Alle berichten van Mathijs

Tweede loopbaan

Wie kan tot z’n 67ste jaar op de steiger staan? Wie kan tot die leeftijd straten maken? Of patiënten uit bed tillen, muren stukadoren, vuilnisbakken sjouwen, branden blussen? Niemand natuurlijk. Dus waarom doen we dan net alsof iedereen in Nederland zomaar twee jaar langer door kan werken?

Het korte antwoord: dat doen we helemaal niet. Ik ken geen econoom die denkt dat stukadoors en stratenmakers zonder problemen kunnen doorwerken tot hun 67ste levensjaar. Maar ik ken ook geen econoom die het logisch vindt dat mensen dergelijk werk tot hun 65ste kunnen doen. Bij de oude AOW-leeftijd haalden mensen met zware beroepen ook zelden de eindstreep. Ze verdwenen voor de pensioenleeftijd vaak in WW, bijstand, arbeidsongeschiktheid of prepensioen. Of ze zochten en vonden halverwege hun werkzame leven ander, minder fysiek belastend werk dat ze wel tot het einde konden volhouden.

Het is dus niet de verhoging van de AOW-leeftijd die het onmogelijk maakt voor mensen in zware beroepen om in hun vak de eindstreep te halen,  want dat lukte toch al niet. Wat de verhoging doet is de schijn wegnemen dat zware beroepen een carrière voor het leven zijn. Bij een AOW-leeftijd van 67 jaar hoeft niemand meer te verwachten dat hij of zij een fysiek zwaar vak tot aan het pensioen kan volhouden. We nemen voor altijd afscheid van het idee dat je een bepaald beroep je hele leven kan doen.

Wat komt daarvoor in de plaats? In de ideale wereld: een fijnmazig systeem dat ervoor zorgt dat mensen met een zwaar beroep halverwege hun loopbaan – zeg ergens tussen het 40ste en 45ste levensjaar – worden doorgeleid naar een ander, minder belastende carrière. Daarvoor is een arbeidsmarkt nodig die switchen van baan beloont in plaats van bestraft.

Werkgevers moeten de prikkel voelen om personeel klaar te stomen voor een tweede carrière en werknemers moeten vrij kunnen beschikken over hun eigen scholingsbudget. We hebben eenvoudig overdraagbare pensioenen nodig, baanonafhankelijke transitievergoedingen en de mogelijkheid van demotie.

En iedere jongere die start in een zwaar beroep moet vanaf de eerste dag gevraagd worden: wat ga je doen als je veertig bent? Zowel werkgever als werknemer moeten deze vraag elk jaar aan elkaar stellen en actie ondernemen om een tweede loopbaan mogelijk te maken.

Of we kunnen natuurlijk besluiten dat verhoging van de AOW-leeftijd gewoon een slecht idee is en de maatregel proberen terug te draaien. Dat deed PvdA-leider Lodewijk Asscher, toen hij vorige week verklaarde spijt te hebben van de snelle verhoging waar hij als minister nog zijn handtekening onder zette. Hij kreeg bijval van links, maar ook van rechts. Want op papier de AOW-leeftijd verhogen is makkelijk, de bijbehorende hervorming van de arbeidsmarkt doorvoeren is vooral heel vervelend. Pas nu zal blijken of Nederland echt durft te veranderen.

(FD)

Italië gaat studeren op het Griekse plan van Varoufakis: een nieuwe, eigen munt naast de euro

Nog geen halfjaar was hij minister van financiën van Griekenland; van eind januari tot begin juli 2015. Maar in die tijd bedacht econoom Yanis Varoufakis meer radicale plannetjes dan elke andere minister tijdens een hele loopbaan. Het opmerkelijkste idee hield Varoufakis lang geheim. Dat was zijn ‘plan B’, waarover hij pas na zijn gedwongen aftreden zou vertellen.

Wat hield plan B in? Het was de introductie van een tweede valuta, buiten de Europese Centrale Bank (ECB) om. Salaris van ambtenaren zou deels worden betaald met zelf gedrukt waardepapier, kortlopende overheidsschuld, gekoppeld aan de euro. Dit papier zou dan kunnen fungeren als een betaalmiddel naast de euro. Mocht Griekenland uit de euro stappen, of eruit worden gezet, dan was het nieuwe betaalmiddel de facto de nieuwe drachme.

Slim bedacht, maar ook nogal riskant. Berichten dat Griekenland zich actief voorbereidde op een ‘grexit’ zouden in 2015 het vuur op de financiële markten verder hebben opgestookt. Bovendien zouden de Duitsers gedacht kunnen hebben: ga dan maar! Uiteindelijk durfde de Griekse premier Tsipras de confrontatie met Europa toch niet aan en hij stuurde Varoufakis de laan uit. Met hem verdween plan B.

Maar misschien toch niet helemaal. Want anno 2018 lijken de Italianen wel wat te voelen voor hun eigen plan B. De coalitiebesprekingen tussen Lega en de Vijfsterrenbeweging zijn deze week echt begonnen en volgens de Italiaanse pers is er nu al overeenstemming om serieus te gaan studeren op plan B: een eigen munt, op basis van overheidsschuld, die parallel aan de euro kan circuleren.

