Alle berichten van Mathijs

Slechts een keer eerder groeide de Nederlandse economie zo lang achtereen

In het eerste kwartaal van 2019 groeide de Nederlandse economie met 0,5% (ten opzichte van het vorige kwartaal). Dat is het 20ste positieve kwartaalcijfer achter elkaar. De laatste keer dat het bbp daalde was vijf jaar geleden, in het eerste kwartaal van 2014.

Daarmee klimt de huidige expansie van de derde naar de tweede plaats. Alleen in de jaren negentig (u weet wel, tijdens die ‘puinhopen van acht jaar paar’) was er een langere periode van aaneengesloten kwartalen met groei. Toen duurde het maar liefst 32 kwartalen.

Overigens groeide onze economie in die 20 kwartalen niet extreem uitbundig. Er kwam in totaal iets meer dan 12% bij. Dat is minder dan tijdens de kortere periodes van expansie in het verleden.

(Kwartaalcijfers voor het Nederlandse bbp zijn er vanaf 1960. Bronnen voor bovenstaande grafiek zijn OECD en CBS)

Staan er echt een miljoen mensen aan de kant, klaar om Poolse vakkenvullers te vervangen?

De Nederlandse arbeidsmarkt kon toch nog krapper. In maart daalde de werkloosheid naar een zelden vertoonde 3,3%. De vijver staat bijna droog en dat is lastig vissen voor bedrijven met vacatures.

Toch hoor je van zowel links als rechts dat de arbeidsmarkt helemaal niet zo krap is. Op links wijst men graag op de grote groepen die langs de zijlijn staan. In werkelijkheid zou het om een miljoen mensen gaan, die van werk worden uitgesloten. De arbeidsmarkt is niet krap, als we iedereen maar een eerlijke kans zouden geven.

Ook op rechts ziet men nog ruimte. De officiële werkloosheid mag dan laag zijn, er zijn zat mensen die niet van de bank af komen. “Labbekakken”, noemde VNO-NCW-voorzitter Hans de Boer ze een paar jaar geleden al. VVD-Kamerlid Dennis Wiersma ziet voor deze groep een toekomst als vakkenvuller weggelegd. Berichten dat supermarkten Poolse arbeidsmigranten inzetten, kwalificeerde hij deze week als ‘bizar’. Nederlandse werklozen zouden de vakken moeten vullen, op straffe van een korting op de uitkering.

Zowel links als rechts ziet dus grote, nog niet aangeboorde arbeidsreserves. Ook de cijfers van het CBS zelf lijken daarop te wijzen. Het onbenut arbeidspotentieel, zoals de statistici dat ieder kwartaal berekenen, bedroeg eind 2018 inderdaad meer dan een miljoen personen. Waaruit bestaat die groep? Allereerst gaat het om de werklozen zelf, eind 2018 waren dat er 323.000 (in maart is dat aantal verder gedaald naar 307.000). Maar dat zijn alleen de mensen die echt gezocht hebben naar werk en direct beschikbaar zijn.

Er zijn ook mensen die wel willen werken, maar niet hebben gezocht. En er is een groep die wel heeft gezocht, maar niet direct kan beginnen. Inclusief die groepen zijn er maar liefst 676.000 mensen ‘werkloos’. Verder telt Nederland 363.000 deeltijders die graag meer uren zouden werken. Deze mensen zijn niet werkloos, maar wel werkzoekend. In totaal komt de teller dan uit op ruim een miljoen min of meer werklozen/werkzoekenden.

Kun je uit dit aantal afleiden dat de arbeidsmarkt ruim is? Dat denk ik niet. Een miljoen lijkt veel, maar vijf jaar gelden bedroeg het onbenut arbeidspotentieel nog ruim 1,8 miljoen. Het aantal ontevreden deeltijders liep snel terug en ook de groep van mensen die willen werken maar niet zoeken, daalde flink. In de recessie raakte een deel van deze mensen ontmoedigd, omdat solliciteren toch geen zin had, maar het afgelopen jaar hervonden velen weer hun moed.

(klik voor groter)

Toch blijven er nog zo’n 150.000 mensen zonder werk die zeggen niet ontmoedigd te zijn, maar toch niet zoeken. Zijn dat De Boers labbekakken? Misschien deels wel: bijna de helft van die groep is jonger dan 25 jaar. Maar er zijn ook 25.000 65-plussers die zeggen dat ze best willen werken, zonder te zoeken. Daar lijkt juist een te groot arbeidsethos het probleem. Er zal ook een deel zijn die best wil werken, maar het gewoon niet hoeft, bijvoorbeeld omdat de partner genoeg verdient.

