Alle berichten van Mathijs

Lage btw, en wel hierom niet

De afgelopen jaren heb ik een aantal keer geschreven over de zin en onzin van het lage btw-tarief. Nu het nieuwe kabinet het (eindelijk) aandurft om het lage tarief te verhogen, de oppositie daartegen te hoop loopt, en zelfs Katja Schuurman en Giel Beelen zich in deze fiscale discussie mengen, zet ik deze artikelen en columns graag nog eens op een rij:

BTW: Belasting Toegevoegde Waanzin (Z24, 2011)

Rijken profiteren het meest van het lage btw-tarief (FD, 2015)

Dadendrang (FD, 2016)

Let op: de overheid wil dat u een kleurboek koopt, en geen plakboek (FD, 2016)

Schaf het lage btw-tarief af! (FD, 2017)

Lage btw omhoog (FD, 2017)

Nog een laatste opmerking over de redenering dat een verhoging van het lage tarief  “groente en fruit duurder maakt”. De btw-verhoging geldt net zo goed voor snoep, koek, kauwgum, slagroomtaarten, suikerspinnen, karbonades uit de bio-industrie, plofkippen, energydrankjes, gummybeertjes,  hamburgers, alles uit de frituur, softijsjes met discodip, rookworsten, versgeschoten wilde konijntjes en alle andere voedingsmiddelen en niet-alcoholische drankjes. Dus alleen als je denkt dat mensen door het hogere lage btw-tarief massaal hun dagelijkse appel inruilen voor een glas oude jenever, is er reden tot (theoretische) zorg over het effect op de gezondheid.

Gillen om Hillen

Lig je jarenlang krom om extra snel je hypotheek af te lossen, zodat je lekker geen eigenwoningforfait meer hoeft te betalen, schaft de overheid de regeling af! Om gek van te worden. Of beter: om woedend van te worden!

En dat deden dan ook heel wat huiseigenaren — inclusief Hans Wiegel — toen ze hoorden dat het nieuwe kabinet van plan is om de Wet Hillen in te trekken. Deze wet, vernoemd naar CDA-er Hans Hillen, dateert uit 2005 en zorgt ervoor dat het bedrag dat je vanwege het eigenwoningforfait moet optellen bij het inkomen, nooit groter is dan het bedrag dat je mag aftrekken aan hypotheekrente. Wie z’n hypotheek helemaal aflost hoeft daarom geen eigenwoningforfait te betalen.

Goedbeschouwd was de Wet Hillen een nogal laffe poging om een ongewenst gevolg van de heilige hypotheekrenteaftrek wat in te perken. Door die aftrek losten al minder Nederlanders af. Banken bedachten ongeveer elke week een nieuwe, nog riskantere variant van de aflossingsvrije hypotheek. Nederland werd kampioen hypotheekschuld.

Om daar wat aan te doen had de overheid natuurlijk de renteaftrek kunnen verlagen. Maar dat durfden CDA en VVD niet. In plaats daarvan kwam de Wet Hillen: de facto een subsidie op aflossen. Zo subsidieerden we zowel het maken van schuld als het aflossen ervan. Die malligheid kostte de overheid handen met geld, dat weer opgehaald moest worden met bijvoorbeeld hoge belastingen op arbeid.

Inmiddels is Den Haag ook de idiotie van deze situatie in gaan zien. Aflossen is tegenwoordig de norm en de renteaftrek gaat in stappen fors omlaag. Dus kan ook de subsidie op aflossen verdwijnen. Men neemt er ruim de tijd voor, pas over dertig jaar is Hillen geheel afgebouwd.

Daar mag je best boos om worden, maar de maatregel is zo logisch als maar kan. Zeker omdat vanwege de nieuwe, strengere aflossingsregels, in de komende jaren al meer Nederlanders recht op de Hillen-subsidie zouden krijgen. Een subsidie die niet meer nodig is, en die steeds kostbaarder wordt, die mag je best afbouwen.

Dat vonden ook de topambtenaren van de Studiegroep Duurzame Groei die in 2016 al voorstelden om Hillen te schrappen. Hoe eerder de Hillen-regeling wordt afgeschaft of uitgefaseerd, schreven de ambtenaren, hoe minder de pijn.

Ze legden ook nog even uit waarom het eigenwoningforfait überhaupt bestaat. Onroerend goed is een prima belastinggrondslag, ook als het om een huis gaat waar je zelf in woont. Uit onderzoek van de Oeso blijkt dat het de economie veel minder verstoort dan bijvoorbeeld belasting op inkomen of winst. Het is dus een relatief ‘groeivriendelijke’ belasting. Zonde om die niet te benutten. En zo is het.

