Alle berichten van Mathijs

Bang dat robots en buitenlanders onze banen stelen? Dat doen ze al vijftig jaar en we worden er alleen maar rijker van.

Het jaar is 1969. Wolkers schreef Turks Fruit, de Beatles namen Abbey Roadop en Neil Armstrong zette de eerste stap op de maan. Piet de Jong was onze premier en regeerde over een land met een bloeiende industrie. Van de pakweg 5,3 miljoen werkende Nederlanders werkten er dat jaar bijna 1,3 miljoen in de industrie (inclusief energie- en watersector). Bijna een kwart van de totale werkgelegenheid kwam in 1969 voor rekening van die bedrijfstak. Bijna een halve eeuw later, in het jaar van De wereld volgens GijpThuis van Borsato en precies nul mannen op de maan, is de industrie al lang geen banenmotor meer. De werkzame beroepsbevolking bedraagt nu zo’n negen miljoen en daarvan werkt nog maar 9% in de industrie. In absolute termen: van de 1,3 miljoen banen uit 1969 zijn er nu nog maar 800.000 over. In dezelfde periode is de productie in de industrie bijna verdubbeld.

Onze fabrieken gingen van arbeidsintensief naar grotendeels geautomatiseerd. Maar er is nog een reden dat er nu minder fabrieksarbeiders zijn dan ten tijde van Turks Fruit: het relatieve belang van de industrie in de economie nam flink af. Terwijl de industriële productie verdubbelde, verdrievoudigde het bbp. Nederland de-industrialiseerde, want massaproductie verdween naar lagelonenlanden. Voor iedereen die zich zorgen maakt over de huidige trends van globalisering en robotisering en de gevolgen daarvan voor de werkgelegenheid: waar u bang voor bent, voltrekt zich al een halve eeuw. Machines en buitenlanders pikken onze banen al jarenlang in.

En niet alleen in de industrie ging werkgelegenheid verloren. Ook in de bouw werken nu minder mensen dan in 1969. Het aantal banen in die sector ging van ruim 550.000 naar 460.000 nu. In de landbouw werkten een halve eeuw geleden nog 275.000 mensen, tegen 195.000 nu. Opgeteld was industrie, bouw en landbouw ten tijde van Abbey Road goed voor bijna 40% van de werkgelegenheid. In het tijdperk-Borsato is dat nog maar 17%. En toch is er in de tussentijd geen structurele massawerkloosheid ontstaan. Integendeel: er werkt nu een groter deel van de bevolking dan ooit.
Schermafbeelding 2017-12-10 om 23.33.40

Wat zijn al die mensen dan gaan doen? Ze zijn bij de overheid gaan werken, in de zorg en in de zakelijke dienstverlening. De ‘bedrijfstak’ overheid en zorg was in 1969 goed voor 20% van de werkgelegenheid. Sindsdien is dat gestaag gestegen naar 27%. In de zakelijke dienstverlening (de bedrijfstak van juristen, architecten, consultants, ontwerpers, onderzoekers, maar ook schoonmakers en beveiligers) was de banengroei nog veel indrukwekkender: van 9% een halve eeuw geleden, naar 21% nu. Als een sector automatiseert of robotiseert, als ze in het buitenland goedkoper kunnen produceren, dan kost dat banen in die bedrijfstak. Maar het zorgt ook voor lagere prijzen, en dus voor hogere koopkracht voor alle andere Nederlanders. Die nieuwe rijkdom vertaalt zich in nieuwe behoeften en vraag naar nieuwe producten en diensten. In de bedrijven die deze producten en diensten produceren, neemt de vraag naar arbeid daarom toe. Op den duur komt de arbeidsmarkt weer in evenwicht. Inderdaad, basiskennis economie.

Maar in tijden van robotangst en buitenlandvrees herkauw ik die kennis graag. Volgens recent onderzoek van McKinsey verdwijnen er door robotisering en automatisering tussen nu en 2030 wereldwijd tussen de 75 miljoen en 375 miljoen banen. Of, in de vriendelijke woorden van McKinsey: zoveel werknemers zullen moeten wisselen van beroep. Dat is tussen de 3% en 14% van alle werkenden in de wereld. De grootste schok verwachten de onderzoekers in China, maar ook in het Westen wordt de arbeidsmarkt flink opgeschud. Mensen zullen hulp nodig hebben bij deze transitie. De noodzaak voor bij- en omscholing is evident, maar in sommige gevallen zal ook inkomenssteun nodig zijn, denkt McKinsey. Het wordt een ingrijpende overgang. Goed om te weten dan, dat we in Nederland al vijftig jaar succesvol in transitie zijn.