Tenslotte telt Nederland 131.000 mensen die wel zoeken naar werk, maar niet direct beschikbaar zijn. Dit zijn bijvoorbeeld studenten die alvast solliciteren, of mensen die nog ziek zijn maar zich voorbereiden op terugkeer op de arbeidsmarkt. Maar liefst een kwart bestaat uit vrouwen onder de 35 jaar, waarvan een deel mogelijk begonnen is met zoeken om, zodra de kinderen naar school gaan, weer betaald werk te hebben.

De miljoen werkzoekenden is dus een buitengewoon diverse groep. De een wil niet werken terwijl dat wel zou moeten, de ander wil dat wel terwijl het niet hoeft. Er zijn mensen die werken en toch ook werk zoeken, en mensen die niet werken en daar (soms terecht) ook niet actief naar op zoek zijn. De grootste gemene deler van al deze verschillende mensen levert niet het bewijs dat veel mensen worden uitgesloten, en ook niet dat er nog overal potentiële vakkenvullers verstopt zitten.

(FD)

Dijkhoffs klimaatbeleid

De VVD van Klaas Dijkhoff denkt aan uw kinderen en kleinkinderen. Zij mogen geen problemen krijgen met de verslechtering van klimaat en milieu, zo valt te lezen in het ‘discussiestuk’ dat de fractieleider afgelopen weekend publiceerde. ‘Liberalisme dat werkt voor mensen’, luidt de titel van de tekst waarmee Dijkhoff vooral afstand lijkt te nemen van het beeld dat de VVD er vooral is voor de multinationals.

Op de laatste pagina ontvouwt Dijkhoff zijn visie op wat misschien wel de grootste beleidsuitdaging van onze tijd is: de aanpak van het klimaatprobleem. Het goede nieuws is dat de VVD zich niet laat besmetten door de wetenschapsontkenning van populisten. Het klimaatprobleem is echt en noopt tot actie, weet Dijkhoff. Hij schrijft: ‘We pakken het probleem aan.’

‘Geef schadelijk gedrag een prijs en de maatschappij draait bij, zonder plicht of straf’

Handen uit de mouwen, dus. Niet zeuren, maar poetsen. Maar hoe de VVD die aanpak precies voor zich ziet, daarover zwijgt het stuk. Dijkhoff schrijft vooral op wat klimaatbeleid niet moet zijn. Het moet niet leiden tot verboden en plichten. De vrijheid van de burger mag niet worden ingeperkt. Wie in een brandstofauto met 130 over de snelweg wil vroemen, moet daar voor kunnen kiezen. Net als Nederlanders die lang willen douchen, elke dag gehaktballen willen eten en veel willen vliegen, dat zonder schuldgevoel moeten kunnen doen.

In principe heeft Dijkhoff gelijk. Klimaatbeleid kan prima zonder dwingende voorschriften en beklemmende regels. We hoeven geen vrijheden af te pakken om het klimaat te redden. Voor de noodzakelijke gedragsverandering zijn niet per se nieuwe dogma’s en leefregels nodig.

Economen weten dat al eeuwen. Wie gedrag wil veranderen, moet niet de dominee sturen, maar de koopman. Geef schadelijk gedrag een prijs en de maatschappij draait bij, zonder plicht of straf. Liberaal klimaatbeleid gaat via de portemonnee. Iedereen blijft vrij om te doen en laten wat hij of zij wil, mits daar een prijs voor wordt betaald waar milieu- en klimaatschade in is verdisconteerd. Een schuldgevoel is daar niet bij nodig.

Kiest Dijkhoff voor dit liberale klimaatbeleid? Helaas niet. Hij pleit niet voor regulerende belastingen, want we mogen ‘mensen niet op kosten jagen’. In plaats daarvan moet ‘technologie’ het klimaatprobleem oplossen, schrijft hij. Maar dit soort technische oplossingen komen niet vanzelf. Juist om te zorgen dat bedrijven en burgers investeren in schone technologie, heb je regulerende belastingen nodig.

Dijkhoff moet kiezen: regulerende belastingen of regels en wetten. Hopen op schone technologie die als manna uit de hemel komt vallen, is geen klimaatbeleid.

(FD)

Trumps handelsbeleid doet niet alleen het buitenland, maar ook de Amerikanen pijn

Het gaat niet goed met de wereldhandel. Volgens nieuwe cijfers van het Centraal Planbureau daalde het volume van de internationale handel in februari met 1,7%. Het totaal van import en export in de wereld ligt nu onder dat van een jaar geleden. Volgens persbureau Bloomberg is de daling van de afgelopen maanden zelfs de scherpste in tien jaar tijd.

Aan potentiële verklaringen geen gebrek. De Chinese economie had het de afgelopen maanden moeilijk, de Europese industrie viel terug, de angst voor de brexit verlamde ondernemers en de handelsoorlogen die Donald Trump in 2018 ontketende, hakken er flink in. Deze factoren spelen vast allemaal een rol, maar als ik moest kiezen wat de belangrijkste verklaring is, dan koos ik voor de laatste.

