Alle berichten van Mathijs

Piketty-poen

Het is 1991. Ik ben net 25 jaar oud geworden en ontmoet Thomas Piketty, de Franse ster-econoom en schrijver van enorm dikke boeken over ongelijkheid. ‘Prends!’, zegt hij en drukt me een grote envelop in de handen. Daarin vind ik een stapel €200-biljetten. Minstens zeshonderd stuks.

Ho, wacht even. Hier gaat van alles mis. In 1991 bestonden er nog geen eurobiljetten. En Piketty was in dat jaar een 20-jarige promovendus aan de prestigieuze École Normale Supérieure in Parijs. Hij reisde in 1991 wel naar het buitenland, maar ging naar Moskou, niet naar Amsterdam.

Klopt. Ik liet me even meeslepen door het voorstel dat de Franse econoom in zijn nieuwe boek Kapitaal en ideologie doet. Op pagina 1046 pleit hij voor: ‘een systeem waardoor elke jongvolwassene, bijvoorbeeld op zijn vijfentwintigste, een schenking ontvangt, gefinancierd via een progressieve vermogensbelasting’. Later rekent hij voor dat zo’n schenking in West-Europa €120.000 zal bedragen.

Wat een idee! Piketty-poen voor iedere 25-jarige, gefinancierd met een flinke belasting op het vermogen van je ouders en grootouders! Zo krijg je de ongelijkheid er wel onder.

‘Wat ik echt wilde? Een grote zeilboot kopen. Zo’n traditionele platbodem’

Maar wat doet zo’n schenking met een jonge man of vrouw die net aan het begin van de carrière staat? Wat had het met mij gedaan? Ik had in 1991 natuurlijk geen gele €200-biljetten gekregen, maar groene briefjes van 1000 gulden. Hoeveel? €120.000 maal 2,20371 maakt ƒ264.445. Maar sinds 1991 is geld 43% minder waard geworden, dus mijn envelop had pakweg 150 duizendjes bevat.

Ik weet precies wat de 25-jarige Mathijs met dat bedrag had gedaan. In 1991 was ik net afgestudeerd en voelde ik de ‘banenloze groei’ aan den lijve. Samen met driehonderd andere macro-economen solliciteerde ik op de eerste passende functie die we in maanden in de Intermediair hadden zien staan: junior beleidsmedewerker bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Ik was heel bang dat ik die baan per ongeluk zou krijgen…

Wat ik echt wilde? Een grote zeilboot kopen. Zo’n traditionele platbodem, en dan geld verdienen in de chartervaart. Het was een vlucht het water op. Met anderhalve ton had ik zo’n schip kunnen kopen. Maar Piketty zat in Moskou, dus ik bleef blut. Uiteindelijk ontsnapte ik aan het ministerie en mocht ik promotieonderzoek doen aan de (iets minder prestigieuze) Universiteit van Amsterdam. Het zou een uitstekende keuze blijken.

Piketty-poen had mijn leven behoorlijk op de kop gezet. Ik had volgens mij de verkeerde keuze gemaakt. Ben ik een uitzondering? Hoe zit dat bij u?

(FD)

Zonneweide of thoriumcentrale?

Bent u actief op sociale media? Dan heb ik een aardig sociaal experiment voor u. Schrijf eens een berichtje waarin u heel terloops iets positiefs zegt over wind- of zonne-energie. Zoiets als: ‘Tjonge wat waait het weer hard, ik durf te wedden dat windmolens nu veel stroom leveren.’ Of probeer het met: ‘Ik fietste laatst langs zo’n weiland vol zonnepanelen. Eigenlijk best een mooi gezicht als je bedenkt dat daar schone stroom wordt opgewekt.’ Plaats het bericht en pak de stopwatch erbij.

Nu is het een kwestie van nauwkeurig timen van de reacties. Hoelang duurt het voordat iemand begint over kernenergie? Wanneer valt voor het eerst de term ‘thoriumcentrale’? Hoe snel gaat het over het totaal tekortschieten van ons elektriciteitsnet? Mijn record is twintig seconden. Vooral de voorvechters van kernenergie lijken met hun vingers boven de toetsen klaar te zitten om op ieder berichtje over hernieuwbare energiebronnen te reageren met een gepassioneerd pleidooi voor het splitsen van het atoom.

Dag mag natuurlijk, het internet is een vrijplaats. Maar het is toch jammer dat elke uitwisseling van gedachten over wind en zon zo snel ontaardt in een ruzie over de alternatieven. Alsof we de luxe hebben om nu al te kiezen voor het ene of het andere alternatief voor fossiele brandstof. Je kunt toch wel voor kernenergie zijn, maar ook voor wind op zee, of zon op land?

