Alle berichten van Mathijs

Geen vakman meer te vinden? Misschien moet u ze dan eens een stevige opslag geven!

Het is officieel: de Nederlandse arbeidsmarkt is nu gespannen. Volgens de ‘Spanningsmeter’ van het Centraal Bureau voor de Statistiek verdiende de situatie eind 2016 geleden nog de kwalificatie ‘niet gespannen’. Gedurende 2017 was er sprake van ‘toenemende spanning’. En we eindigden dat jaar met een ‘gespannen’ arbeidsmarkt. Dat is voor het eerst sinds 2008.

Het CBS stelt deze gespannen situatie vast door te kijken naar het werkloosheidspercentage en het aantal vacatures als percentage van de gemiddelde werkgelegenheid. De eerste indicator is snel gedaald, de tweede gestegen, het resultaat is een gespannen arbeidsmarkt. Maar om dat te weten hoef je eigenlijk geen sommetjes te maken. De spanning kun je ook zo voelen, door met ondernemers en personeelsfunctionarissen te praten. Dan gaat het al snel over onvervulbare vacatures, dure wervingsacties en haastig opgestarte scholingstrajecten.

Het lijkt wel 2006. Momenteel zijn er in Nederland achttien werklozen voor iedere tien vacatures. Dat is precies dezelfde verhouding als in de tweede helft van 2006. En ook toen raakte men niet uitgesproken over de hoogspanning op de arbeidsmarkt.

‘Werkgevers schreeuwen om mensen’, kopte deze krant in de herfst van 2006. En: ‘Aantal vacatures op recordniveau’. Het ging dat najaar over premies van €500 die werden betaald aan sollicitanten en over accountantskantoren die van de zaterdag een werkdag maakten. Maar vooral ging het over het nijpende gebrek aan vakmensen. Vooral in de ICT, de bouw en de horeca.

 

Anno 2017 zijn het weer precies deze drie sectoren waarin de krapte het meest wordt gevoeld. Aan ICT’ers is een schreeuwend gebrek; van elke 1000 banen in deze sector staan er nu 57 open. Dat is zelfs nog iets meer dan de 55 vacatures per 1000 banen van twaalf jaar geleden. In de bouw zijn er op iedere 1000 banen 46 vacatures. En in de horeca staat deze zogenoemde vacaturegraad op 41. Dat was in 2006 respectievelijk 44 en 39.

Alsof er nooit een crisis is geweest. Twaalf jaar geleden zagen we grote tekorten. Daarna is iedereen in overlevingsstand gegaan vanwege de recessie. En nu we weer uit de crisis zijn, zijn ook de tekorten weer gewoon terug.

Eerlijk gezegd vind ik dat nogal schokkend. Want wat hebben ondernemers, managers en beleidsmakers al die jaren gedaan? Waarom is er in de tussentijd geen structureel beleid gemaakt om iets aan de potentiële tekorten te doen? Nederland heeft zich door de crisis in slaap laten sussen. We hebben vooral afgewacht, zo lijkt het. Zelfs van het meest voor de hand liggende mechanisme, relatieve loonveranderingen, werd nauwelijks gebruikgemaakt. Wie krapte in de sector wil bestrijden, zal stevig moeten betalen. Alleen zo worden jongeren naar de juiste opleidingen geloodst, kiezen schoolverlaters voor sectoren met schaarste en worden werknemers uit krimpsectoren weggelokt. De cijfers over loon- en baangroei tussen 2006 en nu laten zien dat dit mechanisme in Nederland zeer gebrekkig werkt.

Want waar gingen de lonen het hardst omhoog? In de financiële sector, waar de vacaturegraad juist enorm daalde en de werkgelegenheid afnam. Precies in deze sector, die geen mensen aan moest trekken maar juist af moest stoten, steeg het maandloon (exclusief overwerk) sinds 2006 met maar liefst 39%. In de horeca, waar ondanks een enorme groei van de werkgelegenheid de vacaturegraad toch opliep, stegen de lonen slechts met 15%. Horeca was daarmee de marktsector met de laagste loongroei.

In de ICT stegen de lonen redelijk, waardoor wel wat nieuwe werknemers werden aangetrokken, maar lang niet genoeg om de vacaturegraad te laten dalen. ICT’ers gingen er gemiddeld minder op vooruit dan werknemers in de industrie, waar de werkgelegenheid sinds 2006 kromp en de vacaturegraad relatief laag was en is.