De importtarieven op staal en aluminium uit onder meer China en de EU, de nieuwe heffingen op ongeveer de helft van het Chinese exportpakket naar de VS, maar ook de tarieven op Amerikaanse producten die deze landen als reactie op Trumps protectionisme invoerden, hebben onmiskenbaar effect gehad op de wereldhandel. Tel daarbij op de bijna continue stroom aan dreigementen van Trump over nieuwe handelsbelemmeringen, bijvoorbeeld voor Europese auto’s, en het lijkt een wonder dat de wereldhandel niet verder is ingestort.

Juist omdat we een lange periode van steeds lagere handelsbarrières achter de rug hebben, doen de nieuwe belemmeringen zo’n pijn. Toenemende vrijhandel maakte het voor bedrijven mogelijk om productieketens internationaal te organiseren. Onderdelen van het productie- en assemblageproces werden gevestigd op plaatsen met de beste prijs-kwaliteit verhouding. De nieuwe tariefmuren die nu weer oprijzen, doorsnijden die productieketens en dwingen bedrijven tot een fundamentele heroverweging van de manier waarop ze produceren. Juist in een wereld van vrijhandel doen importtarieven veel pijn.

Volgens de Amerikaanse regering is de pijn gerechtvaardigd. Amerikaanse werknemers in kwetsbare, industriële sectoren moeten worden beschermd. U weet het: America first en de rest kan niet schelen. Maar ook dat blijkt een drogredenering. Nieuw onderzoek laat zien dat Amerikaanse burgers helemaal niet profiteren van Trumps handelsoorlogen.

Die oorlogen woeden inmiddels lang genoeg om voldoende data te genereren voor serieus onderzoek. Drie Amerikaanse economen van Columbia University, Princeton en de Federal Reserve Bank of New York, trekken in een recent onderzoek de eerste conclusies. Zij kijken naar het effect van de importtarieven uit 2018 op prijzen van halffabrikaten en eindproducten, de variëteit in het productaanbod en het effect daarvan op de koopkracht van Amerikaanse burgers.

Volgens hun berekeningen zorgde het beleid van Trump voor een ruim een verdubbeling van het gemiddelde Amerikaanse importtarief tot ruim 3%. Dat leverde de Amerikaanse overheid miljarden op aan extra belastinginkomsten. In de eerste elf maanden van 2018 telde dat in totaal op tot ruim $12 miljard. Kassa voor Trump!

Maar de importtarieven blijken geheel te zijn doorberekend in de prijzen die Amerikaanse bedrijven en consumenten betalen. Bovendien moesten die vaak op zoek naar duurdere of kwalitatief mindere binnenlandse alternatieven. Die binnenlandse producenten konden, afgeschermd van buitenlandse concurrentie, de prijzen verder opvoeren, terwijl de afbraak van productieketens zorgde voor hogere productiekosten. In totaal, zo schatten de onderzoekers, liepen de kosten tussen januari en november 2018 op tot ruim $19 miljard. Per saldo kostte Trumps handelsbeleid de VS in die periode dus $7 miljard. In november ging het alleen al om bijna anderhalf miljard economisch verlies.

Zelfs als Trumps maatregelen ervoor zorgen dat alle 35.400 banen die de afgelopen tien jaar verloren gingen in de Amerikaanse staal- en aluminiumindustrie, zouden terugkeren, dan bedragen de jaarlijkse kosten per baan bijna $200.000. Dat is, zo schrijven de onderzoekers vier keer het gemiddelde loon van zo’n werknemer.

Met andere woorden: zelfs uitgaande van de meest gunstige uitkomst blijkt de handelsoorlog van Trump een uiterst kostbare manier om industriële banen terug te krijgen.

FD

Groei in Europa vertraagt, maar onze economie doet het lang niet zo slecht als analisten denken

Europa schiet zichzelf weer eens in de voet. Niet een keer, maar met minstens drie kogels. Zo luidde (enigszins gechargeerd) het oordeel van het Internationaal Monetair Fonds deze week. De wereldeconomie vertraagt, schrijft het IMF in de halfjaarlijkse World Economic Outlook, en vooral in Europa valt de groei tegen.

In oktober vorig jaar verwachtte men nog dat de economie van het eurogebied dit jaar met 1,9% zou groeien. Nu is die prognose verlaagd naar 1,3%. De raming voor de Duitse economie is meer dan gehalveerd, naar 0,8%. Die voor Italië werd zelfs gedecimeerd en blijft met 0,1% ternauwernood uit de rode cijfers. Nederland doet het dan nog relatief aardig, met een verwachte groei van 1,8%. Maar ook die raming ligt flink onder de 2,6% van een half jaar geleden.