Iets soortgelijks gebeurt als je een berichtje schrijft over elektrisch rijden. Bijvoorbeeld: ‘Ritje gemaakt in m’n nieuwe elektrische auto. Nu weer aan de oplader #makkelijk’. Binnen mum van tijd gaat het niet meer over je auto, want iemand heeft boos gereageerd dat waterstof de toekomst is en batterijen ‘zeer vervuilend’ zijn. Alsof de wereld nu al de keuze moet maken of we allemaal in een Tesla gaan rijden of een waterstofeconomie gaan opbouwen. Het kan toch allebei? Sterker: het moet allebei. Voor de ene toepassing is een batterij het best, voor de andere lijkt waterstof (in de toekomst) logischer als energiedrager.

De energietransitie is nog maar nauwelijks begonnen. Niemand weet hoe de mogelijkheden en prijzen van alternatieve energiebronnen en -dragers zich in de toekomst zullen ontwikkelen. Dit is de tijd van experimenteren en leren. Of in economentaal: de optiewaarde van kiezen voor één technologie is nu erg hoog. Dus milieubeweging: gooi niet bij voorbaat de deur dicht voor kernenergie, CO2-opslag en andere technologische oplossingen. En zelfbenoemde realisten: geef toe dat er voor zon en wind ook een belangrijke rol is, en zet niet alles in op een thoriumcentrale die misschien wel nooit komt.

(FD)

Virusuitbraak zorgt voor een aanbodschok en daar kan de overheid niet veel aan doen

Niet brexit, niet Trumps handelsoorlogen en zelfs niet de recessie in de Duitse industrie slaagden er de afgelopen jaren in om aandelenbeurzen langdurig van slag te brengen. Er was wel eens een paniekaanval of koersdipje, maar dat bleek telkens van korte duur. Verliezen werden snel goedgemaakt en de koersen pakten hun opwaartse trend weer gewoon op. Optimisten kregen telkens gelijk, pessimisten boekten flinke verliezen.

Is het deze keer anders? Angst voor de economische gevolgen van de virusuitbraak veroorzaakte deze week grote verliezen op de beurzen. Koersen doken sneller en dieper omlaag dan tijdens eerdere ‘correcties’. Misschien dat het weer een briljant koopmomentje blijkt te zijn voor de optimisten, maar afgaande op de commentaren lijkt er ditmaal toch meer aan de hand. Het coronavirus wordt door beleggers een stuk serieuzer genomen dan een onwillige Boris Johnson of oorlogstaal tweetende Donald Trump.

Geef ze eens ongelijk. Want hoezeer politici zich soms ook misdragen, als de economische gevolgen van hun strapatsen duidelijk worden, kunnen ze de keuze maken om normaal te gaan doen. Dan tekent de Britse premier toch gewoon een brexitakkoord waar hij eerder mordicus op tegen was. En dan bedenkt de Amerikaanse president dat de verkiezingen er aankomen, dus neemt hij genoegen met een vrij inhoudsloos handelsakkoordje met China. Beleggers weten dat, dus laten zich niet gek maken.

Een virus is in die zin veel onredelijker dan een politicus en trekt zich niets aan van economie of beurs. Beleggers die gokken op een goede afloop doen dus precies dat: gokken.

Maar er is nog een reden voor beleggers om de virusuitbraak serieuzer te nemen dan de andere economische verstoringen van de afgelopen jaren: het raakt in eerste instantie vooral de aanbodkant van de economie. Zieke mensen kunnen niet werken, dus het virus zorgt voor een afname van het arbeidsaanbod. Nu gaat het op dit moment gelukkig nog niet om hele grote aantallen zieken, maar ook de quarantainemaatregelen zorgen dat mensen niet bij hun werk kunnen komen. Nog belangrijker zijn de preventiemaatregelen, zoals het sluiten van scholen, waardoor ouders thuis moeten blijven bij hun kinderen. In China zijn veel fabrieken weer open, maar draaien op halve kracht vanwege een gebrek aan personeel.

Ook bedrijven zonder zieke of afwezige werknemers kunnen met aanbodproblemen te maken krijgen, als hun toeleveranciers productieproblemen ondervinden. Op die manier raken hele productieketens verstoord. Vooral in de techsector leidt dat tot problemen. Brancheclub FME opende eerder een meldpunt voor bedrijven en riep de overheid op om deeltijd-WW mogelijk te maken, waarvan inmiddels tientallen bedrijven gebruik maken.

