Alle berichten van Mathijs

Oude meningen in een nieuw krokant coronakorstje

Nu vernieuwd en verbeterd! Uw oude mening in een knispervers coronajasje! Zo overtuigend is uw belegen opinie nog nooit geweest!

Was u altijd al tegen flexwerk en zzp’ers? Noemde u dat tot vervelens toe ‘moderne slavernij’? En luisterde niemand meer, omdat men wel klaar was met dat soort hyperbolen? Paneer die opvatting dan nu in een vers laagje corona-angst, en iedereen hangt weer aan uw lippen. Zeg dingen als: ‘De coronacrisis bewijst dat de flexibele arbeidsmarkt ons kwetsbaar maakt’. Of: ‘Door de virusuitbraak moeten zelfstandigen massaal in de bijstand. Weg met de zzp’er!’

Of was u sinds uw pubertijd al verknocht aan de negentiende-eeuwse romantiek van ‘de natiestaat’ en verlangde u naar een landsgrens met prikkeldraad en slagbomen? Roep dan nu ‘corona!’ en alle grenzen van Nederland gaan dicht. De marechaussee aan de Duitse grens en de zeecontainers op de weggetjes richting België tonen uw eeuwige gelijk.

Misschien woont u wel in de buurt van een luchthaven en ergert u zich al jaren aan de herrie van vliegtuigen? Ook dan biedt de huidige crisis een fijn pakket aan verse argumenten. Zie je wel dat de luchtvaart geen toekomst heeft? Een paar weken lockdown en KLM is al failliet. Vliegverkeer ligt plat, dus Lelystad hoeft niet open.

Een virusuitbraak blijkt het ultieme gelegenheidsargument. Corona verlegt de blik niet, maar maakt dat we onze oude oordelen en opinies juist haarscherp zien. Ik heb er zelf ook last van. De coronacrisis bewijst dat productieketens robuuster moeten. Dus niet alles in China of in eigen land produceren, maar juist in meerdere landen, zodat productie-uitval in een enkel land minder impact heeft. Meer globalisering dus. Maar dat vond ik voor corona ook al, dus hoe oprecht is mijn conclusie?

Net zo onoprecht als de eurosceptici die in de corona het bewijs zien dat de EU niks kan, en als de EU-aanhangers die er juist in lezen dat de EU meer beleidsruimte nodig heeft. Was u altijd al voor eurobonds? Corona bewijst uw gelijk. Of had u juist een hekel aan de monetaire unie? Corona laat zien dat de euro geen toekomst heeft. De overheid is de oplossing voor alles, kijk maar naar de coronacrisis. Nee, de overheid wil onze privacy stelen, want coronacrisis.

Het werkt zelfs met de Grote Vragen. Hebt u iets met zingeving en religie? Dan toont de lockdown hoe zeer we het hogere nodig hebben. Was u al een nihilist, dan bewijst het virus dat god dood is.

Het is vast logisch en onvermijdelijk. Maar ik ga de komende tijd vooral luisteren naar mensen die door de coronacrisis juist tot een andere mening zijn gekomen.

(FD)

In de anderhalvemetereconomie spelen viooltrio’s in enorme concertzalen. Kan dat uit?

Ja, het past! Een concert uit de Kleine Zaal van het Concertgebouw in Amsterdam kan worden opgevoerd in de beroemde Grote Zaal. Tenminste: het maximale aantal bezoekers dat in de Kleine Zaal kan, past – met in achtneming van de afstandsregels van het RIVM – in de Grote Zaal.

Ik moest er flink voor strepen in de plattegrond van het Concertgebouw en misschien ben ik te onvoorzichtig of juist te streng geweest, maar volgens mij kloppen de getallen wel ongeveer. De Beethoven-uitvoering van de Noorse violiste Vilde Frang en haar trio, die voor volgende week vrijdag in de Kleine Zaal op het programma stond, zou dus misschien in de Grote Zaal door kunnen gaan.

Verderop meer over dit sommetje. Eerst de reden voor de exercitie, want die gaat verder dan het verlangen naar een avondje Beethoven. De Kleine Zaal in de Grote Zaal stoppen, dat is wat een flink deel van de Nederlandse economie de komende tijd te doen staat. Uit voorzorg zijn veel bedrijven helemaal dicht gegaan. Begrijpelijk, want een noodsituatie vraagt om daadkracht. Subtiele regels leiden dan maar tot verwarring.

Maar nu de coronacrisis voortduurt en de preventiemaatregelen zijn verlengd, wordt het tijd voor meer fantasie en intelligentie. Wat kan er nog wel? Hoe kunnen winkels, restaurants, sportscholen en misschien zelfs concertzalen weer klanten ontvangen? Hoe richten we onze kantoren in zodat de RIVM-richtlijnen gevolgd worden, maar mensen toch weer naar hun werk kunnen? En wat betekent het voor werkplaatsen en fabrieken? In de ‘anderhalvemetereconomie’ kan veel meer dan nu, maar veel minder dan vroeger.