 

De robotfabrieken van de toekomst komen in China te staan en dat is eigenlijk jammer

China is de fabriek van de wereld en wil dat graag ook blijven. Maar met de toenemende welvaart stijgen de lonen van fabrieksarbeiders. Bovendien krijgt ook China de komende decennia te maken met een enorme vergrijzing van de bevolking. Daarom moet het land de draai maken van arbeidsintensieve naar kapitaalintensieve productie. De fabrieken moeten worden gerobotiseerd. Dat proces is in volle gang en gaat met de typisch Chinese daadkracht, zo blijkt uit nieuwe cijfers van de International Federation of Robotics (IFR), de brancheorganisatie die internationale cijfers over robotleveranties aan de industrie bijhoudt.

Vorige week schreef ik over de snelle toename van het aantal robots in de Nederlandse industrie, die door de IFR werd gesignaleerd. Vooral aan de Nederlandse voedingssector werden in 2016 opvallend veel nieuwe robots geleverd. ‘Nederland haakt eindelijk aan bij de robotrevolutie’, concludeerde ik vorige week. Daar neem ik deze week niets van terug. Onze bedrijven investeren fors in robotisering. Maar laat vooral niet de indruk ontstaan dat Nederland internationaal de troepen leidt. Op de mondiale markt zijn we maar een klein afnemertje. Wereldwijd werden er vorig jaar ruim 294.000 robots verkocht. Daarvan gingen er nog geen 1800 naar Nederland.

Schermafbeelding 2017-10-17 om 11.52.03

De grootste afnemer in Europa was (traditiegetrouw) de Duitse industrie met iets meer dan 20.000 nieuwe robots in 2016. De andere grote Europese economieën blijven daar ver bij achter. De robotisering van de Europese industrie vindt heus wel plaats, maar het gaat niet met enorme vaart. Hetzelfde geldt voor de Amerikaanse industrie. In de gehele Verenigde Staten kwamen er vorig jaar ruim 31.000 industriële robots bij. Dat was weer meer dan in 2015, maar er is eerder sprake van een gestage groei dan van een echte acceleratie.

Ook Japan doet het rustig aan, met 38.500 nieuwe robots, slechts een paar procent meer dan in 2015. Nee, de echt snelle groei vindt elders plaats: in China. Vorig jaar namen Chinese bedrijven maar liefst 87.000 nieuwe robots in gebruik, 27% meer dan een jaar eerder. China kocht bijna net zoveel nieuwe robots als alle Europese en Noord- en Zuid-Amerikaanse landen bij elkaar, schrijft de IFR. En dat is nog maar het begin. Volgens de brancheorganisatie komt de robotisering van de Chinese industrie de komende jaren pas goed op gang. Het aantal nieuwe robots zal naar verwachting stijgen van 115.000 in 2017 naar 210.000 in 2020. Op dat moment gaan van elke tien nieuwe robots er vier naar een Chinese afnemer.

Schermafbeelding 2017-10-17 om 11.52.20

Ook voor andere landen verwacht de IFR een toename, maar nergens gaat het zo snel als in China. Op zich is daar niets vreemds aan. China neemt nu eenmaal een groot deel van de mondiale productie voor z’n rekening, en de huidige fabrieken werken nog relatief arbeidsintensief. Per 10.000 werknemers in de Chinese industrie staan er nu 68 robots. In Duitsland is dat aantal 309, in Zuid-Korea zelfs 631. Zelfs Nederland doet het met 153 robots per 10.000 werknemers beduidend beter dan China. Logisch dus dat China een inhaalslag maakt. Maar zo’n inhaalslag wordt in China al snel een felle demarrage, waarbij de rest van de kopgroep lijkt stil te staan.

Schermafbeelding 2017-10-17 om 11.52.27

De hoop was dat door robotisering oude economieën als die van de VS en Europa een deel van de industriële productie zouden kunnen terughalen uit Azië. Philips bracht in 2011 de productie van scheerapparaten voor de Europese markt terug uit het Chinese Shuhai naar de gerobotiseerde fabriek in het Friese Drachten. Dat smaakt naar meer, dachten beleidsmakers, en ‘reshoring’ van productie werd de nieuwe droom. Wordt die droom werkelijkheid? China zelf is duidelijk niet van plan om eraan mee te werken. Voor Europa en Amerika is er maar één tegenzet mogelijk: nog sneller en slimmer robotiseren dan China. Het mondiale gevecht om de productie wordt straks niet meer gewonnen door het land met de goedkoopste arbeid, maar door het land met de slimste robots.

(FD)

Naar Mars!

Elon Musk wilde altijd al naar Mars, maar sinds vorige week is het de Tesla-miljardair echt menens. Zijn ruimtevaartbedrijf SpaceX heeft voortaan nog maar een doelstelling: mensen naar Mars brengen en die daar laten wonen, zo maakte Musk begin oktober bekend. Volgens zijn ongetwijfeld veel te optimistische planning moet de eerste vrachtlading in 2022 naar Mars vertrekken, de eerste mensen komen dan een paar jaar later aan.