Al met al lijkt er in Nederland nauwelijks een relatie te zijn tussen schaarste, banengroei en loonstijging. De spanning op de arbeidsmarkt loopt op, maar niemand slaagt er in het ventiel open te draaien. Kom op ondernemers, als je echt kans wil maken op die schaarse computerexpert, timmerman of chef-kok, trek dan ruimhartig de portemonnee!

(FD)

Trumpiaanse tekorten

Het wordt toch pas 2039. Pas in dat jaar zal de Amerikaanse overheid het tekort op de begroting hebben weggewerkt.

President Donald Trump had eerder nog beloofd dat de federale begroting over tien jaar weer glad zou lopen. Maar op die belofte kwam zijn hoofd begrotingszaken, Mick Mulvaney, maandag terug. Er komt nog tien jaar bij, zodat pas in het jaar 2039 – Trump is dan 92 jaar oud, bij leven en welzijn – de belastinginkomsten weer toereikend zijn om de uitgaven te dekken.

Mulvaney benadrukt overigens dat hij nog steeds een tegenstander van tekorten is.

‘Ik zal altijd een “deficit hawk” zijn. Ik ben het vandaag, ik was het gisteren en zal het morgen ook zijn’, aldus de man die in 2013, als congreslid van de Republikeinse partij, Obama dwong tot extra bezuinigingen. Maar soms neemt het pad naar begrotingsevenwicht blijkbaar een twintig jaar durende omweg.

Eerst moet het tekort flink stijgen – in 2019 loopt het volgens planning op naar $1200 miljard – zodat de economie lekker gaat groeien en er zoveel meevallers op de begroting verschijnen, dat het tekort verdwijnt als sneeuw voor de zon. Dan moet die zon wel twintig jaar lang schijnen, maar daar kunnen we volgens de sommetjes van het Witte Huis wel op rekenen.

Tegelijk met deze zonnige voorspelling kwam Trump met een waarschuwing voor het buitenland. Donkere wolken pakken zich samen boven de landen die meer naar de VS exporteren dan vice versa.

Zij krijgen te maken met nieuwe importheffingen, want de Amerikanen willen niet langer de gekke henkie van de internationale handel zijn. Volgens Trump verliest zijn land enorme hoeveelheden geld aan landen als China, Mexico en Japan en dat moet stoppen.

Het grote tekort op de handelsbalans van de VS is Trump al jaren een doorn in het oog, en tijdens zijn verkiezingscampagne beloofde hij het verschil tussen import en export snel kleiner te maken. Maar in de afgelopen dertien maanden heeft blijkbaar niemand hem duidelijk kunnen maken dat verkleinen van het handelstekort alleen lukt als tegelijk het tekort op de begroting wordt aangepakt.

Een land dat meer invoert dan het zelf uitvoert is immers automatisch ook een land dat meer uitgeeft dan het zelf produceert en zelf verdient. Wie zijn handelstekort wil verkleinen zal zijn uitgaven en inkomsten meer met elkaar in evenwicht moeten brengen. Daarom zijn het tekort op de lopende rekening van de handelsbalans en het tekort op de overheidsbegroting twee zijden van dezelfde medaille.

Het handelstekort van de VS moet omlaag, op dat punt zijn de meeste economen het met Trump eens. Maar diezelfde economen weten sinds deze week dat ze daar minstens tot 2039 op zullen moeten wachten.

Wie legt het Trump uit?

(FD)

Drie jaar en tweeduizend miljard euro later en nog steeds is niet duidelijk of het opkopen van obligaties helpt

De Europese economie groeit zo gezond dat de hardliners binnen de Europese Centrale Bank zich weer roeren. Onze eigen Klaas Knot roept al een tijdje dat er geen reden is door te gaan met het opkoopprogramma. Zijn Duitse en zijn Oostenrijkse collega zeggen het hem na. En zelfs de Franse ECB-bestuurder Benoît Coeuré ziet het einde van ‘kwantitatieve verruiming’ (in jargon: QE, quantitative easing) naderen.

In oktober vorig jaar beloofde ECB-president Mario Draghi nog dat het opkopen in elk geval tot september 2018 zou doorgaan, dus daar lijkt voor de monetaire hardliners binnen de ECB weinig aan te doen. Maar direct na september moet het dan ook maar meteen voorbij zijn. Geen langzame afbouw, maar in een keer stoppen.

Mocht dat gebeuren, dan zijn we dus slechts zeven maanden verwijderd van het einde van Europa’s extreemste monetaire experiment ooit. In totaal is er voor ruim meer dan €2000 mrd aan staats- en bedrijfsobligaties opgekocht. Allemaal met het doel om de inflatie omhoog te krijgen, zodat het eurogebied een neerwaartse spiraal van deflatie en recessie zou kunnen vermijden.