Bot

De werknaam van de nieuwe munt luidt: minibot. De uitgang ‘bot’ komt van de afkorting voor Italiaans schatkistpapier: Buoni Ordinari del Tesoro. Een minibot is dus een piepklein stukje staatsschuld, bijvoorbeeld ter waarde van een euro, dat kan dienen als een tweede binnenlands betaalmiddel. De Italiaanse overheid kan zo de onafhankelijke en min of meer buitenlandse ECB omzeilen. Italië krijgt weer controle over een eigen geldpers. Men kan weer geld uitgeven, de economie gaat weer draaien en de bijkans eeuwigdurende Italiaanse crisis is voorbij.

Want terwijl de meeste eurolanden de crisisjaren inmiddels achter zich hebben gelaten, zitten de Italianen nog vol in crisismodus. Italië is Griekenland in slow motion. Het bruto binnenlands product (bbp) ligt nog altijd onder het niveau van 2008. Het eurogebied als geheel zit daar alweer ruim 8% boven. De Italiaanse werkloosheid daalt wel iets, maar ook dat gaat veel langzamer dan in de rest van het eurogebied. En de enorme Italiaanse staatsschuld (ruim 130% bbp) wil ook maar niet dalen. Alleen de lange rente is de afgelopen jaren netjes omlaag gegaan, en ligt nu zo rond de 2%. Maar dat is niet aan de Italiaanse politiek te danken, maar aan de Italiaanse president van de ECB.

Is plan B een goed idee voor dit land? Nou, ik zou er nog een nachtje over slapen. Allereerst is er in Italië geen gebrek aan geld als betaalmiddel. De euro vervult die rol prima, en – anders dan bij de Grieken in 2015 – is er geen acuut gevaar dat de ECB de Italiaanse banken verbiedt euro’s te produceren.

In principe zou de minibot wel kunnen zorgen voor een verbetering van de concurrentiepositie, als Italiaanse lonen deels in de nieuwe munt worden uitbetaald. Maar dan moet de minibot wel worden losgekoppeld van de euro en dat is levensgevaarlijk.

Want wat zullen Italiaanse spaarders en buitenlandse obligatiehouders denken als er in Italië een tweede munt, los van de euro, wordt gebruikt? Toch zeker dat er een gerede kans is dat ze hun geld uiteindelijk niet in euro’s, maar in minibots terugkrijgen. Invoeren van de minibot is zoveel als op de financiële markten schreeuwen: misschien stappen we wel uit de euro! De eurocrisis is dan meteen weer helemaal terug, inclusief stijgende rentes en besmettingsgevaar. Zelfs Varoufakis begreep dat je dit soort radicale plannen geheim moet houden.

(FD)

Jan Tinbergen en de klimaattafels

Onze eerste econoom was meteen ook de beste. Jan Tinbergen (1903-1994) leerde de wereld rekenen met macro-economische modellen, stond aan de basis van de econometrie, stichtte het Centraal Planbureau en won in 1969 de allereerste Nobelprijs voor de Economie. Knappe poldereconoom die hem dat nog nadoet.

Behalve een Nobelprijs kreeg Tinbergen ook z’n eigen economische wet: de Tinbergenregel. Die regel stelt: wie economisch beleid wil voeren heeft net zo veel beleidsinstrumenten als doelstellingen nodig. Of anders geformuleerd: wie minder instrumenten heeft dan doelstellingen, zal moeten kiezen welk doel het belangrijkste is. De Tinbergenregel laat bijvoorbeeld zien dat de centrale bank (met alleen het monetaire instrument) niet tegelijkertijd lage inflatie en hoge economische groei kan nastreven. Voor lage inflatie is hoge rente nodig, maar voor hoge groei juist lage rente. Twee doelstellingen nastreven met slechts één instrument zal nooit lukken.

Het is een briljante theorie. Maar misschien heeft Nederland wel te veel geluisterd naar Tinbergen. We zien nu overal een tekort aan instrumenten, ook waar er een overschot is. Dat is in elk geval de enige manier waarop ik de discussie over klimaatbeleid begrijp.

Nederland heeft in Parijs afgesproken om de opwarming van de aarde onder de twee graden te houden. Op dit moment wordt aan zogenaamde ‘klimaattafels’ gebrainstormd over het beleid dat bij die belofte hoort. Iedereen van het gas, de zee vol windmolens, het land vol zonnepanelen, alle huizen geïsoleerd en ieder een elektrische auto.

Maar wie moet dat gaan betalen? De lage inkomens natuurlijk! Arme huishoudens wonen in oude huizen, rijden in oude autootjes en kunnen nu de energiebelasting al niet betalen. Rijk Nederland laat gewoon de spouwmuur vol purren, koopt een Tesla en is in een keer Parijs-proof.