Het virus veroorzaakt dus in de eerste plaats een aanbodschok. Dat maakt het voor de overheid moeilijk om te reageren. Bij een vraagschok is het medicijn duidelijk: de centrale bank verruimt het monetaire beleid (bijvoorbeeld met een renteverlaging) en de regering geeft wat meer uit of komt met subsidies en lastenverlichting. Zo wordt de vraag weer aangezwengeld.

Maar bij een aanbodschok heeft dat weinig zin. Lagere rente en meer overheidsuitgaven maken de tekorten eerder groter dan kleiner. Die tekorten kunnen in principe leiden tot hogere prijzen en zo tot inflatie. Dan zou de centrale bank de teugels juist moeten aantrekken.

Geen wonder dat beleggers het niet vertrouwen. Juist de monetaire autoriteiten redden de beurs de afgelopen jaren keer op keer met nog ruimer geldbeleid. Centrale banken plakten pleisters op de zere knie van iedere gevallen belegger. Met een snoepje voor de pijn. Ook nu hopen ze op een renteverlaging van de Fed en de ECB, maar bij een aanbodschok past dat eigenlijk niet.

Gelukkig voor de beleggers (maar niet voor de rest van ons) zal een flinke virusuitbraak ook zorgen voor een vraagschok. Toerisme stagneert, evenementen worden afgeblazen en niemand gaat meer funshoppen. Daarnaast veroorzaakt de aanbodschok zelf ook vraaguitval, als mensen werkloos worden en winsten wegsmelten. Zo’n vraagschok drukt de inflatie juist. Met een beetje mazzel ziet de centrale bank daar genoeg aanleiding in om de geldkraan toch open te zetten. Overheden kunnen uitrukken met extra uitgaven om de vraagschok te dempen. In Azië gebeurt dat al, met vele miljarden tegelijk.

Wordt het toch weer feest op de beurs.

 

(FD)

Aflossen is een deugd, maar te veel aflossen maakt woningbezitters juist kwetsbaar

Te weinig sparen, maar toch te veel vermogen opbouwen. Dat klinkt paradoxaal, maar uit een nieuwe studie van het Centraal Planbureau blijkt dat de gemiddelde huiseigenaar het toch voor elkaar krijgt. Die ziet gedurende zijn of haar leven het totale vermogen tot enorme hoogte stijgen, maar heeft tegelijkertijd in een groot deel van dat leven te weinig financiële middelen om bestand te zijn tegen plotselinge schokken in het inkomen. De Nederlandse woningbezitter is rijk en arm tegelijk.

Het CPB trekt geen beleidsconclusies uit deze vaststelling, daar wil men een apart rapport aan wijden. Maar volgens mij is het niet moeilijk om te zien wat er fout gaat en wat de politiek daar aan kan doen: we sparen te veel in bakstenen, dus de regels over aflossen van de hypotheek moeten soepeler. Weg met de pure annuïteitenhypotheek die in dertig jaar volledig aflost. De aflossingsvrije hypotheek verdient herwaardering.

Ik weet het, dat klinkt als een nogal gevaarlijke conclusie. De kredietcrisis heeft ons geleerd wat de gevaren van te hoge particuliere schulden zijn. Toen de huizenprijzen omlaag schoten stond een goed deel van de Nederlandse woningen onder water en zaten vele duizenden gezinnen gevangen in hun huis. Logisch dat de overheid besloot om aflossen tot nieuwe deugd te verheffen. Voortaan zouden nieuwkomers op de woningmarkt alleen nog maar in aanmerking komen voor hypotheekrenteaftrek als ze een volledig aflossende hypotheek namen.

Maar dit beleid – hoe goed de bedoelingen ook waren – blijkt behoorlijke nadelen te hebben. Starters op de woningmarkt kregen er bijvoorbeeld een enorm concurrentienadeel door. Terwijl bestaande huiseigenaren dankzij de extreem lage rente hun maandelijkse woonlasten flink zagen dalen, waren de starters maandelijks juist een veel groter deel van hun inkomen kwijt. Uit cijfers van dataverzamelaar Calcasa blijkt dat een gemiddelde huiseigenaar met een aflossingsvrije hypotheek nu nog geen 15% van het inkomen kwijt is aan hypotheeklasten. Dat percentage is de afgelopen tien jaar flink gedaald. Woningbezitters met een annuïteitenhypotheek zijn ruim 30% van het inkomen kwijt. En dat percentage steeg de afgelopen jaren juist, vanwege de oplopende huizenprijzen.