Om dit mogelijk te maken wil SpaceX een ‘interplanetair transportsysteem’ ontwikkelen. Dat wil zeggen: een extra grote raket. Of, in de terminologie van Musk, een BFR, een Big Fucking Rocket. Het geld dat SpaceX nu verdient met lanceren van satellieten en uitvoeren van vrachtvluchten voor NASA, zal worden gebruikt om de (geheel herbruikbare) reuzenraket te ontwikkelen.

Goed. Bent u daar nog? Of bent u al afgehaakt bij zoveel kinderlijke luchtfietserij van Elon Musk? De man komt ongeveer iedere maand weer met een of ander groots technologische plan dat altijd visionair en meeslepend, maar vooral ondoordacht is. Als econoom zou ik ze allemaal als totaal onrealistisch van tafel moeten vegen. Geen haalbaarheidsstudies, geen kosten-batenanalyses, sorry meneer Musk, maar uw luchtballonnetjes prikken we zo door! Maak eerst Tesla maar eens winstgevend. En probeer eerst maar eens de massaal bestelde Model 3 op tijd te leveren, want de productie daarvan heeft behoorlijke vertraging opgelopen.

Bovendien, zijn er geen belangrijkere zaken om uw miljarden (en die van uw investeerders) aan te verspillen? Zolang er op aarde nog kinderen met honger naar bed gaan en dagelijks mensen sterven aan ziektes die voor een paar dollar te voorkomen of te genezen zijn, heeft de mensheid op Mars niets te zoeken.

Dat zou ik allemaal moeten schrijven. Maar ik doe het niet. In plaats daarvan schrijf ik dit:

‘Een kolonie op Mars is de ultieme verzekering voor het voortbestaan van de mens’

We moeten naar Mars. Niet alleen met robotwagentjes maar met echte mensen. En die mensen moeten op Mars leren te leven. Dus geen snelle retourtjes om de wereld te imponeren, maar daadwerkelijk wonen op de rode planeet. Dat gaat buitengewoon moeilijk worden, zeer lang duren en enorm veel geld kosten. Maar uit economisch oogpunt is het toch uiterst rationeel.

Een kolonie op Mars is de ultieme verzekering voor het voortbestaan van de mens. Omdat we allemaal op dezelfde planeet wonen, is onze soort nu slechts één meteorietinslag, één atoomoorlog of één superzonnestorm af van uitsterven. Voor een relatief lage verzekeringspremie kunnen we ons DNA ook elders in het zonnestelsel planten. We moeten niet naar Mars omdat dat zo spannend en avontuurlijk is, maar juist omdat niet gaan onverantwoordelijk risicovol is.

Met de gehele mensheid als potentiële kostenpost valt een koele kosten-batenanalyse van de plannen van Musk al snel in zijn voordeel uit.

FD

Nederlandse industrie haakt eindelijk aan bij robotrevolutie, vooral dankzij onze voedingsindustrie

‘Nederland moet dringend investeren in een ambitieuze maar tegelijk ook praktische robotagenda.’ Die oproep deed een groep van twintig wetenschappers begin dit jaar in een open brief. Alle scholieren, studenten en werknemers moeten zich voorbereiden op de gevolgen en mogelijkheden van robotisering, vonden de wetenschappers.

Freelancende economen dus ook, dacht ik na het lezen van de brief. En daarom staan er sinds kort twee kleine robots op mijn kantoortje, beide aangeschaft door ze zelf mee te financieren via een crowdfundsite. Hoe hip wil je het hebben?

De ene robot heet Alpha2, en is van het type ‘mannetje’. Het is een in wit en rood plastic uitgevoerde pop die kan luisteren, praten, zingen, dansen, lopen, vallen en weer opstaan. Hij heeft wifi, bluetooth 4.0, draait op Android en je hebt er helemaal niets aan. Ik doe hier geen productbespreking, maar wie een dag met Alpha2 optrekt, maakt zich opeens veel minder zorgen dat de robot onze banen inpikt.

Schermafbeelding 2017-10-01 om 09.02.02

Mijn andere robot is juist een positieve verrassing. Deze heet uArm Swift en is van het type lasrobot, u weet wel, zo’n eenarmige robot uit de auto-industrie. Lassen kan hij niet, maar wel dingen oppakken en wegleggen met zijn zuignap of grijphand, 3D-printen dankzij een speciale kop en zelfs hout graveren met een laser. Makkelijk te programmeren en flexibel inzetbaar.