Experiment geslaagd, zou je kunnen concluderen. Want voor Japanse toestanden moet je anno 2018 niet in Europa zijn. De economie groeit, de werkloosheid daalt en ondernemers zijn vol optimisme. Draghi kwam, zag en overwon. Zijn methode was onorthodox, maar het deflatiespook is verslagen. Dat klinkt mooi. Maar ik heb mijn twijfels.

Het verhaal van Draghi was altijd: de inflatie is gevaarlijk laag, deflatie dreigt. Daardoor is de reële rente – dat is de nominale rente minus de inflatie – te hoog om de economie weer op gang te krijgen. De ECB kan met het normale beleid niets doen, want de beleidsrente staat al op nul. Dus zijn nu onorthodoxe maatregelen nodig om de inflatie op te drijven zodat de economie weer kan groeien. QE leidt tot inflatie, inflatie leidt tot lage reële rente en dat zorgt vervolgens voor investeringen door bedrijven en extra uitgaven door consumenten en dat zorgt weer voor nieuwe inflatie, net zolang tot de inflatiedoelstelling van de ECB weer is bereikt.

Voor alle duidelijkheid: Draghi sluit met deze argumentatie aan bij de mainstream van de monetaire theorie, dus het was niet uit persoonlijk hobbyisme dat de ECB het opkoopprogramma startte. Maar om te beoordelen of de analyse ook echt klopt en QE noodzakelijk was, is het niet voldoende om te wijzen op de gezonde economische groei van dit moment. Dat kan immers ook andere oorzaken hebben.

Nee, belangrijk is ook om te kijken naar de inflatie zelf. Heeft QE de inflatie in het eurogebied duidelijk aangewakkerd? Ik betwijfel dat. Natuurlijk, met 1,3% staat de Europese inflatie nu een stuk hoger dan de minus 0,1% van maart 2015, toen het opkopen begon en ook hoger dan de (plus) 0,4% van augustus 2014 toen Draghi voor het eerst hintte op QE. Maar dat verschil wordt grotendeels veroorzaakt door de olieprijs.

Kijken we naar de kerninflatie (dat is inflatie zonder energie- en voedselprijzen), dan blijkt het effect van QE veel kleiner. In augustus 2014 bedroeg die kerninflatie 0,9%. Bij de start van het opkoopprogramma, zeven maanden later, was dat 0,6%. Toen weer een jaar later het maandelijkse opkoopbedrag werd verhoogd van €60 mrd naar €80 mrd was de kerninflatie 1,0%. En toen dat in 2017 werd teruggedraaid was dat 1,2%. Afgelopen maand daalde de kerninflatie weer naar 1,0%. Dat is dus €2000 mrd aan opgekochte obligaties, voor enkele tienden procentpunten extra inflatie.

Het lijkt mij nogal stevig aan de prijs. Misschien dat het onorthodoxe beleid wel via andere wegen de economie heeft aangejaagd. Via hogere beurskoersen, hogere huizenprijzen, nieuw vertrouwen in de toekomst. Dat kan allemaal. Maar hogere inflatie waar het bij de start allemaal om te doen was, dat heeft QE niet geleverd. Een experiment waarvan na drie jaar en duizenden miljarden euro’s nog steeds geen duidelijk effect aan te tonen is, daar moeten we misschien maar gewoon mee stoppen. Niet in september, maar per direct.

(FD)

Kindgebonden isolatietoeslag

Een minister voor klimaat, een nationaal klimaat- en energieakkoord, jaarlijks 50.000 woningen van het gas, een CO2-minimumprijs, meer wind op zee, een kilometerheffing voor vrachtwagens en een dreigement met een vliegbelasting te komen als internationale afspraken over schoner vliegen niet lukken. Blader door het regeerakkoord en je struikelt over verwijzingen naar de donkergroene duurzame ambities van Rutte III.

Natuurlijk, papier is geduldig en we moeten nog maar zien of het allemaal echt van de grond komt. Maar de wil om serieus werk te maken van de energietransitie spreekt in elk geval uit de tekst. Bij de milieubeweging zullen ze toch wel hebben geglimlacht toen het regeerakkoord naar buiten kwam.