Maar wie aflost bouwt tenminste wel vermogen op, hoor ik u denken. En dat is natuurlijk zo. Rentebetalingen ben je kwijt, aflossingen zijn beleggingen in (je eigen) vastgoed. Wie aflost op z’n hypotheek bouwt vermogen op, dus is minder kwetsbaar voor crisis en recessie. Wat kan daar mis mee zijn?

Het nieuwe CPB-rapport geeft antwoord op die vraag. Met behulp van het Inkomenspanelonderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek, waarin de inkomensgegevens van vele duizenden Nederlanders worden bijgehouden, berekende men welk risico werknemers gedurende hun leven lopen op grote inkomensschokken. Zelfstandigen werden buiten beschouwing gelaten. Vervolgens vroeg men: welk ‘optimale vermogen’ heeft een gemiddeld Nederlands huishouden nodig om zo’n schok comfortabel uit te rijden. Met andere woorden: hoe hoog moeten de buffers zijn gedurende het leven om te zorgen dat je bij een wisselend inkomen toch een constant consumptiepatroon kunt handhaven.

Uit het onderzoek blijkt dat huishoudens gemiddeld voldoende vermogen opbouwen. Maar met de mate van liquiditeit van dat vermogen is wel iets mis. Een groot deel van het vermogen van woningbezitters zit vast in het eigen huis. Deze bakstenen zijn niet aan te spreken als het inkomen vanwege bijvoorbeeld werkloosheid of ziekte terugvalt. Dan moet het liquide spaargeld worden aangesproken, en daarvan heeft men gemiddeld juist te weinig.

Neem een gemiddelde woningbezitter van vijftig jaar. Die zou optimaal een vermogen van ruim €56.000 moeten hebben opgebouwd. In werkelijkheid is dat meer: €95.000. Maar het grootste deel daarvan zit in het huis. De liquide middelen bedragen slechts €17.500. Niet genoeg om de inkomensrisico’s te dekken. Nederlanders zijn dus rijk genoeg, maar hebben een te groot deel van die rijkdom belegd in de eigen woning. Aflossen maakt de financiële situatie niet veiliger, maar juist riskanter.

Daarmee is natuurlijk niet gezegd dat we allemaal moeten stoppen met aflossen. Maar wel dat het doel van een volledig afgeloste hypotheek in dertig jaar voor veel mensen overdreven is. Aflossen mag, maar hou ook genoeg geld over om inkomensrisico’s af te dekken.

(FD)

NB: De grafiek moet niet gelezen worden als financieel advies. Het gaat om gemiddelden (of beter: medianen). Of zoals het CPB zelf schrijft:  “Het optimale vermogenspad dat we presenteren is niet bedoeld als normatieve aanbeveling; het is geen advies aan individuele huishoudens. Ons resultaat hangt af van aannames omtrent voorkeuren, parameters en de gemaakte modelkeuzes. De werkelijk optimale vermogens zijn onzeker en zal voor elk huishouden anders zijn. In de notitie laten we gevoeligheidsanalyses zien voor andere aannames en parameterwaarden.”

Vraagstuk van het Millennium

Pijnlijk voor liberale economen: voor een effectief klimaatbeleid zijn misschien flinke importheffingen nodig

Borstlap zet grote betonblokken op arbeidsmarkt, maar legt niet goed uit waarom dat nodig is

Om in deze tijd je rapport een beetje te laten landen, moet je veel kabaal maken. Dat hebben Hans Borstlap en zijn commissieleden goed begrepen. Daarom werden er donderdag grote woorden gesproken bij de aanbieding van hun arbeidsmarktrapport.

Borstlap is ‘geschrokken van wat hij aantrof’. Er dreigt ‘welvaartverlies voor allen’. En niets doen is ‘geen optie’. Nergens in Europa heeft het flexwerk zo’n vlucht genomen. We zijn de uitzondering. Vandaar dat de Nederlandse arbeidsmarkt helemaal op de schop moet.

Nu zal ik de eerste zijn om toe te geven dat het beter kan. Flex is te flex en vast te vast. Wie goed kan onderhandelen krijgt alle zekerheden – terwijl hij of zij die juist niet nodig heeft. Wie zwak staat moet flexibiliteit leveren en heeft karige arbeidsvoorwaarden. Maar grote woorden vergen groot bewijs en daar schort het soms aan in het rapport. Waarom is flexwerk een bedreiging voor onze welvaart? Omdat flexwerkers zwaarder werk doen en minder verdienen, schrijft men. Het zal statistisch kloppen, maar de causaliteit wordt niet aangetoond. Wie zegt dat hetzelfde werk in een vast contract licht zou zijn en goed betaald? Het is niet uitgezocht.