Schermafbeelding 2017-10-01 om 09.02.41

De nuttige robot is dus geen mechanische man die de was doet en de kinderen naar bed brengt, maar een programmeerbare arm die repeterende arbeid verricht. Zo staan de zaken er op dit moment in elk geval voor. Bij mij op kantoor, maar zeker ook in uw bedrijf. De robot is nog lang geen goede dienstverlener, maar wel al meer een bruikbare productiekracht.

Daarom vindt de robotrevolutie nog altijd voornamelijk plaats op de fabrieksvloer, waar de robot laagwaardig, zwaar en repetitief werk van de mens overneemt. Deze industriële robots worden al slimmer, nauwkeuriger en voorzichtiger, dus hun toepasbaarheid neemt snel toe. Tot niet zo lang geleden stonden robots vooral in de autofabrieken, daarna volgde de productie van elektronica en sinds kort gaat het hard in de voedingsmiddelenindustrie. In die laatste sector moet schoon en voorzichtig worden gewerkt en de nieuwe robots kunnen dat al beter.

Misschien was het door deze volgorde van sectoren dat Nederland tot nu niet bepaald haantje de voorste was bij de robotisering. We hebben nu eenmaal geen grote auto- of elektronica-industrie. In landen als Duitsland, Japan en Zuid-Korea werd veel meer in robots geïnvesteerd. Maar we hebben wel een grote voedingsindustrie, dus als die nu aan de beurt is, moet Nederland aan de bak.

Schermafbeelding 2017-10-08 om 15.30.10
Schermafbeelding 2017-10-08 om 15.30.26
Het goede nieuws: dat doen we ook. Deze week verscheen het jaarlijkse robotrapport van de International Federation of Robotics (IFR), de brancheorganisatie van robotproducenten, met cijfers voor 2016. Daaruit blijkt dat bedrijven in de Nederlandse industrie vorig jaar 1778 nieuwe robots aanschaften. Dat is 20% meer dan een jaar eerder en het hoogste aantal ooit. De IFR schat dat er nu ruim 11.000 robots op Nederlandse fabrieksvloeren staan, bijna een verdubbeling in tien jaar tijd.

De snelle stijging in 2016 komt vooral door de voedingsindustrie. Daar gingen vorig jaar 429 nieuwe robots aan het werk. Een jaar eerder was dat nog minder dan de helft. Het aantal nieuwe robots in de voedingsindustrie was zelfs groter dan dat in de automotivesector. Auto-producenten en toeleveranciers waren tot 2016 altijd de grootste afnemers van robots, maar met 424 nieuwe robots moest deze sector de voedingsindustrie voor het eerst voor laten gaan.

Nu de robot het tomaatje niet meer stukknijpt, het koekje niet kraakt en ook geen smeerolie over de lopende band morst, kan Nederland er eindelijk vol in gaan investeren. In 2013 hadden wij per 10.000 werknemers in de industrie nog geen honderd robots staan. Inmiddels is dat volgens de IFR gestegen naar 155 robots per 10.000 werknemers.

En dan hebben ze mijn Alpha2 en uArm Swift nog niet eens meegeteld.

Meer horen? Kom naar Tivoli Vredenburg op 19 oktober! 

Sigaar uit eigen doos

Het eigen risico gaat toch niet omhoog. Maar in ruil daarvoor moet wel de zorgpremie stijgen. Het gaat maar om een paar euro, dat is peanuts vergeleken met de totale zorgkosten. En misschien blijkt het allemaal niet nodig, omdat de verzekeraars uiteindelijk hun premies voor volgend jaar toch niet verhogen.

Maar de discussie over het niet verhogen van het eigen risico en hoe we dat moeten betalen, was toch goed voor dagenlang politiek debat, waarbij politiek weer eens geschreven werd met een een hele kleine letter ‘p’.

Want de oppositie (inclusief de huidige regeringspartij PvdA) zag een kans om het de formerende partijen (inclusief de huidige oppositiepartijen CDA, D66 en ChristenUnie) moeilijk te maken.

‘Hoezo moet de premie omhoog, als het eigen risico omlaag gaat?’ vroeg de (toekomstige) oppositie verontwaardigd. ‘Waarom betalen we het lagere eigen risico niet gewoon uit de algemene middelen, er zijn toch meevallers genoeg?’

En toen, je kon erop wachten, sprak een van hen die beroemde codewoorden waarmee de ‘p’ van politiek nog verdere kromp, tot de letter bijna niet meer zichtbaar was: ‘Dit is een sigaar uit eigen doos!’

Het is een ijzeren Haagse wet: zodra een politicus begint over sigaren en eigen dozen, weet je zeker dat het debat van iedere inhoud is ontdaan en men alleen nog maar bezig is om de kiezer op te jutten.

Want alles in Den Haag is een sigaar uit eigen doos. Dat is zelfs het hele idee van de nationale begroting en het collectieve verzekeringsstelsel: we financieren die met alle Nederlanders samen via belastingen en premies.