De energietransitie leidt tot nieuwe armoede en nieuwe inkomensongelijkheid, vrezen zowel columnisten op rechts (zie René Cuperus deze week in de Volkskrant, waar hij klimaat de ‘nieuwe klassenstrijd’ noemt), als ngo’s op links (zie Milieudefensie, die actief ijvert voor klimaatbeleid dat de lage inkomens spaart). Alsof de Nederlandse overheid maar één instrument heeft waarmee zowel de inkomensongelijkheid als de klimaatverandering bestreden moet worden. Alsof de Tinbergenregel hier bindend zou zijn.

Het tegendeel is waar: we kunnen in Nederland hard klimaatbeleid voeren én tegelijkertijd een eerlijke inkomensverdeling nastreven. Er zijn instrumenten genoeg — subsidies, uitkeringen, toeslagen — om de inkomensverdeling te kiezen die men wenst, ook als het klimaatbeleid arm meer treft dan rijk.

Los aan de klimaattafels het klimaatprobleem op. En daarna met andere instrumenten de eventueel ontstane inkomensongelijkheid. Ook Tinbergen zou dat een goed idee vinden.

(FD)

Het belangrijke debat over de EU-begroting wordt niet gediend met spookbeelden over een enorme stijging van de kosten

Driehonderd miljard euro. Dat is een stapel euromunten van de aarde tot de maan, en weer bijna terug. Kortom: buitengewoon veel geld. Geld dat de Europese Commissie er graag bij zou krijgen. De EU krimpt, na het vertrek van de Britten in 2019. Maar de meerjarige begroting voor de periode 2021 tot 2027 die de Commissie woensdag voorstelde, groeit juist enorm.

Tenminste, zo kwam het Multiannual Financial Framework (MFF), zoals de meerjarige begroting officieel heet, in het nieuws. Driehonderd miljard willen ze erbij in Brussel, schreven kranten en nieuwssites. En Nederland pikt dat natuurlijk niet. ‘Onacceptabel’ noemde ons kabinet het commissievoorstel.

Maar in de MFF zelf komt het bedrag van €300 mrd helemaal niet voor. Zoals het FD deze week netjes uitlegde, gaat de huidige MFF uit van €1087 mrd (totaal tussen 2014 en 2020), terwijl de nieuwe MFF €1279 mrd bedraagt. Dat is een toename van nog geen €200 mrd.

Dat is een stapel euro’s van hier tot de maan en een beetje. Nog altijd enorm veel. Totdat je bedenkt dat een euro in 2018 meer waard is dan een euro in 2027. Omdat de EU werkt met meerjarige begrotingen, heeft het weinig zin uitgaven in absolute (euro)waarden te vergelijken. Met dit soort termijnen moet je rekening houden met de tussentijdse geldontwaarding.

Vandaar dat de Europese Commissie behalve de begroting in euro’s, ook de bedragen gecorrigeerd voor inflatie, vermeldt. Dan blijft er weinig over van het idee van een snel stijgende begroting. Zelf schrijft de commissie: ‘Rekening houdend met de inflatie, is [de MFF 2021-2027] vergelijkbaar met de omvang van de huidige begroting 2014-2020.’

Klopt die bewering? Ja, eigenlijk wel. In de grafiek hiernaast heb ik de jaarlijkse begroting van de EU weergegeven. Voor de jaren tot 2018 komen deze bedragen uit de feitelijk vastgestelde begroting, voor latere jaren uit de oude en nieuwe meerjarenraming. Zonder inflatiecorrectie is er sprake van een duidelijke stijging. In 2014 gaf de EU €142,7 mrd uit, in 2027 zal dat naar verwachting €195,9 mrd zijn. Een toename van ruim 37%. Maar rekenend met een jaarlijkse inflatie van 2%, zoals de Commissie in de MFF’s doet, is de stijging slechts 8%. Uitgedrukt in het prijspeil van 2011 (het basisjaar dat in de huidige MFF wordt gebruikt), gaan de kosten van de EU van €132 mrd in 2014 naar €143 mrd in 2027.

Vergelijken we de huidige zevenjaarsperiode met die van 2021 tot en met 2027, dan groeit de begroting (uitgedrukt in prijzen van 2011) in totaal met €21 mrd. Toch net wat minder dan de €300 mrd waar iedereen zich zo over opwond.

Er blijven twee vragen over. Ten eerste, hoezo rekenen met 2% inflatie? De inflatie ligt al jaren onder dat percentage. Dat is natuurlijk zo, maar je moet als opsteller van de begroting toch wat? Nu is de inflatie minder dan 2%, maar wie zegt dat dat tot 2027 het geval is? De ECB mikt op een inflatie van dichtbij de 2%, dus het zou vreemd zijn als een andere Europese instelling daar opeens een andere mening over zou hebben. Bovendien: naast de MFF stellen de EU-landen ook ieder jaar de feitelijke begroting vast. Als de inflatie structureel lager uitvalt, kan daar dus voor worden gecorrigeerd.