Creatieve destructie vertroebelt de inflatiemeting, waardoor we ons minder rijk voelen dan we zijn

Misschien bent u veel rijker dan u denkt. En ik ook. Misschien is heel Nederland wel rijker. Niet omdat er maandelijks meer inkomen op onze bankrekening wordt gestort of omdat we een vettere spaarrekening hebben, maar omdat ons geld meer waard is dan we denken. Omdat de inflatie lager is dan de statistici meten.

Dat is geen nieuw idee. Ruim twintig jaar geleden twijfelde men in de Verenigde Staten ook aan de kwaliteit van de inflatiemeting. Er werd toen zelfs een speciale commissie, onder leiding van econoom Michael Boskin, opgezet om de meetfout te bestuderen. De Boskin-commissie concludeerde dat de inflatie in werkelijkheid een vol procentpunt lager lag dan de officiële statistieken weergaven. De belangrijkste oorzaak was dat er onvoldoende rekening werd gehouden met kwaliteitsverbetering van producten. Als een product twee keer zo duur wordt, maar ook twee keer zo goed, dan zou daardoor de inflatie eigenlijk niet moeten stijgen. De klant krijgt immers nog altijd evenveel waar voor z’n geld. Naar aanleiding van het Boskin-rapport zou het Bureau of Labor Statistics de meetmethode aanpassen. Ook in andere landen kreeg het rapport veel aandacht. In Nederland probeert het CBS nu ook rekening te houden met kwaliteitsverbetering.

Waarom is het belangrijk om inflatie zo precies mogelijk te meten? Allereerst omdat de hoogte van veel uitkeringen mede bepaald wordt door het officiële cijfer voor de geldontwaarding. Ook in sommige contracten wordt ernaar verwezen. Verkeerd gemeten inflatie kan dus reële gevolgen hebben.

Maar ook macro-economen maken zich druk over de kwaliteit van het inflatiecijfer, want zonder goede schatting van de inflatie valt er geen betrouwbaar antwoord te geven op de basisvragen van de macro-economie. Hoe rijk zijn we met z’n allen? Wat is de economische groei. Hoeveel produceert de economie in totaal? Voor het antwoord is een goede schatting van het bruto binnenlands product (bbp) nodig. Het reële bbp om precies te zijn, gecorrigeerd voor veranderingen in het algemene prijspeil.

Schermafbeelding 2017-12-10 om 23.39.25

De grafiek laat voor Nederland zien hoe dat werkt. Ten opzichte van 1995 is de waarde van de totale Nederlandse jaarproductie (het nominale bbp) met 116% gestegen. Het prijspeil (in dit geval: de bbp-deflator van het CBS) nam in die periode met ruim 66% toe. De economische groei bedroeg dus een kleine 50%.

Stel dat het CBS de inflatie structureel overschat en dat de stijging van het prijspeil in werkelijkheid geen 66% maar 56% was gestegen, dan was de werkelijke economische groei ook 10 procentpunt hoger geweest. Als de inflatie wordt overschat, wordt de economische groei onderschat.

Ook de arbeidsproductiviteit, het reële bbp per gewerkt uur, is dan in werkelijkheid hoger dan de officiële statistieken aangeven. De paradox van de afgelopen twee decennia: snelle technologische vooruitgang, maar toch een forse vertraging van de productiviteitsgroei. Misschien berust deze paradox deels op een meetfout.

Pogingen die meetfout te vinden leverden de afgelopen jaren niet erg veel op. Gratis digitale producten ontbreken in het inflatiecijfer, de kwaliteit van computers en internetdiensten wordt onderschat, maar economen konden niet aantonen dat dit het inflatiecijfer materieel beïnvloedt.

In een nieuw onderzoek doet de vermaarde Franse econoom Philippe Aghion een nieuwe poging. Hij kijkt naar het effect van creatieve destructie op het Amerikaanse inflatiecijfer. Bedrijven worden soms kapot geconcurreerd door nieuwkomers op de markt, die een beter of goedkoper product op de markt brengen. Dat levert een probleem op voor inflatiemeters, omdat er plotseling producten verdwijnen uit hun prijsreeks en er nieuwe producten opduiken. De manier waarop statistici de gaten in hun prijsreeksen dan opvullen (ze schatten de prijs van het verdwenen product door naar de prijzen van overlevende producten te kijken), levert volgens Aghion een flinke meetfout op.

De Fransman schat dat de Amerikaanse inflatie gemiddeld 0,6 procentpunt te hoog wordt ingeschat. De economische groei zou dan jaarlijks structureel ruim een half procent hoger zijn geweest dan we nu denken.

Aghion adviseert in zijn conclusies dergelijk onderzoek ook snel voor andere landen te doen. Ik kan niet wachten op de Europese schatting van de meetfout. Misschien zijn we veel rijker dan we denken.

Brexitfeestje

Niet het einde van de wereld. Geen armageddon. De laatste der dagen laat nog even op zich wachten. Britse lezers van de brexitgezinde krant The Daily Telegraph konden zaterdag opgelucht ademhalen. Ook als het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie geen handelsakkoord sluiten en de ‘harde brexit’ een feit wordt, vergaat de wereld niet, lazen ze.