Deze collectieve begroting is onze gezamenlijke sigarendoos waar we allemaal aan bijdragen en waar we allemaal op z’n tijd een rokertje uit mogen nemen. Iedere sigaar die we uit de doos halen, hebben we er met z’n allen eerst zelf ingelegd.

Dus ook als het lagere eigen risico uit de meevallers wordt betaald, is dat een sigaar uit eigen doos. De meevallers zijn van de overheid en de overheid dat zijn wij allemaal samen.

Zorg wordt geen cent goedkoper als we een groter deel betalen uit algemene middelen. De zorgkosten moeten ook dan gewoon worden opgebracht en niemand anders dan de Nederlandse burger zal dat moeten doen.

Dat weten alle opgewonden standjes in de Tweede Kamer natuurlijk ook. Eerlijk zijn over dit soort zaken, vertellen dat je overheidsgeld maar een keer kunt uitgeven, uitleggen dat collectieve uitgaven altijd gefinancierd moeten worden met collectieve inkomsten, het is voor een lid van de (toekomstige) oppositie vast niet leuk om te doen.

Maar het hoort wel bij het werk van iedere politicus met een grote letter P.

(FD)

Nederlandse industrie haakt eindelijk aan bij robotrevolutie, vooral dankzij onze voedingsindustrie

‘Nederland moet dringend investeren in een ambitieuze maar tegelijk ook praktische robotagenda.’ Die oproep deed een groep van twintig wetenschappers begin dit jaar in een open brief. Alle scholieren, studenten en werknemers moeten zich voorbereiden op de gevolgen en mogelijkheden van robotisering, vonden de wetenschappers.

Freelancende economen dus ook, dacht ik na het lezen van de brief. En daarom staan er sinds kort twee kleine robots op mijn kantoortje, beide aangeschaft door ze zelf mee te financieren via een crowdfundsite. Hoe hip wil je het hebben?

De ene robot heet Alpha2, en is van het type ‘mannetje’. Het is een in wit en rood plastic uitgevoerde pop die kan luisteren, praten, zingen, dansen, lopen, vallen en weer opstaan. Hij heeft wifi, bluetooth 4.0, draait op Android en je hebt er helemaal niets aan. Ik doe hier geen productbespreking, maar wie een dag met Alpha2 optrekt, maakt zich opeens veel minder zorgen dat de robot onze banen inpikt.

Mijn andere robot is juist een positieve verrassing. Deze heet uArm Swift en is van het type lasrobot, u weet wel, zo’n eenarmige robot uit de auto-industrie. Lassen kan hij niet, maar wel dingen oppakken en wegleggen met zijn zuignap of grijphand, 3D-printen dankzij een speciale kop en zelfs hout graveren met een laser. Makkelijk te programmeren en flexibel inzetbaar.

De nuttige robot is dus geen mechanische man die de was doet en de kinderen naar bed brengt, maar een programmeerbare arm die repeterende arbeid verricht. Zo staan de zaken er op dit moment in elk geval voor. Bij mij op kantoor, maar zeker ook in uw bedrijf. De robot is nog lang geen goede dienstverlener, maar wel al meer een bruikbare productiekracht.

Daarom vindt de robotrevolutie nog altijd voornamelijk plaats op de fabrieksvloer, waar de robot laagwaardig, zwaar en repetitief werk van de mens overneemt. Deze industriële robots worden al slimmer, nauwkeuriger en voorzichtiger, dus hun toepasbaarheid neemt snel toe. Tot niet zo lang geleden stonden robots vooral in de autofabrieken, daarna volgde de productie van elektronica en sinds kort gaat het hard in de voedingsmiddelenindustrie. In die laatste sector moet schoon en voorzichtig worden gewerkt en de nieuwe robots kunnen dat al beter.

Misschien was het door deze volgorde van sectoren dat Nederland tot nu niet bepaald haantje de voorste was bij de robotisering. We hebben nu eenmaal geen grote auto- of elektronica-industrie. In landen als Duitsland, Japan en Zuid-Korea werd veel meer in robots geïnvesteerd. Maar we hebben wel een grote voedingsindustrie, dus als die nu aan de beurt is, moet Nederland aan de bak.

Het goede nieuws: dat doen we ook. Deze week verscheen het jaarlijkse robotrapport van de International Federation of Robotics (IFR), de brancheorganisatie van robotproducenten, met cijfers voor 2016. Daaruit blijkt dat bedrijven in de Nederlandse industrie vorig jaar 1778 nieuwe robots aanschaften. Dat is 20% meer dan een jaar eerder en het hoogste aantal ooit. De IFR schat dat er nu ruim 11.000 robots op Nederlandse fabrieksvloeren staan, bijna een verdubbeling in tien jaar tijd.

