Anderhalve meter knelt veel meer in de stad. Tijd om toch weer in het buitengebied te bouwen?

Hoger wonen dan het topje van de Utrechtse Dom, het kan straks in de nieuwe wijk Sluisbuurt in Amsterdam. Op het Zeeburgereiland verrijzen de komende jaren enorme woontorens die wel 125 meter hoog mogen worden. Door de hoogbouw kunnen er op deze snipper land in het IJ straks ruim 5640 huishoudens wonen.

Amsterdam moet wel de lucht in, want de bevolking groeit razendsnel en om de natuur in de omgeving te beschermen, streeft men naar een compacte stad. Liever allemaal hutjemutje op elkaar gestapeld, dan uitgestrekte vinexwijken in het groen. Een compacte, vitale stad, dat is wat Nederlanders willen. Dicht bij werk, restaurant en theater. En dicht bij elkaar, natuurlijk.

Urbanisatie is een wereldwijde trend waar Nederland zich niet aan kan onttrekken. Volgens Rijksbouwmeester Floris Alkemade moeten we die trend omarmen. Zijn ‘Panorama Nederland’ dat vorig jaar verscheen, is een lofzang op de positieve agglomeratie-effecten van de grote stad. Citaat: ‘We gaan dichter bij elkaar wonen en werken, binnen een efficiënt netwerk van verbindingen. De meeste nieuwbouw realiseren we in de bestaande stedelijke omgeving.’ Urbanisatie is de megatrend van deze tijd en er moet wel iets heel bijzonders gebeuren om die trend te keren.

Een pandemie misschien? ‘Dichter op elkaar wonen en werken’, klonk gezellig in 2019. Een jaar later klinkt het vooral gevaarlijk. Sinds corona moeten we afstand houden, niet teveel interacties hebben met andere mensen en drukke plaatsen mijden. In de tram zit niemand meer naast elkaar. Een iets te gezellige barbecue in het stadspark wordt opgebroken door boa’s en de politie. En een sfeervolle demonstratie op de Dam leidt tot woedende Kamervragen en moties van wantrouwen tegen de burgemeester.

Daar zit je dan in je woontoren. De lift is een bron van besmetting geworden. De hippe koffiecorner op de begane grond heeft de anderhalvemetereconomie niet overleefd. En dat je zo lekker op fietsafstand van kantoor met al die inspirerende collega’s woont, maakt voor de post-coronathuiswerker niet meer uit.

Al die mooie agglomeratievoordelen zijn door de pandemie opeens in nadelen veranderd. Wereldwijd slaat het virus vooral in stedelijke gebieden hard toe. Het is er moeilijk om andere mensen te ontlopen. En de anderhalve meter voelt er meer beperkend dan in het buitengebied.

Hoeveel meer? Dat heb ik proberen uit te rekenen. In de anderhalvemetersamenleving heeft iedere inwoner minstens een cirkel met een diameter van 1,5 meter aan ruimte nodig. Hoeveel van die cirkels heeft iedere inwoner van Nederland gemiddeld tot z’n beschikking? Er is een hele tak van wiskunde die ruimtes zo efficiënt mogelijk met cirkels vult, dus daar waag ik me niet aan. Ik ga vierkanten tellen: in een vierkant van 1,5 bij 1,5 meter past precies zo’n cirkel uit de anderhalvemetersamenleving. De oppervlakte van dat vierkant is 2,25 m². Iedere Nederlander heeft gemiddeld 686 van die vierkanten tot z’n beschikking.

Maar in het dichtbevolkte Noord-Holland is dat maar 415. En in Zuid-Holland is er per inwoner zelfs maar ruimte voor 327 coronaveilige vierkanten. Nee, dan Drenthe: daar heeft iedere inwoner maar liefst 2.377 vierkanten aan ruimte. Friesland en Zeeland zitten daar net onder.

Dat de bevolkingsdichtheid in het westen veel hoger is dan in het noorden, wist u natuurlijk wel. Maar misschien maakt mijn eigen manier van meten met de coronavierkanten het gevoel van ruimte en veiligheid, dat we door de pandemie zijn gaan waarderen, duidelijker.

En wellicht dat we dan ook anders en op andere locaties gaan bouwen. Want misschien moeten er in plaats van krappe woontorens in Amsterdam, wel ruimtelijke woonwijkjes in Friesland komen. Voor thuiswerkers die slechts een paar keer per maand naar kantoor hoeven, voor gezinnen die niet nog een keer in lockdown willen op een krappe bovenwoning en voor ouderen die een veilige woonomgeving zoeken.

Ik kan best ongelijk hebben. De trend van urbanisatie laat zich wellicht niet breken, zelfs niet door corona. Maar het lijkt me op z’n minst een serieuze heroverweging waard.

(FD)