Maar inmiddels staan de mondjes weer zuur. Want dat ambitieuze energie- en klimaatbeleid van Rutte III, gaat dat niet zorgen voor meer ongelijkheid? Draaien niet juist arme Nederlanders er voor op? Jawel, zegt Milieudefensie. Veel mensen hebben geen geld voor warmtepompen en isolatie. De armste huishoudens worden relatief het hardst geraakt door de groene plannen van het kabinet, blijkt uit een berekening van onderzoekbureau CE Delft. Milieudefensie-directeur Donald Pols concludeert: ‘Rutte III kiest er voor om de zwaarste lasten op de zwakste schouders te leggen.’

Dat klinkt niet best. Als de conclusie klopt, dan moeten we daar zeker wat aan doen. Maar niet op de manier die Milieudefensie wil. Pols wil een ‘eerlijk energieakkoord’, waarbij lage inkomens worden ontzien. Maar wat we nodig hebben voor een snelle energietransitie is een akkoord dat die transitie zo voortvarend en efficiënt mogelijk laat verlopen. Een akkoord louter gericht op de energie- en klimaatdoelstellingen van het kabinet en het akkoord van Parijs. Hoe ambitieuzer hoe beter. Alles moet uit de kast. Grote en kleine bedrijven, rijke en arme huishoudens, ze moeten allemaal aan de bak om de energietransitie mogelijk te maken.

Daarom moeten er met zo’n akkoord juist niet ook nog allerlei andere fraaie doelstellingen worden nagestreefd, bijvoorbeeld over een eerlijke inkomensverdeling in Nederland. Wie het klimaat wil redden en met dezelfde maatregelen de armoede wil bestrijden, doet beide maar half.

Moet er dan geen aandacht zijn voor de koopkrachteffecten van het energiebeleid? Natuurlijk wel. Maar daar gaat niet minister Wiebes van Klimaat over, maar minister Koolmees van Sociale Zaken en zijn collega Hoekstra van Financiën. Samen hebben zij een uitgebreid arsenaal aan wapens om onrecht te bestrijden. Belastingen, subsidies, uitkeringen, toeslagen, bijzondere regelingen, vrijstellingen, er is geen land waar de overheid aan zoveel knoppen kan draaien om de koopkracht te finetunen. Daar is geen inkomensafhankelijke warmtepomp, kindgebonden isolatietoeslag of progressief elektriciteitstarief voor nodig.

(FD)

Vijftien kwartalen op rij met groei, maar nog (lang) geen record

In het vierde kwartaal van 2017 groeide het Nederlandse bbp met 0,8%. Het was het 15e achtereenvolgende kwartaal met economische groei.

Is dat veel? Jazeker. Maar is het een record, vroeg Yama Radfar op twitter.

Schermafbeelding 2018-02-14 om 10.42.30

Het antwoord luidt ontkennend. Tussen 1960 en nu waren er drie langere perioden met ononderbroken groei. O.b.v. cijfers van  OESO en CBS maakte ik het volgende lijstje:

Schermafbeelding 2018-02-14 om 10.32.44

Onbedreigd op plaats 1 staat de ongekend lange periode van hoogconjunctuur tijdens Paars 1 en 2 (u weet wel, van die ‘Puinhopen van acht jaar Paars’…). Tussen 1994 en 2001 was er niet één kwartaal met krimp.

Op 2 de periode tussen 2003 en 2007 (17 kwartalen). De kredietcrisis maakte een einde aan deze reeks. De derde plaats is voor 1987 tot en met  1990 (16 kwartalen.)

De huidige periode van opgaande conjunctuur komt op plaats 4/5. Maar er is duidelijk ruimte voor een stijging. Als de groei nog even doorzet, staan we aan het einde van de zomer op de tweede plaats.

 

De hardwerkende Nederlander maakt weinig uren, maar presteert best veel in die beperkte tijd

Veel Nederlandse vrouwen werken in deeltijd. Niet alleen als ze kinderen hebben, ook kinderloze vrouwen werken veel minder vaak vijf dagen per week dan mannen. Dat verschil ontstaat al bij de eerste baan na de opleiding en blijft vaak in de rest van de loopbaan bestaan. Daardoor zijn vrouwen in Nederland minder vaak economisch zelfstandig dan mannen. Gemiddeld uiteraard, want er zijn ook vrouwen die hun hele leven voltijds werken.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) bracht deze cijfers afgelopen week naar buiten en dat leidde tot ophef. Die ophef verbaasde mij, want de feiten zijn al jaren bekend. In 2008 presenteerde de Taskforce DeeltijdPlus – onder leiding van het huidige Kamerlid Pia Dijkstra, toen nog Avro-presentatrice – een eindrapport met identieke conclusies: vrouwen werken relatief weinig uren, ook als ze geen zorgtaak hebben, waardoor ze vaak economisch onzelfstandig zijn. Zijn de kinderen het huis uit, schreef de Taskforce, dan zien veel vrouwen dat niet als kans om aan de eigen loopbaan te werken, maar als het moment om ‘eindelijk aan zichzelf toe te komen’.