Eerste kind

Dan de stellige bewering dat door flexwerk jonge mensen later een huis kopen en kinderen krijgen. Er wordt verwezen naar onderzoek van het CBS, maar daarin wordt een oorzakelijk verband met flexwerk niet gelegd. Misschien zijn het wel twee onafhankelijke trends. Nederland heeft uitzonderlijk veel flexwerk, maar de leeftijd waarop een vrouw het eerste kind krijgt gaat hier juist langzamer omhoog dan elders in Europa. Bij ons is die leeftijd de afgelopen twintig jaar gestegen met 1,3 jaar. Ik heb geen EU-land kunnen vinden met een geringere toename. En dan zou bij ons het later krijgen van een kind juist komen door het vele flexwerk? Het lijkt me sterk.

Onze welvaart wordt ook bedreigd omdat zzp’ers minder productief zijn. Men schrijft stellig: ‘De groei van het aantal zelfstandigen heeft een negatieve impact gehad op de groei van arbeidsproductiviteit op macroniveau.’ Als bron wordt verwezen naar een CPB-onderzoek uit 2017, maar daarin is die conclusie niet te vinden. Een speciaal voor Borstlap geschreven Oeso-rapport maakt de link met het macroniveau ook niet. Eén hoofdstuk heet zelfs: ‘There is little correlation between macro measures of non-standard work and productivity growth‘. Bovendien: lage productiviteitsgroei zie je in Europa overal, terwijl Nederland met de zzp-trend juist een uitzondering is.

Ik zou nog wel even door kunnen mopperen, maar maak liever nog een ander punt.

Stel dat u de luchtvervuiling op de Amsterdamse ring wilt bestrijden. U voert een slimme belasting in op vieze diesels en een subsidie voor elektrische auto’s. Slim toch? Maar daarna laat u grote betonblokken op de snelweg plaatsen, zodat er geen auto meer kan rijden. Effectief, maar niet erg slim natuurlijk.

Het rapport staat vol met dit soort dubbele maatregelen: de ene slim, de ander nogal dom. Zzp’ers betalen veel minder belasting dan werknemers. Als dat zo is (wat ik betwijfel, het is niet echt uitgezocht) dan is de slimme oplossing: schaf de speciale aftrekposten af. Dat zou de zaak moeten glad trekken. Maar daarnaast plaats Borstlap ook enorme betonblokken: zzp-regels worden veel strenger en de bewijslast wordt omgedraaid.

 

Er is te veel flexwerk vindt de commissie en stelt voor de lonen voor flexwerkers te verhogen. Een subtiele manier om flexwerk af te remmen. Maar vervolgens komt ook de botte bijl: de meeste flexconstructies worden verboden.

Werknemers zijn niet wendbaar genoeg voor onze veranderende economie, schrijft Borstlap terecht. Logisch voorstel: meer geld voor opleidingen, en educatie wordt minder vrijblijvend. Zo kunnen werknemers, als technologische vooruitgang of concurrentieverhoudingen dat nodig maken, soepel van het ene bedrijf naar het andere hoppen. Maar dat laatste wil Borstlap juist niet. Jobhoppen moet worden afgeremd en wendbaarheid moet voortaan binnen het bedrijf worden gevonden.

De politiek moet niet gaan shoppen in het rapport, was deze week de teneur. Maar ik denk dat cherrypicking dit keer juist noodzakelijk is. Kies voor de slimme oplossingen, maar negeer de botte bijl.

(FD)

Coronavirus bedreigt niet alleen de gezondheid, maar ook de mondiale economie

De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft gesproken: het nieuwe coronavirus vormt nu officieel een internationale bedreiging voor de volksgezondheid. Pas vijf keer eerder werd zo’n noodsituatie uitgeroepen.

Het besluit kwam niet als een verrassing. Het aantal officiële besmettingen en slachtoffers loopt in China snel op, en ook in andere landen zijn er inmiddels ziektegevallen bekend. De WHO neemt de situatie duidelijk zeer serieus. Maar desondanks wordt er niet opgeroepen tot vermindering van internationale bewegingen. Sterker: in de officiële mededeling stellen de gezondheidsexperts expliciet dat men niet adviseert om reizen en handel te beperken. Zowel mensen als goederen mogen gewoon grenzen blijven oversteken.

Deze onderkoelde reactie komt na een week waarin meerdere luchtvaartmaatschappijen hun vluchten op China beperkten of zelfs allemaal cancelden en de Italiaanse autoriteiten een cruiseschip met zesduizend mensen onder quarantaine stelden vanwege een snotterige Chinese passagier.