De snelle stijging in 2016 komt vooral door de voedingsindustrie. Daar gingen vorig jaar 429 nieuwe robots aan het werk. Een jaar eerder was dat nog minder dan de helft. Het aantal nieuwe robots in de voedingsindustrie was zelfs groter dan dat in de automotivesector. Auto-producenten en toeleveranciers waren tot 2016 altijd de grootste afnemers van robots, maar met 424 nieuwe robots moest deze sector de voedingsindustrie voor het eerst voor laten gaan.

Nu de robot het tomaatje niet meer stukknijpt, het koekje niet kraakt en ook geen smeerolie over de lopende band morst, kan Nederland er eindelijk vol in gaan investeren. In 2013 hadden wij per 10.000 werknemers in de industrie nog geen honderd robots staan. Inmiddels is dat volgens de IFR gestegen naar 155 robots per 10.000 werknemers.

En dan hebben ze mijn Alpha2 en uArm Swift nog niet eens meegeteld.

Als een politicus praat over ‘investeren’ in zorg of onderwijs, houd dan je portemonnee maar goed vast

Zomaar bakken met geld uitgeven, in het calvinistische Nederland is dat vloeken in de kerk. Onze overheid geeft geen bakken met geld uit, want dat zou de indruk kunnen geven dat er belastinginkomsten over de balk worden gegooid, dat zuurverdiende euro’s van hardwerkende Nederlanders worden verbrast, dat het zweet van de Hollandse arbeider wordt verjubeld aan onzinprojecten.

Daarom hebben politici het zelden over geld uitgeven. Zij kiezen liever voor de term ‘investeren’. Nederland moet meer investeren in defensie, zeggen ze, want de soldaten hebben geen kogels meer. We moeten investeren in onderwijs, want de lerarensalarissen zijn te laag. Investeren in de zorg is noodzakelijk, omdat er te weinig verplegers en verpleegsters zijn om onze ouderen te verzorgen. Of laten we anders investeren in sociale zekerheid en inkomensgelijkheid. Of beter nog: in maatschappelijke samenhang.

Die laatste term komt regelrecht uit de troonrede van afgelopen dinsdag. Het demissionaire kabinet Rutte-Asscher liet de Koning deze zin uitspreken: ‘De regering investeert op tal van manieren in maatschappelijke samenhang, in integratie, in de naleving van wetten en in de versterking van onze gedeelde normen en waarden.’

Sorry, maar als econoom maak ik bezwaar. Investeren is een specifieke term die niet voor iedere willekeurige uitgave kan worden ingezet. Het moet gaan om een uitgave die pas na verloop van tijd rendement gaat opleveren. Een dijk die we nu betalen, maar die ons honderd jaar beschermt tegen de zee. Een weg die eenmaal aangelegd voor vele jaren goedkoop transport levert. Of een gebouw dat eerst geld kost, maar uiteindelijk de kosten waard is. Overheidsinvesteringen zijn uitgaven die nu worden gedaan, zodat ze later rendement opleveren. Het zijn uitgaven die de kapitaalvoorraad van onze collectieve sector vergroten.

Hoeveel geeft de Nederlandse overheid uit aan dit soort investeringen? Als we naar de bruto overheidsinvesteringen kijken, dan zijn jaarlijkse sinds het begin van de crisis wat aan het afnemen. In 2009 werd er volgens berekeningen van het Centraal Bureau voor de Statistiek nog voor bijna €28 mrd geïnvesteerd, in 2016 was dat nog maar €25 mrd.

Maar uiteraard moeten we ook rekening houden met afschrijvingen op de kapitaalgoederen van de overheid. Dan ziet het plaatje er een stuk slechter uit. De netto-investeringen (dus minus afschrijvingen), bedroegen in 2009 nog ruim €8 mrd. Inmiddels is dat nauwelijks meer dan €3 mrd. De bezuinigingen hebben er duidelijk ingehakt.

Desondanks bezit de overheid nog altijd voor meer dan €400 mrd aan kapitaalgoederen. Twee derde daarvan zijn infrastructurele werken als wegen en dijken. Ruim 20% bestaat uit gebouwen. De waarde van de opgebouwde kennis via onderzoek en ontwikkeling wordt geschat op 12,5% van het totaal.

De geschatte waarde van maatschappelijke samenhang, gedeelde normen en waarden, sociale zekerheid of kogels voor soldaten, komen in deze berekening van de kapitaalgoederenvoorraad van de overheid niet voor. Nee, ook salarissen voor leraren in het basisonderwijs niet, want die moeten we ieder jaar opnieuw betalen om het kennisniveau van de bevolking op hetzelfde peil te houden. Dit zijn allemaal lopende kosten: uitgaven die ieder jaar opnieuw moeten worden gedaan. Ik zeg niet dat we ze daarom niet moeten doen – behoorlijke beloning voor leraren lijkt mij een prima idee – maar noem ze geen investering.