Tweede vraag: als er na de brexit nog maar 27 EU-lidstaten over zijn, waarom krimpt de EU-begroting dan niet? Dat is een terechte vraag. Ook al blijft de begroting (zonder inflatie) ongeveer gelijk, er zijn straks minder EU-burgers om de last te dragen. Per persoon zullen de EU-uitgaven stijgen van €272 in 2018 naar €313 in 2019, na de brexit.

Daar kun je voor zijn (‘De EU moet z’n grenzen bewaken en klimaatbeleid voeren, dat mag wat kosten’), of tegen (‘Haal het geld daarvoor maar weg bij de boeren en de arme regio’s’), en dus een vruchtbare discussie over voeren. Angstbeelden over een enorme stijging van het budget, die eigenlijk een inflatiecorrectie is, verstoren zo’n discussie.

(FD)

Trumps hobbymesje

Ruzie maken over internationale handel is van alle tijden. Protectionisme is voor alle politici een oerreflex, dus alleen met internationale afspraken en onafhankelijke instituties die toezien op de nakoming daarvan, lukt het om de wereldhandel een beetje vrij te houden.

Het is daarom bijzonder pijnlijk om te zien hoe Donald Trump die afspraken en instituties de vernieling in helpt. Meestal gebruikt hij daarvoor zijn favoriete gereedschap: de botte bijl. Dan dreigt hij de handelspartners met importtarieven op staal en aluminium, geheel buiten de rechtsorde van de Wereldhandelsorganisatie (World Trade Organisation, WTO) om. Zo hoopt hij ze tot handelsconcessies te dwingen.

Sinds deze week proberen Trump en zijn adviseurs de Europese Unie zover te krijgen om zichzelf een ‘vrijwillig’ quotum voor staalexport op te leggen. Dat dit soort quota niet in overeenstemming zijn met de WTO-regels, maakt blijkbaar niet uit. Europa verzet zich met recht tegen deze aanval op vrijhandel.

Soms laat Trump de botte bijlstaan, en pakt hij een vlijmscherp hobbymesje. ‘Dood door duizend sneden’, noemde men in China de martelmethode waarbij een veroordeelde langzaam in stukjes werd gesneden. Dat is wat de Amerikanen momenteel doen bij het belangrijkste rechtsorgaan van de WTO, de Appellate Body. Dit is een panel van zeven juristen uit verschillende werelddelen, dat uitspraken doet in handelsgeschillen.

Tenminste, er zouden zeven juristen in moeten zitten. In werkelijkheid zijn het er maar vier, want de VS houdt benoemingen van nieuwe leden tegen. De juristen hebben een zittingstermijn van vier jaar, die in het verleden vrijwel altijd nog een keer werd verlengd. Maar de Amerikanen werken daar niet meer aan mee. Het Koreaanse, Mexicaanse en Belgische lid van het panel zijn inmiddels vertrokken en hun opvolging wordt door de VS consequent opgehouden.

Op 1 oktober van dit jaar eindigt de eerste termijn van Shree Baboo Chekitan Servansing, het Mauritiaanse lid van het panel. Als hij geen verlenging of opvolging krijgt, bestaat het rechtsorgaan nog maar uit drie leden. Dat is het absolute minimum, want volgens de WTO-regels moet ieder handelsdispuut door minstens drie juristen worden beoordeeld. De werklast zal voor deze overgebleven drie overweldigend zijn. En pikant: naast de Indiër Ujal Singh Bhatia bestaat de Appellate Body dan uit een Chinese (Hong Zhao) en een Amerikaan (James Bacchus). Bij ongewijzigd Amerikaans beleid is in 2020 alleen nog de Chinese jurist over. De WTO zal dan uiteraard al lang geen uitspraken meer kunnen doen.

Zo laat Trump het internationale handelssysteem doodbloeden. Met agressieve retoriek die landen moet dwingen tot handelsbelemmeringen en met stiekeme sabotage van het rechtssysteem van de WTO. De Europese Unie moet geen haarbreed toegeven en pal voor het mondiale handelssysteem gaan staan.

Stijging van de rente lijkt onvermijdelijk. Maar daarom zal het nog niet gebeuren

“Moet ik bitcoins kopen?” Begin dit jaar werd me dat nog ongeveer dagelijks gevraagd. Maar de laatste tijd hoor ik het nooit meer. Er is nu een nieuwe vraag populair: “Wanneer gaat de rente weer stijgen”. Huizenkopers vragen het, beleggers willen het weten, net als gepensioneerden die hopen op indexatie en studenten met een oplopende studieschuld.

Mijn (slappe) antwoord is dat ik het niet weet. Wie een ‘rentevisie’ heeft, denkt het beter te weten dan de markt en ik geloof niet dat ik de duizenden superslimme, professionele obligatiebeleggers die overal ter wereld continu proberen om vraag en aanbod van lang geld te matchen, structureel te slim af kan zijn.

