Alle berichten van Mathijs

Klimaatkosten: lang voordat nieuwe huizen ‘onbetaalbaar’ zijn geworden, is de prijsstijging al gestopt

Nieuwe huizen moeten energieneutraal worden. Helemaal energieneutraal? Nee, bijna energieneutraal is ook goed. BENG heet dat in bouwjargon: Bijna Energie-Neutraal Bouwen. Europese regels schrijven voor dat eind volgend jaar alle nieuwe gebouwen BENG moeten zijn. Om dat voor elkaar te krijgen, gaat in Nederland komende zomer al het nieuwe bouwbesluit in, met daarin alle BENG-eisen waaraan nieuwbouw moet voldoen.

Over deze eisen ontstond afgelopen week wat onrust. Verzamelaar van bouwkostendata BDB rekende uit dat bouwen gemiddeld zo’n 15% duurder zal worden. ‘Nieuwe woningen 15% duurder door duurzaamheidseisen’, kopte het FD.

BDB is niet de eerste die aan de bel trekt. Afgelopen zomer waarschuwde het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) ook al voor het kostenopdrijvende effect van klimaat- en energiebeleid. ‘Als je een serieus klimaatbeleid wilt, dan hangt daar ook een prijskaartje aan’, stelde EIB-directeur Taco van Hoek.

En daar heeft Van Hoek natuurlijk gelijk in. Klimaatbeleid gaat ons allemaal geld kosten, dus ook de koper van een nieuwbouwwoning. Maar voor iedereen die vreest dat BENG nieuwe huizen in Nederland volstrekt onbetaalbaarder gaat maken, hier toch wat nuancering. Ik begeef me op glad ijs, want de Nederlandse woningmarkt is voor een econoom moeilijk te doorgronden. Het is een diep verstoorde markt waar de overheid zoveel invloed op uitoefent dat normale mechanismes nauwelijks werken. Maar ik waag me er toch aan.

Allereerst wat feiten: nieuwbouwwoningen zijn de afgelopen jaren snel duurder geworden. De prijzen van nieuwe woningen stijgen zelf sneller dan die van bestaande huizen. Tussen 2015 en nu werd nieuwbouw maar liefst 46% duurder. Bestaande woningen stegen in die periode (gemiddeld) 32% in prijs. Dat verschil heeft vele oorzaken. Grondprijzen stegen, de prijs van veel bouwmaterialen schoot omhoog en er wordt tegenwoordig veel binnenstedelijk gebouwd en dat is relatief duur.

Zelfs op de ontregelde woningmarkt heeft zo’n prijsstijging uiteindelijk het logische effect: de vraag naar nieuwe huizen daalt. In het laatste kwartaal van 2017 werden er nog zo’n 9000 nieuwbouwwoningen verkocht, zo blijkt uit cijfers van NVM, het afgelopen kwartaal waren dat er nog maar 6900. Gevolg is dat het aantal nieuwe woningen dat te koop staat het afgelopen jaar is toegenomen met 17%, tot maar liefst 15.900. NVM schrijft: ‘Waar de markt voor bestaande bouw steeds krapper wordt, verruimt de markt voor nieuwbouwwoningen’.

Waarmee maar weer eens is aangetoond dat hogere prijzen uiteindelijk leiden tot lagere verkopen. Niet omdat mensen de nieuwe huizen niet zouden willen kopen – de woningschaarste is zeker niet afgenomen – maar omdat ze er geen hypotheek voor kunnen krijgen. De hypotheekregels zijn streng en banken zijn bang om ze te overtreden, dus als nieuwbouw duurder wordt, is het moeilijker om een koper te vinden. Gooi nog eens 15% op de aanschafprijs wegens de BENG-regels en de effectieve vraag zakt nog verder in. De wal keert het schip.

Maar waar blijft die 15%, als het niet of onvolledig in de prijs kan worden doorberekend? Moet de bouwer de hogere bouwkosten in z’n winstmarges absorberen of snijden in loonkosten? Dat lijkt onwaarschijnlijk, want de bouwsector kreunt onder een tekort aan mensen en tenzij het stikstofprobleem opeens zorgt voor een recessie in de bouw, zullen aannemers niet willen inleveren.

Waar laten we de BENG-kosten dan? In de grondprijs, natuurlijk. Dat is het onderdeel van de totale kosten van nieuwbouw dat wél kan bewegen. Sterker: de belangrijkste reden dat grond een prijs heeft, is om dit soort aanbodverschuivingen op te vangen.

Dat wist aartsvader van de economie David Ricardo al: grond is duur omdat het graan dat je erop verbouwd duur is, schreef hij. En niet andersom. Op dezelfde manier is bouwgrond duur als bouwen goedkoop is en zal grond dus goedkoper worden als de bouwkosten stijgen.

Een BENG-huis hoeft dus niet zoveel duurder te worden, als gemeentes en andere grondbezitters de economische logica van Ricardo maar volgen.