Een gezondheidsexpert legde gisteren bij de BBC uit dat dit niet zoveel zin heeft. Het coronavirus is besmettelijk via de lucht, dus valt eigenlijk niet te beheersen. De grenzen dichtgooien vertraagt de verspreiding misschien wat, maar houdt het virus uiteindelijk niet tegen. De voordelen van een reis- en handelsverbod wegen daarom niet op tegen de economische kosten van dergelijke maatregelen.

Economische schade

Dat die kosten flink kunnen oplopen, heeft het verleden wel bewezen. De kosten van bijvoorbeeld de sars-uitbraak in China liepen voor dat land op tot naar schatting 1% à 2% van het bbp, zo blijkt uit onderzoek. Wereldwijd kostte sars misschien wel 0,5% groei. Dit zijn uiteraard schattingen met een grote foutmarge, maar ze geven in elk geval een indruk van de orde van grootte van de kosten.

De economische schade van een grootschalige virusuitbraak ontstaat maar zeer ten dele door de ziekte zelf. Sterfgevallen en ziekmeldingen zorgen ongetwijfeld voor enige economische verstoring, maar dat is niets vergeleken met de productie-uitval die wordt veroorzaakt door preventiemaatregelen.

Hele regio’s worden onder quarantaine geplaatst, fabrieken gaan tijdelijk dicht, woon-werkverkeer wordt belemmerd en scholen sluiten hun deuren. Volgens sommige onderzoeken is de economische schade van alleen al die schoolsluitingen veel groter dan de directe schade van de ziekte, omdat ouders niet naar hun werk kunnen als de kinderen thuisblijven.

Gedrag aanpassen

Economische schade ontstaat ook als consumenten wereldwijd hun gedrag aanpassen. Uit een enquête afgenomen na de sars-epidemie van 2003, blijkt dat meer dan driekwart van de Europese consumenten uit voorzorg minder gebruik hadden gemaakt van het openbaar vervoer, minder naar evenementen waren gegaan en ook minder hadden gewinkeld. Auteurs van de Encyclopedia of Health Economics noemen deze gedragsverandering zelfs de grootste economische kostenpost tijdens een uitbraak.

Een mens lijdt dikwijls ’t meest, door ’t lijden dat hij vreest, schreef Nicolaas Beets al. Dat geldt dus zelfs tijdens een epidemie. Vandaar dat de WHO terecht drastische beperkingen van internationale bewegingen afwijst. Dichte grenzen maken de economische schade alleen maar groter. En dat terwijl die schade deze keer misschien toch al flink gaat tegenvallen. De vergelijking met de sars-uitbraak die ik hierboven maakte, maar die ook veel andere analisten gebruiken om een indruk van de mogelijke impact te krijgen, zorgt mogelijk voor een flinke onderschatting.

Ander China

Het China van 2003 is een heel ander land dan het China van nu. De economie is sinds dat jaar in (nominale) dollartermen gegroeid van $1670 mrd naar $13.600 mrd. China produceert nu 16% van het mondiale bruto binnenlands product. Dat was tijdens sars slechts 4%. In 2003 importeerde het land zelf nog maar weinig, maar het is inmiddels een grote consument van buitenlandse goederen geworden. De import ging sinds 2003 ruim 4,5 keer over de kop. Verder is ook het Chinese toerisme naar buitenlandse bestemmingen zo ongeveer ontploft. Chinezen houden heel wat ondernemers in de toeristische sector in leven.

China is dus een enorm belangrijke klant van bijvoorbeeld westerse bedrijven geworden. Daarmee is het mogelijke mondiale effect van eventuele vraaguitval in het land veel groter dan in 2003.

(FD)

Nederland maakt zich druk over arbeidsmigratie en negeert zo het echte probleem: de snelle vergrijzing

Vindt u het in Nederland nu soms al druk? Het wordt de komende dertig jaar alleen maar drukker. In 2020 wonen er 17,4 miljoen mensen in Nederland, in 2050 zal dat opgelopen zijn tot ruim 19,3 miljoen. Dat is een sterkere stijging dan eerder werd voorspeld.

Volgens de laatste bevolkingsprognose van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) zal de bevolking dit decennium met ongeveer een miljoen toenemen. Dat komt vooral doordat meer immigranten naar Nederland komen dan er emigranten vertrekken, maar ook het aantal geboortes is hoger dan het aantal sterfgevallen. In de latere decennia neemt de bevolkingsaanwas wat af, maar blijft positief.