Maar nu de Amerikaanse tienjaarsrente weer boven de 3% staat, terwijl die van Nederland nog onder de 0,8% blijft, begint het ook bij mij te kriebelen. Zo’n groot verschil in risicovrij rendement tussen de VS en Nederland lijkt onhoudbaar. De rentes in Europa zullen toch wel snel die van de VS achternagaan? Zodra de ECB stopt met opkopen, zodra de krapte op de arbeidsmarkt zich vertaalt in hogere lonen, zodra de stijgende olieprijs zorgt voor hogere inflatie, zodra de binnenlandse bestedingen in Europa verder aantrekken, zodra…

Voor je het weet heb je toch zomaar een rentevisie. Daar is een medicijn tegen: kijken naar de meerjarige rentegrafiek (zie hiernaast). Twintig jaar geleden stond de Nederlandse tienjaarsrente nog op bijna 6%. Daarna begon de grote daling. In 2007 – vlak voor het uitbreken van de kredietcrisis – was er al ruim anderhalf procentpunt af gegaan. Weer tien jaar later stond de rente bijna op nul. Een deel van deze daling komt door de afgenomen inflatie. De reële rente daalde dus minder snel, maar ging toch nog van 3,4% in 1997 naar min 0,3% nu.

Schermafbeelding 2018-05-08 om 10.24.51

Op veel momenten tijdens deze gestage daling dachten economen, beleggers en andere betweters dat de rente nu toch echt het dieptepunt had bereikt en dat een stijging onvermijdelijk was. Telkens zaten zij ernaast.

Een mogelijke verklaring daarvoor is dat de lange rente om structurele redenen zo laag is. Dus niet vanwege conjunctuur, ruim monetair beleid, bezuinigingen door overheden of crisisangst, maar omdat bij de huidige stand van economische ontwikkeling en demografie gewoon een lage rente hoort. De wereld vergrijst en ontgroend, dus iedereen spaart en niemand investeert. Mede daardoor zou de structurele economische groei wel eens op een lager peil zijn komen te liggen. Natuurlijk, de Hannover Messe stond afgelopen week weer vol met producenten van robots en 3D-printers die hogere productiviteit en lagere kosten beloven. Maar in de economische statistieken is van deze ‘vierde industriële revolutie’ nog weinig te zien. De groei van de arbeidsproductiviteit ligt juist op een opvallend laag peil.

In Nederland bijvoorbeeld, steeg de arbeidsproductiviteit de afgelopen tien jaar gemiddeld met slechts 0,7%. In de tien jaar daarvoor was dat nog 1,9%. De lange rente is uiteindelijk niets anders dan het (risicoloze) rendement op kapitaal. Als nieuwe technologie niet leidt tot grote productiviteitsstijging, is een laag rendement op kapitaal het logische gevolg. Wie denkt dat de rente weer snel zal stijgen, gelooft dus eigenlijk in het evangelie van de vierde industriële revolutie.

Misschien zit de relatie tussen rente en productiviteit nog wat ingewikkelder in elkaar. Deze week publiceerden twee economen van De Nederlandsche Bank een artikel op de website VoxEU.org over het mogelijke effect van de lage rente op de productiviteit. Door de lage rente, stellen zij, kunnen slecht presterende bedrijven ten onrechte overleven en blijven zwakke banken overeind. Dat drukt het structurele groeivermogen van een land. Ze testten deze hypothese voor zeven landen en vonden er inderdaad aanwijzingen voor.

Lage groei van de productiviteit kan dus zowel oorzaak als gevolg van lage rente zijn. Lage groei leidt tot lage rente, en die lage rente zorgt weer voor lage groei. Wie durft er nu nog te gokken op een snelle stijging van de rente?

(FD)

De arbeidsmarkt is krap, maar een loonexplosie blijft uit. Wie kunnen we daar de schuld van geven?

De spanning op de arbeidsmarkt neemt zo snel toe, dat de economen van het Centraal Planbureau (CPB) het niet meer kunnen bijbenen. Volgens hun laatste prognose, uit maart, zal de werkloosheid halverwege dit jaar dalen naar 3,9% van de beroepsbevolking.

Op Prinsjesdag vorig jaar voorspelde men nog 4,3%. En toch is men ook nu weer niet optimistisch genoeg. Want, zo bleek deze week uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), de voorspelde 3,9% werkloosheid voor halverwege het jaar hebben we nu al bereikt. Niet alleen loopt de werkloosheid veel sneller terug dan gedacht, ook groeit de werkgelegenheid verrassend snel. En de vacatureteller komt ook alweer dicht bij de recordstand van voor de crisis.

Logisch dat het CBS inmiddels spreekt van een ‘overspannen arbeidsmarkt’. Bijna overal is die spanning inmiddels voelbaar, behalve aan het loonfront. CAO-lonen stegen in het eerste kwartaal van dit jaar met 1,7%. Dat is nauwelijks meer dan de 1,5% van vorig jaar en maar net meer dan de inflatie. De aantrekkende arbeidsmarkt vertaalt zich wel in meer werk, maar niet in duurder werk.

Vakblad Economisch Statistische Berichten (ESB) wijdde onlangs een themanummer aan dit vraagstuk. Een van de verklaringen: er is nog veel verborgen werkloosheid, die niet in het officiële werkloosheidscijfer zichtbaar is. Zo zijn er veel werkende Nederlanders die graag meer uren zouden werken. Zij tellen niet als werkloos (ze hebben immers werk), maar drukken de lonen nog wel.