Gejuich klonk op aan de ontbijttafels in East Lindsey, Great Yarmouth, Mansfield en al die andere kiesdistricten waar een overgrote meerderheid van de inwoners vorig jaar tegen lidmaatschap van de EU stemden. Hier en daar ging er van vreugde een potje ‘breakfast tea’ om. Want stel je voor: een harde brexit, en nog steeds vergaat de wereld niet.

Dat hadden die journalisten van de Telegraph toch maar mooi opgetekend uit de mond van Roberto Azevedo, de directeur-generaal van de Wereldhandelsorganisatie. In eerdere jaren had de krant de Brusselse ‘verslaggever’ Boris Johnson alle ruimte gegeven om met heerlijke onzinverhalen het anti-EU-sfeertje in het land aan te wakkeren. Men had uiterst sympathiek hun kritiekloze medewerking verleend aan de radicale splinterbeweging binnen de conservatieve partij die dapper streed tegen het EU-lidmaatschap. En in de aanloop naar het brexitreferendum had de krant — eigendom van de Australisch-Amerikaanse miljardair Rupert Murdoch — iedereen die wees op de mogelijke kosten van een brexit op briljante wijze ontmaskerd als angstzaaier. Buiten de EU zou het land eindelijk de vrijheid hebben om handelsakkoorden te sluiten met de rest van de wereld. Groei, banen, welvaart en een Brittannië dat weer meetelt op het wereldtoneel, dat zou de brexit brengen.

Okay, ‘niet-het-einde-van-de-wereld’ en ‘wederopstanding-van-een-wereldmacht’ zijn niet precies hetzelfde. Maar het is een begin. Sinds het referendum zijn er zeventien maanden verstreken zonder dat de Britse onderhandelaars ook maar met een enkel succesje uit Brussel zijn teruggekomen, zonder dat de Britse regering een heldere onderhandelingsstrategie heeft uitgestippeld en zonder serieus uitzicht op een deal. Dat valt inderdaad een tikkeltje tegen. Dus dat bij een harde brexit de wereld niet vergaat is dan een mooie meevaller.

Over die harde brexit was voorafgaande aan het referendum in juni 2016 overigens maar weinig gesproken aan de Britse ontbijttafels. Niemand uit het brexitkamp had aandacht gevraagd voor de variant zonder handelsdeal met de EU. Het waren juist de angstzaaiers uit het andere kamp geweest die zo onpatriottisch hadden gewezen op de onverenigbaarheid van de Britse eisen. Onbeperkte soevereiniteit en onbeperkte toegang tot de interne markt gaat niet samen, hadden zij beweerd. De landverraders.

De huisvaders in East Lindsey en Great Yarmouth schepten voldaan hun bordje nog eens vol met ‘bacon and beans’. Wat een prachtig nieuws. De wereld vergaat niet. We gaan net niet dood.

Amsterdam klaagt

Basisinkomen voor 55-plussers: met kanon schieten op een mug en nog missen ook!

Radar-presentatrice Antoinette Hertsenberg voert actie. Ze wil werkloze 55-plussers verlossen van de vernederende sollicitatieplicht. Deze oudere werklozen (ik zou zelf zeggen: werklozen van middelbare leeftijd) maken toch geen kans op een baan, maar worden door het UWV wel gedwongen om wekelijks in de pen te klimmen.

Dit is inderdaad een probleem. De Participatiewet dwingt gemeenten sinds 2015 om alle werklozen te activeren, ook al zijn ze eigenlijk onbemiddelbaar. Zo’n probleem verdient een oplossing. Maar niet de oplossing waarvoor Hertsenberg 100.000 handtekeningen ophaalde die ze deze week aanbood aan 50Plus-voorman Henk Krol. Haar oplossing is namelijk een tikje aan de dure kant.

Hertsenberg wil eerst een experiment met een basisinkomen en als dat slaagt invoering van zo’n basisinkomen voor iedereen boven de 55 jaar. Het voorstel is er duidelijk over: ‘Elke maand stort de overheid €1000 op het persoonlijke rekeningnummer van alle Nederlanders van 55 jaar of ouder die de AOW-leeftijd nog niet hebben bereikt.’ Wat kost ons dat? Dat heeft Radar ook laten uitrekenen: ‘Per jaar kost dat de Staat €31,5 mrd.’

Wat? €31,5 mrd? Ja, u leest het goed. Alle 55-plussers zonder AOW een maandelijks cadeautje van €1000 geven, kost net zoveel als het Rijk jaarlijks uitgeeft aan Justitie en Veiligheid, Defensie, Economische Zaken en Infrastructuur en Milieu bij elkaar. Het is gelijk aan zo’n vijftien jaar gasbaten, vijf maanden zorgkosten of bijna tien weken belastinginkomsten.