De kriebelende waarheid: als de insecten verdwenen zijn, is een goed deel van onze economie ook weg

Korenbloem, wilde ridderspoor, akkerleeuwenbek, bolderik en nog veel meer inheemse akkerbloemen bloeiden deze zomer uitbundig in onze tuin. In het vroege voorjaar hadden we het gras afgeplagd en vervolgens lichtjes omgespit. Toen kon er gezaaid worden. Een bedrijf in het Friese Nijberkoop kweekt inheemse wilde planten en levert zaadpakketten op bestelling. ‘Zo draagt u bij aan een goede leefomgeving voor insecten’, stelt men op de website. ‘Daarnaast maakt u met wilde bloemen uw leefomgeving mooier.’

Dat laatste voordeel was de belangrijke reden geweest voor het akkerbloem-experiment in de tuin. Maar de wens om iets voor de insectenstand te doen speelde ook mee. In die zin was het dubbel geslaagd. Want behalve een fantastische bloemenzee, genoten we opeens ook van vele soorten bijen, vlinders en andere vliegende zomerconfetti. Midden in het soms eenzijdige Noord-Hollandse landbouwgebied, hadden we opeens ons eigen insectenreservaat.

Een pyrrusoverwinning, zo blijkt deze week. In wetenschappelijke tijdschrift Nature verscheen een nieuw onderzoek waaruit blijkt dat het met de insecten zeer slecht gaat.

De onderzoekers volgden gedurende bijna tien jaar de insectenstand (of beter: geleedpotigenstand, want men keek ook naar bijvoorbeeld duizendpoten en spinnen) in drie regio’s in Duitsland. Daarbij werd onderscheid gemaakt tussen grasland en bos. Op grasland maten zij een daling van het aantal insecten met maar liefst 78%. In het bos was dit veel minder. Het aantal soorten geleedpotigen nam met ongeveer een derde af. Niet alleen op grasland, maar ook in het bos.

Als u denkt: dit nieuws heb ik eerder gehoord, dan klopt dat. Eerder Duits onderzoek liet ook al een dramatische neergang zien. Maar dat was op basis van metingen door vrijwilligers, en hoewel zeker niet onbetrouwbaar, volgens Nature toch minder wetenschappelijk. In die zin is de Nature-publicatie de wetenschappelijke bevestiging van de eerdere uitkomst.

Vervelend nieuws voor biologen, maar moet een econoom zich hier druk om maken? Uiteraard wel. Ten eerste omdat de insectensterfte waarschijnlijk een gevolg is van economisch handelen. De wijze waarop we landbouw bedrijven en het schaarse land inrichten en gebruiken, zal moeten veranderen. Een deel van de oplossing zal daarom ook ‘economisch’ moeten zijn: we moeten op zoek naar prijsprikkels en verdienmodellen om de natuurschade te verminderen.

Wellicht nog belangrijker: insecten zijn gratis arbeiders. Afgezien van plaagdieren als muggen, bladluizen en buskusmotten, leveren ze een nuttige bijdrage aan de BV Nederland.

Hoeveel precies? Ik heb geen betrouwbaar onderzoek gevonden voor Nederland. Maar Amerikaanse wetenschappers hebben het voor hun land wel een schatting gemaakt. In het artikel The Economic Value of Ecological Services Provided by Insects, uit 2006, stellen ze dat insecten de Amerikaanse economie jaarlijks een kleine $60 mrd opleveren.

Het grootste deel daarvan bestaat uit de dienstverlening van insecten aan de Amerikaanse natuur. Ze ruimen de boel op, bestuiven de bloemen en dienen grotere dieren gedienstig tot voedsel. Amerikaanse burgers kunnen vervolgens van de opgeruimde, bloemrijke en levendige natuur genieten. Of erop jagen. Bij elkaar levert al dit natuurplezier bijna $50 mrd aan welvaart op.

Ook buiten de natuur zorgen vliegen en torretjes voor harde dollars. Het zijn vrijwillige gewasbeschermers en bestuivers in de landbouw. Samen goed voor ruim $7,5 mrd aan extra oogst. Dit bedrag is overigens zonder de bestuifdiensten van de bijen van imkers; het gaat alleen om ‘wilde’ insecten. En dan zijn er ook nog insecten die zich laten opeten door vissen (bijvoorbeeld zalm en forel), waarna die vissen zich weer laten opeten door Amerikanen. Ook de bijdrage van mestkevers aan het opruimen van koeienpoep blijkt uit te drukken in dollars.

Ik kan me voorstellen dat de Amerikaanse onderzoekers nog een flink deel van de economische dienstverlening van insecten zijn vergeten, en dat het verdwijnen van insecten nog allerlei onvoorspelbare kostenposten gaat opleveren. Die zullen ons in elk geval veel meer kosten dan de €13,62 die ik voor twee zakken akkerbloemenzaad betaalde.

(FD)

Buitenlander als CPB-baas

ltijd al leiding willen geven aan zo’n 150 economen? Het Centraal Planbureau zoekt een nieuwe directeur. Bent u een econoom, bij voorkeur gepromoveerd, met een uitstekend ontwikkelde bestuurlijke en politieke sensitiviteit en een scherp oog voor politiek-bestuurlijke verhoudingen en de positie van het CPB daarbinnen? Dan kunt u uw sollicitatiebrief sturen naar het ministerie van Binnenlandse Zaken.