Oud nieuws, zegt u? Dat klopt. De nieuwe prognose verscheen op 17 december van het vorige jaar. Maar ik was de afgelopen twee maanden even afwezig vanwege gezondheidsproblemen, dus ik voel me vrij om het er nu toch nog over te hebben. (Voor wie het interesseert: ja, ik ben inmiddels weer op de been. Dank aan alle lieve lezers die mij een opbeurend mailtje stuurden. En: Nederland heeft inderdaad het beste zorgstelsel van de wereld, met fantastische artsen en verpleegkundigen.)

Dat ik pas nu reageer op het bevolkingsnieuws heeft misschien ook een voordeel. Anderen hebben hun impulsieve reacties inmiddels gegeven. En er was ook veel ander nieuws dat linksom of rechtsom gelinkt kan worden aan deze demografische ontwikkelingen.

Zo was er minister Hugo de Jonge, die in een interview met NRC Handelsblad de bevolkingsgroei het grootste probleem van Nederland noemde. ‘De migratie overkomt ons’, zei hij. Het huidige aantal arbeidsmigranten is ‘te hoog’ en we moeten volgens de vicepremier ‘in Europa opnieuw de effecten wegen van het vrije verkeer van personen’.

Eerder al hadden de ChristenUnie en de SP een gezamenlijk Actieplan Arbeidsmigratie gepresenteerd, met een pleidooi voor quota en werkvergunningen voor arbeidsmigranten uit EU-landen. Termen als ‘ongebreidelde migratie’ en ‘sociale ontwrichting’ werden niet geschuwd.

Arbeidsmigratie staat anno 2020 blijkbaar in een kwaad daglicht. Daar kijk ik van op. Want als de bevolkingsprognoses van het CBS een ding laten zien, dan is het wel dat we de komende decennia arbeidsmigranten hard nodig hebben. Want niet bevolkingsgroei is de meest opvallende uitkomst van de berekeningen, maar vergrijzing. Ja, er komen mensen bij, de komende jaren, maar per saldo groeit de potentiële beroepsbevolking nauwelijks. In de leeftijdsklasse van 20 tot 65 jaar (66 jaar was gezien de AOW-leeftijd logischer geweest, maar zo presenteert het CBS de cijfers), groeit de bevolking tot 2050 met slechts 0,8%. Het aantal 65-plussers stijgt in die periode met meer dan 30%. Het aantal kinderen en jongeren ligt in 2050 zo’n 8% hoger.

Ondanks de arbeidsmigratie moeten we in 2050 met ongeveer net zoveel werkenden een groeiende groep ouderen (en wat extra jongeren) onderhouden. Nu zijn er op iedere 65-plusser zo’n drie mensen in de werkzame leeftijd. Over tien jaar is dat al gedaald naar minder dan 2,5 en in 2050 zijn er net meer dan twee mensen van 20 tot 65 jaar op iedere 65-plusser. Het maatschappelijke probleem van dat moment is niet een overschot aan arbeidsmigranten, maar het structurele tekort aan mensen die willen en kunnen werken.

Maar Nederland doet liever alsof de vergrijzing niet bestaat. Het CNV pleit met droge ogen voor een 30-urige werkweek. Alsof we het ons kunnen permitteren om nog minder te werken. Wie voorzichtig suggereert dat de Nederlandse deeltijdcultuur uit de hand is gelopen, krijgt woedende reacties. En de FNV wil dat de AOW-leeftijd nog minder snel stijgt. Gevolg: nog minder werkenden. De vakbond denkt ook dat volgend jaar de pensioenen wel weer fors omhoog kunnen. Alsof er geen demografische tijdbom tikt onder ons pensioenstelsel.

Haal allemaal de kop uit het zand. Nederland vergrijst de komende tien jaar razendsnel. Alle stokpaardjes van politiek en vakbond kunnen op de brandstapel. De vergrijzing gaat zorgen voor nijpende tekorten op de arbeidsmarkt, en de enige snelle oplossing daarvoor is meer arbeidsmigranten, niet minder. Het alternatief: structurele tekorten, wachtlijsten en tekortschietende dienstverlening.

Dat het de komende jaren wat drukker wordt is daarom geen probleem, maar juist een deel van de oplossing.

Klimaatkosten: lang voordat nieuwe huizen ‘onbetaalbaar’ zijn geworden, is de prijsstijging al gestopt

Nieuwe huizen moeten energieneutraal worden. Helemaal energieneutraal? Nee, bijna energieneutraal is ook goed. BENG heet dat in bouwjargon: Bijna Energie-Neutraal Bouwen. Europese regels schrijven voor dat eind volgend jaar alle nieuwe gebouwen BENG moeten zijn. Om dat voor elkaar te krijgen, gaat in Nederland komende zomer al het nieuwe bouwbesluit in, met daarin alle BENG-eisen waaraan nieuwbouw moet voldoen.