Het wordt daardoor vooral veel minder efficiënt. In de Grote Zaal past een publiek van maximaal 1974 mensen. In de Kleine Zaal is dat pakweg een vijfde daarvan: 438. Hoe inefficiënt wordt de bedrijfsvoering als men kamerconcerten op het grote podium gaat geven? Mijn gok is dat verreweg de meeste kosten van deze organisatie bestaan uit vaste kosten – die men toch al kwijt is – dus misschien is het per saldo toch efficiënt. Zulke sommen zullen alle getroffen ondernemers voor zichzelf moeten maken om te bepalen wat economisch zinvol is. Vaak zal blijken (gok ik) dat iets doen beter is dan helemaal niets.

Het is aan de overheid om zowel kritisch als flexibel om te gaan met de oplossingen die ondernemers bedenken. Kritisch omdat het binnen de perken houden van de epidemie altijd op nummer 1 moet blijven staan. In een afruil tussen gezondheid en geld geloof ik niet, zeker niet in dit beginstadium van de uitbraak. Maar flexibiliteit wordt ook gevraagd. De mens is inventiever dan de overheid, dus geef ondernemers een kans om te bewijzen dat de zaak weer deels open kan. Een beetje omzet is beter dan geen omzet.

Zo is ook een bescheiden kamerconcertje beter dan een doodstil Concertgebouw. Met hier de beloofde uitleg: hoe krijg je de Kleine Zaal in de Grote Zaal? Vanwege de RIVM-regels hebben we veel ruimte nodig tussen de bezoekers. Daarom blijven om de rij alle stoelen onbezet. Vervolgens worden ook per rij de helft van de stoelen niet verkocht. Ik ga ervan uit dat mensen graag samen met een huisgenoot komen luisteren, dus tussen iedere twee verkochte stoelen zitten twee onverkochte. Per rij laten we dat verspringen, zodat niemand recht achter een ander zit. Op de balkons gebeurt hetzelfde. De plaatsen achter het podium gebruiken we voor eenlingen, dus hier zijn tussen iedere enkele stoel twee stoelen vrij. Ook worden daar tussen elke rij twee rijen vrijgehouden, want de stoelen staan steil boven elkaar, dus een hoest of nies kan ver komen.

Het Concertgebouw heeft ook stoelen langs de randen van de zaal. Die gaan weg om meer loopruimte te creëren. Uiteraard zullen mensen nooit tegelijk mogen aankomen en vertrekken (gebruik een app!). Er is geen pauze in het programma en geen drankje in de lobby. Toiletbezoek wordt sterk ontmoedigd.

Zo ingericht telt de Grote Zaal nog 474 plaatsen. Deze ‘crisisplacering’ is voldoende om alle mensen uit de Kleine Zaal een plek te geven. Of dat echt economisch of cultureel zinvol is, laat ik natuurlijk graag over aan de directie van het Concertgebouw

(FD)

Hoekstra’s quarantaine

Stel je voor dat de Europese ministers van financiën niet per videoverbinding zouden vergaderen, maar gewoon in levenden lijve bij elkaar kwamen. En dat er dan een van hen besmet zou blijken met het coranavirus.

Of beter: een van hen lijkt besmet te zijn. Het is dus vals alarm, maar de noodprotocollen gaan wel in werking. Lock-down! Quarantaine! Met gillende sirenes worden alle 19 ministers geëvacueerd en voor twee weken ondergebracht in het Schuman Hotel aan de Breydelstraat in hartje Brussel. Kamers worden verdeeld. Twee ministers per kamer, op alfabetische volgorde, dus Wopke Hoekstra belandt in een kingsize-bed met Pierre Gramegna uit Luxemburg.

Voor hem hoeft de Nederlander zijn bokshandschoenen niet uit de koffer te halen. Maar een kamer eerder hebben de Ier Paschal Donohoe en zijn Italiaanse collega Roberto Gualtieri de bedden verdeeld. En telkens als Hoekstra zijn kamer verlaat voor een ommetje (de Luxemburgse kamergenoot blijkt een nogal luidruchtige fan van het nationale operetterepertoire), loopt hij de Italiaanse buurman tegen het lijf. ‘Romeinse geldverspiller!’, bijt Hoekstra hem dan venijnig toe. ‘Calvinistische egoïst!’, fluistert de Italiaan terug. Zijn ogen spuwen vuur.

Zo gaat het de eerste dagen. Maar na een kleine week raken ze toch aan de praat. De Nederlander verjaagd uit zijn kamer door de klanken van Lehár’s Der Graf von Luxemburg, de Italiaan op de vlucht voor sentimentele Ierse folkmuziek. Gualtieri vertelt over de precaire politieke situatie in zijn land, en hoe de populist Salvini de coronacrisis misbruikt. Die is een petitie gestart tegen het inroepen van het Europese noodfonds ESM. Er hebben nu zoveel mensen getekend dat de Italiaanse regering gewoon niet meer om hulp kan vragen.