De problemen zijn voor een flink deel ‘made in Europe’. De onzekerheid rond de brexit maakt Europese investeerders kopschuw. De Duitse auto-industrie heeft moeite zich aan te passen aan de nieuwe emissie-eisen en aan de noodzakelijke maar kostbare overgang naar elektrische auto’s. En de nieuwe Italiaanse regering bracht nieuwe onrust met zich mee, die leidde tot hogere rentes en lagere investeringen. Drie schoten in eigen voet, afgevuurd door drie verschillende landen. Nog een wonder dat de Europese economie überhaupt groeit dit jaar.

‘Japanse toestanden’

Alsof de duvel er mee speelt: telkens als de Europese economie een beetje op stoom komt, springt er ergens een ventiel open, en daalt de druk weer bijna tot recessieniveau. Conjuncturele tegenvallers rijgen zich in Europa aaneen tot een ketting van structureel onderpresteren. Vroeger noemden economen dat ‘euroscleurosis’. Tegenwoordig spreekt men liever van ‘Japanse toestanden’.

Die laatste vergelijking dook de afgelopen week dan ook weer veelvuldig op. Zeker toen bleek dat de Europese Centrale Bank allerminst van plan is de monetaire teugels aan te halen en juist op zoek is naar manieren om de economie van het eurogebied verder te stimuleren. Net als Japan lijkt Europa vast komen te zitten in een economisch moeras van lage rente, lage inflatie en lage groei. Dat de Franse centralebankpresident François Villeroy het donderdag nodig vond om in het openbaar te ontkennen dat de Europese economie lijkt op die van Japan, is een teken aan de wand.

Maar misschien heeft de Fransman wel een punt. Met name Angelsaksische analisten hebben er een handje van om bij iedere zuchtje Europese tegenwind direct de Japan-vergelijking uit de kast te halen. De Amerikaanse en Britse economie staan in hun analyses standaard aan de vooravond van een gezonde expansie, terwijl die van Europa en Japan steevast op de rand van terminale stagnatie staan. Maar volgens cijfers uit hetzelfde IMF-rapport blijkt dat het recente verleden en de nabije toekomst er toch anders uit zien.

Groei in de VS

Dat de Amerikaanse economie vrij structureel harder groeit dan die van de eurolanden, komt niet zozeer door de economie zelf, maar door de groeiende bevolking. Het aantal inwoners stijgt in de VS meer dan in de Europa. Het IMF corrigeert daarvoor door de groei van het bruto binnenlands product (bbp) per hoofd van de bevolking te berekenen.*  Dan blijkt dat sinds het einde van de eurocrisis in 2013, de groei in het eurogebied bijna net zo groot is geweest als in de VS. Inclusief de IMF-raming voor 2019 en 2020, bedraagt de groei per hoofd in de VS cumulatief 11,7%. Het eurogebied blijft daar met 11,4% maar net achter.

De Britse economie doet het tot 2016 iets beter dan die van de eurolanden. Maar na de referendumuitslag is de groei per hoofd van de bevolking beduidend lager. In totaal bedraagt die groei in de periode 2013-2020 naar verwachting slechts 8,3%. Japan blijft zelfs daarbij achter, met 7,7% economische groei per hoofd.

Voor echte Japanse toestanden moeten we dus nog altijd vooral in Japan zijn, al doen de Britten een aardige imitatiepoging. Het eurogebied, ondanks alle problemen en tegenvallers, houdt de VS keurig bij. Het zijn Amerikaanse toestanden in Europa!

*) Vergelijking o.b.v. koopkrachtpariteit-wisselkoersen

(FD)

Een effectieve CO2-heffing moet niet plat zijn, maar slim

Wat is er mis met belastingvrije voeten en heffingskortingen? Niets lijkt me. Zo’n gedeeltelijke vrijstelling van belastingen is vaak een prima idee. We hebben een arbeidskorting bij de inkomstenbelasting, voor MKB-ers is er de winstvrijstelling en zzp-ers krijgen zelfstandigenaftrek. Erfgenamen betalen over het eerste deel van hun erfenis meestal geen belasting. In ons belastingstelsel wemelt het van dit soort kortingen.

Zeker bij belastingen waarvan het doel niet zo zeer is om geld op te halen, maar om gedrag te veranderen, is een heffingsvrije voet logisch. Beïnvloeding gaat meestal over het gedrag aan de marge. We willen dat mensen korter douchen, niet dat ze nooit meer douchen. De thermostaat moet een graadje omlaag, maar de kachel hoeft niet helemaal uit. Vandaar dat de eerste €257 euro van de energieheffing automatisch wordt kwijtgescholden. Zo beïnvloed je wel het gedrag aan de marge, zonder onnodige schade voor de koopkracht

Overigens is dat een principe waar de overheid vaak de hand mee licht. Zo heeft de belasting op leidingwater geen vrijstelling aan de onderkant, maar juist aan de bovenkant. Over het watergebruik boven 330 kuub hoeft de langdouchende zwembadeigenaar dus juist niets te betalen. Ook het feit dat het kabinet de belastingvermindering op de energieheffing verlaagde van €308 naar de eerdergenoemde €257, is in tegenspraak met de logica. Ik ken in elk geval geen econoom die er de logica van in ziet.