Over deze eisen ontstond afgelopen week wat onrust. Verzamelaar van bouwkostendata BDB rekende uit dat bouwen gemiddeld zo’n 15% duurder zal worden. ‘Nieuwe woningen 15% duurder door duurzaamheidseisen’, kopte het FD.

BDB is niet de eerste die aan de bel trekt. Afgelopen zomer waarschuwde het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) ook al voor het kostenopdrijvende effect van klimaat- en energiebeleid. ‘Als je een serieus klimaatbeleid wilt, dan hangt daar ook een prijskaartje aan’, stelde EIB-directeur Taco van Hoek.

En daar heeft Van Hoek natuurlijk gelijk in. Klimaatbeleid gaat ons allemaal geld kosten, dus ook de koper van een nieuwbouwwoning. Maar voor iedereen die vreest dat BENG nieuwe huizen in Nederland volstrekt onbetaalbaarder gaat maken, hier toch wat nuancering. Ik begeef me op glad ijs, want de Nederlandse woningmarkt is voor een econoom moeilijk te doorgronden. Het is een diep verstoorde markt waar de overheid zoveel invloed op uitoefent dat normale mechanismes nauwelijks werken. Maar ik waag me er toch aan.

Allereerst wat feiten: nieuwbouwwoningen zijn de afgelopen jaren snel duurder geworden. De prijzen van nieuwe woningen stijgen zelf sneller dan die van bestaande huizen. Tussen 2015 en nu werd nieuwbouw maar liefst 46% duurder. Bestaande woningen stegen in die periode (gemiddeld) 32% in prijs. Dat verschil heeft vele oorzaken. Grondprijzen stegen, de prijs van veel bouwmaterialen schoot omhoog en er wordt tegenwoordig veel binnenstedelijk gebouwd en dat is relatief duur.

Zelfs op de ontregelde woningmarkt heeft zo’n prijsstijging uiteindelijk het logische effect: de vraag naar nieuwe huizen daalt. In het laatste kwartaal van 2017 werden er nog zo’n 9000 nieuwbouwwoningen verkocht, zo blijkt uit cijfers van NVM, het afgelopen kwartaal waren dat er nog maar 6900. Gevolg is dat het aantal nieuwe woningen dat te koop staat het afgelopen jaar is toegenomen met 17%, tot maar liefst 15.900. NVM schrijft: ‘Waar de markt voor bestaande bouw steeds krapper wordt, verruimt de markt voor nieuwbouwwoningen’.

Waarmee maar weer eens is aangetoond dat hogere prijzen uiteindelijk leiden tot lagere verkopen. Niet omdat mensen de nieuwe huizen niet zouden willen kopen – de woningschaarste is zeker niet afgenomen – maar omdat ze er geen hypotheek voor kunnen krijgen. De hypotheekregels zijn streng en banken zijn bang om ze te overtreden, dus als nieuwbouw duurder wordt, is het moeilijker om een koper te vinden. Gooi nog eens 15% op de aanschafprijs wegens de BENG-regels en de effectieve vraag zakt nog verder in. De wal keert het schip.

Maar waar blijft die 15%, als het niet of onvolledig in de prijs kan worden doorberekend? Moet de bouwer de hogere bouwkosten in z’n winstmarges absorberen of snijden in loonkosten? Dat lijkt onwaarschijnlijk, want de bouwsector kreunt onder een tekort aan mensen en tenzij het stikstofprobleem opeens zorgt voor een recessie in de bouw, zullen aannemers niet willen inleveren.

Waar laten we de BENG-kosten dan? In de grondprijs, natuurlijk. Dat is het onderdeel van de totale kosten van nieuwbouw dat wél kan bewegen. Sterker: de belangrijkste reden dat grond een prijs heeft, is om dit soort aanbodverschuivingen op te vangen.

Dat wist aartsvader van de economie David Ricardo al: grond is duur omdat het graan dat je erop verbouwd duur is, schreef hij. En niet andersom. Op dezelfde manier is bouwgrond duur als bouwen goedkoop is en zal grond dus goedkoper worden als de bouwkosten stijgen.

Een BENG-huis hoeft dus niet zoveel duurder te worden, als gemeentes en andere grondbezitters de economische logica van Ricardo maar volgen.