Hoekstra moet tot zijn verbazing erkennen dat het in Nederland niet anders is. Hier dwingt de electorale concurrentie van populistische partijen hem er juist toe om steun aan de Zuid-Europese slachtoffers van de virusuitbraak tegen te houden. Een kleine schenking kan misschien nog, maar massale steun vanuit Europese solidariteit is uit den boze.

Maar in quarantaine klinken de stemmen van de populisten steeds minder luid. Binnen enkele dagen wordt er in de gang van het Schuman Hotel een plan gesmeed. Hoekstra wil wel helpen, maar dat mag geen precedent scheppen. Gualtieri wil graag hulp, maar er moet nu even niet worden gezeurd over pensioenleeftijden en begrotingstekorten. Er blijkt eigenlijk niet zoveel ruimte te zitten tussen die opvattingen. Een tijdelijk fonds, gevuld met de opbrengst van gezamenlijk uitgegeven obligaties, geeft wat ieder wil.

Geen euro-obligaties, maar eigenlijk ook wel. Wat maakt het uit, denkt Hoekstra, als je een Europese vriend in nood kunt helpen?

 

FD

Maak nu een pitstop

Alleen het eerste woord is geruststellend. De Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Behoud van Werkgelegenheid (NOW) is tijdelijk. Dit gaat weer voorbij. Ooit is de coronacrisis overgewaaid en gaan we weer terug naar business as usual. Ook het acroniem NOW (dus niet TNOBW) dat men voor de regeling bedacht, moet die tijdelijkheid weergeven. Nu is de loonsubsidie voor bedrijven met grote omzetdalingen nodig, maar straks gelukkig niet meer.

Wanneer nu voorbij is en straks begint, weet het kabinet natuurlijk ook niet. De NOW-regeling loopt in principe tot eind mei en kan met drie maanden verlengd worden. Ik ga hier ook niet speculeren op de duur van deze ellende. Maar ooit is het weer voorbij. Ooit gooit u de zaak weer open en lopen de klanten weer binnen.

Wat moet een ondernemer doen in de tussentijd? Overleven natuurlijk, en indien nodig alle mogelijke steun aanvragen. Maar u kunt nog iets doen: ambitieuze plannen maken, grote investeringen doorvoeren en het personeel opleiden.

Dit is niet het moment voor ondernemers om zich terug te trekken in een holletje en hopen dat het voorbij gaat. Nee, er is actie nodig, want tijdens de crisis zijn de kosten om je bedrijf te vernieuwen en overhoop te halen veel lager dan in goede tijden. De recessie is hét moment om te investeren. Economen maken graag de vergelijking met de Formule 1.

Want wat doen Lewis Hamilton en Max Verstappen als er een ongeluk op het circuit is gebeurd en de virtual safety car iedereen verplicht om langzaam te rijden? Ze maken als het even kan direct een pitstop. Als je 30% langzamer moet rijden, is zo’n stop in de pitstraat relatief voordelig. De tijd van de bandenwissel blijft hetzelfde, maar het aantal meters voorsprong dat de coureur verliest is geringer. Nu ‘investeren’ in nieuwe banden is relatief goedkoop.

U ziet de overeenkomst met de coronacrisis vast al. De preventiemaatregelen van het kabinet werken als een veiligheidsauto. Ondernemers worden gedwongen om gas terug te nemen. Wie slim is (en genoeg cash of krediet heeft) rijdt nu de pitstraat in.

Niet voor nieuwe banden. Maar wel voor ander achterstallig onderhoud. Digitaliseer nu je bedrijfsvoering, duik nu de cloud in, stuur nu het personeel op cursus. En voor de industrie: die klimaatinvesteringen lijken op dit moment even niet zo belangrijk. Maar als de coronacrisis voorbij is, zitten we gewoon weer in de klimaatcrisis. Al die investeringen in schone technologie die dan nodig zijn, kun je het beste doen als de schoorstenen niet roken en de ovens zijn afgekoeld. Aan de slag!

(FD)

Ik geef een uitzwaaiparty voor onze topeconomie. Bedankt voor de mooie tijd en hopelijk tot ziens!

Het lijkt een eeuwigheid geleden, maar het was eind januari dat Klaas Knot de Nederlandse economie een 9 gaf. Natuurlijk, de president van de Nederlandsche Bank zag ook wel dat de huizenmarkt aan het scheefgroeien was. En we zouden best wat meer kunnen investeren in de kenniseconomie. Maar conjunctureel stond de economie er zeer goed voor. Vandaar die 9.

We zijn nu tien weken verder en niemand denkt er meer aan om de economie schoolcijfers te geven. Laat staan een ‘zeer goed’. Tevredenheid heeft plaatsgemaakt voor diepe onzekerheid. Hoe lang duurt de crisis? Hoe diep wordt de recessie? Komen we hier ooit weer bovenop? Wanhopige vragen waarop ook Knot geen antwoord weet. ‘We tasten in het duister’, vatte hij de situatie onlangs samen.

Het is de komende weken en maanden angstig wachten op de nieuwsberichten van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Elk maandbericht over de arbeidsmarkt en economische groei en iedere stemmingspeiling onder consumenten en producenten vertelt ons meer over de omvang van onze economische problemen.

