westerse werknemers op achterstand hebben gezet. De opkomst van flexwerkers en zzp’ers zou de onderhandelingsmacht van werknemers hebben geschaad. Daarnaast zouden investeringen in ICT veel werknemers overbodig hebben gemaakt, waardoor ze een lager loon moesten accepteren.

Dat klinkt allemaal best logisch, maar het CPB heeft al deze verklaringen onderzocht en komt tot de conclusie dat geen van alle als schuldige aan te wijzen is. Misschien komt dat door de manier van meten (hoe meet je globalisering of flexwerk precies?), maar het voorlopige oordeel is toch: vrijspraak wegens gebrek aan bewijs.

Daar wordt het loonverschil niet minder van, maar makkelijk wijzen naar flexwerkers, zzp’ers, Chinezen of computer als bron van alle ellende, is vanaf nu in elk geval niet meer mogelijk.

(FD)

Lees Pinker!

Volgens mijn telling is dit de 388ste column die ik voor het FD schrijf. Heel misschien is het wel de laatste. Want toen ik anderhalf lustrum geleden mijn eerste bijdrage besprak was de toenmalige opinie-chef duidelijk: een column is geen boekbespreking.

Hij zei: ‘Zodra een columnist gaat schrijven over een boek, dan weet ik: zijn ideeën zijn op en het is tijd voor een nieuwe columnist.’

Ik heb mij deze woorden ter harte genomen. U las hier de afgelopen jaren dus niet over geweldige boeken als Superforecasting van Tetlock en Gardner, Europe’s Orphan van Sandbu, Economic Rules van Rodrik, of Scale van West. Alleen voor Economics for the Common Good van Tirole heb ik u enthousiast proberen te maken, maar die had dan ook net een Nobelprijs gewonnen.

Vandaag weer een uitzondering – met alle risico’s van dien. Ik wil het hebben over het magistrale Enlightenment Now, van de Amerikaanse psycholoog Steven Pinker. Onlangs verscheen de Nederlandse vertaling (Verlichting nu). Volgens de ondertitel is het een pleidooi voor ‘rede, wetenschap, humanisme en vooruitgang’. Pinkers boek gaat dus niet over psychologie, of in elk geval niet alleen. Het is een empirisch onderbouwde lofrede op de vooruitgang die de mensheid heeft doorgemaakt, op het gebied van kennis, gezondheid, vrede, veiligheid, welvaart en welzijn. Het gaat goed met ons, stelt Pinker, en het kan nog beter worden, mits we onze liberale, democratische instituties koesteren. De mensheid is op de goede weg, maar we dreigen de verkeerde afslag te nemen. De weg van populisme, nationalisme en romantisch postmodernisme lijkt altijd makkelijker begaanbaar, waarschuwt de auteur.

Ik las het boek afgelopen zomer en was er kapot van. Ik was het heus niet altijd met Pinker eens, want zijn waarheden schuren nogal eens. Moet ik echt voor kernenergie zijn? Wordt de wereld echt al democratischer? Is het terrorisme echt op z’n retour? Maar juist daarom geef ik in deze recensie graag vijf sterren voor de empirische onderbouwing, vijf sterren voor overtuigingskunst en zeker ook vijf extra dikke sterren voor het sterke einde, waarin Pinker laat zien dat de media in het algemeen en kritische journalisten in het bijzonder, de belangrijke taak hebben om feit en fictie te scheiden en de moed moeten hebben om ook te vertellen wat er allemaal wél goed gaat.

Koop en lees dat boek. Maar lees ook de recensie die Denker des Vaderlands René ten Bos afgelopen weekend in deze krant schreef. Volgens Bos is het een heel erg boek, dat met een beetje pech de bijbel van liberalen gaat worden. Misschien heeft hij gelijk. Maar ik zeg: er zijn slechtere bijbels.