Laten we iets afspreken over leuke burgerinitiatieven en goed bedoelde petities: als ze €31,5 mrd per jaar kosten (6% van het bbp!) nemen we ze niet serieus.

Welk probleem probeert het plan eigenlijk op te lossen? Dat van de compleet vastzittende arbeidsmarkt voor ouderen? Als dat zo is, dan berust het op een misverstand, want de gemiddelde 55-plusser doet het juist prima op de arbeidsmarkt. In het derde kwartaal van dit jaar hadden bijna anderhalf miljoen mensen in de leeftijd tussen 55 en 65 jaar werk. Voor de crisis, in 2008, was dat net meer dan een miljoen. De spectaculaire stijging komt niet alleen doordat er nu meer ouderen zijn. De netto arbeidsparticipatie (dat is het aantal mensen dat werkt als percentage van alle mensen in die leeftijd) steeg voor deze groep van 50% in 2008 naar 66% in 2017. De netto arbeidsparticipatie van ouderen is nu bijna net zo hoog als die van de volwassen bevolking als geheel.

Ouderen zijn ook niet veel vaker werkloos dan gemiddeld. Het werkloosheidspercentage staat nu op 4,9, tegen 4,5 voor de bevolking als geheel. Onder jongeren is de werkloosheid met 8,4% een stuk hoger.

Schermafbeelding 2017-11-26 om 17.50.44

Wél is het zo dat als 55-plussers werkloos worden, ze het moeilijker hebben weer aan de slag te komen. In 2016 bedroeg het percentage langdurig werklozen (meer dan twaalf maanden zonder werk) onder ouderen 4,9. Gemiddeld in Nederland lag dat percentage toen ongeveer de helft lager. Maar zelfs onder ouderen daalt de langdurige werkloosheid. Hoe zijn die cijfers anno 2017? Helaas heeft het Centraal Bureau voor de Statistiek geen kwartaalcijfers voor de specifieke groep van 55-65-jarigen. Die heeft het wel voor alle werklozen van 45 jaar en ouder. De langdurige werkloosheid onder die groep daalde van 3,5% in 2016 naar 2,5% nu. Het is niet zeker dat 55-plussers daar ook van profiteerden, maar dat is wel waarschijnlijk.

Blijft over dat sommige langdurig werkloze 55-plussers misschien wel nooit meer aan de bak zullen komen. Wat moeten we daaraan doen? Ik zou zeggen: allereerst nog een serieuze poging doen om via bij- en omscholing toch weer op de radar van werkgevers te komen. Werknemers worden relatief schaars de komende jaren, dus de kansen nemen echt toe. En als dat niet helpt? Stop dan inderdaad met deze mensen pesten met een nutteloze sollicitatieplicht. Vroeger, vóór de Participatiewet, hadden gemeenten ook beleidsdiscretie om bepaalde werklozen te ontzien. Misschien moeten we daar weer naar terug. Dat kost in elk geval minder dan €31,5 mrd.

(FD)

Hysterisch landje

‘Sliertentikkertje’ zo noemden wij het vroeger op school. Een variant van tikkertje waarbij iedereen die wordt getikt, zich aansluit bij de sliert. Hand in hand vormen deelnemers een al langer wordende ketting, jagend op de al schaarser wordende prooi.

Het spel was vooral spannend voor kinderen aan de buitenkant. Zo maakten zij op een nogal confronterende manier kennis met het concept van de middelpuntvliedende kracht. Als de sliert een bocht nam, zwaaiden zij woest uit. Nietsvermoedende kleutertjes werden rücksichtslos omver geveegd en soms eindigde het spel met een pijnlijke botsing tegen een muur.

Waarom deze nostalgie? Omdat ik, toen ik  de nieuwe Nederlandse groeicijfers (2017 3e kwartaal) zag, meteen dacht: sliertentikkertje. Wij zijn het buitenste kind van de sliert. Als de Europese economie beweegt, vliegt Nederland de bocht uit. Toen het buitenland vertraagde, in 2011 en 2012, schoot Nederland direct in een recessie — de tandarts had er jaren werk aan. Nu de Europese economie herstelt, schiet Nederland uit de startblokken. Het buitenland houdt ons handje stevig vast, en slingert ons het schoolplein rond.

Onze economie groeide in het derde kwartaal met 3% op jaarbasis. Dat was iets minder dan een kwartaal eerder, zegt de kniesoor. Maar 3% is gewoon erg goed. Het was weer vooral de export die de economie vaart gaf. Maar de groeiende export maakt ook dat bedrijven weer investeren, terwijl de snel gestegen werkgelegenheid de consument zowel het geld als de moed geeft om meer uit te geven. Als het goed gaat in Nederland, dan gaat het meteen ook erg goed.