Ik zal er met frisse tegenzin verslag van doen. Maar voordat we verdrinken in de nieuwe economische werkelijkheid, moeten we misschien eerst netjes afscheid nemen van die economie met een 9. Uit nostalgie, maar ook omdat we misschien dankzij onze prima uitgangspositie iets makkelijker door de crisis komen.

We klappen voor al het zorgpersoneel. En zwaaien naar de economie van rond de jaarwisseling. Op dat moment had Nederland bijna zes jaar van aaneengesloten economische groei achter de rug. Om precies te zijn: in het eerste kwartaal van 2014 was de economie voor het laatst gekrompen en tijdens de 23 kwartalen die daarop volgde was er telkens sprake van groei. Het was de op een na langste periode van aaneengesloten groei sinds we kwartaalcijfers bijhouden. Alleen in de jaren negentig van de vorige eeuw, tijdens de paarse kabinetten, duurde de hoogconjunctuur net iets langer.

Misschien voelde het niet voor iedereen als een uitzonderlijk gunstige periode, want ook tijdens hoogconjunctuur zijn er verliezers. Maar voor de economie als geheel was het een prima tijd, waar we straks met weemoed aan zullen terugdenken. Nederland werd rijker dan ooit tevoren, met een bruto binnenlands product per hoofd van de bevolking van ruim 38 mille in 2019.

Nog meer dan in hoge inkomens, vertaalde de lange groeiperiode zich in hoge werkgelegenheid. Van alle 15- tot 75-jarigen in Nederland, was eind 2019 ruim 69% aan het werk. Zo hoog was de arbeidsparticipatie in ons land nog nooit. En vlak voordat de coronacrisis uitbrak, belandde het werkloosheidspercentrage onder de 3%. Dat was de laagste werkloosheid in bijna een halve eeuw. Zoveel mensen hadden werk dat Nederland zich bij gebrek aan echte problemen, druk ging maken over de vorm waarin al dat werk werd gedaan. Hadden we te veel flexwerk? Waren alle zzp’ers wel echte ondernemers? En moesten we niet juist minder uren werken? Zalig is het land dat ruzie kan maken over dat soort details.

De groei van de economie zorgde ook voor groei van de buffers. Bezittingen van pensioenfondsen gingen mee omhoog met de stijgende beurskoersen en particulieren stopten geld in de spaarpot of losten hypotheken af. Aan het begin van de coronacrisis was ons vermogen groter dan ooit. Ook de overheid kon flink sparen. In 2019 boekte men een enorm overschot op de begroting en liep de staatsschuld terug naar het laagste peil sinds 2007.

Buitenstaanders zagen misschien nog beter dan wij zelf hoe goed het hier ging. Op het concurrentielijstje van het World Economic Forum steeg Nederland naar de vierde plaats. In Europa werden we zelfs het land met de hoogste concurrentiekracht. Volgens de ranglijst voor innovatie was Nederland ook het op drie na beste land ter wereld.

Zo stonden we er voor, vlak voordat de coronacrisis begon. Een concurrerende economie met een extreem krappe arbeidsmarkt en grote financiële buffers. Nederland gaat de komende maanden veel van die glans verliezen. We zijn een fitte sportman die op hongerdieet moet. Dat wordt zwaar, maar we beginnen in elk geval aan de klus in puike conditie.

(FD)

De dood is procyclisch. Dus coronamaatregelen veroorzaken wel een recessie, maar geen recessiedoden

Armoede kan dodelijk zijn. Neem Somalië, het armste land ter wereld. Het bestaan is er keihard. De levensverwachting van een gemiddelde Somaliër is nog geen 60 jaar.

Nee, dan Nederland: een van de rijkste landen, volgens de website Gapminder.org (absoluut een bezoekje waard). Hier worden we bijna allemaal hoogbejaard. De gemiddelde levensverwachting is al bijna 82 jaar. In Singapore zijn ze nog rijker, en worden ze ook weer net wat ouder (85 jaar).

Hoe rijker, hoe ouder. Dat geldt niet alleen als je landen vergelijkt, maar ook in de tijd. In 1921 was ons inkomen tien keer zo laag als nu en werden we nauwelijks ouder dan de huidige Somaliër. Economie en levensverwachting gaan in vrijwel alle landen en gedurende vrijwel alle tijdvakken samen op.

Waarom is dat relevant? Omdat de corona-uitbraak een wereldwijde recessie dreigt te veroorzaken. Of beter: niet de coronacrisis, maar de preventiemaatregelen van overheden leiden tot een ongekende dip in het bbp. Voor Nederland misschien wel van 7,7% dit jaar, zo schetste het Centraal Planbureau deze week in haar donkerste scenario.

We redden levens, maar vermoorden de economie. Is dat wel zinvol? Het is een vraag die velen stilletjes stellen en sommigen hardop. President Trump, bijvoorbeeld, roept dat het medicijn niet meer kwaad mag doen dan de ziekte. Met Pasen moet de het weer business as usual zijn, anders kost het de economie te veel geld.