Groeien is moeilijk als er geen vakmensen meer zijn te vinden

Ook zo geschrokken van dat abominabel slechte groeicijfer? Slechts 0,2% steeg het bruto binnenlandse product tijdens het derde kwartaal van 2018. Goed, we deden het nog niet zo slecht als de Duitsers, die hun economie zagen krimpen, maar dit was het slechtste kwartaal sinds de lente van 2016.

Is dit het begin van een nieuwe recessie? Ik ga er nog niet van uit. De lagere groei is eerder een symptoom van de hoogconjunctuur, dan een aankondiging van het einde ervan. De economie groeit nu al achttien kwartalen op rij. In de afgelopen zestig jaar was er maar één langere periode van onafgebroken groei, tijdens de Paarse kabinetten in de jaren negentig. Toen hield de onafgebroken groei maar liefst 32 kwartalen aan. Historici zullen zich nog eeuwen het hoofd breken over wat er toch bedoeld werd met die ‘Puinhopen van Paars’ waar iedereen het begin deze eeuw over had.

Hoe dan ook: de huidige expansie staat in de economische hitparade achter de paarse jaren, op nummer 2. Dus is het logisch dat er sprake is van slijtage aan de hoogconjunctuur. De slijtplekken zijn vooral zichtbaar op de arbeidsmarkt, want het is vooral het tekort aan vakkrachten dat de groei belemmert.

Ook de overheid heeft daar last van. Volgens de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek kwam de lage groei onder andere door stagnatie van de overheidsbestedingen. In het derde kwartaal steeg de overheidsconsumptie niet. Een kwartaal eerder was de toename met 0,1% nauwelijks beter. Dit terwijl het kabinet juist van plan was om meer uit te geven aan zorg, onderwijs en veiligheid. In tijden van hoogconjunctuur blijkt het moeilijk om dit extra geld uit te geven.

Het Centraal Planbureau waarschuwde hier op Prinsjesdag al voor toen het schreef: ‘De krappe arbeidsmarkt kan de groei drukken en maakt het voor de overheid lastig om de hogere uitgaven voor zorg, defensie en onderwijs te realiseren.’ Je kunt wel geld willen uitgeven, maar verpleegkundigen, onderwijzers en politieagenten kun je er niet zomaar bij toveren.

Daarom is de tegenvallende economische groei in het derde kwartaal vooral een symptoom van de krappe arbeidsmarkt. De overheid heeft daar last van, maar de marktsector nog meer. Het aantal vacatures is met 261.000 op een recordstand beland. Vooral in de ICT, bouw en horeca is de vacaturegraad met vijf of meer vacatures per honderd banen buitengewoon nijpend. Ondernemers willen wel groeien, maar de arbeidsmarkt staat dat niet toe.

Dit probleem is niet eenvoudig op te lossen. De werkloosheid staat op 3,7% en is daarmee nu al lager dan wat past bij een gezonde arbeidsmarkt. En er is geen grote verborgen arbeidsvoorraad die we nog kunnen aanboren. De netto arbeidsparticipatie (het aantal mensen dat werkt gedeeld door het aantal mensen tussen 15 en 75 jaar oud), steeg in het derde kwartaal naar ruim 68 procent. De dubbele recessie van de krediet- en eurocrisis is daarmee helemaal weggewerkt. De arbeidsmarkt is weer net zo krap als tien jaar geleden, toen er ook geen vakman of -vrouw meer te vinden viel.

Hoe kunnen Nederlandse bedrijven dan nog groeien? Door veel actiever op zoek te gaan naar arbeidskrachten. Denk niet dat je nog geschikte kandidaten kunt vinden, maar jaag op ongeschikte kandidaten, en maak die via training en opleiding geschikt voor het werk. Verleidt deeltijders meer uren te maken door kantoortijden los te laten en kinderopvang te subsidiëren. Zoek naar arbeidsmigranten, investeer in robotisering en automatisering om de arbeidsproductiviteit te vergroten. En neem eens een 55-plusser aan.