‘Een topeconoom uit het buitenland als baas van het CPB, dat zou wel eens de frisse wind kunnen zijn die Den Haag nodig heeft.’

Of beter: doe het maar niet. Want misschien is het tijd voor een heel andere CPB-directeur. Iemand die juist ongevoelig is voor de precieze bestuurlijke en politieke verhoudingen en z’n ogen dicht doet als het Planbureau buiten de gebaande paden treedt. Gewoon, omdat hij of zij geen idee heeft van de fijngevoeligheden die op de Haagse vierkante meter gelden. De nieuwe CPB-directeur moet een echte outsider zijn.

De kans om zo iemand te vangen is het grootst als we het net wijd uitgooien. Zoek niet alleen in Nederland, maar vertaal de advertentie en zet ‘m in de Financial Times, Le Monde en de Frankfurter Allgemeine. Een topeconoom uit het buitenland als baas van het CPB, dat zou wel eens de frisse wind kunnen zijn die Den Haag nodig heeft. Iemand die geen weet heeft van de Haagse heilige huisjes en dus in heerlijke onwetendheid als een olifant in de porseleinkast te keer kan gaan.

Leg tijdens de inwerkperiode van zo’n buitenlandse CPB-directeur bijvoorbeeld eens precies uit hoe dominant de koopkrachtplaatjes (purchasing power pictures) in de Nederlandse beleidsdiscussie zijn, en hoe weinig waarde de economen van het Planbureau er eigenlijk zelf aan hechten. ‘Maar dan stoppen we daar toch direct mee?’, zal de nieuwe baas in opperste verbazing uitroepen. De koopkrachtdictatuur komt ten einde, en de politiek kan weer over ideeën en idealen praten.

Het CPB hoeft dan ook geen houdbaarheidssommen meer te maken. Zodra de nieuwkomer door krijgt dat deze gaan over de sustainability van de denkbeeldige overheidsfinanciën op hele lange termijn, en niet over de ecologische problemen van vandaag, trekt hij de stekker uit dat project. Zodra hij uitgelachen is.

De doorrekening van verkiezingsprogramma’s gaat ook op de schop. Onderwijsuitgaven tellen straks gewoon mee als investering in de verdiencapaciteit van Nederland. ‘Waarom niet?’, had de nieuwe directeur uitgeroepen. En als partijen voorstellen om uit de Europese Unie te willen stappen en de grenzen dicht te gooien voor arbeidsmigranten, dan hangen de CPB-ers daar gewoon een economisch prijskaartje aan. Want waarom zou je dat niet doen?

FD

Nog onredelijker dan de Walen: PvdA wil handelsverdrag met Canada torpederen

Oh, wat hebben we gelachen om die malle Walen, drie jaar geleden. Hoe haalden de parlementariërs daar het in hun hoofd om het Ceta-verdrag met Canada over handel en investeringen te torpederen? Onder aanvoering van Paul Magnette, de toenmalige socialistische minister-president van Wallonië, een Belgische deelstaat met nauwelijks 3,6 miljoen inwoners, dreigden de Walen de Belgische premier te verbieden het verdrag te ondertekenen.

De rest van Europa kon zich weer eens verkneukelen in de onregeerbaarheid van het koninkrijk België. Maar de Waalse opstandigheid confronteerde ons ook weer met het feit dat het in de Europese Unie veel makkelijker is iets tegen te houden dan iets in gang te zetten. Voor ‘nee’ heb je in Europa vaak maar één tegenstem nodig. Voor ‘ja’ moet iedereen instemmen.

Uiteindelijk kwam er een extra bijlage bij verdrag en kon de ondertekening voor Canada en de EU met een paar dagen vertraging toch doorgaan. We lachten nog een laatste keer om de Waalse stampij, herlazen het boek van Magnette waarin hij de EU de ‘belangrijkste reden voor hoop’ en ‘het tegengif tegen nationalisme’ noemde, en vergaten het hele geval.

Tot deze week de PvdA in de voetsporen van de Waalse socialisten trad. Lodewijk Asscher is de Paul Magnette van 2019, maar dan nog een stuk onredelijker. Zijn partij gaat tegen Ceta stemmen, zo maakte de fractieleider bekend. Zowel in de Tweede Kamer (waar zo’n tegenstem niet doorslaggevend is) als in de Senaat (waar dat wel het geval is). Dat het nota bene de eigen minister Lilianne Ploumen was die tijdens Rutte II het verdrag uitonderhandelde en verdedigde, speelt blijkbaar geen rol. Dat Asscher er zelf tijdens kabinetsvergaderingen meermaals mee zal hebben ingestemd ook niet.