In Nederland stellen we het wat minder cru, maar ook hier wordt de afruil tussen virusbestrijding en economische schade in de gaten gehouden. Bij het crisisteam van de overheid kijken ook economen mee. Het hoeft daarbij niet direct om een afruil tussen dodelijke slachtoffers en geld te gaan. Als economische neergang zelf ook voor slechtoffers zorgt, kun je (hoe morbide ook) sterftegetallen vergelijken.

Hoogleraar Besturen van Veiligheid Ira Helsloot schreef onlangs in de Volkskrant dat een coronarecessie ‘honderdduizenden Nederlanders gezonde levensjaren gaat kosten’. Helsloot schrijft: ‘Onze goedbedoelde maatregelen tasten óók mensenlevens aan.’

Krijgen we de doden die worden voorkomen door het overheidsbeleid straks terug door de onvermijdelijke recessie? De Gapminder-grafieken lijken dat te suggereren. Maar dat in rijke landen mensen langer leven, hoeft niet te betekenen dat een inkomensdip zorgt voor kortere levens.

De Amerikaanse econoom Chris Ruhm doet al jaren onderzoek naar de relatie tussen recessies en sterftecijfers. Met een verrassende conclusie: recessies zijn niet slecht, maar juist goed voor onze overlevingskans. Tijdens economische neergang gaat de mortaliteit niet omhoog, maar omlaag. Een recent overzichtsartikel in Nature kwam tot dezelfde contra-intuïtieve conclusie. De dood is procyclisch.

Ruhms onderzoek gaat over de VS. Voor Nederland is het nooit onderzocht. In elk geval kon ik het niet vinden, ook niet na navraag bij experts. In de grafiek daarom mijn eigen poging. Ik gebruik de gestandaardiseerde sterftecijfers sinds 1950. Dat zijn de cijfers geschoond voor de leeftijdsopbouw (vergrijzing) van de bevolking. De afgelopen zeventig jaar verbeterde de gezondheidszorg en verkeersveiligheid, dus het gestandaardiseerde sterftecijfer daalt van 13 sterfgevallen per duizend Nederlanders naar zes in 2018. De gemiddelde daling is iets meer dan 0,1 per jaar. Die trend haal ik er ook uit.

Wat overblijft is een lijn met het gestandaardiseerde, trendloze sterftecijfer. Gaat dat omhoog tijdens recessies? Bepaald niet. Ook in Nederland is de sterfte dan laag. Het getal loopt juist op tijdens de hoogconjunctuur van de jaren zestig en negentig. Alleen in de dotcomcrisis van 2001 bleef de sterfte relatief hoog. Net als in recessiejaar 2012, maar toen zorgde een koude winter en griepgolf voor relatief veel doden.

De corona-maatregelen zorgen voor een recessie en dat gaat veel ellende opleveren. Maar dat we coronadoden inruilen voor recessiedoden valt wat mij betreft niet hard te maken.

FD

Hoe diep wordt de recessie? Het is een logische vraag met een onmogelijk antwoord

De economie staat even op het tweede plan. Er zijn nu belangrijkere zaken dan werkgelegenheid en economische groei. Ter bestrijding van de virusuitbraak is de overheid bereid een flink deel van de economie stil te leggen. En hoewel het kabinet met een enorm hulpprogramma probeert de gevolgen voor bedrijven en werknemers te beperken, is duidelijk hoe de prioriteiten liggen: eerst de gezondheid, dan pas het geld.

Hoe zwaar zal de economie worden getroffen? Dat is buitengewoon moeilijk te zeggen. Niet alleen is er fundamentele onzekerheid over hoe ernstig en langdurig de coronacrisis zal zijn, we weten ook niet goed hoe deze specifieke schok de economie zal raken. Met het acuut stilleggen van een deel van de bedrijven hebben we nauwelijks ervaring.

Voor een historische parallel moet je misschien denken aan tijden van mobilisatie, wanneer een deel van de bevolking van het land en uit de fabriek wordt geplukt om naar het front te gaan. Dat zou je – net als nu – kunnen zien als een negatieve aanbodschok. Maar in oorlogstijd gaat die negatieve schok vaak gepaard met een positieve vraagschok.

Misschien biedt de sluiting van de Limburgse mijnen een historisch parallel. In de jaren na het besluit in 1965 werd een goed deel van de Zuid-Limburgse economie min of meer stilgelegd. De werkloosheid liep enorm op en het kostte de regio decennia om over de schok heen te komen.

Zo lang hoeft het nu natuurlijk niet te duren, want wat de huidige crisis zo bijzonder maakt is dat die op een gegeven moment weer voorbij is. Juist daarom is het verstandig van de overheid om nu alles op alles te zetten om faillissementen en massaontslagen te voorkomen. Dan gaat het opkrabbelen straks hopelijk veel sneller.