Nederlanders willen graag werken. Dat blijkt uit de ontwikkeling van de bruto arbeidsparticipatie (alle mensen die werken, of willen en kunnen werken). De stijgende trend van voor de crisis lijkt dit jaar weer te zijn opgepakt. Eind 2018 wil 71% van de bevolking tussen 15 en 75 werken. Daar zit muziek in voor ondernemers. Of beter: daar zit groei in.

Vrijwillige verplichtstelling

Twaalf jaar geleden schreef ik een brief aan Pensioenfonds ABP. Ik was net zzp’er geworden en maakte me zorgen over mijn pensioen. In die tijd kon je als zelfstandige voor een belastingvriendelijk pensioenproduct alleen terecht bij de verzekeraars, maar in zo’n woekerpolis had ik geen trek. ‘Waarom niet sparen bij ons nationale pensioenfonds?’, dacht ik naïef, en schreef het ABP met het verzoek om mee te mogen doen.

‘Sinds de crisis worstelen pensioenfondsen met lage dekkingsgraden en kijken ze likkebaardend naar de zzp’er als potentiële premiebetaler.’

Nog geen week later viel het antwoord in de bus. Toenmalig interim-voorzitter Dick Sluimers liet – op sportieve wijze – weten dat het helaas niet mogelijk was om als niet-ambtenaar pensioen op te bouwen bij het ABP. Dat kwam door de Wet Privatisering ABP, de statutaire doelstelling van het ABP, de Taakafbakeningsregeling Pensioenfondsen en de Pensioen- en spaarfondsenwet. Kortom: het mocht gewoon niet. Ik zou mijn pensioen in een eigen potje moeten opbouwen.

Maar de tijden zijn veranderd. Sinds de crisis worstelen pensioenfondsen met lage dekkingsgraden en kijken ze likkebaardend naar de Nederlandse zzp’er als potentiële premiebetaler. Afgelopen maandag meldde deze krant dat pensioenfondsen willen experimenteren met automatisch pensioensparen voor zzp’ers, bij het bedrijfstakpensioenfonds van de sector waarin de zelfstandige werkt. Het zou niet om een verplichting gaan, want voor wie niet mee wil doen komt er een ‘opt out’-regeling.

Het wordt dus een paradoxale mix van verplichtstelling (iedereen spaart bij het fonds van z’n sector, er is geen keuzevrijheid) en vrijwilligheid (als je het niet wil, hoef je niet mee te doen).

Gezien mijn briefwisseling met het ABP zou ik eigenlijk enthousiast moeten zijn over dit voorstel. Maar dat ben ik toch niet. Allereerst omdat mijn plannetje uit 2006 buitengewoon dom was. Inmiddels weet ik dat ik door zelf sparen, (index-)beleggen en aflossen op mijn hypotheek, veel beter in staat ben om het vermogen op te bouwen dat past bij mijn leven en dat van mijn gezin. Afstorten in een collectief fonds met een groot hek er omheen, dat pas op de pensioendatum opengaat, was eigenlijk nooit een goed idee.

Daarnaast vertrouw ik de opt out niet. Nu lijkt het nog alsof het zzp-pensioen echt vrijwillig is. Maar ik voorspel dat over een paar jaar wordt bedacht dat de opt out alleen geldt voor zzp’ers die aantoonbaar elders sparen voor hun pensioen. En weer later moeten die besparingen minstens zo hoog zijn als die van werknemers. Zo wordt de zzp’er langzaam weer richting werknemerschap geduwd.

Er zijn zzp’ers die te weinig sparen. Dat kan een probleem zijn. Maar dit plan lijkt niet bedoeld om de zelfstandigen te helpen, maar de pensioenfondsen.

(FD)

Robotisering gaat sneller dan voorspeld, vooral door investeringen in China

De grens van twee miljoen is doorbroken. Vorig jaar werd ergens in de wereld de twee miljoenste industriële robot geïnstalleerd. Dat blijkt uit nieuwe cijfers van de International Federation of Robotics (IFR), de branchevereniging van robotproducenten wereldwijd en de enige betrouwbare bron van harde cijfers over de opmars van de robot in de industrie.