Dat is fijn in goede tijden, als Nederland zich gillend van pret laat meevoeren. Maar vroeg of laat verandert de sliert van richting, en knallen we weer tegen de muur. Daar zouden we in de huidige goede tijden iets aan moeten doen.

Maar wat? We zijn nu eenmaal een open economie en worden altijd meegesleurd door het buitenland. Grenzen sluiten voor een meer stabiele conjunctuur is onzin. Wat we wel kunnen doen is de interne dynamiek minder hysterisch maken.

Onze huizen- en hypotheekmarkt versterken nu de conjunctuur, omdat huiseigenaren zoveel lenen dat ze bij iedere daling van de huizenprijs of stijging van de rente, direct gaan bezuinigen. Het pensioenstelsel maakt de economie volatiel omdat daling van beurskoersen en rente leiden tot lagere uitkeringen en hogere premies. De overheid, ten slotte, bezuinigt in slechte tijden en gaat flink uitgeven als ‘het geld tegen de plinten klotst’.

In het regeerakkoord staan impopulaire maatregelen, zoals verlaging van de hypotheekrenteaftrek en hervorming van het pensioen, terwijl de nieuwe minister van Financiën belooft vooral op de rem te gaan staan.

Voordat u daar boos over wordt, denk dan aan dat buitenste kind in de sliert. En aan die stenen muur.

In Amsterdam staat de huizenmarkt in brand, maar Nederland is nog lang niet terug in 2008

Hoeveel huizen mag een prins bezitten? Liever niet al te veel, zo lijkt het. Het tijdperk van regenten en koningen ligt ver achter ons. We bouwen geen paleizen meer en geen buitenplaatsen. Een prins van koninklijken bloede met vastgoedambities is daarom al snel verdacht.

Dat merkte prins Bernhard van Oranje-Nassau, Van Vollenhoven vorige week. Het Parool had een inventarisatie gemaakt van de grootste beleggers op de Amsterdamse woningmarkt en de prins viel op in de top van die lijst – naast bijvoorbeeld media-ondernemer Reinout Oerlemans. Maar liefst 102 pandjes bezit prins Bernhard, die zijn geld verdient als ICT-ondernemer.

Half Mokum viel over de prins heen. Beleggers als hij zouden particulieren uit de markt drukken. De sociale cohesie in buurten zou verdwijnen. SP-Wethouder Laurens Ivens, sprak over ‘heel ongewenste effecten’.

Schermafbeelding 2017-11-21 om 09.53.44

Opmerkelijk, want de woningen van prins Bernhard, Oerlemans en al die andere beleggers staan natuurlijk niet leeg. Ze worden verhuurd aan mensen die graag in de stad wonen, maar om de een of andere reden niet willen of kunnen kopen. Amsterdam is kampioen sociale woningbouw; het hogere segment, voor mensen met een hoger inkomen, wordt aan de de markt overgelaten. Maar als de markt dan levert, in de vorm van beleggers die wel brood zien in Amsterdams vastgoed, is de wereld te klein. Dan ‘drijven rijke beleggers de prijzen op’. Alsof kopende particulieren meer recht hebben op woonruimte binnen de ring dan hurende particulieren.

Het zal wel komen door de overspannen situatie op de Amsterdamse woningmarkt, dat men zo ongenuanceerd reageert. De prijzen zijn omhooggeschoten en de koophuizen raken op. Dat maakt nerveus. Amsterdamse huizen zijn alweer een stuk duurder dan voor de crisis. En omdat de stad heeft verzuimd flink bij te bouwen, lijkt het einde van de schaarste niet in zicht.

Wie naar Amsterdam kijkt, zou de indruk kunnen krijgen dat in Nederland de gekte op de huizenmarkt weer helemaal terug is. Maar dat is niet het geval. Ondanks berichten als ‘Verblinde huizenkopers’ (Telegraaf) en ‘Overwaarde weer ingezet, net als voor de crisis’ (Volkskrant), is de huizenmarkt nog lang niet terug in 2008.

Een paar cijfers om dat te laten zien: de huizenprijsindex van het CBS stond in september nog 4,5% onder het niveau van september 2008. Rekening houdend met inflatie (een euro was in 2008 immers meer waard dan nu), zijn de huizen nu zelfs bijna 15% goedkoper. In 2008 zat de sleet er ook duidelijk op. De prijzen waren zo hoog, en het aanbod zo schaars, dat er nog maar weinig woningen werden verkocht. In het derde kwartaal van 2008, na drie jaar van verkoopdalingen, slechts 48.000. Nu boekt het aantal verkochte woningen juist record op record en kwam aan het eind van de zomer uit op ruim 61.000. Er zit duidelijk nog gezonde beweging in de markt.