Misschien vindt u dit typisch woordenwichelarij van een econoom. Wat maakt het uit of je iets een investering of een uitgave noemt? Nou, veel. Voor een rendabele investering mag je lenen. Als de overheid een fantastische hogesnelheidslijn aanlegt tussen Groningen en Maastricht, mag de staatsschuld stijgen. Maar de machinist en conducteur op die lijn zijn lopende uitgaven, en moeten we betalen uit lopende inkomsten. Lees: belastinggeld.

Iedere keer als een politicus zegt dat we moeten ‘investeren’ in gezondheidszorg, lerarensalarissen of sociale zekerheid, sterft er ergens een jong econoompje. Politici: zeg wat je bedoelt. Als je ergens gewoon ieder jaar meer geld aan wil uitgeven, kom daar dan eerlijk voor uit.

Schaf laag btw-tarief af

Frits Bolkestein bepleitte het al in 2004. Frans Weekers probeerde het in 2012. Eric Wiebes deed in 2015 een poging. Allemaal wilden ze het lage btw-tarief verhogen, of soms zelfs afschaffen. En allemaal faalden ze jammerlijk.

De laatste keer, in 2015, leidde Wiebes’ proefballonnetje zelfs tot een ware opstand van het maatschappelijk middenveld. Onder de slogan ‘Zeg nee tegen meer btw’ — met bijbehorende website en de onvermijdelijke petitie — streed een bonte lappendeken van belangengroepen tegen afschaffing van het 6%-tarief. De ANWB was tegen. VNO-NCW natuurlijk ook. De Bovag, Hiswa en ANVR vonden het een buitengewoon slecht idee. Net als Horeca Nederland, Schiphol, de Nederlandse Schoenmakers Vereniging, Dibevo (brancheorganisatie van huisdierenspecialisten) en vele, vele andere. Allemaal lobbygroepen met hun eigen directeurtjes en voorzittertjes die o zo blij waren met deze kans om eens lekker vol op het orgel te gaan voor hun achterban.

‘Barman die Irish Coffee bereidt moet voor de koffie met slagroom 6% btw rekenen, maar voor de whisky 21%’

Ze wapperden met rapporten waaruit zou blijken dat er tienduizenden banen en honderden miljoenen aan omzet op de tocht stonden. Op de radio waren spotjes te horen waarin ondernemers (bloemisten, hoteliers, schilders) hun nood klaagden. De btw-verhoging was ‘een dolksteek in de rug’. Met een beetje pech gaan we het allemaal weer horen en lezen, de komende tijd. De vier formerende partijen zouden overwegen om het lage btw-tarief iets te verhogen, naar 8%, zo lekte maandag uit. De opbrengst zou gebruikt worden voor lagere belasting op arbeid.

Wat ANWB, Bovag, Dibevo en al die andere clubs de komende dagen ook beweren, verhoging van het lage btw-tarief is een prima idee. Het lage tarief is een kostbare, verborgen subsidie zonder duidelijk doel, die de markt verstoort. Jaren geleden toonde het Centraal Planbureau al aan dat rijke consumenten er meer van profiteren dan arme. Bovendien: inkomenspolitiek kun je veel efficiënter via de inkomstenbelasting voeren dan via de btw.

In veel gevallen is het onderscheid tussen hoog en laag tarief ook helemaal niet uit te leggen. Waarom vallen kleurboeken, gedroogde bloemen en schoonmaakdiensten binnenshuis onder het lage tarief, maar plakboeken, geverfde bloemen en het schoonmaken van de buitenboel onder het hoge tarief? Waarom valt reparatie van een e-bike onder 6%, maar van een brommer onder het 21%-tarief? Niemand die het weet. Zeker niet de barman die een Irish Coffee bereidt, en voor de koffie met slagroom 6% btw moet rekenen, maar voor de scheut whisky erin 21%. Over administratieve rompslomp gesproken.

De enige reden dat we nog een laag tarief hebben is omdat politici bang zijn voor de belangengroepen die hun impliciete subsidie niet kwijt willen. Stap over die angst heen en verhoog het lage tarief niet alleen, maar schaf het meteen helemaal af. Voer dan een uniform btw-tarief in van — bijvoorbeeld — 16%. Voor plakboeken én voor kleurboeken.

(verscheen eerder in FD)

Juncker nodigt zeven nieuwe landen aan de euro-dis, maar de kok kan dat niet aan

Jean-Claude Juncker deed woensdag precies waarvoor hij is ingehuurd. De voorzitter van de Europese Commissie (EC) hield zijn jaarlijkse rede voor het Europees Parlement over ‘de Staat van de Unie’. Die ziet er beter uit dan de afgelopen crisisjaren, dus Juncker durfde zowaar enige ambitie te tonen.