Toen de Walen de kont tegen de krib gooiden, was dat nog op een schappelijk moment. Er was nog geen handtekening gezet. De oprisping van Asscher komt op een veel onredelijker tijdstip. Inmiddels is Ceta ondertekend door alle (democratisch gekozen) Europese regeringsleiders. Ook het (eveneens gekozen) Europees Parlement heeft er mee ingestemd. Ook de Europese PvdA-fractie stemde niet tegen, maar onthield zich van stemming. Zelfs het hoogste rechtsorgaan, het Europees Hof, oordeelde positief over Ceta. Om als Nederland in dit stadium nog met een onverwacht veto te komen, valt niet uit te leggen.

Zeker omdat het handelsdeel van Ceta inmiddels al in werking is getreden, waardoor de meeste tarieven naar nul zijn gegaan. Dat heeft zichtbaar effect op onze export. Ten opzichte van twee jaar geleden is de Nederlandse uitvoer van goederen met zo’n 20% gestegen en bedraagt nu ongeveer €4 mrd per jaar. De export van diensten ligt zelfs 40% hoger dan in 2017 en doet in omvang niet veel onder voor de goederenhandel. Ook de import uit Canada nam toe, met 10% (goederen) en 20% (diensten).

Daarmee is Canada overigens niet een enorm belangrijke handelspartner. Het aandeel van Canada in onze totale export ligt zo rond de 1%. Voor de import is dat ongeveer de helft daarvan. Maar vrijhandel is iets van de lange adem. Bedrijven en nieuwe klanten en toeleveranciers moet elkaar tegenkomen en vervolgens aan elkaar wennen. Het duurt een tijd voordat de voordelen van nieuwe handelsrelaties geoogst kunnen worden. Het zaad begint nu pas net te kiemen, maar boer Asscher besluit met zijn trekker eens flink over de akker te gaan crossen.

Alsof de liberale wereldorde nog niet genoeg onder druk staat. Overal ter wereld wil uiterst rechts de grenzen dicht voor mensen en wil uiterst links de grenzen dicht voor bedrijven. Vroeger was het verstandige compromis: geen van beide krijgt z’n zin. De wereldeconomie — en zeker die van Nederland — voer daar wel bij. Nu lijkt een nieuw compromis in de maak: grenzen dicht voor mensen en ook voor bedrijven. Dat een redelijke en internationaal gerichte middenpartij als de PvdA zich nu bij dit nieuwe compromis lijkt aan te sluiten, is niet om te lachen.

FNV leidt zzp-werkgroep

PSV verloor afgelopen weekend met 0-4 van AZ, terwijl Ajax juist met 4-0 won van Feyenoord. Stel nou dat het bestuur van de Eindhovense voetbalclub denkt zo kan het niet langer. Ajax heeft meer geld en een beter opleidingsbeleid en kan daardoor een veel sterker team opstellen. Dat is voor niemand leuk. Niet voor PSV-fans, maar ook niet voor alle andere voetballiefhebbers. Andere clubs worden kapot geconcurreerd door Ajax. De KNVB moet ingrijpen! Zorg dat Ajax voortaan minder goede spelers opleidt, voer een solidariteitsbelasting in op de Amsterdamse inkomsten en deel die uit aan andere clubs, of verplicht Ajax-spelers desnoods om met aan elkaar geknoopte veters te voetballen. Het maakt niet uit, maar doe iets!

‘Er komt een Ajax-taks belooft de KNVB, een afdracht op zowel inkomen als vermogen van de Amsterdamse club’

De oproep werkt, want de bobo’s schieten in actie. Er komt een speciale Ajax-taks belooft de KNVB, een afdracht op zowel inkomen als vermogen van de Amsterdamse club. ‘Zo kunnen we de Eredivisie weer eerlijk krijgen’, zegt men. De details worden uitgewerkt door een speciale werkgroep. Ajax vindt dit een slecht idee. Men wil best vrijwillig wat afdragen, maar een verplichting gaat te ver. De onrust slaat in Amsterdam vooral toe als de details van de werkgroep bekend worden.

Het overleg zal plaatsvinden in Eindhoven. In de René van de Kerkhof-zaal van het Philipsstadion, om precies te zijn. De lunch kan gebruikt worden in de Ernie Brandts-lounge en na de vergadering kan men wat drinken in het Jan van Beveren Sports Café op de 4e etage. De voorzitter van de werkgroep is ook al bekend: Frans Janssen, directeur Commerciële Zaken van PSV maakt zijn agenda hiervoor vrij.

De uitnodigingen voor de eerste vergadering zijn al uitgegaan. PSV komt met een flinke afvaardiging van bestuur, trainer en spelers. AZ is welkom met eenzelfde groep. De voltallige KNVB-directie schuift natuurlijk ook aan. Namens Ajax zijn er twee afvaardigingen. Allereerst is er een aantal PSV-supporters die zichzelf ‘Vrienden van Ajax’ noemen. Zij zullen namens de Amsterdammers spreken. En alsof dat nog niet genoeg is, zal ook ‘Ajax Nederland’, een belangenclub voor Ajacieden, mee mogen praten. De voorzitter van die club is een voormalige AZ-speler, die inmiddels fan van Ajax is.