Een ander belangrijk verschil met 2008: huizen zijn gemiddeld nog steeds prima betaalbaar. Door de lage rente is de gemiddelde huizenkoper met een aflossingsvrije hypotheek nog geen 15% van zijn of haar netto-inkomen aan maandlasten kwijt, rekende onderzoeksbureau Calcasa uit. In 2008 was dat ruim het dubbele. Voor de tegenwoordig meer relevante annuïteitenhypotheek is dat 27% van het netto-inkomen nu, tegen 41% in 2008. Huizen zijn duur, maar toch betaalbaar.

Ook in Amsterdam? Nee, daar zijn de prijzen wel degelijk zo hoog dat de betaalbaarheid in het gedrang komt. Maar in andere delen van Nederland gaat het veel langzamer. Om dat te illustreren keek ik naar het verschil in de mediane huizenprijs in Amsterdam en (Noord-)Drenthe. De mediane Amsterdamse koopwoning is nu 78% duurder dan die in Drenthe. In 2008 was dat verschil slechts 26%. De overspannen huizenmarkt is nu dus eerder een lokaal dan een nationaal verschijnsel.

Misschien is dat ook de oplossing voor prins Bernhard. Investeer ook eens wat in de provincie, daar ziet men het geld graag komen. In het Drentse Oranjedorp bijvoorbeeld, vlak bij Emmen. Daar staan nog vier zeer betaalbare pandjes te koop.

(FD)

Nederlandse industrie euforisch over orderpositie. Op zoek naar harde stukjes in een zachte indicator

Voor de een zijn het de liedjes van de jonge Gerard Joling, voor de ander alle afleveringen van ‘Say yes to the dress’ van tv-zender TLC, iedereen heeft zo zijn eigen ‘guilty pleasures’, gênante pleziertjes die eigenlijk niet kunnen, maar waar we toch stiekem van genieten. En de econoom, wat is zijn heimelijke genoegen? Die van mij maak ik met gepaste schaamte openbaar: mijn guilty pleasure is de zachte indicator.

Ik heb het dan over macro-economische informatie, die niet voortkomt uit harde metingen van onbetwistbare feiten, maar gebaseerd is op gevoelens en vage inschattingen. Het consumentenvertrouwen, bijvoorbeeld, het gemiddelde saldo van positieve en negatieve antwoorden van Nederlandse consumenten op een aantal vragen over de economisch situatie en de eigen financiële. Ik ken eerlijk gezegd geen onderzoek waaruit blijkt dat deze zachte indicator een puike voorspeller is van de daadwerkelijke consumptie, maar toch veer ik iedere maand op als het CBS weer een nieuwe aflevering van dit boeiende feuilleton publiceert. Gaat het vertrouwen omhoog, dan krijgt de econoom een kleine dopaminekick. Gaat het omlaag, dan voelt het als een teleurstelling.

Smakelijke harde stukjes

Zachte indicatoren geven hoogstens een richting aan, maar zijn vrij onbetrouwbaar als echte voorspellers. Die stelling baseer ik niet op diepgravend onderzoek, maar op ervaring. Het is mijn persoonlijke ‘zachte’ conclusie. Dat gezegd hebbende: vaak zit er toch interessante informatie verstopt in de indicatoren. Als je niet naar de algemene index kijkt, maar naar de antwoorden op de afzonderlijke vragen, zijn er wel degelijk smakelijke harde stukjes te ontdekken.

Een deel van het consumentenvertrouwen wordt bepaald door antwoorden over de algemene economische situatie. Alsof de gemiddelde Nederlander zich daar eenvoudig een goed beeld van kan vormen. Maar van de eigen bankrekening weet een consument wel veel. De antwoorden op vragen over de eigen financiële situatie zijn in die zin wel degelijk harde info.

Orderposities

Hetzelfde geldt voor het producentenvertrouwen, de maandelijkse CBS-indicator die de stemming in de industrie meet. Deze indicator kwam in oktober uit op 8,2. Dat is net wat lager dan een maand eerder, maar wel flink boven het meerjarige gemiddelde. De interessante informatie zit echter verscholen achter dit geaggregeerde cijfer. Want het producentenvertrouwen is vooral zo hoog, omdat de deelindicator over de orderpositie het buitengewoon goed doet. Het oordeel daarover staat met 13,9 op de hoogste stand sinds eind 2007. De afgelopen twintig jaar waren er maar een handvol maanden waarin de industrie nog contenter was met de eigen orderportefeuille.

Schermafbeelding 2017-11-16 om 10.28.20 Schermafbeelding 2017-11-16 om 10.29.02

De orderpositie is typisch zo’n hard stukje in de zachte indicator: hoe het met het aantal orders staat, weet de ondernemer zelf het beste. Daarom voelt een hoog producentenvertrouwen beter als het door tevredenheid over het aantal orders komt, dan door bijvoorbeeld de verwachte bedrijvigheid in de komende maanden.