Dat is ook de verklaring die wordt gegeven in nieuw onderzoek naar achterblijvende lonen in het Verenigd Koninkrijk. In een deze week verschenen working paper stellen de Britse economen David Bell en David Blanchflower dat de arbeidsmarkt in hun land veel minder gespannen is dan je op basis van de lage werkloosheid zou denken. De reden: onvrijwillig deeltijdwerk. Veel Britse deeltijders willen meer uren maken, en vormen zo een verborgen arbeidspool die de loondruk beperkt. Ook in Nederland zijn er veel ‘onvrijwillige deeltijders’. Volgens cijfers van het CBS, dat daar ieder kwartaal via een enquête onderzoek naar doet, waren er eind 2017 maar liefst 705.000 deeltijders die graag meer uren zouden werken. Dat is inderdaad een indrukwekkende arbeidsreserve.

Er zijn ook mensen met een voltijdbaan die aangeven nog meer uren te willen werken. Eind 2017 waren dat er 139.000. Maar omdat deze al een volle werkweek hebben, is dit eigenlijk een wens voor meer overuren. Overwerk is voor werkgevers in de regel duur, dus deze groep zal eerder een verhogend dan drukkend effect op de loonkosten hebben. Bij de verklaring voor de geringe loonstijging spelen deze overijverige voltijders daarom geen rol. Nederland lijkt dus, net als het Verenigd Koninkrijk, een verborgen colonne van onvrijwillige deeltijders te hebben die loonstijging voorkomt.

Maar toch ben ik nog niet echt overtuigd. Want als mensen in een enquête zeggen meer uren te willen maken, handelen ze daar dan ook echt naar? Zijn ze echt direct beschikbaar om die uren aan te bieden als de werkgever hun dat vraagt? Alleen dan heeft deze groep het voorspelde effect op de loonvorming.

 

Er zijn ook veel Nederlanders die zeggen juist minder uren te willen werken. Volgens het CBS geldt dat voor 250.000 deeltijders en 505.000 voltijders. Je kunt je afvragen: als ze echt minder willen werken, waarom doen ze dat dan niet? Er is in Nederland nota bene een recht op deeltijd.Als deeltijders die meer willen werken de lonen laag houden, zorgen deze vol- en deeltijders die juist minder willen werken dan niet juist voor extra loondruk? Op dit moment is de tweede groep zelfs groter dan de eerste. Dat is voor het eerst sinds 2009. Van alle werkenden is 8,1% onvrijwillig deeltijder en 8,7% vol- of deeltijdwerker met een wens voor minder uren. Het is lastig om beide groepen te vergelijken. Maar wie stelt dat onvrijwillige deeltijders de reden zijn voor de lage loongroei, zal toch ook moeten uitleggen waarom al die werkenden die eigenlijk minder willen werken geen omgekeerd effect hebben op de lonen.

(FD)

Zonder interne markt was Nederland misschien wel €65 mrd armer

Vrijhandel in Europa is goed, maar hebben we daar de Europese Unie echt voor nodig? Kan het niet ook met een handelsakkoord? De Britse regering heeft die vraag inmiddels bevestigend beantwoord. ‘Brexit means brexit’, verklaarde premier Theresa May kort na het referendum en dat betekent vertrek uit de Europese interne markt.

Want wie heeft de interne markt nodig, als je ook een op maat gesneden handelsakkoord kunt krijgen? En als dat niet lukt, dan gelden altijd nog de regels van de Wereldhandelsorganisatie (World Trade Organization, WTO). Dus de Britten blijven na de brexit heus wel handel drijven met het Europese vasteland.

 

Je hoort dergelijke redeneringen ook wel eens in Nederland. De kleine, maar luidruchtige groep die zich beijvert voor een ‘nexit’ – het vertrek van Nederland uit de EU – wil wel graag de open grenzen voor invoer en uitvoer behouden. Europa hoeft van hen alleen maar een handelsakkoord te zijn. Aan de handel hebben we immers onze welvaart te danken. De rest is ondemocratisch, dictatoriaal en … Ach, u kent dat liedje wel.

Rekenen

Het is moeilijk debatteren, want hoe bewijs je dat de interne markt ons meer oplevert dan een simpel handelsakkoord zou doen? Er zijn immers geen harde cijfers over handel en welvaart in een Europa zonder EU, dus er is geen vergelijkingsmateriaal.

Maar je kunt er wel aan rekenen. De afgelopen paar jaar zijn door onderzoekers nieuwe technieken ontwikkeld om de kosten en baten van vrijhandel onder verschillende hypothetische scenario’s te schatten. Het voert te ver om deze methoden hier te bespreken; bovendien zou dan al snel blijken dat ik niet precies weet hoe een ‘structurele versie van een gravitatiemodel’ werkt. Laat staan dat ik kan uitleggen wat het nieuwe ei van Columbus, de ‘Exact Hat Algebra’-methode, precies doet. Maar onderzoekers zijn dankzij deze innovaties nu in elk geval beter in staat de gevolgen van verschillende handelsregimes door te rekenen.