Leukere dingen

Er is in tien jaar weinig veranderd. Niet aan de voorkeur van vrouwen voor deeltijdwerk en ook niet aan het idee dat wie weinig uren maakt lekker aan zichzelf kan toekomen. Als reactie op de SCP-cijfers verschenen ingezonden stukken in de krant van vrouwen die de voordelen van de korte werkweek bezongen. Zo was daar de in deeltijd werkende Marloes van Raamsdonk die zich in de Volkskrant afvroeg: ‘Waarom fulltime werken als het niet nodig is? Er zijn zoveel leukere dingen in het leven dan geld verdienen en carrière maken.’

En dat is natuurlijk zo. Bij mij borrelde wel even de vraag op of de brievenschrijvers die vandaag roepen dat vrouwen lekker moeten genieten van een korte werkweek, dezelfde zijn die morgen hun beklag doen over het tekort aan vrouwen in de top. Maar die borreling slikte ik uiteraard snel in. Ik kijk wel mooi uit.

Grieken

Nee, dan kijk ik liever met een genderneutrale blik naar de werkuren van Nederlandse werknemers. Hoe hard werkt de hardwerkende Nederlander (m/v) vergeleken met inwoners van andere Europese landen? Dat blijkt tegen te vallen. Volgens cijfers van Eurostat werken Nederlanders gemiddeld 1347 uur per jaar. Alleen Duitse werknemers verschijnen nog minder uren op het werk. We maken minder uren dan de Fransen, minder dan de Belgen en veel minder dan de Britten. De gemiddelde Griek werkt zelfs ruim een kwart meer uren dan wij.

Dat komt door al die deeltijders, zegt u misschien. Die halen het Nederlandse gemiddelde omlaag. Daar hebt u gelijk in. Nederland is de Europese deeltijdkampioen. Bij ons draait volgens de Oeso meer dan 37% van de werknemers een onvolledige werkweek. Nummer twee, het Verenigd Koninkrijk staat met nog geen 24% op ruime afstand. In Duitsland werkt 22% in deeltijd, in België nog geen 18%.

Voltijdwerkers

Maar dat is niet de enige verklaring voor het relatief lage aantal werkuren per jaar. Voltijdwerkers werken bij ons relatief weinig uren. De Nederlandse voltijdwerkweek beslaat in de praktijk gemiddeld 39 uur, meldt Eurostat. Dat is meer dan in Denemarken en Italië, net zo veel als in Frankrijk, maar minder dan in alle andere EU-landen. Een Duitse voltijder werkt 40,4 uur per week, een Griek 41,2 uur en een Brit zelfs 42,3 uur.

Nederlandse werknemers werken dus veel in deeltijd en ook onze voltijdwerkers hebben een relatief korte werkweek. Is dat erg? Dat hoort u mij niet zeggen. We zijn dan misschien geen harde werkers; we werken wel slim. Dankzij scholing, efficiënte organisatie en veel investeringen, produceren Nederlanders per uur 12,5% meer dan het gemiddelde in het eurogebied. Dat is overigens minder dan in België en ongeveer net zoveel als Duitsland en Frankrijk. Onze productiviteit ligt wel duidelijk boven die van Oostenrijk, Italië en Spanje. De ‘slim werkende Nederlander’, daar zou het SCP eens een rapport over moeten schrijven.

(FD)

Koopkrachtpraatjes

Stel, u heeft een baan waarmee u €45.000 bruto verdient. Uw partner heeft even geen werk en krijgt een uitkering van €25.000. Verder bestaat uw gezin uit twee kinderen. Vraag: met hoeveel gaat uw koopkracht in 2018 omhoog? Het antwoord: met slechts één euro per maand.

Dat is in elk geval het minuscule bedrag dat uit de speciale rekenmodule van het Nibud rolt. Deze ‘Koopkrachtberekenaar 2018’ staat sinds deze week op de website van de budgetvoorlichter. Het Nibud prijst zijn rekentool als volgt aan: ‘Wat gebeurt er met uw koopkracht? Met onze Koopkrachtberekenaar gaat u dat snel en eenvoudig na voor uw huishouden.’