Dus misschien is het principe in Den Haag nog niet helemaal overgekomen. Daarom nogmaals: gedragsverandering doe je via marginale tarieven, dus door de prijs van de laatste (wel of niet) gekochte eenheid te verhogen. Daarbij kun je via heffingskortingen en andere vrijstellingen zorgen dat de gemiddelde prijs niet te veel stijgt.

Ik vat het speciaal voor Jesse Klaver van GroenLinks en Lodewijk Asscher van de PvdA graag nog een keer samen: het gaat om de marginale prijs, niet om de gemiddelde prijs! Juist deze twee politici maken zich hard voor een ‘platte’ CO2-belasting, die grote vervuilers in de industrie vanaf de eerste ton CO2-uitstoot zouden moeten betalen. Ze willen dus een hoge gemiddelde prijs voor CO2, terwijl een hoge marginale prijs veel meer effect heeft.

De afgelopen maanden heb ik op deze plaats met enthousiasme geschreven over invoering van een CO2-heffing. Dat is volgens mij een efficiënte vorm van klimaatbeleid. Maar ik schreef ook: het gaat bij deze invoering om de detail. De heffingsvrije voet is zo’n belangrijk detail, en het is bijzonder jammer dat er nu een politiek punt van wordt gemaakt.

Wie een platte CO2-heffing invoert, moet kiezen uit twee kwaden. Maak de heffing hoog (bijvoorbeeld €50 per ton CO2) en het gedragseffect (aan de marge) zal groot zijn. Dat wil zeggen: veel CO2-reductie. Maar het negatieve economische effect (via de hoge gemiddelde heffing) ook. De kans dat bedrijven of bedrijvigheid naar het buitenland verplaatst is aanzienlijk, met medeneming van CO2-uitstoot en banen. Een lage, platte heffing dan, van bijvoorbeeld €10? Dan is het economische effect ongetwijfeld gering. Maar er is ook geen grote prikkel voor CO2-reductie.

De oplossing voor dit dilemma is simpel: maak een hoog marginaal tarief, bij een laag gemiddeld tarief. Geef een grote financiële prikkel om uitstoot te reduceren, maar zorg via een forse vrijstelling dat het gemiddelde tarief niet te hoog wordt. De belastingvrije grens kan het beste gelegd worden bij het uitstootniveau van de schoonst mogelijke technologie, zodat bedrijven die meer vervuilen dan strikt noodzakelijk voor de productie, dat het hardst voelen. Of misschien nog beter: zorg dat de grens ieder jaar wat daalt, zodat er ook een continue prikkel voor het ontwikkelen van nog schonere technologie ontstaat.

Wie echt wil dat de industrie de uitstoot verminderd, gaat dus voor een hoge CO2-heffing met een op de schoonste technologie gebaseerde heffingsvrije voet die in de tijd stapsgewijs afneemt. Wie liever pleit voor een hoge, platte heffing wil niet zo efficiënt mogelijk de klimaatdoelen halen, maar is simpelweg uit op het straffen van de industrie. De emotie regeert dan, in plaats van de ratio.

(FD)

Naschrift: Het paste niet in de krant, maar er is nog een vierde optie: eentje die rekening houdt met onzekerheid over vaststellen van de ‘schoonste technologie’: een afnemende hoge heffing met vrije voet: 

 

Lagere AOW-leeftijd in ruil voor pensioenhervorming? Dat is een prijs die we niet kunnen betalen

Verkiezingen achter de rug, het politieke handwerk kan weer beginnen. Voor minister Wouter Koolmees van Sociale Zaken betekent dat: met de pet in de hand langs bij de linkse oppositie, om te vragen wat ze nodig hebben om zijn pensioenhervorming te steunen. Koolmees sprak deze week met Lodewijk Asscher van de PvdA en gaat binnenkort om de tafel met Jesse Klaver van Groen Links.

Begin van de week sprak de minister ook weer even met de vakbonden, die vorig jaar boos opstapten uit het pensioenberaad. Maar die ontmoeting moesten we zeker niet zien als een hervatting van dat overleg. De vakbonden willen de AOW-leeftijd voor langere tijd op 66 jaar houden en een regeling voor mensen met zware beroepen zodat die nog eerder kunnen stoppen. Die eisen zijn hetzelfde als vorig jaar.