Deze werkgroep gaat ervoor zorgen dat Ajax de Eredivisie niet langer kapot maakt met oneerlijke concurrentie. Een vreemde opzet, zegt u? Eens. Maar toch lang niet zo vreemd als vakbonden die samen met de werkgevers, bij nota bene de Stichting van de Arbeid en onder leiding van een FNV-voorzitter, gaan uitmaken hoe alle zzp’ers van Nederland in een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering gedwongen kunnen worden?

(FD)

Pensioengrap

Kent u die mop van de pensioenkortingen? Nou, ze kwamen niet. Waarom niet? Omdat politiek en polder ook nu weer een maatregeltje ritselen om de kortingen uit of af te stellen.

Misschien vergis ik me en worden de regels dit keer niet tijdens het spel herschreven. Misschien wordt 2020 het jaar dat minister en toezichthouder wel doorbijten. Het zou kunnen. Maar sinds de open brief van ’veertig prominenten’ deze maand, waarin een oproep wordt gedaan om de rekenrente te verhogen, reken ik er niet meer op.

‘Onnodig korten is onverstandig’, schrijven de veertig aan de Tweede Kamer. Dat lijkt een open deur, want wie wil er nou iets doen dat onnodig is? Maar de term sluit perfect aan bij de discussie in Den Haag. De voltallige Tweede Kamer riep het kabinet afgelopen zomer per motie op om ‘onnodige kortingen’ te voorkomen. Daarbij werd niet gespecificeerd wanneer een korting ‘onnodig’ is, dus veel stelde die motie niet voor.

Wat is een onnodige korting? Een naïeveling zou denken: een korting die volgens de geldende pensioenregels niet hoeft. Maar zo is het niet bedoeld. De brief van de veertig geeft invulling aan het begrip: het is een korting die niet nodig zou zijn als de rekenrente voor een deel gebaseerd werd op de historische beleggingsrendementen. Zo’n rekenrente is hoger dan de risicovrije die volgens de huidige regels moet worden gebruikt, dus de dekkingsgraden van de fondsen stijgen.

‘We gaan korten, dus de rekenrente kan omhoog, dus we hoeven toch niet te korten’

Als argument voor het gebruiken van deze hogere rekenrente stellen de veertig dat de pensioenuitkering onzeker is. Het feit dat er kan worden gekort is daarvan het bewijs. Een onzekere uitkering hoef je niet met de risicovrije rekenrente te verdisconteren.

We gaan korten, dus de rekenrente kan omhoog, dus we hoeven toch niet te korten. Professor Sweder van Wijnbergen noemde dat een cirkelredenering en daar heeft hij gelijk in. Denk er meer dan een minuut over na, en je wordt vanzelf draaierig.

Toch vrees ik dat het precies is waar Den Haag op zat te wachten: een semiofficiële invulling van het begrip ‘onnodig korten’, waarmee men de pensioenkortingen voor de zoveelste keer op de lange baan kan schuiven. Want de verkiezingen komen eraan en er zijn in 2021 weer meer gepensioneerde kiezers dan vier jaar eerder.

In het pensioenakkoord hebben vakbonden en fondsen plechtig beloofd om in de toekomst dapper te zijn en veel eerder te korten dan nu. Het pensioen wordt minder zeker en dat gaat men helder en eerlijk aan de deelnemers uitleggen. Wat een mop.

(FD)

Vroeger waren ze al desastreus, maar in de huidige economie zijn handelsoorlogen nog verwoestender

De winstwaarschuwing van Philips eerder deze maand bewijst het maar weer eens: handelsoorlogen zijn niet ‘good and easy to win’, zoals Donald Trump in 2018 twitterde. Integendeel, ze zijn slecht en kennen alleen maar verliezers.

Dat gold vroeger al, toen internationale handel nog vooral een zaak was van over landsgrenzen heen verkopen van gereed product. Open grenzen leidden in die tijd tot nationale specialisatie en de voordelen van handel bestonden uit lagere prijzen, betere producten en meer keuze voor de consument. Vrijhandel maakte dat Nederlanders zich konden kleden in schoenen uit Italië en zijde uit China. Introduceer handelsbelemmeringen in zo’n wereld en we lopen allemaal weer in een blauwgeruite kiel, en op klompen van Hollands populierenhout.

Erg genoeg. Maar in de wereld van nu hebben handelsoorlogen een nog veel groter effect. Importtarieven doorsnijden de internationale productieketens waarop multinationale producenten zijn gaan vertrouwen. Handel is niet meer alleen de uitwisseling van eindproducten, maar bestaat vooral uit het rondschuiven van intermediaire producten. Grondstoffen uit het ene land worden halffabricaten in het volgende land, gaan dan door naar een derde land voor verdere bewerking of assemblage, om vervolgens in weer een ander land tot eindproduct te worden verwerkt. Dankzij de globalisering spon de productieketen zich uit tot alle uithoeken van de aarde. Ieder deel van de productie wordt uitgevoerd op de plaats waar dat het beste of goedkoopste kan gebeuren.