Feest bij de bouw

We kunnen nog een stap dieper graven in de indicator. Zijn alle sectoren tevreden over de orders, of wordt dit positieve oordeel beïnvloed door euforie in een enkele sector? Uit de cijfers blijkt het laatste. Vooral in de conjunctuurgevoelige sector hout- en bouwmaterialen zijn ze opgetogen. Nu de woningmarkt weer lekker richting hysterie gaat, aangemoedigd door een gulle ECB, is het feest bij producenten van bouwmaterialen. In de elektrotechnische industrie, bij de raffinaderijen en chemische bedrijven en vooral in de voedingsindustrie is men een stuk minder opgetogen over de orderportefeuille. Niet negatief, want ook die sectoren voelen de conjuncturele meewind, maar ze zijn minder euforisch dan de bouw.

De vorige keer dat het producentenvertrouwen op een hoogtepunt stond, in juni 2006, was het optimisme over de orders veel gelijkmatiger verdeeld. Toen waren alle industrieën bovengemiddeld enthousiast. Dat zegt misschien iets over de kracht van het huidige herstel: toch eerder op de vleugels van het rentebeleid van de ECB, dan echt op basis van breed, intern gedreven optimisme?

Of trek ik nu te makkelijk conclusies uit een paar toevallige cijfers? Zou goed kunnen, want ook dat is een guilty pleasure van veel economen.

(FD)

Moet u nu bitcoins kopen?

Je kunt een doorwrocht verhaal houden over waarderingen van aandelen, over de kans op een crash van de obligatiemarkt en over de gecompliceerde relatie tussen centrale banken en de beurs. Na afloop hebben de luisterende beleggers toch maar één vraag: moet ik nu bitcoins kopen?

Lange tijd was mijn antwoord dan: natuurlijk niet! Je bent toch niet gek? Maar nu de koers record op record boekt, heb ik een nieuw antwoord. Wil je van mij horen of je bitcoins moet kopen? Doe het dan vooral. Want als je het type belegger bent dat denkt dat het zinvol is om een loslopende econoom om gouden beleggingstips te vragen, dan ben je ook precies het type om mee te doen met de bitcoin-hype.

Ander verhaal

‘Een echte belegging geeft een stroom van echt rendement, heeft een prijs die niet onberekenbaar volatiel is, en is op een of andere manier gekoppeld aan een onderliggende waarde’

Verkoop al je ‘olies’ en ‘flippen’, en stap vol in cryptogeld, voor het ritje van de eeuw. Een enkele bitcoin is inmiddels €5.400 waard. Dat is ruim vijf keer zoveel als begin dit jaar. De trein rijdt weg, spring er snel op of heb de rest van je leven spijt.

Dat is dus mijn antwoord aan de speculant met bitcoin-tekens in zijn ogen. Voor u, de verstandige lange-termijnbelegger, wars van speculatieve posities, heb ik een ander verhaal. Loop met een grote boog om de cryptomunten heen. U mist misschien het ritje omhoog, maar doet dat in het rustgevende besef dat u een belegger bent, en geen speculant.

Want de bitcoin is geen belegging. Een echte belegging geeft een stroom van echt rendement (rente, dividend, huur), heeft een prijs die niet onberekenbaar volatiel is, en is op een of andere manier gekoppeld aan een onderliggende waarde. De bitcoin heeft geen ander rendement dan koersstijging, beweegt veel te wild om een belegging genoemd te kunnen worden en heeft geen onderliggende waarde.

Eén bitcoin-transactie kost aan elektriciteit zoveel als een gezin in pakweg drie weken gebruikt. Als het ooit een veelgebruikt betaalmiddel wordt, dan pas na de uitvinding van gratis energie’

Maar het is toch een betaalmiddel? Je kunt er iets van kopen, dus is dat dan niet de onderliggende waarde? Welnee. Ook als betaalmiddel voldoet de cryptomunt niet. Stabiele koopkracht en lage transactiekosten, dat is wat je verwacht van een betaalmiddel. Vanwege de wilde koersfluctuaties kan de koopkracht van de bitcoin elke dag totaal anders zijn en een transactie in bitcoin is duur in directe transactiekosten, in tijd, maar vooral in energie. Eén bitcoin-transactie kost aan elektriciteit zoveel als een gezin in zo’n drie weken verbruikt. Als het ooit een veelgebruikt betaalmiddel wordt, dan pas na de uitvinding van gratis energie.

Wordt het dan nooit wat met die cryptomunten? Dat zeg ik niet. Wie weet betalen we ooit allemaal met decentraal elektronisch geld. Als econoom verheug ik mij op een toekomst waarin het overheidsmonopolie op geld is doorbroken. Maar dat wil nog niet zeggen dat ik met mijn pensioengeld op zo’n toekomst ga gokken. Ik ben toch niet gek?