Het bijzondere van deze eisen is dat ze in principe niets met de voorgestelde pensioenhervorming te maken hebben. De AOW-leeftijd staat los van de modernisering van het pensioencontract waar polder en politiek nu al zo veel jaar over praten. Die modernisering gaat over afschaffing van de doorsnee-systematiek, het wel of niet creëren van persoonlijke (doch collectief belegde) pensioenpotjes en de mate waarin pensioentoezeggingen harde beloftes zijn waar deelnemers rechten aan kunnen ontlenen. Over die onderwerpen kun je in principe prima een deal sluiten, zonder ook maar een woord te wijden aan de AOW-leeftijd. Maar de vakbonden hebben de discussie over de AOW-leeftijd kunstmatig gekoppeld aan de pensioenhervorming. Met enige overdrijving: men houdt het pensioen in gijzeling en laat het pas vrij als er losgeld in de vorm van lagere AOW-leeftijd is betaald.

Wat te doen? Moet Koolmees dan maar toegeven? Hij de pensioenhervorming, de vakbond en de linkse partijen de lagere AOW-leeftijd? Gewoon even van Hollands handjeklap en het moeilijkste dossier van de overlegpolder kan eindelijk dicht. Koolmees zou een electorale dubbelslag slaan, want dankzij de pensioenhervorming hoeft er waarschijnlijk minder te worden gekort op de pensioenen, terwijl werkende ouderen profiteren van de lagere AOW-leeftijd. Het zou zelfs een aardige geste richting het Forum voor Democratie kunnen zijn. Deze nieuwkomer in de Eerste Kamer pleit ook voor een vroege AOW. ‘AOW vaststellen op 66 jaar’, luidt punt 3 van het hoofdstuk ‘Ouderen en Pensioenen’, van het programma van de partij.

Maar helaas voor de minister zal hij de deal niet kunnen maken. Fixeren van de AOW-leeftijd is een te hoge prijs om te betalen voor de pensioenhervorming. Misschien niet dit of volgend jaar, maar over tien of twintig jaar krijgt Nederland enorm veel spijt van zo’n ruil.

Want de verhoging van de pensioenleeftijd is geen hobby van rechtse politici die oudere werknemers willen pesten, maar een pure economische noodzaak. Vergrijzing en ontgroening bedreigen onze welvaart en trekken de verhouding werkenden/gepensioneerden uit het lood. Bedrijven en overheden merken nu al hoeveel problemen trage groei van de beroepsbevolking geeft. Zonder verhoging van de AOW-leeftijd zal de potentiële beroepsbevolking de komende decennia zelfs gaan dalen.

De bevolking tussen 20 en 66 jaar daalt de komende decennia van 10,3 miljoen nu, naar 9,8 miljoen over twintig jaar. Hoe Nederland om moet gaan met een half miljoen minder mensen in de werkzame leeftijd, kwam ik in geen enkel verkiezingsprogramma of vakbondspamflet tegen. Misschien de AOW-leeftijd dan toch wat laten oplopen met de levensverwachting, maar half zo snel als het kabinet wil? Daar lijkt de vakbond ook wel mee in te kunnen stemmen, mits die leeftijd eerst tot 2025 gefixeerd wordt op 66 jaar. Maar ook dan daalt de beroepsbevolking. Over twintig jaar komen we 300.000 mensen te kort.

Zo gek is de huidige oploop van de AOW-leeftijd dus niet. Alleen door snel naar 67 jaar te gaan en daarna gelijke tred te houden met de stijgende levensverwachting, blijft de potentiële beroepsbevolking op of boven het huidige peil. De vergrijzing stelt de economie al voor genoeg problemen. Opzettelijk verlagen van de beroepsbevolking hoeft daar niet nog bij.

De mensen zijn nu echt bijna op, dus de tijd van domme groei is voorbij

De ‘behoedzame raming’, herinnert u zich die nog? Dat waren de begrotingsprognoses die minister van Financiën Gerrit Zalm in de jaren rond de eeuwwisseling maakte. Hij ging daarbij niet uit van de voorspelde economische groei, maar van een percentage dat daar ruim onder lag. Dus niet 2,5% groei per jaar, maar slechts 2%. Dankzij het behoedzaam ramen ontstonden er meevallers in plaats van tegenvallers, waardoor Zalm bijna automatisch de populairste minister van Financiën sinds Piet Lieftinck werd.

De methodiek werd in 2008 door opvolger Wouter Bos afgeschaft. Maar ik moest er weer aan terugdenken toen ik deze week de nieuwe editie las van het Centraal Economisch Plan (CEP) van het Centraal Planbureau (CPB). (Waarschuwing: lees die laatste zin tien keer hardop en u wordt morgen wakker in de Sovjet-Unie van de jaren vijftig).