Maar eerst komt dus de diepe val. Zelfs het Centraal Planbureau durft geen eenduidige voorspelling te doen van de diepte van de recessie. Aankomende donderdag komt men met een nieuwe raming, maar die zal drie verschillende scenario’s bevatten. Dat wordt vast een waaier aan mogelijke uitkomsten, variërend van teleurstellend tot uiterst beroerd.

Extra complicatie is dat een lockdown van bepaalde sectoren zich minder makkelijk laat modelleren dan bijvoorbeeld een oliecrisis of een dip in de wereldhandel. Want met alleen het schatten van het productieverlies in de direct getroffen sectoren ben je er niet.

Het optellen van de schade in bijvoorbeeld de luchtvaart, horeca, reisbranche, sport en recreatie lukt nog wel. Deze sectoren zijn samen goed voor ongeveer 3,5% van het bruto binnenlands product (bbp). Als de detailhandel komt stil te vallen kost dat nog eens 3,5%. Dan zitten we al op een terugval die het dubbele is van de krimp in de eerste drie maanden van 2009, het slechtste kwartaal tijdens de kredietcrisis.

Maar natuurlijk blijft de schade niet beperkt tot die sectoren. Andere bedrijfstakken worden indirect geraakt. Hoeveel precies? Daarvoor moet je naar de economische relaties tussen sectoren kijken. Wat neemt de luchtvaart af van andere sectoren? Hoeveel koopt de hotelbranche in en bij wie?

Ter illustratie van hoe ingewikkeld zo’n analyse is, heb ik hierboven een klein deel van de Nederlandse input/output-tabel weergegeven. U ziet de leveranties tussen (slechts) zes sectoren.

Als de luchtvaart stopt met vliegen staat voor de sector ‘reparatie en installatie van machines’ bijna een miljard euro omzet op het spel. Gaan de restaurants dicht, dan kost dat de voedingsmiddelenindustrie bijna anderhalf miljard. Die laatste sector schort dan wellicht ook een deel van de kleine €300 mln aan orders bij de machine-industrie op. Zo grijpt alles in elkaar. En ook onderling treffen de probleemsectoren elkaar. Hotelpersoneel pakt het vliegtuig niet meer, vliegmaatschappijen bestellen geen bereide maaltijden meer.

En zo voor alle ruim tachtig bedrijfstakken die in het complete plaatje zouden staan. Platleggen van een paar sectoren raakt op den duur de hele economie, dat is duidelijk. Hoeveel precies? Ik zou me niet aan een voorspelling durven wagen.

Wie serieus plastic verpakkingen en zwerfafval wil terugdringen, moet denken in dubbeltjes en kwartjes

De kracht van kleine bedragen kan enorm zijn. Geef iets wat altijd gratis was een klein prijsje en de consument reageert alsof het hele maandinkomen op het spel staat. Ingeslepen gewoontes veranderen op slag, en wat vroeger onpraktisch en onnodig leek, is plotseling een doodnormale zaak.

Zo nemen Nederlanders tegenwoordig weer allemaal een boodschappentas mee naar de winkel. Of ze stapelen hun aankopen zorgvuldig op, zodat ze zonder tas kunnen worden meegenomen. Zolang we maar niet een dubbeltje of kwartje hoeven neer te tellen voor het plastic tasje van de winkelier.

Op 1 januari 2016 ging de Regeling Beheer Verpakkingen in en kwam er een verbod op het verstrekken van gratis tassen (behalve voor losse voedingswaren). De winkelier zou er voortaan een klein bedrag voor moeten vragen. De richtprijs was 25 cent, maar minder mocht ook.

Afgelopen week verscheen een evaluatie van de maatregel. Conclusie: die is absurd effectief gebleken. Het minuscule prijsje heeft ons gedrag enorm bijgestuurd. In 2015 gebruikten we nog bijna drie miljard plastic tasjes. Dat is 170 stuks per persoon. Iedere Nederlander joeg er dus bijna om de dag een tas doorheen. Waarom ook niet, ze waren toch gratis en dus waardeloos.

In de jaren na het verbod op gratis tasjes is het gebruik spectaculair gedaald naar 600 miljoen stuks op jaarbasis. In 2018 deed de gemiddelde Nederlander maar liefst tien dagen met een tasje. Per persoon gebruikten we er dat jaar 35. Dat is een afname van 80%. Van dit succes had zelfs de grootste plastic-hater niet durven dromen.

Deze cijfers zijn verzameld door I&O Research en werden afgelopen week gepubliceerd. Overigens zijn de 600 miljoen uit 2018 en de drie miljard uit 2015 niet perfect vergelijkbaar. Het 2015-cijfer is een ruwe schatting, gebaseerd op verschillende onderzoeken van de Europese Commissie (2,8 miljard) en Milieu Centraal (4,4 miljard). De schatting van drie miljard zit daar zo ongeveer tussenin.

Hoe dan ook, het effect van de maatregel is enorm. Je zou misschien verwachten dat daar een les uit getrokken wordt voor het bredere beleid om eenmalig gebruik van plastic terug te dringen. Als je met een paar centen al zoveel kunt bereiken, dan smaakt dat toch naar meer?