(FD)

Streven naar geluk is prachtig, behalve als de overheid dat voor ons gaat doen

Eens in de drie jaar looft het Nederlandse Pierson Fonds de Pierson Penning uit. Dit is – met een beetje overdrijving – de Nederlandse Nobelprijs voor de Economie en werd eerder gewonnen door illustere economen als Jan Tinbergen, Jan Pen en Arnold Heertje. Dit jaar gaat de prijs naar Arie Kapteyn en Bernard van Praag (gefeliciteerd, heren!), voor hun onderzoek naar de meting van welzijn. Kapteyn en Van Praag waren misschien wel ’s werelds eerste ‘gelukseconomen’.

Het voert te ver om hun werk hier te bespreken. Op de website www.mejudice.nl staat een mooie samenvatting. Waar het mij om gaat, is dat hun huldiging perfect past in de tijdgeest. Want geluk is in. Gelukkig zijn, dat is waar we het allemaal voor doen.

 

Daarom lezen we de Happinez, stemmen we op een politicus die ‘economisme’ wil uitbannen en worden we enthousiast als onderzoekers het bruto binnenlands product vervangen door een ‘Brede Welvaartsindicator’. En als – zoals deze week – uit die indicator blijkt dat mensen in Assen veel beter af zijn dan in Amsterdam, knikken we instemmend: ‘Inderdaad, echt gelukkig word je pas in Assen’, om vervolgens toch maar een half miljoen te bieden op een kleine etage in het centrum van Amsterdam.

Wethouder voor Geluk

Geluk, we zijn er gek op. Jeroen Smit en Hans Sibbel trekken volle zalen met hun theatershow over het ‘Bruto Binnenlands Geluk’. Weg met al die spullen, laten we nu eindelijk gaan genieten van het leven. De gemeente Schagen heeft inmiddels zelfs een Wethouder Geluk benoemd, die het welbevinden van de West-Friese bevolking moet bevorderen.

En daar gaat het volgens mij fout. Het is prima om waar te nemen dat mensen streven naar een gelukkig leven, het is heel wat anders om dat uitgangspunt van beleid te maken. Neem de bijgaande grafiek. Daarin staan de resultaten van de halfjaarlijkse ‘geluksmeting’ in de Europese Unie. Aan burgers wordt gevraagd hoe tevreden ze zijn met hun leven. Te zien is dat de Denen het meest tevreden zijn, gevolgd door (jawel) Nederlanders en Zweden. Italianen zijn het ontevredenst.

Maar wat meet je eigenlijk als we mensen vragen naar hun ‘tevredenheid’? Misschien wel vooral verschillen in taal en cultuur. Wie weet zeggen Denen dat ze erg ‘tilfreds’ zijn bij een voortkabbelend gevoel van voldoening, terwijl een Italiaan pas zegt dat hij ‘soddisfatto’ is, als hij iedere dag chianti drinkend en parmaham etend in de Toscaanse zon kan liggen. Tevredenheid (geluk) is per definitie subjectief.

Subsidie voor levensgenieter?

Dat is de eerste reden waarom ik denk dat sturen op geluk onverstandig is. Maar er is nog een belangrijker bezwaar: hoe voer je beleid gericht op tevredenheid en geluk? Door iedereen zo gelukkig mogelijk te maken? Zo simpel is het niet. Economisch beleid gaat over keuzes maken, over herverdelen. Geluksbeleid zou dus de beperkte middelen zo moeten inzetten dat het binnenlands geluk maximaal is, door ze terecht te laten komen bij mensen die echt genieten van consumptie en dus goed zijn in het produceren van geluk. De levensgenieter krijgt subsidie, de zwartkijker een belastingaanslag. Onzin natuurlijk, maar wel de logische consequentie van beleid gericht op maximaal geluk.

Dergelijk beleid zou in Europa zelfs tot een subsidiestroom van zuid naar noord moeten leiden. Want nieuw onderzoek suggereert dat de Denen niet gelukkiger zijn dan de Italianen omdat ze hun zaakjes beter voor elkaar hebben, maar omdat ze daadwerkelijk beter zijn in het produceren van tevredenheid. In het prestigieuze wetenschappelijke tijdschrift Economic Journal verscheen dit jaar een opzienbarend artikel waarin tevredenheid wordt gelinkt aan een bepaalde genmutatie die in Denemarken veel voorkomt. Naarmate een bevolking genetisch meer lijkt op die van Denemarken, zijn de mensen gelukkiger, blijkt uit het onderzoek. Denen (en in mindere mate Nederlanders) zijn tevreden omdat ze betere geluksmachines zijn en dat is genetisch bepaald.

In zo’n wereld moet de overheid nooit proberen het totale geluk te maximaliseren. Burgers zoveel mogelijk een gelijke kans geven op het nastreven van hun eigen geluk, is het hoogst haalbare. Gelukkig maar.