Daarin staat een nieuwe voorspelling voor de structurele (of potentiële) groei na 2021. Dat is de economische groei geschoond voor conjuncturele invloeden; zeg maar de natuurlijke kruissnelheid van de economie. Na 2021 komt die uit op slechts 1,2%, denkt het CPB. Dat is nog lager dan de toch al magere 1,5% voor de huidige periode.

Gerrit Zalm zou ervan in zijn karakteristieke lach geschoten zijn. Potentiële groei van 2% was in zijn tijd een uiterst voorzichtig uitgangspunt waarvoor hij over de knie ging bij de oppositie. Wat zal Wopke Hoekstra dan we niet voor de kiezen krijgen als hij beweert dat de groei (niet eens behoedzaam geraamd) straks nauwelijks boven de 1% uitkomt?

Helaas zal het Hoekstra weinig moeite kosten om te laten zien dat 1,2% potentiële groei een realistische voorspelling is. Nederland vergrijst en ontgroent en daardoor komen er niet genoeg nieuwe mensen op de arbeidsmarkt om serieus te blijven groeien. Ambitieuze ondernemers voelen de schaarste nu al aan den lijve en dat wordt de komende jaren alleen maar erger. In het verleden konden we dit onvermijdelijke gevolg van de vergrijzing nog een beetje verzachten. Nederland bleek telkens nieuwe bronnen van arbeidsaanbod te kunnen aanboren. In de tijd van Zalm kwam dat vooral doordat vrouwen gingen werken. Eind jaren tachtig van de vorige eeuw had Nederland zo ongeveer de laagste arbeidsdeelname van vrouwen in Europa. Begin deze eeuw zaten we in de top. Dankzij die inhaalslag was er tijdens de boomjaren van Zalm altijd voldoende personeel voorhanden.

In 2003 werd er een nieuwe bron van arbeidsaanbod aangeboord: de 50-plusser. VUT en prepensioen werden afgebouwd en wie werkend zijn pensioenleeftijd haalde was niet langer de loser van de tennisclub. Weer kreeg de beroepsbevolking een impuls en kon de economie blijven groeien. Maar inmiddels raakt de voorraad vrouwen en ouderen op. Anno 2019 heeft van alle vrouwen tussen 15 en 75 jaar ruim 63% betaald werk. Voor mannen en vrouwen tussen 55 en 65 jaar is dat zelfs bijna 67%. Daar zit niet veel rek meer in. Misschien dat een nationale aanval op deeltijdwerk nog wat soelaas biedt, maar de tijden van snelle groei lijken echt voorbij.

Tenzij we slimmer gaan werken. Hogere arbeidsparticipatie is niet de enige bron van groei. Stijgende productiviteit is minstens zo belangrijk. Meer maken met dezelfde hoeveelheid mensen, daar zal Nederland het van moeten hebben. Helaas stijgt de arbeidsproductiviteit ook allerminst uitbundig. Terwijl techno-optimisten ons toeroepen dat technologie razendsnel verandert en dat we midden in een nieuwe industriële revolutie zitten, zie je dat in de productiviteitscijfers niet terug. Iets meer dan een procent stijging per jaar, sneller gaat de toename niet.

Nederland heeft daarom een ouderwetse investeringsagenda nodig. Bedrijven moeten veel meer geld en ijver steken in nieuwe technologie. Misschien zijn daarvoor nieuwe subsidies en aftrekposten nodig, maar in elk geval gezonde concurrentie die ondernemers opzweept. Het onderwijs moet beter en toegankelijker, zeker voor volwassenen die willen om- of bijscholen. Al het economische beleid moet gericht zijn op dat ene doel: slim groeien dankzij hogere productiviteit.

(FD)

Geef jongeren stemrecht

Ruim 26.000 Nederlanders mogen morgen geen stem uitbrengen voor Provinciale Staten. De provincies waarin zij wonen, Friesland en Zeeland, hadden graag een stempas gestuurd, maar de minister van Binnenlandse Zaken, Kajsa Ollongren, zei nee tegen dat verzoek.

Van hun stem is voor de samenleving geen positief gevolg te verwachten, oordeelde de minister eind vorig jaar. De reden: de 26.000 zijn te jong. Ze zijn zestien en zeventien jaar oud en hebben om dat simpele feit geen stemrecht. Voor heel Nederland gaat het om ruim 400.000 jongeren.

Is dat jammer? Ja, dat denk ik wel. De stemgerechtigde leeftijd moet wat mij betreft met twee jaar omlaag. Niet alleen omdat zestienjarigen ook al mogen werken en scooter rijden, zoals sommige jongerenpartijen betogen. (Ze mogen trouwens nog veel meer).  Maar om het evenwicht tussen jong en oud in onze samenleving een klein beetje te herstellen. Want jongeren zijn zwaar in de minderheid en hun stem wordt daardoor al minder gehoord.