Moderne technieken

Ook drie economen van de Banque de France, de Franse centrale bank, gingen met de nieuwe technieken aan de slag. Deze maans verscheen het resultaat van hun onderzoek onder de titel: ‘The cost of non-Europe, revisited’. Deze titel is een verwijzing naar de bekende studie van de Europese Commissie uit 1988, waarin de voor- en nadelen van de (toen nog toekomstige) interne markt werden geschat. De Franse economen doen hetzelfde, maar dan terugkijkend en met moderne technieken.

Ze vergelijken de huidige interne markt met twee alternatieve handelsregimes. Het eerste is een normaal regionaal handelsakkoord over im- en exporttarieven zoals landen die overal ter wereld afsluiten. Het tweede een situatie waarbij Europese landen handel drijven volgens de afspraken van de WTO.

Winnaars

Uit de berekeningen blijkt dat de diepe economische integratie van de interne markt, waarbij behalve tarieven ook vrijwel alle andere handelsbelemmeringen zijn weggenomen, zorgt voor twee keer zoveel goederenhandel als een simpel handelsakkoord zou doen. De handel in diensten ligt bijna 60% hoger. Vergeleken met het WTO-scenario zijn de verschillen nog groter.

Die extra handel zorgt voor extra economische groei. Gemiddeld levert de interne markt een EU-lidstaat een 6,6% hoger bruto binnenlands product op, vergeleken met een regionaal handelsakkoord. Ten opzichte van het WTO-regime is dat zelfs 8,2%. Dat is nog zonder de mogelijke welvaartswinst door vrij verkeer van personen en kapitaal.

De verschillen tussen landen zijn groot. Kleine landen in het oosten profiteren veel meer dan grote landen in het westen. Het eurosceptische Hongarije, bijvoorbeeld is als EU-lid ruim 14% beter af dan met een handelsverdrag. Voor landen als Spanje, Italië en – jawel – het Verenigd Koninkrijk is dat veel minder. Griekenland profiteert het minst.

En Nederland? Wij horen overduidelijk bij de winnaars. Met een regionaal handelsakkoord was Nederland 7,6% armer geweest, en onder het WTO-regime zelfs 9,3%. Dat is omgerekend pakweg €65 mrd verlies aan inkomen en bijna het dubbele van wat het Centraal Planbureau eerder veronderstelde.

Die nexit? Ik zou er nog een nachtje over slapen.

Hanzeland is de nieuwe politieke factor in Europa

De ene dag ben je nog gewoon premier van een relatief klein EU-land. De volgende dag word je wakker als keizer van een groot Europees rijk. Je hebt geen 17 miljoen, maar ruim 49 miljoen onderdanen. Je rijk beslaat 2300 kilometer van noord naar zuid, en 2500 kilometer van oost naar west. Van Kiruna in het noorden van Zweden, tot Klein-Kuttingen in de zuidelijke heuvels van Limburg. Van het Letse Zilupe aan de grens met Rusland, tot de kliffen van het Ierse Dún Chaoin aan de rand van de oceaan.

Acht landen vormen samen het nieuwe rijk, de nieuwe machtsfactor in Europa: Nederland, Denemarken, Zweden, Finland, Ierland, Estland, Letland en Litouwen. Het lijkt op het eerste gezicht een toevallig samengeraapt stel landen. Met Nederland als founding father van de EU, Ierland en Denemarken die er in 1973 bij kwamen, Zweden en Finland die zich in 1995 aansloten en de drie Baltische staten die pas in 2004 EU-lid werden. Zes landen gebruiken de euro, twee hebben nog hun eigen munt. Het is bovendien een versnipperd rijk. Sommige van de acht landen delen zelfs geen enkele landgrens met een van de andere.

 

Kunnen we het dan wel een rijk noemen? Eigenlijk niet. En dus is Mark Rutte, de premier van het grootste landsdeel, qua aantal inwoners, misschien ook geen keizer. Maar de Nederlandse premier is wel de bedenker van deze nieuwe coalitie van Europese landen. Bij het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie verliest Nederland een liberale bondgenoot in Brussel. Om te voorkomen dat de Duits-Franse as dan vrij spel krijgt in de discussie over de toekomst van Europa, waren nieuwe bondgenoten nodig. Dus reisde Rutte af naar de noordelijke hoofdsteden om een nieuwe liberale en opbouwend-eurosceptische coalitie te smeden.

Met z’n achten stuurden deze landen vorige maand een brief naar Brussel, waarin ze hun gezamenlijke visie op de toekomst van de Europese Unie uiteenzetten. De groep dringt aan op het naar de letter volgen van de begrotingsregels, het complementeren van de bankenunie en schaart zich achter het idee van een Europees Monetair Fonds dat landen kan assisteren bij het afwikkelen van onhoudbare schuld. Van een transferunie, waarin landen elkaar redden, wil de noordelijke coalitie niets weten. Van structurele hervormingen des te meer.