Niet dus. De Nederlandse bermen liggen nog steeds vol met plastic wegwerpflesjes, omdat de politiek maar niet de moed opbrengt om statiegeld voor kleine flesjes in te voeren. De verpakkingsindustrie belooft telkens om het zwerfvuil met andere middelen terug te dringen, maar uit cijfers van Rijkswaterstaat blijkt dat dit slechts tijdelijk heeft gewerkt. Na een daling in 2018, is de hoeveelheid zwerfafval in 2019 weer fors gestegen.

Als het de verpakkingsindustrie echt menens was, dan zou men zelf pleiten voor de meest effectieve methode om zwerfvuil te bestrijden: een klein bedrag aan statiegeld op ieder flesje (en blikje). Maar daar is men juist mordicus op tegen.

Toenmalig staatssecretaris Stientje van Veldhoven van Infrastructuur en Waterstaat, belast met onder meer milieu, kondigde vorig jaar aan om uiterlijk dit voorjaar een besluit te nemen over statiegeld op kleine flesjes (maar niet op blikjes). Of de kracht van kleine bedragen echt wordt ingezet is dus nog lang niet duidelijk.

Dat geldt ook voor het nieuwe plan van vijftien Europese landen en 66 multinationals om het gebruik van plastic voor verpakkingen terug te dringen en hergebruik te bevorderen. In principe is dit European Plastic Pact, dat vrijdag werd gepresenteerd, natuurlijk een prachtig initiatief. Dit soort zaken moet je op Europees niveau regelen. Maar in de tekst van het akkoord komt geen enkele keer het woord ‘price’tax’‘excise’ of levy’ voor. Er staat niets in over klein prijsjes die producenten of gebruikers van overbodig of moeilijk te recyclen plastic zouden moeten betalen. Er is alleen een vaag tekstje over “investigating the feasibility and scalability of refill, deposit & return model”.

Alsof er nog onderzoek nodig is. De kracht van kleine bedragen heeft zichzelf al vele malen bewezen. Ga zelf maar eens een uurtje zwerfafval rapen uit de berm. Wedden dat u geen enkele plastic literfles met tien cent statiegeld tegenkomt?

(FD)

ECB kan wél wat doen

Behoefte aan een klein lichtpuntje? Hier is er een: de virusuitbraak begint al meer op een symmetrische schok te lijken. Dat maakt het voor Europese beleidsmakers iets makkelijker om de economische gevolgen te bestrijden.

Tijdens de eurocrisis waren het juist de verschillen tussen landen die de problemen veroorzaakten – vooral die tussen het noorden en het zuiden. Daardoor was het voor de Europese Centrale Bank buitengewoon moeilijk om het juiste beleid te bepalen. Pas toen Mario Draghi besloot zich vooral te richten op de noden van het zuiden, werd de crisis bezworen.

‘De rente is negatief, het opkoopprogramma is uitgeput, dus de munitiekist van de ECB is leeg’

Dat moet nu beter kunnen. Symmetrische schokken opvangen, dat moet de ECB goed kunnen. Alle eurolanden zullen het er over eens zijn dat de centrale bank alles moet doen wat nodig is, want dit raakt ons allemaal.

Nu zult u misschien zeggen, in Frankfurt kunnen ze niets meer. De rente is negatief, het opkoopprogramma is uitgeput, dus de munitiekist is leeg. De ECB schiet op de coronacrisis met losse flodders.

Maar dat klopt niet helemaal. De ECB, of beter: het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB), dus inclusief de nationale centrale banken, kan nog wel degelijk wat doen. Namelijk: zorgen dat de lidstaten voldoende middelen hebben. Gezondheidszorg, steun voor bedrijven, ruime WW-regelingen, het gaat enorm veel geld kosten. Tel daarbij op dat door de onvermijdelijke recessie belastinginkomsten flink zullen dalen, en een nieuwe begrotingsnachtmerrie is geboren.

Het ESCB kan dat voorkomen, door obligaties op te kopen of, zoals oud-ECB’er Lex Hoogduin in NRC Handelsblad voorstelde, overheden te laten lenen bij hun nationale centrale bank. Dat laatste is pure monetaire financiering en verboden volgens het Europese Verdrag, maar nood breekt wet, stelt Hoogduin.

Als u dat te ver vindt gaan: De ECB heeft nog een instrument op de plank liggen: Outright Monetary Transactions (OMT). Bedacht tijdens de eurocrisis, maar nog nooit ingezet. De ECB koopt dan gericht staatsobligaties op van een bepaald land, in ruil voor afspraken over structurele economische hervorming. Die afspraken maakt een lidstaat met de Europese Commissie. Dus Europese politici kunnen gezamenlijk besluiten om die niet al te afschrikwekkend te maken.

Natuurlijk zal het ene land eerder OMT nodig hebben dan het andere. De uitgangsposities zijn verschillend en het virus treft niet elke economie even hard. Italië zal vast de eerste zijn die aanklopt. En daarna wellicht Spanje. Maar het virus doet niet aan nationaliteit, dus iedereen kan aan de beurt komen. Dat besef zet hopelijk aan tot meer saamhorigheid dan tijdens de eurocrisis.