‘Voor de verworven rechten van ouderen wordt veel harder gevochten dan voor kansen voor jongeren’

Volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek is ruim de helft van de stemgerechtigden bij deze verkiezingen boven de vijftig jaar. Een kwart is 65-plusser. Slechts 18% van de potentiële kiezers is onder de dertig. De komende jaren zullen de verhoudingen nog schever worden. Grijs is machtiger dan groen en dat heeft directe politieke gevolgen. Ons parlement begint nu al meer op de FNV te lijken. Voor de verworven rechten van ouderen wordt veel harder gevochten dan voor eerlijke kansen voor jongeren.

De ‘vervakbondisering’ van de politiek heeft zelfs GroenLinks in de greep. Nota bene samen met 50Plus deed de partij een voorstel om pensioenfondsen twee jaar extra de tijd te geven om hun zaakjes weer op orde te krijgen. De vijf jaar die daar wettelijk voor staat, is blijkbaar niet voldoende.

In ruil daarvoor hoeven de pensioenfondsen niets te doen. Modernisering van het stelsel is niet nodig. En ook de vakbonden hoeven hun strijd om voor de huidige ouderen de pensioenleeftijd op 66 jaar te houden niet op te geven.

Het uitstel is een cadeautje waarvoor jongeren potentieel opdraaien. De Raad van State veegde daarom deze week de vloer aan met het voorstel. Uitstel is niet verantwoord, vindt de Raad, die verder fijntjes opmerkt dat er voor een houdbaar pensioenstelsel ‘maatregelen nodig zijn die nog veel ingrijpender zijn dan de maatregelen waarvan nu uitstel wordt voorgesteld.’

Maar de Raad van State kan slechts adviseren. Zonder de electorale macht van het getal zullen jongeren in ons vergrijzende land telkens het onderspit delven. Geef ze gewoon een stempas. Waar zijn we bang voor?

(FD)

May verprutst brexit

Volhardend is ze. Na iedere politieke nederlaag gaat ze telkens weer stoïcijns door op de ingeslagen weg. Theresa May heeft misschien nog niet de oplossing voor brexit gevonden, haar onverstoorbaarheid en ijver verdienen in elk geval respect, toch?

Dit soort vriendelijke teksten kom ik al vaker tegen. Maar kom op zeg, respect voor May? Dat is wel het laatste waar de blunderende Britse premier aanspraak op kan maken. Ik ga hier niet beweren de finesses van de Britse politiek te doorgronden, maar als econoom heb ik de brexitperikelen de afgelopen jaren wel intensief en met groeiende verontrusting gevolgd. Je hoeft geen politicoloog te zijn om te zien dat May er een enorme puinhoop van heeft gemaakt.

‘Politiek en bevolking zijn tot op het bot verdeeld. Het VK koerst af op een brexit zonder deal’

Met nog maar enkele dagen te gaan tot de afgesproken (en inmiddels twee weken uitgestelde) brexitdatum, is er in het Verenigd Koninkrijk nog niet het begin van een idee over hoe het vertrek uit de Europese Unie er uit moet zien. Laat staan over wat er daarna moet komen. Politiek en bevolking zijn tot op het bot verdeeld. Het VK koerst af op een brexit zonder deal, waarvan ook een land als Nederland buitengewoon veel schade zal ondervinden.

Ja, dat is allemaal voor een groot deel de schuld van May. Want zij was het die na de referendumuitslag besloot om voor een harde brexit te gaan. Zij kleurde de ‘rode lijnen’ die de uittredingsonderhandelingen zo moeilijk maakten: geen deelname aan interne markt of douane-unie, geen vrij verkeer van personen en geen rol voor Europese rechters. Hiermee was de kans op een zachte brexit verkeken. Tegelijkertijd vond ook May dat de grens tussen de EU en Noord-Ierland open moest blijven. Een harde brexit met een open Ierse grens, dat valt simpelweg niet te combineren. Wie het onmogelijke eist en daar vervolgens tegen beter weten in aan blijft vasthouden, is niet onverstoorbaar of volhardend, maar gewoon koppig en hardleers.

Maar wat had May anders moeten doen? Ze had de uiterst nipte overwinning van ‘Leave’ niet moeten interpreteren als een mandaat voor een harde brexit, maar juist voor een uiterst zachte variant. Als de bevolking zo verdeeld is, moet een politicus op zoek naar de middenweg. Dus wel uit de EU, maar met zo min mogelijk schade voor de relatie met de unie. Ze was dan uitgekomen op een soort Noorwegen-variant, waar de gemiddelde Brit uiteindelijk prima mee had kunnen leven. En de EU ook.

Maar May nam een andere afslag. Ze sloot haar oren voor het redelijke midden, en ging in zee met de fanatiekste brexiteers. Misschien dat juist die haar de komende dagen als premier zullen wippen. Ik zal er geen traan om laten.

(FD)