Multinationals zoals Philips coördineren deze internationale productieketens. Soms door zelf in meerdere landen te produceren, maar vaak ook door gebruik te maken van lokale toeleveranciers en onderaannemers. Just-in-timeleveranties zorgen ervoor dat de voorraad onderhanden werk in de pijplijn zo klein mogelijk blijft en de financieringslast draaglijk. De internationale productieketen is als een snelweg waar superefficiënte auto’s bumper aan bumper met volle snelheid overheen razen. Zet op deze snelweg ineens een hek of tolpoort neer, en de ramp is niet te overzien.

Er zijn drie redenen waarom een handelsoorlog in een wereld met internationale productieketens zoveel meer pijn doet. Allereerst omdat een product veel vaker de grens over gaat. Eerst als grondstof, dan als halffabricaat, et cetera. Er moet dus telkens worden afgerekend. De totale som aan betaalde tarieven die op het eindproduct drukken, is zo vele malen groter dan bij ‘ouderwetse’ handel.

Ten tweede leidt een handelsoorlog tot kostbare verplaatsingen van productiefaciliteiten. Je ziet dat momenteel gebeuren in China, waar Amerikaanse, maar ook Europese bedrijven hun productie verminderen en verplaatsen naar andere Aziatische landen. Dit gaat in potentie gepaard met grote investeringen en kapitaalverliezen.

Ten slotte zorgt het voor onzekerheid. In het complexe netwerk van internationale relaties tussen producenten, zijn de gevolgen van een handelsschok moeilijk te voorspellen. Je hoeft als bedrijf niet in China te produceren en in de VS te verkopen om last te hebben van de handelsoorlog tussen die landen. Als je toeleveranciers of klanten – of de toeleveranciers en klanten daarvan – wel zaken doen met China en de VS, word je toch geraakt.

Juist een land als Nederland heeft daarom veel te verliezen. Volgens cijfers van de Wereldhandelsorganisatie is onze economie bovengemiddeld blootgesteld aan problemen in de internationale productieketen. Onze zogenoemde Global Value Chain Participation Index (GVCP-index) is een van de hoogste van de wereld. Deze index is een optelsom van twee handelscijfers: het aandeel van buitenlandse input in onze eigen export (‘achterwaartse’ afhankelijkheid) en de hoeveelheid Nederlands (intermediaire) productie die in de export van andere landen terecht komt (‘voorwaartse’ afhankelijkheid). Beide cijfers geven aan hoe belangrijk een land is als schakel in de productieketen.

Een aantal Oost- en Midden-Europese landen hebben een nog hogere GVCP-index, vooral vanwege de vele Westerse investeringen in deze landen. Zuid-Korea en België staan ook net iets hoger. Samen met Nederland zijn dit de landen die enorm profiteren van open grenzen. In tijden van handelsoorlog zijn het de ultieme verliezers.

FD

Boos over idee van negatieve rente? U betaalt waarschijnlijk nu al om te mogen sparen

Banken moeten juist wel negatieve rente rekenen op spaargeld. Dat zei de voorzitter van de European Banking Federation (EBF) vrijdag in het FD. Volgens Jean-Pierre Mustier werkt het rentebeleid van de Europese Centrale Bank pas goed als de banken het doorberekenen aan de klant. De ECB wil dat mensen minder sparen en meer uitgeven, en dat is precies wat negatieve spaarrente kan bewerkstelligen.

Het is vloeken in de Nederlandse kerk. Onze banken vrezen dat zo’n straf op sparen de geschiedenis in zal gaan als de grootste marketingblunder aller tijden. Het levert de bank niet veel op, maar slaat wel voor jaren een gat in de toch al niet bijster sterke reputatie van de banken. Met een beetje pech wordt betalen-om-te-sparen net zoiets als dat kwartje-van-Kok uit 1991, waarvan bij sommige autorijders ruim een kwart eeuw later nog stoom uit de oren komt.

Politici voelen de potentiële woedefactor van negatieve rente haarfijn aan en roepen vast om een verbod. Volgens tv-programma Radar is 96% van de Nederlanders voor zo’n wettelijke maatregel. ‘De banken maken al winst genoeg en bankiers verdienen te veel’, luiden de onderbuikgevoelens. Minister Wopke Hoekstra van Financiën is niet enthousiast over een verbod op negatieve spaarrente, maar sluit het ook niet bij voorbaat uit.

Ophef genoeg. Maar wat tot nu toe nog in de discussie ontbrak is het feit dat de spaarrente al lang negatief is. Of beter: het rendement op spaargeld is voor de meeste spaarders negatief. Niet omdat de inflatie hoger is dan de spaarrente, en ook niet omdat de belastingdienst langskomt voor de vermogensrendementsheffing, maar gewoon omdat de bank per saldo geld vraagt in plaats van geeft.