Het kan de historicus Rutte niet ontgaan zijn dat zijn nieuwe vriendengroep een laat-middeleeuws precedent heeft. Want afgezien van Ierland lijkt het gebied verdacht veel op het oude Hanzeverbond uit de veertiende en vijftiende eeuw. Steden rond de Noord- en Oostzee maakten toen handelsafspraken, waardoor de handel floreerde, van Brugge tot Riga. Volgens sommige historici was het in deze Hanzesteden dat het moderne Europa ontstond.

Toentertijd deden ook steden mee in wat nu België, Duitsland en Polen is. Daar moet de huidige noordelijke samenwerking het (vooralsnog) zonder doen. Maar het grootste deel van het oude Hanzeverbond is vertegenwoordigd.

Hanzeland lijkt me daarom een goede naam voor de nieuwe machtsfactor binnen de EU. De acht lidstaten hebben een gezamenlijk bruto binnenlands product van €2110 mrd. Dat is bijna 14% van de hele EU-economie en na het vertrek van de Britten zelfs ruim 16%. Hanzeland is dan de op twee na grootste economie van de EU, net achter Frankrijk. Een machtsfactor van belang.

De begrotingscijfers van Hanzeland zijn keurig. Alle overheden samen komen per saldo zelfs op een klein overschot uit. De staatsschuld bedraagt slechts 54% van het bbp. Vandaar dat men ook zonder veel moeite een gezamenlijke EMU-visie kon ontwikkelen.

Maar de economische banden kunnen nog wel wat strakker binnen het verbond. Nog geen 10% van de Europese export van Nederland gaat naar Hanzeland. Voor de import is dat percentage nog lager. Ook gaat slechts 9,7% van de Europese investeringen van Nederland naar onze nieuwe bondgenoten.

Tijdens Rutte’s volgende reis langs de Noord- en Oostzee moet hij maar een handelsmissie meenemen.

(FD)

Onze data zijn van ons

Moet Facebook worden opgebroken in kleinere delen? Moet de macht van het bedrijf gebroken worden via anti-kartelmaatregelen? Moet het bedrijf misschien aankopen als Instagram en Whatsapp afstoten, zodat het wat van z’n dominantie verliest?

Het zijn logische ideeën. Toen het Amerikaanse Standard Oil begin vorige eeuw 90% van de raffinagemarkt in handen kreeg, greep de overheid immers ook in. De hoogste rechter bepaalde dat de antikartelwetgeving werd overtreden en dwong het bedrijf zich in stukken op te breken. Anno 2018 heeft Facebook een vergelijkbare machtspositie. Wie in contact wil blijven met vrienden, kennissen en mediabedrijven moet zich wel aansluiten bij het netwerk. Zuckerberg is de nieuwe Rockefeller, want informatie (‘data’) is de olie van de 21ste eeuw. De machtspositie van Facebook is evident.

Maar is opbreken of afslanken van Facebook echt de juiste oplossing? Ik denk het niet. Er is een belangrijk verschil tussen de olie-industrie van de vroege 20ste eeuw en de informatie-industrie van honderd jaar later. De eerste was geen echt natuurlijk monopolie. Oliewinning en -raffinage is een activiteit waarvan de kosten dalen naarmate je het grootschaliger aanpakt, dus het was logisch dat Standard Oil bleef groeien. Maar de toenemende schaalvoordelen in de olie-industrie hebben ook een plafond. Standard Oil had niet één grote raffinaderij, die zo enorm was dat niemand er mee kon concurreren. Het bedrijf had er meerdere, op meerdere plaatsen in het land. Die raffinaderijen hadden ook in handen van anderen kunnen zijn. In die zin is de olie-industrie geen natuurlijk monopolie, maar een natuurlijk oligopolie, met meerdere grote aanbieders die allemaal hun kosten minimaliseren.

Bij Facebook ligt dat anders. Omdat het platform interessanter wordt naarmate er meer mensen aan mee doen, is er eigenlijk maar een markt voor één aanbieder tegelijk. De kosten zijn dan het laagst en de opbrengsten het hoogst. Als we zo’n natuurlijk monopolie opknippen, heeft dat dus echte kosten.

Daarom moet Facebook op een heel andere manier worden aangepakt. Niet via kartelwetgeving, maar door het toewijzen van eigendomsrechten. Want van wie is de informatie die Facebook gebruikt en doorverkoopt? Dat is nooit goed gedefinieerd. De wetgever zou moeten zorgen dat persoonlijke gegevens altijd persoonlijk blijven en niet met een enkel vinkje worden weggegeven. Toestemming voor het gebruik van onze informatie moet intrekbaar zijn, met behoud van de functionaliteiten van Facebook. Alleen die functies waarvoor de toegang tot onze data aantoonbaar noodzakelijk is, mogen geblokkeerd worden.

Een markt kan pas goed functioneren als de eigendomsrechten gedefinieerd zijn en afdwingbaar kunnen worden. Hoogste tijd om dat voor Facebook te regelen. En al die andere bedrijven die onze informatie willen vermarkten.

(FD)