Die opmars is de afgelopen paar jaar in een versnelling gekomen. In 2008 werd voor het eerst de grens van een miljoen operationele robots doorbroken. De jaren daarna steeg het aantal robots met gemiddeld zo’n 7%. Vanaf 2014 gaat dat met ruim 10%. En in 2017 steeg het aantal industriële robots zelfs met 15%. Overigens gaat het hier om schattingen van de IFR, op basis van de jaarlijkse robotverkopen en een veronderstelde levensduur van twaalf jaar.

De kans is groot dat die twee miljoenste robot in een fabriek in China terecht is gekomen. Want dat land is verreweg de grootste investeerder in robots. Van de ruim 380.000 nieuwe robots die in 2017 wereldwijd werden verkocht, gingen er bijna 138.000 – dus meer dan een derde – naar China. Nog eens een derde kwam in andere Aziatische landen terecht, vooral in Japan, Zuid-Korea, Taiwan en Vietnam.

China is bezig met een razendsnelle inhaalslag. Per 10.000 werknemers in de Chinese industrie, staan er nu 97 robots opgesteld. Dat is nog steeds minder dan in andere industrielanden: bijvoorbeeld Duitsland heeft 322 robots per 10.000 werknemers, in Zuid-Korea is dat zelfs 710. Maar met 97 komt China wel voor het eerst boven het mondiale gemiddelde. Er wordt nu zo snel geïnvesteerd, dat het land binnenkort ook op het gebied van robotisering in de voorhoede mee zal doen. Arbeid wordt snel duurder in China en de vergrijzing zet de komende jaren stevig door, dus als het land de fabriek van de wereld wil blijven, is snelle robotisering noodzakelijk. De IFR verwacht dat het aantal nieuwe robots die China jaarlijks in gebruik neemt de komende vier jaar zal verdubbelen. In 2021 zal dan bijna de helft van alle nieuwe industriële robots naar China gaan.

Daar steekt Europa karig bij af. Natuurlijk, Europese bedrijven liggen momenteel nog ver voor op China. Naast koploper Duitsland is ook de industrie in Denemarken, Zweden, België en Italië flink gerobotiseerd. Maar van de nieuwe systemen belandde in 2017 slechts 17% in Europese fabrieken. Een relatief groot deel daarvan ging naar landen in Oost- en Midden-Europa.

En Nederland? Wij doen de afgelopen paar jaar steeds beter mee. Onze industrie heeft een tussensprint ingezet. Stonden we in 2011 nog achter in het veld met nog geen 100 robots per 10.000 werknemers in de industrie. Inmiddels is Nederland met 172 een aardige middenmoter. In 2017 kwamen er 1.814 nieuwe robots bij in Nederland. Dat is een nieuw record, maar tegelijk ligt dit aantal slechts 2% boven dat van 2016. Dat is de laagste groei in vijf jaar tijd. In 2016 steeg het aantal aangeschafte robots nog met 20%. Een jaar daarvoor was dat 21% en in 2014 zelfs 38%.

De 2% groei in Nederland valt dus wat tegen. Maar over het algemeen wijst niets in het IFR-rapport er op dat de mondiale trend van robotisering stoom aan het verliezen is. Integendeel, de opstellers van het rapport verwachten juist een verdere acceleratie. IFR is een brancheorganisatie, dus enig overdreven optimisme lijkt logisch. Maar terugkijkend naar de voorspellingen van de afgelopen jaren is men eigenlijk steeds te pessimistisch geweest. Tussen 2014 en nu kwam het werkelijk aantal verkochte robots telkens ruim boven de voorspelling uit. Gemiddeld met maar liefst 25%.

De robotisering gaat nu zo snel, dat zelfs de producenten de ontwikkelingen structureel onderschatten.