Voor een simpele betaal- en spaarrekening betaalt u bij de bank iedere maand een klein bedrag. Bij Rabobank, ING en ABN Amro is dat €1,55 per maand, of te wel €18,60 per jaar. Bij SNS Bank kost het €2,75 (€33,00) en bij Triodos €3,00 (36,00). Het kan ook duurder, maar dan krijgt u er bijvoorbeeld een creditcard of tweede rekening bij.

De rentes op direct opvraagbaar spaargeld zijn bij deze banken inmiddels zo ver gezakt, dat alleen grote spaarders deze kosten nog goed kunnen maken. Zo betaalt Rabobank 0,03% rente op een internetspaarrekening. Pas bij een spaartegoed van €62.000 is die renteopbrengst voldoende om de jaarlijkse kosten te dekken. Voor spaarders met een lager tegoed geldt dus nu al dat de spaarrente de facto negatief is.

ING en ABN Armo vergoeden 0,02% rente, dus daar moet je zelfs €93.000 sparen om quitte te spelen. Bij SNS krijg je 0,07%, dus ondanks de hogere kosten loopt het negatieve spaarrendement ‘slechts’ tot €47.000. Triodos, ten slotte, vergoedt al helemaal geen rente meer, waardoor het rendement op ieder spaartegoed per saldo negatief is. Iedereen die roept dat, zodra de spaarrente negatief wordt, hij z’n spaargeld cash opneemt, kan maandag dus al naar de bank rennen.

Maar doe dat liever toch maar niet. Allereerst omdat geld thuis bewaren ook niet gratis is. U moet een kluis kopen, uw diefstalverzekering verhogen en slaapt voortaan misschien een stuk minder lekker met al dat briefgeld in huis. Cash heeft in die zin een nog veel negatiever rendement.

Bovendien: waarom denken wij eigenlijk dat we spaarrente horen te krijgen op onze internetspaarrekening? Het geld is direct opvraagbaar en via de app van de bank kun je het in een seconde van spaar- naar betaalrekening swipen. Het is eigenlijk helemaal geen spaarrekening, maar een soort tweede betaalrekening; een handig potje om financieel overzicht te houden. Service van de bank, waar we best iets voor mogen betalen.

Echt sparen betekent voor langere tijd afscheid nemen van je geld. Bijvoorbeeld via een termijndeposito. Zet je geld weg voor een, vijf of tien jaar en de bank betaalt gewoon een lage, maar positieve spaarrente. Ook na aftrek van kosten en ook als bankvoorzitter Mustier z’n zin krijgt.

(FD)

Boerenslimheid

De landbouwsector gaat veranderen. En wij gaan dat allemaal betalen. In de winkel en via de belastingen. Het is dat, of de sterfhuisconstructie van prijsdalingen, winsterosie, degradatie van het ecosysteem en langzame ondergang van de Nederlandse landbouw.

Want als er een ding is dat de landbouwers en veehouders dinsdag duidelijk maakten, dan is het dat het zo niet langer gaat. Kijk maar naar de tractoren (trekkers zeggen wij hier in Noord-Holland) waarmee ze naar Den Haag trokken. Dat waren enorme machines die zonder het te merken van snelweg naar zandstrand, naar de modder van het Malieveld reden. Als u bij het boerenbedrijf nog een vrolijk, kleinschalig en ambachtelijk idee had, dan bent u dat na het zien van de optocht van deze indrukwekkende industriële monsters op wielen, toch wel kwijt.

‘Hier zomaar een ideetje: sta boeren bij bedrijfsbeëindiging toe om hun erf voor woningbouw te bestemmen’

Landbouw is een grootschalige, internationaal opererende industrie bestaande uit vele kleine familiebedrijven. Lees die zin nog eens en u snapt wat er misgaat. Aan de ene kant de tucht van de internationale markt, prijsdruk van de gierige consument, inkoopmacht van de grote supermarktketens en regelzucht van de politiek.

Aan de ander kant de onmacht van de het familiebedrijf, de druk van schaalvergroting en efficiëntieverhoging en de enorme schuldlast van weer een investering in een grotere, modernere, meer duurzame stal. Wie dacht de onze millennials het zwaar hadden met hun studieschuld, prestatiedruk en keuzestress, moet maar eens een maandje een boerenbedrijf runnen.

Het groei- en productiemodel van grote delen van de landbouwsector is aan drastische vernieuwing toe. Het moet duurzamer en diervriendelijker. Misschien moet een deel van de landbouw richting niet-landgebonden productie in moderne voedselfabrieken op het industrieterrein, terwijl een ander deel juist een grotere rol krijgt bij het ecologische beheer van ons landschap.

Hoe dan ook: de sector zelf heeft niet de financiële reserves om die omslag te financieren. Het geld moet komen uit hogere prijzen voor landbouwproducten in de winkel en subsidies uit Den Haag en Brussel. Zoals ik al zei: wij gaan het allemaal betalen.