Prachtig toch? Een paar muisklikken en je weet als huishouden precies waar je aan toe bent in 2018. Voordat de vakantie wordt geboekt, voordat het nieuwe bankstel wordt uitgekozen, eerst even snel en eenvoudig de Koopkrachtberekenaar invullen voor een grondige analyse van de financiële mee- en tegenvallers die het gezin dit jaar te wachten staan.

Het klinkt te mooi om waar te zijn. En dat is het ook. Het Nibud heeft voor honderd denkbeeldige voorbeeldgezinnen de koopkracht doorgerekend. Wie de module invult krijgt te zien op welk gezin zijn huishouden het meeste lijkt. Maar werklozen die in 2018 een baan vinden, werkenden die promotie maken of meer uren gaan draaien, en zzp’ers die hun winst zien stijgen? Ze hebben allemaal niets aan de Koopkrachtberekenaar, want de Nibud-gezinnen maken dat soort veranderingen per definitie niet mee.

Dat schrijft het Nibud er trouwens in de kleine lettertjes netjes bij: ‘Huishoudens zullen zich nooit helemaal herkennen in de voorbeelden.’ Maar die nuance is verdwenen als de rekenmodule aan de buitenwereld wordt gepresenteerd. ‘Nibud waarschuwt voor te veel optimisme: koopkracht blijft achter’, luidt de titel van het persbericht. En de eerste zin luidt: ‘De koopkracht voor de meeste Nederlanders gaat er in 2018 nauwelijks op vooruit.’ De kranten maakten daar vervolgens van: ‘Nibud: koopkracht neemt nauwelijks toe.’ Het Dagblad van het Noorden kopte zelfs stellig: ‘Niemand voelt dat de economie groeit.’

Dat slaat natuurlijk nergens op. Het aantal mensen met inkomen uit werk schiet dit jaar omhoog. Carrières die in de crisis waren vastgelopen, maken een doorstart. Ondernemers schrijven facturen tot hun handen pijn doen. Heel veel mensen voelen dit jaar dat de economie groeit. Alleen de onveranderlijke voorbeeldgezinnen van het Nibud merken er weinig van.

Het Centraal Planbureau (CPB) maakt ook statische koopkrachtberekeningen, vergelijkbaar met die van het Nibud. Op die manier probeert men de macro-economische effecten van overheidsbeleid inzichtelijk te maken. Maar het CPB waakt er voor om deze berekeningen op individuele Nederlanders los te laten. Statische koopkrachtplaatjes zijn geen geschikt instrument voor persoonlijk budgetadvies. Juist het Nibud zou dat moeten weten.

(FD)

De kracht van de regio: Nederland is meer dan vier grote steden en wat grasland

De kracht van de regio: Nederland is meer dan vier grote steden en wat grasland

Amsterdam voor Schiphol, voor de hoofdkantoren en de creatieve sector. Rotterdam voor de haven, de handel en de harde werkers. Den Haag voor het landsbestuur en de internationale relaties. En Utrecht voor de zakelijke dienstverlening. De Nederlandse economie heeft een motor met vier cilinders. Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht; ze noemen zichzelf de ‘G4’ – zonder ironie, alsof Merkel en Macron elk moment kunnen aanschuiven.

Deze G4 trok vorig jaar naar het Binnenhof om €35 mrd te eisen voor een omvangrijk investeringsplan dat zowel de bereikbaarheid als de woningbouw in de stedelijke regio’s moet verbeteren. En in Brussel heeft de G4 een eigen kantoor, zodat men de Europese besluitvorming zelfstandig kan bijsturen in een richting die goed is voor de vier Nederlandse steden.

Nu zal ik de laatste zijn om het belang van stedelijke netwerken te ontkennen. Een economie floreert bij samenwerking, en dat gaat vaak beter als je dicht bij elkaar zit. Niet alleen in Nederland, maar overal ter wereld zorgen de steden voor dynamiek en nieuwe welvaart.

Maar je kunt het ook overdrijven. Ja, de stad is belangrijk, maar het land is dat ook. Nederland bestaat niet uit vier sterke steden met daartussen nutteloos opvulsel van gras, veen en water. Ook buiten de Randstad vinden er relevante economische activiteiten plaats. Innovatie van de bovenste plank in Eindhoven, moderne maakindustrie in de Achterhoek, agrarische hightech in zo ongeveer alle hoeken van het land. Het gaat vaak om bedrijven die eerder gericht zijn op de buitenlandse markt dan op de Randstad. Ondernemers die alleen in Amsterdam komen om het vliegtuig te pakken naar een klant in een ver land, die alleen aan Rotterdam denken als er een container te laat aankomt en die Den Haag slechts kennen van de blauwe envelop.