Nederlanders reageren hun angst af door flink te hamsteren. En dat is niet voor het eerst.

En toen waren opeens de wc-rollen op. Iemand had z’n winkelwagentje volgeladen met toiletpapier en zodra andere klanten dat zagen gooiden ze ook snel een paar pakken drielaagse zachtheid in hun karretje. Want je weet maar nooit en straks is het op.

Als het coronavirus voor buikloop zou zorgen, was het misschien nog te begrijpen. Maar nu moeten we de nationale run op wc-papier toch afdoen als een staaltje rationele hysterie. Rationeel omdat als iedereen rollen hamstert, je dat misschien beter zelf ook maar kunt doen. Hysterisch omdat tijdens een virusuitbraak een paar stukken handzeep en een maxipak papieren zakdoekjes veel meer waard is dan een schuur vol Page en Edet.

Ook in het buitenland zorgt de virusuitbraak voor een run op wc-rollen. In Australië zijn de tekorten zo groot dat een krant een speciale bijlage met acht blanco pagina’s toevoegde. De oplage steeg meteen met 17%. In Hongkong roofden gewapende overvallers voor $130 aan wc-rollen. En in Japan zorgde een gerucht dat wc-papier uit China komt, eind februari al voor lege schappen omdat mensen bang waren dat China niet meer zou kunnen leveren.

Voor Japan is dat niet voor het eerst. Tijdens de oliecrisis van 1973 was het wc-papier er ook al op. In die tijd waren Japanners net weer gewend geraakt aan overvloed, na de na-oorlogse decennia van tekorten. Angst voor nieuwe schaarste leidde tot een run op onder meer wc-papier. De Grote Pleepapierpaniek van 1973 was een feit.

Het bleek besmettelijk. Komiek Johnny Carson maakte dat jaar op de Amerikaanse tv een grapje over papiertekort, waarop miljoenen Amerikanen naar de winkel renden en alles leegkochten.

Nederlanders waren in 1973 natuurlijk veel te nuchter voor een run op wc-papier. Alhoewel, ook wij sloegen fanatiek aan het hamsteren. In het krantenarchief Delpher is er een flink aantal artikelen over te vinden. Behalve benzine (op zich logisch) hamsterden Nederlanders vooral vuilniszakken, wat tot tekorten leidde. Ook kocht men in grote hoeveelheden slaolie (want oliecrisis) in. In winkels van Albert Heijn en Simon de Wit hingen borden met ‘Doe gewoon, koop niet meer dan u gewend bent.’ Zeep, lucifers, kaarsen, koffie en thee, alles ging mee tijdens de hamsterwoede van 1973. Ruud Lubbers, minister van Economische Zaken in het kabinet Den Uyl, noemde het in Het Parool: ‘Holland op z’n smalst. Het is: lekker ikke en de rest kan stikke.’

Bij elkaar zouden er in dat jaar maar liefst 328 artikelen over hamsteren in de Nederlandse kranten verschijnen. En in 1974 nog eens 208. Alleen in 1950 werd er nog meer over dit onderwerp geschreven. In dat jaar werd de oorlogsrantsoenering van producten opgeheven. In plaats van distributie en bonnen, mochten vraag en aanbod weer het werk doen. Maar op hamsterende handelaren werd flink gelet. Wie probeerde van tekorten te profiteren werd berecht en beboet, en die zaken belandden in de krant.

Een hamsterpiek was er ook in 1956 toen de Suez-crisis en de opstand in Hongarije de vrees voor een nieuwe oorlog aanwakkerden. Meteen sloegen Nederlanders weer aan het hamsteren. Zes jaar later was er weer veel aandacht voor het onderwerp, maar nu omdat er een nieuwe ‘Hamsterwet’ werd aangenomen die de minister van Economische Zaken de macht gaf om in te grijpen. Die wet geldt overigens nog steeds, dus als Eric Wiebes wil, kan hij zo een einde maken aan het rollentekort. Ik zou zeggen: waar wacht hij op?

Andere momenten waarop de kranten volgens het Delpher-archief (dat loopt tot 1995) veel hamsterverhalen brachten, waren tijdens de tweede oliecrisis, in 1979, en vlak voor het invoeren van de ‘medicijnknaak’ in 1983. Toen sloegen Nederlanders extra pillen in. En datzelfde jaar riep de ANWB op tot het ‘hamsteren van strippenkaarten’. Ook na de val van de Muur ging het veel over hamsteren. Maar dan door inwoners van de voormalige communistische landen. Die zagen de prijzen voor het eerst stijgen en sloegen massaal in.

Kunnen we nog wat leren van deze korte geschiedenis van het hamsteren? Jazeker. Ook in tijden van coronavirus moeten we luisteren naar de oproep van Albert en Simon uit 1973: ‘Doe gewoon, koop niet meer dan u gewend bent!’