Misschien aangevuld met een portie boerenslimheid. Hier zomaar een ideetje: sta boeren bij bedrijfsbeëindiging toe om hun erf voor woningbouw te bestemmen. Niets grootschaligs natuurlijk: gewoon wat koophuizen, een paar huurappartementen en een of twee luxere villa’s. In het Drentse Koekange experimenteren ze al met dit soort ‘dorpseigen uitbreiden’ op het ‘nieuwe boerenerf’. Milieu gered, dorp gered, woningbouw weer op gang en een prima oude dag voor de boer.

FD

Pensioenbestuurders willen de brandstofmeter aanpassen, zodat het lijkt of er meer kerosine in de tank zit

Stel: de linkermotor van het vliegtuig valt uit. Wat doet de piloot? Die raakt niet in paniek, want hier heeft hij voor getraind. Hij grijpt de stuurknuppel en wil naar bakboord zwenken. Dan merkt hij dat de rolroeren op de vleugels ook defect zijn. Weer geen paniek. Met het staartroer kun je ook sturen. Als dat dat het tenminste nog zou doen… En dan begint de motor op rechts te sputteren….

Maakt u zich geen zorgen, dit was geen vakantievlucht naar Alanya, maar een training in de simulator. Piloten worden continu getraind om met stapeling van risico’s om te gaan. ‘Maar wat doe je als vervolgens dit gebeurt?’ is de vraag waarop ze altijd een antwoord klaar hebben.

Logisch dus dat de piloten van KLM die vraag ook stelden toen ze jaren geleden discussieerden over de beleggingsstrategie van hun pensioenfonds. Wat gebeurt er als de aandelen dalen, vroegen ze het fondsbestuur. Wat doen we als de rente daalt? En wat als alles omlaag gaat? Blijft onze dekkingsgraad dan nog wel in de lucht? De beleggingsspecialisten legden uit dat het vrijwel nooit gebeurt dat alles tegelijk omlaag gaat. Maar juist op de term ‘vrijwel nooit’ sloegen de piloten aan. Men besloot om de premies te verhogen en zich in te dekken tegen dit onwaarschijnlijke scenario. Veiligheid voor alles.

Toen kwam 2008 en ging alles omlaag. De kredietcrisis maakte onze rijke pensioenfondsen arm. Maar niet het Pensioenfonds Vliegend Personeel. Dankzij de dure verzekering bleef het fonds gezond. Ook nu nog staat de dekkingsgraad op een keurige 116% en zijn kortingen ver weg.

Natuurlijk had het ook anders kunnen lopen. Als er geen kredietcrisis was uitgebroken hadden de piloten een dure verzekering voor niets afgesloten. Maar ook dan had het fonds het gelijk aan z’n zijde gehad. Wie zeker wil zijn van een bepaalde pensioenuitkering kan niet tegelijkertijd veel risico’s lopen. De strategie van het KLM-fonds paste bij de wensen en verwachtingen van de deelnemers.

Hoe anders is dat bij de meeste andere pensioenfondsen. Men wilde jarenlang flinke beleggingsrisico’s nemen (want dan is de kans op indexatie groot), verzekerde zich niet tegen de lage rente (want de rente zou zeker weer gaan stijgen), terwijl de deelnemers juist een zeker pensioen werd voorgespiegeld. Men vloog in een oude kist met halfvolle tank en zonder reserveonderdelen, maar beloofde dat alle reizigers op tijd op de bestemming zouden aankomen.

Geen pensioenfonds had de kredietcrisis kunnen voorspellen. En geen belegger had kunnen weten dat de rente zo lang zo laag zou blijven. Maar men had wel een strategie kunnen volgen die dit soort risico’s minimaliseert. En de fondsen hadden het jarenlange pensioenoverleg kunnen gebruiken om te pleiten voor een stelsel dat minder afhankelijk is van de grillen van de financiële markten.

Dat heeft men allemaal niet gedaan. Integendeel: de fondsen wilden telkens juist meer risico’s kunnen nemen en bleven voorstander van een pensioenstelsel met harde beloftes en ‘intergenerationele solidariteit’ zodat de risicovrije rekenrente een dominante factor bleef bij het bepalen van de dekkingsgraden.

Mede daardoor is de kredietcrisis in pensioenland nog steeds niet voorbij. Dekkingsgraden keerden nooit terug op niveau’s van voor 2008. Vrijwel geen fonds haalt meer de indexatiegrens van 130%. Ruim 40% van de fondsen haalt zelfs de minimale 105% niet meer. Het komt door de omstandigheden, maar het is tegelijk ook de schuld van de strategie van de fondsen zelf.

Moeten we dan maar gewoon de regels veranderen, zoals ABP-voorzitter Corien Wortmann vrijdag opperde, en arbitrair de rekenrente verhogen? Dat is een onzalig idee. Door de brandstof anders te meten komt er geen milliliter extra kerosine in de pensioentank. Gezagvoerder Wortmann zegt: we hebben voor €1500 mrd aan brandstof in ons vliegtuig, dat moet toch wel genoeg zijn! Maar ze vertelt er niet bij dat aan de passagiers ook een enorme verre reis is beloofd, en dat een harde tegenwind is opgestoken. Een voorzichtige piloot doet juist nu zuinig aan.