Het nieuwe kabinet heeft €950 mln uitgetrokken om knelpunten in regio’s aan te pakken. De lokale bestuurders mogen de komende maanden om dat geld vechten. Eindhoven deelde vrijdag de eerste klap uit en wil €170 mln uit die pot, om de regio aantrekkelijker te maken voor internationaal talent. ASML-topman Peter Wennink ziet het bedrag als een goede start, maar vindt dat er eigenlijk veel meer geld nodig is voor de regio Eindhoven.

Als aanmoediging in hun strijd, en om de regio’s een hart onder de riem te steken, heb ik wat sommetjes gemaakt over het belang van de regionale economie voor Nederland. Hoe zou de BV Nederland eruit zien zonder de G4? Blijft er dan een soort Jutland over? Of is Nederland zonder de vier steden nog altijd een economie van belang?

Hoe trek je de G4-economie af van Nederland? Ik gebruik daarvoor niet alleen de economie van de vier steden zelf, maar het hele zogenoemde Corop-gebied waar de stad in ligt, want de directe omgeving is economisch vaak nauw verbonden met de stad. Voor Amsterdam neem ik het Corop-gebied Groot-Amsterdam, inclusief Alkmaar en de Haarlemmermeer. Rotterdam wordt regio Groot-Rijnmond. Den Haag wordt Agglomeratie ’s-Gravenhage. En de stad Utrecht wordt de hele provincie met die naam.

Trek deze vier regio’s af van Nederland en je houdt de economie van landelijk Nederland over. Dit ‘Nederlandelijk’ telt 12,2 miljoen inwoners die wonen in 5,4 miljoen huizen en werken bij ruim een miljoen bedrijven. De werkgelegenheid bedraagt 4,7 miljoen arbeidsjaren. Deze aantallen zijn stuk voor stuk groter dan die van de G4.

Het bbp van Nederlandelijk bedraagt €439 mrd. Dat is bijna twee derde van het totale bbp van Nederland. Ook zonder de G4 is ons land een middelgrote speler in Europa. Nederlandelijk is de vijfde economie van het eurogebied met een bbp dat nog net groter is dan die van België. Ook EU-lidstaat Polen heeft een lager bbp. De economie van Nederlandelijk is zelfs groter dan die van Finland en Portugal bij elkaar.

Natuurlijk, inclusief de grote steden is de Nederlandse economie nog krachtiger en welvarender. Maar dat zonder de G4 Nederland weinig voor zou stellen is een mythe.

(FD)

Wanneer gaat het mis?

Het is ze gelukt. De Nederlandse ondernemers hebben het record van januari 2008 – precies tien jaar geleden – overtroffen en een nieuwe all time high neergezet. Bravo! Het producentenvertrouwen staat nu op 10,3. Zo hoog was het nog nooit.

Ik heb een dubbel gevoel bij dit record. Want de vorige top was niet bepaald het startpunt van een nieuwe gouden periode. Tien jaar geleden liepen de ondernemers met hun hoofd in een roze wolk, terwijl overal om hen heen de donderwolken zich samenpakten. Twee maanden later moest de Amerikaanse bank Bear Stearns worden gered door de overheid. De kredietcrisis begon en in december 2008 stond het producentenvertrouwen op de laagste stand ooit gemeten.

Het optimisme was dus nogal onterecht in 2008. Hoe is dat tien jaar later? Zijn er nu weer donkere wolken die we niet willen zien? Dat is een moeilijk vraag; economen zien meestal pas dat storm op komst is als de bomen al wild heen en weer zwiepen. Maar ik doe toch een poging. Is het optimisme van ondernemers anno 2018 weer net zo misplaatst als in 2008? Wie of wat gaat ditmaal de pret bederven? Ik geef u drie kandidaten.

Kandidaat 1: de ECB. Dat het opkoopprogramma dit jaar zal stoppen, lijkt nu wel duidelijk. Maar hoe snel volgt daarna de eerste rentestap? Een scenario waarin de inflatie sneller stijgt, bijvoorbeeld door een loonexplosie in Duitsland, net terwijl er een strijd is ontbrand over de opvolging van president Mario Draghi (wordt het de Duitse havik Jens Weidmann?), zou tot een overreactie kunnen leiden. Dan zou kunnen blijken dat landen als Italië en misschien zelfs Frankrijk een hogere rente nog niet kunnen hebben. Politici in die landen roeren zich en financiële markten twijfelen weer aan de toekomst van de euro. Een leuk scenario, maar ik geef het weinig kans. De duiven blijven de baas in Frankfurt.