De Luxemburger zei: ‘Het is de bedoeling dat de euro de munteenheid wordt van de hele Europese Unie. (…) Lidstaten die de euro willen invoeren, moeten dat kunnen doen.’

Daar is geen woord van gelogen, want zo staat het gewoon in het Europese Verdrag: alle EU-lidstaten worden geacht de euro in te voeren. Of preciezer: alle EU-lidstaten, behalve Denemarken en het Verenigd Koninkrijk (die voor zichzelf een uitzonderingspositie hebben geregeld) moeten deelnemen aan de derde fase van de Economische en Monetaire Unie (EMU). Die derde fase ging van start op 1 januari 1999 met de invoering van de euro in de Ding-Flof-Bips-landen.

Deelname is dus niet optioneel. Dat hebben alle lidstaten gezamenlijk vastgelegd in het EU-verdrag. Juncker is ingehuurd als hoeder en uitvoerder van dat verdrag, dus als hij alle EU-lidstaten oproept om de euro in te voeren, doet hij gewoon zijn goedbetaalde werk.

Op dit moment hebben (buiten Denemarken en het VK) zeven EU-landen nog een eigen munt. Dat zijn Zweden, Polen, Tsjechië, Kroatië, Hongarije, Bulgarije en Roemenië. Alleen Zweden was al lid van de EU toen de euro-verplichting werd opgenomen in het verdrag. De Zweden stemden in 2003 per referendum tegen invoering, maar hun handtekening staat wel onder het EU-verdrag. Dus zweeft het land in een juridisch niemandsland van wel moeten, maar niet willen. De Zweden lossen dat op door zich simpelweg steeds niet te kwalificeren voor deelname.

Schermafbeelding 2017-09-24 om 19.35.07

Want terwijl het verdrag alle EU-landen het recht en de plicht geeft om de euro in te voeren, zijn er vijf ‘convergentiecriteria’ waaraan moet worden voldaan. De eerste twee kennen we uit het Stabiliteitspact: tekort onder de 3% bbp, staatsschuld lager dan 60% bbp. Of – zoals daar op typisch Europese wijze aan is toegevoegd – ‘bevredigend dalend’ richting die percentages. De andere drie proberen vast te stellen of een land monetair-financieel genoeg lijkt op het eurogebied. De inflatie mag niet hoger zijn dan 1,5%-punt boven de gemiddelde inflatie van de drie EU-lidstaten met de laagste inflatie. Zo’n regel bestaat ook voor de lange rente. En de wisselkoers van de nationale munt moet minstens twee jaar zonder problemen gekoppeld zijn aan de euro via het wisselkoersmechanisme ERM2. Daarnaast zijn er juridische eisen, die vooral gaan over de onafhankelijkheid van de nationale centrale bank.

‘Eurolanden zouden elkaar nooit financieel te hulp schieten, de ECB zou niet bijspringen als lidstaten op te grote voet leefden. Inmiddels weten we dat de financiële markten deze afspraak nooit hebben geloofd, en dat ze daar ook gelijk in hadden.’

Hoe doen de niet-euro-wel-EU-landen het nu? Behoorlijk goed. Volgens het laatsteConvergentierapport van de EC uit 2016, voldoen de meeste landen alleen niet aan het wisselkoerscriterium. Maar dat is logisch, want geen van de potentiële eurolanden neemt momenteel deel aan ERM2. Dat is vooral een politieke keuze. Hetzelfde geldt voor de wettelijk vastgelegde onafhankelijkheid van de centrale bank. Gewoon een nieuwe bankwet aannemen en het is geregeld.

Logisch dus dat Juncker deze landen aan de eurotafel uitnodigt. Maar is het ook verstandig? Ik denk toch van niet. De convergentiecriteria komen uit de jaren negentig, toen de euro nog werkte op basis van de no-bailout-clausule in het EU-Verdrag. Eurolanden zouden elkaar nooit financieel te hulp schieten, de ECB zou niet bijspringen als lidstaten op te grote voet leefden. Inmiddels weten we dat de financiële markten deze afspraak nooit hebben geloofd, en dat ze daar ook gelijk in hadden. We hebben nu noodfondsen en ECB-reddingsoperaties en misschien straks ook een Europees Monetair Fonds. Aan de eurotafel van Juncker eet men van elkaars bordje. Onder die omstandigheden schieten de convergentiecriteria tekort en moeten we ook kijken of landen welvarend genoeg zijn om de euro in te voeren.

Zweden mag wat mij betreft morgen toetreden. Voor de andere landen geldt: toch nog maar even wachten.

(FD)