Dan kandidaat 2: Donald Trump. Hij komt zijn verkiezingsbeloftes na en start een handelsoorlog met zo ongeveer iedereen. Ook Europa komt vanwege het grote overschot op de handelsbalans onder vuur te liggen. De wereldhandel krimpt en handelsnatie Nederland is het slachtoffer. Dit is een iets waarschijnlijker scenario, want met Trump kan alles. Maar tot nu toe valt het nog reuze mee met het protectionisme van de Amerikaanse president.

Door naar kandidaat 3: een mislukte Brexit. Zonder goede afspraken, zonder tussentijds bij zinnen te zijn gekomen, breekt het Verenigde Koninkrijk met de EU. De doemscenario’s komen uit, voor de Britten, maar ook voor handelspartner Nederland. Exporteurs zien een belangrijke markt sluiten, Europese banken verliezen de dienstverlening van Londen en de waarde van onze investeringen in het Verenigde Koninkrijk dalen hard.

Dit is het engste scenario. Maar helaas ook het meest waarschijnlijke.

(FD)

Numerus fixus

Het aantal jongeren dat een technische opleiding wil volgen loopt nu zo snel op, dat een studentenstop onvermijdelijk is. Leuk is het niet, maar er moet een numerus fixus worden ingevoerd. Studenten zullen moeten loten om een plek. Het geld is op, de pot is leeg, dus er moeten harde keuzes worden gemaakt. Het is niet anders.

Eén kanttekening: die studentenstop moet natuurlijk niet bij de technische studies zelf worden ingevoerd. Nederland heeft juist een schreeuwend gebrek aan geschoold technisch personeel. We hebben nu al tienduizenden technici en ICT-ers te weinig en door de meevallende economische groei lopen die tekorten snel op. Er worden simpelweg niet genoeg jongeren opgeleid voor een technisch beroep om aan de toekomstige personeelsvraag te voldoen. Volgens onderzoekers van de Universiteit van Maastricht (pdf) zullen werkgevers tussen nu en 2022 voor 89% van de technische beroepen en 100% van de ICT-beroepen met knelpunten op de arbeidsmarkt te maken krijgen.

Het zou daarom buitengewoon dwaas zijn om juist voor deze studies een numerus fixus in te voeren. Dat de Universiteit Twente in januari aankondigde dat twaalfduizend studenten het maximum is wat men met de financiële middelen aankan, en dat bij meer studenten het kleinschalige karakter verloren dreigt te gaan, moet dan ook op een grandioos misverstand berusten. Hetzelfde geldt voor de studentenstops die nu al van kracht zijn op de technische universiteiten van Eindhoven en Delft: een tragisch misverstand, iets anders kan ik er niet van maken.

Want als er geld tekort is om voldoende technici op te leiden, dan worden er waarschijnlijk voor andere beroepen te veel jongeren opgeleid. Te veel bedrijfs- en bestuurskundigen, bijvoorbeeld. En te veel juristen. Volgens de Maastrichtse onderzoekers zijn er tot 2022 relatief weinig knelpunten te verwachten bij bedrijfseconomische, administratieve en juridische beroepen. Toch begonnen er vier jaar geleden ruim 1500 studenten aan een universitaire studie Bestuurskunde, 4100 studenten gingen Bedrijfskunde studeren en maar liefst 5300 startten in 2014 met hun eerste jaar Rechten. Ze halen vast niet allemaal de eindstreep, maar een flink aantal van hen zal de komende jaren de arbeidsmarkt opstromen.

Als er een studentenstop moet worden ingevoerd omdat er niet genoeg geld is, doe dat dan bij deze studierichtingen. En misschien meteen ook maar bij psychologie (3900 eerstejaars in 2014, ruim een verdubbeling ten opzichte van twintig jaar eerder) en communicatiewetenschappen (1400 eerstejaars, een verdriedubbeling). De studie economie? Akkoord, ook daar een studentenstop, al is het aantal eerstejaars daar al jaren aan het dalen.

Gebruik vervolgens het uitgespaarde geld om de begrotingen van de technische universiteiten te spekken. Nee, dat gaan de algemene universiteiten niet leuk vinden. Ik zal er geen traan om laten. Een studiestop voor beroepen waar een gierend tekort aan is, dat is pas om te huilen.

(FD)